[p. 138]
Adiós
Y si los árboles
sacuden sus hojas
no sé
si es por tu risa suave
o por el don
de las estrellas
para despertar en nosotros
la lejanía
que lo enternece todo.
Y si el polvo
se levanta del camino,
no sé
si tu calor
me cubre
para cegarme.
¡Oh, no hubo nunca en mí
tanta ternura
como en esta noche
después de despedirme de ella!
[p. 139]
Vaarwel
En als de bomen
hun bladeren laten vallen
weet ik niet
of het is om jouw zachte glimlach
of om de gave
van de sterren
om in ons te wekken
de verte
die alles vertedert.
En als het stof
opstaat van de weg,
weet ik niet
of jouw warmte
me bedekt
om mij te dragen.
O, er is nog nooit in mij
zoveel verdriet geweest
als op deze avond
na het afscheid van haar!