[zaadkorrel] (zaet oft graen) dun, klein, fijn, voortbrengend, droog, vruchtbaar, voedend, meelachtig, tarwe-, rogge- etc., vast [krachtig], zwaar, uitbottend, geschoten [ontkiemd], vol, krachtig, wassend [groeiend], overvloedig, koopmans, zaaigraan.
(saghe) getand, snijdend, bijtend, ijzeren, beslagen, bot, gescherpt, lang, hand-, trek-, verroest, gekerfd, licht, tandeloos, handelijk [handelbaar], handzaam.
(sale) gesierd, geschikt, groot, breed, wijd, getapijt, gemat [met matten], gemarmerd, eerbaar, gouden, verheven, gewagenschot [met planken bekleed], bruilofts-, dans-, bereid, heerlijk, koninklijk, licht, hoog, koud.
[room] (zanen) wit, vers, gesuikerd, zoet, zacht, melk, verversend [verfrissend], geklonterd.
(sack) diep, meel-, meulders- [van de molenaar], koren-, kaf-, leren, wol-, dief-[broekzak, zak om iets (gestolens) weg te stoppen], hangend.
(zalve) zalvend, sterk, droevig [troebel], krachtig, genezend, smerig [smeerbaar], week [zacht], smekend [koesterend], riekend [geurig], olieachtig, druipend, gemaakt, kostelijk [kostbaar], blinkend, welriekend, zoet, gewreven, bijtend, geparfumeerd, leden-, medicinaal, gebalsemd.
(zalicheyt) eeuwig, onbegrijpelijk, eerlijk [eervol], volmaakt, volkomen, onsterfelijk, gelukkig, hemels, altijddurend, opperst, goddelijk, heerlijk, enig [uniek], heilig, heilzaam, hoog, onschattelijk [onschatbaar], hoogst, geestelijk, oneindelijk, zeker, verzekerd, onuitsprekelijk, engels [engelachtig], uiterst, eeuwigdurend, bijblijvend [volhardend], zonderling [bijzonder], onmetelijk, onverdoemelijk, gunstzalig.
(zalm) vet, delicaat [smakelijk], vast [stevig], rood, zoet, zoetachtig, gezouten, gerookt.
[zand] (sant ofte savele) geel, wit, zwart, stofachtig, vochtig, baarachtig [golfachtig], zandachtig, zavelachtig, nat, slijkachtig, dun, stuur [stevig], roerend [beweeglijk], onvruchtbaar, koud, ontellijk, rein, droog, verwoest [woest, kaal], rond, rollend, ledig, schelp-, -strand, klaar [zuiver], steenachtig, hard, kleiachtig, gouden, fijn, bruin, zwaar, zuiver, gravelig, dor, zee-, -vloed, vlot- [drijfzand], drijvend, vreemd, barend [golvend], nat, keiachtig, -grond, -vis, vuil, gijlend [kokend, ziedend], naakt, roerlijk [beweeglijk], overvloeiend, ontelbaar, schuur-, blinkend, stof-, waterachtig, koperachtig, ruw, grof, rein, ontdekt [onbedekt], lopend [vloeiend].
(zandtlooper ofte nachtglas) uurwerk, gekompast, van een uur, half, altijdlopend, gestadig, schippers-, dagwerkers-, stilstaand, uurwijzer, pulverglas [glas gevuld met poeder].
(zanck oft ghezangh) melodieus, zorgbrekend, blij, bevend [vibrerend], muzikaal, mooi, welluidend, lustig, maathoudend, zoet, verkwikkend, meerminnen-, behoningd, verlustigend, vol, gesuikerd, vermakend [opwekkend], oneerlijk [onfatsoenlijk], weerklinkend, lieflijk, verleidend, amoureus, herders-, geversd [in versregels], aanlokkend, troostelijk, vleiend, klinkend, kwetterend, smekend [aangenaam], onnut, hoog, betoverend, nederig, scherp, woord, deerlijk [jammerlijk], brullend, gematigd, psalmen-, drollig [grappig], kinder-, klaaglijk, zuchtend, Davids, lichtvaardig, gemeen [gemeenschappelijk], straat-, stemachtig.
