terug  begin  verderprepost
[p. 98]

Document B-V

Beschrijving

Vijf bladen, door de editeurs genummerd: [12] tot en met [16].

Blad [12]: afkomstig van een schrijfboek van folioformaat, gelinieerd; het onderste gedeelte is afgescheurd; aan één zijde beschreven, met machineschrift.

Blad [13]: postpapier, gelinieerd; links boven bedrukt met: Holland West--Afrika lijn N.V. | Amsterdam etc., rechts boven: Aan boord S/S. ... 193.., links onder: w.a. 117. 50-8-'31.; recto en verso beschreven, met inkt.

Blad [14]: als [13]; recto en verso beschreven, met inkt.

Blad [15]: als [13]; recto en verso beschreven, met inkt.

Blad [16]: als [13]; recto beschreven, met inkt.

Datering

September 1932 tot begin 1933.

Tekst

+17 Uit Geografie universelle.2

De loss [lees: löss] vult als een dikke ge[e]le sneeuw het landschap en vult alle holten

Waar water heeft geloopen een warnet van diepe ravijnen.

Forten, burgen.

De menschen wonen soms 50 M diep onder hun akker. warm en veilig de akkers zijn eeuwenlang familiebezit.

Als een reiziger voorbijgaat kan een schijnbaar onbevolkte streek plotseling een wemelende mierenhoop worden.

De ge[e]le aarde is het kerkhof van ontelbare plantengeneraties.3

 

De Hoang Ho wordt alleen helder als een magistraat naar rechtvaardigheid vonnist.4

 

Kan Tscheou is een oase5

[p. 99]

Lan tscheou een ommuurde stad met torens en vluchtheuvels.6

Si Ngan7 zeer archaisch, 6 dynastie[ë]n 1230 9078

 

Het graf van Dschengis Khan ligt in de bocht van de Hoang Ho.9

 

Chansi dadel kan gedroogd jaren later als voedsel dienen.10

 

Chan si industrieel onafhankelijk is t meest vaderland van alle chineesche provincies.11

 

Tibet

Si Fam nog beschaafder, mooie huizen12

Tsampa is nationaal gerecht van thee boter gerst.13

 

Tscheng Tou.14

Ceders, cypressen, papavers oranjeboomen gardenia's azalea's wilgen populieren.

 

Kao long reuzenmais 4 M hoog ruiterscharen kunnen zich erin verbergen.15

 

Shan Tung.16

Sneeuw bloemen burg [lees: brug]
regenbogen brug
Ceders thuya's pijnen.
[p. 100]

Yang Tse, vroeger een reeks me[e]ren waarvan het Tong Ting meer nog over is.17

 

Pagodes

waardoorheen cypressen als tengere torens die er bij hooren
Tempels aan de oevers van het meer als schiphuizen.

Londensche mist op tropisch landschap.18

 

In Tsche Tsuan19

lelies orchidee[ë]n eiken, dennen, bamboes rhododendrons, thuja's

Kiu Tschang, beroemde opium.20

 

De Lo lo's dragen pelerines die hun dienen als tent regenscherm legerstede.21

 

Nomaden leven in groote vilten tenten, als hoeden:

 

+1De bedreiging van de

Hoangho.2

Het [lees: De] barstende aorta van China.

Nu eens werpt hij zich naar t Noorden - dan naar t Zuiden -

Uitgestrekte moerassen: negen oude armen.

Yu keizer3 beroemde indijker

De stroomen van Chan Si4 dringen de H.ho naar 't Zuiden -

Tijdens een oorlog (1194) lette men niet op hem -

Na de inondatie zijn de dorpen 3 M. onder de löss begraven.

[p. 101]

Randplateau's Chansi en Tsin ling bergen5. ‘aarde van de centrale bloem’6

 

Ho⟨- n⟩angho geen verbinding doch een barrière

Vermeden door de wegen.

Tsi Nan7 is de eenige stad aan zijn oevers.

 

Tegelijk met de Tai-ping opstand8 ook een doorbraak van de Hoang-ho -

 

+9Wanneer de dijken slecht bewaakt worden komen er doorbraken. (dus: in troebele tijden)

(De landen liggen vaak 5 M. dieper)

Een spleet10 is noodlottig.

