[p. 147]
[Bij de post vertraag ik mijn pas]
Bij de post vertraag ik mijn pas
want de God-der-Wereld steekt over
in bilgeperste broek, long hair
nat naar achteren gekamd;
de handen spastisch tegen het lichaam
loopt hij met een zwellend buikje
ik volg dit meubel op weinig versleten hakken
ese cochino de la ciudad
de smerige dekstier with a small penis
de slijmbal gedekt door een brevet
angstverscholen in zijn gringowagen;
dan passeert de verkiezingstruck
pas op voor het zoete gefluit van de vogelaar
bonst een stem in de hitte van elf uur
dit is de laatste kans van het surinaamse volk
de omroeper wenkt naar me
ik groet hem; de poëet vol vrome wensen
herken ik terwijl de God-der-Wereld oversteekt
alsof hij ka in zijn broek heeft zo loopt hij
ik ben misselijk, wil braken
vreemd dat ik voor een schurftige straathond
deze walging mis
ik keer me om, kijk voor me
en spuug mijn mond nadrukkelijk schoon.