(zangher) Apollo's zoon, muzieker [musicus], blaffend, gemeen [openbaar], dorstig, koraal [koorzanger], fantastiek [wonderbaarlijk]. Gebruik verder de woorden die onder zang zijn genoemd.
(zedicheyt) wijs, gezet [bezadigd], ootmoedig, goddelijk, getemperd, eerbaar, mannelijk, kinderlijk, statig, beleefd.
(zee) zout, ongenadig, schuimend, barend [golvend], wolkend, diep, vliedend [wijkend], vol, blauw, vol edelgesteente, rijk, spijtig [hevig], opwerpend, windig, vocht [vochtig], bitter, wreed, straf [sterk], rein, wijd, zwierend, hol, bevaarlijk [te bevaren], doof [dof klinkend], onverzoenlijk, ruisend, stui-
mig [onstuimig], Neptunus' veld, grommelend, wanhopig, Indisch, beduind, ongestadig, schrikkelijk, oud, geweldig, tempeestig [stormachtig], mensmoordig, gruwelijk, verstoord, groot, periculeus, westers, barbarisch, wreed, bitter, gevaarlijk, verschrikkelijk, wijdstrekkend, gestort, Neptunisch, zandig, verheven, lopend [stromend], ongestadig, ongeduldig, hoog, onverbiddelijk, wreedmonster, verslindend, gierig [hebzuchtig], ongenadig, ongetrouw, twijfelijk, bulderend, bedrieglijk, tempeestig [stormachtig], onzeker, zavelachtig, vlietend, zorgelijk [gevaarlijk], vergramd, blind, gesteenterijk, beroerd [in beroering], draaiend, middel-, havenig [met havens], ongehavend [zonder havens], ongestuimig, rood, stil, kalm, koud, uitspuwend, gram [boos], vredig, monsterdierig, lopend, parelrijk, gestild, vreeswaardig, bruisend, geweldig, wendel [veranderlijk], ongetemd [ontembaar], ontemmelijk, golvig.
(zeve ofte zifte) dun, fijn, treuzel-[trijzel, zeef], meel-, bakkers-, stramienen [van stramien, een bepaalde stof], klaar [zuiver], doorluchtig [doorzichtig], rond, gespannen, grof.
(zeehaen ofte rootvisch) hard, grootvlimmig [met grote vinnen], rond, vast [stevig].
(zeekant ofte oever) zacht, geschakeerd, groen, zandig, begraasd, lustig, wild, koel, woest, vochtig, visachtig [visrijk], schoon [mooi], draaiend [kolkend], waterachtig, bebloemd, zee, krom, ruisend, gehoornd [bochtig], schuimend, fonteinig [met bronnetjes], ver, vloedend [vloeiend], vreemd, onvruchtbaar, groen, tierend [lawaai makend], springend, mosachtig, nat, vers [fris], lommerachtig, spartelend, ontdekt [onbedekt], zilveren, weergalmend, onvruchtbaar, lieflijk, galmend, wankelbaar, afhangend, vallend, bepareld, murmurerend, barend [golvend], hol, slim [scheef], bekend, gescheiden, zwierend, zuchtend, hees.
(zeel) zie koord.
[honingzeem] (zeem) zie honing.
(zeepe) muskaat-, riekend [geurig], vet, plakkenkruid- [vlekkenkruid-], zuiverend, zwart, winter-, zomer-, Spaans.
(zeeroover) bespieder, boos, avontuurder, plunderaar, woest, ongenadig, dief, schuimer [rover], ervaren, loos [doortrapt], periculeus, overlast [overladen], spie [verspieder], leegganger [leegloper], onbarmhartig, schalk [schurkachtig], afzetter [berover], schelms [schurkachtig], listig.
