Vijf bladen, door de editeurs genummerd: [12] tot en met [16].
Blad [12]: afkomstig van een schrijfboek van folioformaat, gelinieerd; het onderste gedeelte is afgescheurd; aan één zijde beschreven, met machineschrift.
Blad [13]: postpapier, gelinieerd; links boven bedrukt met: Holland West--Afrika lijn N.V. | Amsterdam etc., rechts boven: Aan boord S/S. ... 193.., links onder: w.a. 117. 50-8-'31.; recto en verso beschreven, met inkt.
Blad [14]: als [13]; recto en verso beschreven, met inkt.
Blad [15]: als [13]; recto en verso beschreven, met inkt.
Blad [16]: als [13]; recto beschreven, met inkt.
September 1932 tot begin 1933.
+17 Uit Geografie universelle.2
De loss [lees: löss] vult als een dikke ge[e]le sneeuw het landschap en vult alle holten
Waar water heeft geloopen een warnet van diepe ravijnen.
Forten, burgen.
De menschen wonen soms 50 M diep onder hun akker. warm en veilig de akkers zijn eeuwenlang familiebezit.
Als een reiziger voorbijgaat kan een schijnbaar onbevolkte streek plotseling een wemelende mierenhoop worden.
De ge[e]le aarde is het kerkhof van ontelbare plantengeneraties.3
De Hoang Ho wordt alleen helder als een magistraat naar rechtvaardigheid vonnist.4
Kan Tscheou is een oase5
Lan tscheou een ommuurde stad met torens en vluchtheuvels.6
Si Ngan7 zeer archaisch, 6 dynastie[ë]n 1230 9078
Het graf van Dschengis Khan ligt in de bocht van de Hoang Ho.9
Chansi dadel kan gedroogd jaren later als voedsel dienen.10
Chan si industrieel onafhankelijk is t meest vaderland van alle chineesche provincies.11
Tibet
Si Fam nog beschaafder, mooie huizen12
Tsampa is nationaal gerecht van thee boter gerst.13
Tscheng Tou.14
Ceders, cypressen, papavers oranjeboomen gardenia's azalea's wilgen populieren.
Kao long reuzenmais 4 M hoog ruiterscharen kunnen zich erin verbergen.15
Shan Tung.16
Sneeuw bloemen burg [lees: brug]
regenbogen brug
Ceders thuya's pijnen.
Yang Tse, vroeger een reeks me[e]ren waarvan het Tong Ting meer nog over is.17
Pagodes
waardoorheen cypressen als tengere torens die er bij hooren
Tempels aan de oevers van het meer als schiphuizen.
Londensche mist op tropisch landschap.18
In Tsche Tsuan19
lelies orchidee[ë]n eiken, dennen, bamboes rhododendrons, thuja's
Kiu Tschang, beroemde opium.20
De Lo lo's dragen pelerines die hun dienen als tent regenscherm legerstede.21
Nomaden leven in groote vilten tenten, als hoeden:
Hoangho.2
Het [lees: De] barstende aorta van China.
Nu eens werpt hij zich naar t Noorden - dan naar t Zuiden -
Uitgestrekte moerassen: negen oude armen.
Yu keizer3 beroemde indijker
De stroomen van Chan Si4 dringen de H.ho naar 't Zuiden -
Tijdens een oorlog (1194) lette men niet op hem -
Na de inondatie zijn de dorpen 3 M. onder de löss begraven.
Randplateau's Chansi en Tsin ling bergen5. ‘aarde van de centrale bloem’6
Ho〈- n〉angho geen verbinding doch een barrière
Vermeden door de wegen.
Tsi Nan7 is de eenige stad aan zijn oevers.
Tegelijk met de Tai-ping opstand8 ook een doorbraak van de Hoang-ho -
+9Wanneer de dijken slecht bewaakt worden komen er doorbraken. (dus: in troebele tijden)
(De landen liggen vaak 5 M. dieper)
Een spleet10 is noodlottig.
11De dijkdoorbraak voorspelt het einde van een dynastie --
Zonder plan wordt de Hoangho bedwongen. Iedereen dijkt zijn eigen land af.
Steeds onzeker.
Een groot Holland dat de vloed nog niet heeft overwonnen.
Slechts minieme schepen varen op de Hoangho.
Noord China is 't land der Ge[e]le aarde
niet dat van de ge[e]le rivier12
Midden China is wel het Yang Tse dal
〈- 's zomers.〉 februari -- koren boonen colza3
suikerriet
juni - dezelfde akkers:
rijstvelden.
Lo lo's.4 mantels als poncho's
slapen erop. Tulbanden; gehoornde duivels.
Wonen op ravijnenranden.
1097 Weg naar Lhassa, over kammen van 6000 M.
steil dalend naar kammen van 2000 M
tibetaansche huizen 3 étages8, daken terrassen
met masten waarin banieren wapperen met boedd[h]istische gebeden bedekt.
Karavanen: huiden, muscus, goud, kruiden, the[e].
Tsampa9: thibet. gerecht; meel, thée boter.
gerst. nomaden in groote zwarte tenten
Lamaserie[ë]n10 3000 monniken.
