|
|
|
| | | | | |
Belering en verhulling?
Enkele 17de-eeuwse teksten over de schilderkunst en de
iconologische benadering van Noordnederlandse schilderijen uit deze
periode.
Eric J. Sluijter
Uit vele recente publikaties blijkt dat het debat over de aard van
de Nederlandse schilderkunst in de 17de eeuw - een debat dat zich voornamelijk
toespitste op de ‘genre’ schilderkunst - nog in volle hevigheid
gaande is. Talloze onderzoekingen hebben zich de laatste jaren gericht op de
bestudering van de betekenis en de functie van deze kunst in haar historische
context.
1 Over de vraag welke doelen Hollandse
schilders nastreefden en op welke wijze hun publiek deze werken benaderde
bestaat echter weinig eenstemmigheid. Zoals
Bialostocki het recentelijk samenvattend formuleerde:
op de vraag welk doel de Hollandse schilder had bij het maken van een
schilderij antwoordde Fromentin in 1876 ‘geen’, oftewel, geen ander
dan zuiver artistieke nood de werkelijkheid te tonen. Honderd jaar later gaven
iconologen, van wie
E. de Jongh de belangrijkste representant kan worden
genoemd, een even duidelijk antwoord: tot lering en vermaak; terwijl
recentelijk het antwoord van
Svetlana Alpers zou neerkomen op: het vergroten van de
visuele kennis van de werkelijkheid.
2
Wij kunnen echter stellen dat de vooral door Nederlandse
kunsthistorici geëntameerde iconologische methode, waarmee sinds de jaren
zestig de Nederlandse 17de-eeuwse (genre)schilderkunst met groot enthousiasme
te lijf werd gegaan en waarvan de resultaten onze kennis over deze kunst in
hoge mate hebben verrijkt, het meest is aangeslagen. Globaal gezegd kan deze
werkwijze, die ook wel - zij het niet geheel juist - als ‘emblematische
duiding’ is gekarakteriseerd,
3 als volgt
worden omschreven: zij richt zich erop in beelden verborgen lagen van betekenis
en literaire toespelingen te ontcijferen en het doel en de betekenis van
genreschilderkunst te relateren aan het klassieke, theoretische concept van
‘docere et delectare’.
4 Daarmee werd een niet-narratieve kunst
die zich grotendeels aan tekstuele referenties leek te onttrekken, alsnog
teruggevoerd op teksten. Dit kon leiden tot ver strekkende karakteriseringen
als:
The joyful, often course domestic and tavern scenes have been
convincingly established as instructive lessons, warning against sin, recalling
death, challenging the viewer to lead a God fearing life.
5
Uit de literatuur waarin nieuwe inzichten werden vertaald voor een
breder publiek dan dat van vakgenoten, zoals educatieve begeleidingsbladen,
teksten bij tentoonstellingen, kranteartikelen en een recent overzichtswerk
over de Nederlandse kunst, krijgt men zelfs de indruk dat er een zekere
consensus bestaat | | | | over het antwoord op de vraag hoe deze kunst in het
verleden werd benaderd.
6 Ook als men rondleiders beluistert in
Nederlandse musea dan wordt, anders dan
Bruyn in 1981 nog meende,
7 de museumbezoeker
bij genrestukken, stillevens en zelfs bij landschappen, tegenwoordig
overvloedig en vrijwel uitsluitend ingelicht over verborgen betekenissen,
verhulde symboliek en moraliserende boodschappen. Er wordt verteld wat een
schilderij ‘eigenlijk betekent’, en het betreft dan een
‘boodschap’ die verhuld is in het realistische uiterlijk van het
schilderij en die meestal een - makkelijk te verwoorden - waarschuwende en
stichtende belering inhoudt.
8
De vraag is echter of een aantal uitgangspunten, die inmiddels
door het succes van dit iconologische onderzoek zo ingeburgerd zijn geraakt -
en ik doel daarmee op gedachten omtrent de belerende functie en het verhullen
van betekenissen -, wel geheel gerechtvaardigd is en de argumenten daarvoor
voldoende steekhoudend zijn.
Het is niet mijn bedoeling de kritiek te analyseren of uit te
werken, waaraan deze op de Nederlandse kunst toegepaste iconologische methode
sinds enige tijd blootstaat, een kritiek die van zeer heftig tot nuancerend
loopt.
