Chronologisch woordenboek


auteur: Nicoline van der Sijs


bron: Nicoline van der Sijs, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen. Veen, Amsterdam / Antwerpen 2002 (tweede druk)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Voor de taalfeiten gebruikte bronnen

Voor taalkundige gegevens is voornamelijk (maar zie ook de literatuurlijst hierachter) gebruik gemaakt van: Bakker en Dibbets (red.) 1977; Berns en Van Marle (red.) 2000; Bovee 1969: 55-59; Van den Branden 1967; Burger en De Jong (red.) 1999; Debrabandere 1999; Groeneboer (red.) 1997; Molewijk 1992; De Ruiter (red.) 1991; De Schryver e.a. 1998; De Vooys 1952; De Vries, Willemyns en Burger 1993; Van der Wal 1995. Voor de gebarentaal Koenen e.a. 1998 en Nijen Twilhaar 1999. Gegevens over schrijvers komen uit Van Bork en Verkruijsse 1985 en het Winkler Prins Lexicon van de Nederlandse letterkunde 1986.

De woordenboeken zijn gebaseerd op Claes 1974, 1976, 1979; Claes en Bakema 1995; Geeraerts en Janssens 1982; en Van Sterkenburg 1984. Van de woordenboeken is gekozen voor de belangrijkste of eerste op een bepaald terrein; voor andere woordenboeken zie het eerste deel van de literatuurlijst. Van de dialectwoordenboeken zijn alleen de oudste vermeld, uit de negentiende en begin twintigste eeuw, die het begin inluidden van de wetenschappelijke dialectlexicografie, en de omvangrijkste uit de twintigste eeuw. Vooral na de Tweede Wereldoorlog is een zeer groot aantal plaatselijke woordenboeken verschenen; dit is tekenend voor de dialectrenaissance. Een groot aantal hiervan (waaronder álle Zuidelijk Nederlandse) is te vinden op www.flwi.rug.ac.be/dialect/, onder de keuzemogelijkheid ‘Bibliografieën’.

De vermelde Nederlandse en Belgische instituten in het buitenland zijn gebaseerd op de Inventaris culturele en wetenschappelijke instituten buitenland, in 2000 gepubliceerd op initiatief van het anv. Voor hoogleraarsbenoemingen is gebruik gemaakt van Groen 1988 en Jensma en De Vries 1997.

Als geschiedkundige bronnen zijn, behalve de gewone encyclopedieën, de volgende bronnen gebruikt. Voor de geschiedenis van Nederland en België: Beliën en Van Hoogstraten 1998; Blokker e.a. 1999; de driedelige delta-reeks 1992-1993; Van der Horst 2000; Kalendarium. Geschiedenis van de Lage Landen in jaartallen 1999; Vuijsje en Van der Lans 1999. Voor de wereldgeschiedenis: Kalendarium. Wereldgeschiedenis in jaartallen 2000 en Sesam Atlas bij de wereldgeschiedenis 1993-1994.

Suggesties voor de taalfeiten zijn tot slot geleverd door de volgende personen: Henk Bloemhoff (Nedersaksisch), Frans Debrabandere, Anne Dykstra en collega's van de Fryske Akademy (Fries), Jaap Engelsman, Joop van der Horst, Jan Nijen Twilhaar (gebarentaal), Fritz Ponelis (Afrikaans), Harrie Scholtmeijer (Nederlandse dialecten) en Rob Tempelaars.

[p. 588]

Woordenlijst - en - taalfeiten

107 wad*
222-235 twee*
300 trecht <latijn
639 vlier*
639 zaal*
694 donk*
694 ham* ‘aangeslibd land’
694 midden*
698-699 mond*
698-699 ruim*
701-750 boord*
701-800 acht* ‘telwoord’
701-800 af*
701-800 ander* ‘telwoord: de tweede, niet dezelfde’
701-800 bagge*
701-800 barg* ‘gecastreerd mannelijk varken’
701-800 boom* ‘houtachtig gewas’
701-800 borst* ‘lichaamsdeel’
701-800 buik*
701-800 diep*
701-800 dorp*
701-800 dorpel*
701-800 duizend*
701-800 echt* ‘huwelijk’
701-800 gaard*
701-800 geit*
701-800 gelte*
701-800 haan*

57 v.C. - Caesar verovert Noord-Gallië en komt tot de Rijn
12 v.C. - Eerste vermelding van de Bataven of Batavieren in het rivierengebied
12-9 v.C - Drusus houdt veldtochten in Germanië en legt de Drususdam aan bij de splitsing van Waal en Nederrijn, en de Drususgracht, waarschijnlijk de huidige Utrechtse Vecht
16 n.C. - De Rijn wordt definitief de grens van het Romeinse rijk; ten noorden ervan wonen vrije Germaanse stammen zoals de Friezen
69 - Opstand van de Bataven tegen de Romeinen; in de Tachtigjarige Oorlog en de Patriottentijd worden zij een lichtend voorbeeld
238-244 - Eerste vermelding van de Franken
250 - Begin terugtrekking van de Romeinse troepen van de Rijn
357/358 - De Salische Franken worden als bondgenoten opgenomen in het Romeinse rijk
400-800 - Friese runeninscripties
406 - Grote Germaanse inval in Gallië, waardoor het Romeinse gezag verdwijnt; als gevolg hiervan Germaanse volksverhuizingen: Friezen boven de grote rivieren, Franken ten zuiden daarvan, Saksen in het oosten
476 - Val West-Romeinse rijk
481-751 - Frankische rijk o.l.v. de Merovingen
496 - De Merovingische koning Clovis laat zich dopen
526 - Invoering christelijke jaartelling
534 - Op initiatief van keizer Justinianus de Grote verschijnt het Corpus Iuris Civilis, een verzameling van het geldende Romeinse recht, later aan alle West-Europese universiteiten onderwezen
625 - Stichting abdij te Gent
647-650 - St.-Amandus, die in België verschillende abdijen heeft gesticht, is bisschop van Maastricht
695 - De Franken verslaan de Friezen bij Dorestad
695 - De Angelsaksische monnik Willibrord wordt de eerste bisschop van Utrecht
701-800 - Lex Salica, een Latijnse wetstekst met Frankische glossen
725 (ca.) - Eerste vermelding van Vlaanderen, waarmee aanvankelijk alleen de streek rond Brugge en Oudenburg werd aangeduid, in een levensverhaal van bisschop Eligius van Noyon, de Vita Sancti Eligii
[p. 589]

701-800 hand*
701-800 hengst*
701-800 horig*
701-800 kloven*
701-800 lam* ‘jong van een schaap’
701-800 maal* ‘jonge koe’
701-800 manen* ‘herinneren aan’
701-800 manslag*
701-800 merrie*
701-800 negen*
701-800 negentig*
701-800 oor*
701-800 os*
701-800 sperwer*
701-800 stal*
701-800 tien*
701-800 twaalf*
701-800 tweeduizend*
701-800 vee*
701-800 veertig*
701-800 veulen*
701-800 vier*
701-800 viggen*
701-800 vijf*
701-800 vogel*
701-800 vrij*
701-800 weergeld*
701-800 zaak* ‘rechtszaak’
701-800 zes*
701-800 zeven*
709 beer* ‘mensendrek, gier’
709 burcht*
709 heim, heem*
710 hulst*
721 doorn*
723 laak*
726 reep*
741 hout*
751-800 laar*
755-768 aal*
755-768 meer* ‘waterbekken’
771-814 moer* ‘veen’
772-776 ambacht <keltisch
772-776 els* ‘boomsoort’
772-776 meers*
776 a*
776-800 al* ‘onbepaald voornaamwoord’
776-800 almachtig*
776-800 duivel <latijn
776-800 en*
776-800 geest* ‘ziel, onstoffelijk wezen’
776-800 geld* ‘betaalmiddel’
776-800 geloven*
776-800 genoot*
776-800 god*
776-800 heilig*
776-800 ik*
776-800 in*
776-800 noodvuur*
776-800 vader*
776-800 verzaken*
776-800 werk* ‘arbeid’
776-800 woord*
776-800 zijn* ‘bestaan’
776-800 zoon*
777 kerk <grieks
777 op*
777 schoot* ‘deel van lichaam’
777-866 weer* ‘wal, muur’
779 voorde*
788-789 lang*
788-789 rak*
790-793 gouw* ‘gewest, landstreek’
790-793 noord*

725-750 - In Rome ontstaat een permanent centrum (schola) voor Frankische pelgrims
734 - Stichting van een kloosterschool te Utrecht
750-775 - In Rome ontstaat een permanent centrum (schola) voor Friese pelgrims
751-843 - Frankische rijk o.l.v. de Karolingen
754 - De Angelsaksische missionaris Bonifatius wordt bij Dokkum vermoord
768-814 - Regering van Karel de Grote
776-800 - Utrechtse doopbelofte en lijst van heidense praktijken: oudste Nederlandse tekstje
785 - Karel de Grote onderwerpt de Friezen en Saksen
[p. 590]

792-793 mark* ‘grens’
793 eend*
793 woud*
793 zee*
794 maar ‘gracht’ <?
796 made* ‘weide, hooiland’
797 haar* ‘hoogte in het veld’
797 rein*
801 eng* ‘bouwland’
801 land* ‘grond, bouwland’
801-850 hamer*
802-817 veld*
802-822 oost*
806 beuk* ‘boomsoort’
806 telg*
814 beek*
814-815 stil*
815 vrede*
820 drie*
820 lee*
820-822 bar* ‘naakt’
821-823 akker*
822-825 hinde*
822-825 west*
830 loo*
830 otter*
838 horn*
838 wagen* ‘voertuig’
838 weg* ‘baan’
840-875 brug*
847 kamp ‘stuk land’ <latijn
847 wan <latijn
850 heer* ‘leger’
850 woerd* ‘laaggelegen omdijkt land’
851-900 breed*
855 put <latijn
855 schaar* ‘aandeel in de meent’
855 wijk <latijn
856 dal*
856 vorst ‘bos, woud’ <me Latijn
857 stad*
860 es*
865 berg*
870 esp*
870 uit*
875 krom*
876-900 achter*
889 haag*
889 hoeve*
890 monnik <latijn
891-892 loot*
893 huis*
893 oud*
893 zand*
901-1000 aan*
901-1000 aanschijn*
901-1000 aarde* ‘grond’
901-1000 afgrond*
901-1000 aflaat*
901-1000 aks*
901-1000 angst*
901-1000 arbeid*
901-1000 arm* ‘lichaamsdeel’

800 - Karel de Grote wordt keizer; deze titel blijft tot 1918 in Europa bestaan
810-1006 - Invallen van de Noormannen
843 - Verdrag van Verdun luidt de Frankische rijksdelingen in
843-87 - De Nederlanden (zonder Vlaanderen) behoren tot het rijk van Lotharius en zijn zoon, naar hen Lotharingen genoemd
864 - Boudewijn met de IJzeren Arm overwint de Noormannen en wordt de eerste heerser van Vlaanderen; daarom wordt hij Boudewijn i van Vlaanderen genoemd
870-925 - De Nederlanden zijn grotendeels deel van Oost-Frankenland
881 - Lodewijk iii van West-Frankenland verslaat de Vikingen bij Saucourt in Noord-Frankrijk, waardoor ze uit Vlaanderen wegtrekken; dit wordt bezongen in het Oudhoogduitse Ludwigslied
885-1299 - Het graafschap Holland, geregeerd door de graven van het Hollandse huis, breidt zich gestaag uit
[p. 591]

901-1000 arm* ‘behoeftig’
901-1000 armoede*
901-1000 as* ‘verbrandingsresidu’
901-1000 avond*
901-1000 baren*
901-1000 bede*
901-1000 bedriegen*
901-1000 beeld*
901-1000 beginnen*
901-1000 beiden*
901-1000 bekennen* ‘bespeuren, erkennen’
901-1000 bekeren*
901-1000 belgen*
901-1000 berouwen*
901-1000 beschermen*
901-1000 beter*
901-1000 beven*
901-1000 bidden*
901-1000 biecht*
901-1000 bij* ‘voorzetsel’
901-1000 bisschop <latijn
901-1000 bitter*
901-1000 bleek* ‘wit’
901-1000 blijven*
901-1000 bliksem*
901-1000 bloed*
901-1000 bloeien*
901-1000 bode*
901-1000 boek*
901-1000 bok ‘mannetje van de geit’ <?
901-1000 boog* ‘schiettuig voor pijlen’
901-1000 born*
901-1000 boud*
901-1000 bouwen* ‘een huis optrekken’
901-1000 brengen*
901-1000 broeder* ‘mannelijk kind m.b.t. kinderen van dezelfde ouders’
901-1000 bruidegom*
901-1000 buigen*
901-1000 buil* ‘bult’
901-1000 daad*
901-1000 daar* ‘bijwoord van plaats’
901-1000 dag* ‘etmaal, tijd dat het licht is’
901-1000 dagelijks*
901-1000 dan* ‘bijwoord van tijd: op die tijd, in dat geval’
901-1000 dank*
901-1000 dat* ‘aanwijzend voornaamwoord’
901-1000 dat* ‘onderschikkend voegwoord’
901-1000 deel* ‘gedeelte’
901-1000 deerne*
901-1000 dekken* ‘bedekken’
901-1000 delen*
901-1000 denken*
901-1000 deur*
901-1000 die*
901-1000 dienen* ‘geschikt of dienstig zijn, functie vervullen’
901-1000 dier*
901-1000 dij*
901-1000 dijn*
901-1000 ding*
901-1000 dis ‘gedekte tafel’ <latijn
901-1000 dochter*
901-1000 doem*
901-1000 doen*
901-1000 dom* ‘niet wijs’
901-1000 dood* ‘toestand waarin men niet meer leeft’
901-1000 door*
901-1000 dorst*

901-1000 - Wachtendonkse Psalmen, de oudste Nederlandse psalmvertaling
922 - In Egmond wordt het eerste Nederlandse klooster gesticht
925-1648 - Lage Landen onder het Duitse rijk (opvolger van Oost-Frankenland); de Duitse koning is na de 12de eeuw slechts leenheer, de Nederlandse graven en hertogen gedragen zich als zelfstandige landsheren en sluiten zich vaak aan bij Frankrijk of Engeland
[p. 592]

901-1000 drank* ‘drinkbaar vocht’
901-1000 drenken*
901-1000 drinken*
901-1000 drop*
901-1000 druipen*
901-1000 duif*
901-1000 duisternis*
901-1000 dwalen*
901-1000 echt* ‘wettig, werkelijk’
901-1000 een* ‘telwoord’
901-1000 eer* ‘bijwoord van tijd: vroeger’
901-1000 eer* ‘achting, deugd’
901-1000 eerlijk*
901-1000 eeuw*
901-1000 einde*
901-1000 erf <?
901-1000 erg* ‘slecht’
901-1000 eten*
901-1000 euvel*
901-1000 gaan*
901-1000 gaar*
901-1000 gal* ‘bittere vloeistof’
901-1000 gard*
901-1000 gebed*
901-1000 gebieden*
901-1000 gebod*
901-1000 gedachte*
901-1000 geduld*
901-1000 gelieven*
901-1000 gelijk*
901-1000 gelijkenis*
901-1000 gemeen* ‘gemeenschappelijk’
901-1000 genade*
901-1000 genaken*
901-1000 geven*
901-1000 geweld*
901-1000 gezond*
901-1000 gij*
901-1000 glijden*
901-1000 goed*
901-1000 goud*
901-1000 graf*
901-1000 graven*
901-1000 groef*
901-1000 haagdoorn*
901-1000 haar* ‘bezittelijk voornaamwoord’
901-1000 hard*
901-1000 hart*
901-1000 haten*
901-1000 hebben*
901-1000 heden* ‘bijwoord van tijd: vandaag’
901-1000 heer* ‘naam en titel van mannelijk persoon’
901-1000 hees*
901-1000 heet*
901-1000 heil*
901-1000 hel* ‘onderwereld’
901-1000 helpen*
901-1000 hemel*
901-1000 hert*
901-1000 het* ‘persoonlijk voornaamwoord’
901-1000 heuvel*
901-1000 hij*
901-1000 hoe*
901-1000 hoeden*
901-1000 hond* ‘hondachtige’
901-1000 honger*
901-1000 honing*
901-1000 hoofd* ‘kop’
901-1000 hoorn* ‘uitsteeksel aan dierenkop’
901-1000 houden*
901-1000 hulp*
901-1000 ijdel* ‘vergeefs’
901-1000 ijlen* ‘zich haasten, hard lopen’
901-1000 ijselijk*
901-1000 immer*
901-1000 jeugd* ‘het jong-zijn’
901-1000 jongeling*
901-1000 kalf*
901-1000 keel* ‘strot’
901-1000 kennen*
901-1000 keren* ‘wenden’
901-1000 kever*
901-1000 kiem*
901-1000 kind*
901-1000 kinnebak*
901-1000 klauw*

[p. 593]

901-1000 kleven*
901-1000 knaap*
901-1000 koe*
901-1000 koker <me latijn
901-1000 komen*
901-1000 koning*
901-1000 kracht*
901-1000 krachtig*
901-1000 kunne*
901-1000 lap*
901-1000 leem*
901-1000 leeuw <latijn
901-1000 leiden*
901-1000 lende*
901-1000 leren*
901-1000 leugen*
901-1000 leven*
901-1000 licht* ‘uitstraling van zon e.d.’
901-1000 lief*
901-1000 liegen*
901-1000 likken*
901-1000 loeien*
901-1000 lof*
901-1000 lok*
901-1000 loos* ‘vals, slim’
901-1000 lopen*
901-1000 loven*
901-1000 maan*
901-1000 maken*
901-1000 man* ‘mens van mannelijk geslacht’
901-1000 men*
901-1000 menig*
901-1000 met*
901-1000 mij*
901-1000 mijn* ‘bezittelijk voornaamwoord’
901-1000 minnen*
901-1000 misdaad*
901-1000 moeder*
901-1000 moes*
901-1000 morgen* ‘ochtend’
901-1000 mus <latijn
901-1000 muur ‘metselwerk’ <latijn
901-1000 naar* ‘akelig’
901-1000 nacht*
901-1000 nat*
901-1000 neder, neer*
901-1000 neigen*
901-1000 nemen*
901-1000 niet*
901-1000 noch*
901-1000 nu*
901-1000 of* ‘onderschikkend voegwoord’
901-1000 offeren <latijn
901-1000 onder* ‘voorzetsel’
901-1000 ons* ‘bezittelijk voornaamwoord’
901-1000 ooft*
901-1000 oog*
901-1000 over*
901-1000 poort ‘doorgang in muur’ <latijn
901-1000 psalm <latijn
901-1000 psalter <latijn
901-1000 raad*
901-1000 raat*
901-1000 recht* ‘niet gebogen’
901-1000 recht* ‘gerechtigheid’
901-1000 regen*
901-1000 rieken*
901-1000 riet*
901-1000 rijk ‘staat’ <keltisch
901-1000 rijk ‘vermogend’
901-1000 rijkdom
901-1000 rijt*
901-1000 ring*
901-1000 roepen*
901-1000 rook*
901-1000 rug*
901-1000 schaap*
901-1000 schacht*
901-1000 schamen*
901-1000 schedel*
901-1000 schelden*
901-1000 scherp*
901-1000 schier* ‘wit, grijs, grauw’
901-1000 schieten* ‘projectiel met werktuig werpen’
901-1000 schoon*
901-1000 schouwen*

