Een uitzondering op de regel dat bij verkorting het tweede deel van het woord verdwijnt, vormt het woord cello. Dit is een in het Nederlands gemaakte verkorting van violoncel. In het Italiaans luidt het violoncello, een verkleinwoord van violone (op zijn beurt een vergrotingsvorm van viola ‘viool’); -cello is dus een achtervoegsel dat in het Nederlands een zelfstandig woord is geworden (hetzelfde is in het Duits gebeurd).
Een interessant geval zijn de pa-tates frites, die op twee verschillende manieren zijn verkort: in Nederland tot patat, volgens de regel dat bij verkorting het tweede deel verdwijnt. In Vlaanderen stuitte dit echter op een probleem, want hier bestond het woord patat al voor de aardappel (een leenwoord uit Spaans patata). Daarom werd in het zuidelijk Nederlands patates frites verkort tot frites/friet.125
Ten derde ondergaan uitheemse woorden (onregelmatige) klankveranderingen, waardoor ze nog steeds uitheems lijken, maar een vorm krijgen die in de brontaal niet voorkomt. Voorbeelden zijn bellettrie voor bel-les-let-tres, modinette voor midinette (in het Nederlands onge-twijfeld beïnvloed door mode) en daadwerkelijk voor Duits tatsächlich. Modinette is door een Amsterdams reclamebureau verzonnen als een van de middelen om personeel voor de ateliers aan te trekken.126
De laatste soort pseudo-ontleningen zijn uitheemse woorden die in het Nederlands een betekenis gekregen hebben die in de brontaal niet bestaat, en waarvan de betekenis in het Nederlands niet te verklaren is als betekenis-ontwikkeling van een oudere, geleende betekenis. Zo betekent jacket in de tandheelkunde in het Nederlands ‘kroon’ (in het Engels alleen ‘omhulsel’, een kroon heet crown). Een subgroep hiervan be-staat uit epo-nie-men die in de brontaal alleen voor-ko-men als per-soons-naam, maar in het Nederlands een voor-werp aandui-den, zoals colbert voor een bepaald jasje, molière voor een bepaalde schoen en jaeger voor een bepaalde stof. In het Frans worden met Colbert en Molière alleen een Franse staatsman respectievelijk schrijver aangeduid, en in het Duits is Jaeger alleen de naam van een arts.
De meeste Franse pseudo-ontleningen zijn in het Nederlands gemaakte samenstellingen of afleidingen van twee Franse woorden; de meeste Engelse pseudo-ontleningen zijn ellipsen; de Italiaanse woorden vallen vooral op door hun ‘Italiaanse’ uiterlijk op -o of -i.
Uit de vier manieren waarop pseudo-ontleningen gevormd worden, kunnen we de oorzaken afleiden voor het ontstaan van pseudo-ontleningen. Ten eerste gebrek aan kennis van de brontaal: men meent dat een bepaald woord in de vreemde taal bestaat, terwijl dat niet het geval is. Dat zal gelden voor de verkortingen en de onregelmatige veranderingen. De tweede oorzaak is dat men bewust een woord schept naar het voorbeeld van de vreemde taal, dat men deze taal dus creatief gebruikt. Dat zal gelden voor een deel van de woorden die een eigen betekenis gekregen hebben en voor een deel van de in het Nederlands gevormde samenstellingen en afleidingen. Vaak gaat het dan om reclametaal of modieuze termen. Zo is de ladyshave in Nederland bedacht. De bedenkers veronderstellen dat dergelijke woorden door hun buitenlandse uiterlijk een hogere status krijgen. Dat betekent dus dat de taal waarnaar het nieuwe woord wordt gemodelleerd, een hoge status heeft.
Tot slot is het interessant om op te merken dat verschillende pseudo-ontleningen ook