|
|
|
| | | | | | | |
[eerste toneel]
Medea. Eriope.
Waar of nu Jason blijft? men zal hem niet onvluchten.
Wat doet zich ginder op? wat willen die geruchten?
1093
Zie daar, zie daar, mijn kind; daar stort mijn
vyandin;
1094
1095
Zy heeft den loon al wech van ongerechte min.
1095
Zo, zo, dat gaat na wensch; zy zal
't haar niet beroemen
1096
Hoe dat zy schenden dorst de
schoonheid van mijn bloemen.
1097
Komt Jason gins? ô, goet! ja nader, nader al.
Nu laat ons luisteren hoe of hy klagen zal.
1100
Wat, of dat donderen
mijn aanslag wil beletten?
1100
Neen, neen, het zijn veel eer moedgevende trompetten;
Schrik niet; noch vreez mijn kind, dat moeder u verlaat:
Ik zal u volgen voort alwaar gy
henen gaat.
1103
| |
[tweede toneel]
Jason. Medea. Philippus. Eriope. Aglaura.
Vaar ewig wel. hier zal geen lijkzang beter voegen
1104
1105
Als die Medea schreit; ik zal uw geest vernoegen,
1105
Indien ik haar bekom; zo
niet, al vlied zy verd,
1106
Zy zal haar eige straf meêvoeren in haar hert.
1107
Gy zult ook zuchten,
zo noch by u is
gebleven
1108
Iet van een vaders
hert; het kind en zal niet leven.
1109
1110
Verheug u, broeders geest! uw droevig eind eischt zoen;
1110
Heb wat geduld, men zal u haast vernoeging doen.
1111
Indien ik niet en mis, 'k hoor
daar Medea spreken.
1112
Creüsa! nu zal u geen wraak
ontbreken.
| | | |
Sta, Jason,
sta; noch tracht hier niet te komen in;
1114
1115
Maar luister, en aanschow de vrucht van
valsche min;
1115
Lafhertige; bezie, hoe die gelijk uw eden
1116
Verdwijnt, gelijk de glimp van
uw lichtvaardigheden.
1117
Zo als 't mijn broeder ging, zo zal 't uw kind nu gaan;
En staat de min my dier, zy zal u
dierder staan.
1119
1120
'k Zal dat meinedig
hert, op 't allerwreetst, bedroeven;
1120
Het bitter dat ik proef dat zult gy ook eens proeven;
't Word eens in 't eind uw beurt: het kind zal 't niet ontvliên;
1122
En of ik 't durf bestaan? dat
zult gy daadlijk zien:
1123
Hoe? zowd ik dat gebroed met recht niet mogen haten,
1124
1125
Het welk gy d'oorzaak noemt waarom ik word verlaten?
1125
Die van mijn liefde walgt, die proev' in 't eind mijn haat.
'k Weet dat de dood u min zow smerten dan
die daad.
1127
Neen, neen; Medea heeft geen oren,
1128
Die heeft zy met haar man gelijkelijk verloren.
1129
'k Weet uw wil, dat van
dit snode wijf,
1130
Dat van uw valsche trow geen teken overblijf;
1131
Dat wil mijn Vader ook, ik heb 't ook voorgenomen:
Al is het schoon mijn kind,
z'is meê van u gekomen;
1133
Die 'k veel meer haat, dan ik my zelf beminnen kan;
1135
En of ik moeder ben, gy zijt 'er vader van.
Gelijk gy over
moeder.
1136
Noch feller,
noch verwoeder.
1137
| | | |
Wat moet ik doen tot boet?
Van 't geen hy niet
misdeê!
1138
'k Voldoe my daar niet meê.
1139
1140
Helaas! wat wilt gy meer?
Gy zult al stervend
leven.
Vergeef 't 't onschuldig kind.
U kan ik 't niet
vergeven.
Ik sterf, ay my! ik sterf.
't Is tijt dan dat ik spoe.
1142
Zie gy maar wat ik doe.
1143
Medea denk, hoe zy steets in uw armen speelde,
1145
En u haar moederlief met halve woorden streelde;
1145
Helaas! beweegt dit niet u hert tot medely?
Ik zal zo wreed niet zijn; Medea, geef het my.
How daar, daar is u kind, als 't my niet mach verzellen:
1148
Gy zult my om het kind niet meer na dezen
kwellen.
1149
| | | | | |
[derde toneel]
Jason. Philippus. Eriope. Aglaura.
1150
Vervloekte dolheid! voort, mijn
dienaars, brengt haar hier;
1150
Ontsluit de poort met kracht van mokers, of met vier;
1151
Howd over al bezet
de vensters van de zalen;
1152
Indien zy u ontkomt men zal 't op u verhalen.
1153
Helaas! onschuldig kind, wat kwaat had gy gedaan?
1155
Mocht zulk' onnozelheid haar wreedheid niet ontgaan?
1155
Mijn zoete hoop, om wien ik 't leven zocht, ga henen
1156
Daar gy niet hoeft
de ramp des werrelds te bewenen.
1157
Ik kan 't niet langer
zien: hoe bang word my te moê!
1158
Zy sluit van pijnlijkheid
het kleine mondje toe.
1159
1160
Och waardste! lijd gy zo? och leven van mijn leven!
