Chronologisch woordenboek


auteur: Nicoline van der Sijs


bron: Nicoline van der Sijs, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen. Veen, Amsterdam / Antwerpen 2002 (tweede druk)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 97]

Hoofdstuk 2
De oudste bronnen voor het Nederlands

2.0 Inleiding

Dit hoofdstuk draait om de vraag wat de oudste bronnen voor het Nederlands zijn en welke (soort) woorden op basis van deze oudste bronnen gedateerd kunnen worden. Om te kunnen bepalen welke bronnen als Nederlands gelden, wordt het ontstaan van het Nederlands als aparte taal bekeken. De woorden in dit hoofdstuk zijn geselecteerd uit het veld <datering> (met als precisering in principe: ‘ouder dan 1200’). Verder is gekeken naar de bron van de datering: waar, in welke tekst, is het oudste voorkomen gevonden?

Sinds wanneer bestaat het Nederlands? En hoe is het Nederlands ontstaan? Het Nederlands behoort tot de Indo-europese taalfamilie.1 Deze familie is de voorloper van vrijwel alle talen in Europa en verder van een aantal talen in India, Afghanistan en Iran. De Indo-europeanen kwamen waarschijnlijk uit Zuid-Rusland. Vanaf ongeveer 2500 voor Chr. verspreidde het Indo-europees zich vanuit het stamland over een groot gebied. Hierdoor verdween de eenheid die de taal tot op dat moment bezat, want het onderling contact ging verloren en delen van het Indo-europees kwamen in de verschillende gebieden in aanraking met andere talen, die er invloed op uitoefenden. Het gevolg was dat het Indo-europees langzaam uiteenviel in verschillende takken. Een daarvan was het Germaans, en daaruit is later onder andere het Nederlands voortgekomen. Woorden die in alle of althans meerdere Indo-europese of Germaanse talen bestaan, heten erfwoorden; zie 1.2.5.

De Germaanse taalfamilie onderscheidt zich van de andere Indo-europese talen vooral door de Germaanse klankverschuiving, beschreven in de wetten van Grimm. Deze houdt globaal in dat Indo-europees b, d, g in het Oudgermaans overgingen in p, t, k, vergelijk Latijn labium met lip, pedis (tweede naamval enkelvoud) met voet en ager met akker. Bh, dh, gh gingen over in b, d, g, vergelijk Sanskriet bibharmi met geboren. P, t, k gingen over in f, th (als in Engels thought) en ch, vergelijk Latijn cor met Nederlands hart (met h uit ch) en deze medeklinkers gingen volgens de wet van Verner in sommige gevallen weer over in ð, þ, g̱, vergelijk Gotisch fadar naast Latijn pater (in andere posities vond deze overgang niet plaats; vandaar Gotisch broþar naast Latijn frater).2 Dit is een globaal overzicht, en klankverschuivingen kennen allerlei uitzonderingen door bijvoorbeeld analogie.

Op het gebied van de klinkers zijn de veranderingen ruwweg als volgt geweest.3 Het Indo-europees kende geen a. De Indo-europese i bleef in het Germaans en Nederlands bewaard (vergelijk Latijn piscis naast Nederlands vis), de Indo-europese e bleef deels bewaard en veranderde deels in het Germaans en Nederlands in e (vergelijk Latijn sex,

[p. 98]

est naast Nederlands zes, is). De Indo-europese u werd in het Germaans o, u en in het Nederlands veelal o (vergelijk Latijn sunus naast Nederlands zoon). De Indo-europese ŏ veranderde in het Germaans in ă (vergelijk Latijn octo naast Nederlands acht), de Indo-europese ei werd tot ī, maar in het Nederlands werd de ī vanaf ongeveer de vijftiende eeuw gediftongeerd tot ij: Middelnederlands swine is zwijn geworden. De Indo-Europese ū (uitgesproken als lange [oe]) bleef in het Germaans behouden, maar ging in het Nederlands over in uu en later in ui (behalve vóór r, vergelijk vuur). In het Standaardnederlands zijn nog allerlei relicten over met de oude oe, vaak in woorden die in een speciale, huiselijke sfeer werden gebruikt, bijvoorbeeld poes en niet puis. De Germaanse au, die in het Duits deels bewaard bleef, werd in het Nederlands tot ō, vergelijk laufen met lopen.

Verder werd de klemtoon, die in het Indo-europees op iedere lettergreep kon liggen en waarschijnlijk een muzikaal accent was met verschil in toonhoogte, in het Germaans vastgelegd op de eerste lettergreep van een woord, en werd het een dynamisch accent, dat wil zeggen een accent met grote nadruk op de beklemtoonde klinker. Alleen bij werkwoorden met voorvoegsels lag de klemtoon op de stam. Dankzij het vaste dynamische accent verzwakten lettergrepen en uitgangen aan het eind van het woord en vielen zelfs weg.4

De Germanen woonden aanvankelijk in het zuiden van Zweden en Noorwegen, in Denemarken en aan de kust van Duitsland. Van daar zijn ze tussen 1000 en 500 voor Chr. naar het zuiden getrokken, onder andere naar Duitsland; waarschijnlijk kwamen ze een of twee eeuwen voor de jaartelling aan in Noord-Nederland. Hier woonden al mensen, die een andere taal of talen spraken. Deze talen heten substraattalen, omdat ze zijn verdwenen: de oorspronkelijke bevolking assimileerde met de Germanen en nam hun taal over. Wel heeft het Germaans woorden uit deze substraattalen overgenomen.5

Er is weinig over de Germanen bekend, onder andere omdat zij niet konden schrijven - de Germaanse talen zijn pas vanaf de achtste eeuw opgeschreven (afgezien van het Gotisch en wat runeninscripties vanaf de tweede eeuw na Chr.). Toch kennen we uit de oudste periode van het Germaans een groot aantal woorden, omdat de Oostzeefinse talen veel woorden hebben geleend uit het Germaans - de Germanen en de Oostzeefinnen woonden eeuwenlang ieder aan een kant van de Oostzee en hadden over deze zee heen contact. De oudste leenwoorden zijn door de Finnen en Lappen al tussen 1500 en 1000 voor Chr. uit het Germaans overgenomen.6 In die periode was het Germaans nog een eenheid en was er nog geen sprake van Nederlands, dus deze woorden horen niet thuis in een chronologisch woordenboek van het Nederlands.