begin  verderprepost
[p. 7]

Toen taiwantjes wegslipperden

Oogverblindend blauw was de hemel, de zon deed zijn uiterste best. Geen geschreeuw, geen geschater. Transistors kraakten niet, die morgen. Honden en kippen zwegen als de wind, lagen laveloos in de schaduw van ondro-oso tussen waardeloos plastic, brokobatra, verroeste blikken, oude fietsbanden en andere rommel.

Geen spelende kinderen, geen stoeiende hagedissen, niemand op straat. Geiten en koeien zochten verkoeling in het gras tegenover de huizenrij bij de trens die al weken droogstond en nu een vuilnisbelt werd. Heet en mul was het zand waar de ongeverfde houten huizen op lage betonblokken staan.

 

Ergens ging geruisloos een voordeur open. Smalle voeten groetten de afgedragen plastieken taiwantjes die op de stoep stonden voor het huis. De deur werd niet helemaal dichtgetrokken. Door een roestig haakje werd hij op bescheiden afstand gehouden. De taiwantjes - witte voetzool, blauw v-tje op de wreef - slipperden haastig weg.

Ze zou snel even alleen gaan. Met dit hete stoffige weer wilde ze geen kans nemen. Voor je 't weet, ontstoken ogen en een verstopt neusje. Ze moest alleen de uitslag halen. Om twee uur, hadden ze haar gezegd. Ze zou zuster melden dat ze toeneloentje van d'r alleen gelaten had, dan zouden ze haar zeker direct helpen. Shuntji van naast zou een oogje gooien, dat had ze beloofd. ‘Liever breng je d'r hier, toch zus’, had Shuntji voorgesteld. Maar met die wildebrassen van Shuntji vond ze het beter dat toeneloentje rustig voor d'r thuisbleef. Ze sliep juist zo lekker.

 

De hitte trok dwars door de plastieken zolen, dwars door alles heen. De verschoten doek op haar hoofd bood geen bescherming. De stof van haar jurk - ooit had hij met zijn scherpe oranje kleur de zon uitgelachen - voelde heet op haar huid. Als die truck vandaag maar komt, mijmerde ze. De hele buurt zit zonder. Baden is deze dagen niet meer dan even

[p. 8]

afvegen met een natte lap. Bijna telde je de druppels voordat je ze gebruikte, zo erg was het. Het is echt te hopen dat die truck komt vandaag. Op de terugweg zou ze wel even bij Chanders Store moeten stoppen. D'r huis was al een paar dagen kalefeest. Gisteren had ze Shuntji om een beetje zout moeten vragen. Zelfs dat was er niet. Nee hoor, haast of geen haast, Chanders Store was gewoonweg een moeten. Daarna ging ze onmiddellijk door naar huis.

 

Een gordijn dat vlak onder het dak met de punten aan weerszijden op twee kromme spijkers is vastgezet, deelt haar huis in twee ruimten.

In de smalste, de kant zonder venster, hangt Jezus op zijn kruis. Ook op spijkers. Dáárnaast een huisjurk en een baddoek. Op de vloer ligt haar slaapmat opgerold met daarin een hoofdkussen en een mamyo. Er staat een rieten mand met een half dozijn luiers, een paar katoenen babyhemdjes, een nette jurk, slaap- en ondergoed. Bovenop het schone goed ligt een bijbeltje dichtgeritst in een zwartlederen hoesje, waarop goudkleurige sierletters nog maar net leesbaar zijn. Tussen de luiers ligt in rood vloeipapier gewikkeld een gouden speldje met glanzend zwart kraaltje, het sieraadje dat het boze moet weren.

Aan de andere kant staan tegen de wand geschoven, een wankele keukentafel en twee plastieken tuinstoelen. In de hoek een koolpot op stenen. Daarnaast, op de kale houten vloer waardoor ondro-oso tussen de kieren naar binnen komt gluren, twee potten en twee zinken emmers, één voor drinkwater, één voor houtskool. Op de tafel een stapeltje plastieken borden en een lege jampot met aluminium bestek. Boven de tafel hangen witte emaillen kroezen met donkerblauwe randjes en pollepels. Dáárboven een kalender met foto's van mooi geklede dames in fraaie tuinen bij vijvers met fonteinen. In het raamkozijn liggen hompjes kaars, luciferdoosjes en munten. Een potloodstompje, een verkreukt lot van de Staatsloterij, luierspelden, oorbellen en braceletten waarvan het goud reeds afbladdert.