(zeghel) koninklijk, authentiek, ingedrukt, heren-, gegraveerd, wapen, verheven, hangend [aan een officieel stuk], opgedrukt.
(zeghelrinck) merkijzer, gegraveerd, wapen, klein, ivoren, heren-, gouden, zilveren, indrukkend, draaglijk [draagbaar], merkelijk [opmerkelijk].
(zegheninghe) heilig, gunstig, aangeroepen, zalig, goddelijk, vaderlijk, vriendelijk, goedertieren, gelukkig, gekruist [bekruisigd], loffelijk, lofwaardig, hemels.
(zeyl) krom, windig [bol], roerend [beweeglijk], wit, licht, gestreken, neergelaten, schippers-, vochtig, vleugel, hol, opgeblazen, hoog, scheeps-, gezwollen, gespannen, bewaaid, builig [bol], gebult [bol], overhangend, hellend, gekromd, windendiener, vaardig, ontvouwen, opgezet, voorvliegend, gehoorzaam, luisterend [gehoorzaam], vlak, lang, open, ras [snel], geschorst [opgetrokken].
[magneet] (zeylsteen) zwart, hard, ijzertrekker, steenachtig, subtiel.
Het is een heel harde steen die, net als onbewerkt ijzer, in ijzermijnen wordt gevonden. Hij heeft als eigenschap dat hij ijzer aantrekt.
[ongewoonheid, bijzonderheid] (zeltzaemheyt) kostelijk [kostbaar], zonderling [bijzonder], ongemeen [ongewoon], ongewoon, nieuw, vreemd, dierbaar [kostbaar], wonderlijk, gezocht, aangenaam, uitnemend, begeerd, nooitgelezen.
(zemelen) tarwe-, licht, meelachtig, vuil, gort-, haver-, boekweit-, gezift, ijdel [leeg].
(Zenon) Stoïsch, waardig, Cypriaans, subtiel, Scythiaan, prins der Stoïschen.
[pezen] (zenuen) gespannen of gestrekt, vast [stevig], krakend, trekkend, krom, gezwollen, luidend [geluid makend], stijf [stevig], sterk, kletterend, levend, gekrompen, verstijfd.
[schurft] (zeericheyt) krauwage [schurft], inetend, zerig [schurftig], vuil, onrein, schandig, schorsig, moeilijk, verachte-
lijk, levend [nog niet genezen], kwellijk [kwellend], puistig, schaamachtig [beschamend], kinderen-, weergroeiend, dicht, slijkerig [nat], etterachtig, ruw, gezwollen.
(zetel, stoel, zitplaetse) koninklijk, hoog, vast, rechter-, verheven, eerlijk [prachtig], schouten-, ambtmans-.
(zoch ofte zeughe) groot, dik, vet, vruchtbaar, vol, buikig, verhongerd, vuil, hangend, schuimig, oud, hard, traag, hongerig, traaggaand. Zie varken.
(zeever ofte quijl) schuimachtig, schuimend, vuil, wit, toornig, dol, grijs, aflopend, onzuiver, fluimachtig, kinder-.
(ziecken ofte krancken) uitgeteerd, mager, vreselijk, ijselijk, dor, zwak, mismaakt, reutelend, scherpneuzig, verdrogend [uitdrogend], spitsharig [ruigharig], dunharig, bleek, morrend, grimmend, gerimpeld, melancholiek, treurig, droevig, halfdood, razend, furieus, te bedde liggend, verbed, zinnenloos, erg [boos], kijver, korzel [opvliegend], onsterk, kwelend [lijdend], uitzinnig, flauw, moeilijk [moeite hebbend], vermoeid, klagend, kermend, deerlijk, ontstoken, gram [boos], opdrachtig [opgezwollen], armhartig [kleingeestig], geelachtig, doodvervig [doodkleurig, doodsbleek], onmachtig, machteloos, koppig, fantastiek [ingebeeld], grinnikend, onvrolijk, catarreus, katijvig [ellendig], kwelachtig, versnoterd [verkouden], lam, kreupel, krachteloos, verkrankend, flerecijnig [jichtig], pokkig, struikelend, korzel [opvliegend], kijfachtig, verlamd, sukkelend, haastig [plotseling], koud, doodschaduw, lelijk, dorstig, donkerziend, ruw, preutelend, murmurerend, mistroostig, droog, ongemanierd, bevend, loodzwaar, zwaar, onhandelijk [onhandelbaar], waterzuchtig, verlaten, krank, kuchend, rochelend, mat, zuchtend, pijnlijdend, smartlijdend, besmet, bewogen, ongezond, kermend, onnatuurlijk.
