Hoofdstuk 2
De oudste bronnen voor het Nederlands
2.0 Inleiding
Dit hoofdstuk draait om de vraag wat de oudste bronnen voor het Nederlands zijn en welke (soort) woorden op basis van deze oudste bronnen gedateerd kunnen worden. Om te kunnen bepalen welke bronnen als Nederlands gelden, wordt het ontstaan van het Nederlands als aparte taal bekeken. De woorden in dit hoofdstuk zijn geselecteerd uit het veld <datering> (met als precisering in principe: ‘ouder dan 1200’). Verder is gekeken naar de bron van de datering: waar, in welke tekst, is het oudste voorkomen gevonden?
Sinds wanneer bestaat het Nederlands? En hoe is het Nederlands ontstaan? Het Nederlands behoort tot de Indo-europese taalfamilie.1 Deze familie is de voorloper van vrijwel alle talen in Europa en verder van een aantal talen in India, Afghanistan en Iran. De Indo-europeanen kwamen waarschijnlijk uit Zuid-Rusland. Vanaf ongeveer 2500 voor Chr. verspreidde het Indo-europees zich vanuit het stamland over een groot gebied. Hierdoor verdween de eenheid die de taal tot op dat moment bezat, want het onderling contact ging verloren en delen van het Indo-europees kwamen in de verschillende gebieden in aanraking met andere talen, die er invloed op uitoefenden. Het gevolg was dat het Indo-europees langzaam uiteenviel in verschillende takken. Een daarvan was het Germaans, en daaruit is later onder andere het Nederlands voortgekomen. Woorden die in alle of althans meerdere Indo-europese of Germaanse talen bestaan, heten erfwoorden; zie 1.2.5.
De Germaanse taalfamilie onderscheidt zich van de andere Indo-europese talen vooral door de Germaanse klankverschuiving, beschreven in de wetten van Grimm. Deze houdt globaal in dat Indo-europees b, d, g in het Oudgermaans overgingen in p, t, k, vergelijk Latijn labium met lip, pedis (tweede naamval enkelvoud) met voet en ager met akker. Bh, dh, gh gingen over in b, d, g, vergelijk Sanskriet bibharmi met geboren. P, t, k gingen over in f, th (als in Engels thought) en ch, vergelijk Latijn cor met Nederlands hart (met h uit ch) en deze medeklinkers gingen volgens de wet van Verner in sommige gevallen weer over in ð, þ, g̱, vergelijk Gotisch fadar naast Latijn pater (in andere posities vond deze overgang niet plaats; vandaar Gotisch broþar naast Latijn frater).2 Dit is een globaal overzicht, en klankverschuivingen kennen allerlei uitzonderingen door bijvoorbeeld analogie.
Op het gebied van de klinkers zijn de veranderingen ruwweg als volgt geweest.3 Het Indo-europees kende geen a. De Indo-europese i bleef in het Germaans en Nederlands bewaard (vergelijk Latijn piscis naast Nederlands vis), de Indo-europese e bleef deels bewaard en veranderde deels in het Germaans en Nederlands in e (vergelijk Latijn sex,