Hoe werd gy zo
gelijk een schaduw wechgedreven!
1161
O wreden hemel! van hoe veelderlei elend
Zal Jason oorzaak zijn de werreld door bekent?
Ik zie afkerigheid met overzijdsche blikken
1164
1165
Waarwaarts ik my begeef; en, 't geen my meer doet schrikken,
1165
Van buiten dreigt Acast, en hier Bellerophon
1166
Als erfgenaam van 't Rijk; men lijd geen
twede zon.
1167
Gewis, 'k zow door de dood deez' hartzeer van my wenden,
1168
Indien ik zeker waar dat dan d'elenden enden.
1169.
1170
Wie heeft zijn dagen oit van wreder zaak verstaan?
1170
O! gruwelijke daad! zy heeft haar zelf verdaan.
1171
Heeft zy haar zelf verdaan? zy is my dan ontvloden,
Die haar gezworen had verscheide bitt're doden.
1173
De bleke lip en wang, het naar en stuurs
gezicht
1174
1175
Schijnt dat op eenen tijt en schrik, en meêly sticht:
1175
Zy leit gelijk een bloem
ter neêr gevelt, als beken
1176
Heb ik gezien het bloed ten blanken borst af leken.
1177
Vervloekt zy d'eerste tijt dat ik om Colchis dacht,
De nacht die d'eerste reis my by Medea
bracht,
1179
1180
Die optocht is my leet, en staat my doodlijk tegen.
1180
Elendige! die zelf ben met my zelf verlegen,
1181
Waar of ik blyven zal? die, zonder zonneschijn,
Zow wenschen noit te zien, en noit gezien te zijn.
EIND
|
1093Wat ... op: Wat gebeurt
daar; wat ... geruchten: wat heeft dat
rumoer te betekenen.
1095Zy ... wech: Zij heeft het loon
reeds ontvangen; min: liefde.
1096na: volgens; 't haar [...] beroemen:
pochen.
1100donderen: trompetgeschal; aanslag: voornemen,
onderneming.
1103alwaar: waar ook maar.
1104Vaar ewig wel: Voor eeuwig
gegroet; lijkzang: zang ter nagedachtenis
van een overledene; voegen: passen.
1105vernoegen: tevreden
stellen.
1106bekom: in handen krijg; vlied: vlucht; verd: ver weg
1107in haar hert: Namelijk:
gewetenswroeging.
1108zuchten: schreien, wenen; zo: wanneer.
1110eind: dood; eischt: vraagt om; zoen: genoegdoening,
vergelding.
1111haast: snel; vernoeging: genoegdoening.
1114Sta: Blijf staan; te komen in: binnen te
dringen.
1115de vrucht: Dus: Eriope; min: liefde.
1116gelijk: net als; eden: beloften.
1117gelijk: zoals; glimp: schone schijn; lichtvaardigheden:
losbandigheid, onbetrouwbaarheid.
1119min: liefde; dier: duur; dierder: duurder.
1120meinedig: leugenachtig.
1122eens in 't eind:
uiteindelijk.
1124dat gebroed: het verafschuwde
kind.
1127min: minder; smerten: verdrieten.
1129gelijkelijk: op hetzelfde
moment.
1130Weet: Ken; snode: kwade.
1131van [...] geen teken overblijf:
niets meer herinnert aan.
1137feller: kwaadaardiger; verwoeder:
vervaarlijker.
1138tot boet: ter
vergelding; Van ... misdeê!:
Elliptisch: [Ja, wat zou hij ter vergelding kunnen doen] Van alles wat hij wel
niet misdaan heeft!
1139Voldoe mij: Stel mij
tevreden.
1143Zie voor u: Bedenk,
overweeg.
1145moederlief: vol
moederliefde; halve woorden: zachte, lieve
woordjes.
1148verzellen:
vergezellen.
1149om het kind: Versta: doordat
Jason het kind verder zonder Medea zou opvoeden.
1152Howd [...] bezet: Bewaakt.
1153op u verhalen: u ter
verantwoording roepen.
1155onnozelheid: onschuld; haar: Namelijk: van Medea.
1158't: het kind; bang [...] te moê: bang te
moede, bang.
1159pijnlijkheid: pijn, smart.
1161zo gelijk: zozeer als.
1164afkerigheid: afkeer,
afschuw; overzijdsche: schuinse, van ter
zijde komende.
1165Waarwaarts: Waar ook
naartoe; doet schrikken: zorgen
baart.
1166Acast: Acastus, zie v.
602-737; hier: in Corinthe; Bellerophon: zoon van Glaucus,
die volgens de mythologische overlevering de broer van Creon was; nu de laatste
dood is, is Bellerophon de gedoodverfde nieuwe koning van Corinthe.
1167erfgenaam: troonpretendent; lijd: accepteert; zon: Versta:
troonpretendent.
1168hartzeer: smart, ellende; wenden: afwentelen.
1169enden: beëindigd
worden.
1171haar zelf verdaan: zelfmoord
gepleegd.
1173bitt're: smartelijke,
pijnvolle.
1175op eenen tijt:
tegelijkertijd; en [...] en: zowel [...]
als.
1180optocht: opmars, missie [naar
Colchis], de Argonautentocht.
1181die ... verlegen: die met
zichzelf geen raad weet.
|
|