terug  begin  verderprepost
[p. 83]

Rouwbeklag

Van krutu-oso ben ik gekomen. Laatste oordeel na zoveel slepende jaren. Zijne Hoogheid in zijn heiligdom. Neerkijkend op mij vanuit zijn hemel. Gezeten op zijn heilige troon alsof hijzelf God was: ‘Wat voor moeder bent u, èh... wát voor moeder. Vrouwen als u moeten geen kinderen krijgen, kinderen zijn niet voor vrouwen als u.’

Ai mijn kind, het lot doet met mensen. Maar mensen zélf... zíj doen méér. Ik ben naar het water gekomen om tot je te praten. Switsopi heb ik voor je meegebracht. Misschien dat de rivier het voor je wil meenemen wanneer hij zo dadelijk afzakt naar yandawe. Misschien dat je me dan kunt vergeven. Ik vergeef jou ook, mijn kind...

 

Je was mooi nadat de blauwrode vlekken van je lichaam waren weggetrokken. Je huid niet grauwzwart of bleekzwart maar negerzwart als je vader. Hij was een trotse man, onbuigbaar en sterk gelijk de koningspalm die kaarsrecht overeind blijft staan in weer en wind, zijn wortels onwrikbaar in de grond geschoten. En toch werd hij neergeveld. Genageld aan een kruis van hout dat hij zelf gekapt had. Te schande gezet, gefolterd op de plaats waar een vorstin thans versteend over het water staart, waar kanonnen nu zwijgen. Zijn gekerm nog steeds hoorbaar in de lange donkere nachten van mofoyari. Voor wie wil horen, want het is alweer vergetelijk lang geleden. Meer dan twintig-, tweehonderd-, tweedúízend jaren al.

Naakt hing je vader daar, gekruisigd om hetgeen hij had verkondigd. Omdat hij gevaar voor de florerende natie was en bovendien tégen. Weer hing hij dapper zijn leed te dragen en dat van de anderen ook, totdat hij van de pijn bezweek. In drommen waren de mensen toegestroomd om schaamteloos naar hem te komen kijken. Dus richtte hij tot hen zijn laatste woord. ‘Neem en eet!’, precies deze woorden. Met zijn laatste kracht rukte hij zich toen het hart uit en wierp het de mensen toe. Lang bleef zijn karkas daar hangen zodat iedereen zou zien en schrikken, voor

[p. 84]

altijd weten wie baas is. Later hebben ze je vader toch maar weggehaald vanwege de stank en krioelende vliegen, en zodat het zou lijken of de plaats van vuil was verschoond. Mensen kwamen me vertellen dat het overschot in de rivier is geworpen, daar zijn kermen ondragelijk bleef doorklinken in de stad, dwars door het oerwoud, langs de met bloed doordrenkte plantagegronden en weerom, naar het hart van de stad. Dus ben ik gaan zoeken, je vader gaan roepen toen ik bovenwaarts was en wind me aan de hand had genomen. Ze hielden me tegen, omhelsden me, je vaders familie. Gaven me uit krabasi te drinken en wasten mijn hoofd, mijn gezicht.

Ik kom niet graag naar de Waterkant omdat ik hier nog steeds de stille stem van je vader kan horen zuchten in de wind, ‘ai mi wenke-o, mi bun misi-o... dan wat zo heb jíj gedaan, wát!’ Ze hebben me gezegd dat ik je vader van die stenen plaats daar moet wegroepen, zodat zijn geest rustig kan zijn en ikzelf kan vergeten. Alsof ik vergeten wil, mijn kind. Hoe zou ik jou - doornenkroon die mijn hoofd en mijn hart doorboorde - ooit kunnen vergeten dan? Niet omdat wind zwijgt vandaag, is wind vergeten. En de rivier die aldoor maar oevers wast houdt nooit op te fluisteren ‘wat heb jíj gedaan, wat heb jíj gedaan, wat heb jíj gedaan...’ Neem dan, mijn kind. Deze switi sopi heb ik voor jou gebracht.

 

Stilte bleef zwaar om het huis hangen. Was niet te verdrijven door kermen van barensnood. Bedwelmende geur van muskietenkaars. Benauwende duisternis achter dichte ramen, toegeschoven gordijnen. Wind die zijn dodelijke adem over je uitblies, maar je was gekomen om te leven. Dus verwijderden ze de streng die zich om je hals had vastgesnoerd. Ik riep je naam zodat je me zou horen, bij me zou blijven. Je blééf. De hele buurt liep uit alsof er een koningszoon was geboren. Ze brachten verse cacaoblokjes mee die ik sterk moest drinken omdat dit goed voor bobimerki zou zijn. En ook bladeren voor onder je hoofd om je goed en rustig te laten slapen... en nog méér bladeren: batotobita om als thee te drinken, vermengd met pedreku. Yarakopi en aneisiwiwiri waarmee ik me reinigen moest: stomend heet zitbad. Kruiddamp die opsteeg uit de emaillen pot. Mijn schroeiende binnenhuid pijnlijk als een open wond. Dan hoe dan kon ik niet schoon worden, bleef het bloed

[p. 85]

onafwasbaar kleven aan mijn huid... Niet eens in een kribbe, maar op de harde vloer ben je geboren. Ze zeiden dat op de vloer beter was, dat het záák was de grond onder mijn voeten te voelen, daar ik anders niet meer zou weten of ik er nog wel was in die dagen waarin zoveel, té veel werd weggenomen: je trots en moraal, je kra...