(ziecte) zie weedom.
(ziele) dochter Gods, onsterfelijk, redelijk [met rede begaafd], levendig [levend], zonderling [bijzonder], enig, goddelijk, bruid van Christus, ontastelijk [ontastbaar], levend, subtiel, dwalend, waardin van het lichaam, vriendin van de H. Geest, roerlijk [beweeglijk], onzienlijk [onzichtbaar], draaiend, gezellin der engelen, hemels, ledig, gekweld, geestelijk, vaardig, behendig, bereid, zorgvuldig [bekommerd], het leven gevend, onhandelijk [onaanraakbaar], ijverig of nijverig, zalig.
(ziele der vrouwen ofte onderrock) gehaakt, rood, grauw, groen, geplooid, purper, damasten, licht, geboord [met boord], onder-.
[mijt, wormpje] (ziere) krauwachtig [schurftig], inetend, klein, zerig [schurftig], dun, voortspeurend, wormpje.
(syde) kostelijk [kostbaar], schoon [mooi], zacht, bepareld, delicaat, zoet, Tyriaans [van (de stad) Tyrus], bekwaam [mooi], gekleurd, fijn, ruw, flos-, gekruld, gedraaid, dun, karmozijn, zwart, wonderwerkig, paars, blinkend, stik-, ongetweernd [ruw], pool-.
(zilver) wit, effen [glad], gemunt, bedrieglijk, ongeblust [ongehard], rein, gezuiverd, klaar [zuiver], het leven gevend, haakachtig [waar men naar haakt, verlangt], fijn.
(zilverkruydt) zie leverkruid.
(zilverwerck) zilveren, klinkend, gouden, effen [glad], gebruineerd, kristallijnen, tinnen, verheven, schoon [mooi], hol, vol, gewrocht [bewerkt], huiselijk, gegraveerd, wit, kostelijk [kostbaar], getekend [met keurmerk].
(zinlijckheyt) misselijk [onberekenbaar], murw [wekelijk].
(zodiacus) de cirkel des hemels, de twaalf tekenen in het kromme, hemels, roerlijk [beweeglijk], circulair [kringloop-], sferisch, geschilderd.
[marketenter] (zoetelaer) voorzien, verzorger, arbeidig, naarstig, zorgvuldig [naarstig], overalloper, onvermoeilijk [onvermoeibaar], avontuurder.
(zoeticheyt) honing, muskus, riekend [geurig], lieflijk, godenspijzig, lekker, smakelijk, delicaat [smakelijk], gekonfijt, aanlokkend, hemels, vermakelijk [lekker], verkwikkend, aangenaam, confituren, vriendelijk, aantrekkend [aantrekkelijk], vrouwen-, troetelend, goedertieren, natrekkend [aantrekkend], bloemen-.
(Zoylus) nijdig [vijandig], miszegger, achterklapper, achterklappig, onbeschaamd, kwaadspreker, hatelijk [verafschuwd], zeve-
raar, spotter, klapper [kletser], snappig [kletsend], lasteraar, smader, schimper, bijtend, begerig.