11De dijkdoorbraak voorspelt het einde van een dynastie --

 

Zonder plan wordt de Hoangho bedwongen. Iedereen dijkt zijn eigen land af.

Steeds onzeker.

Een groot Holland dat de vloed nog niet heeft overwonnen.

 

Slechts minieme schepen varen op de Hoangho.

Noord China is 't land der Ge[e]le aarde

niet dat van de ge[e]le rivier12

Midden China is wel het Yang Tse dal

 

+1Vlakte v. Ning Yuan2

⟨- 's zomers.⟩ februari -- koren boonen colza3
suikerriet
juni - dezelfde akkers:
rijstvelden.
[p. 102]

Lo lo's.4 mantels als poncho's

slapen erop. Tulbanden; gehoornde duivels.
Wonen op ravijnenranden.

+5Het roode bassin6.

1097 Weg naar Lhassa, over kammen van 6000 M.

steil dalend naar kammen van 2000 M

tibetaansche huizen 3 étages8, daken terrassen

met masten waarin banieren wapperen met boedd[h]istische gebeden bedekt.

 

Karavanen: huiden, muscus, goud, kruiden, the[e].

Tsampa9: thibet. gerecht; meel, thée boter.

gerst. nomaden in groote zwarte tenten

Lamaserie[ë]n10 3000 monniken.

Tsche tsouan11 huizen.

witte muren
rieten daken
zwarte balken

+1Stad ⟨- Pao-T2Tsengtou3

 

Daken als omgebogen vleugels in lagen.

[p. 103]

Paleis, breede witte wering daarboven opgebogen zwarte daken.

 

Ook de steden worden gebouwd volgens de regelen van fong-chouei4 - die de gunsten van geesten van aarde en hemel verzekeren

 

Wan5. heeft een volmaakte ligging -

een rots die vooruitspringt in de rivier heeft de vorm van de beschermdraak. □ daarachter kunnen jonken ankeren

Een versmalling waarop pagode's staan belet de Yangtse de vruchtdragende bestanddeelen te spoedig naar zee te dragen:

‘de welvaart weg te spoelen’.

6

illustratie

nauwe straten: geen zon en lucht.

breede straten: wel zon en lucht

 

geen rijtuigen

 

+7chaque rue s'isole de son voisin par des barrières fermées la nuit --8

Nachtwakers doen de ronde

In t midden: officieele doode stad.

Daaromheen: bloeiende handelswijken9

 

Straten: gestampte leem, vuilnishoopen gaten.

elk gilde een straat.9

10Geen gebouw onderscheidt zich van de andere[n] aan de voorgevel.

[p. 104]

De rijke huizen in afgelegen straten. ⟨- de⟩ hermetische façaden, deur eenigste opening.

11Mandarijnenpaleizen; gangen en pleinen omringd door lage gebouwen -

Tijdelijke voorsteden in de uiterwaarden van de rivieren

Hutten van leem en riet.12

 

+1Bevolking

bocht van de Hoangho - Chan Si.2

terrassen. regen löss wieg van de chineesche beschaving.

___

verovert { Tsin3. in Tschou3
alles { (China)3  
naar t { Han4 miao5. sifan6. lo lo's7.
Zuiden { dynastie nog niet geassimileerd.

Militaire kolonies in het zuiden.

Si-ngan. Ho nan. Kai fong8

oude hoofdsteden vereeuwigd door schilders en dichters -

[p. 105]

Chineesche manier van veroveren

de soldaten worden landbouwers          Sesam9

hunne vrouwen koloniseeren.          arachiden10

 

Gandara11 (reg. de Peshaver.12

grieksch boedd[h]istisch. - hellas in China

 

thee. camelia13, blijvend geblaarte,

14weerstand tegen koude

eischt constante vochtigheid

Commentaar

Naar aanleiding van hun gezamenlijke reis door Spanje in het begin van het jaar 1934 vertelt Albert Helman iets over Slauerhoffs werkwijze: ‘In zijn haast onleesbaar schrift, op duizenderlei verschillende papiertjes en in cahiers, schreef Slauerhoff aan de middelste hoofdstukken van “Het leven op aarde”.’ (‘Herinneringen aan Slauerhoff’, De Boekenkrant 1940/1941, blz. 4; ook in: Ik had het leven me anders voorgesteld. J. Slauerhoff in vraaggesprekken en herinneringen, blz. 144) Van deze ‘papiertjes’ zijn er dus enkele bewaard, zodat we er ons een voorstelling van kunnen maken. Ongetwijfeld heeft document B-V behoord tot de voorraad die Slauerhoff op zijn reis bij zich had. Vergelijk hiervoor blad [12], noot 3.