[p. 594]

901-1000 slaan*
901-1000 slang* ‘reptiel’
901-1000 slapen*
901-1000 smeer*
901-1000 sneeuw*
901-1000 spijl*
901-1000 spraak*
901-1000 spreken*
901-1000 staan*
901-1000 stem*
901-1000 sterk*
901-1000 stichten* ‘grondvesten, doen ontstaan’
901-1000 stier*
901-1000 stinken*
901-1000 stoel*
901-1000 stond(e)*
901-1000 stoppen* ‘dichtmaken’
901-1000 strik*
901-1000 stro*
901-1000 tafel <latijn
901-1000 te* ‘voorzetsel’
901-1000 teken*
901-1000 tellen*
901-1000 tijd*
901-1000 toe*
901-1000 tong* ‘orgaan in de mond’
901-1000 toom*
901-1000 tot*
901-1000 treden*
901-1000 tuin*
901-1000 uw*
901-1000 vallen*
901-1000 van*
901-1000 varen* ‘over water gaan (in of van een vaartuig)’
901-1000 vechten*
901-1000 veel*
901-1000 veer* ‘huidbekleedsel van vogel’
901-1000 vel*
901-1000 ver*
901-1000 verdelgen
901-1000 verderven*
901-1000 vergeten*
901-1000 verteren*
901-1000 verzenen*
901-1000 vijand*
901-1000 vinden*
901-1000 vlees*
901-1000 vliegen*
901-1000 vloed*
901-1000 vlucht* ‘ontvluchting’
901-1000 voet*
901-1000 vol*
901-1000 volk*
901-1000 voor*
901-1000 voort*
901-1000 vos*
901-1000 vrijthof*
901-1000 vrucht <latijn
901-1000 vruchten*
901-1000 vuur*
901-1000 waag*
901-1000 waal*
901-1000 waken*
901-1000 wand*
901-1000 wanen*
901-1000 want* ‘nevenschikkend voegwoord’
901-1000 was*
901-1000 wassen* ‘met water reinigen’
901-1000 wassen* ‘groeien’
901-1000 wat*
901-1000 water*
901-1000 weder, weer*
901-1000 weduwe*
901-1000 weer* ‘gecastreerde ram’
901-1000 wees*
901-1000 weide*
901-1000 welk*
901-1000 welp*
901-1000 wereld*
901-1000 werken*
901-1000 werpen*
901-1000 wet*
901-1000 weten*
901-1000 wie*
901-1000 wij*
901-1000 wijden* ‘zegenen’
901-1000 wijn <latijn
901-1000 wijzen*
901-1000 willen*

[p. 595]

901-1000 wit* ‘kleurnaam’
901-1000 woest*
901-1000 woestijn*
901-1000 wolk*
901-1000 wond*
901-1000 wonder*
901-1000 wonen*
901-1000 worden*
901-1000 wraak*
901-1000 zaak* ‘voorwerp, handeling’
901-1000 zacht*
901-1000 zalig*
901-1000 zang*
901-1000 zat* ‘verzadigd van eten of drinken’
901-1000 zede*
901-1000 zeer* ‘pijnlijk’
901-1000 zeer* ‘smart’
901-1000 zege*
901-1000 zelf*
901-1000 zenden*
901-1000 zetten* ‘plaatsen, doen zitten’
901-1000 zich <duits
901-1000 ziel*
901-1000 zij*
901-1000 zijn* ‘bezittelijk voornaamwoord’
901-1000 zilver <akkadisch
901-1000 zingen*
901-1000 zo*
901-1000 zoeken*
901-1000 zoet*
901-1000 zon*
901-1000 zonde*
901-1000 zonder*
901-1000 zorg* ‘toewijding’
901-1000 zuil*
901-1000 zullen*
901-1000 zwaard*
901-1000 zweren* ‘een eed afleggen’
908 geul*
911-948 geest* ‘grond’
918-948 bent* ‘grassoort’
918-948 bever*
918-948 broek* ‘laag drassig land’
918-948 dor*
918-948 hol* ‘leeg’
918-948 nes*
918-948 poel*
918-948 rijs*
918-948 schor* ‘aangeslibd land’
918-948 steen*
918-948 streep*
918-948 valk <latijn
918-948 ven*
918-948 vliet*
918-948 vroon*
918-948 zuid*
944 wierde*
948 koog*
951-1000 oord* ‘plaats, plek’
966 sloot*
970 bij* ‘insect’
972 bies* ‘plantengeslacht’
973 tol ‘doortochtgeld’ <latijn
976 gouw* ‘weg langs water, sloot’
976 hof* ‘omheind stuk grond’
976 kort <latijn
976 kreek*
976-1000 rooien*
991-1000 kruis <latijn
995 ban* ‘afkondiging, uitsluiting’
999 gruit*
1001-1050 amen <latijn
1001-1050 delf*
1001-1050 ook*

1000-1100 - Friese wetten, o.a. 17 keuren en landrechten
1000-1200 - Ontginningen in Holland en Utrecht, waardoor veel nieuwe plaatsnamen opkomen
1065 - Bisschop Willem van Utrecht maakt een pelgrimstocht naar Jeruzalem
[p. 596]

1001-1050 werf* ‘onbebouwde ruimte rond een huis’
1001-1050 westenwind*
1001-1050 wind* ‘luchtstroming’
1001-1100 slochter*
1001-1100 wel* ‘bron’
1001-1100 wolf*
1001-1100 zout*
1001-1100 zwart*
1019-1030 aard* ‘akker’
1022 barg* ‘overdekte hooibergplaats’
1028 zwin*
1035 dijk*
1038 kot*
1040 gerecht* ‘eten in één gang’
1040 groen*
1040 nieuw*
1046 stapel*
1046 wig*
1050 berk*
1050 herfst*
1050 herfstmaand*
1050 hooi*
1050 hooimaand*
1050 kamerling
1050 lente*
1050 lentemaand*
1050 maand*
1050 spellen*
1050 weren*
1050 wiedemaand*
1050 wijs* ‘manier’
1050 winter*
1050 wintermaand*
1059 steur*
1062 waard* ‘laag liggend land’
1064 balk*
1067 duin <keltisch
1076-1100 leek* ‘beekje’
1076-1100 pit ‘gegraven opening met water’
1076-1100 schip* ‘vaartuig’
1080 baar* ‘draagbaar’
1080 boten*
1080 broeien*
1080 hals*
1080 helm* ‘hoofddeksel’
1080 honen* ‘smaden’
1080 krop* ‘voormaag’
1080 loon*
1080 mast* ‘paal’
1080 paling <?
1080 schaar* ‘menigte’
1080 scheen*
1080 spieden*
1080 spoor* ‘prikkel’
1080 stal(letje)*
1080 vouwstoel*
1080 wacht* ‘het waken’
1080 wachten*
1080 want* ‘handschoen zonder vingers’
1083 viertel*
1085 foreest <latijn
1086 maarschalk* ‘stalknecht, opperstalmeester’
1089 bos* ‘woud’
1089 dik*
1091-1100 mos* ‘plantjes’
1091-1100 spannen*
1091-1100 vilt*
1100 antwoord*
1100 bed*
1100 been* ‘onderste lichaamsdeel’
1100 beide*
1100 bevelen*

1066 - Willem van Normandië wordt koning van Engeland; in zijn gevolg zitten ook Vlamingen; vanaf dit moment tot 1700 trekt een gestage stroom Nederlandssprekende handwerkslieden naar Engeland en vestigt zich daar; het Engels kent daardoor een groot aantal Nederlandse leenwoorden
1093 - Oprichting broederschap Sint-Juliaan-der-Vlamingen te Rome
1099-1270 - Kruistochten tegen de islam om het christelijk geloof te beschermen en de heilige plaatsen in Palestina te heroveren of te behouden
[p. 597]

1100 binden*
1100 bloem* ‘uitgebot deel van plant’
1100 boomgaard*
1100 ceder <latijn
1100 danken*
1100 dauw*
1100 de*
1100 deren*
1100 des te*
1100 deugd*
1100 doch*
1100 dood* ‘niet meer levend’
1100 dragen*
1100 drijven* ‘voor zich uit doen gaan’
1100 dronken*
1100 droog*
1100 druif*
1100 dus* ‘bijwoord van kwantiteit: op deze wijze, aldus’
1100 duur* ‘kostbaar’
1100 edel*
1100 een* ‘lidwoord’
1100 eerst*
1100 eigen* ‘van het subject’
1100 eren*
1100 ernst*
1100 gaarne*
1100 gang* ‘loop, wijze van gaan’
1100 gave*
1100 gebaar*
1100 geen*
1100 genoeg*
1100 geschrift
1100 gezel*
1100 gezicht* ‘het zien’
1100 gierig*
1100 grendel*
1100 groeien*
1100 haar* ‘buigbare vezels die op huid van zoogdieren groeien’
1100 hangen*
1100 heg*
1100 helen* ‘genezen’
1100 hevig*
1100 huid*
1100 jong*
1100 keizer <latijn
1100 klagen*
1100 kramp*
1100 kruid* ‘gewas’
1100 kruisigen
1100 kunnen*
1100 kunst*
1100 kussen* ‘zoenen’
1100 lamprei ‘kaakloze vis’ <latijn
1100 leed*
1100 leger* ‘ligplaats (van dier)’
1100 lezen* ‘verzamelen (bv. van aren)’
1100 lichaam*
1100 liggen*
1100 lip*
1100 list*
1100 lokken*
1100 maagd*
1100 maal* ‘valies’
1100 mare*
1100 meer* ‘bijwoord van kwantiteit’
1100 meer* ‘onbepaald telwoord’
1100 min* ‘liefde’
1100 minst*
1100 mirre <latijn
1100 moe*
1100 most <latijn
1100 nap*
1100 nest*
1100 nijd*

1100 - Leidse of Egmondse Willeram, oudste Nederlandse vertaling van het Hooglied
1100 - Oudste Nederlandstalige literaire zinnetje (hebban olla uogala nestas hagunnan), waarnaar een modern Gents orkest de naam ‘Olla Vogala’ heeft aangenomen
[p. 598]

1100 nog*
1100 nood*
1100 offer
1100 olie <latijn
1100 palm ‘boomsoort’ <latijn
1100 penning <?
1100 raaf* ‘zangvogel’
1100 raden*
1100 ree*
1100 richten*
1100 rijp* ‘geschikt voor de oogst’
1100 rok*
1100 scheiden*
1100 schellen*
1100 schenken* ‘gieten’
1100 schenken* ‘geven’
1100 scheppen* ‘putten’
1100 scheren* ‘baard afsnijden’
1100 schijnen*
1100 schild*
1100 schrijven <latijn
1100 schuwen*
1100 smaak*
1100 smal*
1100 snijden*
1100 spoor* ‘voetindruk’
1100 sprong*
1100 sterven*
1100 stijgen*
1100 tachtig*
1100 tegel <latijn
1100 tortelduif
1100 vast*
1100 vat* ‘ton’
1100 venster <latijn
1100 vernemen*
1100 vers ‘dichtregel’ <frans
1100 vijg <frans
1100 vinger*
1100 voegen*
1100 vorderen* ‘eisen’
1100 vragen*
1100 vriend*
1100 waaien*
1100 waard* ‘de genoemde prijs hebbend’
1100 wekken*
1100 wenden*
1100 wierook*
1100 wijd*
1100 wijf*
1100 wijl* ‘tijdsverloop’
1100 wijngaard
1100 worm*
1100 zak ‘verpakkingsmiddel’ <latijn
1100 zalf*
1100 zestig*
1100 zin* ‘zintuig, begrip’
1100 zuigen*
1100 zulk*
1100 zuster* ‘vrouwelijk kind t.o.v. andere kinderen van dezelfde ouders’
1100 zweven*
1100-1150 band* ‘strook stof om te binden’
1101 linde*
1101-1200 bout* ‘voor- of achterpoot van een geslacht dier’
1101-1200 brasem*
1101-1200 brood*
1101-1200 bunder <me latijn
1101-1200 draf* ‘afval na bierbrouwen’
1101-1200 gracht*
1101-1200 haring*
1101-1200 ijsbeen
1101-1200 kabeljauw <?
1101-1200 koren*
1101-1200 mud <latijn
1101-1200 schelvis*
1101-1200 stoop*
1101-1200 winkel*
1101-1200 zaag*
1102-1105 kapel ‘bedehuisje’ <latijn

1101 - Het huidige gebied Holland krijgt zijn naam; voorheen heette het West-Friesland, wat vanaf die tijd gereserveerd is voor het oosten van Noord-Holland
[p. 599]

1102-1105 middel* ‘middelste deel, bv. van lichaam’
1103 veen*
1105 bast*
1105 drecht*
1108 spek* ‘vet’
1108-1121 peel*
1110 staf* ‘stok’
1111-1115 kade <keltisch
1112 molen <latijn
1115 gilde*
1116 graat*
1118 kouter <latijn of frans
1120 krib*
1120 scheren* ‘ordenen, ketting inscheren’
1121 blauw* ‘kleurnaam’
1122 last* ‘vracht’
1125 mout*
1125-1130 gras*
1125-1150 zwet*
1130 deze*
1130 roven*
1130 top* ‘bovenstuk’
1130 wedde*
1130 zuur*
1130-1161 hond* ‘landmaat van 100 roeden’
1130-1161 hoog*
1130-1161 koud*
1130-1161 licht* ‘niet donker’
1130-1161 morgen* ‘landmaat’
1130-1161 polder*
1131 kuil* ‘holte’
1132 grauw* ‘vaalwit’
1133 groed*
1135 geer*
1135 geld* ‘onvruchtbaar (van dieren)’
1135 vorst* ‘nok van een dak’
1135 weiden*
1137 eik*
1137 schout*
1138 bord*
1138-1139 smid*
1139 sluis <latijn
1139 waai*
1139 zwaan*
1140 grijs*
1140 lot*
1140 smout*
1140 wel* ‘bijwoord van modaliteit: goed’
1140 wimpel*
1140-1170 klein*
1145 wisent*
1146 appel*
1146 lies* ‘plant’
1150 bunzing*
1150 rijm* ‘bevroren dauw’
1150 span* ‘lengtemaat’
1150 wrat*
1151-1157 kaag* ‘buitendijks land’
1152 blij*

1106 - Nederlandse kolonisten vestigen zich in het noordwesten van Duitsland, ten zuiden van Hamburg, waar in de dialecten tot op heden Nederlandse sporen te vinden zijn
1108 - Nederlanders vestigen zich in Pembrokeshire in het uiterste zuidwesten van Wales, waar het Pembrokeshire Dutch ontstond, een mengtaal van Nederlands en Welsh die nog in de 17de eeuw zou zijn gesproken maar waarover verder niets bekend is
1113 - Groep Hollandse kolonisten vestigt zich bij Hamburg, waar ze van de aartsbisschop veengrond krijgen ter ontginning (het latere Hollerbroek)
1125 (ca.) - Ontstaan van de Hanze, een handelsverbond, aanvankelijk gericht op Rijnland, Engeland en Frankrijk, later vooral op het Oosten
1134 - Doorbraak Zuiderzee naar de Noordzee, waardoor de West-Friezen gescheiden raken van Friesland
1150 - Nederlandse kolonisten vestigen zich in het noordoosten van Duitsland, in de streken Mecklenburg-Vorpommern en Brandenburg, waar in de dialecten tot op heden Nederlandse sporen te vinden zijn
[p. 600]

1152 brink*
1153 munster <latijn
1153 vierschaar*
1155 heemraad*
1155 varken*
1155 wetering*
1156 knie*
1156 naald*
1156 rood*
1160 braambes*
1160 voeder*
1163 schuit*
1163 tijk <latijn
1163 walvis*
1163-1177 spil*
1165 dam*
1165 schaarde*
1165 schepen*
1165 staak*
1165 verven*
1165 weerwolf*
1165 zwad*
1169 perk <latijn
1170 garf, garve*
1170 gort*
1170 grienen*
1170 houw*
1170 kers* ‘kruisbloemige plant, waterkers e.d.’
1170 vaan*
1174 barnen*
1174 rus* ‘bies’
1174 veer* ‘pont’
1174 wild*
1174-1176 schaal* ‘schil’
1175 spar* ‘staak’
1176 schot* ‘belasting’
1177 licht* ‘niet zwaar’
1177-1187 groot* ‘niet klein’
1177-1187 hoek*
1177-1187 streng* ‘koord, bundel draden’
1177-1187 zomp*
1180 her*
1180 horzel*
1180 krauwen*
1181 wenken*
1181-1190 schaken* ‘een vrouw ontvoeren’
1181-1210 gemet*
1181-1210 paap <grieks
1181-1220 stekel*
1182-1206 hem* ‘buitendijks land’
1185 wildernis*
1187 wiel* ‘kolk’
1188 hil*
1189 tarwe*
1191-1200 stront*
1191-1200 veter*
1197 staart*
1197 stok*
1199 ruw*
1200 als*
1200 altaar <latijn
1200 altoos*
1200 berichten*
1200 christen <latijn
1200 duiden*
1200 edoch*
1200 engel <latijn
1200 genezen*
1200 gerucht* ‘geluid’
1200 geschil*
1200 groeten*
1200 heerlijk*
1200 heffen*
1200 heiden*
1200 hem* ‘persoonlijk voornaamwoord’
1200 heten*
1200 hof* ‘omgeving van een vorst’
1200 klaar ‘helder’ <latijn
1200 klooster <latijn

1171 - Hendrik van Veldeke schrijft de oudste Nederlandse literaire tekst, het dichtwerk Sente Servas over het leven van de bisschop van Maastricht; in 1183 dicht hij de Eneit, de eerste Nederlandse ridderroman, waarvan alleen een Duitse vertaling bewaard is
1200 - De anonieme ridderroman Karel ende Elegast (bewaard in later afschrift)
[p. 601]

