[p. 170]
[Een hele boel mensen]
een hele boel mensen
wil ik zien noch ontmoeten
totdat er twee voor me staan
met omwegvragen
met een nerveuze grijns
met kleine doorzichtige leugens
gekruid soms met wat leedvermaak
en terwijl ik de gedachte lees
die ze boereslim verborgen houden
zeg ik vriendelijk als nooit tevoren
echt, om je de waarheid te zeggen
ik vind jullie oprecht geweldig
daarom praten wij ook met je
kaatsen zij vereerd terug
dan tuur ik z.g. verstrooid over de rivier
tot aan haar mistige oevers
hij gaat weer een gedicht schrijven
praten zij net hoorbaar op afstand
en dat maakt mij na al het afhankelijke
weer lekker onafhankelijk