Naar aanleiding van blad [16] zij hier nog opgemerkt, dat van de bladzijden 182 en 183 van GU voor Slauerhoff kennelijk alleen de passage over Gandhâra (blz. 183) interessant was. Dit is des te opmerkelijker, omdat deze passage slechts als terloops in de tekst is opgenomen: ‘Du IVe au VIIIe siècle, un mouvement ininterrompue porta les moines hindous, par la Kachgarie, le Tibet ou l'Annam, vers le Céleste Empire; les pèlerins chinois, vers les docteurs qui interprétaient la doctrine de Çakya-mouni [dit is de Verlichte; naam voor de stichter van het boeddhisme]. Ce va-et-vient fit de la Chine et des États voisins les élèves de la sagesse aryenne et de ce curieux art grécobouddhique de Gandara (région de Péchaver), qui donne à certaines sculptures chinoises un reflet de l'Hellade. Il est probable que le bouddhisme apporta aussi de l'Inde bien des progrès matériels. De même les Jésuites de XVIIe siècle (...).’

[p. 106]

Zoals in de inleiding op de B-groep reeds is opgemerkt, heeft Slauerhoff zich waarschijnlijk in 1933 nader over Gandhâra geïnformeerd door Sur les traces du Bouddha van René Grousset te raadplegen. (Zie ook de commentaar bij document C-VII.) De onderhavige passage uit Géographie universelle las hij al in het begin van dat jaar. Hierdoor zal hij dus voor het eerst op Gandhâra zijn geattendeerd. Dat juist deze terloopse woorden zijn aandacht trokken, kan verklaard worden uit zijn voornemen in deel III de ondergang van de gehele cultuur in China te beschrijven; hoe meer facetten die cultuur vertoonde - vooral ook: westerse sporen daarvan - hoe beter. Anderzijds is het natuurlijk mogelijk dat zijn lectuur van Géographie universelle langer heeft geduurd dan wij tot nu toe hebben aangenomen. In dat geval wordt de notitie over deze terloopse Gandhâra-passage verklaard uit het feit dat hij juist in deze nasleep van de Griekse geschiedenis al bijzonder geïnteresseerd was geraakt.

Dat Slauerhoff deze aantekeningen uit Géographie universelle nog heeft bewaard na de verschijning van Het leven op aarde, wijst er waarschijnlijk op dat hij ze ook dacht nodig te hebben voor het derde deel.