1200 koster <me latijn
1200 land* ‘rijk, staat’
1200 luttel*
1200 maar* ‘nevenschikkend voegwoord’
1200 missen*
1200 mogen*
1200 na*
1200 niemand*
1200 openbaar*
1200 patroon ‘beschermheilige’ <frans
1200 plegen*
1200 prediken <latijn
1200 proeven <frans
1200 proost ‘voorzitter van kapittel’ <frans
1200 rede* ‘denkvermogen’
1200 sint <frans
1200 tegenwoordig*
1200 turf* ‘veen als brandstof’
1200 verstaan*
1200 vrolijk*
1200 vuil*
1200 waarnemen* ‘bemerken’
1200 zien*
1201-1225 allerhande*
1201-1225 anders*
1201-1225 behagen*
1201-1225 behoeven*
1201-1225 binnen* ‘bijwoord van plaats’
1201-1225 breedte*
1201-1225 dit*
1201-1225 droef*
1201-1225 fontein <frans
1201-1225 graaf <me latijn
1201-1225 hertog*
1201-1225 kamer ‘vertrek’ <latijn
1201-1225 kin*
1201-1225 korf <latijn
1201-1225 kroon ‘hoofdsieraad van vorsten’ <latijn
1201-1225 kwellen* ‘pijnigen’
1201-1225 lonen*
1201-1225 louter <duits
1201-1225 moeten*
1201-1225 natuur ‘aangeboren neiging’ <frans of latijn
1201-1225 of* ‘nevenschikkend voegwoord’
1201-1225 oorlof*
1201-1225 schande*
1201-1225 schuld*
1201-1225 topaas <frans
1201-1225 toren <frans
1201-1225 verliezen*
1201-1225 wijs* ‘verstandig’
1201-1250 kussen ‘gevulde zachte zak’ <frans
1201-1300 breien*
1201-1300 verdagen*
1204 leeftocht*
1208-1209 beemd*
1210 deken ‘overste, hoofd’ <latijn
1210 heester*
1210-1226 maat* ‘afmeting’
1210-1240 boon*
1210-1240 bruin*
1210-1240 kat ‘katachtige’ <latijn
1210-1240 klerk <latijn
1210-1240 mark ‘oude munt en tot 2002 munteenheid van Duitsland en Finland’ <duits
1210-1240 pand ‘onderpand’
1210-1240 spiering*
1210-1240 steeg*
1210-1240 straat ‘weg’ <latijn
1210-1240 teerling
1210-1240 vroed*

1210-1240 - De oudste Nederlandstalige ambtelijke tekst: het register van wettelijke passeringen voor de schepenen van de Sint-Baafsheerlijkheid bij Gent
1236 - Statuten van de Gentse Leprozerij, het oudste geheel Nederlandstalige stuk
1240 - Publicatie eerste Latijns-Nederlandse woordenboek, het Glossarium Bernense
[p. 602]

1212 gagel*
1212-1214 slik*
1213 hal*
1213 kraam*
1214 weer* ‘landerijen tussen twee sloten, de zogenaamde weersloten’
1215 leen*
1217 keur* ‘handvest’
1217 vaalt*
1220 roek*
1220-1240 abt <latijn
1220-1240 ai* ‘tussenwerpsel: uitroep van onaangename gewaarwording’
1220-1240 benedijen <latijn
1220-1240 beslaan* ‘bekleden, bedekken met iets’
1220-1240 bewaren*
1220-1240 boven* ‘voorzetsel’
1220-1240 breidel*
1220-1240 buiten* ‘bijwoord van plaats’
1220-1240 buiten* ‘voorzetsel’
1220-1240 burggraaf
1220-1240 cirkel <frans of latijn
1220-1240 dertig*
1220-1240 dra*
1220-1240 duren <frans
1220-1240 elf* ‘telwoord’
1220-1240 elk*
1220-1240 fel <frans
1220-1240 fier <frans
1220-1240 force <frans
1220-1240 gauw*
1220-1240 gieten*
1220-1240 ginder*
1220-1240 gram* ‘boos’
1220-1240 grond*
1220-1240 hechten*
1220-1240 heel* ‘ongeschonden, volledig’
1220-1240 Heiland <duits
1220-1240 heimelijk*
1220-1240 herberg*
1220-1240 hun* ‘verbogen vorm van het persoonlijk voornaamwoord derde persoon meervoud’
1220-1240 ijzer <keltisch
1220-1240 kasteel <frans
1220-1240 kerker <latijn
1220-1240 kleed*
1220-1240 kopen <latijn
1220-1240 kreuken*
1220-1240 lachen*
1220-1240 lelijk*
1220-1240 lijf*
1220-1240 maag* ‘verwant’
1220-1240 mantel <me latijn
1220-1240 mirakel <frans
1220-1240 moordenaar
1220-1240 nicht* ‘dochter van broer, zus, oom of tante’
1220-1240 nijgen*
1220-1240 nimmer*
1220-1240 onderling*
1220-1240 peper <latijn
1220-1240 rekenen*
1220-1240 ridder*
1220-1240 rijden*
1220-1240 ronken*
1220-1240 rouw*
1220-1240 schelling*
1220-1240 schenden*
1220-1240 schier* ‘bijwoord van hoedanigheid: snel, bijna’
1220-1240 schouder*
1220-1240 slag* ‘klap’
1220-1240 speer*
1220-1240 spotten* ‘de draak steken met’
1220-1240 stout* ‘vermetel, dapper’
1220-1240 strijd*
1220-1240 taal*
1220-1240 tand*
1220-1240 vazal <me latijn
1220-1240 veertien*
1220-1240 vellen*
1220-1240 venijn ‘gif’ <frans
1220-1240 verbolgen*
1220-1240 vermaledijen
1220-1240 vis*
1220-1240 vlieten*

[p. 603]

1220-1240 wagen* ‘riskeren’
1220-1240 wijlen* ‘overleden’
1220-1240 zemel <latijn
1220-1240 zijde* ‘zijkant’
1220-1240 zwaar*
1220-1240 zwager*
1220-1240 zwijn*
1223 ram* ‘mannelijk schaap’
1225 den*
1225 dille*
1225 egelantier <frans
1225 sleedoorn*
1225 stampen*
1225 venkel <latijn
1226-1250 akelei <me latijn
1226-1250 alruin <duits
1226-1250 kervel <latijn
1226-1250 klaver*
1226-1250 kool ‘plantengeslacht, groente’ <latijn
1226-1250 lelie <latijn
1226-1250 look* ‘plant’
1226-1250 pastinaak <latijn
1226-1250 prei <frans
1226-1250 salie <frans
1226-1250 steenbreek*
1226-1250 termijn <latijn
1226-1250 varen* ‘plant’
1227 hek*
1227 maalschap*
1228-1349 restitueren <frans
1228-1349 siepel <latijn
1228-1349 toucheren <frans
1230 leveren <frans
1230-1231 ei* ‘vrouwelijke geslachtscel, kiem’
1230-1231 enig*
1230-1231 gereed*
1230-1231 rente <frans
1233 Hanze <duits
1233 tap*
1236 aalmoes <frans
1236 ader*
1236 advent <latijn
1236 allegaar*
1236 Ave-Maria <latijn
1236 avontuur <frans
1236 bel* ‘een schel’
1236 beneden* ‘voorzetsel’
1236 benedictie <latijn
1236 best*
1236 betamen*
1236 betogen*
1236 brief <latijn
1236 completen <latijn
1236 convent <frans
1236 credo <latijn
1236 dergelijk*
1236 derven*
1236 draad*
1236 eed <?
1236 effen*
1236 gans ‘geheel’ <duits
1236 gast*
1236 gat* ‘opening’
1236 gedogen*
1236 geheel*
1236 gemak* ‘kalmte’
1236 geschieden*
1236 getijde, getij*
1236 gewaarworden*
1236 gewagen*
1236 gewoon*
1236 half*
1236 handelen* ‘doen, behandelen’
1236 helft*
1236 hier*
1236 honderd*
1236 huwelijk*
1236 huwen*
1236 iemand*
1236 jaar*
1236 kapittel ‘bijeenkomst van kanunniken’ <latijn
1236 keuken <latijn
1236 komst*
1236 laden* ‘bevrachten, inladen’
1236 laten*
1236 letten*
1236 letter <frans
1236 lichten*
1236 Lichtmis

[p. 604]

1236 linnen*
1236 macht* ‘vermogen’
1236 mede* ‘bijwoord van hoedanigheid: samen’
1236 meester <frans
1236 mens* ‘(m.) hoogst ontwikkelde wezen’
1236 metten <me latijn
1236 middag* ‘midden van de dag’
1236 mijl <latijn
1236 min* ‘gering’
1236 mis ‘rooms-katholieke kerkdienst’ <latijn
1236 misschien*
1236 naakt*
1236 naam*
1236 namelijk*
1236 neus*
1236 noen ‘middag’ <latijn
1236 ontzien*
1236 Pasen <latijn
1236 penitentie <latijn
1236 pijn <latijn
1236 poorter
1236 priem ‘gebed’
1236 priester <latijn
1236 refter <latijn
1236 regel ‘lijn’ <latijn
1236 roekeloos*
1236 rond ‘bolvormig’ <frans
1236 sacrament <latijn
1236 sermoen <frans
1236 som ‘totaal’ <frans
1236 sommige*
1236 speen*
1236 spelen*
1236 spijs ‘voedsel’ <latijn
1236 steken*
1236 stool <latijn
1236 storten*
1236 te* ‘bijwoord van graad’
1236 tegader*
1236 ten*
1236 trap* ‘trede’
1236 tweevoud*
1236 twintig*
1236 verbieden*
1236 verscheiden*
1236 vesper <latijn
1236 vijftig*
1236 vorm <frans
1236 week* ‘zeven dagen’
1236 wreken*
1236 zeer* ‘bijwoord van hoedanigheid: in hoge mate’
1236 ziek*
1236 zomer*
1236 zondag*
1236 zuiver <latijn
1236 zwijgen*
1237 baljuw <frans
1237 balling*
1237 bekocht
1237 borg*
1237 breken*
1237 darink*
1237 degene*
1237 dusdanig*
1237 er*
1237 gedeelte*
1237 geding*
1237 gelden*
1237 gene*
1237 gerecht* ‘rechtbank’
1237 haast ‘spoed’ <frans
1237 have*
1237 inheems*
1237 kist <latijn
1237 klok <iers
1237 kwalijk*
1237 kwijt <frans
1237 kwijten, zich <frans
1237 neen*
1237 palm ‘binnenkant van de hand’ <frans of latijn
1237 pond ‘oude munt, tegenwoordig munteenheid van o.a. Cyprus, Egypte, Ierland, Libanon, Malta, Soedan en Syrië’ <latijn
1237 schade*

[p. 605]

1237 twist* ‘ruzie’
1237 vals <latijn
1237 verbeuren*
1237 vijftien*
1237 vonnis*
1237 voogd <me latijn
1237 vreemd*
1237 vuist*
1237 waar* ‘bijwoord van plaats’
1237 wapen*
1237 wedden*
1237 winnen* ‘verwerven’
1237 zolder <latijn
1240 aanbidden*
1240 aanvaarden*
1240 aar*
1240 aartsbisschop <latijn
1240 abdij <me latijn
1240 abeel <frans
1240 accent <frans
1240 adem*
1240 afgod*
1240 agaat <frans
1240 albe <latijn
1240 alleen*
1240 aloë <latijn
1240 aluin <frans
1240 amethist <latijn
1240 anijs <frans
1240 anker ‘gestel om schip vast te leggen’ <latijn
1240 antifoon <me latijn
1240 apostel <latijn
1240 april <latijn
1240 arriveren <frans
1240 as* ‘spil’
1240 autoriteit <frans of latijn
1240 baar* ‘golf’
1240 baard*
1240 baars*
1240 bad*
1240 bal* ‘rond voorwerp’
1240 balsem <latijn
1240 bank* ‘meubelstuk’
1240 baron <frans
1240 basilisk <latijn
1240 bazuin <frans
1240 bedevaart*
1240 bedstee*
1240 beet*
1240 begrijpen <duits
1240 behendig*
1240 behoren*
1240 bek <frans
1240 bekeuren*
1240 bekken ‘kom’ <me latijn
1240 beloven*
1240 beschouwen*
1240 betekenis*
1240 beurs ‘portemonnee’ <me latijn
1240 bewijzen*
1240 bezem*
1240 bezetten*
1240 bezitten*
1240 bieden*
1240 bier <latijn
1240 biet <latijn
1240 bijl*
1240 bijten*
1240 bil*
1240 bisdom
1240 blaar* ‘blaasachtige opzwelling’
1240 blaas* ‘urineblaas’
1240 blad* ‘orgaan aan takken’
1240 blaken*
1240 blaten*
1240 blazen*
1240 bleken*
1240 blind* ‘niet kunnende zien’
1240 blo*
1240 bongerd*
1240 boodschap* ‘bericht’
1240 boos* ‘slecht’
1240 boren*
1240 bot ‘laars’ <frans
1240 boter <latijn
1240 braam* ‘vrucht’
1240 braden*
1240 brand*
1240 brem* ‘plant’
1240 breuk* ‘het breken, barst’

[p. 606]

1240 briesen*
1240 broeden* ‘op eieren zitten’
1240 bruid*
1240 bruiloft*
1240 buidel*
1240 burger <duits
1240 bus ‘doos, blik’ <latijn
1240 ceel, cedel <frans
1240 cel ‘klein vertrek’ <latijn
1240 cipres <frans
1240 clausule <frans
1240 concilie <latijn
1240 creatuur <frans of latijn
1240 dagen*
1240 dageraad*
1240 dak*
1240 dans <frans
1240 dansen <frans
1240 darm*
1240 december <latijn
1240 decreet <frans
1240 deeg*
1240 deksel*
1240 dertien*
1240 deugen*
1240 dezelfde, hetzelfde*
1240 diaken ‘r.-k.: iem. die de hiërarchische wijding ontvangen heeft’ <latijn
1240 dief*
1240 dienst*
1240 dingen*
1240 disputeren <frans
1240 distel*
1240 dobbelsteen
1240 doden*
1240 doek*
1240 dol* ‘krankzinnig, dwaas’
1240 dolen*
1240 donder*
1240 donderen*
1240 donker*
1240 dons*
1240 doof*
1240 dopen*
1240 dorsten*
1240 draaien*
1240 draak <latijn
1240 dreigen*
1240 drogen*
1240 dromedaris <latijn
1240 dromen*
1240 droom*
1240 drukken* ‘duwen, zwaar liggen op’
1240 druppel*
1240 duim*
1240 dun*
1240 dunken*
1240 ebbenhout
1240 eergisteren*
1240 eg*
1240 egel*
1240 eigenlijk*
1240 eikel* ‘vrucht van de eikenboom’
1240 eiland <fries
1240 eisen*
1240 elleboog*
1240 els* ‘priem’
1240 emmer <latijn
1240 eng* ‘nauw’
1240 enten <frans
1240 epistel <latijn
1240 ergeren*
1240 erwt*
1240 etter* ‘pus’
1240 evangelie <latijn
1240 evangelist <frans
1240 even* ‘bijwoord van graad: in gelijke mate’
1240 ezel ‘paardachtige’ <latijn
1240 ezelin
1240 fabel <frans of latijn
1240 fakkel <latijn
1240 fransoos <frans
1240 fundament <latijn
1240 galg*
1240 galjoot <frans
1240 gans* ‘eendachtige’
1240 gapen*
1240 geboorte*

[p. 607]

1240 gebroeders*
1240 gebruiken*
1240 geel*
1240 geeuwen*
1240 gehoorzaam*
1240 gelaat*
1240 geleed*
1240 geleerd*
1240 gelijken*
1240 geluk*
1240 gemakkelijk* ‘op zijn gemak gesteld’
1240 gember <me latijn
1240 geoorloofd*
1240 gereedschap*
1240 gerei*
1240 gerst*
1240 gerust*
1240 gesel*
1240 gestaag*
1240 getal* ‘cijfer, aantal’
1240 getouw*
1240 getuigen*
1240 geval*
1240 gevoeglijk*
1240 gewicht* ‘zwaarte’
1240 gezellig*
1240 gift*
1240 gisteren*
1240 glas*
1240 glorie <latijn
1240 glos <latijn
1240 gordel*
1240 graad <latijn
1240 graan <latijn
1240 gratie ‘goedgunstigheid, genade’ <latijn
1240 graveren <frans
1240 grijnzen*
1240 grijpen*
1240 grof*
1240 gunst*
1240 haak*
1240 haas* ‘haasachtige’
1240 harp*
1240 haven*
1240 heide*
1240 hemd*
1240 hen* ‘hoendervogel’
1240 herder*
1240 heremiet <latijn
1240 hersenen*
1240 heup*
1240 historie <latijn
1240 hitte*
1240 hoer*
1240 hof* ‘rechtbank’
1240 hol* ‘grot’
1240 hoofs*
1240 hoop* ‘verwachting’
1240 hopen*
1240 huif*
1240 hulk ‘schip’ <me latijn
1240 huren*
1240 hypocriet <frans
1240 ibis <latijn
1240 iegelijk*
1240 ijs* ‘bevroren water’
1240 ivoor <frans
1240 ja*
1240 jacht* ‘het vervolgen van dieren’
1240 jagen*
1240 jaspis <latijn
1240 jeuken*
1240 jonkheer*
1240 jonkvrouw*
1240 juk*
1240 kaal*
1240 kaars <duits
1240 kaas <latijn
1240 kaf* ‘hulzen van aren’
1240 kalk <latijn
1240 kam*
1240 kameel <latijn
1240 kameleon <frans
1240 kamenier <me latijn
1240 kamp ‘strijd’ <latijn
1240 kandelaar <frans
1240 kanker <latijn
1240 kanunnik <latijn
1240 kap ‘hoofddeksel’ <me latijn
1240 kapelaan <me latijn

[p. 608]

1240 kapoen <frans
1240 kappen* ‘hakken’
1240 kar <latijn
1240 karbonkel ‘een edelgesteente’ <latijn
1240 kastanje <frans
1240 kastijden <latijn
1240 kauwen*
1240 kavel*
1240 kelder <latijn
1240 kelk ‘drinkbeker’ <latijn
1240 keren* ‘vegen’
1240 kerfstok*
1240 kerkhof
1240 kermis
1240 kern*
1240 kers ‘vrucht’ <latijn
1240 ketel <latijn
1240 keten ‘ketting’ <latijn
1240 kieken*
1240 kietelen*
1240 kiezen*
1240 klappen* ‘praten’
1240 kleinood*
1240 klink*
1240 kloof*
1240 kluwen*
1240 knecht*
1240 knielen*
1240 knoflook*
1240 knop*
1240 koekoek*
1240 koen*
1240 kok ‘die spijzen toebereidt’ <latijn
1240 kolf*
1240 komijn <frans
1240 konijn <frans
1240 kool* ‘verkoolde materie, steenkool’
1240 korst <latijn
1240 kost
1240 kous <frans
1240 kraai*
1240 kreeft*
1240 krekel*
1240 krenken*
1240 kristal <frans
1240 krocht <latijn
1240 kruik*
1240 kruipen*
1240 kudde*
1240 kunde*
1240 kundig*
1240 kwaad*
1240 kwaal*
1240 kwakkel <me latijn
1240 kwetsen*
1240 laag* ‘niet hoog’
1240 laag* ‘hinderlaag’
1240 laars*
1240 laken* ‘textiel’
1240 lamp <frans
1240 landschap* ‘landstreek, landelijke omgeving’
1240 lantaarn <frans
1240 lat* ‘lang stuk hout’
1240 lauw*
1240 leeg, ledig* ‘vrij, werkloos, ijdel’
1240 leek ‘niet-geestelijke’ <latijn
1240 leer* ‘stof uit dierenhuiden’
1240 leeuwerik*
1240 leeuwin
1240 legaat ‘gezant’ <frans
1240 leggen*
1240 lenen*
1240 lepel*
1240 leraar
1240 les <latijn
1240 lessenaar
1240 lever*
1240 lieden, lui*
1240 lijk* ‘dood lichaam’
1240 lijm*
1240 lijn* ‘touw’
1240 linie <frans
1240 lis*
1240 long*
1240 loochenen*
1240 lood <keltisch
1240 louwmaand*
1240 lucht*

