terug  begin  prepost
[p. 94]

Halal geslacht

De kippen waren blij hem te zien. Ze interesseerden hém niet. Niets interesseerde hem vanmorgen.

Ze zou vast een andere weg nemen. Vervloekt! Ze zou hier niet meer langslopen, daar was hij vrijwel zeker van. Verdomme! Het had zo goed kunnen zijn. Hij had niet verwacht dat het met haar niet lukken zou.

Meestal lieten ze hem begaan. Strikte hij hen door hun eigen onverzadigbare begeerte, ving hij hen met hun eigen angst. De kippen waren zijn getuigen dat ze uiteindelijk gewillig waren. Dat hij altijd lief voor hen was. Hen troostte in zijn armen wanneer hun bloed de aarde vlekte.

 

Het was al bij zevenen. Het uur waarop ze langs zou gaan. Zou hij toch even naar voren lopen? Misschien dat ze tóch... Met dit grillige grut kon je het immers nooit weten. Stik! Hij ging niet. Wipte de haken van de rendeuren omhoog om de kippen eruit te laten. Haastig trippelden ze het erf op, renden kriskras alle kanten uit. Hij lette niet op ze, strooide afwezig het graan voor zich uit.

Hij had het niet goed aangepakt. Veel te lang gewacht. Waarom had hij zo godvergeten lang gedraald! Ze was jonger dan de anderen. Veel jonger, dit poppige ding waar hij zo verzot op was geraakt. Bij háár had hij niets willen forceren. Had liever gezien dat ze zelf ook echt wou... hém wou. Mijn God ze was zo gaaf, zo mooi, dat hij om haar was blijven wachten. Haar handen... zachte mollige handen, met een kuiltje onder elke vinger. O God, hij voelde de koorts weer in zijn buik, voelde zijn bloed weer in opstand komen. Misschien liep ze langs, nu, op dit moment, oh... meisje... mijn meisje...

 

Ze stonden naar hem te loeren, ongeduldig te pikken aan de pijpen van zijn broek. ‘Donder op verdomme! Rot op, vervloekte beesten!’ Het zand stoof op. Kakelend renden ze weg maar waren in een oogwenk weer terug.

[p. 95]

Zij bleef helemaal achteraan. Een beetje afgezonderd van de rest. Ze had roodbruine veren. Niet met een paar graankorrels te vangen, dat zag hij zo. Vreemd. Dat ze hem niet eerder was opgevallen. Prachtig vond hij haar, zo met haar kop in de lucht, parmantig tiptippend op witte sokjes.

Munti droeg ook altijd witte sokken. Van die hele korte die maar net boven haar zwarte lakschoenen uitstaken. Ze had niet op- of omgekeken, niets teruggezegd in het begin. Had halsstarrig haar lippen vooruitgestoken. Haar leren schooltas onder de armen op haar rug geklemd. Gekleed in terlenka schooluniform en gekleurde lintjes in het haar, was ze met kordate pas achter haar neus aangestapt. Schattig vond hij dat, die minidametjes die per se vrouw wilden zijn maar nog niet goed wisten hoe. Hij hield van hun opgewekte gekwetter en verlegen gegiechel. Hun geheimzinnige smoezen en gemaakte maniertjes.

Zij had vaak alleen gelopen. ‘Ze doen niet leuk tegen me’, had ze hem eens toevertrouwd. Dat was nadat hij haar eindelijk met een handvol gepofte rijst naar zich toe had durven wenken. Achteloos had ze haar tas op de grond laten vallen en van haar handen kommetjes gemaakt. Stralend had ze naar hem opgekeken voordat ze het lekkers naar haar mond toebracht. Ze had niet de tijd genomen de witte korrels die als een stoppelbaardje om haar mond zaten, weg te likken. Met een gretig ‘hmm hmmm’ had ze telkens en telkens weer met haar tong in haar handen gelepeld. ‘Ik hou van 't hoor, ik hou van 't, zo lekker... hmmm... zó lékker’, had ze met volle mond verklaard. Ze had breed naar hem gelachen. Ze had óók aardig willen zijn, hij wist het zeker dat ze óók aardig had willen zijn. Zo lief en vertrouwd als ze tegen hem aan kon leunen terwijl hij padi strooide in het zand. Hij kon zich niet vergist hebben, hij wist zeker dat hij zich daarin niet had vergist. Ze was toch mee naar achteren gelopen om de kuikens te zien? ‘Zó lief’, had ze steeds weer uitgeroepen terwijl ze de diertjes aaide. ‘Ja’, had hij dan gezucht en geprobeerd haar korte springerige haren glad te strijken. Zachtjes had hij in haar wangen geknepen - alleen haar wangen - en aarzelend over haar schouders en rug gestreeld. Niet met de volle hand. Slechts met de toppen van zijn vingers. Ze wás niet bang geweest. Misschien wat verlegen soms, dat wilde hij best toegeven.

‘Liever ga ik’, zei ze dan kleintjes, ‘schoolbel gaat bijna slaan.’

[p. 96]

Ze liep een paar keer op en neer, bewaarde een veilige afstand alsof ze het niet helemaal vertrouwde. Hij lokte haar met padi. Schuifelend kwam ze dichterbij, pikte de korrels uit het zand terwijl ze hem met één oog aan bleef kijken. Stilletjes ging hij door zijn hurken maar voordat hij zijn hand kon uitsteken schoot ze er kakelend vandoor.

