(vendel) oorlogs-, krijgs-, ontvouwen, triomfant, victorie-, gekruist [met een kruis], vlaggend, heerlijk, strijdbaar, verheven, geschakeerd, opgestoken, dreigend, veld-, opgevouwen, vliegend, bewaaid.
(vaendragher) bekwaam, stout [dapper], aardig, sterk, wakker, furieus, moedig, krijger, onvervaard, jong, couragieus [moedig], voorganger [die vooroploopt], voorttredend, edel, bespringer.
(veerdicheyt) naarstig, haastig [snel], gevleugeld, groot, wakker, kloek, levendig, moedig, wonderlijk, ras [snel], verwonderlijk, voorgenomen [voortreffelijk], licht, fluks, ongelooflijk, bereid.
(veers ofte ionghe koe) teder [zacht], jong, mal, huppelend, vriendelijk, smekend [vleiend].
[voorouders, regeerders] (vaders) goed, oud, kaal, grijs, eerwaardig, wijs, voor-, patronen, eerbaar, gedenkwaardig, volgwaardig, voorgangers, jongersspiegel [aan wie de jeugd zich kan spiegelen].
(val) haastig [plotseling], periculeus, zorgelijk [gevaarlijk], gevaarlijk, plomp, hoog, subiet, vallend, omstortend, nederstortend, kwaad, smartelijk, kwetsend, martelend, dodelijk, onverdacht, moorddadig, ongelukkig, zwaar, dapper [flink, hevig], schadelijk, verderfelijk, onvoorzienig, struikelend, plotsig, schrikkelijk.
(valck) edel, voorbijvliegend, lustig, hups [mooi], wakker, bliksemend, geleerd [afgericht], veld-, hoogmoedig, reiger- [valk die afgericht is voor de reigerjacht], moedig, loos [sluw], schalk [slim], getemd, licht, bot, vlug, plomp, geroepen, wandelaar, giervalk, geaasd [met aas gevoed], getemd, hijgend, gehuifd [met een kapje op], gebroed, hagerd [tweejarige valk], hand-, gebekt.
(valckenaer, valckenier) zorgvuldig, wakker, werkelijk [ijverig], arbeidig, ervaren, avontuurs, geduldig, ongeduldig, roepend.
(varenkruydt) veld-, onnut, wild, bergs, van het bos, gehakkeld [gekerfd van blad].
(vercken) vet, borstel, slijkerig, grommend, smakkend, kuchend, vuil, gezouten, profijtelijk, gulzig, ongans [ongezond], mest-, geborsteld [met borstels], slokkerig, hongerig, mager, wentelend, slaap, dronken, - draf [varkensdraf, spoeling], ongeduldig, huiverig [schuw], beuken [beukennoten (etend)], getand, vinnig [gortig], kudde, knorrend.
Dit dier is vatbaar voor melaatsheid vanwege zijn gulzigheid die, met name bij de zeugen, zo groot is dat ze soms hun jongen opeten, en ook die van andere dieren, ja zelfs kinderen in de wieg.
(vasten ofte vastendach) droevig, jaarlijks, bleek, mager, quadra-
gesimaal, lang, hongerig, verhongerd, sober, verstervend, heilig, penitentiaal, abstinerend, lentes, visachtig, verstorven, vastend.
[feestavond voor de vasten] (vastenavondt) blij, vet, wellustig, vermakelijk, ongeschikt [ordeloos], ongemanierd, mommers [verkleed-], lustig, vrolijk, maaltijdgevend, zot, Bacchus-feestig, vermomd, kinder-, papen-, mal, bedelaars-.
[onbeweeglijkheid, onveranderlijkheid] (vasticheyt) standvastig, gestadig, zeker, onzeker, obstinaat, koppig, onoverwinnelijk, vast, woest, deugdelijk, krachtig, onberoerlijk [onbeweeglijk], voorgenomen, hard, machtig, onveranderlijk, gedurig.
(vat) zwak, broos, diep, gapend, breed, wijd, open, aarden [aardewerken], geharst [met hars waterdicht gemaakt], vochtig, droog, gedekt [met een deksel], wijn-, boter- etc.
[strijkinstrument] (veelken) kinder-, klein, geschilderd [beschilderd], blij, zoetluidend, wit, lustig.
(vee) woldragend, nodig, nut [nuttig], voedend, gehoornd, beer [mannelijk zwijn], onkuis, rijk, rijkmakend, vet, arm, vreesachtig, gewold, vruchtbaar, weidend.
[buikwind] (veest) vuil, stinkend, verborgen, windig [winderig], uitgedrongen, blazend, asemend.
[klimop] (veyl) groen, gebladerd, klimmend, gegraand [uitgebot], slim [krom], kruipend, onkuis, verspreid, sterk, getakt, slepend [afhangend], boogzaam [buigzaam], levend, -krans, gekroond, blij, gekruld, geloofd [met blad], lieflijk, bleek, Bacchus, victorieus, vaal, slingerend, bruilofts, hoogklimmend, harig, geklist, muurachtig, witachtig, eergierig [eerzuchtig], dicht, vasthoudend, gekleefd, geworteld, omwonden.
[dierenhuid (voor pelswerk)] (vel) zacht, bont, gevild, klinkend, perkament, getouwd [gelooid], pelsachtig, winter-, dubbel, voeder [voering], wolachtig, harig, gestreept, rein, zoet, rood, gemoeiig [zacht], hamel-, slecht [glad], effen [glad], vuil, bloedig, dun, teer, stijf [stevig], dik, onbereid, zemen, bokken-, schapen-, geiten- etc.
(veldt) plat [vlak], breed, begraasd, vruchtbaar, open, lustig, koren-, tarwe-, groen, laag, schoon [mooi], ijdel [leeg], heerlijk, korendragend, nederig [laag], vruchtdragend, wijd, vol, ruim, effen [vlak], overvloedig, geel, gelukkig, groenend, akker-, lustig, bevrucht, vochtig, zoet, lachend, ontdekt [onbedekt], bloot, vruchtgevend, geëffend, rijk, stuivend [stoffig], wijdstrekkend, het gestreepte, volslagen [wijd], omsingeld [omsloten], bloemdrachtig, groengeaard [met groene aren].
[patrijs] (veldthoen oft partrijs) warm, lekker, vers, onkuis, loos [verborgen], delicaat [smakelijk], goed, stijf [stevig], bloot [van veren ontdaan], gespikkeld.
[iemand die schapenvellen van wol ontdoet] (velblooter) vuil, onrein, arbeidig, bezig, ambachtsman.
(Venetianen) loos [sluw], schalk [slim], voorzichtig [vooruitziend], geëerd, lankmoedig, temporiserend [uitstellend], wijs, heerlijk, overvloedig, vreedzaam, subtiel, voorziend, statig, burgerlijks, de eer van Italië, vredehoudend.
De regering van dit volk is een mengsel van drie bestuursvormen, namelijk monarchie, aristocratie en democratie. Niettemin leven zij met zulke goede en heilige wetten dat zij alleen streven naar het onderhouden, voortzetten en verhogen van de eer van hun republiek. Bovenal beminnen zij de vrede en haten zij de oorlog, waarbij zij in alles zoveel voorzichtigheid betrachten dat in de elfhonderd jaar sinds de stad gebouwd werd, nooit een vreemdeling geprobeerd heeft Venetië in een oorlog aan te vallen, hoewel de stad bijzonder rijk en machtig is, meer dan alle andere Italiaanse stadstaten.
(Venegien) zeekoningin, koopstad, volkrijk, sterk, waterig, onwinnelijk, vrij, vermaard, schoon [mooi], rijk.
Deze zeer rijke stad is heel prachtig, ze ligt aan de Adriatische Zee; ze werd voor het eerst gebouwd in het jaar 420 of 456, uit vrees voor Attila, de koning der Hunnen, die de Italiaanse steden verwoestte.
Venetië wordt bewoond door mensen van verschillende volkeren, en wat meer is: men komt uit alle hoeken van de wereld om daar handel te drijven.