+[12]
1Uitsluitend met zwart lint getypt. De meest in het oog springende typefouten zijn bij de transcriptie stilzwijgend verbeterd.
2Bron: Géographie universelle, publiée sous la direction de P. Vidal de la Blache et L. Gallois. Tome IX, Asie des moussons, par J. Sion. Première partie, Généralités - Chine - Japon (Paris, 1928). (Verder afgekort: GU.) - 7: dit cijfer geeft niet het hoofdstuk in kwestie aan; kennelijk is door Slauerhoff een verkeerde toets aangeslagen.
3Deze aantekeningen betreffen het stroomgebied van de Hoang-ho (= de Gele Rivier), in de provincies Kansu, Binnen-Mongolië, Shensi en Shansi. GU blz. 66-69. Cf. Verzamelde Werken, VI, blz. 95.
4GU blz. 73.
5Kan Tscheou: Franse schrijfwijze van Kantsjou (Chang-yeh, Zhangye), gelegen in de Gobi-woestijn, in de noordwestelijke provincie Kansu. GU blz. 72.
6Lan tscheou: Franse schrijfwijze van Lantsjou (Lan-chou, Lanzhou), hoofdstad van de provincie Kansu, aan de Hoang-ho. GU blz. 72-73. In Het leven op aarde heet deze stad ‘Lang Tsjeon’; zie ook document C-II, noot 15, en de commentaar daarbij.
7Si Ngan: (Hsi-an, Xian), de hoofdstad van de provincie Shensi, gelegen dicht bij een zijrivier van de Hoang-ho, de Wei-ho; was enige malen de hoofdstad van het Chinese rijk.
8Zes dynastieën van het Chinese rijk regeerden vanuit Si-Ngan, en wel van 1230 vóór Christus tot 907 na Christus. GU blz. 74.
9Hier is de meest noordelijke bocht van de Hoang-ho bedoeld; volgens een bepaalde overlevering ligt het graf aan de rechteroever, in het Binnenmongoolse gebied Ordos. GU blz. 74.
10Chansi: de provincie Shansi ligt in de laatste grote bocht van de Hoang-ho, tussen de provincies Shensi en Hopeh. GU blz. 77.
11GU blz. 78-79.
12Si Fam: lees Si Fan; een bergvolk in Zuidwest-China, beschaafder dan de Lo lo's (zie noot 21 hierna). GU blz. 108.
13Tsampa is niet het nationaal gerecht van de Si Fan, maar van de Tibetanen. GU blz. 109.
14Tscheng Tou: (Ch'eng-tu, Chengdu) de hoofdstad van de provincie Szechwan, gelegen ten noordwesten van Tsjoeng-King (Ch'ung-ch'ing, Chongqing). GU blz. 111-112. Zie ook blad [15], noot 3, van dit document.
15GU blz. 98. De reuzenmaïs heet daar echter kaoliang. Cf. Verzamelde Werken, VI, blz. 170.
16Shan Tung: Shantung, kustprovincie aan de Gele Zee, waar tot 1938 de Hoang-ho in zee stroomde (van 1938 tot 1947 stroomde zij meer zuidelijk in zee uit, in Kiangsu, na 1947 weer in Shantung). In deze provincie ligt ook een van de heiligste bergen van China, de Tai Shan; over de kloven in deze berg zijn bruggen gebouwd, die men poëtische namen heeft gegeven. GU blz. 92.
17GU blz. 118.
18Deze aantekening heeft betrekking op Szechwan, de provincie in het zuidwesten van China, tegen Tibet aan. GU blz. 110.
19Tsche Tsuan: Szechwan; zie de noten 14 en 18 hierboven.
20Kiu Tschang: verschrijving voor Kien-tchang. GU blz. 108.
21Lo lo's: behoren tot de zogenaamde Tai-volken; zij wonen in het grensgebied van Zuidwest-China en Tibet. GU blz. 108.
+[13]
1Tekst in inkt.
2Deze aantekeningen zijn ontleend aan GU blz. 101-103; een der paragrafen wordt daar genoemd: ‘La menace de Houang-ho’. Cf. document B-II, blad [4].
3Yu keizer: Yu werd volgens de overlevering keizer in 2205 vóór Christus; stichter van de eerste erfelijke dynastie, van de Sjia (1989-1558 v. Chr.).
4Chan Si: zie blad [12], noot 10, van dit document.
5Tsin ling bergen: het Tsinling-gebergte (Ch'in-ling Shan-mo, Qinling Shanmo), in het zuiden van de provincie Kansu en het midden van de provincie Shensi.
6aarde van de centrale bloem: Chinese benaming van de grote vlakte aan de benedenloop van de Hoang-ho.