 

Ze zeggen dat ik je links liet liggen. Dat je als een hond behandeld werd, dus ben ik naar hier gekomen om met je te praten, je te vertellen mijn jongen, ik zorgde goed voor Bruno, waste zijn soro. Haalde sika voor hem weg, gaf hem dagelijks te eten. Als ik van mijn werk thuiskwam stond hij uitgelaten op me te wachten. Keek me recht aan, blafte begroetend, sprong speels om me heen terwijl jij vanuit je schuilhoek - voor altijd zwijgend - die andere wereld in zat te staren.

Niemand die me wist te vertellen hoe ik je kon bereiken, hoe ik met je moest leven. Geneesheren, geestelijken, zielendokters, lukuman, obyaman, bonuman, geen drempel die me te hoog was. Geen afstand was me ooit te ver...

 

Je wilde maar niet in de wereld komen. Voorzag je? Hadden de schoten je afgeschrikt? Vrouw Hille zei dat het erf misschien iets had dat niet wilde rusten. Ze heeft me toen met regenwater gebaad, me gewassen met wiwiri fu lusu a bere... mangrasi verzocht, aarde aanbeden en haar eerbiedig besprenkeld met het water dat de hemel gegeven had. Daarna ben je geboren mijn kind en we hebben dankbaar de grond gevoed en opnieuw water gesprenkeld uit kalebas. Engelachtig was je en zo in stille tederheid dat mijn hart huilde, er pijn van deed. Ze zeggen dat zo het teken van liefde is.

 

Kinderogen moeten stralen als de sterren die zijn aangestoken om voor mensen te schijnen. Maar de lichtjes in jouw ogen leken voortdurend gedoofd. Onbeweeglijk lag je tussen het schone goed, sliep niet, scheen dag en nacht slapend wakker. Alsof jijzelf je engelbewaarder was. Ik bleef naar je zoeken mijn jongen, maar kon je niet vinden. En die stilte in jou vond zich ook een weg in mij.

Vrouw Hille kwam weer, om naar je te kijken. Deze keer zei ze dat het

[p. 86]

jouw eigen mandi was, maar ze wist niet waarom en ze wist niet hoe en waarmee we je goed konden stemmen. Ik dacht dit ligt misschien wel aan mij... door míjn schuld, door míjn schuld, door mijn grote schuld, en wierp mezelf smekend aan de voeten van moederbeeld maar ook zij gaf geen antwoord. Lachte haar geluidloze stenen lach. Verder en verder dwaalde je weg. Toch bleef je in de buurt van mijn hart, dus zocht ik verder, beklom hoge stoepen, zakte mezelf met gebogen hoofd en allemaal zeiden ze ‘geduld mevrouw, het komt wel goed hoor, gaat u maar rustig weer naar huis.’ Levenloos stil zat je te staren vanachter een bank, vanonder een bed of tafel. Zonder te zien keek je langs alles en iedereen het onbekende in.

Een lekkers voor dokter... Een doos zijden zakdoeken voor dominee... Een baskiet bij tinpasi waarin redi switsopi, bruin bier en jenever, amandelorgeade en nog meer kostbaarheden tussen rood en wit katoen... Kruisjes geslagen. Wierook en witte kaarsen gebrand, zeven. Eén voor iedere dag die ik hoopvol aanbad maar er veranderde niets. De zon die als altijd bemoedigend opkwam, maar avond aan avond onherroepelijk onderging.

Je vader ging bovenwaarts, naar zijn mensen maar ook zij konden niet helpen. Zeiden dat het misschien een kunu was die als je niet uitkeek de hele familie zou ruïneren. Liever hadden ze hun mond geslagen, hun woorden teruggenomen. Je vader werd nog eens en nóg eens en opnieuw verraden. Door groene mannen opgehaald. Een ander soort groen dan dat van de bomen. Die hadden je vader toen zien komen, zien schuilen achter de biribiri, overleven op insecten en vruchten van de palm. Nu zagen ze hem gaan, hadden kruinschuddend toegekeken, die machtige, imposante bomen. Ze hadden gezwegen omdat het erop leek dat wind zou gaan spreken. Wind zei niets, zuchtte wat. En ook de muren rond die plaats daar bleven onvergeeflijk stil, barstten niet uit de voegen toen ze zagen wat stond te gebeuren. Uil kraste hartverscheurende sokopsalmen en in de straten hielden honden rouwbeklag...