Met het ene uiteinde vastgebonden om een spoor van de houten shutter en het andere om een uitstekende spijker achter de deur, bungelt een hangmat vlak boven de vloer. Daarin - tussen twee kussens verzonken - ligt een slapend bundeltje gewikkeld in vaalroze flanellen. Boven de

[p. 9]

deurpost aan dezelfde haak, hangen bolletjes knoflook en een half lemmetje het kwaad buiten te houden.

 

Ze woonde tot helemaal achterin, de laatste steek van de Eerste Polderweg die lang was en zo breed dat er wel twee auto's tegelijk konden passeren. Er passeerden zelden auto's. In september wanneer de zon op z'n heetst was en de aarde droog als kurk, was hij langer. Zo leek het tenminste, nu het zand tussen haar tenen schuurde en er geen beetje vocht meer was in haar mond. Nog even en ze zou op de verharde weg zijn. Misschien zou ze een drop vinden, ze kon geluk hebben.

Ze vond niet. Haar slippers smolten bijna op het asfalt. Het verkeer raasde voorbij. In haar hoofd lag nu elke gedachte stil. Sneller en sneller gingen haar voeten. Heter en heter voelde haar gezicht waarlangs het zweet in haar hals droop. Zonder halt te houden stak ze haar hand zo nu en dan op, maar iedereen had haast. Vanaf de asfaltweg kon ze de rijstpolder zien liggen die water mankeerde, droog lag onder de blakende zon.

 

Het was druk in de wachtkamer. Even zag ze niets, was het donker voor haar ogen alsof het daglicht besloten had buiten op haar te blijven wachten. Ze liep meteen door naar het loket en liet haar kaartje zien.

‘I kan go s'don.’

‘Ma' zuster, is alleen uitslag kom ik halen zuster... baby is alleen thuis toch zuster, ik kom helemaal van...’

‘M' o kar' i so direct, go s'don.’

‘Ja zuster.’ Het licht was toch naar binnen geglipt. Zuchtend zocht ze een plaatsje tussen de wachtenden. Nummers werden afgeroepen. Ze had geen nummer, ze kwam niet voor onderzoek. Ze moest alleen het resultaat afhalen. Ze zuchtte. De wachtkamer rook naar ziek. Ze voelde zich misselijk worden. Lichtflitsen speelden dyompofutu voor haar ogen, honger plaagde haar maag. Liever was ze eerst even bij Chanders Store gestopt. Ze had niet gedacht dat ze haar zouden ophouden. Alléén maar de uitslag en tóch...

Er werden weer nummers afgeroepen. Ze liep naar de zuster, een andere dan degene aan wie ze haar kaartje had laten zien.

[p. 10]

‘Zuster...’

‘San na yu nummer?’

‘Nee zuster, ik...’

‘Da' go tek' wan nummer. I mus' tek' wan nummer fosi.’

‘Ma' zuster...’

‘Wie heeft 32? Nummer 32! Suma abi 32? Niemand met 32? 33, 34, 35. San na yu nummer meneer! Mek' mi si yu nummer. 48? No man, ach... a no yu beurt ete, ach man. Go s'don m' o kar' i so direct. 36, 37... 38 mag ook naar binnen.’

‘Zuster, ik verzoek zuster... luister even toch zuster...’

‘Jaja, je bent zo direct aan de beurt, ga zitten.’ De verpleegster verdween sneller dan ze gekomen was. Er stond haar niets anders te doen dan te wachten totdat ze weer naar buiten zou komen. Ai mijn God, als ze dit geweten had... Liever had ze toenie van d'r toch maar meegenomen. Ze voelde haar ogen branden, haar keel dichtknijpen. Ze stond op. Ze moest drinken, plassen, nodig naar de wc. Nee, ze ging toch maar niet. Stel je voor dat zuster haar juist kwam roepen. Ze ging weer zitten. Achter haar huilde een baby. Ze verstijfde. O God, had ze haar toch maar naar Shuntji gebracht. Wie weet hoe lang ze hier nog zou moeten wachten. Stel je voor dat... Nee, Shuntji hield een oogje. Misschien was ze haar toch maar gaan halen. Zo'n tijd was Shuntji haar natúúrlijk allang gaan halen.