[p. 609]

1240 lust*
1240 maag* ‘orgaan’
1240 maaien*
1240 maart <latijn
1240 malen* ‘fijnmaken’
1240 markt <latijn
1240 marmer <latijn
1240 martelaar <me latijn
1240 materie <latijn
1240 meel*
1240 meermin*
1240 meier ‘rentmeester’ <me latijn
1240 meineed <?
1240 melancholie <frans
1240 melden*
1240 melk*
1240 mengen*
1240 mennen <frans
1240 merel <latijn
1240 meren*
1240 merken*
1240 mes*
1240 messing
1240 mest*
1240 mesten* ‘vruchtbaar maken door bemesting’
1240 mesten* ‘vet maken (van varkens)’
1240 metaal <frans
1240 meten*
1240 mier*
1240 mijter <frans
1240 mild*
1240 mispel <frans
1240 moei*
1240 mogelijk*
1240 morgen* ‘de dag na vandaag’
1240 mortel <latijn
1240 mosterd <frans
1240 mot* ‘insect’
1240 mouw*
1240 mug*
1240 muil ‘paardachtige’ <latijn
1240 muis* ‘knaagdier’
1240 munt ‘plantengeslacht’ <latijn
1240 murw*
1240 muziek <frans
1240 naaien* ‘met naald en draad maken’
1240 naar* ‘voorzetsel’
1240 nachtegaal*
1240 nagel* ‘spijker’
1240 naken*
1240 navel*
1240 neef*
1240 neet*
1240 net* ‘visnet’
1240 niettemin*
1240 niezen*
1240 node*
1240 noden*
1240 non <latijn
1240 noorden*
1240 noot ‘aantekening’ <frans
1240 nuchter <latijn
1240 offerande <frans
1240 oksel*
1240 olifant <frans
1240 olijf <frans
1240 ons ‘gewicht’ <frans of latijn
1240 ontbijten*
1240 oogst
1240 ooi*
1240 ooievaar*
1240 oom*
1240 oordeel*
1240 oorlog*
1240 open*
1240 organist <frans
1240 oven*
1240 overal*
1240 pad* ‘weg’
1240 pad* ‘kikvorsachtige’
1240 paleis <frans
1240 pan <me latijn
1240 pap <latijn
1240 paradijs <latijn
1240 parochie <me latijn

[p. 610]

1240 pastei <frans
1240 pateen <frans
1240 patrijs <frans
1240 paus <latijn
1240 pauw <latijn
1240 peer ‘vrucht’ <latijn
1240 peinzen <frans
1240 pek <latijn
1240 pelgrim <latijn
1240 pelikaan <frans
1240 pels <me latijn
1240 peluw <latijn
1240 perkament <frans
1240 persen <frans
1240 perzik <latijn
1240 peter <me latijn
1240 peterselie <me latijn
1240 pijnboom
1240 pijp ‘buis’ <me latijn
1240 pioen <frans
1240 pissen <?
1240 plaag <latijn
1240 planeet <latijn
1240 plant <latijn
1240 planten <frans
1240 ploeg* ‘landbouwwerktuig’
1240 plomp* ‘log’
1240 plukken <latijn
1240 post ‘paal’ <latijn
1240 poten*
1240 praktijk <frans of Latijn
1240 prelaat <frans
1240 present ‘geschenk’ <frans
1240 presenteren <frans
1240 prijzen <frans
1240 processie <latijn
1240 proloog <frans
1240 provoost <frans
1240 raadsel*
1240 raap <latijn
1240 rat*
1240 rechter* ‘lid van een rechtbank’
1240 rechter* ‘tegenover linker’
1240 reis* ‘tocht’
1240 rekken*
1240 rennen*
1240 reuk*
1240 rib*
1240 riem ‘roeispaan’ <latijn
1240 rijm ‘gelijke klank’ <frans
1240 rijp* ‘bevroren dauw’
1240 rivier <frans
1240 roede* ‘twijg’
1240 roeien*
1240 roer* ‘stuur van schip’
1240 roeren*
1240 rogge <oudslavisch
1240 roken* ‘rook afgeven’
1240 rokken*
1240 roos <frans
1240 rooster*
1240 rups*
1240 rust*
1240 rusten*
1240 saffier <latijn
1240 sap*
1240 saus <frans
1240 schaar* ‘werktuig om te knippen’
1240 schat*
1240 schaven*
1240 schede* ‘omhulsel’
1240 scheel*
1240 scheerling*
1240 schel* ‘bel’
1240 scheppen* ‘creëren’
1240 scherf*
1240 schering*
1240 schermen*
1240 schicht* ‘pijl’
1240 schijf*
1240 schillen*
1240 schoen*
1240 schoof*
1240 school ‘onderwijsinstelling’ <latijn
1240 schoorsteen*
1240 schors <frans
1240 schotel <me latijn
1240 schrede*
1240 schrift

[p. 611]

1240 schriftuur <latijn
1240 schrijn <latijn
1240 schudden*
1240 schuilen*
1240 schuim*
1240 schutten* ‘tegenhouden’
1240 schutter*
1240 schuur*
1240 secreet ‘geheim’ <frans
1240 september <latijn
1240 sikkel ‘zeis’ <latijn
1240 sim <latijn
1240 slaap*
1240 slak* ‘weekdier’
1240 slechten*
1240 sleutel*
1240 slijk*
1240 slot* ‘sluiting, einde’
1240 sluiten*
1240 smeden*
1240 smeken*
1240 smelten*
1240 smeren*
1240 snel*
1240 spade*
1240 sparen*
1240 spartelen*
1240 spel*
1240 spiegel <me latijn
1240 spin* ‘spinachtige’
1240 spinnen* ‘een draad vormen’
1240 spit* ‘braadspit’
1240 splijten*
1240 spreiden*
1240 springen*
1240 sproet*
1240 spuwen*
1240 staal* ‘metaal’
1240 stamelen*
1240 stelen*
1240 stelpen*
1240 ster* ‘hemellichaam’
1240 stiefmoeder*
1240 stiefvader*
1240 stiefzoon*
1240 stijf*
1240 stof* ‘fijne deeltjes’
1240 stoken* ‘opruien’
1240 stom*
1240 stoppel <latijn
1240 storm*
1240 stormen*
1240 stoten*
1240 stroom* ‘bewegende massa vloeistof’
1240 struikelen*
1240 stuk* ‘brok’
1240 subtiel <frans
1240 tapijt <frans
1240 tasten <frans
1240 taverne <frans
1240 teef*
1240 teer*
1240 telen*
1240 temmen*
1240 temperen <frans
1240 tent ‘tijdelijk verblijf uit licht materiaal’ <frans
1240 testament <latijn
1240 teugel*
1240 tijger <latijn
1240 timmeren*
1240 timmerman*
1240 tin*
1240 toernooi <frans
1240 tonen*
1240 toorn*
1240 torsen <frans
1240 toveren*
1240 traag*
1240 trekken*
1240 trog*
1240 troon <frans of Latijn
1240 troost*
1240 tuiten*
1240 tweehonderd*
1240 tweejarig*
1240 tweeling*
1240 twijfel*
1240 uil*
1240 uur <frans
1240 vaak* ‘slaap’
1240 vaars*

[p. 612]

1240 vagevuur*
1240 vasten*
1240 vedel <me latijn
1240 vegen*
1240 veinzen <latijn
1240 verdommen* ‘vervloeken’
1240 verdrieten*
1240 verkoper
1240 verraden*
1240 vers* ‘fris’
1240 verslinden*
1240 verstolen*
1240 vervaard*
1240 verzuimen*
1240 vicaris <latijn
1240 viervoetig*
1240 vijl*
1240 villen*
1240 violet <frans
1240 viool ‘plant’ <frans
1240 visiteren <frans
1240 vlas*
1240 vlecht*
1240 vleermuis*
1240 vlek*
1240 vleugel*
1240 vlieden*
1240 vlieg*
1240 vloeien*
1240 vloeken*
1240 vlok*
1240 vlotten* ‘drijven’
1240 vocaal <frans
1240 voeden*
1240 voeren* ‘leiden, vervoeren’
1240 volgen*
1240 volharden*
1240 volkomen*
1240 voordeel*
1240 vore*
1240 vork <frans
1240 vors*
1240 vorst* ‘monarch’
1240 vorst* ‘vriezend weer’
1240 vrees*
1240 vriezen*
1240 vrijen* ‘minnekozen’
1240 vroeg*
1240 vrouw* ‘mens van vrouwelijk geslacht’
1240 vullen*
1240 waar* ‘echt’
1240 waard* ‘kastelein’
1240 wakker*
1240 wal <latijn
1240 walgen*
1240 wandelen*
1240 wang*
1240 wankelen*
1240 warm*
1240 web* ‘netwerk van bv. spin’
1240 week* ‘zacht’
1240 weelde*
1240 weer* ‘atmosferische gesteldheid’
1240 wegen*
1240 wenen*
1240 wentelen*
1240 werf* ‘keer’
1240 werk* ‘vlasvezels’
1240 wesp*
1240 wetten*
1240 weven*
1240 wezel*
1240 wieg*
1240 wijken*
1240 wijten*
1240 wisselen*
1240 wissen*
1240 wol*
1240 worp*
1240 worst*
1240 worstelen*
1240 wortel* ‘onderste deel van gewas’
1240 wreed* ‘meedogenloos’
1240 wrijven*
1240 zaad*
1240 zaaien*
1240 zaterdag <latijn
1240 zeef*
1240 zeem* ‘honing’
1240 zegel <latijn
1240 zegen ‘visnet’ <latijn

[p. 613]

1240 zeiken*
1240 zeil*
1240 zeker ‘veilig, stellig’ <latijn
1240 zelden*
1240 zestien*
1240 zeventig*
1240 zieden*
1240 zijde ‘textiel’ <latijn
1240 zitten*
1240 zogen*
1240 zondigen*
1240 zool <latijn
1240 zoom*
1240 zot <frans
1240 zucht* ‘ziekte, ziekelijke neiging’
1240 zuchten*
1240 zuipen*
1240 zwaluw*
1240 zweer*
1240 zwelgen*
1240 zwellen*
1240 zwemmen*
1240 zweten*
1240-1260 baat*
1240-1260 bezig*
1240-1260 koper <latijn
1240-1260 kosten <frans
1240-1260 munt ‘geldstuk’ <latijn
1240-1260 negentien*
1240-1260 zeventien*
1242 blok*
1244 kraan* ‘hijswerktuig’
1244 pak ‘bundel’ <?
1245 greppel*
1246 maal* ‘telkens terugkerend tijdstip, keer’
1246 moordwapen*
1246 uitheems*
1248 verschonen* ‘van schoon goed voorzien, mooier maken’
1248-1271 altijd*
1248-1271 gulden*
1248-1271 kant ‘zijde, rand’ <frans of Latijn
1248-1271 scholier <frans
1248-1271 windmolen
1249 noemen*
1249 pacht <latijn
1249 tussen*
1250 basilicum <latijn
1250 bundel*
1250 faam <frans
1250 generatie <frans
1250 ginds*
1250 harnas <frans
1250 held*
1250 lezen* ‘opnemen van schrift’
1250 loet*
1250 malie ‘metalen ring’ <frans
1250 pot ‘vaatwerk’ <latijn
1250 prijs <frans
1250 pulver <latijn
1250 razen*
1250 strijken*
1251 amandel <latijn
1251-1275 aalmoezenier <frans

1249 - Willem ii geeft opdracht tot de bouw van de Ridderzaal in Den Haag
1250 - De Beatrijs, een berijming van een Marialegende, wordt door een onbekende auteur geschreven, die begint met de verzuchting: ‘Van dichten comt mi cleine bate. Die liede raden mi dat ict late’
1250 - Een zekere ‘Willem’ schrijft het dierenepos Van den Vos Reynaerde, waaruit de naam van de wolf, iezegrim, synoniem is geworden voor ‘brompot’
1250 - Nederlandse gedichten en brieven van de mystica Hadewych
1250 - De vertaling van de autobiografie van de non Beatrijs van Nazareth Vita venerabilis ac Deo dilecte Beatricis ‘Het leven van de heilige en door God verkoren Beatrijs’ is, voor zover bekend, de eerste vertaling van een Middelnederlandse tekst in het Latijn
[p. 614]

1252 bos* ‘bundel’
1252 gebint*
1252 hesp*
1252 incarnatie <frans
1252 kog <me latijn
1252 koppel ‘gordel, band’ <frans
1252 kuil* ‘visnet’
1252 nop*
1252 oord* ‘munt’
1252 pleit ‘vaartuig’ <?
1252 pop ‘speelgoed’ <latijn
1252 rijst <frans
1252 tobbe*
1252 voogdij
1252 weiland*
1253 beest <frans
1253 behoefte* ‘wat men nodig heeft, gebrek’
1253 binnen* ‘voorzetsel’
1253 boeten*
1253 cijns <latijn
1253 hoed*
1253 hoede*
1253 hoest*
1253 litteken*
1253 maandag*
1253 mossel <frans
1253 muskaat <frans
1253 muskadel <frans
1253 ruit ‘plantengeslacht’ <latijn
1253 sabbat <latijn
1253 speenvarken*
1253 suiker <frans
1253 wildbraad*
1254 beletten*
1254 boete*
1254 burgemeester
1254 gijzelen <keltisch
1254 lossen*
1254 porren*
1254 priem* ‘puntig werktuig’
1254 smart*
1254 taille <frans
1254 vermoeden*
1254 verrassen* ‘overrompelen’
1254 verweren, zich*
1256-1299 beschuldigen*
1256-1370 hindernis*
1257 donderdag*
1258 mergel <me latijn
1258 stoep*
1259 moor*
1260 charter <frans
1260 delven*
1260 kennis* ‘het kennen’
1260 pint <me latijn
1260 voorwaarde*
1260 woensdag*
1260-1270 boef*
1260-1270 lied*
1260-1270 malkander*
1260-1270 zeggen*
1260-1280 beer* ‘roofdier’
1260-1280 begeren*
1260-1280 bijzonder*
1260-1280 blijde <latijn
1260-1280 bodem*
1260-1280 gunnen*
1260-1280 houwen*
1260-1280 lid* ‘lichaamsdeel’
1260-1280 manier <frans
1260-1280 moord*
1260-1280 nopen*
1260-1280 overdaad*
1260-1280 sabel ‘zwart bont, sabelbont’ <oudslavisch of oudrussisch
1260-1280 spaan* ‘afgespleten hout’
1260-1280 spriet* ‘spruit van een plant’
1260-1280 stellen*
1260-1280 storen*
1260-1280 teil
1260-1280 tuimelen*
1260-1280 weinig*
1260-1280 welkom*
1260-1280 zinken*
1261 zwerm*
1263 scharlaken <me latijn
1263 vrijdag*
1263-1264 erven*
1263-1267 stellage ‘termijnaffaire’

[p. 615]

1263-1267 straal*
1264 Vastenavond*
1265 mede* ‘drank’
1265-1270 abdis <latijn
1265-1270 absolutie <frans
1265-1270 absolveren <latijn
1265-1270 abstinentie <frans
1265-1270 ach*
1265-1270 achten*
1265-1270 advies <me latijn
1265-1270 advocaat ‘rechtsgeleerde’ <latijn
1265-1270 afgunst*
1265-1270 amoureus <frans
1265-1270 apotheek <me latijn
1265-1270 appetijt <frans
1265-1270 argument <frans
1265-1270 artikel ‘onderdeel van geschrift of verhandeling’ <frans of Latijn
1265-1270 audiëntie <frans
1265-1270 averecht*
1265-1270 baten*
1265-1270 bederven*
1265-1270 bedroeven*
1265-1270 bedrog*
1265-1270 begrip <duits
1265-1270 behalve*
1265-1270 behelzen*
1265-1270 bekend* ‘vermaard’
1265-1270 beklijven* ‘gedijen’
1265-1270 bekwaam*
1265-1270 belang*
1265-1270 benijden*
1265-1270 beraad*
1265-1270 berispen*
1265-1270 beschikken*
1265-1270 betrappen*
1265-1270 bevroeden*
1265-1270 bezeten*
1265-1270 blaam <frans
1265-1270 blameren <frans
1265-1270 blijken*
1265-1270 bloot*
1265-1270 boerde <frans
1265-1270 broos*
1265-1270 buur*
1265-1270 chirurgie <frans
1265-1270 chirurgijn <frans
1265-1270 confuus <frans
1265-1270 contemplatie <frans
1265-1270 contreien <frans
1265-1270 dapper* ‘flink, sterk’
1265-1270 deinzen*
1265-1270 devotie <frans
1265-1270 discant <me latijn
1265-1270 discipline ‘tucht’ <frans
1265-1270 doorgronden*
1265-1270 duchten*
1265-1270 dwars*
1265-1270 dwingen*
1265-1270 eens*
1265-1270 element ‘hoofdstof, eenheid’ <frans of Latijn
1265-1270 entremets <frans
1265-1270 exces <frans
1265-1270 experiment <frans
1265-1270 facie <frans
1265-1270 fantasie <frans
1265-1270 feest <frans of Latijn
1265-1270 figuur <frans
1265-1270 fijn <frans
1265-1270 fout <frans
1265-1270 frenesie <frans
1265-1270 gebrek*
1265-1270 gedijen*
1265-1270 geluid*
1265-1270 genieten*
1265-1270 geronnen*
1265-1270 gestel* ‘samenstel’
1265-1270 geur*
1265-1270 goedendag* ‘tussenwerpsel: groet’
1265-1270 gracieus <frans
1265-1270 griffioen <frans
1265-1270 habijt <latijn
1265-1270 hagel*
1265-1270 halen*
1265-1270 hellen*
1265-1270 hen* ‘persoonlijk voornaamwoord’
1265-1270 innig*
1265-1270 instrueren <latijn

[p. 616]