 

Je zusters werden bang voor alles wat groen was. Voor het bosschage achter ons huis, voor de grauwgroene schimmen die vanaf de vroege avond dode straten controleerden. Bang voor jou wanneer je brulde als

[p. 87]

een woedend beest, jezelf in de armen beet, je haar uittrok zodat buren begonnen te fluisteren over straf en schuld, over famirimansani... Over de onbegrijpelijke liefde van God die weet wat Hij doet, die weet hoeveel een mens kan dragen.

Maar in die dagen scheen Gods weegschaal juist omgeslagen. Haast iedereen vluchtte weg, bloed bleef achter. Droogde onuitwisbaar op. Je zusters werden nóg banger, ook Bruno. Hij kwam niet in je buurt wanneer je zo begon te grommen en bijten, zelfs niet als je alleen maar kwijlde. Baby die je was voor altijd, je lichaam dat jou ontgroeide. Haast niet meer leek op dat van een kind. Vrouw Hille kon het niet langer verdragen, kon niet meer op je passen, dus sloot ik je op in huis wanneer ik ging werken, hopend op zegen van boven. Slechts donder brak uit de hemel los. Huiswaar door jou kapotgesmeten en stukgeslagen. Geen kom, geen schotel bleef heel. Ik masseerde je geteisterde lijf met hoepelolie. Kamde de korsten uit je haren wanneer je sliep, zong wiegeliedjes met droge mond, bad zonder woorden maar God wou niet horen. En die andere goden zeiden ‘komt u over een maand weer terug.’

 

Er was kermis op Bronsplein, ik ging met je zusters. Ik dacht, laat ik ze uitbrengen, laat er in hun leven ook een dag vrolijkheid zijn. Ik kleedde ze aan, alle vier parweri. Ik vond dat zusters als één moesten zijn. We gingen te voet, dwars door de stad, trotseerden de hete namiddagzon. Ladesmastraat, Timmermanstraat... De galmende klokken van de Sint Rosakerk... Zweet dat plotseling koud werd op mijn rug, kou in mijn handen. ‘Luiden die klokken dan voor altijd om mij?’

Met loden schoenen stond ik mijn angst de grond in te trappen. Liet mijn meisjes rijden op carrousel, in een cadeauton graaien, aan touwtjes trekken en torens omverwerpen. Ik kocht ze schaafijs en popcorn en suikerzoete wolken. Die in de lucht waren zwaar en grijs, lieten de hemel geen stukje blauw, joegen ons veel te vroeg weer naar huis. Gemenelandsweg, Zwartenhovenbrugstraat... Voortjagende klokken van de Sint Rosakerk...

 

De manyaboom wierp zijn schaduw over het erf en over het huis. Wind waaide zijn zwoele bries zodat je kalm in slaap viel op het achterbalkon

[p. 88]

waar ik je had vastgezet. Alleen dáár was er niets dat je kon breken, niets waar jij je aan kon bezeren. Ik had je gevoed voordat we gingen en dacht dat we konden gaan met rustig hart voor een uurtje of twee, drie, niet langer.

Waren het de klokken die je zo ruw wakker maakten dat je als een beest werd opgeschrikt? Of was het door de opdoemende duisternis op de nog klaarlichte dag, de hemel die zijn gewicht ondraaglijk vond worden. Zijn lading losliet, oorverdovend liet neerstorten. Schrikbarend kabaal op het zinken dak...

Je zusters en ik schuilden niet voor de regen. De kerkklokken hadden weer geluid, bléven luiden in mijn borst, in mijn hoofd. ‘Om mij, om míj... ze luiden om mij!’

 

Ons erf was als kermis op Bronsplein, zó waren de mensen in drommen toegestroomd om schaamteloos naar je te komen kijken. ‘Néém dan... éét nò’, had ik ze toe willen schreeuwen. Maar God, dit was het lichaam van míjn zoon... Opengekrabd en opengereten. Bloedrode striemen op je schouders, je armen, je rug. Het koord waaraan jij vastzat... verstrengeld... je nek... En allemaal sloegen ze de handen voor het gezicht, sloten oogluikend de ogen en zwegen... Ze zwégen! Ook wind zei niets en zuchtte wat. Je zusters wendden het hoofd af, wasten hun hoofd, hun handen met het water dat God zelf had gegeven. Leefden toen verder, gingen door met hun leven van alledag...

 

Alleen de hond... alleen híj hield rouwbeklag.

prepostterug  begin  verder