Vijfendertig kwartobladen, alle aan één zijde gebruikt. Door de editeurs genummerd: [1] tot en met [35]. De bladen [28] tot en met [32] zijn ook al door Slauerhoff genummerd, aldus: 27, 〈- 29〉 28, 29, 30, 31. De bladen [23], [24] en [25] zijn bovendien links boven genummerd met Romeinse cijfers: II, III, IV; op blad [22] ontbreekt het cijfer I.
De bladen [1] en [35] zijn afkomstig van een schrijfblok waarvan het papier enigszins aan linnen doet denken.
De bladen [2] tot en met [21], [26] tot en met [29] en [31] tot en met [33] zijn vellen postpapier met recto links boven gedrukt: j. slauerhoff | arts en rechts boven: wassenaar,...; watermerk: Original | TIM paper, gevolgd door een niet goed te ontcijferen monogram binnen een cirkel.
De bladen [22] tot en met [25], [30] en [34] zijn van een eenvoudige Japanse papiersoort. Ze zijn gesneden van een groot vel met een zeer groot watermerk, waarvan alleen te reconstrueren valt: Imperial-Japon en Mikado.
Bij het postpapier staat de geschreven tekst aan de versozijde, behalve bij de bladen [9], [11], [31] en [32].
De tekst: De bladen [1] tot en met [21] en [26] tot en met [35] bevatten een door Slauerhoff getypte tekst in doorslag. De verbeteringen zijn òf in machineschrift, òf in handschrift uitgevoerd. De met de hand geschreven verbeteringen zijn haast alle aangebracht door mevrouw A. Kleissl-Holtus, met inkt; slechts enkele, in inkt of potlood, zijn van de hand van Slauerhoff. (Voor mevrouw Kleissl: zie de inleiding op de C-groep.)
De bladen [22] tot en met [25] - die welke links boven genummerd zijn met II tot en met IV (I ontbreekt) - bevatten uitsluitend tekst in het handschrift van mevrouw Kleissl. Dat deze bladen door mevrouw Kleissl overgeschreven zijn van het origineel (of van een al of niet gecorrigeerde doorslag) is duidelijk bij bestudering van de tekst. Zo staat er andre, wat Slauerhoff vaak schreef, waar zij zeker ‘andere’ zou hebben geschreven als haar gedicteerd was. Bovendien ziet het manuscript er veel te ordelijk uit voor een gedicteerde tekst. De omvang van de overgeschreven tekst komt overeen met twee bladen typoscript van Slauerhoff. Om de een of andere reden moeten deze twee bladen niet goed bruikbaar zijn geweest.
De hier gepresenteerde tekst is over het algemeen de eindtekst van het document. Dit wil zeggen dat verbeteringen die mevrouw Kleissl heeft aangebracht zonder de basistekst inhoudelijk te wijzigen, niet apart zijn aangegeven. Hieronder vallen alle door haar aangebrachte leestekens, hoofdletters en verbeteringen in de spelling. De spelfouten die zij over het hoofd heeft gezien, zijn over het algemeen door de editeurs stilzwijgend verbeterd, om de leesbaarheid van de tekst te vergroten; onzekerheid omtrent de juiste translitteratie komt bij deze getypte tekst immers vrijwel niet voor. Zo is ook aan het eind van een zin een schuine streep of een kruisje stilzwijgend weergegeven met een punt. De verworpen varianten echter zijn diplomatisch overgenomen.
Aldus representeert de hier geboden tekst drie opeenvolgende tekstfasen:
a) De basistekst, dat is de door Slauerhoff uit een voorafgaande versie overgenomen of bewerkte tekst; hiertoe behoren ook de verbeteringen die Slauerhoff tijdens het typen in machineschrift aanbracht; ze zijn van de gewone diacritische tekens voorzien.
b) De inhoudelijke verbeteringen, door mevrouw Kleissl aangebracht in overleg met Slauerhoff of aan de hand van het door Slauerhoff gecorrigeerde oorspronkelijke typoscript; ze zijn tussen schuine strepen geplaatst of waar het alleen maar doorhalingen betreft tussen scherpe haken en worden in dit laatste geval in de noten verantwoord.
c) De inhoudelijke verbeteringen die Slauerhoff ná de correctie door mevrouw Kleissl heeft aangebracht; ze zijn eveneens tussen schuine strepen geplaatst en worden in de noten afzonderlijk verantwoord.
De tekst van dit document is een voorontwerp van het slot van Het leven op aarde: Verzamelde Werken, VI, blz. 171, regel 7 van onder, tot het eind van de roman op blz. 224.
De eindtekst op de bladen [1] tot en met [17], [22] tot halverwege [30], en [34] onderaan tot en met [35], komt (vrijwel) overeen met de romantekst. Om deze reden worden de bladen [1] tot en met [16] hier niet weergegeven. De bladen [17] tot en met [21] bevatten het laatste voorontwerp van het slothoofdstuk van de roman; dit ontwerp, dat nogal afwijkt van de romantekst (behalve blad [17]), is hier in zijn geheel opgenomen. De hierop volgende ‘Epiloog’, misschien wel het meest intrigerende gedeelte van de roman, is ook integraal weergegeven (de bladen [22] tot en met [35]), hoewel alleen de bladen [30] vanaf het midden tot [34] onderaan een van de roman afwijkende tekst vertonen.
Tussen eind juni en half juli 1934. Doorslag van de kopij die aanvankelijk bestemd was voor de uitgever ten behoeve van de publikatie in Forum, oktober 1934.
[Niet weergegeven: blad [1] tot en met [16]]
+hoofdstuk v
De boormeesters waren eerst niet voornemens geweest, de aanwijzingen van de vreemdeling op te volgen en door te boren op de plek die hij had aangewezen. □ Zij hadden een dunne slappe bamboe stengel uitgezocht die doorboog al was het blok ook licht, de valhoogte klein, de koelies die aan het touw trokken traag en loom, voelend dat dit werk er niet op aankwam.
Zij liepen niet ver weg in een strakke rij om dan opeens los te laten maar bleven er bij
zitten vierden,1 en palmden 〈- het〉 weer in, zonder zich van hun plaats te bewegen, rookten erbij en speelden hasard. 's Middags trokken zij driekwart slapend, zooals de poenkatrekkers2 ergens in een hoek van 't vertrek op hun hurken dommelend toch steeds het touw waaraan het blarenscherm is bevestigd op en neer blijven halen, zoodat de luchtstroom aanhoudt.
Maar na een paar dagen was toch een grooter diepte bereikt dan ergens anders waar het boren volgens de regelen gebeurde met een stevige boor een zwaar blok en een opgezweepte ploeg.
Het water stond al vrij hoog in de schacht en had vreemde glanzen en kleuren. □ De vreemdeling echter, kwam niet terug. Waarschijnlijk was hij weer gevangen gezet. Misschien konden de boormeesters zijn geheim voor zich houden.
□ Dit vocht dat er zoo vreemd uitzag moest ook wel bizondere eigenschappen hebben. Misschien werkte het geneeskrachtig, misschien kon het de steenen week maken zoodat het groote bouwen weer gemakkelijk werd 〈- zo〉3 als in de oude tijden toen 〈- men de〉 de 〈- menschen〉 /ouden/ de groote muren hadden gemaakt die de menschen van nu zelfs niet konden afbreken.
De zwakke stellage werd door een sterke vervangen, het blok verzwaard, de koelies hadden nu geen tijd meer voor dommelslaap en tersluiksch spel ook 's middags niet, zij liepen af en aan, in lange strakke rij, honderd man 〈- sterk〉 achter elkaar, een even sterke ploeg als die welke de zwaarste jonken door de snelste watervallen bij I-Tschang4 sleepen.
Een van de meesters was altijd aanwezig om toe te zien dat de heikabel geen oogenblik verslapte dat de dreuning van het blok op de van een koperen band aan 't boveneind omklonken bamboe regelmatig doorging bij felle zon zoowel als 〈- bij〉 in maanlooze nachten bij glimmende vuren, in regennachten bij overdekte toortsen.
Waarom hen deze haast had bevangen terwijl ze levenslang niet hadden gedaan dan boringen leiden waarbij het op een maand niet aankwam, ze wisten het zelf niet. Was het de hoop door dit bizondre uit de levenskring waarin het gilde hen gevangen hield te ontkomen de verhevene te naderen?
Toen het gebeurde vluchtten ze even hard als de koelies, verborgen zich in de menigt/e/ en maar een had de moed het de Toe Tsjoen te melden.
Het was ook te vroeg, te onverwacht. Het had nog weken moeten duren, langzaam en statig had de nieuwe bron zijn straal ten hemel moeten zenden.
[regel wit]
Maar op een middag juist tijdens een van de al zeldzamer en korte rustperiodes gebeurde het.
De aarde schokte, allen vielen tegen de grond Een onderaardsch, nog onderdrukt gebrul, weerklonk. Een groote scheur ging dwars over de vlakte op de plaats van de stellage vormde zich een diepe kratervormige zweer in de aarde, de stellage verdween er in, daarna spoot er geen straal maar een steenen- en slijkregen in de hoogte.
Enkelen werden gewond, allen bevuild.
Toen liep de zweer vol met het vreemde vocht, nu niet meer violet en paars maar +troebelgeel, het welde over de randen breidde zich uit over het plein || □ Voordat hun bezinning terugkeerde was het in een meer veranderd aan welks rand zij zaten te verdwaasd om te vluchten.
Toen de vloed bleef aanhouden en er weer slijkregens opgingen waren er enkelen die voor deze ramp grooter werd zich zelf ombrachten door aarde in hun mond te nemen. De andren vluchtten naar de hooge wallen, niet ver daarvandaan, ook de bevolking kwam opzetten. De wallen die hun veiligheid verzekerden voor gevaar van buitenaf schenen hun ook het veiligst bij de inwendige overstrooming.
Terwijl in de stad het stemmenrumoer niet ophield en aanzwol heerschte hier aan de rand een vreemde stilte. alleen kletterde nu en dan een steenenregen neer 〈- op〉5 ontploften gassen in het gele meer.
Toen de Toe Tsjoen aankwam met zijn gevolg waren de muren al bezet, hij vond plaats op het platform van een wachttoren
〈- T〉 En steeds bleef de bevolking optrekken 〈- de muren w〉
Allen zagen op naar de Toe Tsjoen maar deze deed niets om het gevaar te keeren Vermocht hij niets tegen de macht van de onderwereld die al het levende met een vochtige laag ging overtrekken?
Toen Kia So aankwam onder bekkenslag en trompetgeschal met een stoet van gemaskerde priesters moest er plaats worden gemaakt door hen die aan de rand stonden naar beneden te stooten.
Hij stelde zijn volgelingen langs de rand van de muur op en bracht de gewijde muziek tot zwijgen. Daarna liep hij op de wachttoren toe en in de stilte om hem heen voor 't front van 't volk riep hij nogmaals om de dood van de rampenbrenger voordat hij met het bezweringswerk ging aanvangen.
〈+ Verbolgen en van gramschap overkokend wendde Kia So zich tot het opgehoopte volk aan de voet van de toren en riep het tot getuige dat de Toe Tsjoen wetend dat de vreemdeling de rampen bracht deze toch leven liet.〉
En iedereen verwachtte dat de Toe Tsjoen nu, in 't aangezicht van 't gevaar de vreemdeling die onbegrijpelijk zijn gunsteling voor een tijdlang was geweest naar beneden zou laten werpen.
Maar terwijl hij sprak drongen een paar vrouwen uit het gedrang naar voren grepen Kia So en de vechtende kluwen viel naar beneden 〈- en bleef〉
Kia So bleef liggen, de andren kropen een eind van hem af en bewogen toen niet meer. De lagere priesters verstrooiden zich haastig tusschen de menigte sommigen

11. Facsimile van document C-VII, blad [18] (verkleind).
trokken hun geestelijk kleed uit en wierpen het naar beneden. 〈+ De plotselinge dood van de machtige en kwaadaardige oorlogsgodtempelhouder trok bijna niet de aandacht van het volk dat in steeds dichter drommen op de wallen stond als een te talrijke bezetting op 〈- een zin〉 de bovendekken van een zinkend schip.〉 □ De vloed kwam snel opzetten, de lichamen begonnen weg te drijven, de bevolking drong om de wachttoren heen en riep om hulp.
De Toe Tsjoen wendde zich tot Cameron.
Is er een middel om het onheil te keeren?
〈- Ja er is een middel〉 Als een stuk van de muur afgebroken kan worden voordat de stad zelf is ondergeloopen kan de olie in de gracht afvloeien en verder het veld in.
Een stuk van de muur afbreken? Dat is een schennis En 't volk zou het niet begrijpen, denken dat men Tschong King gaat verwoesten of minstens prijsgeven aan zijn vijanden. En dan, het zou dagen duren.
〈- Ik beschik over een middel〉6
+Ik weet een middel om de muur onmiddellijk over een kleine afstand te openen. Dan moet ik een vrijgeleide hebben naar het arsenaal om het te halen.7
De Toe Tsjoen wilde beraadslagen. Maar Cameron drong aan er was haast bij als men langer wachtte liep de heele stad onder. Toen kon hij gaan.
□ Hij moest de muur over een groote afstand omloopen voordat 〈-het〉 de bodem erbinnen droogstond. De vluchtelingen waren schaarscher hoe verder men van de bron van de ramp afkwam. Het was alsof deze de bewoners aantrok, alsof ze wilden waken, de neiging tot vluchten was niet sterk. □ In groote stadsgedeelten ging het leven nog zijn gewone gang. Wel liepen omroepers door de straten om te waarschuwen de huizen te verlaten en buiten de stad te gaan omdat een overstrooming dreigde. Maar de meesten geloofden het niet, begrepen het ook niet, want de rivier stond laag en waar kon het anders vandaan komen.
Wel was het arsenaal stil en verlaten, het werk was er voorgoed gestaakt.
