terug  begin  verderprepost
[p. 89]

In naam van God en obya

Het was de rouwdag van Jezus Christus. Als in een stoet liepen de mensen langs ziekenhuis Zorg en Hoop, waar ik in de auto zat te wachten. Ik had ze zien gaan - vooral vrouwen - in witte en zwarte kleren. Ze waren op weg naar de avondmis.

‘Het is toch beter dat je niet meegaat’, had Rudy besloten, ‘misschien moet je Tilly voorlopig laten totdat alles voorbij is.’ Hij was uitgestapt, ik was alleen achtergebleven. Had eerst witte jurken geteld, toen de zwarte. Daarna de hoeden. En de ramen van het hospitaal. Dat ene uur bij het ziekenhuis was als de vóórtdurende ochtendmis, jaren geleden. Tilly en ik op geverniste houten banken naast onze moeders. Zeurende magen, gevouwen handen. Hoofdpijn van te strak gevlochten haar. We zogen op Hacks, op Halls of pepermunt. Onze ogen nog brandend van slaap.

 

Ze hebben Boyke op Rusthof begraven. Een zaterdagmiddag, toen de zon al uitgestreden was. De dag was stil, ik had de buren zien gaan in witte en zwarte kleren. Met hoed of kanten doek. Rudy ging alleen en deze keer had hij niets hoeven zeggen. Ik vond het zelf ook beter niet mee te gaan. Ze hadden kransen van witte roosjes, witte anjers en witte orchideeën. Er waren geen kransen van kotomisi, afrikaantjes of tienuurklokjes bij.

‘Tante Mara... tante Mara... Boyke heeft fo jou geplukt, tante Mara.’ In een borrelglaasje had ik ze geschikt, die feestelijke trottoirbloemen, de sprieten gras en de monkimonkikersi-takjes die hij van mijn haag had geplukt. Zijn puddingwangen had ik bedolven onder kusjes en ik had hem met gesuikerde kokossnippers en maïzenakoekjes of bigifutu beloond.

De stoet was door de buurt getrokken. Vanuit de Somariastraat zigzaggend door al die korte zandweggetjes aan de Franchepanestraat. Van

[p. 90]

l'Hermitage naar de Brokopondolaan, toen linksaf naar de Coppenamestraat. Ze waren ook langs mijn huis gekomen. Ik had de stilte horen passeren en dacht: Boyke was altijd zo opgewekt, heel anders dan Rudy. Die was niet thuisgekomen na de begrafenis. Ik zou het begrepen hebben als hij met Tilly was meegegaan. Hij was aan de Watermolenstraat... ‘Er waren veel mensen’, kwam hij de volgende dag vertellen. Met gebogen hoofd - handen in de zakken - liep hij van bloembak naar bloembak en weer terug. Hij zei dat Tilly zich goed had gehouden. En dat hij trots geweest was op haar. Ik had niet naar hem opgekeken, was doorgegaan het wied uit de grond te trekken. Hij is zonder adyosi weggegaan.

 

Tilly was een stralende aanstaande moeder en ik had met haar meegefleurd. We gingen samen op consultatie, hadden samen luiers en hemdjes gekocht, namen opgeschreven. Het tweedehands wiegje had zij bekleed, ik had het geverfd. In de babykamer hing ik de gordijnen die zij had genaaid.

Toen Boyke werd geboren was ik bij haar. Van mij kreeg hij zijn tweede naam. Ik was ingelukkig dat Tilly dit kind had, ik kon er geen krijgen. Mijn hart liep over toen ze vroeg ‘Mara, wil jij Boykes peetmoeder zijn?’

 

In onze buurt waar iedereen alles weet van iedereen, was er niemand die het niet had geweten. En iedereen had er wel eens zijn woordje over gezegd, maar ik was doof voor praatjes, babylach draaide mijn hoofd ondersteboven. Ik hield van Boyke als van een eigen kind. Rudy ook. Ik zag het aan de manier waarop hij naar het ventje had gekeken. Hem over zijn dunne haren streelde, zijn vingers, zijn tenen telde en hem welkom heette. ‘Dag lieve Boyke-man van mij’. Het was alsof confetti zachtjes op me regende. Alsof de sterren hun licht straalden op mij. Ik had me tegen Rudy aangevlijd en hem toegefluisterd ‘dit jongetje is ook een beetje van jou en mij.’