7Tsi Nan: (Chi-nan, Jinan) hoofdstad van de kustprovincie Shantung; zie ook blad [12], noot 16, van dit document.
8Tai-ping opstand: woedde van 1851 tot 1864. De leider was een christelijk-sektarisch gedrevene. De opstand werd onderdrukt door Chinese generaals in samenwerking met een schare vrijwilligers onder de Engelse generaal Gordon.
+[v]
9Tekst in inkt.
10Een spleet: sc. in de dijk.
11In de linker marge staan twee verticale potloodstrepen.
12Hoang-ho betekent ‘Gele rivier’.
+[14]
1Tekst in inkt.
2Ning Yuan: (Ning-Yüan, Ningyuan) ligt in het zuiden van de provincie Hunan. GU blz. 108.
3colza: (Frans) koolzaad.
4Lo lo's: zie blad [12], noot 21, van dit document. GU blz. 108.
+[v]
5Tekst in inkt.
6Het roode bassin: naam voor de streek tussen Tsjoeng-King en Tscheng-tou, in Szechwan. Zie Verzamelde Werken, VI, blz. 219 (‘het roode bekken’).
7109: aanduiding voor de pagina uit GU.
8Lhassa: ook Lhasa, of Lassa (La-sa, Lasa), de hoofdstad van Tibet; GU spreekt hier echter van een weg ‘escaladant des crêtes de plus de 5 000 m., pour redescendre aussitôt de 1 000 et 2 000 m.’ en van Tibetaanse huizen ‘à deux ou trois étages’.
9Tsampa: cf. blad [12], noot 13, van dit document.
10Lamaserieën: kloosters bewoond door lama's (monniken) van de Tibetaanse en Mongoolse tak van het boeddhisme; GU: ‘bonzeries’.
11Tsche tsouan: Szechwan, provincie in Zuidwest-China, grenst aan Tibet; hoofdstad Tsjeng-tou; hier ligt ook Tsjoeng-King. GU blz. 111.
+[15]
1Tekst in inkt.
2Pao-T: misschien Pao-tou (Pao-t'ou, Baotou), gelegen aan de meest noordelijke bocht van de Hoang-ho, in Binnen-Mongolië. GU blz. 73, 82, 156.
3Tsengtou: (Ch'eng-tu, Chengdu) de hoofdstad van de provincie Szechwan, ten noordwesten van Tsjoeng-King. De ommuurde stad heeft als kern een zeer oud paleis met bijgebouwen. Tegenover blz. 177 een foto van een gebouw in Tsjeng-tou, dat Slauerhoff waarschijnlijk voor het paleis heeft gehouden; zijn beschrijving van het paleis komt overeen met dit ‘Bâtiment arrière du temple du Bélier’, zoals het onderschrift luidt. Zie ook blad [12], noot 14, van dit document.
4fong-chouei: stelsel van regels volgens welke de plaats wordt bepaald voor de aanleg van tuinen en parken en de bouw van huizen. ‘Les Chinois recherchent le site qui conciliera à la cité les faveurs des génies du ciel et de la terre, selon les règles compliquées du fong-chouei. (...) On devine que le fong-chouei n'ignore pas les avantages géographiques (...).’ GU blz. 173. Cf. Verzamelde Werken, VI, blz. 153. - In de rechter marge van dit tekstdeel staan enkele potloodstrepen.
5Wan: (Wan-hsien, Wan Xian), stad aan de Yangtse, in het oostelijk deel van Szechwan. In de linker marge van dit tekstdeel (zes regels) staat een verticale streep in rood kleurpotlood. GU blz. 173.
6Deze figuur is de weergave van de tekst uit GU blz. 173: ‘Mais la religion a fixé depuis longtemps la forme idéale dont toute cité, comme toute maison doivent se rapprocher, et se rapprochent souvent en fait. L'une comme l'autre doivent être, à l'imitation des anciens temples, des carrés ou des rectangles, percés de quatre portes vers les points cardinaux. Ces prescriptions ont été fidèlement suivies dans une foule de villes, des plus petites jusqu'aux énormes agglomérations de Pékin et de Tcheng-tou. Fréquemment, les rues se croisent à angle droit; dans le Sud, beaucoup n'ont que deux à trois mètres de largeur; dans le Nord, elles sont plus larges, car on n'y redoute pas la chaleur, et, d'autre part, les rues doivent admettre la circulation des voitures, ignorées au delà du Yang-tseu.’
+[v]
7Tekst in inkt.
8Geciteerd uit GU blz. 173; lees echter sa voisine voor son voisin.
