Kort na Slauerhoffs overlijden brachten de kranten het bericht dat aan A. Roland Holst de zorg was opgedragen voor de literaire nalatenschap. Dit was voor K. Lekkerkerker aanleiding om hem, op 13 oktober 1936, mee te delen dat hij meer dan tachtig ongebundelde gedichten van Slauerhoff uit tijdschriften en jaarboeken had verzameld en dat hij gaarne bereid was deze teksten voor enige maanden af te staan. Roland Holst dankte hem voor dit aanbod en beloofde er nog op te zullen terugkomen. Dit gebeurde in een brief van 16 februari 1937. Hierin deelde Holst mee, dat hij met Greshoff besloten had een Slauerhoff-commissie op te richten; tevens nodigde hij Lekkerkerker uit daarin zitting te nemen. De eerste vergadering van de ‘Commissie voor de verzorging van de nalatenschap van J. Slauerhoff’ vond plaats in Amsterdam op 27 februari. De leden waren, behalve de drie genoemden, D.A.M. Binnendijk, Menno ter Braak, N.A. Donkersloot en H. Marsman; Constant van Wessem werd als achtste lid een paar maanden later in de commissie opgenomen. Op die eerste vergadering werd afgesproken dat Lekkerkerker de literaire nalatenschap zou ordenen en verzorgen. Op 4 maart ontving hij daartoe per vrachtvervoer de inmiddels befaamd geworden kist met manuscripten en andere documenten. Het was een gewone zwarte zeemanskist, met de naam van Slauerhoff in witte letters erop geschilderd. De inhoud ervan bleek chaotisch. Alles lag door elkaar, zoals Roland Holst al in november 1936 in een brief aan Slauerhoffs broer had opgemerkt. Wel lag een willekeurig aantal handschriften die betrekking hadden op Het leven op aarde in twee mappen bijeen, maar na bijna een halve eeuw is niet meer precies na te gaan welke dat waren. Sinds 1937 bevinden de manuscripten en de andere documenten zich in een door Lekkerkerker inmiddels opgebouwd Slauerhoff-archief, thans ondergebracht in zijn woning te Amsterdam.
Wat de bibliotheek van Slauerhoff betreft, al in zijn eerste brief aan Slauerhoffs moeder, van 4 maart 1937, had Lekkerkerker er met klem op aangedrongen dat de boeken bijeen zouden blijven. Op 25 mei 1938 bezocht hij mevrouw Slauerhoff om een begin te maken met het noteren van de titels; daarna, inmiddels naar Brussel verhuisd, logeerde hij nog enkele dagen in februari 1939 bij haar om dit werk te voltooien, waarbij de medische boeken buiten beschouwing bleven. Vervolgens zijn in april van dat jaar de boeken grotendeels geschonken aan het gemeentearchief van Den Haag, waar dr. W. Moll een letterkundige verzameling had opgezet. Een employée van het archief heeft er nogmaals een lijst van opgemaakt. De medische boeken zijn later geveild. Kort na de oprichting in 1954 van het Letterkundig Museum is Slauerhoffs boekerij, met de tweede lijst, overgedragen aan dit instituut.
De manuscripten en andere documenten uit Slauerhoffs zeemanskist, voor zover zij betrekking hebben op Het verboden rijk en Het leven op aarde, worden hier voor het eerst gepubliceerd. Ze zijn niet alleen van belang met het oog op de ontstaansgeschiedenis van deze beide romans, maar ook omdat ze ons enig inzicht verschaffen in wat Slauerhoff met het nooit gepubliceerde derde deel van de cyclus moet hebben voorgehad. Terborgh bericht hierover, sprekend over het najaar van 1934, toen Slauerhoff bij hem in Madrid logeerde: ‘Dat hij in den zomer nog over het zwoegen
aan “Het leven op Aarde” had gezucht, was hij schijnbaar vergeten. Hij had nieuwe ideeën voor een omvangrijk prozawerk. “Het Verboden Rijk” en “Het Leven op Aarde” beschouwde hij als de beide eerste deelen van een trilogie. Voor een derde deel, dat een synthese had moeten brengen, waren er wel vage plannen, maar hij achtte zich voor de uitwerking ervan nog niet rijp.’ (F.C. Terborgh, Slauerhoff. Herinneringen en brieven blz. 41)
De editeurs bieden hier niet een volledige historisch-kritische editie van Slauerhoffs ‘Chinese’ romans. Enerzijds zijn de overgeleverde documenten daarvoor te gering in aantal, anderzijds zou deze uitgave daardoor te omvangrijk worden. De hier gepubliceerde handschriften en typoscripten bevatten zowel alle overgeleverde aantekeningen die Slauerhoff maakte bij zijn lectuur ter voorbereiding van zijn romans, als alle voorontwerpen, voor zover overgeleverd. Een kijkje in de keuken krijgen we dus wel, maar de volledige genese valt er toch niet uit af te leiden. Onze weergave van ieder document is in principe diplomatisch. Een ‘synoptische’ weergave van alle stadia, zoals A. Kets-Vree die heeft gepresenteerd in Woord voor woord. Theorie en praktijk van de historisch-kritische uitgave van een prozatekst, gedemonstreerd aan ‘Een ontgoocheling’ van Willem Elsschot, heeft in dit geval geen zin.