[gif] (fenijn) dodelijk, zwart, zorgelijk [gevaarlijk], kwaad, subtiel, wreed, bitter, heftig, gruwelijk, hatelijk [verafschuwd], koud, bitter, infect [besmet], vergiftig, droef, ongeneeslijk, verderfelijk, ijselijk, verborgen
[heimelijk], dodend, serpenten-, kolokwinten- [bepaald gewas], blind, slaperig, zwellend, tegenwoordig, haastig [snelwerkend], tovenaars-, hinderlijk, vuil, ongelukkig [ongeluk brengend], week, bedekt [verborgen], toegeëigend [ingenomen], listig, pestig [verderfelijk], zwartmakend, toverig, brandend, krachtig, vochtig, vijgen-, blauw, in slaap makend, verschrikkelijk, verslindend, moordend, schandelijk, betoverd, afgrijselijk, duivels.
(venckel) zoet, smakelijk, riekend [geurig], -zaad.
(venster) open, tralie-, raam, licht, hoog, glazen, doorluchtig [doorschijnend], lichtend, vierkant, luchtgevend, schuins, vrij, wijd, gehoold [met een hol].
(Venus) schuimig, nimf, Cypers [van Cyprus (waar ze werd vereerd)], lachbeminster, schoon [mooi], zoet, lachend, verblind, godin, gehaarlokt, lieflijk, mooi, gouden, schreiig [droevig], handelijk [minzaam], zedenmoeder, bevallijk [bevallig], heus [hoffelijk], dartel, bloedschandig, razend, dul [dol], der vreugden moeder, brooddronken, zuurzoet, spijtig [trots], blij, goddelijk, vruchtbaar, overvloedig, voedend, suikeren [zoet], lustig, geestig, amoureus, beminster, onkuis, aardig, vrolijk, wellustig, werelds, aantrekkend [aantrekkelijk], bedrieglijk, begeerlijk, Aphrodiets, Cupido's moeder, hovaardig, mal, zot, schandig, teer, delicaat, bruin, hoer, zoetspijtig, bedriegster, aanlokkend, der zoete liefjes moeder, gegord, hoerachtig, kuis, kind der zee, furieus, liefdemoeder, zuiver, heilig, slecht [eenvoudig], met zwarte wenkbrauwen, groot, vruchtbaar, schippersse [vrouwelijke schipper], hemels, Aenas' moeder, secreet [geheim], prinses, smekend [aanlokkend], ervaren, delicaat, boos, snood, wederstrevend, luxurieus [wulps], sterk, gierig [hebzuchtig], loos [sluw], schandelijk, slim, edel, rood, gemanierd [beschaafd], bevallijk, wit, poppin, vrouwig [bevallig], roofster, haarbossig, gemuskerd [met muskus geparfumeerd], hoerengodin, verradersse [verraadster], bedorven [heimelijk], wankelbaar, lekker [verwend], onschamel [schaamteloos], uitstrijkster [bedriegster], onbeschaamd, lachlievend. Daaronder worden verstaan verborgen begeerte en lust.
[diversiteit] (veranderinghe ofte verscheydenheyt) verscheiden, veranderlijk, vermomd, nieuw, geplekt [gevlekt], panters, ongelijk, gemengd, passements, schilders, gespikkeld, verwisseld, ongelooflijk, gesmeed, lustig, geschakeerd, vermakelijk, gekleurd, zeldzaam [bijzonder], wonderlijk, gestreept, gemarmerd, zijden, gestikt, ongelijk, verlicht, sproeten, getekend, onderscheiden, overvloedig, bij geval [toevallig], wollen, gefigureerd, kwistig, lichtvaardig, onvast.
[vrees, verwarring] (verbaestheyt) twijfelachtig, donker, ongemakkelijk, zwaar, moeilijk, droef, dubbel, kwellijk [kwellend].
(verbeteringhe ofte correctie) machtig, hard, reformerend [heropvoedend], kwellijk [kwellend]. Zie straf.
(verblijdinghe) lustig, blij, gemeen [algemeen], zoet, zot, slecht [eenvoudig], vrolijk, lieflijk, verheugend, kinderlijk.
(verblindinghe) bekommerd, donker, blind, duister, schemerachtig, catarrig, gruwelijk, nevelachtig, duisterachtig, nachtelijk, steek-, leepogig [met tranende ogen].
(verbondt) verbindig, vriendelijk, onderling, vast, lieflijk, voeglijk, gemeenzaam, verenigd, vredelijk, vleselijk, lichamelijk, geestelijk, gelukkig, broederlijk, gezellen-, besproken [overeengekomen], getrouw.
(verborghentheyt) verborgen, diep, onuitsprekelijk, mysterisch, bedekt [verborgen], hoog, wedersprekelijk [betwistbaar], secreet [geheim], zwijgend, zielenkamer, bedenkend, mentaal.
(verdervinghe, verwoestinghe) zie ruïne.
(verdrach) vredelijk, vriendelijk, goed, gelukkig, vreedzaam, onderling, gesloten, eendrachtig, lieflijk, vredemakend, gedurig [duurzaam], aangenaam, verenigd, innelijk [innig], overeenkomend, kind des vredes, verdragen [overeengekomen], gemeen [gemeenschappelijk], goedertieren, bevestigd, vastgemaakt, onderzocht, waargemaakt, weloverlegd, gesticht, verbonden, bezworen, onbrekelijk, overeengekomen, geaccordeerd,
geconditioneerd, bevoorwaard [met voorwaarden], huwelijk-, matrimoniaal.
(verdruckinghe) geweldig [met geweld], onverdraaglijk, tirannig, lasterlijk, hinderlijk, zwaar, hard, vertredend [vertrappend], onlijdelijk [onverdraaglijk].
(vereenighinghe ofte overeenkominghe) vredelijk, lieflijk, onderling, goed, vreedzaam, overeenkomend, eenstemmig, vredehoudend, vast, gedurig [duurzaam], besloten, gelukkig, aangenaam, verenigd, gelijkmatig, besproken [overeengekomen], vredekind, gemeen [gemeenschappelijk], goedertieren, waar, bevestigd, bekrachtigd, waargemaakt, onderzocht, overlegd, betwistigd, gemaakt, onderzocht, gedicht, bevoorwaard [met voorwaarden], het einde van processen.
(vereeringhe) zie geschenk.
[kleur, verfstof] (verwe) levendig, rood, verhoging [het meer uit laten komen door een lichtere kleur], schoon [mooi], hyacintisch, glad, gloeiend, incarnaat, vermiljoen, purper, natuurlijk, cinnaber [vermiljoen], blozend, Turks, blader-, schilders-, bosgroen, eier- [van ei vervaardigd].
(vegaderinghe (sic)) gemeen [openbaar], volkeren-, oproerig, vol, overvloedig, heerlijk, groot, eerbaar, eerlijk, burgerlijk, gewoonlijk, vermaard.
[beloning] (vergheldinghe) waardig, vruchtbaar, gehoopt, mild, zoet, verdiend, blij, profijtelijk, begeerd, geëist, beloofd, toegezegd.
[vergetelheid] (verghetenheyt) diep, verborgen, verroest, lui, toverig, blij, vreedzaam, lang, zwijgend, vakerig [slaperig].
(verghift) venijnig [giftig], bitter, haastend [snel werkend], ongeneeslijk, zwart, dodelijk, droevig, koud, slangen-, gruwelijk, schrikkelijk, blind, slaperig, boos, erg [boos], wreed, toverig, periculeus, schadelijk, pestig [verderfelijk], afgrijselijk, verborgen [heimelijk], verraders, vuil, vervaarlijk, zwartend, schandelijk, kwaad, Medeanen- [als van Medea].
(verghiffenisse) medelijdend, genadig, getrouw, beleefd, ootmoedig, gunstig, gegund, machtig, barmhartig, genaderijk.
(Vergilius) Mantuaan, Aeneideauteur [auteur van de Aeneis], vermaard, statig, Latijns, Homerus, Aeneas-trompet, krijgs, onsterfelijk.
Vergilius Maro, geboren in Mantua, is ontegenzeggelijk de uitnemendste van alle Romeinse dichters, zoals Homerus de belangrijkste was bij de Grieken. Vergilius kan met recht met Homerus worden vergeleken, hij heeft hem ook nagevolgd in zijn werk de Aeneis en in zijn Georgica, en hij heeft Theocritus in zijn Bucolica nagevolgd. Zijn dichterschap werd zo hoog geschat door keizer Augustus dat alleen dankzij hem de werken tot ons gekomen zijn, want toen Vergilius op zijn sterfbed lag, beval hij dat ze allemaal verbrand moesten worden [wat Augustus voorkwam].