9 Ik wil hier
slechts een vraagteken plaatsen achter enkele denkbeelden die in brede kring
tamelijk vaste voet lijken te hebben gekregen, en dat op basis van hetzelfde
soort materiaal - 17de-eeuwse teksten - waarmee iconologen zo veelvuldig hun
standpunten hebben verdedigd. Nadrukkelijk moet daarbij worden gezegd dat
hiermee geenszins het grote belang van de inzichten en resultaten die via dit
onderzoek werden verkregen wordt verminderd; integendeel, juist deze resultaten
maken het mogelijk zich af te vragen of sommige kaders waarin zij zijn
geplaatst wel geheel adequaat zijn en hier en daar niet enige herzienig
behoeven.
Een van de bekende moeilijkheden voor de iconoloog bij zijn
pogingen greep te krijgen op het denken en streven van de Hollandse schilder in
de 17de eeuw en de benadering van zijn publiek, is de schaarste aan literatuur
uit deze periode die ons op enigerlei wijze daarover kan inlichten. Vrijwel het
enige substantiële geschrift over de schilderkunst in de periode waarop ik
mij hier wil concentreren - globaal tussen 1620 en 1670, zowel kwalitatief als
vooral ook kwantitatief de grote bloeitijd van de Hollandse schilderkunst - is
Philips Angels in 1642 verschenen traktaatje
Lof der schilder-konst, waarmee een voordracht,
die hij in het jaar daarvoor op St. Lucasdag voor de Leidse
schildersgemeenschap had gehouden, in druk werd gebracht.
10 Hoewel men zou
verwachten dat deze speech van een doorsnee schilder, gehouden voor een publiek
van kunstenaars dat voornamelijk uit landschaps-, stilleven- en genreschilders
zal hebben bestaan
11 en
bedoeld om de waardigheid van hun vak te benadrukken, een belangrijke rol zou
hebben gespeeld in de pogingen iets van de denkbeelden van zulke schilders uit
die tijd te herleiden, lijkt het of men er in de kunsthistorische literatuur
niet zo goed raad mee heeft geweten.
12 Daarom is het wellicht zinvol op deze
plaats dit werkje nog eens te bekijken om een indruk te krijgen van enkele
denkbeelden die op dat moment van belang werden geacht in deze kring te
verwoorden.
Allereerst wil ik echter stilstaan bij het door Angel aangehaalde
relaas van | | | | Cats over de schilder en de dichter die om de
hand van
Rhodope strijden, omdat dit een mooi uitgangspunt vormt
om enkele, mijns inziens significante, punten naar voren te halen die ons iets
zeggen over een beeld dat men van de schilder en de schilderkunst in deze
periode moet hebben gehad.
13 In
deze passage uit de
De Beschryving van de Op-komste van Rhodopis,
het uitvoerigste verhaal uit Cats'
Trouringh, prijzen de dichter en de schilder
zichzelf aan bij deze huwbare jongedame, samen met nog een aantal andere
minnaars (de krijgsman, de raadsheer, de koopman en de borduurder). Elk
beschrijft uitvoerig de waardigheid van zijn persoon zoals deze wordt bepaald
door het vak dat hij beoefent, om
Rhodope te overtuigen dat juist hij de meest
begerenswaardige echtgenoot voor haar is.
Professor Witstein toonde aan dat de 17de-eeuwse lezer
in het betoog van de dichter inderdaad een gangbaar beeld van de dichter
herkend zal hebben en dat diens optreden als moraalfilosoof volkomen
aanvaardbaar zal hebben geklonken.
14 De
dichter presenteer zichzelf als degene die, in tegenstelling tot de andere
minnaars, zich bezig houdt met zaken van hogere orde; hij is iemand die
ethische normen aangeeft en onderricht geeft aangaande zeden en hartstochten,
hetgeen geheel in overeenstemming is met de algemeen aanvaarde educatieve taak
en de intellectueel en moreel vormende kant die de dichtkunst werden toegedacht
en waarin het Horatiaanse ‘Omni tulit punctum qui miscuit utile
dulci’ als maatgevend kon worden beschouwd.
15 Voorts geeft hij een
staaltje van zijn emblematische geest, wanneer hij een ‘diep
geheym’ ziet in het gedrag van een vlo die van Rhodopis op de dichter
sprong, en verzekert hij haar tenslotte dat haar naam zal voortbestaan wanneer
zij de dichter huwt.
16
De schilder daarentegen zegt niets over enige hogere doelen van zijn
kunst.
17 Hij begint weliswaar met het bekende cliché dat men
‘Schilders en Poëten’ naast elkaar stelt, omdat de
één stomme poëzie, de andere sprekende schilderkunst schept
en beide kunsten ‘de weerelt tot vermaecken’ dienen en tot
verlichting van de geest; echter, bij deze uitspraak over verwante doelen laat
hij dus maar meteen de door de dichter benadrukte hogere functies buiten
beschouwing. De schilder meent dat zijn kunst zich boven de dichtkunst verheft
om de volgende reden: de dichter, zo zegt hij spottend, verdient met zijn geest
en ‘sijn hooghe vlucht’ slechts lof, lauweren en een eeuwige naam,
waar geen mens van kan leven en geen vrouw en kinderen van te onderhouden zijn,
terwijl de schilder geld kan verdienen met zijn kunst.