1265-1270 intentie <frans
1265-1270 jakobijn <frans
1265-1270 kardinaal <frans
1265-1270 kermen*
1265-1270 klimmen*
1265-1270 kluis ‘cel, woning van een kluizenaar’ <me latijn
1265-1270 knoop*
1265-1270 kolom <frans
1265-1270 kommer <frans
1265-1270 koor ‘meerstemmige zangmelodie, zanggroep’ <latijn
1265-1270 kop ‘drinkgerei’ <latijn
1265-1270 kreet*
1265-1270 kreunen*
1265-1270 krijg*
1265-1270 krijgen*
1265-1270 krijt* ‘strijdperk’
1265-1270 krijten*
1265-1270 kuis <latijn
1265-1270 kwestie <frans
1265-1270 langzaam*
1265-1270 laven <latijn
1265-1270 lijden*
1265-1270 luiken*
1265-1270 mager*
1265-1270 mat ‘moe’ <frans
1265-1270 medicijn <latijn
1265-1270 melodie <frans
1265-1270 menen*
1265-1270 mijden*
1265-1270 minderbroeder*
1265-1270 minstreel <frans
1265-1270 nooit*
1265-1270 och*
1265-1270 oefenen*
1265-1270 omtrent* ‘voorzetsel’
1265-1270 onderdaan*
1265-1270 onderhevig*
1265-1270 onnozel
1265-1270 ontberen*
1265-1270 ontdaan*
1265-1270 ontfermen, zich*
1265-1270 ontgelden*
1265-1270 ontginnen*
1265-1270 onthalen*
1265-1270 ontmoeten*
1265-1270 ontspringen*
1265-1270 ontstaan*
1265-1270 ontwaken*
1265-1270 ontzetten* ‘verbijsteren’
1265-1270 ooit*
1265-1270 ootmoed <engels
1265-1270 ouderdom*
1265-1270 overlijden*
1265-1270 pais, peis <frans
1265-1270 parament <frans of latijn
1265-1270 pas ‘schrede’ <frans
1265-1270 passie ‘lijden van Christus’ <latijn
1265-1270 patriarch <latijn
1265-1270 persoon ‘individu’ <latijn
1265-1270 plagen
1265-1270 plicht*
1265-1270 pluim <latijn
1265-1270 pogen*
1265-1270 pols <latijn
1265-1270 portie <frans
1265-1270 prins <frans
1265-1270 prior <latijn
1265-1270 privilege <frans
1265-1270 proces ‘verloop van een zaak’ <frans
1265-1270 profeet <frans
1265-1270 profeteren <latijn
1265-1270 profetie <frans
1265-1270 profijt <frans
1265-1270 prooi <frans
1265-1270 puur <frans
1265-1270 rabat <frans
1265-1270 rapen*
1265-1270 ras* ‘snel’
1265-1270 reciteren <frans
1265-1270 redderen*
1265-1270 reiken*
1265-1270 relikwie <latijn
1265-1270 respons <frans
1265-1270 ruiken*
1265-1270 ruwaard <frans
1265-1270 sant <latijn
1265-1270 schamel*
1265-1270 scheur*

[p. 617]

1265-1270 schoeien*
1265-1270 schreien*
1265-1270 seizoen <frans
1265-1270 serafijn <latijn
1265-1270 simpel <frans
1265-1270 slap*
1265-1270 snaar* ‘snoer’
1265-1270 soeverein ‘vorst’ <frans
1265-1270 speciaal <frans
1265-1270 spoed*
1265-1270 sponde <frans
1265-1270 staat ‘toestand’ <latijn
1265-1270 stampij
1265-1270 stokstil*
1265-1270 struik*
1265-1270 studeren <latijn
1265-1270 talen*
1265-1270 teen* ‘vinger van de voet’
1265-1270 tiran <frans
1265-1270 toeven*
1265-1270 tombe <frans
1265-1270 traan* ‘oogvocht’
1265-1270 trezoor <frans
1265-1270 tumult <frans of latijn
1265-1270 uitermate*
1265-1270 vaardig*
1265-1270 verhalen*
1265-1270 verheugen*
1265-1270 verkeerd*
1265-1270 verkondigen*
1265-1270 verlangen*
1265-1270 verleiden*
1265-1270 vermaard*
1265-1270 verminken*
1265-1270 versagen <duits
1265-1270 verschijnen*
1265-1270 vete*
1265-1270 visioen <frans
1265-1270 vlam <frans
1265-1270 vleien*
1265-1270 vloer*
1265-1270 voorzaat*
1265-1270 vrek*
1265-1270 waden*
1265-1270 wee* ‘smart, tussenwerpsel ter uitdrukking van smart’
1265-1270 wezen* ‘aard, natuur’
1265-1270 winden*
1265-1270 wraken*
1265-1270 wringen*
1265-1270 zerk
1265-1270 zus*
1266 begijn <me latijn
1266 november <latijn
1266 partij <frans
1266 slede, slee*
1266 strekken*
1266-1267 molenaar <me latijn
1266-1268 achttien*
1266-1268 paard ‘hoefdier’ <me latijn
1266-1268 rauw*
1267 frank ‘vrij’ <frans
1267 neven*
1267 schenkel*
1267 vesting*
1267 voorbij* ‘bijwoord van richting’
1268 duit <oudnoor(d)s
1268 eigendom*
1268 halm*
1268 innen*
1269 dinsdag*
1269 tempelier <frans
1270 betalen*
1270 betuigen*
1270 fornuis <frans
1270 jood <latijn
1270 juni <latijn
1270 lepelaar
1270 makelaar
1270 makreel <frans
1270 mei <latijn
1270 mol* ‘insectenetend zoogdier’
1270 schilder*
1270 spoelen*
1270 statuut <frans
1270 steiger*
1270 vink*
1270 zalm <latijn
1270-1290 barmhartig <duits
1270-1290 barsten*
1270-1290 hop* ‘scharrelaarachtige’

[p. 618]

1270-1290 niets*
1270-1290 verwaand*
1270-1290 zadel <oudslavisch
1271 singel ‘(weg langs de buitenzijde van een) stadsgracht’ <frans
1271 watermolen
1271-1272 karwei <frans
1271-1272 kerel*
1271-1272 tempel <latijn
1272 anderhalf*
1272 bernage <frans
1272 bont ‘veelkleurig’ <latijn
1272 divers <frans
1272 gebeuren*
1272 gehucht*
1272 katoen <frans
1272 klepel*
1272 om* ‘voorzetsel’
1272 pluvier <frans
1273 bastaard <frans
1273 vervangen*
1273 windas <oudnoor(d)s
1274 Kerstmis
1274 obligeren <frans
1274 paar ‘stel, koppel’ <latijn
1274 park ‘beplant (jacht)terrein’ <frans
1275 lozen*
1275 tak*
1275-1276 nochtans*
1276 arglist*
1276 belfort <frans
1276 doksaal <me latijn
1276 kegel*
1276 mondig*
1276 olm <frans
1276 stelt*
1276 uitvaart*
1276-1300 aker <me latijn
1276-1300 angel*
1276-1300 arresteren <frans
1276-1300 bakken* ‘braden’
1276-1300 bekommeren
1276-1300 bescheiden*
1276-1300 bijna*
1276-1300 blasfemeren <latijn
1276-1300 concordantie <me latijn
1276-1300 confirmeren <frans
1276-1300 consacreren <latijn
1276-1300 convers <frans
1276-1300 corrigeren <frans
1276-1300 fraai <frans
1276-1300 gedaante*
1276-1300 gesp*
1276-1300 gezusters*
1276-1300 goedertieren*
1276-1300 graal <frans
1276-1300 inwendig <duits
1276-1300 jolijt <frans
1276-1300 justitie <frans
1276-1300 kaneel <frans
1276-1300 ketter <frans
1276-1300 kloppen*
1276-1300 martelen
1276-1300 moeite*
1276-1300 overtollig <?
1276-1300 promoveren <latijn
1276-1300 reserveren <frans
1276-1300 schrijden*
1276-1300 slank*
1276-1300 speuren*
1276-1300 staren*
1276-1300 sterling <engels
1276-1300 streven*
1276-1300 veeg*
1276-1300 vermaken* ‘anders maken’
1276-1300 visie <latijn
1276-1300 vollen <latijn
1276-1300 zodanig*
1277 besteden*
1277 eenparig*
1277 el*
1277 goot*
1277 koelte*
1277 kom*
1277 konterfeiten <frans
1277 koord <frans
1277 kuip <latijn
1277 lijst* ‘rand’
1277 los* ‘niet gebonden’
1277 naad*
1277 nering*

[p. 619]

1277 pond ‘gewichtseenheid’ <latijn
1277 principaal <frans
1277 raam*
1277 saai ‘weefsel’ <frans
1277 venten
1277 vouwen*
1278 dubbel <frans
1278 garen* ‘draad’
1278 hangijzer
1278 pleit ‘rechtsgeding, geschil’ <frans
1278 standaard ‘voetstuk’ <frans
1279 hoen*
1279 kauw*
1279 oktober <latijn
1279 vangen*
1279 woonachtig*
1280 baas*
1280 beuren*
1280 bol* ‘rond voorwerp’
1280 daar* ‘onderschikkend voegwoord’
1280 haver*
1280 menigte*
1280 paneel ‘beschot’ <frans
1280 plaat ‘plat stuk’ <frans
1280 spelt*
1280 verpachten
1280 victualie <frans of Latijn
1280-1287 laan*
1280-1287 snip* ‘steltloper’
1280-1287 zijl*
1280-1290 pannenkoek
1280-1290 rol <frans
1281 accorderen <frans
1281 appelleren <frans
1281 bul* ‘stier’
1281 conditie ‘voorwaarde, toestand’ <frans
1281 laat*
1281 loyaal <frans
1281 paaien ‘tevredenstellen’ <frans
1281 present ‘aanwezig’ <frans
1281 reet* ‘nauwe opening’
1281 sticht*
1281 verkwikken*
1281 zuring*
1281-1282 gaaf* ‘ongeschonden’
1281-1282 gevangenis*
1282 belijden*
1282 boedel*
1282 borgtocht*
1282 brik* ‘(gebroken) baksteen’
1282 hostie <latijn
1282 invloed <duits
1282 oranje <frans
1282 Pinksteren <latijn
1282 salaris
1283 hoop* ‘stapel (dingen), massa (mensen of dieren)’
1283 mening*
1284 baken <fries
1284 bandijk*
1284 beker <latijn
1284 brouwen* ‘bier bereiden’
1284 diegene*
1284 erfgenaam <?
1284 kreupel*
1284 page <frans
1284 plank <frans
1284 punt ‘stip’ <latijn
1284 schouw* ‘bezichtiging’
1284 spijker*
1284 stijl ‘verticale paal’ <latijn
1284 tegen*
1284 wieden*
1284-1285 bom ‘stop, spon’ <?
1284-1285 brouwer*

1280 - ‘Kokerulle’ te Ieper, gewapende opstand van de (textiel)ambachtsgilden tegen de rijke burgers; ‘kokerille’ was het wachtwoord van de opstandelingen, en is een klanknabootsend woord dat eigenlijk ‘zingend langs straat gaan’ betekent
[p. 620]

1285 achtereen*
1285 ah*
1285 ajuin <latijn
1285 albast <latijn
1285 ander* ‘onbepaald voornaamwoord’
1285 arend*
1285 armborst
1285 astrologie <latijn
1285 astronomie <latijn
1285 ba, bah*
1285 bak ‘kom, trog’ <frans
1285 banier <frans
1285 belagen*
1285 belemmeren*
1285 beneden* ‘bijwoord van plaats’
1285 beschutten*
1285 bespieden*
1285 bestieren*
1285 bevallen* ‘behagen’
1285 bezijden*
1285 bezuren*
1285 bijbel <latijn
1285 bloem* ‘fijn gezift meel’
1285 blond <frans
1285 blussen*
1285 boei ‘band’ <latijn
1285 boezem*
1285 bokking*
1285 bosschage <frans
1285 boven* ‘bijwoord van plaats’
1285 broek* ‘kledingstuk’
1285 cherubijn <latijn
1285 compassie <frans
1285 conclusie <frans
1285 crucifix <me latijn
1285 cureren <frans
1285 dalen*
1285 desgelijks*
1285 destructie <frans
1285 discipel <frans
1285 dorsen*
1285 drachtig*
1285 dreef*
1285 drek*
1285 duwen*
1285 dwarrelen*
1285 elkaar, elkander*
1285 ellende*
1285 ergens*
1285 falen <frans
1285 farao <latijn
1285 filosofie ‘wijsbegeerte’ <frans
1285 firmament <latijn
1285 fruit <frans
1285 gebeente*
1285 geboomte*
1285 gelag*
1285 gelofte*
1285 gemoed*
1285 genot*
1285 geometrie <latijn
1285 geschut*
1285 geslacht* ‘familie’
1285 gevecht*
1285 gevolg* ‘personen die iem. begeleiden’
1285 gewaad*
1285 godvruchtig*
1285 gordijn <frans
1285 gulzig <frans
1285 hars <duits
1285 hengsel*
1285 hiel*
1285 hoedanig*
1285 hoofd* ‘leider’
1285 ijken <latijn
1285 ijzen*
1285 instrument <frans of latijn
1285 janken*
1285 juichen*
1285 kaak* ‘deel van skelet waarin tanden en kiezen zitten’
1285 kan* ‘pot’
1285 kanteel <frans
1285 kapiteel <latijn
1285 klinken* ‘luiden’
1285 komeet <frans of latijn
1285 koorts*

[p. 621]

1285 koriander <frans
1285 kraaien*
1285 kruim*
1285 kruk* ‘handvat’
1285 laag* ‘hoeveelheid die ergens tussen of boven ligt’
1285 langs* ‘bijwoord van richting’
1285 legioen <frans
1285 lijnwaad*
1285 logeren <frans
1285 loods ‘schuur’ <frans
1285 luid*
1285 luipaard <frans
1285 luis*
1285 maal* ‘maaltijd’
1285 maaltijd*
1285 mand*
1285 mank <latijn
1285 manna <latijn
1285 mat ‘kleed van biezen e.d.’ <latijn
1285 meent*
1285 menigeen*
1285 middernacht*
1285 misbaar*
1285 monster ‘gedrocht’ <frans
1285 naast* ‘bijwoord van plaats’
1285 naast* ‘voorzetsel’
1285 nauw*
1285 nigromantie <me latijn
1285 noot* ‘vrucht’
1285 omtrent* ‘bijwoord van hoedanigheid’
1285 ontbreken*
1285 onthouden* ‘niet vergeten’
1285 ontzetten* ‘bevrijden’
1285 onversaagd
1285 onvoorzien*
1285 onweer*
1285 opdat*
1285 opperman*
1285 opschorten
1285 ornament <latijn
1285 overhand*
1285 paal ‘stuk hout’ <latijn
1285 passage ‘doorgang’ <frans
1285 pen, pin <latijn
1285 peul*
1285 pilaar <me latijn
1285 plaats <frans
1285 plas*
1285 plein <frans
1285 portaal ‘deurnis, gang’ <frans
1285 prieel <frans
1285 puist*
1285 purgeren <frans
1285 purper <latijn
1285 raken*
1285 ram* ‘stormram’
1285 ramp*
1285 rand* ‘kant’
1285 rank* ‘stengel van klimplant’
1285 regenboog*
1285 reiger*
1285 reu <?
1285 reus*
1285 riem* ‘leren band’
1285 rijzen*
1285 roef*
1285 rollen <frans
1285 rot ‘rij militairen van opzij gezien’ <frans
1285 rots <me latijn
1285 ruisen*
1285 sabel ‘zwart (in de heraldiek)’
1285 sacreren <frans
1285 sacrificie <latijn
1285 Satan <latijn
1285 schaamte*
1285 schemeren*
1285 scheut* ‘loot’
1285 schieten* ‘snel bewegen’
1285 schil*
1285 schofferen <frans
1285 slaaf <me latijn
1285 slepen*

[p. 622]

1285 slijten*
1285 sluipen*
1285 snaar* ‘schoondochter’
1285 sneven*
1285 spenen*
1285 splinter*
1285 spons ‘zwam’ <frans
1285 spruiten*
1285 steil*
1285 stelling* ‘stellage’
1285 stillen*
1285 suffen*
1285 synagoge <latijn
1285 tabernakel <latijn
1285 tal*
1285 tang* ‘gereedschap’
1285 tas* ‘stapel’
1285 tichel
1285 tinne*
1285 ton ‘vat’ <me latijn
1285 totdat*
1285 trouwen*
1285 twijn*
1285 verdoemenis*
1285 versieren
1285 verwarren*
1285 vieren ‘feesten’ <latijn
1285 vin*
1285 vinnig*
1285 vlerk* ‘vleugel’
1285 vlijt*
1285 vluchten*
1285 voer* ‘wagenvracht’
1285 vrezen*
1285 vuren <oudnoor(d)s
1285 waar* ‘koopwaar’
1285 waarschuwen*
1285 wankel*
1285 weg* ‘verdwenen’
1285 weleer*
1285 welven*
1285 wens*
1285 wicht*
1285 wiel* ‘rad’
1285 woeker*
1285 zelfs*
1285 zeloot <frans
1285 zenuw*
1285 zetel*
1285 zodat*
1285 zorg* ‘ongerustheid’
1285 zweep*
1285 zwerk*
1285-1286 azijn <frans
1285-1286 kabel <frans
1285-1286 karper*
1285-1286 kwart <frans
1285-1286 stellage ‘houten verhoging’
1286 blaasbalg*
1286 boenen*
1286 dicht* ‘nauw aaneensluitend’
1286 dol* ‘roeipen’
1286 dozijn <frans
1286 duig <me latijn
1286 foelie ‘zaadmantel van de muskaatnoot’ <latijn
1286 handschoen*
1286 hanteren <frans
1286 harder*
1286 juli <latijn
1286 proef <frans
1286 room*
1286 snoek*
1286 snoer*
1286 taai*
1286 touw*
1286 vadem*
1286 vracht*
1286 wijting*
1286-1343 gezamenlijk*
1287 aard* ‘geaardheid’
1287 aas* ‘lokspijs, voedsel’
1287 allemaal*
1287 barbeel <me latijn

1287 - Publicatie van het eerste encyclopedische werk over de natuur, Der naturen bloeme door Jacob van Maerlant, de ‘vader van alle Dietse dichters’, tevens auteur van o.a. de Rijmbijbel en de wereldgeschiedenis Spieghel historiael
[p. 623]