Hij was een sofist, zo genoemd ten tijde van Ptolemaeus, die door zijn onbehoorlijke geschriften dacht grote faam te verwerven door Homerus, de prins der dichters, vitterig te beoordelen. Met als gevolg dat allen die anderen benijden en te schande willen maken teneinde zichzelf te doen schitteren, Zoïlen of Zoïlisten worden genoemd.
(zomer) warm, heet, brandend, korenrijpend, droog, dor, helder, oogst, hittig, wandelaars, rijpend, vader, voedend, met aren gekroond, krachtig, schippers, lustig, blij, ziek, stofachtig, donderachtig, bliksemend, ras [snel], prins, zoon des jaars, dorstig, huishoudend, korengever, lui, groen, stralend, wijngevend, zweetachtig, vruchtbaar, kwellijk [kwellend], slap, traag, vurig, bebloemd, bloemig, bloemgever, gezond, ongezond, lieflijk, ongetijdig [ongezond], onverdraaglijk.
(zomerloove) dicht, lustig, lommerachtig, verborgen, vers [fris], hazelaren, lieflijk, gebladerd, groen, overdekt, donker, zoet, zomers, wijngaards, lindebomen.
(zonne) stralend, klaar [helder], lichtend, rein, sterrenmeestersse [sterrenmeesteres], vurig, licht, schijnend, stekend, zomer-, zuiver, aller moeder, blinkend, helder, rond, voedend, krachtig, klaarziend [scherpziend], brandend, warm, hittig, heet, levengevend, 's werelds oog, hoog, gestraald [met stralen], scherp, sterrenheersersse [sterrenheerseres], dagsvader, omlopend, bleek, gouden, ondergaand, roodachtig, oudstenaturenkind, wit, allesziend, auteur der hemelen, levend, rodend [rood wordend], lauw, rossend [ros wordend], opperst, allerhoogst, het grote licht, doordringend, oudeveldherdersse [oudeveldherderin], vlammend, verlichtend, gehoornd, Titanisch, verdorrend, drogend, groot oog Gods, verstorven, verslindend, oorsprong des vuurs, werelds, watertrekkend, verstrooid, zwak, machtig, voorjarig [lente-], des hemels lamp.
De zon wordt door de dichters de ziel, de geest, het oog, de schoonheid, het leven en de kracht van de wereld genoemd.
(zondaer) mens, vleselijk, verlaten [verdorven], boos, droevig, ondankbaar, kwalijklevend [slechtlevend], zwak, geschend [geschandvlekt], leugenachtig, gruwelijk, leeddragend, blind, hardnekkig, onzalig, wederspannig, onrein, ellendig, valse-getuige, kwaad, verdoemd, trots, misdadig, omgekocht, gulzig, nijdig [vurig], onwijs, beschaamd, verleid, duivelskind, moorder, overspelig, trouwbreker, lui.
(zondach) heilig, vierend, ijverig, ledig, des Heren sabbat.
(zonde) vuil, dood-, schandelijk, ongerechtig [onrechtvaardig], verdoemelijk, gruwelijk, crimineel, strafwaardig, bedekt [in het verborgene], bleek, verborgen [stiekem], oud, zeldzaam [ongewoon], stinkend, afgrijselijk, zielmoordend, der ellenden vloed, boos, snood, bedreven, vergeeflijk, dartel, doodswaardig, oneerlijk [eerloos], onkuis, vermaledijd, onuitwisselijk, boosdadig, ijselijk, onrechtvaardig, onvoorzien, arglistig, in [tegen] de Heilige Geest, onvergeeflijk. Zie fout.
(zone) welbemind, lief, vaderbeeld, goedertieren, gehoorzaam, verkoren [uitverkoren], schoon [mooi].
(zorghe) bijtend, geklauwd, knagend, ellendig, blind, benaarstigend [inspannend], treurend, suffend, behendig, vlijtig, voorziend, voorzienig [vooruitziend], bezig, denkend, studieus, moordend, bitter, scherp, naarstig, bleek, huishoudend, kwellijk [kwellend], onledig [bezig], treurig, kwelend [lijdend], prikkelend, zorgvuldig [kommervol], kwaad, bekommerig, angstig, benauwd, beangst, kwellig, lastig, wakend, eergierig [eerzuchtig], droevig, curieus [zorgvuldig].
