[p. 135]
Quito '72
[Je vraagt mij een gedicht te schrijven]
Je vraagt mij een gedicht te schrijven
en ik zie je schim de schaduw van een hinde
je haar een vlucht donkere vogels
tegen een hemel die de avond nadert
even kan ik mezelf nauwelijks geloven
en we schrijven regels naast en onder elkaar
en nergens lukt het meer verder te schrijven
want als ik je stem hoor en je verlangens
zien mijn ogen het leed van kinderen
slapend in vodden op roosters der straten
zie ik een man met een kast op zijn rug bergafwaarts
het lastdier in de twintigste eeuw;
zie ik de oude vrouw met blauwe nagels een ei openbreken
etend met de laatste hoop der armen
en je blijft vragen naar nieuwe regels
en ik eet met mijn vriend in de gevangenis
die mij vraagt of ook ik ooit heb gezeten
als ik neen zeg, weet ik mij toch niet onvolledig
daar ik de gevangene ben van de gemeenschap
binnen de muren van zijn leugens, haat, vijandschap
zijn onliefde, laster en hypocrisie
zijn traditionalisme, politiek gemodder, slavernij;
voor de kinderen van vandaag na alle bloed
alle leed en verminking in Vietnam
kent de toekomst de donkere dagen
die zij gewoon zullen vinden
maar ik kan dit niet verkroppen
noch de kleine schare van rechtvaardigen
die met mij de leugen zullen tarten
en in een grenzeloze drift en haat
alles wat mooi schijnt niet meer zullen zien
[p. 136]
verwond in eenzame uren je schaduw misschien
heel in de verte de dromen van een groene jeugd
heel in de verte jou met jouw geluk
even dichtbij onbegrijpelijke tederheid
maar dan, dan slaan wij weer af naar vandaag
lachen en praten opgewekt met de krantenjongens
kopen oude groenten bij de boerin die naar India wil
en vergeet dat ze acht kinderen heeft
eten van de druiven van de jonge vrouw zonder kroost
bewonderen de vrouwen die rund per gewicht uitmeten
en minachten de leugenaars en cretinos
die in de ijdele waan de waarheid menen te bezitten
maar de aarde stoort zich niet aan zijn bewoners
de grootmachten snoeven en tellen elkanders passen
en het proletariaat groeit zienderogen aan hun voeten
ook jouw kinderen zullen met de armsten der armen
vechten om een stuk brood, een dronk zuiver water
kruimels zullen wij rapen van de kapitalisten
en ons dood eten bij een feestmaal
in deze vervuilde aarde zullen wij de vergiftigde lucht
inademen en ons zalig prijzen dat wij nog leven
zonder angst misschien de doden begraven
gestorven voor de tijd aangegeven
die stierven omdat zij dit voorzagen;
je vraagt mij een gedicht te schrijven
en ik schrijf de moord
en de zelfmoord der komende generaties
en de doodsangst die mij belet lief te hebben.