□ In de hoek waar hij gewoonlijk lag te rooken vond Cameron Sylvain, dood, maar in een volkomen ontspannen ongedwongen houding, de pijp nog in de hand, naast een uitgedoofd komfoor en een halfvol blikje.
Het was gelukt, rookend was hij overgegaan, de laatste tochtgenoot had het doel bereikt, alleen hij zwierf nog over de aarde zonder te weten waarheen. /Kon hij hier niet gaan liggen naast Sylvain en het einde afwachten? □ Altijd belette hem één enkel verlangen één op zich genomen taak vrijwillig de verlangde dood te zoeken. Het arsenaal verwoest en vervallen leek hem nu zoo aanlokkelijk./
Na eenig zoeken vond hij de pakken springstof 〈- waarmee〉 〈+ die voor〉 de granaten was bestemd. Met elkaar was het wel voldoende voor een mijn en de muur was op die plaats nogal wrak er was dus kans.
〈- Toen hij weer terug was〉 Gedurende zijn aanwezigheid [lees: afwezigheid] was de vloed niet gestegen, sommigen dachten iets gedaald, en de Toe Tsjoen aarzelde weer
zijn toestemming te geven. De tijd verstreek maar weldra 〈- wies[ch]〉 〈+ kwam〉 het weer opzetten Sommigen zagen Cameron er op aan Het werd tijd voor de ingreep. De Toe Tsjoen zwichtte en plotseling begonnen zijn gardes een stuk muur te ontruimen wat slechts gedeeltelijk gelukte, wezenloos en versuft bleven er mannen en vrouwen met kindren liggen, zitten, hurken. □ Hij liet omroepen dat de bevolking het veld moest intrekken, maar enkelen gaven gehoor, hadden de moed de stad te verlaten en zich aan hun eigen lot op de leege aarde toe te vertrouwen[.], de meesten bleven aan de wallen hangen 〈- en wachten welke ram〉 een nog grooter deel hokte in de huizen. Wel zag men in de verte alle jonken die anders in dichte zwermen in de bocht van de stroom lagen zonder zich ooit te verroeren nu als een enorm zwart en ruig vlot afzakken. De vloed scheen nu ook hooger gelegen deelen van de stad binnen te dringen. Want van weerszijden vermeerderde de bezetting van de muur. drong naar 't midden, er was geen steen meer te zien, een breede ring van menschen rompen, hoofden, ledematen, was om de stad geslagen. En telkens moesten de gardes een charge uitvoeren om het stuk muur leeg te houden, er begonnen meer en meer dooden, gestikt of neergesabeld naar binnen te vallen. □ De Toe Tsjoen gaf een teeken, Cameron, van enkele wachten vergezeld daalde de steile binnenhelling af, liet een gat graven nauwelijks een meter boven het olieoppervlak zoodat de overlaat zoo spoedig mogelijk zou zijn bereikt.
Hij maakte het magazijn, legde een korte lont, hij dacht nauwelijks tijd te hebben nog naar boven te klimmen om op de wachttoren de ontploffing af te wachten.
+Maar er was tijd genoeg. Het bleef stil, de opwelling van de olie ging door er kwam golving aan de oppervlakte er dreef van alles op rond vreemd hoog er boven uitstekend, huisraad nauwelijks ondergedompeld, een sampan trachtte er over te varen alsof er al een veerdienst naar de bovenstad zou komen maar deze sloeg om.
Zacht en glijdend kabbelde de olie tegen de binnenmuur.
Cameron wilde de Toe Tsjoen en zijn gevolg overreden zich te bergen in een van de steenen vertrekken maar zij weigerden er gebeurde immers niets, ze geloofden niet dat een ontploffing zoo hevig en levensgevaarlijk kon zijn, als hij nog kwam.
Was de springstof bedorven, de lont gedoofd of verkeerd gelegd?
Hij had een dergelijke angst als voor het mislukken van het toestel maar nu samengeperst, oneindig versneld, en plotseling trad volkomen onverschilligheid voor het eigen lot in, het einde was daar[.], hij klom naar beneden om de lont te verleggen om desnoods de mijn zelf aan te steken er moest ruimte komen, het moest de verstarring waarin Tschong King en allen bevangen waren moest worden gebroken.
Op dat moment had de mijn besloten, toch maar te ontploffen. Doffe knallen, het midden van de muur werd opgelicht, eerst in massa toen maakten de steenen zich los, een wolk van puin steeg op onder 't gejammer van de meegerukten waarvan sommigen in de olie vielen anderen in de buitengracht rolden of verpletterd neerkwamen op de rand van de muur.
De ontstane bres was breed beneden smaller boven maar telkens nog viel een stuk muur in en breeder en hooger werd de afstrooming van de olie in de gracht.
Tschong King scheen gered, het grootste gevaar dat sinds zijn ontstaan had gedreigd ontsnapt. De vreemdeling die de ramp misschien opgeroepen maar ook bezworen had
was verdwenen, ondergegaan met het door hem ontketend geweld, en ook dat was een reden tot opluchting.
Men had hem anders magistraat moeten maken met de titel van redder van de stad en bestrijder der onderwereld en dat zou veel moeilijkheden teweeg hebben gebracht. Nu was men weer van alle vreemdelingen bevrijd en zeer strenge decreten zouden worden uitgevaardigd dat nimmermeer een in de stad zou komen onder welk voorwendsel ook.
De olie stroomde nu met de snelheid van een ondiepe bergbeek 〈- amode[?]〉 door de muur in de ondiepe vestinggracht, zou spoedig over de lagere overkant in het veld afvloeien.
Maar de bevolking bleef 〈- onwrikbaar bovend muur〉 de muren bezetten en deze onwrikbaarheid had iets onheilspellends vooral daar de avond viel, de stad donker werd, nergens lichten werden ontstoken en iets onbereikbaars kreeg alsof het, eens in de macht van de onderwereld geweest, niet meer door de levenden kon worden bewoond.
Toen de avondzon onder de wolken die dien dag niet opgetrokken waren uitscheen kreeg het een vreemde bleekviolette glans.
〈- Meer en meer begon en der van de muren toch het veld ingaan.〉8
〈- De toe tsoen die het voorbeeld geven wilde da〉
En opeens was Tschong King er niet meer.
Een dikke vuilgele wolk vulde de kring van de wallen. Hier en daar ontstonden zwarte haarden en eindelijk klommen de vlammen er bovenop. □ Alleen het oorspronkelijk bronmeer bleef nog vrij van vuur en rook misschien was daar de olie te veel met water vermengd.
De bevolking begon nu over de buitenmuur en door de gracht over de velden af te vloeien. Nergens ontstond een paniek en velen bleven nog steeds naar binnen staren alsof ze geloofden dat Tschong King onder de rook en walm wel weer te voorschijn zou komen.
Ook de Toe Tsjoen klampte zich vast aan de balustrade van de wachttoren, maar hij gaf zijn gevolg vrij de post te verlaten en bijna allen gaven gehoor. Een eind verder was een brug over de gracht afgezet door de garde aan de overkant stonden draagstoelen en paarden gereed en in goede orde trokken de voornamen de vlakte in zonder acht te slaan op de vluchtelingen waarvan al velen bezweken.
+Meer en meer bleven steken in de gracht waar het slijk met olie gemengd een groote zuigkracht had gekregen, de zwakken konden hun stappen niet meer ophalen, zij die hun last van have en goed niet 〈- merr〉 wilden afwerpen zakten weg.
Toch waren de meesten wel ontkomen, hadden later na de brand terug kunnen keeren, in de verwoeste stad een nieuwe over de oude puinhoopen kunnen bouwen of ergens verder in de steppe〈- n〉 een andre kunnen stichten niet de ware, een Nieuw Tschong King kon nooit het oude evenaren.
Maar een ontploffing, duizendmaal heviger dan die welke de muur had opgelicht woelde het meer op, de vlam wentelde zich er over door de bres, de wallen o〈- m〉/p/
door de gracht rondom. Tschong King brandde van binnen en buiten met drie kwart van zijn bevolking.
Een woedend angstgehuil steeg op uit het binnenste waar de meesten nog verbleven 〈- een〉9 verspreid en snerpend /kermen/ uit de grachten. En na een paar minuten werd het stil. Die in de gracht lagen in de olie te smeulen en 〈- te〉10 die in de binnenstad stikten in de kelders op de bovenste verdiepingen of in de walm en gassen.
Op de muur leefden nog enkelen. /Ook/〈- D〉/d/e Toe Tsjoen bleef staande in een hoek van de wachttoren staren naar de ondergang van zijn stad als een gezagvoerder op de hoek van de brug van het schip dat hij niet verlaten wil, waarmee hij zinkt of verbrandt.
De dampen benevelden hem maar op zijn hoogte bleef hij toch bij bewustzijn. Zien kon hij niets meer door de dichte walm, maar hij dacht dat tenminste de vreemdeling en Wan Tschen met hem stierven en dat deed hem goed, niet meer dan de mindere stervelingen kon hij zich schikken in een eenzaam lot. Wel verdacht hij Wan Tschen een oogenblik ervan, zich in trance te dompelen en zich met groote sprongen te verwijderen maar hij nam aan dat zijn magische formules niet tegen de walm en de hitte, die al ver om Tschong King heen heerschten, zouden zijn opgewassen.
Maar hij vergiste zich hij stierf alleen 〈- zooals hi〉 terwijl zijn onderdanen in massa's stierven zooals hij ook alleen had bestaan.
Verlaten stond hij in een hoek van de wachttoren te sterven.
Wan Tschen was al ver en stond op een van de hellingen van 't gebergte waarin de steppe achter Tschong Kings einder overgaat. In de verte zag hij nog een kleine vuilgele wolk onregelmatig van omtrek, die zich langzaam uitbreidde als een olievlek over het grijze /gerimpelde/ landschap.
En de vreemdeling die door de ontploffing teruggeworpen was en gekneusd en verdoofd met moeite op de wachttoren was teruggekomen had deze ook verlaten. Terwijl hij stervensbereid was, viel hem de bergtop in waarnaar hij vanuif de stad had gestaard 〈- een〉 en een woord dat hij vroeger eens ergens had gehoord luidend: Het westelijk paradijs, als reisdoel, toen hij dacht op aarde niets meer te zoeken te hebben.
En dat had hem door de walm over de gracht en de 〈- versch〉 geblakerde steppe heen gebracht.
De bergtop was dezelfde waar Wan Tschen stond uit te rusten en neer te zien; hij zag hem eenmaal uit de walm in vreemd ijl azuur en Wan Tschen reisde al weer met groote sprongen zooals in 't land der Sneeuwen gebruikelijk is. □ Cameron haastte zich niet hem in te halen overtuigd 〈- dat〉11 hem ergens 〈+ weer〉 /te/ 〈- zou〉11 ontmoeten en vervuld van de verwachting die de bij tusschenpoozen gehoorde woorden in zijn leeg, verwoest maar nog altijd lichtgeloovig brein opwekten.
+12Epiloog.13
Een oude zomerdag, hoe lang geleden naderde een stoomschip komend van een plantagedragende eilandgroep in de zuidelijke zeeën, de verweerde kust van China met een terugkeerend deel van zijn bevolking aan boord.
Ben ik niet met hen meegestroomd over het land, zou ik anders ooit dit gevreesde vreemde element hebben bereikt?
En een andre dag, ik weet niet meer in welk seizoen, in welk jaar, want in de stilte na de rampen zijn alle jaren gelijk - zooals de dagen in dit [deel] van het gebergte van het chineesche binnenland - bereikte ik tegen avond de bergtop waartegen ik ten tijde van mijn gevangenschap bij Velho door het lage14 hooge raam en ook later toen ik vrij in en om Tschong King rondging had opgezien.
Het was vreemd op deze vaste brokken steen te staan en te bedenken dat dit nu hetzelfde was wat mij zoo vaak had voorgezweefd, onder de maan en boven de wolken, in 't azuur van een zonnige dag in 't 〈- water〉 zwart van een stormnacht. En toch, hoe onwrikbaar de bodem ook scheen, nog voelde ik mij 〈+ ermee〉 in de ruimte zweven. Kon ik dan ook hier niet, zelf eindelijk tot stilstand gekomen, het leven van de aarde aan mij voorbij laten trekken voordat het gedaan was, met mijn lichaam de sensatie genieten waarvoor de andre menschen leven? □ De top die zoo onbereikbaar had geschenen toen ik ertegen opzag vanuit de stad was nu een lage heuvel tegenover de bergketenen, hoeveel achter elkaar die aan de horizon de hemel ophieven, uitholden en schraagden tegelijk.
Maar voor mij, onder mij, lag de aarde zoo diep dat ik vanaf mijn standplaats de bodem van het dal niet kon zien.
Aan de overzijde echter, op een van de hooge drempels zag ik Wan Tschen staan, nauwkeurig, of hij vlak bij was, de lompe geelleeren muilen aan zijn voeten, het koord om zijn middel, de keten van schedelbasisbeenderen om zijn hals, zijn smalle mond en diepe oogen in zijn bronzig gezicht, zelfs de goedige, spottende uitdrukking ervan. □ Hij wenkte mij om bij hem te komen, gemoedelijk alsof hij aan de overkant van een straat wachtte.
Ik had maar een paar stappen te doen om de afstanden op te heffen en gelijke tred met Wan Tschen houdend met hem door te reizen naar het land der Sneeuwen. Hoe lang had de tocht door China geduurd〈- ?〉, hoe gauw zou de even groote afstand daarheen zijn afgelegd!
+Ik aarzelde, de hellingen aan de overkant waren ontzaglijk grauw en doodsch al scheen Wan Tschen zich er heel goed te voelen, waarom moest ik altijd de barre onherbergzame oorden van de aarde bereiken, de guurste lotgevallen beleven, mij nooit verheugen in de bevalligheid en blijven in de liefelijke streken.
Maar als het dan eenmaal mijn lot was, ik sloot de oogen, deed een stap, verwachtend in een snelle val door Wan Tschen te worden aangetrokken en naast hem te komen.