[bezorgdheid] (zorchvuldicheyt) bleek, smartelijk, bijtend, zwaar, twijfelachtig, uiterst, gierig [verlangend], wreed, heftig, prikkelend, knagend, pijnlijk, wakerig [die wakker doet liggen], wakker, droevig, ellendig, gerimpeld, treurig, kwelend [lijdend], kwellig, mager, bezorgd, moordersse [moordenares], scrupuleus, beangst, benauwd, curieus [zorgvuldig], bezwaarlijk, verborgenlijk.
(zot) jong, lichtvaardig, onbeleefd, lichthoofdig, mal, arm, kwellijk [lastig], stout [brutaal], veracht, aardig, geoord [met (grote)
oren], gekaproend [met een kap], marotdragend [een zotskolf dragend], langrokkig, hannetje [sul], koppetje, raasbollig, jantje [sul], overwegen [te ver gaand], grillig.
(zotterny) bot, stout [brutaal], mal, grof, onaardig [lelijk], bootsig [grappig], onkuis, belachelijk [vermakelijk], verachtelijk, schandelijk, mishaaglijk, razend, uitzinnig, overwegen [te ver gaand].
(zout) rein, wit, zuiver, smakelijk, fijn, schuimend, smaakgevend, grof, corrosief [bijtend], vochtig, berg-, zee-, gezoden, gemeen [gewoon], bereid, mijnen-, gruizig.
(zout-vat) rein, schoon [fraai], welgemaakt, laag, hoog, zwaar.
(zuchten) tranend, betraand, veelvoudig, windig, levendig, teer, deerlijk [zielig], zoet, treurend, kwelend [lijdend], diep, hartsbode, verzoet, gebroken, smartelijk, ontspringend, gedachtegetuige, verdrietelijk, zoethijgend, gedurig, gesloten, vurig, ras [snel], bitter, lang, vals, gepassied [gekweld], gesloten, benauwd, liefde, amoureus, kind der maag, ootmoedig, droevig, lichtvaardig, zorgvuldig [kommervol], gebeden, kinder-, moedig [moede].
(zuyden-windt) nat, vochtig, natachtig, herfsts, koud, buiachtig, stormachtig, schuifelend [gierend], middags, regenachtig, ongezond, pestig [pest brengend], dor, droef, ziekachtig, geweldig [vernielend], licht, nevelachtig, schadelijk, periculeus, donker, pestilentiaal [met pest besmet], geruchtmakend, waterachtig [regenbrengend], krachtig, winters, tempeestig [stormachtig], hinderlijk, onverbiddelijk, zwaar, furieus, sterk, zoet, bedriegend.
(zuydtoosten-windt) luidtierend, furieus, wegnemend, buiig, sterk, stijf [stevig].
(zuyverheyt) rein, puur, onnozel [onschuldig], geheel [volkomen], getrouw, ongeveinsd.
[klaverzuring] (surckel) sappig, zuur, amper [zuur], schaaps-, gelist [met lissen of lussen], rond, hof- [tuin-], wild.
(zuster) lief, natuurlijk, eigen, vriendelijk, schoon [mooi], half-.
(zuerheyt) amper [zuur], groen, bomigmakend [(de tanden) stroefmakend], wijnachtig, onlieflijk, straf [sterk], appelachtig, krachtig, bijtend.
(swane) wit, witachtig, waterachtig [in het water levend], schoon [mooi], Neptunisch, verhongerd, zoetzingend, reizersse [reizigster], gulzig, slokkersse [slokop], lustig, delicaat [smakelijk].
(sweert) zie rapier.
[inwoners van Zwaben] (Swaven oft Swaben) krijgslieden, onkuis, woekeraars, handelaars, overspelig, ledig, spinners.