Voor de drukgeschiedenis van Het verboden rijk verwijzen we naar de elfde druk, verzorgd door K. Lekkerkerker, de eerste editie met een uitvoerige verantwoording, blz. 151-171. Van Het leven op aarde is een dergelijke uitgave in voorbereiding.
De term document is hier gebruikt voor ieder handschrift of typoscript dat zich bij nadere bestudering als een geheel voordoet op materiële, eventueel op inhoudelijke gronden. Deze gronden zullen van geval tot geval uitvoerig worden ontvouwd. De term bron is uitsluitend gebruikt voor teksten die Slauerhoff bij zijn arbeid aan de romans te zijner informatie heeft bestudeerd of als achtergrondkennis heeft benut.
Om de documenten enigszins overzichtelijk te rangschikken, zijn ze in vier groepen ondergebracht. De A-groep bevat die documenten die geschreven zijn voordat Slauerhoff aan zijn romans begon, maar die toch (achteraf) als een voorbereiding daarop gewaardeerd kunnen worden. De B-groep is samengesteld uit een tiental documenten van geringe omvang, die Slauerhoffs begeleidende arbeid bij zijn romanwerk vertegenwoordigen: puntenschema's, aantekeningen uit lectuur en dergelijke. In de C-groep zijn alle overgeleverde voorontwerpen van Het leven op aarde samengebracht. (Van Het verboden rijk zijn geen voorontwerpen overgeleverd.) De D-groep, ten slotte, bevat de overige fragmenten, waaronder vijf schetsen die kennelijk bedoeld waren voor het derde deel, waaraan Slauerhoff niet meer is toegekomen.
Bij de presentatie van iedere groep wordt eerst een poging gedaan de samenstellende documenten chronologisch te ordenen en te dateren. Van ieder document wordt vervolgens een formele beschrijving gegeven; dan volgt de weergave van de tekst, voorzien van verklarende voetnoten; ten slotte is enig commentaar bij de gepresenteerde tekst gevoegd.
Zowel in de voetnoten als in de commentaar wordt aandacht geschonken aan de Chinese aardrijkskundige namen die Slauerhoff heeft gebruikt: de topografie is namelijk voor de interpretatie van de romans van belang gebleken. Slauerhoff kende
echter weinig of geen Chinees en steunde daarom sterk op zijn Franse, Duitse of Engelse bronnen. Maar omdat in deze talen de regels voor de translitteratie uit het Chinees telkens anders zijn, is de schrijfwijze van Slauerhoff nogal inconsistent. Het is bovendien vaak niet gemakkelijk de plaatsen en rivieren op een kaart terug te vinden, te meer omdat sommige intussen een andere naam hebben gekregen. Om hieraan tegemoet te komen, is aan iedere aardrijkskundige naam tussen haakjes de schrijfwijze toegevoegd volgens het wijdverbreide systeem van Wade-Giles èn die volgens het huidige systeem van de Chinezen zelf, het Pinyin. Zie hiervoor The Times atlas of China (Times Books, 1974). Bij alle plaatsen, bergen en rivieren wordt nog vermeld in welke provincie zij gelegen zijn.
Ook is ernaar gestreefd zoveel mogelijk Slauerhoffs bronnen op te sporen. Deze zijn in zoverre interessant dat zij ons het materiaal tonen waarmee Slauerhoff (onder meer) aan het werk is gegaan. Uiteraard is hierbij gebruik gemaakt van zijn bibliotheek, maar ook werken die daarin niet of niet meer aanwezig zijn, zijn van belang gebleken. Aan boord van zijn schip had hij, volgens mondeling getuigenis van ing. A. Schuilenburg, de marconist die in het Verre Oosten met hem voer, na het spreekuur niet veel anders te doen dan lezen en schrijven (hoewel Schuilenburg hem aan boord nooit heeft zien schrijven). Het moet dan ook onmogelijk heten, alle boeken die hij bij zijn romanarbeid heeft benut, te vinden. Wat wij hier aanbieden zal zeker aanvulling behoeven. Onze bevindingen worden in de commentaar bij de documenten verantwoord. Omdat er geen voorontwerpen voor Het verboden rijk zijn overgeleverd, worden de bronnen voor deze roman behandeld in een bijlage.
In de commentaren wordt geprobeerd zoveel mogelijk te achterhalen wat Slauerhoff met ieder document heeft voorgehad. Een groot deel van de toelichting is dan ook gewijd aan de relatie tussen de overgeleverde fragmenten en hun (mogelijke) bronnen. Hiermee wil niet gezegd zijn dat de teksten uitsluitend uit die bronnen verklaard zouden moeten worden. Wel zijn de editeurs van mening dat de bronnen op de romans een niet te veronachtzamen licht werpen.
Ook is getracht naar beste kunnen te reconstrueren wat de inhoud had moeten worden van het derde deel van de trilogie. Naar de mening van de editeurs is dit derde deel van eminent belang voor de interpretatie van de beide voorafgaande delen.
Met dit al hebben zij niet de pretentie in de commentaren deze interpretatie al geleverd te hebben. Zij verschaffen slechts materiaal en overwegingen die voor dit doel dienstig kunnen zijn.
Gaarne willen de editeurs hun dank uitspreken voor de hulp die zij hebben gekregen van prof. dr. J. Ensink te Groningen ten aanzien van de boeddhologie, van prof. dr. W.L. Idema te Leiden in verband met de Chinese taal en literatuur, en van prof. dr. M. Metzeltin te Paderborn en drs. G. Brand te Groningen in verband met het Portugees.