 

De zinkplaten dakbedekking knapte toen de regen aarzelend zijn eerste druppels losliet. Tjrrrp tjrrrp tjrrrp. Als waterspetters op hete olie. Toen werd het zwaarder, luidruchtig geroffel. Regen speelde poku, danste patyanga op het dak.

‘Heb je al een nummer gehaald?’ Voor een moment staarde ze de zuster verdwaasd aan, drong het niet door wat haar werd gevraagd. ‘Je nummer!’

‘Ik kom voor uitslag zuster. Alleen uitslag’, klonk het toonloos.

‘Oh, voor resultáát kom je! Niet hier toch meisje. Is niet hier moet je zijn. Kijk, ga bij zuster daar, dan vraag je.’ Ze sprong op, liep haastig naar het loket waar ze haar kaartje eerder had laten zien. Er zat nu een ander.

‘Ik kom voor uitslag zuster, ik verzoek zuster mijn uitslag...’

[p. 11]

‘Pe yu karta de?’ Ze overhandigde haar kaartje. Kreeg het terug met een opgevouwen tweedruk die was dichtgeniet. ‘Breng voor je huisarts.’

 

Een enorm watergordijn werd vanuit de hemel neergelaten. Mensen verdrongen zich bij de uitgang. Ze wrong zich tussen hen door. ‘Hmmm meisje, je kan niet wachten nò, je hebt geen manieren nò? Man! Waar denk je dat je zo gaat gaan nanga hebi alen disi.’ Ze keek niet op, gaf geen antwoord. Duwde verder totdat ze buitenstond. In een oogwenk was ze doorweekt. Ze rilde. Vlug deed ze haar slippers uit en rende toen op blote voeten door het water. De regen maakte veel kabaal. Het water in de straten had haast, maar scheen verdwaald te zijn. Chauffeurs raakten in paniek, namen voor één keer gas terug, knipten koplampen aan, zorgden voor een oorverdovende klaagzang van claxons.

Ze keek niet uit naar een drop, stak niet eens haar hand op maar bleef lopen en rennen tegelijk. Ze dacht dat ze in de verte een baby hoorde huilen. Onmiddellijk verspilden haar borsten hun zog. Ze hield ze vast terwijl ze doorrende. Voorzichtiger nu omdat ze al niet meer zien kon waar het trottoir ophield en de weg begon. Ze dácht er niet aan om even uit te blazen bij Chanders Store. Chanders Store was heus niet zo'n moeten. Ze zou wel zien.

Vanaf de asfaltweg kon ze de rijstpolder zien liggen die nu lag te verdrinken in de stromende regen. Met de onderkant van haar jurk in de ene hand en haar slippers in de andere, daalde ze voorzichtig af naar beneden.

 

De sporen van taiwantjes waren nog niet uitgewist toen regendruppels kuiltjes maakten in het zand en wolken onvriendelijk werden, veranderden in reusachtige monsters die de zon verdrongen. Geen stukje blauw bleef onbedekt. Met oorverdovend kabaal was de hemel opengescheurd.

Nog geen uur was ze van huis toen het water zich begon te verzamelen op de erven, de betonblokken waste, later het stoepje opklom en zichzelf brutaalweg binnenliet. Eerst waren het alleen de erven en weggetjes die onderliepen. Later zelfs Eerste Polderweg.

Ze huilde toen ze de laatste steek insloeg, tuurde in de verte. Met haar ogen strak op haar huis gericht, passeerde ze de huizen. Ook het huis van

[p. 12]

Shuntji. Ze hoorde haar niet roepen, zag niet dat ze verwoed met één hand stond te zwaaien en in de andere arm het roze flanellen bundeltje hield. Ze keek niet, ze zag niets. Blindelings rende ze het huis van Shuntji voorbij naar het volgende, het hare. Ze liet haar slippers vallen die stil ronddobberden als verloren speelgoedbootjes. Haastig trok ze haar jurk van voren los om haar borsten alvast vrij te laten. Tastend zocht ze de stoeptreden. Met de achterkant van haar hand sloeg ze het haakje terug en duwde de deur open.

Een hartverscheurende schreeuw nam alle lucht weg uit haar longen, overstemde het onafgebroken rammelen op het zinkplaten dak. Gillend, met de handen krampachtig voor zich uitgestrekt, strompelde ze verder naar binnen. Haar voeten voelden als blubber toen ze neerzeeg bij de hangmat die zwaar hing in het vuile water.

prepost  begin  verder