1287 bassen*
1287 beer* ‘mannetjesvarken’
1287 bei ‘bes’ <frans
1287 berin*
1287 beseffen*
1287 blank*
1287 bloesem*
1287 boa ‘slang’ <latijn
1287 borstel* ‘stijve haren van varkens e.d.’
1287 bot* ‘beenvis’
1287 brak* ‘hondensoort’
1287 buffel <frans
1287 bult*
1287 centenaar <latijn
1287 cicade <latijn
1287 corrumperen <latijn
1287 das* ‘marterachtige’
1287 dek*
1287 diamant <me latijn
1287 doffer*
1287 dolfijn <frans
1287 dooien*
1287 dooier*
1287 dop*
1287 droesem*
1287 duiken* ‘onder water gaan’
1287 dwaas*
1287 eekhoorn*
1287 eenhoorn*
1287 ekster*
1287 ever*
1287 fantoom <frans
1287 fazant <frans
1287 fluim <frans
1287 formeren <frans
1287 fret ‘marterachtige’ <frans
1287 gaai <frans
1287 genetkat
1287 gevogelte*
1287 gewis*
1287 gier* ‘roofvogel’
1287 giervalk <oudnoor(d)s
1287 glad*
1287 gloeien*
1287 gom <frans
1287 grein ‘korrel’ <frans
1287 grootte*
1287 haat*
1287 harpoen <frans
1287 hauw*
1287 havik*
1287 heen*
1287 hermelijn <me latijn
1287 hoef*
1287 hoon*
1287 huilen*
1287 ijsvogel*
1287 juweel <frans
1287 karbonkel ‘negenoog, grote puist’ <latijn
1287 keet* ‘schuur’
1287 kieviet*
1287 klank*
1287 knauwen*
1287 koel*
1287 koken <latijn
1287 kooi <latijn
1287 koraal ‘poliepenskelettenmassa’ <latijn
1287 kouten*
1287 kraan* ‘kraanvogel’
1287 krab*
1287 kraken*
1287 krijsen*
1287 krimpen*
1287 kul ‘testikel’ <latijn
1287 kwikzilver*
1287 laken* ‘afkeuren’
1287 lauwer <latijn
1287 loof*
1287 lynx <latijn
1287 magneet <frans of Latijn
1287 manen* ‘nekhaar’
1287 mauwen*
1287 meeuw*
1287 merg*
1287 mijt* ‘spinachtige’
1287 milt*
1287 minder*
1287 mist*
1287 modder*

[p. 624]

1287 moeilijk*
1287 muil* ‘bek’
1287 muizen*
1287 mul*
1287 nadat*
1287 nagel* ‘hoorn op laatste voet- en handkootjes’
1287 neffens*
1287 netel*
1287 nier*
1287 noot ‘muzieknoot’ <frans
1287 nootmuskaat <frans
1287 oester <latijn
1287 oever*
1287 om* ‘bijwoord van plaats’
1287 ongans*
1287 onguur*
1287 ooglid*
1287 ouder*
1287 overspel*
1287 papegaai <frans
1287 parel <frans
1287 piepen*
1287 pijpen ‘fluiten’ <latijn
1287 pikken* ‘stelen’
1287 pip <latijn
1287 plat <frans
1287 poeder <frans
1287 poëet <frans
1287 poot ‘been’ <latijn
1287 populier <frans
1287 pos*
1287 pyriet
1287 rek*
1287 robijn <me latijn
1287 roest*
1287 roet*
1287 rog*
1287 roten*
1287 rotten*
1287 saffraan ‘specerij’ <frans
1287 saffraan ‘gele kleur’ <frans
1287 salamander <frans
1287 sardonyx <latijn
1287 scepter <frans of latijn
1287 schelp*
1287 schollevaar*
1287 school ‘schare, groep’
1287 schorpioen <frans
1287 schuiven*
1287 schuren <me latijn
1287 serpent <frans of latijn
1287 sirene <frans
1287 slaken* ‘losmaken’
1287 slijm*
1287 slijpen*
1287 smoren*
1287 snavel*
1287 soelaas <frans
1287 specht*
1287 spreeuw*
1287 spreuk*
1287 stremmen*
1287 strooien*
1287 stropen* ‘villen’
1287 struis(vogel)
1287 stumper(d)*
1287 tam*
1287 teder*
1287 teug*
1287 toer ‘kunststukje’ <frans
1287 torsie <latijn
1287 triangel <frans
1287 tronk <frans
1287 uitnemend*
1287 urine <frans of latijn
1287 vaal*
1287 vertrekken*
1287 vet* ‘weefsel tussen vlees’
1287 vlaag* ‘plotselinge windstoot’
1287 vlet*
1287 vlo*
1287 vlucht* ‘het vliegen’
1287 vlug*
1287 voedsel*
1287 voedster*
1287 vogelen*
1287 voorzienigheid*
1287 walm*
1287 wennen*

[p. 625]

1287 wielewaal*
1287 wilg*
1287 windei*
1287 wolvin*
1287 wouw*
1287 wrang*
1287 zeekoe*
1287 zeug*
1287 zier*
1287 zode*
1287 zog*
1287-1288 mulder <latijn
1288 balg*
1288 bedrag*
1288 berm*
1288 dading*
1288 groot* ‘munt’
1288 rozijn <frans
1288 schoenmaker*
1288 taxeren <frans
1288 teen* ‘twijg’
1288 vacht*
1288 vlies*
1288 voorts*
1288 zeep*
1288 zuivel*
1289 augustus <latijn
1289 etmaal*
1289 mijnheer*
1289 rechten* ‘een rechterlijke uitspraak doen’
1289 weigeren*
1289 wis* ‘zeker’
1290 akkoord <frans
1290 balie <frans
1290 blozen*
1290 casseren <frans
1290 cautie <frans
1290 del* ‘duinvallei’
1290 dringen*
1290 gloed*
1290 jouw*
1290 klieven*
1290 knagen* ‘kleine stukjes afbijten’
1290 kuipen
1290 memorie <frans
1290 moedernaakt*
1290 notaris <latijn
1290 schelen*
1290 temptatie <frans of Latijn
1290 verdwijnen*
1291 beleid*
1291 bliek*
1291 penant <frans
1291 tas* ‘buidel’
1291 trouw*
1291-1292 vereffenen*
1291-1292 vermogen*
1291-1300 bezant <me latijn
1291-1300 castreren <frans
1291-1300 evangeliseren <frans
1291-1300 hovaardig*
1291-1300 liefde*
1291-1300 Messias <latijn
1291-1300 nooddruft*
1291-1300 ontvankelijk*
1291-1300 opinie <frans
1291-1300 parabel <frans
1291-1300 pelgrimage <frans
1291-1300 term <frans
1291-1300 titel <frans
1291-1300 vergeefs*
1291-1300 visitatie <frans
1291-1300 volstaan*
1291-1300 voorwaar*
1291-1300 wurgen, worgen*
1291-1300 zijgen*
1292 beroep* ‘appèl, herziening van vonnis aan hogere rechter vragen’

1288 - Slag bij Woeringen (Wörringen bij Keulen), waar hertog Jan I van Brabant Reinout van Gelre verslaat en Limburg annexeert
1289 - West-Friezen tot aan Texel onderworpen aan Holland
1290 (ca.) - Eerste Italiaanse bankiers in Zuidelijk Nederlandse steden
[p. 626]

1292 declaratie <frans
1292 defensie <latijn
1292 dispensatie <frans
1292 jegens*
1292 pens <frans
1292 ruig*
1292-1293 gegoed*
1292-1293 piek ‘lans’ <frans
1293 bedrijf* ‘beroepswerkzaamheid’
1293 bordeel <frans
1293 getuigenis*
1293 januari <latijn
1293 kanselier <frans
1293 sprot*
1293 zeehond*
1294 balans ‘weegschaal’ <frans
1294 exaltatie <frans
1294 feit <frans
1294 fraude <frans
1294 passeren <frans
1294 prent <frans
1294 respijt <frans
1294 schraag*
1294-1300 gareel <frans
1295 celebreren <latijn
1295 gewijsde*
1295 kopie <frans
1295 proces ‘rechtsgeding’ <frans
1296 betamelijk*
1296 houweel <frans
1296 paars ‘kleurnaam’ <frans
1296 proosdij
1296-1297 schiften* ‘sorteren’
1297 datum <latijn
1297 hinder*
1297 kater ‘mannetjeskat’
1297 tabbaard, tabberd <frans
1298 begeerte*
1298 betichten*
1298 sprokkelmaand
1299 achterstallig*
1299 administratie <frans
1299 besogne <frans
1299 executie ‘uitvoering’ <frans
1299 kampen
1299 mitsgaders*
1299 sommeren <frans
1299 verbintenis*
1299 zeker ‘onbepaald voornaamwoord’
1299-1356 bestand* ‘wapenstilstand’
1300 affaire <frans
1300 bekend* ‘kennende’
1300 betijen*
1300 billijk*
1300 bles*
1300 bont ‘pelswerk’ <latijn
1300 confessie <frans
1300 delicieus <frans
1300 gezind*
1300 hoorn* ‘blaasinstrument’
1300 jaloers <frans
1300 jaloezie ‘afgunst’ <frans
1300 kassei <frans
1300 keus*
1300 knikken* ‘het hoofd heen en weer bewegen’
1300 koek*
1300 koffer <frans
1300 kozen
1300 kruien* ‘een kruiwagen voortduwen’
1300 liefkozen ‘lief spreken’
1300 lijster*
1300 luit <frans
1300 melken*

1299-1356 - Holland en Zeeland onder het Henegouwse huis
1300 - Melis Stoke, de eerste Hollandse schrijver, beschrijft in zijn Rijmkroniek de geschiedenis van het graafschap Holland
1300 - Vlaanderen wordt bij het Franse kroondomein gevoegd
1300 (ca.) - Uitvinding van de leesbril
[p. 627]

1300 mijt* ‘muntje’
1300 misericorde <frans
1300 morren*
1300 motet <frans
1300 nevel*
1300 ocharm*
1300 onraad*
1300 openen*
1300 piment <frans
1300 rad* ‘wiel’
1300 schaduw*
1300 schorsen <frans
1300 serge <frans
1300 sibbe*
1300 stoof*
1300 universiteit <latijn
1300 verklappen*
1300 wanneer* ‘onderschikkend voegwoord’
1300 wetenschap*
1300 wingerd
1300-1393 moedwil*
1301-1325 bereid* ‘gereed’
1301-1325 feniks <latijn
1301-1325 grief <frans
1301-1350 abstinent <frans
1301-1350 autoriseren <frans
1301-1350 bijt*
1301-1350 brandewijn
1301-1350 hak* ‘landbouwwerktuig’
1301-1350 haken*
1301-1350 hommel*
1301-1350 huig*
1301-1350 karnemelk*
1301-1350 kijven*
1301-1350 knoest*
1301-1350 kompaan <frans
1301-1350 legitiem <frans
1301-1350 likdoorn*
1301-1350 queeste <frans
1301-1350 snees*
1301-1350 vermeien, zich
1301-1350 vilein <frans
1301-1350 warmte*
1301-1400 abominabel <frans
1301-1400 achterklap*
1301-1400 beduiden*
1301-1400 bewegen*
1301-1400 daveren*
1301-1400 diepte*
1301-1400 duiken* ‘bukken’
1301-1400 duizelen*
1301-1400 dwerg*
1301-1400 fistel <frans
1301-1400 gelid* ‘gewricht’
1301-1400 godsdienst*
1301-1400 hagedis*
1301-1400 ham* ‘achterbout van varken’
1301-1400 hinken*
1301-1400 kapittelen <me latijn
1301-1400 klis*
1301-1400 kluizenaar
1301-1400 kneden*
1301-1400 krijt ‘kalk’ <latijn
1301-1400 kuchen*
1301-1400 lamprei ‘jong konijn’ <frans
1301-1400 last* ‘hinder’
1301-1400 maas*
1301-1400 oorsprong*
1301-1400 portier ‘deurwachter’ <frans
1301-1400 schennis*
1301-1400 schrikkeljaar*
1301-1400 sikkel ‘munt, gewicht’ <latijn
1301-1400 sport* ‘trede van ladder’
1301-1400 sprinkhaan*
1301-1400 venijn ‘boosaardigheid’ <frans
1301-1400 voorspoed*
1301-1400 vruchtbaar
1302 nikker* ‘boze watergeest, duivel’
1302 pestilentie <frans

1302 - Brugse Metten: Wie het schibbolet ‘Scilt ende vrient’ niet kan uitspreken, wordt als Leliaert (aanhanger van de Franse koning) herkend en vermoord (in wo ii gebruikte men ‘Scheveningen’ als schibbolet)
[p. 628]

1302 schaal* ‘schotel’
1302 stof ‘materie’ <frans
1302 taart <frans
1303 evenknie*
1305 valeriaan
1305-1370 kaan* ‘stukje uitgebraden spek’
1306 goedendag* ‘middeleeuwse knots’
1308-1346 arrest <frans
1311 arbeidsloon*
1312 gading*
1314 houtvester
1315 barnsteen <nederduits
1317 haam*
1317 huik <frans
1317 ladder*
1317 lassen*
1317 schouw* ‘boot’
1317 tralie <frans
1317 wambuis <frans
1318 letsel*
1318 rede* ‘ankerplaats’
1318 sedert* ‘voorzetsel’
1318-1319 korset <frans
1319 vak* ‘begrensd deel’
1320 beitel*
1320 rector <latijn
1320 vergiffenis*
1320 verschalken*
1321 wanneer* ‘bijwoord van tijd’
1322 regeren <latijn
1323 merk*
1323 vestigen*
1324-1341 dobbelen
1324-1341 driest*
1324-1341 huur*
1324-1341 kerstenen <latijn
1324-1341 primo <latijn of Italiaans
1324-1341 vaak* ‘bijwoord van tijd: dikwijls’
1325 gesteente*
1325 mat ‘in het schaakspel vastgezet’
1325 sultan <frans
1326-1350 deken* ‘beddek’
1327 bof* ‘kinderziekte’
1327 deernis*
1327 degelijk*
1327 makkelijk*
1327 plooi <frans
1327 wade*
1328 waarborg*
1329 vernielen*
1329 verrichten*
1330 alleluja <latijn
1330 anker ‘inhoudsmaat’ <me latijn
1330 bout ‘metalen staaf’ <latijn
1330 gruis*
1330 ha*
1330 haha*
1330 harmonie <frans
1330 heugen*
1330 hullen*
1330 inspiratie <frans
1330 jou*
1330 koor ‘deel van kerkgebouw’ <latijn
1330 krakeling*
1330 kwee <latijn
1330 leest* ‘schoenvorm’
1330 loog* ‘oplossing van soda’
1330 made* ‘larve’

1302 - Guldensporenslag bij Kortrijk: het Vlaamse voetleger overwint het veel sterker geachte Franse ruiterleger; na de slag worden de gulden sporen opgeraapt en aan het gewelf van de Kortrijkse Lievevrouwekerk opgehangen
1325-1328 - Jan van Boendale schrijft het leerdicht Der leken spieghel, met o.a. een eerste proeve van een poëtica in het Nederlands
1329-1573 - Friese oorkonden
[p. 629]

1330 meter ‘doopmoeder’ <me latijn
1330 obediëntie <frans
1330 onder* ‘bijwoord van plaats’
1330 pis <?
1330 provincie <latijn
1330 rampspoed*
1330 rijgen*
1330 specerij <frans
1330 theologie <latijn
1330 trechter <latijn
1330 vaart* ‘snelheid’
1330 vallei <frans
1330 verkwisten*
1330 voorspellen*
1330 wei*
1330-1332 dijkgraaf
1331 funderen <frans
1331 galantine <frans
1331 nabuur*
1332 constructie <frans
1332 maanziek*
1333 ontvreemden*
1336 twijg*
1336-1339 appèl <frans
1336-1339 bruisen*
1336-1339 floers <frans
1336-1339 fluweel <frans
1336-1339 gouverneur <frans
1336-1339 vijver <frans
1337 monster ‘proefstuk’ <frans
1337 verlet*
1337-1382 juist <frans
1338 poos <frans
1338 toets ‘proef’ <frans
1338 versperren*
1339 drijven* ‘op een vloeistof liggen’
1339 vermiljoen <frans
1339-1345 beugel*
1339-1345 gors* ‘buitendijks land’
1339-1345 partikel <latijn
1339-1345 pont <latijn
1340 adder*
1340 gebit*
1340 geraamte* ‘raamwerk’
1340 kaak* ‘schandpaal’
1340 konfijten
1340 looien*
1340 schaken ‘schaakspelen’
1340 schakeren
1340 smeulen*
1340 tuit*
1340-1350 baan* ‘weg’
1340-1350 goochelen <?
1340-1350 heraut <frans
1340-1350 kampioen <frans
1340-1350 radbraken*
1340-1350 schavot <frans
1340-1350 smijten*
1340-1350 tintelen* ‘prikkelen’
1340-1350 zeis*
1340-1350 zweren* ‘etteren’
1342 betoog*
1342 kleermaker*
1342 schram* ‘kras’
1342 slip* ‘afhangend deel van een kledingstuk’
1342 spleet*
1342 stropen* ‘roven’
1343 reaal <spaans
1343 stel* ‘onderstel’
1343-1344 barbier <frans
1343-1344 bruinvis*
1343-1344 deel* ‘plank, vloer’
1343-1344 hoes <frans
1343-1344 livrei <frans
1343-1344 marter <frans
1343-1344 melaats
1343-1344 ziekte*
1343-1345 beschuit <frans
1343-1345 kruiwagen*
1343-1345 schepel*
1343-1346 blaar* ‘bles, witte plek op het voorhoofd van dieren’
1343-1346 buffet <frans
1343-1346 derrie*
1343-1346 gier ‘vloeibare mest’ <fries
1343-1346 haren*
1343-1346 hennep <scythisch of thracisch

[p. 630]

1343-1346 kerf*
1343-1346 metselaar
1343-1346 raster ‘lat, hekwerk’ <?
1343-1346 rij*
1343-1346 schoor*
1343-1346 stand* ‘gesteldheid’
1343-1346 vlijen*
1343-1371 klakkeloos*
1344 annuleren <frans
1344 klei*
1344 steel*
1345 deliberatie <frans
1345 jurisdictie <frans
1345 patrimonium <latijn
1345 verstand*
1345 zavel <latijn
1346 karpet <frans
1346 kleppen*
1346 neerslachtig*
1346 schol* ‘beenvis’
1346-1349 loodgieter
1346-1548 modderen*
1348 aanminnig*
1348 barbaar <frans
1348 bestemmen*
1348 dienaar
1348 heersen <duits
1348 iets*
1348 kneuzen*
1348 minzaam <duits
1348 ontluiken*
1348 opper* ‘stapel hooi’
1348 pollepel
1348 stuwen*
1348 vonk*
1348 vreugde*
1350 aanvangen*
1350 aas ‘bij kaartspel’ <frans
1350 acht* ‘aandacht’
1350 achterban*
1350 armee <frans
1350 azuur <frans
1350 baldakijn <frans
1350 bang* ‘angstig’
1350 bejegenen*
1350 beklijven* ‘(bij)blijven’
1350 bereiken*
1350 bes* ‘kleine vrucht’
1350 bestel*
1350 blaffen*
1350 blazoen <frans
1350 braken* ‘vlas breken’
1350 buks, buksboom <duits
1350 cement <frans
1350 consistorie ‘r.-k.: vergadering van kardinalen’ <latijn
1350 daas* ‘onwijs’
1350 degraderen <frans
1350 dekken* ‘beschermen (met schild en fig.)’
1350 del* ‘slet’
1350 dicht ‘gedicht’
1350 dichten <latijn
1350 draven*
1350 dressoir <frans
1350 dus* ‘nevenschikkend voegwoord’
1350 eenvoudig*
1350 eksteroog*
1350 fa ‘muzieknoot’
1350 galei <frans
1350 geelzucht*
1350 geenszins*
1350 geil*
1350 geneugte*
1350 gewrocht*
1350 glinsteren*
1350 goddank*
1350 gooien*
1350 grieven
1350 gruwel*