En ik viel, maar niet diep en in plaats van de gierende wind van de ruimte langs mijn gelaat en vallend lichaam voelde ik iets warms langs mijn wangen en iets wollig en zijdigs15 in mijn handen.
Ik opende mijn oogen: door een gordijn van karmijnroode bladeren waaronder een donkerroode schemer hing zag ik de blauwe lucht en toen ik opstond nog de barre bergketenen nu nog hooger maar iets dichterbij, en Wan Tschen die al wegreisde en mij nog ten afscheid wenkte.
Een gevoel van berouw en verlatenheid beving mij dat niet dadelijk weer week toen ik zag waar ik was; in een papaver〈- veld〉meer wijd en diep, onbewoond alleen aan de rand lag een rij kleine, fraaie pagoden met hoog opgebogen daken op slanke zuilen open en licht, geen tempels, lustverblijven ter weerszijden van een zeshoekig huis dat onbewoond en gesloten scheen, alleen rekte zich een dunne rookkolom van het dak nimmer verflauwend.
□ Op 't oogenblik dat ik duizel〈- ig〉end 〈- werd〉 en mijn laatste levenslust wegkrimpend het land der Sneeuwen waande binnen te gaan vanwaar niemand menschelijk terugkeert had ik door een val of een toeval het westelijk paradijs gevonden, waarvan zooveel verhalen in omloop zijn en dat nog door niemand is aanschouwd.
Bijna was ik eroverheen gestapt, door ascetische wanen aangetrokken. Of, was het de wil van Wan Tschen dat ik hier neer zou komen om later de ontberingen van zijn land des te scherper te ondergaan?
Neen, mijn eigen geestkracht had mij begeven, gelukkig, voor een poos zou ik 't leven nog genieten.
Voorgoed! Hier ging ik niet meer vandaan. Voor de andren de flauwe afschaduwing van genot die ik altijd had ontbeerd om daarvoor ineens aan de bron te komen. Voor mij nu de oorspronkelijke genieting zelf.
+De papavers deinden in de wind, welig, warm en rood, daartusschen groeiden alle mogelijke andre bloemen, de geuren kon ik nog niet onderscheiden alleen aan de lucht die over 't water en tusschen de muren hangt gewend, in de verte zag ik de gestalten van hen die, na het genot dat de papaver geeft nog begeerlijk zijn voor de zinnen wat van geen der aardbewoonsters kan worden beweerd.
Ik waadde door de papavers. Een ging mij tegemoet.
In 't midden, waar het meer het diepste was ontmoetten wij elkaar. De heele verdere dag bleven wij gevlijd op de, met roode blaadjes bedekte, van de zon doorstoofde en zacht naar zaad geurende bodem.
Tegen donker bracht ze mij naar haar heiligdom. Zij was meer dan alle vorigen. Een naam had zij niet maar een gebaar, een woord drukte meer uit dan een geestrijk gesprek van Solange16, het liefdewerk van een gansche nacht.
Ngan Tse17.
Bij haar liggend op de zachte matten, omgeven door papavers, dichtbij in vazen, in de verte als meeroppervlak, zelden rookend, meer minnend maar nog vaker zwijgend en peinzend opziend naar de verre bergen werden mijn vorige ervaringen langzamerhand van mij afgenomen.
Eerst hingen ze nog in de kamers als zelden aangedane gewaden, zweefden daarna in de lucht als herfstdraden of losgeraakt spinrag, dwarrelden daarna door 't zwerk als de losgeraakte bladen van een door de wind uit een ommuurde tuin weggerukt en ontbonden en daarna voortgejaagd boek. □ Soms lazen wij samen nog een bladzijde, zij lachte erom of zag mij ongeloovig aan en streek mij over 't hoofd. Nu en dan kon ik toch niet nalaten op leege bladen te schrijven, al raadde zij, de namenlooze en gedachtenlooze dit ook nog zoo zeer af.
Ook lachte zij mij uit over mijn grove schrift en deed mij voor hoe men schrijven moet met een fijnharig penseel, een strakgespannen vel rijstpapier streelend. Het was een lust haar te zien maar op 't blad stond nooit iets te lezen. Ik wachtte mij wel het haar te zeggen.
+Mijn bladen greep ze speelsch en liet ze los aan de rand van de vallei. Ik vroeg haar of ze niet bevreesd was dat een van de bladen door de wind gedreven ergens in de bewoonde wereld neer zou vallen en de ligging van het westelijk paradijs verraden, maar ze lachte mij, de eeuwige zorgbedenker uit.18
+zoover kwamen de bladen niet zoolang bleef het schrift niet leesbaar en als later iemand het las, ontcijferde, dan lag het al ergens 〈- anders〉 /verder/ en anders zou hij het toch over 't hoofd zien.
En ik dan?
Jij? Als Wan Tschen je niet had teruggehouden en ik je niet had aangetrokken dan zou je nu verkleumen over besneeuwde hoogvlakten, of allang door hongerige gieren of waanzinnige bonzen zijn verscheurd voor een of ander offerfeest.
Terwijl nu.... Ze rekte zich uit, deed mij neerliggen 〈- ik volgde met wel〉 〈+ naast haar〉 en boeide mij. Maar nu en dan zag ik over haar lichaam, de ronding van de schouderen19 verheffing der boezem, nog naar de bergen weer smeltend wit onder grauwe lucht, nu en dan schreef ik toch over 't Westelijk paradijs, het verlangen daarvan mee te deelen en dat [lees: dan] toch de bergketenen over te trekken waren de eenige begeerten die 〈- nog〉 in mij, buiten die welke aan haar waren gebonden, nog bestonden.
Wie op de top van de Dapsang20 staat en staart naar het Noordwesten ziet soms als hij al vermoeid is en wil gaan rusten in een spleet van de rotsen opeens waar de nevelen
trekken, tusschen twee toppen,21 gebed een rood meer, een meer van bloed〈- ,〉? of is het avondrood dat midden in de bergen is blijven hangen〈- .〉?
Het meer ligt daar warm en rood, meestal onbewogen behalve wanneer een zachte wind uit de hemel neerdaalt en een weeke deining aangeeft. □ 〈- Zooals het bloed door millioenen erytrocyten22, zoo is dit meer〉 □ Bijna het heele jaar is het meer in de doodsche bergstilte golvend en bloeiend aan zich zelf overgelaten.
Alleen in de vroege herfst waden kindren en vrouwen in indigokleurige gewaden er door. Met een vlijmscherp mesje brengen zij de bloemhoofden steken toe zoodat zij wit gaan bloeden. Andre vangen het op in kleine nappen waarin het bruin stolt.
Later als de winter nadert ontwaart de ziener op de Dapsang als hij ten minste is blijven staan of weer naar boven is geklommen een zwarte slang die langzaam van het meer wegkronkelt en over de bergketens kruipt soms in stukken gebroken die zich later weer vereenigen in de vlakte, dan wordt hij langer en dunner naarmate hij de volkrijke steden en de valleien van de gele blauwe 〈- en〉of paarlen rivier23 nadert en valt eindelijk uiteen. In kleine groepen gaan de dragers verder, zij kermen niet onder zware lasten op schouders schrijnend aan laadstok hangend, zij hebben alleen een gordel om hun middel soms hangen zij onder de oksel nog een deel van hun onzichtbare last die hen ongemoeid laat waar zij licht en vaardig mee loopen terwijl zij toch 〈- het mena〉 de menschheid meer zegen en onheil brengen dan de zwaarbeladen karavaan.
Zij reizen snel, soms slapen zij een paar uur in een boschje, vermijden de herbergen en de groote wegen, het gaat over brokkelige hellingen over gezwollen rivieren op lichte rieten vlotten, en eindelijk in de groote steden aan de stroomen en de kust 〈- gaan〉 worden de pakjes gelost gaan van hand tot hand verdwijnen in de groote rijst- en graanloodsen.
Van daar reist het later met andre lading mee in de ruimen en vindt zijn weg. In donkre nachten wordt het afgehaald door lage jonken donkervarend met gedoofde lichten Het is gekomen met de schepen van hen die het bruine sap, het eenige oliesel dat de verstarde hengsels van de poorten der zaligheid kan verzachten tot opengaan als gevaarlijk menschonteerend gif beschouwen, omdat zij die het bezitten en genieten weigeren nog slavenarbeid in hun voordeel te verrichten, omdat het stil maakt en zij de spot der zwijgenden voelen met hun luidruchtige dronkenschap.
+Maar stond wel ooit iemand op de hoogste top van de Dapsang?
De laatste tijden zou hij de slang ook niet zien wegkronkelen, lawines hebben de passen volgestort de wegen zijn afgesneden het sap wordt niet meer geoogst de grond en de stengels zijn ervan verzadigd.
Het roode meer is nu overstelpend zwellend maar ongenaakbaar.
Zij die de druppels van de genade in rook laten opgaan zien soms, aan de uiterste rand van hun droomen het verre meer, rood deinend tusschen de onwrikbare bergen.
Ik leef er alleen en soms wensch ik dat andren de vervulling met mij zouden deelen 〈- het bedrukt mij dat〉
Vroeger wenschte ik dat als eenmaal de bedwelming volmaakt zou zijn er nooit een einde hoefde te komen, nu wilde ik, niet dat het ophield, maar dat dit roode meer de groote blauwe stroom24 afdreef, de oceaan op en zich vereenigde met een ver koraaleiland een ringrif van glanzend zand binnendreef en het atol vulde met zijn roode ronde weelde en gloed, om daarna vlot te raken als een enorme bloemenboot vreugde en weelde brengend overal. Dit kan niet zijn, in 't aangezicht van de onwrikbare bergen van het land der Sneeuwen moet ik genieten.
Ik zie ze alleen als ik te vroeg ontwaak grauw en doodsch in de ochtend. □ En Wan Tschen wenkt niet meer.
's Nachts slaapt zij met mij, overdag waakt zij over mij en neemt mijn ervaringen en herinneringen van mij af.
Ik ken haar naam niet, haar gedachten niet, haar gelaat eigenlijk ook niet ik zou ze niet herkennen als ik ze ontmoette elders dan hier.
Maar wel 〈- zou ik ze〉 in de nacht, zij neemt de gedaante aan van iedre droom zoodat ik de onbeweeglijke ligging van het westelijk paradijs verdragen kon. En dan haar geur die van alle bloemen samen overstemmend, troostte mij.
Er waren maar twee dingen die mij hinderden.
Het een was het uitzicht op de bergen aan de overkant, niet de 〈- heldere〉 /nevelige/ dagen maar als in de verte de ijzige wind uit de toendra's er over blies en de toppen scherp uitstaken.
En de klokjes.
Het paviljoen van de samenkomst lag aan de uiterste rand, hing bijna over het ravijn. Een zoo bevallig gebouw kon de laagvlakte nooit doen verrijzen, alleen hier waar in de ijle lucht de bergen naar alle zijden (behalve eene) bevallige lijnen voordoen. Het dak is rood en verguld, de spreuken zijn geen vermaningen uit de wijzen maar dartele regels uit de drank- en minneliedren van de dichters. □ Aan de twaalf spitsen hangen kleine klokjes in papavervorm (alles hier herinnert aan papavers) maar ze zijn blauw boosaardig kobaltblauw. □ Waarom?
En als de avondwind rijst, juist als de dag het genietbaarst wordt dan deinen en klinken ze, welluidend genoeg, maar de tonen kwellen mij. □ Ze herinneren me aan de tijd dat ik in een rampzalige stad, aan 't eind van een onmenschelijk bestaan een toestel maakte dat stemmen uit de lucht opving.
En zij vangen de stemmen op die roepen van de overkant uit het land der Sneeuwen met zijn levenbedreigende koude die eischt dat ieder zelf zijn inwendig vuur voedt met uiterste concentratie niets afstaande voor genieting van het lichaam
Ik vraag haar de klokjes weg te nemen maar ze wil niet, lacht mij uit.
□ Ze hangen er al zoo lang ze geven 〈- zoon mooi co〉 zoo'n mooi geluid, ze verschrikken de geesten.
Neen ze trekken ze aan.
+De demonen door de machtige gebeden en bezweringen van de 〈- tibet〉 tulka's25 naar de rand verdreven, maken gebruik van de geluidsgolven op [lees: om] het ravijn over te steken.
Ze wachten daar, soms zie ik ze zitten paars en blauw op de zwarte en zwavelgele randen. En de kleur van de klokjes werkt ook mee. □ die kleur hoort hier niet, maar aan de overkant.
Hoe kom je erbij Ik zie ze niet en ook de hooge bergen niet waar je over spreekt Zie je ook die bergen niet?
Neen zij ziet geen bergen Voor haar houdt de wereld hier op rondom is niets dan een vage nevel, de wereld Was ik als zij!
〈- Op mijn aanh〉 En des te gevaarlijker voor mij die ze wel zie.
Op mijn aanhoudend verzoek maakt ze toch de klokjes stil, wegnemen wil ze ze niet, ze worden vastgebonden. Maar nu gonzen de koorden en vermenigvuldigen en verscherpen zich de stemmen.
Het westelijk paradijs is verstoord, er was weinig voor noodig.
In harde zon en wind welken de papavers snel, worden de zijige blaadjes rimpelig en flets
Zoo gaat het ook met de huid en het gelaat van de liefelijke feeën.
□ Uit het dal komen kwade dampen opzetten vreemde boomen groeien angstig snel op de rand van het westelijk paradijs toe.
En op een nacht keert al het wee waaraan ik mij hier ontkomen waande. □ Ik verweerde mij samen met haar en de rook tegen de slaap die toch over mij kwam als een plotseling stijgende vloed zwaardreunend en fijn sissend, de branding der droomen wentelt mij om en om als een schelp van 't zacht strand meegesleurd naar 't ziedende midden van een cycloon, waar de grootste schepen in planken en splinters worden uiteengerukt.
Maar de schelp dwarrelend in 't geweld kan niet breken en zinkt eindelijk na geluwd geweld langzaam naar de diepere lagen.