Dat had Munti ook gedaan, dichterbij komen. Zo dichtbij dat de talkpoeder op haar hals had geprikkeld in zijn neus. Doodstil was ze blijven staan zodat hij hoopvol zijn handen verder had laten dwalen dan de andere keren. Van haar schouders en rug naar haar billen. Zachtjes had hij daar geknepen. Was opgehouden als ze verlegen werd. Had gewacht totdat ze verder knuste met de kuikens. Dan verder... naar beneden. Ahhh, die goddelijk chocolade dijen onder dat tuttige uniform. Gek hadden ze hem gemaakt, helemaal gek. Toch had hij zich ingehouden. Had haar niet willen afschrikken, niet willen opjagen. Hij had niet verder geknepen. Niet dáár. Had zo traag als het hem lukte zijn vingers in cirkels over haar dijen laten gaan. Toen heel voorzichtig hoger. Naar waar het elastiekje zat waaronder ze nóg zachter en gladder aanvoelde, waardoor het heter werd in zijn hoofd, zijn handen, zijn hele lichaam, totdat het broeide in zijn buik en in zijn kruis. Hij had haar ruw tegen zich aan willen drukken, in haar willen bijten. Hij had het niet gedaan. Terwijl hij zich bijna voelde barsten was hij tot het uiterste toe voorzichtig geweest, had er de tijd voor genomen. De plek waar borsten net om de hoek kwamen kijken was zichtbaar op en neer gegaan. Ze had gehuiverd en gekronkeld in zijn armen. Hij dacht dat hij haar had voelen huiveren en kronkelen in zijn armen... De kuikens die ze met drie tegelijk tegen zich aangedrukt had gehouden, had ze abrupt laten vallen. Piepend waren de beestjes op de vlucht geslagen, maar zij was nog even als versteend blijven staan. ‘Ssst’ had hij toen bij haar oren gefluisterd. ‘Ssst, je gaat van 't houden... ssst.’ Ze had zich losgerukt. Alsof ze plotseling wakker was geschrokken, alsof ze opeens de schoolbel vlakbij haar oren had horen slaan. ‘Dat doe je niet verdomme!’ had hij gesist, ‘dat dóé je niet!’ Meer had hij niet kunnen zeggen. Nood had hem het praten moeilijk gemaakt, dyugudyugu had hem gehouden waar hij was.

[p. 97]

Een beetje wankel zat hij op zijn hurken. Padi regende voor hem uit. De andere waren brutaler. Kwamen tot bijna bij zijn hand. Niet een was er bij die zo mooi en trots was als zij. Hij gaf niet op, bleef geduldig wachten. De padi lokte haar terug. Soms hield ze even stil, tippelde dan verder. Hield stil, tippelde weer verder totdat ze vlak vóór hem stond. Toen tilde ze haar kop iets hoger en keek hem hooghartig aan. Voor een ogenblik hield hij zijn adem in. Net als die ene keer. Ze had bij hem gezeten. Ook op haar hurken. Had een hand naar hem uitgestoken om te kunnen aaien over de gele donsjes in zijn schoot. Zou ze écht niet weten, had hij zich verwonderd afgevraagd. Voorzichtig had hij haar hand vastgepakt, hem dichterbij gebracht zodat ze weten zou. Verschrikt had ze naar hem opgekeken, haar hand teruggetrokken en ‘pardon’ gezegd. Ze kwam niet dichterbij, liep ook niet weg. Stil en trots stond ze daar de situatie op te nemen. Ze nam de tijd. Hij verloor geen seconde. Zijn hand schoot naar haar uit. Vlak onder haar vleugelveren greep hij haar beet. Haar schrik was groot. Hysterie bracht haar tot onophoudelijk kakelen. Wild sloeg ze met haar vleugels op en neer. Hij liet haar niet gaan. Deze keer ontkwam ze hem niet. Ahhh, ze voelde zo warm zo zacht op haar buik. Hij kon haar bloed daar voelen kloppen alsof het een verlangend hijgen was. ‘Munti’, steunde hij en de geur van pluim en padi maakte dat het nat werd onder zijn armen, in zijn nek en tussen zijn benen. ‘Munti! O God meisje... Munti mijn meidje... ahhh... Munti...’ Hij hield haar stevig tegen zich aangedrukt, bewoog haar langzaam heen en weer. Net zolang tot haar gekakel stilhield en ze niet wild meer wou zijn. Samen kwamen ze op adem. Zij zachtjes napruilend alsof ze er nog steeds niet helemaal zeker van was dat het goed met haar kwam. Hij met gespitste oren... Had hij de deur van het slachthuis gehoord?

‘Twee bestellingen voor negen uur.’ Hij schrok vreselijk. Opnieuw ging ze tekeer met haar vleugels. Abrupt liet hij haar vallen. Ze fladderde angstig een meter of twee vooruit voordat haar poten de grond weer raakten en ze ontsnappen kon. ‘Zal ik hulp sturen om te vangen?... Ik zal hulp sturen’, kwam halverwege het besluit.

Hij wachtte de hulp niet af. Liep zelf naar voren om het mes te halen. Kreeg haar daarna onmiddellijk weer te pakken. Haar angst was zijn gemak, dreef haar blindelings in zijn armen. Ze worstelde tussen zijn

[p. 98]

knellende knieën terwijl hij haar stevig vasthield bij de nek. Hij bleef rustig wachten totdat ze niet meer vocht. Draaide toen met allebei zijn handen, zette meer kracht dan werkelijk nodig was. Woede hield zich schuil bij zijn kaken, was als een klem om zijn mond, als gif tussen zijn tanden. ‘Jij kleine rotmeid... jij ellendige verraadster... jij godvergeten ellendige verraadster.’ Toen greep hij het mes uit zijn zak. Nog even trok ze met haar lijf alsof ze zich tot het laatste moment wilde verzetten, alsof ze nog eenmaal ontsnappen wou uit zijn greep.

Haar bloed werd niet dadelijk opgezogen door de aarde. Hij schopte er zand overheen.

prepostterug  begin