Tsche tsouan11 huizen.
witte muren
rieten daken
zwarte balken
Daken als omgebogen vleugels in lagen.
Paleis, breede witte wering daarboven opgebogen zwarte daken.
Ook de steden worden gebouwd volgens de regelen van fong-chouei4 - die de gunsten van geesten van aarde en hemel verzekeren
Wan5. heeft een volmaakte ligging -
een rots die vooruitspringt in de rivier heeft de vorm van de beschermdraak. □ daarachter kunnen jonken ankeren
Een versmalling waarop pagode's staan belet de Yangtse de vruchtdragende bestanddeelen te spoedig naar zee te dragen:
‘de welvaart weg te spoelen’.
nauwe straten: geen zon en lucht.
breede straten: wel zon en lucht
geen rijtuigen
+7chaque rue s'isole de son voisin par des barrières fermées la nuit --8
Nachtwakers doen de ronde
In t midden: officieele doode stad.
Daaromheen: bloeiende handelswijken9
Straten: gestampte leem, vuilnishoopen gaten.
elk gilde een straat.9
10Geen gebouw onderscheidt zich van de andere[n] aan de voorgevel.
De rijke huizen in afgelegen straten. 〈- de〉 hermetische façaden, deur eenigste opening.
11Mandarijnenpaleizen; gangen en pleinen omringd door lage gebouwen -
Tijdelijke voorsteden in de uiterwaarden van de rivieren
Hutten van leem en riet.12
bocht van de Hoangho - Chan Si.2
terrassen. regen löss wieg van de chineesche beschaving.
___
| verovert | { Tsin3. | in Tschou3 |
| alles | { (China)3 | |
| naar t | { Han4 | miao5. sifan6. lo lo's7. |
| Zuiden | { dynastie | nog niet geassimileerd. |
Militaire kolonies in het zuiden.
Si-ngan. Ho nan. Kai fong8
oude hoofdsteden vereeuwigd door schilders en dichters -
Naar aanleiding van hun gezamenlijke reis door Spanje in het begin van het jaar 1934 vertelt Albert Helman iets over Slauerhoffs werkwijze: ‘In zijn haast onleesbaar schrift, op duizenderlei verschillende papiertjes en in cahiers, schreef Slauerhoff aan de middelste hoofdstukken van “Het leven op aarde”.’ (‘Herinneringen aan Slauerhoff’, De Boekenkrant 1940/1941, blz. 4; ook in: Ik had het leven me anders voorgesteld. J. Slauerhoff in vraaggesprekken en herinneringen, blz. 144) Van deze ‘papiertjes’ zijn er dus enkele bewaard, zodat we er ons een voorstelling van kunnen maken. Ongetwijfeld heeft document B-V behoord tot de voorraad die Slauerhoff op zijn reis bij zich had. Vergelijk hiervoor blad [12], noot 3.
Naar aanleiding van blad [16] zij hier nog opgemerkt, dat van de bladzijden 182 en 183 van GU voor Slauerhoff kennelijk alleen de passage over Gandhâra (blz. 183) interessant was. Dit is des te opmerkelijker, omdat deze passage slechts als terloops in de tekst is opgenomen: ‘Du IVe au VIIIe siècle, un mouvement ininterrompue porta les moines hindous, par la Kachgarie, le Tibet ou l'Annam, vers le Céleste Empire; les pèlerins chinois, vers les docteurs qui interprétaient la doctrine de Çakya-mouni [dit is de Verlichte; naam voor de stichter van het boeddhisme]. Ce va-et-vient fit de la Chine et des États voisins les élèves de la sagesse aryenne et de ce curieux art grécobouddhique de Gandara (région de Péchaver), qui donne à certaines sculptures chinoises un reflet de l'Hellade. Il est probable que le bouddhisme apporta aussi de l'Inde bien des progrès matériels. De même les Jésuites de XVIIe siècle (...).’
Zoals in de inleiding op de B-groep reeds is opgemerkt, heeft Slauerhoff zich waarschijnlijk in 1933 nader over Gandhâra geïnformeerd door Sur les traces du Bouddha van René Grousset te raadplegen. (Zie ook de commentaar bij document C-VII.) De onderhavige passage uit Géographie universelle las hij al in het begin van dat jaar. Hierdoor zal hij dus voor het eerst op Gandhâra zijn geattendeerd. Dat juist deze terloopse woorden zijn aandacht trokken, kan verklaard worden uit zijn voornemen in deel III de ondergang van de gehele cultuur in China te beschrijven; hoe meer facetten die cultuur vertoonde - vooral ook: westerse sporen daarvan - hoe beter. Anderzijds is het natuurlijk mogelijk dat zijn lectuur van Géographie universelle langer heeft geduurd dan wij tot nu toe hebben aangenomen. In dat geval wordt de notitie over deze terloopse Gandhâra-passage verklaard uit het feit dat hij juist in deze nasleep van de Griekse geschiedenis al bijzonder geïnteresseerd was geraakt.
Dat Slauerhoff deze aantekeningen uit Géographie universelle nog heeft bewaard na de verschijning van Het leven op aarde, wijst er waarschijnlijk op dat hij ze ook dacht nodig te hebben voor het derde deel.