Weer zie ik Wan Tschen staan, maar nu op een zachtglooiende donkergele vlakte die verder ombuigt en steil omhoog gaat in een zware kolom waarvan [de] ronding bijna vlak is als de arm van een beeld wiens romp de bergen zijn van de overkant, het hoofd verdwijnt in de wolken, de beenen liggen ergens vlak gekruist, diep in de vallei.
Staat dit beeld voor de ingang van zijn tempel of voor het heele land der Sneeuwen? Een stage stofstorm zuigt er dwars over, geen korrel blijft op het gladde pantser liggen
Het Westelijk paradijs is verdwenen. Ik sta op een klein plateau
Wan Tschen komt op mij af hij zal mij wel een onontkoombare taak opleggen, maar ik zal niet meer ontwijken.
Ik heb hem nooit zoo dichtbij gezien. Hij maakt nog meer dan vroeger de indruk van
loome goedheid en niet van een aanvoerder 〈- in de eeuwigdurende strijd tegen de deomen [lees: demonen]〉 uit het land waar de eeuwigdurende veldslagen tegen de demonen worden gevoerd en cadavers als dagelijksche gebruiksvoorwerpen benut.
Hij zegt; Paradijzen duren niet lang Je moet nu een ander heenkomen hebben je kunt niet sterven evenmin als ik, mijn geluk, jouw ongeluk, maar waarom zou het ook niet jouw geluk kunnen worden?
Je bent te moe en te verzadigd van de paradijsgenoegens om weer opnieuw te gaan zoeken, je gaat alleen als je zeker weet dat je de goede weg hebt.
Ga daarom 〈- mij〉 /mee/ naar mijn standplaats van daaruit zal ik je verschillende 〈- din〉26 /kanten laten zien. En wij ga/an26 naar de top aan de overkant waar hij zie ik +nu || een tent van schapevellen heeft als winterverblijf naast een grijs /dor/ +grasveld.
‘Het uitzicht is hier goed en 't is nu lang genoeg geleden’.
‘Zie eerst maar eens toe hoe het met Tschong King gaat waaruit we toen samen zijn ontkomen.’
Hij schuift het verschiet open slaat daarna het kleed voor de ingang van zijn tent opzij en laat mij 〈- zien.〉 /alleen. Ik zie/
Ik kan eerst de puinhoopen van Tschong King niet ontdekken.
Wel 〈- zie ik〉27 in 't midden van het roode bekken28 korte ronde torens door een vijf- zesdubbel lijnenstelsel verbonden
Dat zijn de boorinstallaties en de pijpleidingen.
Op de plaats van de stad ligt nu een vlek van groote lage witte huizen en daarnaast dof en bruin als 〈- turfmolm〉 /beenderasch/ een groep krotten. Dat is samen nieuw europeesch en chineesch Tschong King.
Verder. De Yang Tse Heeft zijn loop verlegd Tai Hai is verdwenen uitgestrekte moerassen nemen de plaats in van de oude riviermondingen.
Maar verder in 't Zuiden liggen nieuwe steden naast de oude er ver boven uit. □ Ik zie er juist een schokken en instorten door een aardbeving.
In 't Zuiden aan de rand van Kwantung ligt nog het schiereiland Macao als een bruine gebroken flesch op een verlaten strand.
Wan Tschen vraagt of ik nog terug wil maar wacht mijn antwoord niet af en zegt mij om te zien.
Het beeld is verdwenen het onafzienbaar plateau dat het binnenste van het land der Sneeuwen inneemt ligt voor mij open.
De sneeuwvelden worden door bruine en roode bergruggen gebroken, ertusschen
liggen grijze grasvelden om meren groot als zeeën. Eerst gaan zand- en sneeuwstormen als fijne wervelstroomen er over, snel valt de nacht, de sterren zijn hier groot en dichtbij, rood als granaatappels, geel als blonde hoofden, de maan is geen hemellichaam, een afgerond bergcomplex, de zon kan slechts eenige oogenblikken zich boven de hooge kammen uit〈- heffen〉 houden om de betoovering van de nacht en doodslandschappen daarbinnen op te heffen.
□ Deze wereld is niet verlaten.
Wan Tschen laat mij van verre verschillende kloosters zien diep in de vlakte door duizenden bonzen bewoond, nu eens samenstroomend in de gebedshallen dan weer verdwijnend in de omliggende cellen dagen achtereen hymnen herhalend, ritueele oefeningen makend, altijd doende de demonen in bedwang te houden oogenschijnlijk lui levend in werkelijkheid geen seconde in het verdedigingswerk van hun land verflauwend.
Daarna bracht hij mij bij de kleine hooggelegene waar een tien- of twaalftal heremieten onbevreesd samen zijn onkwetsbaar 〈- en〉 al hun tijd aan hoogere meditaties kunnen wijden alleen meteen de telegraafdienst door gedachtenoverbrenging verzorgend.
Zij leven onbekleed onderhouden de warmte niet door oefeningen maar door de wrijving van gedachten.
Hun gebeden zijn kort en ijl en klaar als klokken boven bergbeken geluid als bevelen 〈- Daarna〉 /doorgegeven van dichtbije goden./
Hooger nog stonden de tenten van de asceten die naakt in de sneeuw leven de cellen van hen die zich voorgoed in 't omsloten duister hebben teruggetrokken en afscheid van licht en lucht hebben genomen om te leven in 't gezelschap van hun eigen gedachten.
Ik zie de demonen trekken over de verlaten sneeuwvelden nu en dan bezit nemend van een argeloos wezen een verdoolde herder of een in zijn gebedsoefening verslapte bonze.
En in dit oogenschijnlijk zoo verlaten land alleen door natuurrampen geschokt werd de hevigste en verbitterdste strijd gevoerd zonder wapenstilstand. □ Steeds grepen de demonen aan steeds weer wierpen de geestelijke legers ze terug.
Nergens op aarde zijn de legers der demonen zoo machtig en goed aangevoerd nergens hebben de menschen zoo'n kracht van afweer en moed ze 〈- te zien en〉29 te bestrijden zoo dat ze zelf onmenschelijk zijn geworden om aan te zien en bijna aan hun tegenstanders gelijk.
+Men moet hier lang gewoond hebben om vriend en vijand medemensch en belager te kunnen onderscheiden de onervarene zou zich tegen beide verweren en spoedig uitgeput neerzijgen op de barre bodem.
Ik wist ook wel dat ik onmiddellijk een prooi zou worden als ik dit land binnenging zonder het geleide van Wan Tschen.
In een oogenblik zou ik in flarden zijn gescheurd.
Ik keerde mij tot hem verklarend dat ik nu bereid was /met hem/ binnen te gaan en in zijn land te blijven.
Maar Wan Tschen tot mij
Ik laat het je alleen zien opdat je er later niet naar zult verlangen en denken dat het je is onthouden. Je ziet dat je niet sterk genoeg bent er alleen door te gaan. En ik kan mij niet voortdurend om je bekommeren.
□ Al heb je een enkele waartegen de meesten niet zijn opgewassen met eigen kracht overwonnen〈- .〉/, de gewone krijgers van het geestenleger ginds kun je nog niet eens weerstaan. Dit eischt al jarenlange gebedsoefening./
□ Ik zal er steeds naar verlangen te wonen in het land van de Sneeuwen in een van de vestingen die er voortdurend worden belegerd waar de kaolings30 klinken in de wanhopige winternachten en de gebeden als een snelvuur worden onderhouden.
Nergens op aarde wordt zoo'n boeiende strijd gevoerd en de leegte van 't bestaan zoo diep vergeten, zoo dicht bevolkt.
Maar Wan Tschen voerde mij om het land der Sneeuwen heen, snel voortglijdend over de kam van de buitenste ketens tot wij aan de andre kant uitkwamen en weer op een plateau stonden, uitziend over een groene weide maar bij nader toezien zag ik dat het de bovenkant van een dichtgegroeid bosch was dat tot de rand reikte.
Daarachter zag ik voor 't eerst sinds onheugelijke tijden weer water van een smal meer of een verre uitlooper van een zee en daarbij een nederzetting van witte kristallen - huizen kon ik er niet in erkennen zoolang had ik een gebogen en verwrongen bouworde voor mij gezien.
En Wan Tschen sprak weer tot mij
Onthoud die plek waar je nu nog niet heen kunt gaan en niet wilt
Het is de eenigste waar iemand leven kan die door de westersche wereld is verstooten of die moedwillig heeft verlaten die niet in de oostersche leven kan, die het land der Sneeuwen heeft gezien maar niet bereikt.
Vele eeuwen voor de val van Tschong King maar nu al weer dichterbij kwam op die plaats bij dat water een veldheer aan31, dienaar van de grieksche veroveraar die met zijn falanx het verste in het oosten was doorgedrongen maar dapperder en ondernemender nog dan zijn heer en ongevoelig voor de babylonische weelde.
Van daar zag hij het land der Sneeuwen in de verte dat aan de andre kant lager is en meer open ligt. Ook daar trok hij heen hoewel uiterst weinigen hem nog volgden.
Hij zag iets zoo verschrikkelijks dat hij is teruggevlucht, zijn volgelingen bestierven het of werden gegrepen.
Hij moet aangekomen zijn op de nacht van het verschrikkelijkste t[s]cheud32 dat ooit is gevierd een strijd tusschen levenden en demonen met lijken als wapens waarbij de veldslagen tusschen Grieken en Perzen geen slachtingen maar speelsche schermutselingen waren.
Enkelen van de macedoniërs echter zagen niets en volgden hem in de snelle afdaling en zijn met hem gekomen daar aan 't water waar een smalle 〈- maar uiterst bloeiende en vruchtbare〉 /bewoonbare/ streek ligt〈-.〉/tusschen 't rotsland.
Erybates weigerde terug te keeren, zij hadden geen lust als deserteurs 〈- misschien〉33 te worden gestraft en zijn met hem in ballingschap gebleven.
Wie niet in 't land der Sneeuwen leven 〈- en〉34 kan en overal elders het bestaan ondraaglijk vindt [open ruimte]
+〈- kan〉 /moet/ daar zijn leven rekken.
Ga dus naar Gandarah35, het is hier niet ver vandaan.
Wan Tschen verdween en met ondraaglijk verlangen zag ik naar het land der Sneeuwen. 〈+ waar hij weer mee was samengevallen〉 het onmenschelijke land waar ik ondanks al mijn menschontvliedende lotgevallen niet leven kon.
Ik voedde weerzin tegen het ballingsoord, zoolang het licht was staarde ik nog naar de verre toppen en ook in de nacht totdat de maan langzaam wegzakte 〈+ daarachter〉 in zijn diepten als een het ruim ingestooten en weer teruggetrokken gebergte.
En zoo dacht ik aan Wan Tschen een afgezant van zijn rijk die weer was teruggeroepen aan de bevolking van mijn laatste schip, een deel dat zich weer bij het geheel voegde.
Terwijl ik nergens 〈- vandaan kwam nergens werd teruggeroepen en nergens kon binnendringen.〉 /werd aangetrokken./
Toen ik mij eindelijk omkeerde naar de nederzetting aan het steppenmeer, zag ik het niet meer.
Was het een visioen geweest dat Wan Tschen voor mij had opgeroepen, nog minder werkelijk dan het westelijk paradijs? had hij mijn moed om het land der Sneeuwen alleen binnen te gaan willen beproeven? /Ik wilde nog gaan./ □ Of was het woud zooveel hooger gegroeid terwijl ik 〈- sliep?〉 /omzag?/
Gelukkig stak een storm op.
Terwijl de kruinen zich kromden meende ik in de verte een flits van het water de rand van een wit dak te zien en toen een tak tegen de rand van 't plateau aansloeg greep ik aan enterde mij naar de stam en begon de afdaling van knoest tot knoest grijpend. Spoedig was het donker plotseling hielden de vertakkingen op, de stam werd glad, ik kroop langs de laagste tak totdat ik een afhangende rank tegenkwam, liane of luchtwortel, als
ze ver boven de bodem ophield zou mijn tocht geëindigd zijn, kon ik afsterven zwevend in de lucht of mij te pletter laten vallen.
Toen mijn handen de laatste vezels hielden raakten mijn voeten nog niet de grond. De lucht was duf en verstikkend
Ik had geen kracht om weer naar boven te klimmen naar de stam terug te gaan en liet mij vallen.
Ik kwam zacht neer, tot mijn middel zonk ik weg in een laag vergane blaren en vermolmd hout terecht gekomen Als de heele woudbodem zoo was kon ik niet ontsnappen. Het was 〈- hier〉36 niet meer volslagen donker, hier en daar schemerde een bleek licht van schimmels.
Dieren waren hier niet te duchten welk dier kon leven op een bodem van vergane planten? Demonen evenmin, voor hen had een oord waar geen menschen waren niets aantrekkelijks. De geest van het verleden vreesde ik niet meer. Ik kon mij opwerken tot vastere grond en bemerkte een helling 〈+ die〉 naar de meeroever moest leiden.
Die kant ging ik uit, alleen bevreesd weer 〈+ in〉 een met rottenis gevulde kuil terecht te komen maar de stammen stonden zoo dicht op elkaar de slingerplanten waren zoo talrijk dat ik bijna voortdurend houvast had.
De tocht door deze uitgestrekte katakombe van fossiele planten en dieren duurde uren, plotseling zag ik een strand, een meer, maar voor mij was nog een dichte muur van luchtwortels en lianen.
De laatste hinderpaal leek onoverkomelijk als een prikkeldraadversperring, gejaagd liep ik heen en weer, opeens zag ik toch een opening en wrong mij er doorheen en ijlde over het breede strand op het water in de verte toe, de angst en afschuw, onderdrukt in 't woud, ontlaadde zich in die ren en in een onderdompeling.
Maar de angst dat het woud nog plotseling vooruit zou groeien en mij 〈- met〉37 omsingelen en terugzuigen bleef, en ik zag uit naar een middel om zoo spoedig mogelijk aan de andre oever te komen.
Deze was ver weg, hooge heuvels met pijnboomen begroeid daalden in 't water af mijn krachten waren niet toereikend zoo ver te komen.