[versiering] (verguldinghe) rijk, geborduurd, kostelijk [kostbaar], geel, bepareld, blinkend, kantig, schoon [mooi], lustig, gelokt, genopt, dierbaar [kostbaar], gemengd, blijkelijk [duidelijk], merkelijk [opmerkelijk], waardig, heerlijk, geboord [met boord], gekruld, pompeus, gefatsoeneerd [gemodelleerd].
(verheughinghe) genoeglijk, wellustig, zoet, vriendelijk, troostelijk, lustig, enig [alleen], vermakelijk, vertroostig [vertroostend].
(verhinderinghe) onbekwaam [onaangenaam], kwaad, schadelijk, kwellijk [lastig], verdrietelijk, onnut, kwaaddoend, vertoornend, nadelig, lasterlijk, moeilijk, belettelijk.
[mysterie] (verholentheyt) verborgenheid, wonderlijk, heilig, sacramentaal, goddelijk, secreet [geheim], onzeggelijk, onuitsprekelijk, groot, ongelooflijk, onbekend, wonderbaar, onbegrijpelijk, hoog, ongrondelijk, ondoorgrondelijk, godsdienstig, diepzinnig.
(verklaringhe ofte verhael) licht, geheel, blijkelijk [duidelijk], gemeen [openbaar], openbaar, ontdekt [onbedekt], kennelijk, gearticuleerd, uitleggend, merkelijk [opmerkelijk], breed, breed, lang, verstandig, fraai, schoon [mooi], verklarend, lustig, zuiver, uitleggend, beduidelijk, leerlijk, verward, zingevend.
(verlichtinghe) troostelijk, blij, zoet, bijstaand, behelpelijk [ondersteunend],
onderstandig [bijstaand], verzoetend, verzachtend.
(verlies) schadelijk, zees [van de zee], oorlogs-, droevig, kwellijk [kwellend], zwaar, verdrietelijk, ellendig, verarmend, scheeps-, onverhalijk [onherstelbaar], verderfelijk, ruïnerend, verdervend, schandelijk, onwederkrijglijk.
[genoegen, plezier] (vermakinghe) zie geneugte.
(vermaninghe) wijs, betonend, vriendelijk, vaderlijk, christelijk, profijtelijk, verbalijk, heimelijk, troostrijk, gerustgemoedgevend, broederlijk, lieflijk, openbaar, zalig, hartelijk, waarschuwend, amper [scherp], heftig, straf [streng], ernstig.
(vermetentheyt ofte verwaentheyt) hovaardig, goeddunkend [verwaand], beroemelijk [snoevend], onverdraaglijk, gekamd [pochend], spijtig [trots], brooddronken, trots, verheven, stout [brutaal], onbedacht [onbesuisd], hoogmoedig, onbeschaamd, onbesuisd, dartel, onversaagd, moeilijk, hovaardig, dreigend, veronwaardig [minachtend], zot, opgeblazen, groot, grootsig [trots], eergierig [eerzuchtig], ijdel, roemig [opschepperig], stinkend, beroemig [pochend].
(vermillioen) bloedrood, rood, purperig, doorluchtig, schoon [mooi], venijnig [giftig], vlammend, scharlaken, mijn-, dier [duur], verlichters [miniatuurschilders-], pulver, dun.
Dit is een poeder, rood als scharlaken, het wordt in zilvermijnen gevonden. Om het te bereiden moet men het fijnmaken tot poeder, als het fijngemaakt is moet men het goed wassen, en daarna nog eenmaal wassen als tevoren. De glans van vermiljoen neemt sterk af als het lang in zon- of maanlicht staat.
(vernuft) zie verstand.
(verrader ofte verraderije) schelms [schurkachtig], arglistig, geveinsd, listig, secreet [geheim], verborgen [heimelijk], ongetrouw, smekend [flikflooiend], loos [doortrapt], voorbedacht, vals, bespied, bedekt [verborgen], moorders, bedrieglijk, ongelukkig, nacht, dodelijk, hatelijk [verafschuwd], daadzaam.
[beweging, handeling] (verroeringhe) wakker [flink], dartel, zoet, lieflijk, vriendelijk, hoerachtig, smekend [aanlokkend], mal, dapper, behendig.
(vers ofte veersken) geheiligd, lustig, vrolijk, subtiel, geleerd, bearbeid, amoureus, poëtisch, sonnetten, aardig, lieflijk, gouden, loffelijk, heerlijk, tallig, onsterfelijk, statig, stemmig, maten-, maathoudend, zoet, schoon [mooi], goddelijk, trots, moedig, arbeidig, negenzusters [negen Muzen], getrouw, gemeten, vloeiend, welgesteld [mooi geschreven], welsprekend, honing, behoningd, Homerisch, sententieus [leerrijk], wel overgezet [goed vertaald], fabuleus, bootsig [grappig], betoverd, komieks, bulderend, zangs, hemelskind, klinkend, bezworen, retrograderend of kreeft- [van achteren naar voren leesbaar], durig [langdurend], Vergilius, eeuwig, deugdentrompet, moedig, godenkind, smekend [verlokkend], rijk, gesteld, Ronsards, zoetklinkend, rein, zuiver, tragieks, slibberend, kreupel, huppelend, hinkend, Bellaisch [van (de Franse dichter) du Bellay], Marnix, vriendelijk.
(versmadinghe ofte verachtighe) groot, moedig, groots, verachtelijk, kwaadwillig, straf [hard], vermetelijk [aanmatigend], verborgen [geheim], hovaardig, verwaand.
[verkoudheid] (versnoteringhe) besnot, hangend, koud, vuil, druipend, snuffelend.
(verstandt) levend [levendig], subtiel, kloek, goddelijk, hemels, scherpzinnig, begrijpelijk [snel van begrip], spitsvondig, wakker, zorgdragend [nauwgezet], vaardig, leerbaar [geschikt om te leren], vlijtig, goed, scherp, edel, loos [slim], studieus, eng [gering], rein, zuiver, uitnemend, vernuftig, groot, engels [engelachtig], filosoofs, bot, ezels, kinds, wijfs [van een vrouw], grof, waanwijs, roemzuchtig.
(vertoevinghe) verbeiding, gemeenzaam, gestadig, vast, uitstellend, huiselijk, wellustig, onledig [bezig], aangenaam, beidend, huisbewarend, uitgesteld, lui, lustig, kwellijk [kwellend], verdrietelijk, geduldig, lang.
(vertooninghe) heerlijk, hovaardig, ijdel, opgeblazen, groots, vermetel, brooddronken, magnifiek, hoogmoedig,
volks-, mal, merkelijk [opmerkelijk], roemredig [grootsprekend].
(vertreck) zie afscheid.
[angst] (vervaertheyt ofte verschrickinghe) gruwelijk, koud, ongewoonlijk, krijgs-, ijselijk, dreigig, twijfelachtig, haastig [plotseling], bleek, onverzien [onvoorzien], droevig, schrikkelijk, blode [laf], beroerlijk [treffend], ijdel [zinloos], vergeefs, stuur [stuurs, hevig], verschrikkelijk, mismaakt, lelijk, beestelijk, monsterlijk, onaardig [onbehoorlijk], reuzen, bergs, hatelijk [verafschuwd], afgrijselijk, wild, vervarend [angstaanjagend], wonderlijk.
[verfrissing] (ververschinghe) zoet, aangenaam, lieflijk, vriendelijk, troostelijk, vermakelijk, vreedzaam, lommerachtig.
(vervloeckinghe) gruwelijk, boos, zorgelijk [gevaarlijk], vergramd, verdoemelijk, bezwaard.
[succes] (vervolch) heerlijk, volkomen, mooi, triomfant, gedenkwaardig, vermaard, oorlogs-, overvloedig, victorieus, eerlijk [eervol], moeilijk, periculeus, gevaarlijk.
(vervolghinghe ofte persecutie) hard, streng, zwaar, bloedig, martelaren-, wreed, tirannig, onnozel [onschuldig], dodelijk, groot, lustig, kwellijk [kwellend], ellendig, smartig.
[voortzetting van een proces] (vervolghinghe van eenich dinck) naarstig, lang, natrachtend [nastrevend], kwellig, ordinaris [gewoon], haastig [voortvarend], extraordinaris [buitengewoon], koopmanshandel, gedurig, hard, zorgvuldig, vurig, arbeidig, stadig [zonder ophouden].
