Eén blad, van een schrijfblok van kwartoformaat; gelinieerd; aan één zijde beschreven, met inkt.
Door de editeurs genummerd: [23].
1933, of iets later.
+Kao tsou, eerste Han1 - liet de grijsaards van zijn land bijeenkomen, bood hun een banket aan, en zong. begeleid door 120 kinderen, het
‘Lied van de groote wind’
vol zware melancholie, vol voorgevoel v〈- oo〉an de dood van de vorst.2
___
Het rijk van de ge[e]le bron3.
de wateren van de onderwereld.
Voor het district Tchong King -- is de directeur -- de oudoom van de Toesjoen4. Men moet dus voorzichtig te werk gaan -
Als de petroleum opspuit gelooven de bewoners dat deze inbreekt in de oude orde vreezen ze vol bijgeloof5
De eerste helft van de tekst is ontleend aan: Sung-nien Hsu, Anthologie de la littérature chinoise des origines à nos jours (Paris, 1933), door Slauerhoff gerecenseerd in de Nieuwe Arnhemsche Courant van 23 september 1933. Blz. 16 van de ‘Introduction’ vermeldt: ‘Le fondateur des Han Occidentaux, Kao tsou (247-195),
après avoir consolidé son empire, retourna, en 195, dans son pays natal. Là, il rassembla les vieillards de ce pays, leur offrit un festin, et, accompagné de cent vingt enfants, chanta le Chant du grand vent où transparaît une profonde mélancolie, peut-être même le présage de la mort du souverain.’
Op blz. 104 staat de Franse vertaling van dit gedicht afgedrukt:
Chant du Grand Vent
Le grand vent s'élève, les nuages flottent.
Après avoir répandu ma puissance par tout l'univers, je retourne dans mon pays natal;
Comment pourrai-je avoir des héros pour garder les frontières?
Kao Tsou (Lieou Pang), empereur des Han.
Het gedicht is geschreven in 195 vóór Christus.
Of de verklaring van Het rijk van de ge[e]le bron, als de wateren van de onderwereld, ook uit deze anthologie is overgenomen, is niet zeker. Inderdaad komt ‘Sources Jaunes’ verscheidene keren in de gekozen Chinese teksten voor en wordt dan in een voetnoot toegelicht, bij voorbeeld op blz. 216: ‘Sources Jaunes, c.-à-d. sources souterraines, demeure des morts.’ Het is echter een wijdverbreid gegeven in de Chinese literatuur en kan dus ook uit een ander boek zijn overgenomen. In ieder geval blijkt hier, dat Slauerhoff de symbolische betekenis voor de Chinezen van de kleur geel gekend heeft.
De notities onder de streep hebben kennelijk direct betrekking op Het leven op aarde. Omdat ze onder het citaat uit de anthologie zijn geschreven, moeten ze eind 1933 of begin 1934 zijn opgetekend. Slauerhoff werkte aan de Tsjong King-episode in 1934 (zie de inleiding op de C-groep en de commentaar bij document B-VII, blad [18v]). De aantekening over de oudoom van de Toesjoen - in de roman Lao Yin geheten (in Forum drie maal van de zeven abusievelijk Tsang genoemd) - is echter niet overgebracht (cf. Verzamelde Werken, VI, blz. 123-126 en 146-147). Die over het bijgeloof daarentegen wel. Vergelijking van document C-IV, blad 52-55, met document C-VII, blad 17-18, en van beide met Verzamelde Werken, VI, blz. 201-203, laat dit duidelijk zien: de angst voor de geesten uit de onderwereld wordt steeds meer aangescherpt.