/En ik zag geen spoor van de bewoonde plaats./
+Toen kwam langs de pijnboomzoom een boot drijven 〈- een zwarte lijn op t water〉 〈+ op een slanke lage romp〉 een driehoekig zeil, breed aan de ra, spits beneden, de eenvoudigste vorm van vaartuig een witte boldriehoek boven een zwarte lijn
〈- Of〉 Later dacht ik dat ik mij vergiste. De wereld was veranderd sinds het westelijk paradijs, het kon een blad zijn een 〈-in zec〉 insect, een geestenschip. □ De heele verdere dag bleef het aan de overkant tegen avond stak het opeens over en liep een mijl van mij af op het strand.
Ik had het varen afgezworen, gehoopt dat de tocht over 't verdronken land met Hsioe de laatste 〈- aanraking〉 zou zijn geweest, ik had een voldoening gehad toen in Tschong King 〈- over het water〉 de olie het water overweldigde.
Maar nu was het een groote vreugde weer door het water te worden gedragen, de stooten van de golven tegen rand en bodem te voelen en 't voorovertrekken van het zeil, alles wat ik vroeger in verharde ijzeren vorm had gevoeld. □ De boot was even leeg als de holte van het zeil, een boomstam die misschien 〈- al lan〉 sinds zijn bewerking tot schip niet meer met menschenhanden in aanraking was geweest/?/ Maar op de voorsteven waren letterteekens gegrift die ik niet ontcijferen kon.
Ik ging op de bodem liggen en sliep spoedig in, vertrouwend 〈- dat〉 en mij veiliger voelend dan op het leege strand met het woud nog in den rug.
Later werd de inscriptie mij verklaard met de wetenschap dat ze eigenlijk niet voor mij bestemd was.
〈- Ee[n]veldheer van A〉 Erybates was na de volksplanting te hebben gesticht en tegen aanvallen van buiten te hebben beveiligd op een dag over 't meer vertrokken en niet teruggekeerd.
Eerst om hem te redden, later om zijn herinnering levendig te houden werd elke dag een boot afgezonden eerst bemand, later leeg, de stroomingen van het meer voerden meestal vanzelve terug het 〈- afzend〉 laten drijven van de boot was toen ook al tot een 〈+ onbegrepen〉 ritus geworden[.], een van de weinige uit de oude tijd overgebleven, daar Erybates en zij die met hem waren de herinnering aan hun vroeger leven niet wilden bewaren. Toch hadden de nakomelingen hun helleensche zeden 〈- bewaard〉 /weer teruggevonden, in hun rasherinnering of door later gekomenen./
Op de booten werd 〈- nog altijd〉38 een gebed aan Poseidon en een bericht aan de afgedwaalde dat hij nog altijd welkom was bij de zijnen 〈- aa〉 aangebracht. □ Als ik het had kunnen lezen zou mij dus eenige troost in eenzaamheid zijn geworden maar de ontvangst zou mij dan nog meer hebben verwonderd.
Toen ik weer ontwaakte lag de boot, 's nachts teruggedreven, aan de andre oever 't was alsof ik een oceaan had overgestoken zoo anders zag de schepping eruit. □ Dit woud was open, de stammen waren slank en stonden ver van elkaar, de zon scheen er in onder het groene dak, er waren geen andre dieren dan vossen en vogels, in de verte zag ik een open plek daar moest de nederzetting zijn. □ Uit het geboomte kwamen eenige mannen mij tegemoet. Houding en gelaat drukte eerst verwachting, toen verbazing, toen teleurstelling uit.
Blijkbaar leek ik niet op de god die zij van de overkant verwachtten al kwamen in hun eigen legenden de goden vaak als bedelaars op aarde.
Hun teleurstelling steeg toen zij merkten dat ik hen niet verstond.
Toch werd ik niet gevangen gehouden of terechtgesteld.
De bevolking was op de open plek bijeen. De oudste van hen die mij hadden gevonden hield een toespraak, hij wees op mij, op 't luchtgewelf, de zon. □ Daarna wachtte hij. Eindelijk stak uit een van de achterste rijen een man de hand op. Met hem kon ik meegaan.
Daarmee was mijn opname in Gandara 〈- een feit geworden〉 /geschied/39. Na een paar dagen zag niemand naar mij om ik kon 〈- gaan〉 /bewegen/40 waar ik wilde.
+Nergens nog was het zoo vanzelve gegaan, ik werd niet vastgehouden, opgesloten ik kon komen bij iedre samenkomst kreeg dadelijk een Gandaragewaad, 〈- maa〉 leven kon ik zooals mij beviel in 't woud, aan de meeroever, in de tempel kon ik toeven, maar niemand lette op mij en dit was een grooter isolement dan opsluiting.
Eerst zag ik toe hoe zij leefden.
Zij werkten bijna allen lang en ingespannen, met de allerprimitiefste werktuigen, van steen en van een soort metaal, dat ik niet kende, graan werd nog gemalen met ronde steenen moeizaam uit een rots geslagen, met kleine en zwakke 〈- st〉 beitels waarover men lachen moest en weenen tegelijk. □ Het losmaken 〈- en s〉 van een maalsteen duurde langer dan het boren van een put in Tschong King, de mannen werkten zoo ook aan ander huisraad, beploegden en bebouwden het land 〈- met〉 de vrouwen weefden het linnen voor de gewaden
□ De tempel op de landtong door 't meer omspoeld, aan een zijde soms binnengestroomd, had niets afschrikwekkends men kon er in en uit evenals regen 〈- aa〉en zon aan alle zijden.
Zij hadden geen marmer voor zuilen, de dikste en zooveel mogelijk gladgeschaafde pijnboomstammen droegen een halfgebroken driehoekige fries, waarop een man in een strijdkar, Erybates? een kleine phalanx tegen een 〈- gr〉 dicht met troepen bezette steile berghelling aanvoerde.
Rondom stonden beelden van grieksche 〈- en per〉 goden knapen en vrouwen en enkele perzische, meest gebroken. Nu en dan werd op een platte offersteen een schaap geofferd. Dat was, met het dagelijksch uitzenden van de boot dat doorging of ik nooit was aangekomen, ik dacht er niet aan dat dit geringschatting voor mij inhield, het eenige wat van godsdienst 〈+ en overgeleverde cultuur〉 was overgebleven.
□ Tusschen namiddag en avond kwamen bijna alle/n,/41 mannen en vrouwen op het strand en gaven zich over aan de spelen waarin zij lust hadden Een enkele keer werd een wedkamp gehouden en de winnaar bekranst.
Men zag dat zij behagen in het leven schiepen, hun tred over 't zand was licht en zwevend, hun gezangen gerythmeerd, stijgend naar het einde. plotseling afgebroken, nimmer smachtend en treurend uren lang herhaald.
Maar ze riepen wel bij 't spel maar spraken uiterst weinig met elkaar, jonge mannen stonden soms aan de rand van 't water te discussieeren, maar braken spoedig af alsof ze niet verder wisten, soms bleef een turend naar de overkant staan alsof hij weg wilde maar niet wist hoe of waarheen eenmaal kwam een bij mij om te hooren van de andre landen van de aarde maar ik kon hem niets verklaren.
Ik nam deel aan werk en maaltijden was 's avonds toeschouwer aan de rand van het melodieuze meer en het toegenegen bosch, bij de samenleving van het heele volk maar
kon geen behagen vinden in dit leven van rustige lusten. waarin een deel mij wilde opnemen een ander niet zoodat ik in ledig bleef.
Ook hier was de liefde het eenige middel om zich met een ander menschelijk wezen te verstaan waar taal en gemeene belangen in gebreke bleven.
De nieuwsgierigheid van de vrouwen naar de eenige man die niet uit hetzelfde land en een bekend gezin voortkwam zooals zij was mijn machtige bondgenoot. □ Kalinna wierf om mij, Rhodocleia hield zich achteraf.
Er bloeiden weinig bloemen in Gandara Alleen velden groote violen 〈- met donkere kleuren〉 tusschen kust en bosch in 〈- weelderige〉woekerende menigte.
Op een avond ging de zon zoo onder dat hun donkere kleuren papaverrood werden. □ Ik lag toe te zien een dergelijk gevoel als in het westelijk paradijs van hopelooze uitkomstlooze weelde overstelpte mij. Ik wilde opstaan en weggaan, waarheen de steppe in, was 〈- a〉/A/ndara42 ergens gelegen?
Bij een balspel kwam Rhodocleia in mijn nabijheid en verloor haar evenwicht. +ontwrichtte haar enkel 〈- en〉 Ik legde haar zacht neer en verbond haar voet.
□ Na enkele dagen bezocht ik haar 's nachts.
Bij haar was het anders dan bij alle vorigen, die zochten zich zelf [of] /,/43 dienden een belang of gaven liefde om loon als een goed aangeleerd en nauwkeurig toegepast systeem.
Bij haar voelde ik mij voor 't eerst niet 〈- even〉44 alleen blijven verloor mijn zelf herhaalde malen met angst wel maar ook met ongekend genot. □ Als ik wilde kon ik met haar als een dubbelwezen verder leven.
En toch had zij een zoo duidelijke niet ontwijkende maar sterk sprekende op mij toekomende verschijning: onder de haarwrong de nek, haar borsten verwant aan haar sterke schouders hieven het kleed zooals de knieën de rand van 't gewaad en gaven uitdrukking aan haar gestalte zooals de 〈- tr〉oogen aan 't gelaat, oogen die mij niet bespiedden tusschen halfgeloken oogleden maar mij aanzagen open en blauw, haar uitleverend, mij inroepend tot haar.
□ De ban van eenzaamheid tusschen de menschen was opgeheven, later voegde ik mij met haar bij de werkenden en feestvierenden, en het leven was liefelijk en behaaglijk overdag in de zon tusschen woud en meer, 's nachts in een open vertrek in warm donker met haar samen niet op een smalle strakke mat maar een breed rustbed.
Ik geloof dat dit was wat andre stervelingen het geluk op aarde noemen, terwijl zijzelf door haast en begeerte er steeds voorbijgrijpen had ik het, bij ongeluk ten einde rampen tot het uiterste gedreven was ik erbij terecht gekomen. Maar om er mijn verder leven door te brengen, mijn einde rustig af te wachten, daarvoor was het voor mij te laat. Alles wat ik tot en met Tschong King had beleefd zou mij nog wel met rust hebben
gelaten maar daarna was de dood te diep in mijn leven doorgedrongen en reikte mijn leven al te ver in de dood.
In een idylle te wachten op het einde dat vreesloos is en schoon als een leege zomerlucht, daarvoor was ik zelf te veel een schepping geworden van verschrikkingen vervuld.
En gaandeweg nam mijn onvoldaanheid met het leven in Gandara weer de gedaante aan van verlangen naar het land der Sneeuwen.
Toch bleef ik nog lang terwijl het mij al sterker trok, geen menschelijk wezen was mij zoo na geweest als Rhodocleia en ik ging eerst toen ik zeker was dat er leven van mijn leven zou blijven bij haar. Ik hoopte dat het daardoor geheel haar leven zou worden en dat mijn roep in Gandara zou zijn uitgestorven tegen de tijd dat het zelfbewustzijn van het kind, Rhodocleia's kind ontwaakte, zoodat geen spoor van mijn bestaan in zijn levenslust verderfbrengend zou kunnen kiemen.
Enkele mannen brachten mij weg tot aan de rand van de bergpassen tusschen het land der Sneeuwen en het rijk van het midden. Ik zag nog even om of Wan Tschen mij nog wenken zou maar hij was er niet, de sneeuwvelden lagen leeg 〈- neer〉weg te hellen ik zag zelfs geen klooster of tent.
En ik 〈- trok〉/ging/ weer het rijk binnen waar ik verder zou blijven rondtrekken zonder mij nog ergens op te houden tot het einde, europeanen vermijdend de chineezen niet meer trachtend te naderen tot ik ergens liggen bleef tusschen beide in, een tijd in de steppen een tijd in de steden, soms meereizend met een karavaan soms de stroomen met een breede jonk bevarend.
En verder nam ik geen deel meer aan het leven op aarde.
Voor hen die dat wel doen kan het maar een zin hebben andre levens 〈+ verwekken of〉 voortbrengen zooveel mogelijk, of andre levens verdelgen bij menigten. plaats makende voor andren komenden.
De bewoners van het rijk hebben deze zin begrepen en behouden, zij brengen voort en verdelgen, zien onbewogen kindren 〈- bewogen〉 /geboren/ worden, landstreken verwoesten, legers elkaar vernielen 〈+ bloedverwanten sterven〉 en vieren feest bij begrafenissen en bruiloften.
+Ik had de zin grootendeels ondanks mijzelf, door mijn lotgevallen volbracht, mij bevrijd uit de samenzwering van afstamming en belagende geesten en verwekt tot de smalle rest van een eigen bestaan. □ Ik hoefde mij niet voortijdig te verwoesten.
Een lage lange bergrug liep terug naar 't land der Sneeuwen, de top waartegen ik had opgezien rondde zich op het eind, de zon lag er naast, het was niet groot en overweldigend, niet meer dan een pijp met de lange steel en 't lampje dat er naast gloeit. En de wolken dreven erboven als de rook die de gelukzalige heeft geademd.45
Ook dat begeerde ik niet meer.
Ik zou soms terugverlangen naar het kind dat in de idylle opgroei〈- de〉t. naar, naar Wan Tschen, weer in jarenlange meditaties verzonken of in 〈- h〉stage strijd tegen het geestenleger.
Zou hij mij niet als ik mijn jaren in het rijk had rondgezworven ergens opwachten?
