[p. 57]
Frits Wols
de huig r
ik zie mijn kinderen opgroeien
in dit kultuurland ik
hoor mijn kinderen praten
in dit hypergeorganiseerde land
ik voel mijn kinderen denken in
het nederlands en ik kijk
berustend toe
maar als ik ‘kon dja’ roep
en mijn kleine kijkt verbaasd
als ik ‘gowe’ roep en
mijn kleine giechelt vreemd
als ik rood zeg en
mijn kleine meid van zeven
gorgelt alsmaar ‘gggood’
dan lust ik plotseling een pils
[p. 58]
wie is de Surinaamse literator?
Wie ia de Surinaamse literator
hij die in het Surinaams schrijft?
hij die het hindi bezigt?
hij die het veilige nederlands
prefereert hoven het jonge taaltje
dat maar moeilijk op gang komt?
ik weiger mij met dit klein burgerlijk
gezwam bezig te houden ik weiger
de ene taal te verkiezen boven de
andere ik ben door het toeval
verzeild geraakt in een spinneweb
van kulturen en talen ik accepteer
mijn toestand ik ben surinamer
en ik onttrek mij niet aan de
konsekwenties daarom schrijf
ik sranang klets ik nederlands
brabbel ik hindi lust ik
pitjel smul ik van tjau min
drink ik kassiri en dans ik
merengue
daarom bewonder ik de schone
klanken van shrinivasi al versta
ik er geen woord van daarom zeg
ik jan tegen de blanke
in suriname al heet hij niet zo
en ik schrijf een ode aan al
mijn collega's die weigeren te weten
wie de Surinaamse literator is want
zij zijn de pioniers de helden
die later geciteerd zullen worden