terug  begin  verder
[p. 110]
Voor die dit volk
zo vaak, zo wreed frustreerden.

[In haar ogen]

 
In haar ogen
 
zie ik de Vader
 
de Zoon en de heilige Geest.
 
 
 
Twee dichtregels die ogen
 
die onophoudelijk rijmen
 
glanzen als negermuziek
 
je zou blijven staan kijken;
 
voor het verlegen werd
 
buiten de wereld staan
 
niet naar de aarde verlangen
 
steeds maar je zelf verslaan
 
berichten op de voorpagina:
 
 
 
Zij heeft een paar lange armen
 
haar benen muzieken haar rond
 
haar lichaam is een sprankelend duet
 
van zee en van langzame zon.
 
Haar vragen zingt ze je zacht
 
haar afkeuren bitst ze je af
 
ze neemt het werk in handen
 
ze deelt reeds bevelen uit
 
ze keurt af of zegt: ‘Verder!
 
Ik kijk goedkeurend haar aan
 
dan komt ze dichtbij mij staan
 
en fluistert mijn eigen kind
 
smekend vleizacht in het oor:
 
Meneer laga mi parti no?+
 
Ik zing terug: Ta bon mi flor!’
 
En zij met grote mensen flair
[p. 111]
 
deelt uit met kinderlijk air.
 
Triomfantelijk kijkt ze mij aan
 
in haar ogen zie ik God staan
 
mijn handen dorsten gaan
 
verder dan deze zinnen
 
maar de kinderen lawaaiden opeens
 
zij klopten tegen het vers.
 
Ik zei: Ga rustig tekenen
 
ze juichten om dit besluit
 
maar ik kwam mijn vers niet uit.
 
 
 
Ik opende nog de ramen
 
mijn oog dwaalde in de klas
 
alsof het kind mij genas
 
zo voelde ik stuwen het leven
 
dat zong van voeten tot hoofd
 
mijn handen noteerden het hart
 
wat meer slagen per minuut
 
 
 
de chuchubi's hoor ik nog krijsen
 
vallen uit een wabitak
 
de wind als was ik hem vergeten
 
rukken tegen het dak.
 
 
 
Nog is mij dit alles gebleven
 
na jaren liep zij verlegen
 
op een afstand bijna mij tegen
 
mij trof nog altijd het meest
 
de Vader binnen haar ogen
 
de Zoon en de heilige Geest.

+Meneer laga mi parti no?: Meneer mag ik uitdelen?
terug  begin  verder