Het had geen zin, de demonen die mij belaagden had ik overwonnen, tegen hen die hij bestreed was ik machteloos. Toch verlangde ik naar hem als mijn laatste metgezel. Maar wellicht gaan in het rijk vele schimmen rond zooals ik, en zullen wij elkaar menschelijk begroeten, in berookte herbergen bijeenzitten om slechte maar warme wijn gedachten wisselen en inschriften lezen die vroeger voorbijtrekkenden daar in de muren hebben gegrift, die de tijd niet kan uitwisschen en waaraan de levenden zich nooit zullen vergrijpen. □ Zoo zal het verder niet eens zoo eenzaam zijn en zal ik tenslotte, niet alleen Tai Hai en Tschong King maar ook 〈+ het westelijk paradijs〉 Rhodocleia en Gandara vergeten en zal er niet eens rouw overblijven dat ik geen andre zin dan mijzelve vond voor mijn leven op aarde.
Ik hoop alleen dat ik zal overgaan, niet zittend in een zaal of op de rand van een ravijn turend naar een verre bergtop onder bewegelooze wolken, maar onderweg, op marsch door de bergen of drijvend op een rivier.
Misschien zal ik dan toch in de vaart het land van Wan Tschen bereiken om daar de strijd voort te zetten van hem die niet kan sterven noch deelen het kommer- en vormloos bestaan van de ware onsterfelijken.
In het tweede gedeelte van Het leven op aarde wordt de lama Wan Tsjen meer en meer de centrale figuur naast Cameron. Hij blijkt Camerons goeroe te zijn geworden. Op verzoek van Kia So is hij als tulpa, maar onzichtbaar, aanwezig bij de ontvangst van de vreemdelingen in Tsjong King (cf. de commentaar bij document C-V). Vanaf de demonstratie van het radiotoestel neemt hij persoonlijk deel aan de gebeurtenissen. Lama's van het formaat van Wan Tsjen worden op blad [28] van document C-VII (dat is Verzamelde Werken, VI, blz. 218) tulka's genoemd, wat een verschrijving moet zijn voor tulkous. Zowel deze Tibetaanse woorden, als ook de naam zelf van Wan Tsjen zijn afkomstig uit het boek van Alexandra David-Neel, Mystiques et magiciens du Thibet.
Op blz. 109-124 van haar boek wordt de tulkou uitgebreid behandeld. Direct hierop aansluitend, op blz. 125-148, gaat David-Neel in op het verschijnsel van de tcheud. Deze termen komen beide ook voor in document C-VII, de eerste zoals gezegd op blad [28], de tweede op blad [30]. In verband nu met de tcheud vertelt Alexandra David-Neel, op blz. 131-132, over haar ontmoeting met de heremiet Wantchén.
Maar eerst de tulkou. David-Neel zegt hierover onder meer:
‘D'après la croyance populaire, un tulkou est soit la réincarnation d'un saint ou d'un savant défunt, ou bien l'incarnation d'un être autre qu'humain: dieu, démon, etc.
‘Le nombre des tulkous de la première catégorie est de beaucoup la plus nombreuse [sic].’ (blz. 110-111)
De tcheud is een rite die ten doel heeft de demonen te bezweren. De officiant biedt in trance zijn lichaam de demonen aan als voedsel, beleeft ook dat hij wordt verscheurd, en leert zodoende - tenzij hij aan deze beleving ten onder gaat - dat de demonen een
illusie zijn, voortgekomen uit zijn eigen angsten, en daarom kunnen worden overwonnen, dat wil zeggen dienstbaar gemaakt. Aan de ene kant immers is, volgens het tantristisch boeddhisme, de ons omringende wereld geen werkelijkheid, maar een illusie, ze bestaat alleen in onze voorstelling; aan de andere kant behoudt ze voor de nog niet verlosten een zekere geldigheid. Onze geestelijke energie kan verschijnselen van allerlei aard oproepen, waaronder de demonen van onze angst; vervolgens kunnen deze verschijningen vat krijgen niet alleen op hun verwekker, maar ook op anderen: de geestelijke energie verschaft aan de wereld haar (voorbijgaande) realiteit. (Cf. de commentaar bij document C-V naar aanleiding van de tulpa.) Alexandra David-Neel:
‘Malgré leur aspect parfois grotesque ou même repoussant, à notre sens, ces rites visent des buts utiles ou élevés tels que: affranchir de la peur, susciter des sentiments d'extrême charité, conduire au détachement complet de soi et, finalement, à l'illumination spirituelle.
‘Le plus fantastique d'entre eux, dénommé tcheud (“couper”, “supprimer”) est une sorte de “mystère” macabre joué par un seul acteur: l'officiant. Il a été si savamment combiné pour terrifier les novices qui s'y exercent que certains sont frappés de folie ou de mort subites au cours de sa célébration.
‘Avant que lui soit conférée l'initiation, sans laquelle tcheud ne peut être pratiqué avec fruit, le disciple doit, souvent, subir diverses épreuves préparatoires. Celles-ci varient suivant le caractère et le degré d'intelligence de ceux à qui elles sont imposées.’ (blz. 126)
‘Ce sont des idées de ce genre qui ont dicté le choix des endroits propres à la célébration de tcheud. Ceux-ci: - cimetières ou sites sauvages capables de produire l'effroi, - sont jugés préférables s'il existe à leur sujet une légende terrifiante ou si un événement tragique y a vraiment eu lieu.
‘La raison de cette préférence est que l'effet du rite ne dépend pas seulement des sentiments éveillés dans l'esprit du célébrant par les macabres paroles liturgiques ou le décor naturel impressionnant dans lequel il les prononce. Il s'agit, surtout, de mettre en mouvement les forces mystérieuses ou les êtres conscients qui, d'après les Thibétains, existent en de tels lieux, soit comme résultat des actes qui y ont été accomplis, soit comme celui de la persistante concentration de pensée de nombreux individus, sur des faits imaginaires.’ (blz. 132)
De volgende passage is door Slauerhoff grotendeels aangestreept:
‘(...) la partie essentielle du rite consiste en un banquet qui peut être sommairement décrit comme suit:
‘Le célébrant souffle dans le kangling (la trompette faite d'un fémur humain) conviant les démons à la fête qui se prépare.
‘Il imagine une déité féminine qui personnifie sa propre volonté. Celle-ci s'élance hors de sa tête, par le sommet du crâne, tenant un sabre à la main. D'un coup rapide, elle lui tranche la tête. Puis, tandis que des troupes de goules s'assemblent, dans une attente gourmande, elle détache ses membres, l'écorche, et lui ouvre le ventre. Les entrailles s'en échappent, le sang coule à flot et les hideux convives mordent, déchirent et mastiquent bruyamment, tandis que l'officiant les excite à la curée par les paroles liturgiques:
‘“Pendant d'incommensurables périodes de temps, au cours d'existences répétées, j'ai emprunté à des êtres sans nombre - aux dépens de leur bien-être et de leur vie - ma nourriture, mon vêtement et toute espèce de services pour entretenir mon corps en santé, en joie et pour le défendre contre la mort.
‘“Aujourd'hui, je paie mes dettes, offrant, pour être détruit, ce corps que j'ai tant aimé et choyé.
‘“Je donne ma chair à ceux qui ont faim, mon sang à ceux qui sont altérés, ma peau pour couvrir ceux qui sont nus, mes os comme combustible à ceux qui souffrent du froid.
‘“Je donne mon bonheur au malheureux et mon souffle vital pour ranimer les mourants...
‘“Honte à moi, si je recule devant ce sacrifice. Honte à vous tous si vous n'osez pas l'accepter.”
‘Cet acte du drame est appelé le “banquet rouge”. Il est suivi par le “banquet noir” dont la signification mystique n'est révélée qu'à ceux des disciples qui ont reçu une initiation du degré supérieur.
‘La vision du diabolique festin rouge s'évanouit, les rires et les cris des goules s'éteignent. La solitude complète dans les ténèbres et le silence succèdent à la sinistre orgie, et l'exaltation causée par son sacrifice dramatique s'abat, peu à peu, chez le célébrant.
‘Il doit imaginer, maintenant, qu'il est devenu un petit tas de restes carbonisés, émergeant d'un lac de boue noire - la boue des souillures spirituelles qu'il a contractées et des mauvaises actions qu'il a accomplies pendant d'innombrables vies successives dont l'origine se perd dans la nuit des temps.
‘Il faut qu'il comprenne que l'idée de sacrifice qui vient de l'exalter n'est qu'une illusion, née d'un orgueil aveugle, dénué de fondement. En réalité, il n'a rien à donner parce qu'il n'est rien.
‘Le renoncement silencieux de l'ascète qui rejette l'ivresse vaniteuse engendrée par l'idée de sacrifice, clôt le rite.’ (blz. 133-135)
Deze passages zijn interessant, omdat zij waarschijnlijk mede het materiaal hebben geleverd waaruit Slauerhoff het motief van de ‘demonie’ in zijn roman heeft gevormd. Hoe belangrijk dit materiaal voor hem was, blijkt wel hieruit, dat hij er ook de figuur van Wan Tsjen aan heeft ontleend. Even vóór de door Slauerhoff aangestreepte passage, hierboven geciteerd, schrijft David-Neel:
‘(...) Mais tous les phénomènes perçus par les célébrants de ces rites doivent-ils être classés parmi les hallucinations? Les Thibétains affirment que non.
‘J'ai eu l'occasion de m'entretenir avec un ermite de Ga (Thibet oriental), nommé Kouchog Wantchén [Kouchog: van eerbied getuigende titulatuur], des cas de mort subite survenue pendant les évocations d'esprits malfaisants.
‘Ce lama ne paraissait guère enclin à la superstition et je crus qu'il allait m'approuver lorsque je lui dis:
‘- Ceux qui sont morts, sont morts de peur. Leurs visions sont l'objectivation de leurs propres pensées. Celui qui ne croit pas aux démons ne sera jamais tué par eux.
‘A mon grand étonnement, l'anachorète répliqua d'un ton singulier:
‘- D'après vous, il doit suffire aussi de ne pas croire à l'existence des tigres pour être certain de ne jamais être dévoré par l'un d'eux, si l'on passe à sa portée.
‘Et il continua:
‘- Qu'elle s'opère consciemment ou inconsciemment, l'objectivation des formations mentales est un procédé très mystérieux. Que deviennent ces créations? Ne peut-il pas se faire que comme les enfants nés de notre chair, ces enfants de notre esprit échappent à notre contrôle et qu'ils en viennent, soit avec le temps, soit soudainement, à vivre d'une vie propre?
‘- Ne devons-nous pas aussi considérer que s'il nous est possible d'engendrer ceux-ci, d'autres que nous possèdent le même pouvoir et, si de tels tulpas (créatures magiques) existent, est-il extraordinaire que nous prenions contact avec eux, soit par la volonté de leurs créateurs, soit parce que nos propres pensées ou nos actes produisent les conditions requises pour que ces êtres manifestent leur présence et leur activité.
‘- Comme comparaison, imaginez une rivière et, à quelque distance de sa rive, une pièce de terre sèche où vous demeurez. Les poissons ne s'approcheront jamais de votre habitation. Mais creusez un canal entre la rivière et l'endroit où vous vivez et, au bout de ce canal, un étang. Alors, avec l'eau qui coulera et remplira ce dernier, les poissons viendront aussi de la rivière et vous pourrez les voir nager devant vous.
‘- Il faut se garder d'ouvrir des “canaux” à la légère. Peu de gens se doutent de ce que contient le grand fond de l'univers qu'ils mettent en perce inconsidérément.
‘Et, plus légèrement, il conclut:
‘- Il est nécessaire de savoir comment se défendre contre les “tigres” dont on est le père et, aussi, contre ceux que d'autres engendrent.’ (blz. 130-132)
Deze passage maakt tevens de verschrijving begrijpelijk, die Slauerhoff beging op blad [28] van document C-VII. Kennelijk is Wantchén een tulkou, een begrip dat vlak vóór de tcheud door David-Neel wordt besproken. In zijn gesprek met David-Neel gebruikt Wantchén zelf het woord tulpa (magisch opgeroepen verschijning). Slauerhoff nu moet bij het schrijven van blad [28] deze beide woorden, misschien vaag, in het hoofd hebben gehad; in ieder geval heeft hij zijn bron daarbij niet geraadpleegd. Hij verwarde beide woorden en liet ze samenvloeien. Ook bij het schrijven aan document C-V ging hij slordig te werk. Ook daar verwarde hij de termen en schreef tulpa waar tulkou was bedoeld, waarschijnlijk juist doordat hij zich tulpa herinnerde uit het betoog van Wantchén. Omgekeerd zijn het deze vergissingen, die het waarschijnlijk maken dat de figuur van Wan Tsjen uit de roman is ontleend aan het boek van David-Neel.
Vanaf het moment dat Cameron Tsjong King binnenkomt, begint er een geheimzinnig contact te ontstaan tussen Wan Tsjen en hem.
Als Cameron nog maar kort bij Velho is gehuisvest, staart hij verlangend naar de besneeuwde bergtop in de verte: ‘Maar was ik het zelf die dit wilde?’ (Verzamelde Werken, VI, blz. 163; niet in een document overgeleverd.)
Wanneer hij de lampen uit de tempel heeft bemachtigd en verborgen, voelt hij ‘geen
vreugde of verlichting meer, alleen een vreemd ijl gevoel, of het mij eigenlijk niet meer aanging, of het al voorbij was.
‘〈- En of ik een nieuwe kennis had gekregen.〉
‘Of er iemand in Tschong King aanwezig werd, die ik nooit had gezien, wiens lichamelijke gedaante ik niet kende, wiens taal en gedachtengang de mijne niet was, en die zich nu mijn lot had aangetrokken.
‘〈- Het tegendeel dus was zijn bestaan van dat van Ngan Tse.〉
‘Was hij het ook die het naar de tempel had geleid?’ (Document C-IV, blad 30; cf. Verzamelde Werken, VI, blz. 188-189, welke tekst hier gelijk is aan die van document C-VII.)
Wanneer Cameron een korte inleiding houdt voordat hij zijn radiotoestel demonstreert, ziet hij Wan Tsjen op de voorste rij onder zijn gehoor zitten:
‘Dit moest de man zijn die onzichtbaar tusschen de Toe Tsjoen en Kia So had gezeten; ik zag dat hij alles wist - van begin tot eind.