De waerde Schilder-Kunst verdient al grooter loff,
Want boven haer vermaeck soo komter voordeel off.
Ick winne machtich gelt, ick maecke groote stucken,
Oock weet ick op de Plaet de Vorsten uyt te drucken:
Hier drijf ick handel meed', en vry met groot ghewin,
En dat 's een dienstich werck voor huys en huysghesin.
18
Hij kreeg bijvoorbeeld onlangs van een vorst veel geld voor zijn
kunst en werd begunstigd met een gouden keten, terwijl een bevriend dichter
voor een werk dat ‘enckel geest en van een hooghe toon was, slechts een
lauwerkrans en een wa- | | | | pen van dezelfde vorst kreeg. Kortom:
Maer waerom langh verhaelt? Ick kan te samen voegen
Dat u, dat al het volck, dat Princen kan vernoegen,
En dat oock bovendien mijn voordeel geven kan;’.
19
Even later zet hij zich ook nog eens af tegen de koopman en
verzekert
Rhodope:
Soo ghy een Coopman lieft, Ick kan oock handel drijven,
En kan noch door de Konst mijn saecken beter stijven;
20
Bovendien kan hij dat beter dan de koopman, want hij maakt zijn
handelswaar zelf; zolang hij leeft zal zijn kunst hem niet verlaten, terwijl
een koopman bijvoorbeeld failliet kan raken wanneer hij zijn handelswaar in een
schipbreuk verliest.
Als alternatief voor de belofte van de dichter dat deze haar naam
kan doen voortleven, houdt de schilder Rhodope voor dat hij in staat is
‘dit aerdich Beelt van uwe jonghe daghen’ vast te leggen en aan de
volgende eeuw over te dragen, zodat iedereen haar frisse jeugd en schoonheid
blijvend zal kunnen aanschouwen en zelfs nog over duizend jaar zal kunnen zien;
door zijn kunst zal zij dus als het ware eeuwig leven. De krijgsman wordt
gepareerd met het argument dat, doordat de schilder alles kan weergeven, hij
haar ook slagvelden voor ogen kan stellen als zij daar belangstelling voor
heeft, zonder dat zij daar enig gevaar bij loopt. Mocht zij de raadsheer
aantrekkelijk vinden omdat deze dikwijls aan het hof verkeert: vanouds werden
schilders door prinsen in eere gehouden.
21
Cats laat de schilder dus in diverse opzichten schril
afsteken tegen de dichter. De schilder ontleent zijn waardigheid niet aan het
nastreven van hogere doelen, maar aan het produceren van hoogwaardige
handelswaar die hem financieel voordeel oplevert en aan de (vooral
financiële) waardering die hij van hooggeplaatste mecenassen ondervindt.
22 Zijn kunst heeft tot
doel te vermaken en te ‘vernoegen’, voorts datgene voor ogen te
stellen wat men graag wil zien, en tenslotte vergankelijke, uiterlijke
schoonheid vast te leggen waardoor de tijd wordt overwonnen.
23
Dat het hier geschetste beeld, waarin de schilder in feite wordt
gekwalificeerd als een geacht ambachtsman die hoogwaardige produkten
vervaardigt (een beeld dat natuurlijk binnen de denkbeelden over de vrije
kunsten bepaald niet als gunstig kan worden beschouwd), voor tijdgenoten -
zelfs voor schilders geheel acceptabel moet zijn geweest, blijkt uit het feit
dat
Philips Angel deze ‘zelfverheerlijking’ van
de schilder in extenso opneemt in zijn traktaat, wanneer hij, de waardigheid
van zijn vak roemend, de schilder boven de dichter plaatst. Nadat hij ruim drie
bladzijden, van zijn in totaal 58 bladzijden tellende verhandeling voor dit
citaat naar Cats heeft ingeruimd, besluit hij het geciteerde met de woorden
‘Siet daer, door een Poët selfs de Schilder-Konst boven de
Poësy ghestelt.’!
Ook verder blijkt uit Angels traktaat niet dat hij de verheven
didactische doelen | | | | van de dichtkunst ook als doelen van de
schilderkunst ziet; over belering en stichting, diepere wijsheden, of andere
intellectuele pretenties spreekt hij niet. De ‘Ut pictura
poesis’-gedachte lijkt voor hem in deze zin dus geen rol te spelen. Om
het feit dat de bestaande humanistische kunsttheorie grotendeels gebaseerd is
op regels van de poetica en retorica lijkt hij zich evenmin te bekommeren,
hoewel hij
Van Mander dankbaar gebruikt als dat hem van pas komt.