(swackheyt) teer, oud, onsterk, bevend, bleek, kwelend [lijdend], stronkelend [strompelend], krank, ziekelijk. Zie weedom.
(swaluwe) vreemd, kweekster, schreeuwster, lents [lente-], reister [reizigster], der bloemen bode, bevend [trillend], moerasachtig, onkuis, landloopster, voorzegster [voorspelster], lentebode, zwermend, tuimelend, luchtig, zwierend.
[moeilijkheid] (swaricheyt) vreselijk, gruwelijk, twijfelig, groot, vliedend [verdwijnend], haastig [onverwacht], onbedacht [waarop men niet bedacht is], onverwacht, verschrikkelijk, verbazend [groot], zorgvuldig [kommervol], koud, bleek, droevig, verborgen, heftig, schadelijk, schandelijk, ongelukkig.
(sweepe) gedraaid, gesel, gispend [ranselend], geknoopt, smartend [pijnlijk], wrekend, kletsend, versmadelijk, schuifelend [fluitend], krom, straffend, klapperend, dun, geschorst [opgebonden], handelijk [handelbaar], luidend, wagenmans [van een voerman], jagend, voortdrijvend, gewrongen [in elkaar gedraaid].
(sweere) dodelijk, diep, ongeneeslijk, ontstoken, vuil, besmeurd, besmuisterd [bevuild], gevlekt, infect [besmet], vochtig, slijkerig, verrot, zwart, corrosief [ingevreten], puistig, gecorrumpeerd [bedorven], twijfelig, rond, oud, oneffen, nieuw, hol, open, gedekt, ontdekt [open], lelijk, periculeus, eng [griezelig], hard, kankerig, ingegeten, halfrot.
(sweet) klammig, zout, zomer-, bitter, bloedig, stofachtig, -druppel, onrein, koud, bearbeid, afgedroogd, vuil, klammig, arbeids, vochtig, zwaar, pijnlijk, lauw, aflopend, behijgd, vloeiend, druppelend.
(swellinghe) groot, dik, windachtig
[opgeblazen], opgeblazen, verheven, gezwollen, bultig, ongeschikt [buitensporig], zwerend, gebladerd [geblaard], waterzuchtig.
(swijghentheyt) secreet [geheim], vreedzaam, zedig, stil, zwijgend.
(swijghinghe) stom [woordeloos], droomachtig, nachtslaperig, vreedzaam, rustlievend, kommerachtig, geduldig, opgelegd, zwijgend, der Muzen vriend, nachtelijk, bevredigend, achterdenkend [achterdochtig], duister, bossig, stil, veinzig, nijders [van een vijand], droevig, verborgen [heimelijk], Pythagorisch, aandachtig, antwoord der wijze.
(swijn) zie varken.
[spiets voor de zwijnenjacht] (swijnspriet) jagers-, breed, gestaald, sterk, stijf [stevig], dragelijk [draagbaar], daverend [trillend], beslagen, machtig, zwijndodend.
(Switsers) krijgslieden, vuil, ruw, vrij, dronkaards, getrouw, grof, bot, sterk, Fransenvriend, kantons, ongenadig, muitineerders, geschakeerd [met bonte kleding], onvermoeilijk [onvermoeibaar], vroom [dapper], strijdbaar.
Vanwege de ondraaglijke lasten die destijds hun heren en landsbestuurders hun oplegden, kwamen ze in het jaar 1306 in opstand. Nu is het land verdeeld in verschillende steden die men kantons noemt. Ze zijn samen verbonden en verenigd, ze hebben koning noch hertog noch prins, en zijn tevreden met hun verbond, dat hen samenbindt en hun overheid is. Want hoewel zij verdragen sluiten met buitenlandse vorsten, gebeurt dat alleen met algemene goedkeuring, opdat niemand van hen zich aanmatigt heerschappij over zijn buren te hebben.