terug  begin  verderprepost
[p. 32]

Enige sonnetten van Smyters

Anthoni Smyters was een veelzijdig auteur: hij schreef een aantal schrijf- en rekenboekjes, hij vertaalde op rijm (!) de fabels van Aesopus, hij schreef de hier heruitgegeven Epitheta, en tot besluit schreef hij sonnetten. Deze sonnetten zijn nooit apart uitgegeven - daarvoor waren het er te weinig - maar ze waren altijd onderdeel van een ander werk. Smyters schreef een lofdicht in vijf werken van zijn vriend Zacharias Heyns, hij begint zijn vertaling van de fabels van Aesopus met een sonnet, en ook in de Epitheta laat hij zich niet onbetuigd: hij begint en eindigt het werk met een sonnet en geeft bij sommige trefwoorden een korter of langer gedicht, bijvoorbeeld bij het woord zandloper, dat in het biografisch woordenboek van Witsen Geysbeek uit 1824 gekarakteriseerd wordt als ‘een niet ongeestig versken’.

Het beginsonnet van de Epitheta luidt, in hertaalde vorm:

Aan de Liefhebbers der Retorica
 
Wanneer de Natuur u wil porren om iets te dichten,
 
Zoveel als gij op rijm door de Retorica vermoogt,
 
De Ambrozijn geproefd, en op de Helicon u hebt verpoosd,
 
En als der Muzen gunst u raadt de Lier te laten klinken:
 
 
 
Als gij der Goden lof, der Helden eer wilt zingen,
 
De Heroïsche kloeke daden van vroomheid en van moed,
 
Van liefde of van leed, van treurnis of van vreugd,
 
Van oorlog of van vreê de oorsprong wilt belichten -
 
 
 
Bedenk dan dat de Poëtenkunst [dichtkunst] uit de Hemelen is gedaald
 
Niet opdat de roem der slechten door u worde verhaald,
 
Tot sterking van het kwaad of van het slechte wezen.
 
 
 
Als gij van Venus zingt, of't verhaal van Cupido,
 
Of van Genegenheid - bedenk in uw Lied dan ook:
 
Apollo heeft altijd de Oprechtheid hoog geprezen.

De cursieve woorden (overgenomen uit het origineel) zijn vrijwel allemaal min of meer in deze vorm als trefwoord in het woordenboek opgenomen. Hierna volgt Smyters' motto:

 
Mijn haters zijn zot.
 
[Degenen die mij benijden, zijn gek.]
[p. 33]

In andere boeken gebruikte hij ook wel als motto: ‘Godt en niet meer’. Het slotsonnet van de Epitheta is een nederige apologie:

Aan iedereen
 
Voor u, o vriend, is dit eenvoudig werkje,
 
Waarin veel meer moeite dan kennis is gestopt,
 
Geen dank, geen eer, verwacht ik te ontvangen,
 
Mijn haar is grijs: geen kans heb ik op ijd'le roem.
 
 
 
Het nut van het algemeen was het doel van mijn streven,
 
Want wat ik eerst begonnen was te doen,
 
En waar ik lust in kreeg om verder mee te gaan,
 
Deed hopen dat de arbeid mocht beklijven.
 
 
 
Wil dan de moeite, hieraan besteed
 
Ten goede duiden, uw oog voor ergernis sluiten;
 
Maar 't staat u vrij te loven of te misprijzen.
 
 
 
Ik ben al blij, al krijg ik dank noch eer,
 
Als u maar weet dat ik gepoogd heb, meer
 
u te gerieven, dan een geleerd betoog te houden.

Het sonnet waarmee Smyters zijn vertaling van de fabels van Aesopus begint, toont zijn liefde voor het Nederlands. Hij verontschuldigt zich in de laatste regels voor het gebruik van vreemde woorden, hoewel hij deze in het werk relatief weinig gebruikt. Het sonnet luidt:

Aan de liefhebbers der retorica
 
O edele geesten, geleerd in de oude poëzieën,
 
Gij die Retorica verstaat, en goede kunst bemint:
 
Duid 't ons niet euvel wanneer gij hier ontdekt
 
Dat wij het Franse vers in het Nederlands ontvluchten.
 
Wat het onverstand uitlacht, en ook der spotters pijlen,
 
Wij trekken het ons niet aan - wij achten hém een vriend
 
Die kunst voortbrengt, verhoogt, en inzien kan
 
Dat als er beters komt, de oude slechte trant moet zwichten.
 
Dat deze wijze, meer dan de oude, voorkeur verdient
 
Leert zelfs ons gehoor bij het lezen op die wijze,
 
Als zij sticht en in toom houdt de haperende tong.
 
En als een uitheems woord in onze verzen slecht
 
Verstaan wordt - bedenk dat wij het spreekwoord volgen:
 
Gewoonte baart natuur bij de ouden en bij de jongen.
prepostterug  begin  verder