 

Tilly en ik zaten aan de keukentafel, de avond voordat Boyke gedoopt werd. We hadden stukken pondkoek en broodjes kaas met fijne boter voor de doopvisite in folie verpakt. Buiten klonk zachtjes het roepen van een uil uit de dyamunboom, de bladeren ruisten. De keukenklok tikte

[p. 91]

langzaam zijn ritme, Boyke sliep. We snoepten van de koekresten en dronken uit een koba hete cacao.

‘Weet je dat ik sinds mijn tienerjaren niet meer in de kerk kom’, zei ik afwezig, voorzichtig nippend aan de vrolijk gekleurde emaillen kom. ‘Die harde banken, dat lange preken... het verbieden en het dreigen... de kerkplicht. En nu ga ik tóch, na zoveel jaren, omdat ik zo verschrikkelijk graag moeder wil zijn.’ Ik praatte maar door zodat ik Tilly niet hoorde zwijgen. Kamrawenke zat stil op de wand, hij hield een vlieg in de gaten. Ik zuchtte en zei ‘tussen jou en mij Tilly, kan het vast nooit meer stuk. Al die jaren sinds de fröbelschool... en nu onze Boyke. Ik hou toch zo ontzettend veel van hem.’ Tilly had niets gezegd, had in haar cacao geroerd zonder ervan te drinken. Had haar koba voorzichtig weggeschoven en pas toen had ik gemerkt dat de stilte te lang duurde om goed te zijn. Geen slok had ik meer kunnen nemen, had mijn handen samengeknepen. Alsof daartussen het geluk lag dat ik vasthouden moest. ‘Vind je dat ik te vaak bij je ben?’ Het was me plotseling opgevallen dat de wijzers veel te traag tikten. Dat er iets mis was met de keukenklok. ‘Je kunt het me gerust zeggen Tilly, ik begrijp best dat je soms alleen wilt zijn met je baby’, hield ik me moedig. Tilly zei niets en het had geleken alsof de wijzers het niet zouden volhouden de stilte nóg langer weg te tikken. Dat ze uit balans zouden raken en terstond zouden neervallen op de keukenvloer. De stilte was zwaar en ondraaglijk geworden zoals tiri soms zijn kan. Toen had ze eindelijk haar lippen bewogen en het aan me verteld...

Buiten in de dyamun zat de uil nog steeds te roepen. Vroeger waarschuwden onze moeders: ‘Als Uil je naam roept komt Fedi je halen. Uil is een dier om bang voor te zijn.’ Boven de tafel had de plafondventilator sussend gefluisterd. Op de wand lag kamrawenke doodstil te loeren op een vlieg. Hij had geen haast, hij wilde niet verliezen dus was hij voorzichtig. Behoedzaam verschoof ik mijn stoel en stond op.

‘Om hoe laat wil je vertrekken, morgenochtend? Zullen we je om half negen halen? Vind je half negen vroeg genoeg?’

 

Ik werd peetmoeder zoals we dat hadden afgesproken.

We woonden aan de Somariastraat. Tilly aan het einde, Rudy en ik halverwege. Ze had voor Boyke 's morgens hulp aan huis maar 's middags

[p. 92]

wanneer zij langer moest werken, was hij bij mij. Bij mij hing zijn schommel, had hij zijn emmertjes en schepjes, waren zijn zandvormpjes ondergegraven. Op mijn balkon lagen zijn bouwblokken verspreid. Ging ik een dagje uit, naar familie op Saramacca of Commewijne, dan ging hij mee. Ze vond het goed, ook al hadden zij en ik elkaar voortaan minder te zeggen. Rudy en ik zeiden altijd te veel.

De buren noemden Boyke ‘die jongen van Tilly’. Maar even vaak zeiden ze ‘Mara's kind’.

 

Het was na zo'n familiebezoekje, een zondag, dat koorts in Boyke was gekomen. Ik gaf hem een stroopje, Tilly waste hem met lauw water waarin ze blaw had gedaan. Voor enkele uren verliet de koorts het kleine lichaam, maar keerde de volgende dag heviger terug. Tilly legde een bijbel open in zijn bedje. Ze zei ‘voor de zekerheid’. Ik haalde een dokter en Boyke kreeg een ander stroopje. De geneesheer beloofde: ‘Uw jongen zal morgen vast al iets beter zijn.’

