Ronny heeft me nooit geschijnd. Ik zweer voor je dat hij me nooit geschijnd heeft. Ik wil niet beweren dat hij niet naar me keek. Elke dag meisje! Elke dag als ik instapte, ging zitten en hij mijn kaartje kwam scheuren.
Hij kéék naar me... ik zeg 't je. En ik keek ook naar hem. Niet openlijk natuurlijk. Vanzelf niet. Ik ben geen motyo en dat zag Ronny direct, dat ik manieren had, dat ik een goed meisje was.
Op een keer nadat hij alle buskaartjes had gescheurd - het was de laatste schooldag voor de grote vakantie - ging hij naast me zitten. ‘Ben je geslaagd?’ vroeg hij. Ik vroeg hem niet eens hoe hij het wist dat ik examen had gemaakt. Mijn hoofd was heet heet heet en mijn hart ging boedoemboedoem in mijn keel en in mijn buik. Tot in mijn voeten, meisje. Ik kon bijna niet praten. Alleen maar ‘iya’. Dat alleen zei ik. ‘Ik kan je een beetje na' Colakreek brengen of na' Republiek. Wat je wilt’, zei hij. ‘Ik weet niet’, antwoordde ik verlegen. Ondertussen liet mijn hart me gewoonweg niet met rust: boedoemboedoem. De hele tijd.
We zijn gegaan. Colakreek. De hele zondag. Ik heb genoten zeg ik je. Nog nooit was ik daar gegaan. Ik ging nooit ergens. Van huis naar school, van school naar huis, dus kun je je voorstellen hoe ik genoten heb.
We gingen met brom, baya. Hij had een blauwe herenbrom. Het zat vermoeiend op de heenweg. Ik wilde niet petten. Stel je voor. Ik ben toch geen eerste de beste? Terugweg was wat anders. Dan kénde ik hem al.
Eigenlijk had ik nog door naar school willen gaan. Naar mulo-4. Maar ja. Anderen hebben niet eens een ulo. Dus toen ik die buik kreeg spande ik niet. Niet echt. Ik wist positief dat ik op Ronny kon rekenen. En ik mag niet voor hem jokken. Hij draalde geen ogenblik. Hij is direct direct bij mijn moeder gekomen en mama heeft ook onmiddellijk toegestemd.
Ik hield van de plaats waar Ronny voor me gebouwd had. Een schoon erf met een paar vruchtbomen. Voorop sinaasappel en lemmetje, bacove en pomme de cythère. In een hoek een kleine kalebas. Echt sierlijk. Mama zei dat het een goed ding was, kalebas op je erf. Dat ik die kalebas nooit moest kappen. Ik heb hem ook nooit gekapt. Zomaar zo is hij doodgegaan. Als een soort van voorteken. Ik zeg 't je. Achterop een grote knepa. Precies waar ik van hou. De zijkanten waren voor groenten en madam jeanette. Die had ik altijd want Ronny eet niet zonder. Een hele zeg ik je. Wat dat betreft zie je zo van wie hij getrokken heeft. Ik meisje, ik huil al als ik het in stukjes moet snijden. Laat staan... Ze zeggen dat mensen die heet eten vrijpostig en luidruchtig zijn. Nonsens! Zó kun je zien hoeveel nonsens in de wereld is. Ronny van me eet dagelijks een hele. Soms twee zelfs. Dat is als ik 's middags geen brood heb gevonden. Dan eet hij 's avonds overblijfsel. Dus een- tot tweemaal daags een hele. Maar rustig dat hij is... ik zeg het je. Ronny van me is rustig tot en met. Hij praat bijna niet. En vrijpostigheid is ver van 'm. Met mij bijvoorbeeld heeft hij nooit één vrijpostigheid gemaakt. Niet dat een vent met mij vrijpostigheid zou kunnen maken hoor. Dat nooit. Maar enfin... laat dat. Ik wil niet in die finesse gaan. Alleen om je te wijzen dat Ronny een rustig mens is, schoons die madam jeanette.
Het huis was een lageneuten, maar hoog genoeg voor Bruno en Bruintje om schaduw te zoeken onder het huis, en hoog genoeg om water buiten te houden. Dus ik had geen klagen, baya. Weer of geen weer, mijn huis was altijd droog en dat kon ik Elfride van naast echt niet horen zeggen. Zie je grote regentijd zo... zwembad zeg ik je. Dan moest ze ppaya weghalen en hangmat binden om droog te slapen. Zo erg was 't. Nee baya, die hoofdpijn was nooit fo mij. Ronny van me had met verstand gebouwd! Het huis was wel niet groot, maar we woonden. Eén slaapkamer. Net voor ons drietjes. Anderen zouden wensen...
Aan de overkant van de straat - het is een smalle zandweg, een echte inisei pasi - was een goot. Bijna even breed als de straat. Niet dat die straat zo breed was. Die straten van boiti zijn niet als die van de stad. Niets van boiti is als van de stad. Het is prettig op buiten. Echt prettig zeg ik je. En alles is zo schoon. Neem die goot bijvoorbeeld. Welke goot in de
stad ga je vinden die schoon is. Die nog erbij met lelie is. Mooie roze. Of witte. Als engeltjes op Gods vruchtenschaal, zó is pankukuwiwiri in bloei. Aan de overkant van ons huis bloeiden witte. Ik hield van ze.
