terug  begin  verder
[p. 40]

Shrinivasi

dit is de dag
 
Dit is de dag
 
die neergestreken
 
bij blinkendblauwe vleugelslag
 
vreugde ontsteekt
 
in rode angalampoes
 
nabij de horizon
 
van mijn verbijsterd hart.

 

dehati
 
Opgebezemd
 
uit de modder
 
met koemest
 
aan de hielen
 
heb ik de drempel
 
van de Stad overschreden.
 
 
 
Ik heb een nieuw geloof beleden
 
van Caritas
 
Justitia.
 
Maar de patriciërs
 
braken het brood
 
nimmer met een elegast.
 
 
 
Toen keerde ik
 
terug naar de rook
 
van de stallen vreemd en
 
verstoten
 
onder mijn eigen volk.
[p. 41]
zegebrief
 
Hoor het klinken van de trom
 
steeds maar door
 
aldoor klinkt het bericht van de damru
 
Met zoete stem verkondigt
 
en roept het uit
 
de van poëzie vervulde nagârâ.
 
 
 
Langzaam
 
zachtjesaaan komt neer in de ogen
 
de vreugderegen
 
De vreugdevolle morgenstond
 
is het eigen hart weggelegd.
 
 
 
Het onheil is verdwenen
 
vernietigd het dodelijk gif
 
In het hart bloeien open
 
groei en sukses
 
gelukbrengende vreugde
 
en de duizendstralige zon.
 
 
 
Door resoluutheid en kracht
 
zijn verkregen
 
voorspoed en rijkdom
 
Eigen inspanning tenslotte
 
heeft ons beroemd gemaakt.
 
 
 
Ik ben
 
jij bent
 
hij is
 
gij zijt
 
wij allen zijn Surinamers
 
Wij allen zijn nobele onderdanen
 
Wij allen zijn welbekende edele bewoners.
[p. 42]
 
Zie al schaterlachend
 
hoe aan het openbloeien is
 
de ‘Lalla Rookh’-glimlach
 
Het hart is vol vreugde
 
Het oog vol vers leven
 
Het gehele land bruist ervan
 
Het overwinningsteken is de zegebrief.
 
 
 
In de oostenwind ligt een geheim besloten
 
overal is het groot feest
 
in Suriname geurt ons toe
 
Bhârats nakomelingschap.
 
 
 
Zie ik ben de landman
 
en jij de bewerkster
 
vet en vruchtbaar is ons land
 
Maar zeg mij wie het bewoont?
 
 
 
De tulpenwangige lieveling
 
De Echtgenote, de Lieftallige, de Beminde
 
De Dochter van het Land is zij
 
En ook zijn Levendraagster.
 
 
 
Zij is de moeder van de toekomst
 
De lamp van goeden huize
 
Licht van het Land
 
Ideaal van het Land
 
Een lieflijke zilveren Zon
 
Zij is de hoop van mijn Land
 
en daarbij mijn enige wens.
 
 
 
Ik ben de bewonderaar
 
jij de aan het Land toegewijde.
 
Mijn innig geliefde
 
Krishna ben ik
 
en gij Râdhâ
 
Je weldoener ben ik.
 
Slaaf ben ik
 
en jij slavin
 
van het gehele Surinaamse Land.
[p. 43]
 
De eeuwen door klinkt
 
alsmaar luidt het
 
het gehele leven door schitter je
 
Jij bent de urinaamse Ster
 
en ik de Surinaamse Kumâr.
 
 
 
Zie in de ogen
 
Kijk in het hart
 
in lichaam geest en rijkdom
 
Overal heerst er zegevreugde
 
vandaag is Suriname één blijde golving
 
Weet je het waarom of weet je het niet?
 
De grootse ontmoeting heeft er plaats
 
van negentig volle jaren.
 
 
 
Zeg dan gezamenlijk
 
van ganser harte
 
uit geheel je wezen
 
Zeg dan gezamenlijk
 
Broeders en Zusters
 
zeg het tezamen
 
met de damru en de nagârâ
 
 
 
Ik ben
 
jij bent
 
hij is
 
gij zijt
 
Wij allen zijn Surinamers
 
Wij allen zijn nobele onderdanen
 
Wij allen zijn welbekende edele bewoners.
[p. 44]
bulähat
 
Kaun râtri men hamke bolâis hai?
 
Avâj bâhar se dhire se âil hai
 
Mâlum nâ hai kaun pukâris.
 
Kâheke hamâr dvâr par âil hai.
 
 
 
Nevtâ lekar... sâid nâv hai
 
Gusâike ke jâne phir laut gail
 
Saramse - âlas ham - rah gaili.
 
Kaun râtri men hamke bolâis hai?
 
 
 
Andhyâr men chirâg lekar
 
Merhi par se â pukâris
 
Jabâb deli gadgad dil se
 
Usko jo hamâr Bhagvân hai.

 

de roep in de nacht
(vertaling van Bulähat)
 
Wie heeft mij geroepen in de nacht
 
Het geluid kwam nauw hoorbaar van buiten
 
Het ontgaat mij wiens stem het is
 
Waarom kwam hij toch op mijn erf?
 
 
 
Was het de nâu soms met de bekende boodschap
 
Wie weet ging hij onthutst terug
 
Vol schaamte bleef ik, de trage, achter.
 
Maar wie heeft mij toch in de nacht geroepen?
 
 
 
In het donker, de lamp in de hand
 
Riep hij op de dam tussen de dhân
 
Ik antwoordde met een vreugdevol hart
 
Hem, die mijn Bhagvân is.

 

[p. 45]
suriname
 
Dit land
 
heb ik gekozen
 
hier geplant
 
in het getij van
 
de dagen en nachten
 
mijn leven,
 
bij de schrokkige zee
 
die het strand
 
van mijn hart
 
aanvreet en
 
stuk slaat
 
op gezette tijden,
 
maar in een vergevingsgebaar
 
legt tussen de wortels
 
van wanhoop
 
kust voor de latere geslachten.

 

drie gedichten
 
Eén
 
voor
 
één
 
de kleinste
 
de oudste
 
zegt mijn rug
 
dan keer ik mij
 
om
 
naar de deur
 
en het witte sleutelgat
[p. 46]
 
Midden het feest
 
sterft 't hart
 
en niemand weet ervan

 

 
kleur
 
kaste
 
godsdienst
 
dit alles speelt een rol
 
en eist
 
het volle pond
 
van hen die eerbaar zijn
 
in goede doen
 
en rijp
 
in deze wereld

terug  begin  verder