[p. 114]
[Ik zaai je]
Ik zaai je
plant je
oogst je
in alle tijden.
Nu
hiervoor
hierna.
Jij bent mijn werk-woord
meer nog dan hebben
veel meer nog dan worden
een onverzadigbaar verlangen.
Het paradigma
van mijn hart
ben jij.
Dageraadzacht
als het licht achter
je heuvels
's middags
verknocht met mij
als kleinste schaduw;
gloeiend
tegen de hemel
's avonds;
's nachts
warmte in
al mijn leden.
Middernachtelijk zijt
[p. 115]
en tussen de regels door
mateloos.
Zolang ik leef
ben ik je nu
telkens word ik
jou meer.
Ik zaai je
plant je
groei je;
telkens opnieuw
leef ik je
wonderlijk oogst ik
jou
twee maal
binnen de welkome
handen van
één jaar.