[p. 33]
Bernardo Ashetu
baleh-baleh
Och, dat ik rijk ware
dat ik water had
en land
en wolken,
dat ik rijk ware
en de macht had
om zon en duister,
bloed en adem
te zetten naar mijn wil -
Och, dat ik rijk ware
en het beter had
alleen maar om lang te rusten
om lang en zoet en lang
te rusten een baleh - baleh
met klamboe van rode zijde.
onkruid
Bespot mij niet
vandaag
nu 't mis is
met m'n kleurkrijt.
De tonen zijn
te zwak van
m'n mooie klarinet.
Bespot mij niet
vandaag
nu ik met de
spade omwoel m'n
tuin vol bitter onkruid.
[p. 34]
roet
Ik was tot aan de grens van de zee
bijna bij het einde
toen een loktoon mij terugvoerde
naar dit veren bed
op gras dat reeds lang verdord is.
Iedere avond kom jij dan nog
in 't half-duister schuivend aan
en gooit roet in m'n kleurloos eten
weemoedig
Het was in deze winter dat
de neger met z'n lange rode
mond mij zijn bananen aanbood.
De barre besneeuwde weg waarop
hij eindeloos voortsjokte, had
hij volgestrooid met miljoenen
blokjes ananas. En toen ik
hem betaalde met een schitterend
stukje tropenzon, lachte hij zacht
en zeer weemoedig.
[p. 35]
pias
Juist toen
jij
voorbij moest
was 't rijverkeer gestremd.
Vanwege
een rossige demonstratie
waarbij als pias
ik bont stond opgesteld.
Verschrikt
keek een agent
naar 't bittere teken
op je auto die keerde
en stuivend wegreed.
waterdrager
Ik ben een waterdrager,
slaags geraakt
en
ontevreden.
Stoffig zijn de bloemen langs m'n weg,
stoffig zijn ze en baast verwelkt.
Ik was een minnaar van m'n mes
trots was ik
en
nooit tevreden.
Ik draag 't water als een prins,
machteloos
en
ontevreden.