1349 - Pestepidemie
1350 - De mysticus en leerling van de Duitser Meister Eckhart, J. Ruusbroec, schrijft Die cierheit der gheesteliker brulocht (De schoonheid van de geestelijke bruiloft)
1350 (ca.) - Eerste leerboekjes Frans-Nederlands
[p. 631]

1350 haard*
1350 hakken*
1350 heien*
1350 hiërarchie <me latijn
1350 hort
1350 hymne <frans
1350 interpretatie <frans
1350 jak ‘kiel, kort jasje’ <frans
1350 jasmijn <frans
1350 kans <frans
1350 kapittel ‘hoofdstuk’ <latijn
1350 kazuifel <me latijn
1350 keel ‘rood (in de heraldiek)’ <frans
1350 kei*
1350 kerven*
1350 kijken*
1350 klant <frans
1350 klinken* ‘vastslaan’
1350 kop ‘hoofd’
1350 koppelen <frans
1350 kraag*
1350 kruin <latijn
1350 kruisen ‘een kruis doen vormen, snijden’
1350 kuur ‘geneeswijze’ <latijn
1350 la ‘muzieknoot’
1350 lans <frans
1350 lavendel <me latijn
1350 lekker*
1350 lengte*
1350 lessen*
1350 limiet <frans
1350 lispelen*
1350 luier*
1350 mals*
1350 markies ‘adellijke titel’ <frans
1350 mars ‘korf van marskramer’ <latijn
1350 medelijden <duits
1350 meneer*
1350 mi ‘muzieknoot’
1350 min* ‘zoogster’
1350 mooi <?
1350 muiterij
1350 muur* ‘plant’
1350 naarstig*
1350 nee*
1350 nek*
1350 nors*
1350 nummer <frans
1350 o*
1350 okkernoot
1350 onverholen*
1350 oortje*
1350 orde <frans
1350 orgel
1350 overhoop*
1350 part <frans
1350 partuur <frans
1350 passen ‘afpassen’
1350 penseel <frans
1350 perceel <frans
1350 pik* ‘houweel’
1350 pimpernel <frans
1350 presentatie <frans
1350 primaat <frans
1350 privaat ‘particulier’ <latijn
1350 rechtvaardig*
1350 rede* ‘wat men zegt’
1350 reden*
1350 riek*
1350 roosten*
1350 ruïne <frans
1350 sacristie <latijn
1350 schaffen <duits
1350 schampen <frans
1350 schateren*
1350 schreef*
1350 seculier <frans
1350 senator <latijn
1350 servituut <latijn
1350 smaad*
1350 snood*
1350 sol ‘muzieknoot’
1350 soort <frans
1350 sotternie
1350 spaan* ‘gereedschap’
1350 speld <latijn
1350 spitten*

[p. 632]

1350 staal ‘monster’ <frans
1350 stadhouder*
1350 stam*
1350 stappen*
1350 steenoud*
1350 steven*
1350 stoken* ‘laten branden’
1350 striem*
1350 stronk*
1350 strop <latijn
1350 student <latijn
1350 studie <latijn
1350 stug*
1350 stuip*
1350 stuiven*
1350 substantie <latijn
1350 sukkelen*
1350 tevoorschijn*
1350 tieren* ‘razen’
1350 tieren* ‘gedijen’
1350 tomen*
1350 tra*
1350 transmigratie <frans
1350 treuren <duits
1350 tribuut <frans
1350 trompet <frans
1350 uiterlijk*
1350 vergallen*
1350 vergen*
1350 vervelen*
1350 vizier ‘helmklep’ <frans
1350 voelen*
1350 voldaan*
1350 vondeling*
1350 welig*
1350 wellen* ‘opborrelen’
1350 wellust <duits
1350 werven* ‘verwerven’
1350 winnen* ‘overwinnaar zijn’
1350 woelen*
1350 wroeten*
1350 wrongel*
1350 ze*
1350 zeen*
1350 zever*
1350 zicht* ‘soort zeis’
1350 zucht* ‘sterke uitademing’
1350-1384 boog* ‘gebogen constructie’
1350-1384 lint <?
1350-1384 onverlet*
1350-1385 buis ‘leiding’ <frans
1350-1420 abel <frans
1351 bol* ‘rond’
1351 bot* ‘knop’
1351 cataract <latijn
1351 consolideren <frans
1351 dikte*
1351 driehoek*
1351 gauwdief*
1351 gedrocht*
1351 hijgen*
1351 hutsen*
1351 inkt <frans
1351 jujube <frans
1351 kamfer <frans
1351 kamille <frans
1351 kandeel <me latijn
1351 kapitein ‘scheepsgezagvoerder’ <frans
1351 karwij <frans of latijn
1351 keutel*
1351 klier* ‘vochtafscheidend orgaan’
1351 langs* ‘voorzetsel’
1351 lavement <frans
1351 lies* ‘plooi tussen onderlijf en bovenbeen’
1351 mierik
1351 molesteren <frans
1351 nachtschade*
1351 oorwurm*
1351 pellen
1351 pil ‘geneesmiddel’ <latijn
1351 planen
1351 puilen*
1351 pupil ‘oogappel’ <frans
1351 rabarber <me latijn
1351 reutelen*
1351 roof*
1351 schulp*
1351 schurft*
1351 slinken*

[p. 633]

1351 snot*
1351 snuiven*
1351 sober <frans
1351 spalk*
1351 spatel <me latijn
1351 speeksel*
1351 speling*
1351 vatten*
1351 vitriool <frans
1351 vlegel ‘lange stok, dorsvlegel’ <latijn
1351 walken*
1351 wasem*
1351 waterzucht*
1351 weerlicht*
1351-1375 eb*
1351-1400 aamborstig*
1351-1400 altereren <frans
1351-1400 andijvie <me latijn
1351-1400 apostille <frans
1351-1400 asem*
1351-1400 bekennen* ‘gemeenschap hebben’
1351-1400 beleg* ‘insluiting van een vesting’
1351-1400 bevrijden*
1351-1400 bewind*
1351-1400 biest*
1351-1400 breeuwen*
1351-1400 cider <frans
1351-1400 compromis <frans
1351-1400 dag ‘ponjaard, korte degen’ <frans
1351-1400 dors <oudnoor(d)s
1351-1400 draf* ‘gang van een paard’
1351-1400 druk*
1351-1400 elft*
1351-1400 enkel* ‘voetgewricht’
1351-1400 enkel* ‘alleen, enig in zijn soort’
1351-1400 fingeren <latijn
1351-1400 fles*
1351-1400 fluit <frans
1351-1400 fret ‘boortje’ <frans
1351-1400 genereren <latijn
1351-1400 haperen*
1351-1400 karn*
1351-1400 klateren*
1351-1400 kriek
1351-1400 kroniek <frans
1351-1400 limoen <frans
1351-1400 loftuiting*
1351-1400 mandement <frans of latijn
1351-1400 mede* ‘meekrap’
1351-1400 moed*
1351-1400 moerbei
1351-1400 motief ‘beweegreden’ <frans
1351-1400 naasten*
1351-1400 ochtend*
1351-1400 pand ‘gebouw’
1351-1400 pen ‘schrijfgereedschap’ <latijn
1351-1400 rechten* ‘rechtbuigen’
1351-1400 rits <duits
1351-1400 schaars <frans
1351-1400 schalmei <frans
1351-1400 slikken*
1351-1400 spaak*
1351-1400 spruit* ‘loot’
1351-1400 tonijn <frans
1351-1400 verenigen*
1351-1400 verwelken*
1351-1400 wiegen*
1351-1400 zwijm*
1353 affirmeren <frans
1353 commissaris <me latijn
1353 excuseren <frans
1354 kraan* ‘tap aan een vat’
1354 middelbaar*
1356 procuratie <frans
1357 beheren*
1357 gade*
1357 hardnekkig*
1357 kluit*
1357 luisteren*

1356-1433 - Holland onder het Beierse huis
[p. 634]

1357 nabij* ‘bijwoord van plaats’
1357 romp*
1357 sarren <duits
1357 schikken*
1357 schromen*
1357 sprokkelen*
1357 stulpen*
1358 deputeren <frans
1358 hun* ‘bezittelijk voornaamwoord’
1358 muiten
1358 plek*
1360 allooi <frans
1360 kolven*
1360 mediteren <frans
1360 metselen
1360 nijpen*
1360 pinakel <frans
1360 plataan <frans
1360 rei <frans
1360 schijten*
1360 verdienste*
1360 wegge, weg*
1361 doos ‘kartonnen omhulsel’
1361 rancune <frans
1361 taxatie <frans
1361 verbijsteren*
1361 verlof*
1361-1362 kruid* ‘specerij’
1361-1362 kwitantie <latijn
1361-1362 papier <frans
1361-1425 inhibitie <frans
1364 stutten*
1364 velg*
1364-1365 kast <duits
1364-1365 maatschap*
1365 divisie <frans
1366 relaxatie <latijn
1366 schopstoel*
1366 stikken* ‘naaien’
1366 stokvis*
1367 eendracht*
1367 tekenen* ‘schilderen’
1367 test ‘kom’ <latijn
1367-1372 kram*
1367-1372 snoeien*
1368 stop <latijn
1368 strand*
1368 voltrekken*
1368 wrak* ‘onbruikbaar voer- of vaartuig’
1369 florijn <frans
1370 bark <frans
1370 brie <frans
1370 duister*
1370 griffel <me latijn
1370 het* ‘lidwoord’
1370 kiel* ‘boezeroen’
1370 kwetsuur <frans
1370 rochelen*
1370 schop*
1370-1378 absentie <latijn
1370-1378 acquit <frans
1370-1378 certificeren <me latijn
1370-1378 collationeren <frans
1370-1378 commissie ‘vertrouwelijke opdracht’ <frans
1370-1378 committeren <latijn
1370-1378 compareren <frans
1370-1378 concluderen <latijn
1370-1378 defloratie <frans
1370-1378 favorabel <frans
1370-1378 fundatie <frans
1370-1378 kwantiteit <frans
1370-1378 moveren <latijn
1370-1378 obligatie <frans
1370-1378 repliceren <latijn
1370-1378 revocatie <frans
1370-1378 surplus <frans
1370-1378 suspensie <latijn
1371 plak* ‘muntstuk’
1371 zwengel*
1371-1378 weerga*
1371-1423 grein ‘gewichtje’ <frans
1372 plunderen*
1372 volmacht*
1373 beieren*
1373 muts <me latijn
1373 salpeter <me latijn
1373-1376 pijl <latijn
1374 onkosten
1374-1394 kaatsen <frans
1374-1394 vroedvrouw*

[p. 635]

1375 bouwen* ‘het land bewerken’
1375 remedie <latijn
1375 stoet ‘optocht’ <?
1375 verf*
1376 februari <latijn
1376 schakel*
1376 volwassen*
1376 vrijwaren*
1376-1384 achterhoede*
1376-1389 kraak ‘schip’ <frans
1376-1400 erkennen <duits
1376-1400 gerief*
1376-1400 gesternte*
1376-1400 griend*
1376-1400 hamel*
1376-1400 hazewind*
1376-1400 hop* ‘klimplant’
1376-1400 inborst*
1376-1400 kak
1376-1400 kanaal <frans
1376-1400 kruit*
1376-1400 laatstleden*
1376-1400 lam* ‘verlamd’
1376-1400 mijn ‘plaats waar kolen, ertsen opgegraven worden’ <frans
1376-1400 monsteren
1376-1400 omnipotent <latijn
1376-1400 orthografie <frans
1376-1400 plecht <me latijn
1376-1400 rukken*
1376-1400 takel*
1376-1400 terug*
1376-1400 toorts <frans
1376-1400 vloot* ‘samen varende schepen’
1376-1400 vloot* ‘tobbetje, kuipje’
1376-1400 voeren* ‘van binnen bekleden’
1376-1400 zwijmen*
1377 klomp* ‘kluit, klont’
1377 plag*
1377 restant <frans
1377 sardine <frans
1377-1378 gelei <frans
1377-1378 koet*
1377-1378 lei ‘gesteente’ <keltisch
1377-1378 pruim <grieks
1377-1378 rund*
1377-1378 schelf*
1377-1378 slopen*
1377-1378 spinazie <frans
1377-1378 voorn*
1378 menie <latijn
1378 spiritueel <frans
1378 taling*
1379 nergens*
1379 signeren <frans
1380 leproos ‘melaats, aan lepra lijdend’ <latijn
1380 loket
1380 ontwerpen*
1380 riool <frans
1380 rist <?
1380 rumoer <frans
1380 stuiver*
1380 woerd* ‘mannetjeseend’
1380-1420 flambouw <frans
1380-1420 nestel*
1380-1420 oblie <frans
1380-1425 dialoog <frans
1381 slop*
1381 vaceren <latijn
1382 frank ‘oude muntnaam, tot 2002 munteenheid van o.a. Frankrijk en België’ <frans
1383 fuik*
1383 tweedracht*

1379 - Geert Groote laat zich tot diaken wijden en trekt langs de steden met boetepreken, waardoor hij velen tot inkeer brengt; uit zijn volgelingen, de Moderne Devoten, ontstonden de Broeders en Zusters van het Gemene Leven en de Congregatie van Windesheim
1382 - Slag bij Westrozebeke: Filips van Artevelde sneuvelt en het Vlaamse leger wordt verslagen door de Fransen
[p. 636]

1383-1474 wort*
1383-1474 wrak* ‘met gebreken’
1384 laveren <frans
1384 ramen*
1384 riem ‘hoeveelheid papier’ <spaans
1384 wis* ‘teen, twijg, strobos’
1384-1407 blik* ‘vertind dun plaatstaal’
1384-1407 borstwering*
1384-1407 dreg <engels
1384-1407 drevel*
1384-1407 kompas <frans
1384-1407 kozijn ‘raamwerk’ <frans
1384-1407 lamenteren <frans
1384-1407 matras <frans
1384-1407 vernis <frans
1384-1428 mik <latijn
1385 veiling*
1389 kolk*
1389 taks ‘vastgestelde hoeveelheid’ <frans
1390 actie <latijn
1390 ballast <nederduits
1390 boot <?
1390 gerucht* ‘praatje’
1390 goedkoop
1390 pik ‘teerproduct’ <latijn
1390 schoppen* ‘met de voet treffen’
1390-1407 mijn* ‘afslag’
1390-1460 kamelot <frans
1390-1460 kwakzalver*
1390-1460 prik* ‘kaakloze vis’
1390-1460 winde* ‘windas’
1391 alias <latijn
1391 contract <frans of latijn
1391 pensionaris <me latijn
1391-1392 marge <frans
1391-1392 revenuen <frans
1391-1400 kennis* ‘persoon die men kent’
1392 controle ‘inspectie’ <frans
1392 missaal <me latijn
1392 procurator <latijn
1393 devoot <frans
1393-1402 genoegen*
1393-1402 geslacht* ‘sekse’
1393-1402 omhelzen*
1393-1402 onhebbelijk <duits
1393-1402 paragraaf <frans
1393-1402 raar <frans
1393-1402 stijl ‘wijze van uitdrukken’ <frans
1394 kaarten
1395 eindigen*
1395 mismoedig*
1395 schol* ‘drijvend stuk ijs’
1395 specificeren <me latijn
1396 content ‘tevreden’ <frans
1397 kandij <frans
1397 kapel ‘vlinder’
1397 protectie <frans of latijn
1397 register <me latijn
1397 talk* ‘vet van dieren (o.a. voor kaarsen gebruikt)’
1398 conventie <frans
1399 erfenis*
1399 gelegenheid*
1399 levendig*
1399 tabel <latijn
1400 allerlei
1400 bereid* ‘genegen’
1400 continueren <frans
1400 epidemie <me latijn

1383-1408 - W. van Hildegaersberch treedt als bekendste Nederlandse ‘sprokespreker’ op en draagt eigen en andermans gedichten voor
1384 - Vlaanderen onder het Bourgondische huis
1387 - Willem i van Gelre komt in botsing met Frankrijk doordat hij Brabantse kastelen inneemt; hij schoffeert de koning van Frankrijk doordat hij hem een uitdagingsbrief schrijft op papier in plaats van op perkament, zoals het hoort
[p. 637]

1400 geboefte*
1400 generlei
1400 grimmig*
1400 heller <duits
1400 ingewand*
1400 klap*
1400 krabben*
1400 krans <duits
1400 legeren*
1400 mededogen*
1400 noteren <frans
1400 patroon ‘ontwerp’ <frans
1400 prangen*
1400 protesteren <frans
1400 recupereren <frans
1400 stomp* ‘niet scherp’
1400 strak* ‘niet plooiend, star’
1400 talent ‘natuurlijke gave’
1400 talent ‘geldswaarde’ <latijn
1400 tekst <frans
1400 tred*
1400 vernuft <duits
1400 voederen*
1400 vuilnis*
1400 wederwaardigheid*
1400-1401 wulk <engels
1400-1434 foelie ‘bladmetaal’ <latijn
1400-1434 folie <latijn
1400-1434 karaat <frans
1400-1450 kombuis <?
1401 karsaai <engels
1401 steng*
1401 vennoot*
1401-1423 veilig*
1401-1425 bedwelmen*
1401-1425 blaas* ‘bobbel’
1401-1425 chaos <latijn
1401-1425 dame ‘vrouw’ <frans
1401-1425 doorluchtig*
1401-1425 laf*
1401-1425 oorzaak <duits
1401-1425 vuns*
1401-1450 almanak <me latijn
1401-1450 apert <latijn
1401-1450 artsenij <duits
1401-1450 beslag*
1401-1450 bikken* ‘hakken’
1401-1450 booswicht*
1401-1450 collier <frans
1401-1450 desem*
1401-1450 dollen*
1401-1450 doppen*
1401-1450 gedwee*
1401-1450 gek*
1401-1450 gematigd*
1401-1450 grazen*
1401-1450 haast ‘bijwoord van hoedanigheid: bijna, weldra’ <frans
1401-1450 honk*
1401-1450 hop* ‘inham’
1401-1450 iezegrim*
1401-1450 klikken*
1401-1450 kosmografie <frans
1401-1450 kuiken*
1401-1450 notabel <frans
1401-1450 nuttigen*
1401-1450 pier* ‘worm’
1401-1450 prikkelen*
1401-1450 prinses <frans
1401-1450 ros ‘paard’ <duits
1401-1450 scherm*
1401-1450 snorken*
1401-1450 steevast*
1401-1450 straf* ‘stijf, krachtig’
1401-1450 terpentijn <frans
1401-1450 verluchten*
1401-1450 vulkaan <latijn