‘〈- Zou hij mij goedgezind zijn zooals de Toe tsjoen, of giftig vijandig zooals Kia So?〉
‘En zou het niet zijn aanwezigheid zijn die ik eerst vaag en ver, de laatste dagen hoe langer hoe sterker had gevoeld - zoodat hij eindelijk zichtbaar voor mij zat?’ (Document C-IV, blad 42; cf. Verzamelde Werken, VI, blz. 195-196, met vrijwel dezelfde tekst als document C-VII.)
Misschien hoort hier ook de ingeving bij, die Cameron krijgt, om de boormeesters op te dragen op de plek waar hij heeft gezeten te gaan boren: ‘Ik gaf aan een opwelling gehoor (...)’ (Verzamelde Werken, VI, blz. 182; deze zin komt ook al voor in document C-VI, op blad [7], niet echter in document C-IV).
Ook dit gedachtencontact, deze telepathische leiding van de kant van de goeroe, wordt door David-Neel behandeld:
‘La télépathie est l'une des branches de la science secrète des Thibétains. Elle semble remplir dans les hautes régions du “Pays des Neiges” le rôle que la télégraphie sans fil joue depuis peu en Occident.’ (blz. 231)
De interpretatie die H.A. Gomperts heeft gegeven van de marconist in Het verboden rijk: ‘the wireless operator here obviously has to be taken as a symbol for a writer, reduced to a mechanical instrument’ (zie de commentaar bij document B-I, blad [2]), zou dus voor wat betreft Het leven op aarde kunnen worden uitgebreid. David-Neel gaat dan verder:
‘Les maîtres mystiques déclarent que celui qui aspire à devenir habile dans l'art de la télépathie doit être à même d'exercer un contrôle parfait sur son esprit, de façon à pouvoir produire à volonté la puissante concentration de pensée sur un unique objet, d'où dépend la réussite du phénomène.
‘Le rôle de “récepteur” conscient, toujours prêt à vibrer au choc subtil des ondes télépathiques, est considéré comme presque aussi difficile que celui de “poste émetteur”. Tout d'abord, celui qui veut devenir “récepteur” doit avoir été “accordé” avec celui dont il attend plus spécialement des messages.’ (blz. 232)
‘Certains ermites contemplatifs sont parvenus à saisir les messages télépathiques de leur guide spirituel sans s'y être entrâinés systématiquement. Ce fait est considéré
comme un effet de la profonde vénération qu'ils lui ont vouée. Un nombre plus restreint de mystiques passent pour être, spontanément, devenus capables d'émettre des messages.’ (blz. 233)
‘Il paraît prouvé que ces grands contemplatifs peuvent, à volonté, communiquer par télépathie avec leurs disciples, et certains disent même avec n'importe quel être animé; mais (...) leur pouvoir est tenu pour un résultat accessoire de leur profonde connaissance des lois psychiques et de leur perfection spirituelle.
‘Il est dit que lorsque, par l'illumination résultant de ces investigations mentales, l'on a cessé de considérer soi-même et “autrui” comme des entités absolument distinctes et dépourvues de point de contact, la télépathie devient facile.’ (blz. 236)
Volgens David-Neel moet de ‘leerling’ dus reeds enigermate ingewijd zijn in de geestelijke wereld van de lama's, wil hij in staat zijn de berichten van zijn goeroe op te vangen. Dit nu is inderdaad met Cameron het geval. Hiervan getuigt Kia So in zijn brief aan Wan Tsjen, waar hij over Cameron schrijft: ‘Zoo zien de anachoreten er uit, die na drie jaren afzondering in het duister hun kluis nog éénmaal verlaten, nog éénmaal het aardsche leven proeven, waarna zij zich afwenden en voorgoed ondergaan.’ (Verzamelde Werken, VI, blz. 135; ook in document C-VI.)
Een tweede blijk van Camerons innerlijke groei als toekomstige volgeling van Wan Tsjen wordt gegeven in het verhaal van de ontvangst van de vreemdelingen door de Toe Tsjoen van Tsjong King. Cameron is daar de enige die de onzichtbare aanwezigheid van Wan Tsjen kan waarnemen, in een op een trance gelijkende bezwijming (Verzamelde Werken, VI, blz. 157-158).
Het gebied waar Wan Tsjen vandaan komt en waarheen Cameron zich later begeeft, wordt in de documenten het land der Sneeuwen genoemd. Ook deze benaming is afkomstig uit het boek van David-Neel. Al direct aan het begin van de ‘Préface’, geschreven door A. d'Arsonval, staat: ‘Pour nombre d'Occidentaux, le Thibet est enveloppé d'une étrange atmosphère. Le “Pays des Neiges” est pour eux la patrie du Mystérieux, du Fantastique, de l'Impossible.’ Verderop in het boek wordt deze naam nog vele malen gebruikt. In document C-VII is hij zonder meer vernederlandst, in de meervoudsvorm, pas in Forum en in de boekuitgave luidt de vertaling het Land der (of van de) Sneeuw.
Het is opmerkelijk, dat noch in de roman, noch in de documenten dit gebied Tibet heet. Wel wordt in document C-IV Wan Tsjen nog herhaaldelijk de Tibetaan genoemd, maar deze aanduiding blijkt vervolgens stelselmatig te zijn weggewerkt. Daar begint Slauerhoff al mee in document C-IV. Ongetwijfeld is dit gebeurd om de term ‘het land der Sneeuwen’ volledig zijn symbolische betekenis te geven. Deze handelwijze sluit aan bij hetgeen we al meer dan eens hebben opgemerkt over Slauerhoffs eigenzinnige geografie van China.
In verband hiermee kan nog gewezen worden op de titel van het eerste deel van de trilogie, Het verboden rijk, wat aanvankelijk waarschijnlijk zelfs de titel voor de gehele trilogie had moeten zijn (cf. document B-III). Natuurlijk heeft Slauerhoff heel goed geweten, dat dit eigenlijk de aanduiding was voor Tibet, en niet voor China. In Mystiques et magiciens du Thibet treffen we haar verscheidene malen aan: ‘la terre
interdite’ (blz. 23), ‘le sol interdit’ (blz. 86), ‘le pays interdit’ (blz. 78). Vooral in Voyage d'une Parisienne à Lhassa (1927) wordt ze veel gebruikt, maar er zijn geen aanwijzingen dat Slauerhoff ook dat boek heeft gelezen. Sinds lang was Tibet voor alle vreemdelingen verboden gebied; wie er zich in waagde, werd onmiddellijk over de grens gezet. Alleen in vermomming is het sommigen gelukt in het land door te dringen.
Dat Slauerhoff deze bijnaam voor Tibet heeft gebruikt als titel, wijst andermaal op de symbolische strekking van de trilogie. Niet China is ‘het verboden gebied’, maar het land als zodanig, als tegenstelling van de zee, dat in ‘het Land der Sneeuw’ zijn ‘hoogste’ uitdrukking vindt. (Zie hiervoor ook het artikel van Dina van Berlaer-Hellemans, ‘Slauerhoffs “Reisverhalen”: een poging tot interpretatie’, in Spiegel der Letteren, XIX (1977), nr. 2, vooral blz. 133-139; voorts W. Blok, ‘Het China van Slauerhoff’, in Juffrouw Idastraat 11. Huisorgaan van het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum, VII (1981), nr. 3, vooral blz. 10-12.)
Wanneer de ramp zich over Tsjong King heeft voltrokken, begeeft Cameron zich naar, of in de richting van ‘het Land der Sneeuw’. In de oorspronkelijke opzet (zie document B-I, blad [1]) wordt dit de ‘ideële tocht naar het binnenland’ genoemd. In het slot van Hoofdstuk XVI en in de ‘Epiloog’ uit Het leven op aarde is het begin van deze oorspronkelijke opzet waarschijnlijk verkort uitgewerkt.
Wat moeten we hierbij verstaan onder ‘ideëel’? Het kan hier niet de bedoeling zijn een zo volledig mogelijke interpretatie van de ‘Epiloog’ te geven. We moeten ons beperken, zoals we tot nu toe steeds hebben gedaan, tot een analyse van de teksten in verband met Slauerhoffs bronnen, uiteraard voor zover deze voor ons achterhaalbaar zijn gebleken. Deze bronnen zijn door Slauerhoff gebruikt als materiaal, om er een roman van te maken. Dat wil zeggen, dat de gegevens eruit niet zonder meer in de roman zijn overgebracht. Ze zijn geselecteerd, met het oog op hun bruikbaarheid. In de roman hebben ze een andere functie gekregen dan ze in de bron vervulden, en daarmee (vaak) een andere betekenis. Niettemin blijft overeind staan, dat Slauerhoff ze voor selectie heeft waardig gekeurd, dat hij er kennelijk door getroffen is geweest. En daarmee vertonen ze een zeker belang, juist ook met het oog op een uiteindelijk bredere interpretatie van de romans. We zullen dan ook trachten de term ‘ideëel’ in te vullen voor zover de bronnen daartoe aanleiding geven. Een interpretatie vanuit de gehele roman, en vanuit het oeuvre, zal aan deze invulling noodzakelijk andere accenten, zo niet een andere strekking verlenen. Zònder deze invulling vanuit de bronnen echter loopt de interpretator gevaar enige door Slauerhoff mogelijk bedoelde accenten en betekenissen over het hoofd te zien.
In de documenten C-IV en C-V is het niet duidelijk hoe Cameron aan de ramp ontkomt. ‘En zoo was hij de brand ontkomen, hoe wist hij niet. Misschien had hij zijn halve leven wel achtergelaten op de eenzame wachttoren, steeneiland in de vuurzee, misschien had de Toe Tsjoen gelijk als hij hem zag.’ (document C-V) Cameron is op weg naar ‘een bergtop waarnaar hij vroeger had gestaard en die hem op 't laatste moment als reisdoel was ingevallen, toen hij al dacht op aarde niets meer te zoeken te hebben.’ (ibidem) Over dat ‘laatste moment’ vernemen we verder niets. Gezien
hetgeen de Chinezen overkomt, een uiterst vage beschrijving. De zinsnede ‘misschien had de Toe Tsjoen gelijk als hij hem zag’ (die, aan het eind van de bladzijde, de indruk wekt niet geheel af te zijn), is zelfs mysterieus. Is Cameron dus tòch omgekomen?
In document C-VII staat het iets uitgebreider: ‘hij klom naar beneden om de lont te verleggen (...). Op dat moment had de mijn besloten, toch maar te ontploffen.’ Of Cameron zich op het moment van de ontploffing op het desbetreffende muurstuk bevindt, wordt niet duidelijk. De Toe Tsjoen overweegt in ieder geval: ‘De vreemdeling (...) was verdwenen, ondergegaan met het door hem ontketend geweld, en ook dat was een reden tot opluchting.’ (blad [20]) Maar hij vergist zich: ‘En de vreemdeling, die door de ontploffing teruggeworpen was en gekneusd en verdoofd met moeite op de wachttoren was teruggekomen, had deze ook verlaten. Terwijl hij stervensbereid was, viel hem de bergtop in waarnaar hij vanuit de stad had gestaard, en een woord dat hij vroeger eens ergens had gehoord, luidend: Het westelijk paradijs, als reisdoel, toen hij dacht op aarde niets meer te zoeken te hebben. En dat had hem door de walm over de gracht en de geblakerde steppe heen gebracht.’ (blad [21]) De mysterieuze zinsnede is verdwenen, maar de wonderlijke ontsnapping is gehandhaafd: op wonderbaarlijk snelle wijze moet Cameron, niet erg geschokt bovendien, de gracht overgestoken èn de steppe doorgetrokken zijn.
In de roman luidt de toedracht weer anders. Daar bevindt Cameron zich wel degelijk op het op te blazen muurstuk: ‘Hij liep naar het midden van het ontruimde deel van den muur’ (blz. 207). Weer denkt de Toe Tsjoen, dat de vreemdeling ten gevolge van de explosie omgekomen is, maar hij vergist zich: ‘De vreemdeling was door de ontploffing naar den overkant van de gracht geworpen, gekneusd en verdoofd, en had toen hij bijkwam, besloten te blijven liggen en zijn verderen dood af te wachten. Hij had op aarde niets meer te zoeken. (...) Hij stond op, het gaan viel hem gemakkelijk (...)’ (blz. 210).
Het klinkt allemaal erg onaannemelijk. Hoe is het mogelijk dat iemand zo iets overleeft en er dan bovendien zo goed van afkomt? Het vage in de beschrijving uit de documenten C-IV, C-V en C-VII geeft al te denken. Bij nauwkeuriger lezing echter wordt het duidelijk dat Cameron de explosie inderdaad niet zo maar overleeft. In de roman staat niet dat Cameron ‘zijn dood’ afwacht, maar ‘zijn verderen dood’. En met het landschap is plotseling iets vreemds aan de hand: ‘(...) zag hij den bergtop vóór zich waarheen hij vroeger had gestaard, nu met een rooden gloed overtrokken, niet van avondrood.’ En als hij opstaat, valt het gaan hem gemakkelijk ‘alsof hij niet een helling op maar af liep’; toch begeeft hij zich de bergen in!
In de ‘Epiloog’ worden deze aanwijzingen voortgezet, zowel in de romantekst als in document C-VII. ‘Ben ik niet met hen meegestroomd over het land, zou ik anders ooit dit gevreesde vreemde element hebben bereikt? En een anderen dag, ik weet niet meer in welk seizoen, in welk jaar, want in de stilte na de rampen zijn alle jaren gelijk (...), bereikte ik tegen den avond den bergtop (...).’ ‘En toch, hoe onwrikbaar de bodem ook scheen, nog voelde ik mij er mee in de ruimte zweven. Kon ik dan ook hier niet, zelf eindelijk tot stilstand gekomen, het leven van de aarde aan mij voorbij laten trekken voordat het gedaan was, met mijn lichaam de sensatie genieten waarvoor de andere menschen leven?’ (blz. 211) En de snelheid waarmee hij zich voortbeweegt, is wel heel
groot en lijkt op die van de ‘loung-gom-pa’ Wan Tsjen (cf. de commentaar bij document C-V).