(verwijt) vilein, hatig, nijdig, mishagend, lasterlijk, oneerlijk, wedersprekelijk [smadelijk], schandig, blasfemeerlijk, overlastig, faamrovend.
[overwinnaar] (verwinner) kloek, stout [dapper], oorlogs-, krijgs-, trots, onoverwinnelijk, hoogmoedig, machtig, sterk, edel, gevreesd, onervaren, strijdbaar, welgeoefend, ongetemd [ontembaar], onoverwonnen, vroom [dapper], wijs, heersend. Zie overwinnaar.
(verwoestinghe) gemengd, verward, ongeschikt [ordeloos], deerlijk, geruchtmakend, verbazend, beroerd [omvergeworpen], belemmerd, ellendig, perplexmakend, arm.
[die zich verwondert] (verwonderaer) diep, onbekwaam, ongeschikt [ongemanierd], eergierig [eerzuchtig], ijdel [lichtzinnig], tevergeefs, gapend, curieus [nieuwsgierig], mal, zot, onwetend, bot.
(verworpenen ofte verachten) boos, verdoemd, verdoemelijk, verachtelijk, onzalig.
(verzamelaer) vlijtig, naarstig, wakker, gierig [hebzuchtig], vrek [vrekkig], curieus [zorgvuldig], bukkend, zorgvuldig [naarstig], onledig [bezig], bekommerd, woekerend, onverzadelijk, bezig, altijddoend.
(verzekeringhe) vast, zeker, trouw, bevestigd, waar, gestadig, goed, wijsmakend [overtuigend], wijsgemaakt, stout [sterk], verzekerd, standvastig.
[gezelschap, begeleiding] (verzelschappinghe) zie gezelschap.
(verzoeninghe) vriendelijk, lieflijk, hartelijk, vreedzaam, innig, verdragen [overeengekomen], geaccordeerd, eerlijk, broederlijk, minnelijk [vriendschappelijk], gemiddeld [bemiddeld].
[iemand die iets verzwijgt] (verswijgher) ongelukkig, secreet [geheim], diefs, loos [doortrapt], kwaad, schalk [schurkachtig], boos, strafwaardig, schadelijk, leugenachtig, aanlokkend, smekend [aanlokkend], bedrieger, diefs vriend, hatelijk [verafschuwd].
(Vesta) oud, straf [streng], godin van de zuivere zusters [Vestaalse maagden], vermaard, eerwaardig, Albanisch, machtig, ceremonieus, maagd.
Numa Pompilius, de tweede koning van Rome, liet een tempel bouwen ter ere van Vesta, waarin zij vereerd werd als godin van de maagdelijkheid. Onder Vesta wordt ook de Aarde verstaan, soms ook het Haardvuur. De moeder van Saturnus is de Aarde, en zijn dochter is het Vuur.
[Vestaalse maagden] (Vestales) religieus, heilig, gewijd, maagden, eerbaar, geëerd, Rooms [Romeins], Pompiliaans, zuiver, ongeschend, onschendelijk.
De Vestaalse maagden werden in Rome voor het eerst gekozen door Numa Pompilius, het waren aan de godin Vesta gewijde meisjes. Vesta betekent ‘vuur’:
zij moesten ook altijd vuur brandend houden zonder het te laten uitgaan, als bewijs van hun maagdelijkheid. Zij genoten in Rome zulke grote eer dat men, als zij hun tempel verlieten, een ijzeren roede of knuppel voor hen uitdroeg, zoals men voor de Romeinse magistraten deed. En wanneer zij dan een tot de galg veroordeelde misdadiger tegenkwamen, dan werd hij door hen vrijgemaakt. Zij moesten dertig jaar ongehuwd blijven en hun reinheid bewaren, op straffe des doods; na die tijd stond het hun vrij (als zij dat wilden) om te trouwen en het Vestaalse kleed af te leggen.
(vet) onsmakelijk, wit, gerookt, zacht, gesmolten, geelachtig, overvloedig, dik, etelijk [eetbaar], spijzend, inwendig.
(veete) zie haat.
(veulen) aardig, wild, dartel, kwalijkgetemd [slechtgetemd], weerspannig, ongetemd, korzel [opvliegend], vrij, lustig, mal, ruw, wentelend, bronsend [briesend], jong, temmelijk, ontemmelijk.
[plaatsvervanger] (vicaris) die eens anders stede bedient [die in de plaats van een ander komt], gecommitteerd, ingesteld, stadhouder, luitenant, dienend, gedienstig, machthebbend, getrouw, waardig.
(victorie ofte zeghen) triomfant, heerlijk, krijgs-, van God toegeschikt [beschikt], bloedig, eerlijk [eervol], vermaard, uitgetrompet, schoon [mooi], stuivend [stof opwerpend], groot, hoog, groots, gedenkwaardig, avontuurs, dartel, weeldig [weelderig], gelukkig, bekwaam, tijdig, palmdragend, twijfelig, luidroepend, vérklinkend, prachtig, onzeker.
(victori-teecken) victorieus, edel, onsterfelijk, trots, hovaardig, gedenkwaardig, blij, excellent, glorieus, eerbaar [eervol], merkelijk [opmerkelijk], vermaard, voornaamst, krijgs.
(vyandt) wederpartijdig [vijandig], dodelijk, hatelijk [verafschuwd], hoofd-, tegen, wreed, listig, hatelijk [verafschuwd], vervolgend, heftig, moedig, ongenadig, bespringend, verraderlijk, furieus, geweldig [gewelddadig], oorlogs, zorgelijk [gevaarlijk], gezworen, hard, hardnekkig, bitter.
(vyandtschap) hatelijk [verafschuwd], obstinaat, wederstrevend, wreed, verborgen [heimelijk], nijdig, partijdig, schadelijk, bitter, ongenadig, vergramd, zorgelijk [gevaarlijk], gevaarlijk, ontstoken, onverzoenlijk, aarts-, erf-, bittermondig.
(vijfvingher-kruydt) lustig, waterachtig [aan het water levend], getand, witachtig.
[vlinder] (vyvouter ofte zomer-voghel) vliegend, mooi, geverfd [gekleurd], licht, daverend [trillend], geschilderd [heel mooi], gespikkeld, blij, zot, zwierend, versierd.
(vyghen) dik, zoet, zoetachtig, vast [stevig], lekker, smakelijk, zacht, witachtig, honingachtig, delicaat [smakelijk], sieraad van het westen, ambrozinisch [heerlijk], gesuikerd, -korf, -ton.
(vygheboom) lommerachtig, gebladerd, Marseillisch, breedbladig.
(vyle) getand, hard, ruw, bijtend, snijdend, gekerfd, effenmakend [gladmakend], knagend, reinigend, scherp, snedig, plomp, week, verstaald, fijn.
(vylsel) dun, stofachtig, gevijld, onnut, hard, koper-, gezaagd, dunachtig, ivoren, latoenen [van messing].
(vyvere) visachtig [visrijk], stil, slapend, vochtig, groen, kalm, diep, blauw, bedijkt, krom, vierkant, moerasachtig, traag, fontein [bron], bevaarlijk [te bevaren], modderig, klaar [helder], dromend, turbuul [turbulent].
(vingher) ivoren, effen [glad], haakachtig, lang, rood, ongelijk, vriendelijk, albasten, dun, mager, bevend, dartel, behendig, marmeren, wakker, grijpend, klauwend.
[viooltje] (violette-bloeme) schoon [mooi], geel, dubbel, voorjarig [lente-], gebloeid [bloeiend], zoet, mooi, edel, versierd, riekend [geurig], wit, lustig, aardig, purper.
De maartse viooltjes groeien op harde schaduwrijke plaatsen. De bloem ruikt zeer zoet, en de bladeren gemengd met een kruidenmengsel zijn goed voor brandend maagzuur en ontstoken ogen en tepels.
[adder] (viperus) een slang, periculeus, zwart, boos, kwaad, listig, gruwelijk, venijnig [giftig], wijnbeminnend, furieus.
Van alle slangen brengt alleen de adder haar jongen voldragen ter wereld, zij draagt de eieren in haar buik, die allemaal één kleur hebben en met een vliesje bedekt zijn zoals viskuit. Zij brengt de jongen voort
gehuld in een velletje dat de derde dag breekt; ook komt het voor dat de jongen nog in de buik zijn wanneer dit velletje breekt, en dan naar buiten kruipen. Elke dag produceert ze er een, en gewoonlijk heeft ze er meer dan twintig. Voorts kruipen alle slangen 's winters in de grond, behalve de adder, die zich onder stenen verborgen houdt. De adder houdt van nature veel van wijn, zodat men kruiken wijn bij heggen moet zetten als men hem wil vangen, omdat hij direct daarin kruipt en zich bedrinkt.