De dag was nog niet ontwaakt toen er iemand uit de straat voor mijn poort stond te roepen ‘klop klop... buurvrouw Mara, kom vlug, Tilly laat je roepen!’ Ik liep niet, ik rénde. In slaapjurk verliet ik mijn huis. Het ging niet beter met Boyke. Koorts speelde een geniepig spel. Ik wou hem meteen naar het ziekenhuis brengen.

‘Nee!’ zei Tilly, ‘hij gaat nergens. Wat hem scheelt is niet normaal. Vannacht heb ik duidelijk Owrukuku horen roepen. Om mijn huis hoorde ik voetstappen gaan. Wat heeft dát te betekenen, Mara?’ riep ze beschuldigend. ‘Waar ben je mee bezig, hij was zondag bij jou. Wát heb je met hem gedaan!’

‘Ik weet niet wat hem scheelt Tilly’, probeerde ik rustig te zijn, ‘zal ik de dokter nog eens laten komen?’ Ik reikte naar Tilly's jongen, mijn peetzoon. Wilde hem over zijn hoofd strijken, maar schrok terug want hij trok met zijn lijf en begon te beven.

Tilly gilde. ‘Dokter? Dokter? Welke dokter! Meisje, ga van hier, donder op, je moet hier niet meer komen. Die dokter van jou zei dat mijn kind vandaag béter zou zijn!’ Ik ging niet naar het werk, bleef de hele morgen op mijn erf onkruid trekken, in de aarde wroeten. Smeekte de hemel mijn Boyke weer goed te laten zijn.

[p. 93]

De hele dag, de hele nacht, is Rudy bij Tilly gebleven. ‘Ze heeft iemand nodig’, had hij gezegd en ik vond het goed dat hij ging.

's Morgens had Tilly gebeden, haar handen gevouwen op een bijbel. Ze had een kaars aangestoken en wierook gebrand in huis. In de namiddag had ze haar kind onder de dyamun gebaad omdat men haar zei dat het goed was. Plasjepotje met geblauwd water, koprosensi, een wit stukje brood. Krabasi watra, tak'mofo. Tilly bad om genade maar de wind gaf geen antwoord. Toen haalde ze een pater, op klaarlichte dag, iedereen had kunnen zien dat hij was gekomen. Maar Mati kwam nadat klokje-van-zeven zijn kelkjes had dichtgedaan, nadat kikkers en krekels met koorzang de avond hadden ingeluid. Prapi watra stond klaar, Mama fu Doti werd aangeroepen. Obya hield hebi tegen. Op elk kozijn werd een buideltje neergezet.

 

Die dag was het stiller dan anders, want het was de rouwdag van Jezus Christus. In de vroege mis werd ode aan Zijn moeder gebracht. Ik kon niet omhoog komen uit de stoel waar ik de hele nacht in had gezeten. In de verte luidde een kerkklok.

Rudy was thuisgekomen om me te halen. ‘Ze zegt dat je moet komen om Boyke te baden. Mensen zeggen dat het fyofyo zou kunnen zijn.’ Ik was niet meegegaan, was als genageld in de stoel blijven zitten. Had naar Rudy gestaard en me afgevraagd of ik hem al eens eerder had ontmoet.

Drie uur namiddag. De zon scheen heet aan de hemel toen ze Boyke naar het ziekenhuis brachten. Pas uren daarna kwam Rudy me halen. ‘Ik heb je nodig Mara, kom alsjeblieft met me mee.’ Samen zijn we naar ziekenhuis Zorg en Hoop gereden, maar toen we er waren zei hij ‘het is toch beter dat je niet meegaat, misschien moet je Tilly voorlopig laten...’

 

In wit en zwart liepen ze voorbij, vooral vrouwen. Ik staarde ze peinzend na door het autoraam en vroeg me af of hij dit ook aan háár gezegd had vier jaar geleden. Met z'n drieën hadden we bij de doopvont gestaan. Had hij haar gezegd ‘je moet Mara voorlopig laten’, of had hij haar gestuurd om me te vertellen ‘Mara, Boyke is Rudy's kind’?

prepostterug  begin  verder