Er zijn, op het niveau van de concrete handeling, in eerste instantie twee mogelijkheden. Òf Cameron blijft bewusteloos liggen, en alles wat hij in het vervolg, in de ‘Epiloog’, meemaakt, beleeft hij in die toestand van bewusteloosheid, in een droom; òf hij is wel degelijk overleden, en het vervolg beschrijft wat hem ná zijn sterven overkomt. In het eerste geval mag men veronderstellen, dat Cameron pas aan het eind van de ‘Epiloog’ weer bij kennis komt: ‘En ik ging weer het rijk binnen (...)’ (blz. 222; we kiezen de romantekst tot uitgangspunt van onze overwegingen; hoe de Gandhâra-episode uit document C-VII erin past, komt verderop ter sprake). De tweede opvatting dwingt tot de conclusie, dat Slauerhoff hier op enigerlei wijze het reïncarnatieproces heeft willen weergeven. Het volgende leven van Cameron vangt dan aan bij diezelfde woorden: ‘En ik ging weer het rijk binnen (...).’
Voor de tweede opvatting pleiten een paar zinsneden aan het slot, die binnen de eerste interpretatie moeilijk zijn onder te brengen: ‘Ik had den zin (...) volbracht, mij bevrijd uit de samenzwering van afstamming en belagende geesten en verwekt tot de smalle rest van een eigen bestaan’; ‘Maar wellicht gaan in het rijk vele schimmen rond zooals ik, en zullen wij elkaar menschelijk begroeten (...)’; en de slotzin: ‘Misschien zal ik dan toch in de vaart het land van Wan Tsjen bereiken om daar den strijd voort te zetten van hem die niet kan sterven noch deelen het kommer- en vormloos bestaan van de ware onsterfelijken.’
We kunnen echter ook nog een derde mogelijkheid overwegen, een combinatie van de beide andere. Cameron raakt zozeer buiten kennis, dat hij ten dode opgeschreven is. In deze toestand heeft hij een doodservaring, zoals sommigen wel hebben die door de artsen al opgegeven zijn. Zij zijn klinisch dood. Het sterven maken zij in essentie inderdaad mee, maar desalniettemin keren zij terug uit het bereik van de dood. Binnen dit bereik ervaart Cameron dan voor een deel wat anderen tussen hun sterven en hun wedergeboorte moeten ondergaan. Wellicht komt deze interpretatie de bedoelingen van Slauerhoff in de definitieve tekst het meest nabij. Degeen die voortleeft is immers een volwassen Cameron; bij reïncarnatie zou men iets als een geboorte verwachten. De geciteerde zinnen uit het slot van de roman behouden hierbij hun zin.
Dat we hier te maken hebben met een verbeelding van het leven na het sterven, met inbegrip van voorstellingen uit de reïncarnatiegedachte, is niet zo vreemd wanneer we in het interview dat G.H. 's-Gravesande in 1933 Slauerhoff heeft afgenomen, lezen:
‘“Ben je theosoof?”
‘“Neen. Ik ben niet overtuigd van de reïncarnatie zoals de theosofen zich die denken, maar het lijkt er wel erg veel op. Ik geloof wel dat sommige eigenschappen van een vroeger leven in een ander overgaan. Ik hou me niet voor een reïncarnatie van Camoës. Noteer dat vooral in verband met Het verboden rijk. (...)”’ (Geciteerd naar: Ik had het leven me anders voorgesteld. J. Slauerhoff in vraaggesprekken en herinneringen, blz. 17-18.)
Ook de door Slauerhoff gebruikte bronnen wijzen in die richting. Al eerder hebben we het artikel vermeld van H. Hackmann, ‘Chinesischer Jenseitsglaube’, in het
tijdschrift China (1931, blz. 89-107; cf. de commentaar bij document B-II, blad [5]). Na erop gewezen te hebben dat de Chinees zich het land aan gene zijde van het sterven voorstelt als ‘ein Gegenbild des Diesseits’ (blz. 91), schrijft Hackmann: Men kent ‘genau die Stelle, wo der Weg aus der irdischen Welt in die Unterwelt und das Jenseits hinausführt. Es ist die Stadt Fêng tu [Feng-tu, Fengdu; cursivering door de auteur] am oberen Jangtze im östlichen Teile der Provinz Szïchuan [Szechwan]. Die Stadt liegt sehr hübsch unmittelbar über dem Fluss, umgeben von malerischer Berggegend, ist aber freilich im Innern - wenigstens als ich sie besuchte, im Jahre 1903 - schmutzig und verfallen. Ueber der Stadt erhebt sich ein Hügel, bedeckt mit einer grossen Anzahl Tempel, und ziemlich auf der Höhe, wo ein weiter Umblick auf die reizvolle Landschaft das Auge erquickt, befindet sich ein mauerumschlossener freier Platz und in dessen Mitte ein tiefer Brunnenschacht. Hier steht man am Eingang in die Unterwelt.’ (blz. 93)
Wanneer men de Yangtse stroomopwaarts volgt, bereikt men in Szechwan eerst Feng-tu, vervolgens Tsjoengking (Ch'ung-ch'ing, Chongqing). Zoals al in de commentaar bij document B-II, blad [3], werd opgemerkt, is Cameron in ‘Szechwan’ op weg naar een stad waar het verschil tussen leven en dood geen rol meer speelt. (Zie ook Verzamelde Werken, VI, blz. 95-96.) Inderdaad lijkt Feng-tu met Tsjong King in de roman te zijn samengevallen. Ook in de laatstgenoemde stad vormt ‘ein tiefer Brunnenschacht’ de verbinding met het generzijds. Voor de Chinezen is het geel van de petroleum de kleur van de onderwereld, waarmee ook Cameron nu te maken krijgt.
De weg naar dit (tijdelijk) hiernamaals is niet moeilijk begaanbaar. Hackmann deelt hierover mee: ‘Die Grenze zwischen Diesseits und Jenseits ist (...) nicht streng geschlossen [cursivering door de auteur]. Beide Gebiete gehen unmerklich in einander über, wie auch die Bewohner herüber und hinüber gehen und mit einander an Verkehr stehen können.’ (blz. 94) Er is dus geen eenrichtingsverkeer. Hackmann haalt dan ook verscheidene volkssprookjes aan over mensen die uit het land van de dood weer zijn teruggekeerd (blz. 98-102). Dat we de ‘Epiloog’ in dit licht mogen interpreteren, vindt steun in twee andere bronnen van Slauerhoff.
In de eerste plaats komt in aanmerking Mystiques et magiciens du Thibet van Alexandra David-Neel. Bovendien is, zoals verderop nog uitvoeriger zal blijken, voor de ‘Epiloog’ van belang: The Tibetan book of the dead van W.Y. Evans-Wentz (London, 1927), hier geciteerd naar de Duitse editie: Das Tibetanische Totenbuch, oder die Nachtod-Erfahrungen auf der Bardo-Stufe, nach der englischen Fassung des Lama Kazi Dawa-Samdup herausgegeben von W.Y. Evans-Wentz. Voor meer algemene informatie over het boeddhisme zij verwezen naar: Alexandra David, Le modernisme bouddhiste et le Bouddhisme du Bouddha (Paris, 1911); Edward Conze, Buddhism. Its essence and development (Oxford, 1951); en Hajime Nakamura, Ways of thinking of Eastern peoples: India - China - Tibet - Japan (Honolulu, 1964).
David-Neel spreekt in haar eerstgenoemd werk eerst in het algemeen over ‘La mort et son au-delà’. Daaruit blijkt dat de populaire opvattingen over reïncarnatie, ook die in Tibet, niet door de elite van het (tantristisch) boeddhisme worden gedeeld. De ontwikkelde lama houdt er een subtielere mening op na:
‘Les profanes imaginent, en général, que les bouddhistes croient à la réincarnation de l'âme, voire même à la métempsycose. C'est là une erreur. Ce que le bouddhisme enseigne, c'est que l'énergie produite par l'activité mentale et physique d'un être, cause l'apparition de nouveaux phénomènes mentaux et physiques, après que cet être a été dissous par la mort.’ (blz. 24)
‘Sans qu'il soit nécessaire d'insister sur ce point, l'on comprend que les conceptions des philosophes ne sont comprises que par une élite. Quant aux masses, bien qu'elles répètent le credo orthodoxe: “Tous les agrégats sont impermanents, il n'existe aucun “moi” dans la personne”, elles demeurent attachées à la croyance plus simple en une entité indéfinie qui pérégrine de monde en monde, revêtant des formes diverses.’ (blz. 24)
‘Selon la croyance populaire, le défunt renaît dans une condition plus ou moins heureuse d'après les actes bons ou mauvais qu'il a accomplis. Les lamas, plus éclairés, enseignent que, par ses actions et ses pensées, l'homme, ou n'importe quel autre être, développe en lui des affinités qui le conduisent tout naturellement vers une condition d'existence en rapport avec elles. D'autres disent, enfin, que par ses actes et, surtout, par son activité mentale, un être modifie la nature de la substance dont il est composé et se transforme ainsi, lui-même, en dieu, en bête, en damné, etc...’ (blz. 25)
‘(...) les lamaïstes supposent qu'il est possible à celui “qui sait comment s'y prendre” de modifier et d'améliorer son sort post mortem, de renaître dans une condition aussi agréable que possible.
‘Je dis: aussi agréable que possible, parce que, malgré toute leur confiance dans les effets de l'habileté, le poids des actes passés (nieun las) [Karma] demeure toujours, croient-ils, une force considérable, si considérable parfois que tous les efforts du défunt, ou même ceux d'un initié thaumaturge qui s'intéresse à son sort, sont impuissants à arrêter “l'esprit” qui se précipite vers une renaissance misérable.’ (blz. 25-26)
‘Aber es besteht folgender Unterschied: die nachtodliche Verwandlung ist nur das Resultat des angehäuften vergangenen Karmas und schafft nicht, wie im irdischen Leben, neues Karma, für das ein physischer Körper notwendig ist.’ (Das Tibetanische Totenbuch, blz. 72)
‘Les initiés sont censés connaître ce qui les attend quand ils mourront, et les contemplatifs ont vu et éprouvé d'avance les sensations qui accompagnent la mort. Ils ne seront donc ni surpris, ni troublés lorsque leur personnalité présente se désagrégera et cela qui doit poursuivre sa route, entrant conscient dans l'au-delà, y cheminera avec une pleine connaissance des routes, des sentiers et des lieux où ils conduisent.
‘Qu'est-ce que cela qui poursuit sa route après que le corps est devenu cadavre? C'est l'une des multiples “consciences” que distinguent les lamaïstes: la conscience du “moi”, ou, suivant une autre expression, “le désir de vivre”.
‘Je me permettrai de désigner par le terme “esprit” le voyageur dont nous allons suivre les pérégrinations dans l'au-delà. (...)’ (David-Neel, blz. 26).
De leken worden bij hun sterven bijgestaan door een lama, die hen wijst op wat hun te wachten staat. Ook ná het sterven blijft hij hen begeleiden en ‘toezingen’, hoe zij zich het beste kunnen gedragen. Dit betekent dat de dode op zijn tocht door het land van de dood (Bardo) nooit zonder gids is.
‘Le lamaïsme n'abandonne pas ces ignorants à eux-mêmes. Tandis qu'ils agonisent et après qu'ils ont expiré, un lama leur enseigne ce qu'ils n'ont pas appris pendant leur vie. Il leur explique la nature des êtres et des choses qui leur apparaissent, les rassure et, surtout, ne cesse de leur indiquer la bonne direction à prendre.’ (David-Neel, blz. 27)
‘[De dodendienst] besteht aus einem mystischen Gesang, der Anweisungen für den Geist des Verstorbenen enthält, damit er den Weg zum Westlichen Paradies des Amitâbha finde und - falls sein Karma es ihm erlaubt - auf diese Weise dem unerwünschten Zwischenzustand entfliehe.’ [Das Tibetanische Totenbuch, blz. 94)
‘Während die Bestattungsriten - zu denen das Lesen des Bardo Thödol [het Tibetaanse Dodenboek] gehört - vollzogen werden, singen im Hause des Verstorbenen oder am Ort seines Todes andere Lamas, sich ablösend, Tag und Nacht das Totenamt als Hilfe für den Geist des Verstorbenen, damit er das Westliche Paradies des Amitâbha erreicht.’ (Das Tibetanische Totenbuch, blz. 96)
Dan begint voor de dode (l'esprit désincarné) de tocht door het dodenland.
‘(...) Bien que la croyance populaire fasse de celui-ci un véritable voyage à travers des lieux réels, peuplés d'êtres également réels, les lamaïstes plus instruits le considèrent comme un défilé de visions subjectives, un rêve que l'esprit lui-même confectionne sous l'influence de ses diverses tendances et de son activité passée.
‘Certains affirment qu'immédiatement après sa désincarnation, l'esprit a l'intuition, fugitive comme l'éclair, de la réalité suprême. S'il est capable de saisir cette lumière, il est définitivement libéré de la “ronde” des renaissances et des morts successives. Il a atteint l'état de nirvâna.
‘Ce cas est rare. En général, l'esprit est ébloui par cette clarté soudaine. Il recule, entraîné en arrière par ses fausses conceptions, son attachement à l'existence individuelle, au “moi” et aux plaisirs éprouvés par le moyen des sens. Ou, même, la signification de ce qui lui apparaît lui échappe totalement, tout comme les faits se produisant autour de lui échappent souvent à un homme absorbé par ses préoccupations.’ (David-Neel, blz. 27-28)
De volgende passage uit het boek van David-Neel toont aan dat niet alleen de tweede, maar ook de derde interpretatie-hypothese past in de Tibetaanse opvattingen
‘Mais, dira-t-on, qu'est-ce que cet “esprit” qui a des pieds? Ce n'est point l'esprit qui en est pourvu, mais le corps éthéré auquel il demeure encore attaché.