1400 (ca.) - Het haringkaken maakt langer bewaren van vis en dus langere zeevaarten mogelijk; de uitvinding wordt, waarschijnlijk ten onrechte, aan Willem Beukelsz. toegeschreven
1400-1600 - Rederijkers, die naar Frans voorbeeld ingewikkelde versvormen gebruiken en veel Franse leenwoorden overnemen
[p. 638]

1401-1450 wikken*
1401-1450 zwichten*
1401-1500 banen*
1401-1500 besmeuren*
1401-1500 bezigen*
1401-1500 blanc-manger <frans
1401-1500 bril
1401-1500 buurt*
1401-1500 dadel <frans
1401-1500 femel <frans
1401-1500 flauw <frans
1401-1500 geschiedenis*
1401-1500 gezag*
1401-1500 gijzelaar
1401-1500 heining*
1401-1500 jurist <me latijn
1401-1500 ketting
1401-1500 molm*
1401-1500 nou*
1401-1500 pok*
1401-1500 schaaf*
1401-1500 spuiten*
1401-1500 tinctuur <latijn
1401-1500 tong* ‘beenvis’
1401-1500 voorjaar*
1404 absent <frans
1404 avegaar*
1404 distribueren <frans
1404 scharen*
1404 wedervaren*
1405-1422 weduwnaar
1406 beuken*
1406 heus* ‘hoffelijk’
1406 keilen*
1406 nobel ‘munt’ <engels
1406 puik*
1406 schrappen*
1406-1448 botje*
1407 hetzij*
1407 ploegpaard
1407 reef*
1407 rot* ‘bedorven’
1407-1432 buis ‘haringschuit’ <frans
1407-1432 conserven <frans
1407-1432 derwaarts*
1407-1432 machtigen*
1407-1432 spouwen*
1408 natie <frans
1408 participeren <frans
1408-1414 stip*
1409 braspenning <?
1409 huidig*
1409 las*
1409 oppositie <frans
1409 reder*
1409 treffen*
1410 aars*
1410 abel spel
1410 abuis <frans
1410 bevestigen*
1410 broeder* ‘geestelijke’
1410 geletterd
1410 grinniken*
1410 klutsen*
1410 kwinkslag*
1410 luistervink*
1410 meerder*
1410 mistroostig*
1410 polsen <latijn
1410 rank* ‘slank’
1410 sedert* ‘onderschikkend voegwoord’
1410 sier <frans
1410 toon <frans
1410 valkenier <frans
1410 vormsel
1410 wortel* ‘groente’
1410 wriemelen*
1410 zicht* ‘het zien’
1411 repliek <frans
1412 dobber*
1412 dribbelen* ‘met kleine passen lopen’

1407 - De eerste poldermolen wordt neergezet, een windmolen die voor bemaling gebruikt wordt in de laaggelegen kustgebieden
1412 - Dirc Potter publiceert Der minnen loep, een leerdicht over vier soorten liefde
[p. 639]

1412 verstellen*
1413 boekweit*
1413 pooier
1413 toffel
1413 traan* ‘visolie’
1414 parket ‘afgeperkte ruimte’ <frans
1414 plakkaat <frans
1415 blakeren*
1415 vlag*
1415 vlassen*
1415 zengen*
1416 ambassadeur <frans
1416 pretenderen <frans
1416 vorsen <duits
1417 veil*
1419 believen*
1420 aardig* ‘bekoorlijk, mooi’
1420 ervaren <duits
1420 gruwen*
1420 hark*
1420 keuter*
1420 kolder ‘leren harnas’ <me latijn
1420 krassen <duits
1420 linze <duits
1420 ondanks*
1420 prop*
1420 singulier <frans
1420 steunen* ‘stutten’
1420 wen*
1420 zeelt <?
1420-1421 zeem ‘zeemleer’ <frans
1421 meug*
1421 oliesel
1421 zwachtel*
1422 trekpaard
1423 schoren*
1423-1473 compenseren <frans
1424 beugelen*
1424 klootschieten*
1424 libel ‘schotschrift’ <frans
1425 kegelen*
1425 kroes ‘drinkbeker’ <?
1425 nederlaag <duits
1425 stijg*
1425-1430 nazaat*
1427 baal <frans
1427 ontrieven*
1427 petitie <frans
1428 mijt ‘zorgvuldig opgestapelde hoop hooi of stro’ <latijn
1429 hellebaard*
1429 kreng ‘aas’ <frans
1429 lid* ‘deksel’
1429 lommerd <frans
1429 onthouden* ‘niet geven’
1429 praam <nederduits
1429 schorten <latijn
1429 smoken*
1430 aandacht <duits
1430 ben <frans
1430 pijler <latijn
1430 stofferen <frans
1430 waggelen*

1420 - Zigeuners in de Lage Landen
1421 - Door de St.-Elisabethsvloed ontstaat de Biesbosch
1425 - Jan van Eyck gaat naar het Bourgondische hof en wordt voorman van de ‘Vlaamse primitieven’, zoals in de 19de eeuw de eerste schildersschool uit de Nederlanden genoemd werd
1425 - Leuven eerste universiteit in de Lage Landen
1427 - Thomas a Kempis schrijft De Navolging van Christus, het meest verspreide middeleeuwse literaire werk; aan hem worden de uitspraken toegeschreven: ‘Homo proponit, sed deus disponit’ (de mens wikt maar God beschikt), ‘Sic transit gloria mundi’ (zo vergaat de heerlijkheid der wereld), en ‘In angello cum libello’ (in een hoekje met een boekje)
1430 - Brabant onder het Bourgondische huis
[p. 640]

1431-1436 mevrouw*
1432 sturen*
1432-1468 contributie <frans
1432-1468 bijkans
1432-1468 krabbelen*
1432-1468 nar <duits
1432-1468 submissie <latijn
1433 affectie <frans
1433 schap*
1433 vormen ‘het vormsel toedienen’
1434 diadeem <frans
1434-1436 endeldarm*
1434-1436 griezelen*
1434-1436 pijnigen
1434-1436 sterkte*
1434-1436 trillen*
1434-1436 uier*
1435 staande*
1435 thans*
1435-1500 gewelf*
1436 aaneen*
1436 kust <frans
1436 ploeg* ‘groep mensen’
1436 spijt <frans
1436-1443 hoewel*
1436-1523 sintel <duits
1437 kuit* ‘visseneitjes’
1437 rapaille <frans
1437 reinigen*
1437 repeteren <frans
1437 schim*
1437 sissen*
1437 snappen*
1437 snateren*
1437 spruit* ‘kind’
1437 steekpenning <?
1437 streng* ‘niet toegeeflijk’
1437 strompelen*
1437 tegenspoed*
1437 tol* ‘speelgoed’
1437 tor*
1437 traktaat <latijn
1437 vent* ‘kerel’
1437 viezevazen*
1437 vreten*
1438 botten*
1438 fok* ‘voorzeil’
1438 Moedermaagd*
1438 schip* ‘deel van kerkgebouw’
1438 solderen <frans
1439 leunen*
1439 pomp ‘praal’ <frans
1439 schrapen*
1440 afgrijzen*
1440 bod*
1440 boor* ‘werktuig om gaten te maken’
1440 dievegge
1440 grommen*
1440 grondel*
1440 heinde*
1440 hengel*
1440 kies* ‘maaltand’
1440 kwijl*
1440 lekken* ‘niet dicht zijn’
1440 lier ‘snaarinstrument’ <frans of latijn
1440 lui*
1440 medicus <latijn
1440 ogief <frans
1440 praten*
1440 proberen ‘beproeven’ <latijn
1440 pronken*
1440 regent <frans
1440 restaureren <frans
1440 scheet*
1440 schoot* ‘kledingstuk’
1440 velen*
1440 vermits*
1440 wethouder*
1441 buskruit
1441 oksaal
1442 concipiëren <latijn
1442 hitsig <duits
1442 schort*

1433 - Holland en Zeeland onder het Bourgondische huis
[p. 641]

1443 moderatie <frans
1443 puin <?
1443-1451 ettelijke <duits
1443-1451 passer
1444 brevet <frans
1444 kween*
1444 relaas
1444 sloop*
1444 verzamelen <duits
1444-1450 hak* ‘hiel’
1445 achterwaarts*
1445 aftrekken* ‘in de wiskunde: verminderen’
1445 arrestatie <frans
1445 beschadigen*
1445 beurt*
1445 bijvallen*
1445 branden*
1445 bukken*
1445 correctie <frans
1445 gammel*
1445 onverhoeds*
1445 puts
1445 spint* ‘buitenste jaarringen van bomen’
1445 voorbij* ‘voorzetsel’
1445 wortel* ‘in de wiskunde’
1445-1455 haai <oudnoor(d)s
1445-1455 koot*
1446 legende <frans
1446 tanen ‘bruinen’
1446 zult*
1447 adel <duits
1447 gemelijk*
1447 ruit ‘scheef vierkant’
1448 absenteren, zich <frans
1448 refrein <frans
1448 tarbot <frans
1449 conclaaf <frans
1449 ratificeren <me latijn
1450 afscheid*
1450 begaafd*
1450 begrafenis*
1450 bul ‘oorkonde’ <latijn
1450 canon <latijn
1450 college <frans
1450 droefenis*
1450 excellent <frans
1450 expeditie ‘verzending van goederen’ <frans
1450 expireren <frans
1450 gang* ‘doorloop, overdekte weg’
1450 gevel*
1450 gevoel*
1450 grijsaard
1450 halster*
1450 innerlijk <duits
1450 inprenten
1450 inventaris
1450 kikken*
1450 klip*
1450 landen*
1450 lankmoedig*
1450 lijken*
1450 matigen*
1450 medestander*
1450 meesterknecht
1450 omheinen*
1450 opnieuw*
1450 poken*
1450 roer* ‘geweer’
1450 secreet ‘schijthuis’
1450 sluimeren*
1450 smakken* ‘smijten’
1450 strelen*
1450 struweel <frans
1450 tafereel <frans
1450 tornen*
1450 verbreiden*
1450 verguizen*
1450 vlaag* ‘opwelling’
1450 wafel*
1450 zwavel*
1450-1500 illumineren <frans
1450-1500 privaat ‘wc’ <me latijn

1450 (ca.) - Uitvinding boekdrukkunst
1450 (ca.) - Ontstaan van de Latijnse school in de Nederlanden
[p. 642]

1450-1520 glorieus <frans
1451 adverteren <frans
1451 alliantie <frans
1451 authentiek <latijn
1451 bokaal <frans
1451 frauderen <frans
1451 molestatie <frans
1451 publicatie <frans
1451 reguleren <latijn
1451-1454 bankier <frans
1451-1475 bourgeois <frans
1451-1475 constellatie <frans
1451-1475 neutraal <frans
1451-1500 aap*
1451-1500 achterbaks*
1451-1500 animeren <frans
1451-1500 apin*
1451-1500 bedaren*
1451-1500 belabberd*
1451-1500 blèren*
1451-1500 bouwvallig <duits
1451-1500 buil* ‘zak’
1451-1500 ciborie <latijn
1451-1500 cimbaal <frans
1451-1500 concubine <frans
1451-1500 consorten <latijn
1451-1500 dicteren <frans
1451-1500 floreren <latijn
1451-1500 gesteld*
1451-1500 gissen*
1451-1500 git <frans
1451-1500 herbergier
1451-1500 informatie <frans
1451-1500 juffrouw*
1451-1500 klak* ‘klodder, vlek’
1451-1500 kluiven*
1451-1500 laci
1451-1500 los* ‘katachtige’
1451-1500 lukken*
1451-1500 manifesteren <frans
1451-1500 mis* ‘niet raak’
1451-1500 mof ‘losse mouw’
1451-1500 muteren <latijn
1451-1500 onverdroten*
1451-1500 patiënt <frans
1451-1500 profiteren <frans
1451-1500 rad* ‘vlug’
1451-1500 recept <me latijn
1451-1500 recreatie <frans
1451-1500 rozenkrans
1451-1500 spelonk <frans
1451-1500 steeds*
1451-1500 stoven*
1451-1500 tillen*
1451-1500 toen* ‘bijwoord van tijd’
1451-1500 vat* ‘greep’
1451-1500 verreweg*
1451-1500 verslag*
1451-1500 wak*
1451-1500 zwak*
1451-1500 zwenken*
1452 rest <frans
1452 toch*
1452-1494 accepteren <frans
1452-1494 bommen*
1452-1494 licentie <frans
1452-1494 middag* ‘namiddag’
1452-1501 hoogte*
1453 akte ‘schriftelijk stuk’ <frans
1453 plavuis
1453 procederen <frans
1453-1497 tenzij*
1453-1497 zwaarte*
1454 contribueren <frans
1454 executeren <frans
1454 particulier <frans
1454-1473 rechtschapen <duits
1454-1473 scherprechter*
1455 dwang*
1455 kajuit <frans
1456 disponeren <latijn
1456 dispositie <frans
1456 effect ‘uitwerking’ <latijn
1456 net ‘keurig’ <frans
1456 permissie <frans
1456 rekest <frans

1455 - Friese huwelijkstoespraken
[p. 643]

1456 taan <frans
1456 transcriptie <frans
1456-1489 eland <duits
1457 kaai <frans
1458 onbehouwen*
1458 repetitie ‘herhaling’ <frans
1458 uitdrager*
1458 veest*
1458 volhouden*
1459 competent <frans
1459 financiën <frans of latijn
1459 verontschuldigen*
1460 betten*
1460 confiscatie <frans
1460 conspiratie <frans
1460 drillen* ‘boren’
1460 geschikt*
1460 informeren <frans
1460 katrol
1460 luidruchtig*
1460 nabij* ‘voorzetsel’
1460 rabauw <frans
1460 struif*
1460-1470 allegorie <frans
1460-1470 boel* ‘inboedel’
1460-1486 admissie <frans
1460-1486 ruin*
1460-1514 achtel*
1460-1514 dissel*
1461 blinken*
1461 brevier <latijn
1461 eenheid* ‘hecht samenhangend geheel’
1461 eigenschap <duits
1461 gelaten <duits
1461 gist*
1461 indruk <duits
1461 knarsen*
1461 liberaal ‘ruimdenkend, mild’ <frans
1461 mishagen*
1461 opgetogen*
1461 reuzel*
1461 rommelen*
1461 voorwerp*
1461 vormen ‘gestalte geven’
1461 wezen* ‘schepsel’
1461 ziften*
1461 zinnelijk*
1462 archief <latijn
1462 beneficie <latijn
1462 ceintuur <frans
1462 idool <frans
1462 kaken* ‘ingewandsverwijdering van haring via de kieuw’
1462 kalief <frans
1462 kan ‘oosterse titel’ <frans
1462 kohier <frans
1463 ijdel* ‘verwaand’
1463 indien*
1463 koers ‘richting, route’ <frans
1463 oprispen*
1464 releveren <frans
1464 voorgeborchte*
1465 helmstok*
1465 klad*
1465 opponeren <latijn
1465 vijzel ‘windas’
1466 eigenwijs <nederduits
1466 orgaan <latijn
1466 werven* ‘in dienst nemen’
1466 wier*
1467 bank ‘geldbank’ <italiaans
1467 even* ‘door twee deelbaar’
1467 resideren <frans
1467-1490 adviseren
1467-1490 appellant <frans

1462 - Het oudste in de Nederlanden gedrukte boek: de Doctrinale, een Latijnse grammatica van Alexander de Villa Dei
1465 - Eerste bijeenkomst van vertegenwoordigers van alle Bourgondische staten: de Staten-Generaal
[p. 644]

1467-1490 assistentie <frans of latijn
1467-1490 civiel <frans
1467-1490 coadjutor <latijn
1467-1490 communicatie <frans
1467-1490 confisqueren <frans
1467-1490 crimineel <frans
1467-1490 delibereren <frans
1467-1490 domineren <frans
1467-1490 entree ‘intrede, ingang’ <frans
1467-1490 exceptie <frans
1467-1490 favoriseren <frans
1467-1490 instructie <frans
1467-1490 justificatie <frans
1467-1490 limitatie <frans
1467-1490 missive <frans
1467-1490 recommanderen <frans
1467-1490 variëren <frans
1467-1490 verificatie <frans
1467-1490 verifiëren <frans
1468 occupatie ‘bezigheid’ <frans
1468 specificatie <frans
1468 tronie <frans
1468-1497 kap ‘bovendeel’
1469 ouwel <frans
1469 pater <latijn
1469 peuteren*
1469 pul ‘kannetje’
1469 soldij
1469 verschalen <nederduits
1470 buts <frans
1470 consul ‘gevolmachtigd vertegenwoordiger van land’ <latijn
1470 hoogmoed*
1470 judaskus
1470 kloek* ‘moedig, flink’
1470 knorren*
1470 minuut ‘eerste beknopt schriftelijk ontwerp’ <latijn
1470 niettegenstaande* ‘onderschikkend voegwoord’
1470 schoonzoon*
1470 tevens*
1470 transfereren <frans
1470 trappen*
1470 uitgezonderd*
1470 uitmergelen
1470 victorie <latijn
1470 voorhoede*
1470 walschot*
1471 hechtenis*
1471 redden*
1472 cargadoor <spaans
1472 fourneren <frans
1472 instantie ‘rechtsgang’ <latijn
1472 unster
1473 taffetas <frans
1475 aangenaam*
1475 adieu <frans
1475 boeier
1475 collatie <latijn
1475 golf* ‘opgestuwd water’
1475 hut <duits
1475 matig <nederduits
1475 okshoofd <engels
1475 pastoor <latijn
1475 pruilen*
1475 rustig*
1475 schielijk*
1475 smaragd <latijn
1475 vermetel*
1475 wit* ‘doelwit, schijf’

1470 (ca.) - Freeska Landriucht (‘Fries landrecht’)
1472 - Gelre (Gelderland) onder het Bourgondische huis
1473 - De bekende minderbroeder en kanselredenaar J. Brugman overlijdt; zijn naam leeft echter voort in de uitdrukking ‘praten als Brugman’
1473 - Het eerste Engelstalige boek (The recuyell of the historyes of Troye) wordt door W. Caxton gedrukt in Brugge, dus niet in Engeland!
[p. 645]