(visch) gescheld [geschubd], zoet, voos, onsmakelijk, rivier-, zee-, gracht-, binnenwaters-, moerasachtig, broekachtig [moerasachtig], vloed, zwemmer, teer, klaar [zuiver], vijver-, delicaat [smakelijk], geëmailleerd, springend, schelferend [geschubd], zeeburger, wispelend [spartelend], vochtig, graatachtig, blauw, wakker [levendig], fluimachtig, krimpend, plat-, stok-, wal-, stom [zonder spraak], ruw, hard, vluchtend, wit, blinkend, delicaat [smakelijk], lekker, vreemd, gulzig, slokkerig, zacht, schelpachtig, vast [stevig], slap, doornachtig.
(visioen) ijdel, verschijnend, onzeker, verdwijnend, vliedend [verdwijnend], gruwelijk, onhandelijk [onaanraakbaar], ontastelijk [ontastbaar], dunkend [toeschijnend], schaduwachtig, mismaakt, schuifelend [geluid makend], vreselijk, ijselijk, ongenakelijk, afgrijselijk, vervaarlijk, naakt, misboren, bleek, onvolmaakt, licht, mager, onzienlijk [onzichtbaar], verschrikkelijk.
(visch-korf ofte fuyck) rond, dikbuikig, hol, vissers, tenen, gevlochten, gebuikt, overdekt, arglistig, dubbel.
(visscher) arbeidig, onvermoeilijk [onvermoeibaar], geduldig, schipper, hengelroedrager, listig, arm, lijdzaam, geduldig.
(vlaeye) lekker, teer, zacht, kaas, melk, bruin, kervel.
[vlek] (vlacke) vuil, gespikkeld, groot, puisten, zwart, ros, schandig, sproeten, zienlijk [zichtbaar], lelijk, slijkerig, smadelijk, schadelijk, olie-, smetten, mismakend, vet.
(vlamme-vyers) levend, brandend, rokend, subtiel [ijl], heet, daverend [trillend], geschoten, uitschietend, zwartmakend, ontstoken, smartend [brandend], traag, bernend [brandend], verstorven, razend, barnend [brandend], zwart, verhittend, vaardig, ras [snel], warm, spartelend, aangestookt, doordringend, sterk, licht, bevend, krachtig, vurig, vliegend, nachtelijk, geweldig, krakend, verlichtend.
(Vlaminck) gebeursd [met een beurs], krijgs, beleefd, kloek, moedig, vreedzaam, slecht [simpel], eenvoudig, zonder bedrog, welsprekend, lichtvaardig [lichtzinnig], poffend [snoevend].
(vlas) fijn, gehekeld, lang, spinsters, dun, zacht, wit, ruw, zoet, gemoeiig [handelbaar].
(vliermuys) dralend, ratelend, piepster, stijf [stevig], melkgevend, fluitster, gevleugeld, laagvliegend.
De vleermuis is de enige van alle vogels die melk geeft. Zij zoogt haar jongen terwijl ze ze al vliegend tussen haar pootjes vasthoudt.
(vleesch) bloedig, bloedend, sterfelijk [vergankelijk], zwak, kittelig [dartel], zoet, vers, rood, vergankelijk, smakend, wormenaas, voedend, etelijk [eetbaar], aards, wellustig, verderfelijk, snood [verdorven].
(vleyaert ofte pluymstrijcker) smekend [vleiend], zacht, aanlokkend, verraderlijk, loos [doortrapt], schalk [schurkachtig], bedrieglijk, zoetsprekend, uitstrijkend [bedriegend], willekozer [vleier].
(vleughel) gevederd, licht, subtiel [licht], ras [snel], dartel, zacht, voorbijvliegend, vliedend [snel gaand], fluitend, gelijkwichtig [evenwichtig], stijf [stevig], geschud, bevend, lopend, ontvouwen, ras, geruchtmakend, licht, windig, roerend [beweeglijk], huppelend, stout [flink], hoogvliegend.
(vlieghen) gevleugeld, lekker [kieskeurig], bloedminnend, stekend, licht, zuigend, voorbijvliegend, vuil, onrein, gulzig, hommelend [gonzend], zwermend, kwellijk [lastig], vliegend, korzelend [korzelig makend], ruisend, dommelend [een dof geluid gevend], ras [snel], wakker, lekkend [likkend], vergrammend, paarden-, stront-, Spaans, Canthariden [Spaanse vliegen], bedelend.
[het vliegen] (vlieghinghe) licht, bezijden, hoog, snel, stijf [krachtig], haastig, zwierend, verhaast, wakker, dapper, Pegasisch [als Pegasus], geschort [belemmerd], gevleugeld, hoogmoedig, naarstig, licht, verheven,
in de lucht, bevend, stout [driest], geveerd, gepluimd [met veren], vogels.
(vlierboom) mergachtig, moerasachtig, onsterk, gebloemd [bloemdragend], geknopt, bergig, geweerd [knoestig], weerachtig [knoestig], bosachtig.
(vlies) het Gulden Vlies, rijk, gouden, kostelijk [kostbaar], geluw [geel], Colchidsch [van Colchis aan de Zwarte Zee], gestraald [stralend], rood, sterfelijk [vergankelijk], blinkend, Jasonisch [van Jason], hazardeus, bewaard, dierbaar [kostbaar].
[vacht] (vlies) gekruld, zacht, wit, wollig, delicaat, gespikkeld, eekig [in azijn gedrenkt], vet, Engels, gekwispeld [met kwastjes], fijn, spitsharig [ruigharig], hamel-, sterfelijk [vergankelijk], Spaans, vochtig.
(vlyticheyt) vaardig, blij, gezond, wel te passe, mooi, licht, ras [snel], wakker, abel [bekwaam], behendig, bekwaam, voorgenomen [voortreffelijk], fluks, snel, naarstig, kamerspeels [esbattements-], guichels [gekheid-], edel, gehandzaam [bedreven], dapper, jong, deugdig, dartel, brooddronken.
(vloedt) waterloop, sterk, ruisend, tierend [lawaai makend], vlietend, licht, geruchtmakend, ongetoomd, ontbreideld [teugelloos], onbedwongen, vrij, opwerpend, barend [golvend], krom, wegdrijvend, voortvlietend, schuimend, zee-, draaiend, stijf [krachtig], bassend [lawaai makend], haastig [plotseling], ronkend, krachtig, preutelend [borrelend], verstoord, rochelend, lopend [stromend], tempeestig [stormachtig], beroerend [beweeglijk], zout, windig, hees, wreed, straf [sterk], woedend, opspringend, oplopend [rijzend], wit, veranderlijk, gestoord, bassend, kromlopend, murmelend, verwelfd [hoog], trotsig, gezwollen, ongestadig, ongestuimd [onstuimig], tegenstromig, tegendringend, visachtig [visrijk], afgaand [afnemend], wassend, vers, drijvend, machtig, grasachtig, dreigend, inzwelgend, bevend, verschrikkelijk, vreselijk, zilverklaar [helder als zilver], grommelend, gedreven, bleek, bevochtigend, kaal, blauw, bobbelend, gevaarlijk, overvloedig, druisend [een aanhoudend geluid makend], vliedend [wijkend], geweldig, doof [dof klinkend], stout [groots], ongebreideld, groot, draaiend, achtervolgend, witmakend, contrarie [tegenwerkend], vreemd, uitvloeiend, schipbrekend, water-.
[wolafval] (vlocke van schaerlaken) licht, zacht, stuivend, stofachtig, vuil, vullend [kussenvullend].
[vlucht] (vluchtinghe) blode [laf], haastig, licht, zorgelijk, open, bevend, verhaast, vliedelijk, vermijdelijk [te vermijden], vilein, bedrieglijk, uitstellend, schandelijk, lopend, kloek, ellendig, vervolgd, achtervolgd, schandig, verhinderd, stuivend [stof opwerpend], zorgvliedend, droef, gedrongen [gedwongen], noodwendig, vervaard [angstig].