Zomaar zo kon ik zitten op de stoep voor het huis met een tros knepa. Zulke! En zoet! Zoet zoet zoet zeg ik je. Dan at ik mijn mond tot pottenschuur. En als ik niet meer kon, leunde ik een beetje achterover tegen de deurpost aan en telde met mijn ogen die witte lelies in de goot aan de overkant, tot ik de tel kwijt was. Dan telde ik overnieuw totdat ik niet meer telde. Dan sliep ik. Gewoon dáár. Net daar op die stoep meisje. Op die harde harde steen. Deurpost als kussen, stonstupu als matras. Vooral als de wind een beetje met mijn gezicht speelde. Meisje, als ik je zeg hoe ik sliep... zo diep dat ik droomde zelfs.
Engeltje van me was toen nog niet geboren. Hoogzwanger was ik van haar. Dan droomde ik met een klein meisje. Hoe ze in een wit kanten jurkje met cancan en pofmouwtjes dyompofutu speelde op pankukuwiwiri. En ik zeg je, het is net dáár dat engeltje van me geboren is.
Die middag droomde ik schoon hoe een klein meisje op haar tenen stond op de rand van lelieblad. Helemaal voorover boog ze zich en stak een handje naar me uit. Ik wilde het grijpen. Ik miste en viel in het water. Drijfnat was ik toen ik wakker werd.
Ronny was Ma Mea al gaan roepen. Ik huilde dat ik in de goot gevallen was. Ma Mea zei dat ik rustig moest blijven. Dat het alleen maar vruchtwater was. Ik kon gewoon niet meer praten. Pijn meisje! Eén wreedaardige pijn! Alsof ik doodging. Ze was negen pond. Negen pond zeg ik je. Zo een bogger van een baby.
Het is niet dat ze niet wist te praten, engeltje van me. Dat was het niet. Ze had gewoon van haar vader getrokken. Hij is ook geen praatpersoon. Echt een rustig kind was ze. Sprekend haar vader. Ik had nooit last van d'r. Nooit.
Ze hield van de regen. Mijn God wat hield dat kind van regen. Wat ik ook niet zei, als regen viel was engeltje buiten. Soms met kleren en al. Op het laatst liet ik haar maar. Dan rende ze op die poppenbeentjes van d'r, patyapatya in dat vieze water. Maar ja... dát was d'r plezier.
Die morgen regende het niet. De zon scheen zelfs een weinig, maar er lag nog wel water op het erf. Niet veel hoor. Nog niet eens tot mijn enkels.
Ik hing kleren achterop. Hoeveel kan het geweest zijn? We waren maar met ons drietjes. Nog geen halve bekken. Misschien niet eens een kwart... Ik weet niet hoe lang ik achterop was, ik weet niet. Ik had geen pols, nooit eentje gehad. Maar lang kan 't echt niet geweest zijn. Nog geen halve bekken kleren. Ai meisje, ai...
Ik was net klaar met hangen toen ik Elfride hoorde schreeuwen. Als ik je zeg dat ze schreeuwde... mijn God meisje, kijk naar mijn vel. Het was geen schreeuw om eerst bekken op te ruimen. Nee meisje. Bekken bleef net daar in die tokotoko en ik rende zonder slipper met die twee voeten die God me gegeven heeft. Ai mijn God. Ai. Zo'n klein beetje water. Nog niet eens tot mijn enkels. Ai mi Gado, zelfs die kalebas wilde sindsdien niet meer leven. Van top tot wortel is hij weggerot.
Daarna droomde ik alleen maar van witte lelies. Mijn engeltje op haar tenen op een groot rond waterblad. Helemaal voorovergebogen, tot over de rand. Haar handje naar me uitgestoken. Ai mijn God, mi Gado, mi Tata. Kijk hoe ik nat ben. Kijk zoveel tranen. Ai!
Ronny was al geen praatpersoon. Het werd erger. Geen woord meisje. Geen woord. Maar we leefden. Je gelooft zelf niet dat je nog leeft, maar toch leef je. Zonder praten, zonder aanraken. Zo ging het. Meer dan twee jaar meisje, meer dan twee jaar. Totdat God zelf zag dat het genoeg was. Ik kon niet meer. Met lege handen. Met mijn lege lege handen zonder één stukje extra goed. Niets anders dan die jurk die ik aanhad en een oude schoen. Dat was alles. Zo ben ik naar mijn moeder teruggegaan. Ik kon niet meer.
Een keer is Ronny bij me gekomen. Hij kwam niet binnen. Hij bleef op straat. Zittend op die brom van 'm. ‘La' me je een beetje uitbrengen zondag’, zei hij. Ik keek naar hem. Ik keek openlijk naar hem. Hij keek niet naar mij. In de verte keek hij. ‘La' me je een beetje uitbrengen. Colakreek, Republiek... waar je maar wil.’ Ai meisje. Als je mijn ogen kon voelen, ik kon gewoonweg niets meer zien... Toen is Ronny afgestapt. Dan heeft hij me gehouden. Dan heeft hij me gehouden meisje. Aaai...