9GU blz. 173.
9GU blz. 173.
10In de linker marge van dit tekstdeel (drie regels) staan een paar verticale potloodstrepen.
11In de linker marge van dit tekstdeel (drie regels) staat een verticale potloodstreep.
12GU blz. 174.
+[16]
1Tekst in inkt.
2Chan Si: Shansi, provincie in China; zie blad [12], noot 10, van dit document. GU blz. 179.
3Tsin, Tschou, (China): ten tijde van de Chou-dynastie (1050-256 v. Chr.) strekte het Chinese rijk zich uit van het bekken van de Hoang-ho tot aan de Yangtse. De naam van de staat was Chou, waaraan de dynastie haar naam ontleende. De staat was samengesteld uit een aantal kleinere staatjes, waaronder Ch'in, in de huidige provincie Shensi. Dit staatje verkreeg ten slotte de suprematie in Chou. Daaraan ontleent China zijn naam. GU blz. 180.
3Tsin, Tschou, (China): ten tijde van de Chou-dynastie (1050-256 v. Chr.) strekte het Chinese rijk zich uit van het bekken van de Hoang-ho tot aan de Yangtse. De naam van de staat was Chou, waaraan de dynastie haar naam ontleende. De staat was samengesteld uit een aantal kleinere staatjes, waaronder Ch'in, in de huidige provincie Shensi. Dit staatje verkreeg ten slotte de suprematie in Chou. Daaraan ontleent China zijn naam. GU blz. 180.
3Tsin, Tschou, (China): ten tijde van de Chou-dynastie (1050-256 v. Chr.) strekte het Chinese rijk zich uit van het bekken van de Hoang-ho tot aan de Yangtse. De naam van de staat was Chou, waaraan de dynastie haar naam ontleende. De staat was samengesteld uit een aantal kleinere staatjes, waaronder Ch'in, in de huidige provincie Shensi. Dit staatje verkreeg ten slotte de suprematie in Chou. Daaraan ontleent China zijn naam. GU blz. 180.
4Han: de Han-dynastie regeerde van 206 vóór Christus tot 221 na Christus; toen werd ook het zuiden veroverd.
5miao: Miao is de verzamelnaam van enige tientallen stammen van de oorspronkelijke bevolking. De Chinezen hebben hen verdreven naar het bergland in Zuid- en Zuidwest-China.
6sifan: het Sifan-gebergte ligt ten westen van de provincie Szechwan en vormt er de grens met Tibet. Daar leeft ook het volk van die naam, eveneens behorend tot de oorspronkelijke bevolking. Zie ook blad [12], noot 12, van dit document.
7lo lo's: zie blad [12], noot 21, van dit document. Deze stam wordt hier, GU blz. 180, niet genoemd; het is een toevoeging van Slauerhoff.
8Si-ngan, Ho nan, Kai fong: de steden Ho-nan (nu: Lo-yang, Luoyang) en Kai-fong (K'ai-feng, Kaifeng) liggen in het stroomgebied van de Hoang-ho, in de provincie-Honan, een der meest centrale en dichtstbevolkte van China. Si-ngan (Hsi-an, Xian) is de hoofdstad van de provincie Shensi en ligt dicht bij een zijrivier van de Hoang-ho, de Wei-ho. GU blz. 181. Zie ook blad [12], noot 7, van dit document.
9Sesam: oliehoudend gewas, in subtropische en tropische streken. GU blz. 159.
10arachiden: aardnootplanten. GU blz. 159.
11Gandara: Gandhâra, de oudindische naam voor de vlakte van Peshawar, de noordwestelijke provincie van het huidige Pakistan, aan de grens met Tibet. Ten gevolge van de veroveringstocht van Alexander de Grote ontstond hier onder Hellenistische invloed een Graeco-boeddhistische kunstvorm (circa 100 v. Chr. tot circa 500 n. Chr.). Zie verder document B-II, blad [5], en de commentaar daarbij.
12reg. de Peshaver: ‘région de Péchaver’. GU blz. 183.
13camelia: ‘camellia (sinensis)’, lijkt veel op ‘thea sinensis’, de theeplant; Slauerhoff neemt de Franse schrijfwijze over, met verwaarlozing van het accent op de e. GU blz. 159.
14In de linker marge van de laatste twee regels staan een paar verticale potloodstrepen.

prepostterug  begin  verder