(vochticheyt) druipend, slijmachtig [modderig], koud, overvloedig, vet, zoet, bacchisch, verdorven [bedorven], nevelachtig, dicht, traag, vergaderd [verzameld], lekend [lekkend], nat, druipneuzig, vlietend, delicaat, dampig, waterig, klevend, plakkend, lijmend, teerachtig, vuil, regenachtig, lauw, rokend [dampend], zoutachtig, schuimend, vloedend [vloeiend].
[slet, lap] (vodde ofte slets) genaaid, ontnaaid [losgetornd], onnut, vuil, zwart, beklad, verschimmeld, verduft [duf, muf], stinkend, vet, gescheurd, hangend, wollen, oud, veracht, verworpen [onaanzienlijk], schoen- [lap om schoenen mee af te vegen], kwaad, gegaat [met gaten], slijkerig, verrot [vergaan], schelms [smerig], gelapt.
(voedtsel) onderhoudend, opbrengend [grootbrengend], bestandig [behulpzaam], overvloedig, natuurlijk, goed, vruchtbaar, zoet, gras, gebloemd, vet, hooi, voedend, veld, vee-, lieflijk, smakelijk, gemeen [gewoon], groenend, blij, vochtig, kinder-, dierbaar [kostbaar], waardig [van waarde], oorbaar [nuttig], nut [nuttig], jong, teer, kinderlijk, moederlijk, godvruchtig.
(voedtstere ofte voester-vrouwe) zuigend [zogend], zoog-, blij, vrolijk, zoet, zingend, leermoeder, wakend, melkgevend, jong, snatersse [zij die snatert], klappei [babbelaarster], zorgvuldig [zorgzaam], gemamd [geborst], smekend [vleiend], bezig.
(voerman ofte wagheman) dwalend, arbeidig, ruw, geschoeid, gelaarsd, karrenvoerder, doend, bezig, vloeker, voetgaand, dronkaard.
(voeten) licht, hol, vliedend [snel gaand], trippelend, schrijdend, krom, gewelfd, aardig, schoon [mooi], bestoven [bestoft], spartelend, dartel, sterk, hiel, hoog, beslijkt, stinkend, wit, zweetachtig, teer, gaand, tredend, vast, dansachtig, wakker.
(voetstappen) volgelijk [navolgbaar], zwart, lang, oud, merkelijk [zichtbaar], blijkelijk [duidelijk], ingedrukt, slibberig, betreden, schijnlijk, stoffig, slecht [vlak], kennelijk.
(voghel) licht, gepluimd [met veren], kwetterend, zingend, gekamd [met een kam], fluitend, wild, tam, licht, geleerd, veldenvreugd, voorbijvliegend, haag-, wakker, slecht [eenvoudig], vrij, blij, laagvliegend, voorzeggend [voorspellend], aardig, blauw, vriendelijk, snaterend, kwinkend [kwinkelerend], lieflijk, springend, water-, rijs-, boom-, gebekt, knagend, geschilderd [heel mooi], gekleurd, klappend [kletsend], gulzig, slokkerig, vreemd, pikkend, steek- [lokvogel op staak], gespikkeld, luchtzwaard [die de lucht doorklieft], fluiter, schuifelaar [fluiter], roepend, vliedend [snel gaand], lok-, gekapt [met een kap], gebaard [met een baard], schuw, temmelijk, ontemmelijk, roof-, eend-, luchtvee, pluimdier.
(voghelaer) loos [doortrapt], lankmoedig, jagend, doortrapt, bedrieglijk, uitstrijkend [bedriegend], schalk [schurkachtig], verrader, subtiel, lijmstangdrager, luisterend, arglistig, vaardig, schuifelaar [fluiter], fluiter, bukkend, lagenlegger [valstriklegger].
(volbrenghinghe) vervulling, volkomen, geheel, eindelijk [definitief], gelukkig, vaardig, begeerd, blij, gehoopt.
(voldoeninghe) waardig, schuldig [verschuldigd], verschuldigend, vergeldelijk [vergelding verschaffend], beloofd, gewillig, verplicht, rechtvaardig, geld-, gehoorzaam, gerechtig, herkennelijk [erkentelijk], verdienlijk [verdienstelijk], verobligeerd [verschuldigd].
(volghinghe) moeilijk, verdrietelijk, voetstappig, slepig, verzelschapt [in gezelschap], gedurig, dienstelijk.
(volherdinghe) stedig [stadig, onafgebroken], standvastig, hardnekkig, vast, gedurig, onoverwinnelijk, geduldig, continueel, koppig.
(volkomenheyt) geheel, volmaakt, perfect, volbracht, zonderling [bijzonder], goddelijk, groot, werkelijk, zwaar, voldaan, onnavolgelijk, begeerd.
(vonnisse) gestreken [geveld], gewezen, gods-, onveranderlijk, gruwelijk, gesloten, geresolveerd [vastgesteld], rechtvaardig, onwederroepelijk, streng, straf [streng], vast, redelijk, parlements, toegeschikt [beschikt], uitgesproken, veroordeeld, presidents, zeker, rechters, opgetekend, onbrekelijk, straffend, van God geschikt, gegeven, schepenen, gerechtig, gelubd [ontkracht], onrijp [ontijdig], onderscheidig.
(voocht) zie momber[schap].
[voorrang of voorkeur] (voordeel ofte preeminentie) hoog, overst [opperst], geautoriseerd, excellent, eerbaar, heersend, heerlijk, hoogwaardig, waardig, voorzittend, overregering [overheersing].
(voorhooft) gesterd [glinsterend], gehoornd of hoekig, gewelfd, rood, blinkend, trots, breed, wijd, verheven, effen [glad], geduldig, volslagen [volwassen], sneeuwwit, dreigend, plat, blijkelijk [duidelijk], gerompeld [gerimpeld], vergramd, albasten, hoog, open, besproet, rein, wenkbrauwig [stuurs], kenlijk [opvallend], heerlijk, overwelfd, mooi, fraai, gebult, eerbaar, schaamachtig [beschaamd], helder, schoon [mooi], onbeschaamd, blij, doorhakkeld [gekerfd], stout [flink], onversaagd, rein, edel, opgeheven, vrijmoedig.
(voorhuyt) oud, joods, besneden, besnedene, mensen-.
(voorhuys) zie zaal.
[iemand die als gezant vooruitgestuurd is] (voorlooper) licht, ras [snel], postig [post-], naarstig, vlijtig, behendig, dwalend, gevleugeld, vaardig, haastig [snel], hijgend, gedreven, wakker, afgevaardigd, tijdingdragend.
(voornemen) rijp, vast, wijs, voorbedacht, Catonisch [als van Cato], redelijk, besloten, voorzichtig [wijs], gemeen [gemeenschappelijk], beraden, raadzaam, voorbereid, langzaam, welbedacht, boos, kwaad, goed, ongoddelijk.
(voor-onder van een schip) scherp, gebuigd, schippers, geijzerd of beslagen.
[voorbeschikking] (voor-ordonnantie ofte destinatie) van God toegeschikt [beschikt], toegeschikt, vergund, almachtig, onontvliedelijk, hemels, blind, verborgen [in het verborgene], onbekend, hard, kwaad, onzeker, wreed, dreigend, droef, straf [hard], onveranderlijk, bedriegster, twijfelachtig, haastig [onverwacht], oud, gruwelijk, ontemmelijk [niet te beïnvloeden], dringend, natuurlijk, geweldig [dwingend], genegen, dochter Gods, onverbiddelijk, schadelijk, onvermurwelijk, ongerechtig [onrechtvaardig], ellendig, verderfelijk, jammerlijk, klaaglijk, omstotend, onrechtvaardig, gierig [inhalig], onverwacht, rovend, pijnlijk, beklaaglijk, onbuiglijk, doof, onbarmhartig, afgrijselijk.
De destinatie is een dochter van God de Almachtige, die volgens de wil en het gebod van haar vader alles regelt en beschikt dat wij goed of kwaad noemen. Deze twee dingen ontvangen de mensen ongetwijfeld door de wil van God, dat wordt met recht destinatie genoemd, want destinatie is niets anders dan een eeuwige ordening der dingen. En hoewel sommige mensen ook wijsheid of verstand hebben, is zij het toch die al onze daden bestuurt en macht over onze daden heeft.
(voorreden) komediaal, voorlopend, kort, lang, komedie-, uitgesproken, voorspelend.
[feestelijkheden voorafgaand aan een bruiloft] (voorspel) dansleidend, diminuerend [aftellend], vriendelijk, roepend, kort, bruilofts-.
(voorspoet) gelukkig, blij, gezegend, dagelijks, goed, gewenst, ongestadig, geheel, volkomen.
(voorsprake oft advocaet) billig [rechtvaardig], rechtvolger, roepend, haastig [driftig], korzel [opvliegend], heftig, scherp, gierig [hebzuchtig], plechter [pleiter], loos [doortrapt], gedenker, woordmaker [redenaar], subtiel, welspreker, redenaar, schoonspreker, geleerd, vaardig, rader [raadgever], raadgever, veinzer, geldgierig, schalk [schurkachtig], overhaalder [overreder], wel ter tale, vuistsluiter, toehorend, eer des raads, huis-, jong, oproerig, bedrieger, uitstrijker [bedrieger], opgeblazen, lozerik, wederspannig, overdrager, akkoordbreker, keffer, blaffer, oproermaker, ongeleerd, onbeleefd, korzel [opvliegend], kijfachtig, boos, klapper [kletser], kwaad, erg [boos], onbeschaamd, krakeelzoeker, terger, kwellijk [lastig], schelder, rechtvervalser, bespraakt.
(voorvaders ofte voorouders) oud, authentieks, eerbaar, eerwaardig, deugdzaam, wijs, voorzaten.
(voorsienicheyt) wijs, discreet, rijp, goddelijk, loos [verborgen], verborgen [geheim], onbekend, zonderling [bijzonder], hemels, voordacht, geestelijk, toekomend [toekomstig], lang, aangeboren.
(vorcke) zie gaffel.
[kikker] (vorsch ofte puyt) water-, zeverend [kwijlend], vuil, profeet van het voorjaar, kwakend, moeras-, lentebode, bobbelend [bellen blazend], roepend, groenend, zingend, kermend, hees, slijmig, krioelend, brekekekeksend [kwakend], kwaker.
Plinius zegt dat als kikvorsen zes maanden oud zijn, ze in slijm veranderen, zodat men ze niet opmerkt. Daarna worden ze met de eerste regen in de lente weer hetzelfde wezen als tevoren. Dit is iets onbegrijpelijks en gebeurt iedere twee jaar.
(vorst) koud, verdrietelijk, winters, hard, bevend, moorder, streng, lui, wit, ijzig, dood, smartend [pijnlijk], versnoterd [verkouden], donker. Zie winter.
(vosch) loos [doortrapt], bedrieger, schalk [sluw], stinkend, langstaartig, hoenderdief, doortrapt, keffer, subtiele veenvos, duin.
Men zegt dat de vos zo slim is dat als hij ziet dat de honden achter hem aan komen, hij zijn staart tussen zijn poten steekt, erop pist en de honden daarmee besprenkelt. Als de honden de stank ervan ruiken, gaan ze weg en laten de vos lopen.
[gewelf] (voulte) zie welfsel.
(vouwe) geplooid, dubbel, omgelegd, dun, klein, gevoord [met voren of plooitjes].
(vraghe) voorhouding [voorstel] of kwestie, twistzinnig, voorgegeven [voorgelegd], strik-, voorgesteld, overlegd, duister, filosoofs, twistig, kijfachtig, natuurlijk, disputabel, oneindelijk [oneindig], zwaar [moeilijk], diepzinnig, licht, slecht [eenvoudig], kinder-.
(vrede) zalig, aangenaam, ellendeverdrijvend, vrij, volkomen, onbrekelijk, Gods dochter, zoet, vruchtbaar, blij, profijtelijk, gewenst, begeerlijk, goddelijk, stil, goed, oorlogverdrijvend, Marsvijand, moeder aller dingen, eerwaardig, goedertieren, heilig, victorieus, vreedzaam, vast [hecht], mensenvoedster, gouden, aandachtig, zaligmakend, hemels, lieflijk, eeuwig, wit, smekend [aanlokkend], innig, inwendig.
(vreemdelinck) ver, pelgrim, verdwalend, wandelend, reizend, bot, onbekend.
(vreese) schrikkelijk, blode [laf], twijfelachtig, perikels dochter, achterdenkend [achterdochtig], koud, ijverig, gedrongen, zorgend [zorg gevend], vervaarlijk, bleek, bleekmakend, gevaarlijk, armhartig [bedeesd], haastend [plotseling], bevend, schuddend, schaamachtig [beschamend], kinderlijk, knechtelijk, afschrikkend, haastig [plotseling], vervaarlijk, verbazend [verbijsterend], beroerlijk [treffend], onverwacht, gruwelijk, overvallend, ijselijk, nachtelijk, droevig, wonderbaar, angstelijk, uiterst, nooddringend, dreigend, twijfelig, schromig [schroomvallig], koud, zorgvuldig [kommervol], jaloers, ijverig [naijverig], vreesachtig, ellendig, blode [laf], haastig [plotseling], wit, sidderend.
(vriendt) getrouw, zonderling [bijzonder], gezworen, familiaar, gemeenzaam, behulpelijk, standvastig, genegen, zeker, geheel, getrouw, harts-, gezelschappig [gezelschaps-], vast, gunstig, goedertieren, lief, bekwaam, gelijk, vriendhoudend [vriendelijk], jonstig [genegen], troost, nood, eenmoedig, gewelkomd.
(vriendinne) zie lief.
(vriendtschap) hartelijk, recht, waar, gelukkig, vast, gemeenzaam, heimelijk, vrij, onveranderlijk, eerbaar, onbrekelijk, goelijk [deugdelijk], zeker, verzekerd, troostelijk, onderling, weerbeminnend [wederzijds beminnend], vreedzamig, gezelschappig [gezelschaps-], zoet, innig, zuiver, onontbindelijk, verenigd, goedertieren, veroud [langdurig], trouw, getrouw, gemind, gunstig, eeuwig, prijswaardig, rein, dankbaar, troostelijk, eerwaardig, blijvend, standvastig, eendrachtig, onsterfelijk, oud, gelijmd [hecht], liefdebetonend, omhelzend, broederlijk, dankwaardig.
(vrije-konste) uitnemend, schoon [mooi], volkomen, nut [nuttig], mathematisch, subtiel, scherpzinnig, edel, eerlijk, eerbaar, vindersse [bedenkster], zeker, arbeidig, vermaard, onderwijzend, loffelijk, prijswaardig.
(vryer) zie minnaar.
(vryheyt) bekwaam [heerlijk], verzekerd, gunstig, vast, onbrekelijk, gewijd, Athenisch, Rooms [Romeins], vrij, libre [vrij], zeker, verzekerd, zoet, los, hulpelijk [nuttig], gepriviligeerd, ongevangen, mild, gunstig, toegelaten, koninklijk, dierbaar [kostbaar], waard [hooggeschat], volkomen, gekomen, geheel, des levens voedster, gelukkig, losgelaten, onschattelijk [onschatbaar], lui, vrolijk, lustig, blij, ongeoorloofd, ongetoomd, groot, uitgelaten, overgegeven [overmoedig].
[meisje, beminde] (vrystere) schoon [mooi], loos [doortrapt], schalk [sluw], ervaren, listig, doortrapt, doortrokken [doortrapt], onkuis, wankelbaar, mal, spijtig [afwijzend], onwaardig, troetelachtig [geneigd tot liefkozen], zotachtig, lustig, alwaardig, hups, hoofs [wuft], hoerachtig, bedriegster, blij, slim, uitstrijkster [bedriegster], edel, vrolijk, ijverig, vriendelijk, smeekachtig [verleidelijk], bekwaam, fraai, sierlijk, godinnetje, wit, blank, geoefend [ervaren], versierd, blozend, zoet, toegemaakt [opgetooid], popachtig, heerlijk, statelijk [deftig], opgeblazen, ongeschikt [ongemanierd], ongemanierd, dartel, gehuld [geldeed], geestig, stout [aanmatigend], hoogmoedig, geblanket, heus [hoffelijk], gehuifd [met een kap], gekapt [met een kap], jong, smeekster [verleidster], ongetrouw, geparfumeerd, zoetkozig.
Dit zijn naar mijn mening de passendste epitheta die men de malle meisjes geven kan. Maar de meeste van onze jongemannen gebruiken die niet in hun versjes en gedichtjes: zij noemen de meisjes godinnen. engeltjes, goddelijk, hemels, sanctinnen [heiligen], gewijd, koninginnen, prinsessen, vrouwen, meesterssen [meesteressen], der goden gezellinnen, naturenpatroon, zoete-wellust, duifje, tortelduifje, mijne, al mijn goed, geluk, zieltje, hart, oog, oogje, mondje, bloed,
minnetje, rust, gezondheid, hoop, zoete vreugd, verwachte, wensen, kennis, onthaling, genoegen, angst, verdriet, geneugte, geest, steunsel, verheugen, vermeiing [bron van plezier], wit, lachen, begeerte, gedachten, zorg, opperst goed, volmaakt, volkomen, kracht, zon, klaarheid, licht, godin mijner kunst, vriendelijkheid [liefje], vermaak, wellust, helft, trouw, belofte, hitte, vlammen, diamant, parel, pareltje, honing, gesuikerde, lentebloem, roos, lelie, balsem.
En wanneer zij het tegendeel willen beweren, dan zeggen ze:
verkeerde, zotheid, zoete-vijandin, zoetestrijkster, zoet-bitter, zoet-wederspannig, zoet-onvriendelijk, zuur-zoet, schoon-rebellig, spijtig-ootmoedig.
En als het meisje horende doof is, noemen de jongemannen haar:
ondankbaar, wreed, obstinaat, stout [brutaal], hard, onleerbaar [die niet kan leren], vermetel, vijandin, zottin, ijzig, ongestadig, steenrots, ijzeren-hart, rebel [weerspannig], onverbiddelijk, bestrijkster [bedriegster], onhandelijk [onhandelbaar], stuur [stuurs], bot, straf [streng], ruw, koud, weerhaan, hovaardig, wild, onbeleefd, traag, hardnekkig, duister, moordersse [moordenares], kwaad, onbarmhartig, ongenadig, kwellijk [lastig].
(vrolijckheyt ofte vreucht) vriendelijk, blij, brooddronken, dartel, onkuis, amoureus, mal, lustig, rustig [flink], kluchtig, meis [van de maand mei], groenend, voerloos [onbesuisd], voorgenomen, vrijpostig, verblijdend, heuglijk, vrij, wakker, verkwikkend, bloeiend.
[dapperheid, rechtschapenheid] (vromicheyt) trouw, goed, innig, loffelijk, edel, zoet, burgerlijk, goedertieren, geheel, getrouw, gewis, consciëntieus, notabel, stout [dapper], krijgs, kloek, trotsig, grootmoedig, victorieus, gedenkwaardig, heerlijk.
(vrouwe) schoon [mooi], oud, jong, eerbaar, edel, beleefd, gemanierd [beschaafd], zedig, grootsig [trots], oneerbaar, gehuld [gekleed], zoet, vriendelijk, heersend, goed, mild, spijtig [trots], burgers, deugdelijk [deugdzaam], huishoudend, geschikt, lustig, geestig, scherpzinnig, troetelachtig [geneigd tot liefkozen], meestersse [meesteres], huiselijk, rein, wankelbaar, bedrieglijk, boos, boosachtig, mannengezellin, armhartig [bedeesd], mooi, klapachtig [kletserig], loos [doortrapt], schalk [sluw], wreekster, mal, zotachtig, lichtvaardig, wild, onbeleefd, grimmig, hovaardig, wederspannig, gemand [gehuwd], nijdig, gepassied [gepassioneerd], koop-, kijfachtig, vrek [vrekkig], onwaardig, toverachtig, zwak, dubbel, vals, spijtig [trots], teder, onnut, morsig, venijnig, onkuis, opgetooid, ijverig, kwellijk [lastig], ongeduldig, leugenachtig, rustig [flink], ontrouw, scherp, kwaad, onsterk, obstinaat, koppig, nadenkend [argwanend], onstraffelijk [onschuldig], vervaard [angstig], bitter, getrouwd, twistig, krakeelachtig, vuil, oneerbaar, opgehaarlokt, veranderlijk, onrein, schalkachtig, roepster [grootspreekster], smekend [aanlokkend], wenend, grijster [zij die zuur kijkt], huilend, arglistig, mannenjuk, slecht [eenvoudig], zoet, eenvoudig, vrolijk, leerbaar [geschikt om te leren], wijs, goedertieren, lieflijk, vriendelijk, bruin, lui, traag, gesierd, aangenaam, lustig, poezelachtig, naarstig, arbeidig, kloek, scherpzinnig, doend, gestrekt.
[karmelieten] (vrouwenbroeders) monniken, dominicanen, broeders, predikers, welsprekend, geleerd, religieus, bedelend, sermoendoenders [predikers], eloquent.
(vrucht) schoon [mooi], smakelijk, lustig, zoet, oogst, delicaat [smakelijk], welriekend, de eer van de boomgaard, herfsts, gekleurd, week [zacht], hangend, nieuw, hoveniers, vermakelijk, behoningd, godenspijs, honingzoet, amper [zuur], zuur, bossen, rottend, rijp, zoetachtig, dagelijks, roodachtig, verlichtend [verkwikkend], begeerd, lieflijk, sieraad van de herfst, welriekend, wellustig [heerlijk].
(vruchtbaerheyt) overvloedig, volkomen, zoet, voortbrengend, gelukkig, vol, lustig, rijk, vloeiig [overvloedig].
(vuylicheyt ofte vuylnisse) vuil, slijkerig, onrein, slijmig, stinkend, drekkig, gistachtig, verrot, mestig, verdorven [verrot], stofachtig, snood [waardeloos], modderig.
(vuylis-hoop) onrein, uitenwegen [afgelegen], stinkend, vuil, zwart, verga-
derd [verzameld], besmet, ontreinigd, veld-, straat-, walgelijk.
(vuyst-slach) vaardig, ras [snel], periculeus, stijf [krachtig], hard, haastig [plotseling], kwetsend.
(Vulcanus) arbeidig, smedengod, lelijk, verstuikt [ontwricht, gehandicapt], han [sul], traag, handwerker, zwart, behendig, vlijtig, ongezien [ongeacht], smedend, Junonisch [zoon van Juno], zot, kreupele god, berookt, Jovisch [van Jupiter], Siciliaans, mismaakt, Etneaans [van de Etna], vurig, vlammend, koning des vuurs, kromvoet, hinkend, bestoven, vuurminnend.
Vulcanus, zoon van Jupiter en Juno, werd vanwege zijn grote mismaaktheid uit de hemel geworpen door zijn ouders en op het eiland Lemnus grootgebracht door Eurymone, dochter van Oceanus en Thetis, of, naar sommigen beweren, door de apen. Omdat hij van grote hoogte gevallen was, werd hij kreupel. Men zegt dat hij op dat eiland een smidse had en de smid der goden was: hij smeedde daar met de Cyclopen, die zijn dienaars waren, Jupiters bliksems. Hij vroeg Minerva ten huwelijk, maar zij wilde niet. Daarna trouwde hij met Venus, en toen hij die eens in overspel betrapte met Mars, ketende hij hen zo vast aan elkaar, dat ze zich niet konden bevrijden voor en aleer de andere goden en godinnen hen aldus aaneengekoppeld gezien en bespot hadden. De voorvaderen hebben van hem een god van het vuur gemaakt, en soms gebruiken de dichters deze naam voor het vuur zelf.
(vyer) gloeiend, verslindend, scherp, krachtig, gierig [begerig], nooddruftig [nuttig], brandend, klaar [helder], verterend, subtiel [ijl], straalachtig, stralend, dartel, droog, vlammend, levend, heet, hittig, glinsterend, zwart, donker, vaardig, schadelijk, inslikkend, haastig [snel], smartelijk, dolend, doordringend, voortkruipend, blinkend, gestookt, licht, louterend, wakker [levendig], vliegend, gruwelijk, wonderlijk, onuitblusselijk, schijnend, ontstoken, troetelend [aangenaam], smekend [aanlokkend].
[pan met lichtverspreidende stof] (vyer-panne) lichtend, schijnend, nacht, gehoornd [hoekig], klaar [helder], leidend, lantaarnachtig, morgen, blinkend.
(vyer-pijl) brandend, gevederd, lang, schuifelend [fluitend], geschoten, vliegend, vreugdegevend, ruisend, vlammend, geschoten.
[stuk staal waarmee men vonken uit vuurstenen slaat] (vyer-stael ofte vyer-slach) stalen, verstaald, vuurgevend, vuurslaand, vuurdragend, vuurspuwend, kort, nachtelijk, morgen-dienstig.