Hij moet ook weet hebben gehad van het bestaan van het zojuist in het
Nederlands verschenen
De schilder-konst der oude van
Franciscus Junius;
24 voor de voorrede van
Jan de Brune de Jonge had hij duidelijk belangstelling,
voor Junius' werk zelf niet. Hier lijkt de praktische schilder aan het woord
die, met een niet literair-theoretisch geschoolde geest, slechts die dingen uit
de bestaande theoretische vocabulaire over schilderkunst licht die hem op dat
moment aanspreken.
Als
Angel de waardigheid van zijn vak wil aantonen, plundert
hij Van Mander op namen en data van schilders uit de oudheid
25 om de respectabele ouderdom van de schilderkunst te laten zien en
toont hij vervolgens dat deze kunst reeds in de oudheid tot de hoogste trap is
opgeklommen, waarbij hij - en dat lijkt typerend - eindigt bij Zeuxis en
Parrhasius, van wie Zeuxis zo bedriegelijk de natuur kon nabootsen dat hij
vogels misleidde met de druiven die hij op zijn paneel had geschilderd, maar
die door Parrhasius nog werd overtroffen omdat deze een redelijk wezen, zelfs
een schilder, met zijn natuurnabootsing wist de bedriegen door een laken over
zijn schilderij te schilderen dat Zeuxis opzij trachtte te trekken.
26 Wanneer hij de status van schilders aantoont door de
waardering die zij door de geschiedenis heen genoten bij hooggeplaatste lieden,
geeft hij wederom voornamelijk aan Van Mander ontleende voorbeelden; daarbij
blijkt echter voor Angel die status en waardering weer grotendeels uit de
financiële gaven waarmee deze schilders werden beloond - en die steeds met
nadruk worden vermeld. Deze uiteenzetting eindigt hij binnen de wallen van
Leiden, bij de succesvolle
Gerrit Dou, die vijfhonderd gulden per jaar kreeg van
een liefhebber om de eerste keuze van Dou's jaarlijkse produktie te hebben en
waaruit volgens Angel moge blijken hoe ‘geacht en ghe-eert’ de
schilderkunst ook heden is.
27
Hierna vervolgt Angel met de traditionele vergelijking met de
beeldhouwkunst (waarbij hij de argumentatie grotendeels aan
Jan de Brune's voorrede bij Junius ontleent) en daarna
die met de dichtkunst - waarover hiervoor reeds werd gesproken - om te tonen
dat de schilderkunst meer lof verdient dan die andere twee kunsten. Angels
voornaamste argument dat de schilderkunst boven de beeldhouwkunst staat,
betreft het feit dat de schilderkunst al het zichtbare in de natuur kan
nabootsen. Hij geeft daarbij een opsomming van zaken die de schilderkunst wel
en de beeldhouwkunst niet kan weergeven, waaronder dieren als vliegen en
spinnen, het uiterlijk van verschillende soorten metalen en niet tastbare
natuurverschijnselen als regen, bliksem, wolken, wasem, morgenstond,
avondstond, de nacht, weerspiegeling etc. De capaciteit tot nabootsing in
‘schijn sonder sijn’ vormt dus zijn belangrijkste kriterium.
28
Wanneer Angel tenslotte uitvoerig ingaat op de voorwaarden waaraan
de kunstenaar moet voldoen en de eigenschappen die hij moet hebben als hij de
naam van schilder waardig wil zijn, maakt hij een onderverdeling in aspecten | | | | van deze kunst; een aantal daarvan is met enige moeite op traditionele
theoretische begrippen als iudicium, ingenium, disegno en decorum te herleiden,
maar de wijze waarop hij deze invult lijkt in zijn eenvoud in vele opzichten
zeer typerend en heeft niet veel te maken met de geleerde implicaties die men
in de humanistische kunsttheorie aan zulke begrippen gaf.
29 Zijn eerste
voorwaarde, het ‘recht oordeel’, betekent voor hem voornamelijk dat
men niet klakkeloos aan composities van anderen mag ontlenen; een
‘ghewisse Teycken-hant’ dat men geen fouten in de tekening mag
maken, waarbij hij als voorbeeld het tekenen van een ‘tronie’
aanhaalt, erop wijzend dat men dikwijls ziet dat het ene oog anders staat dan
het andere, de oren te klein zijn, de neus te kort of te lang is, etc.
30
Een ‘vloeyende ende eyghentlijcke by een voeghende gheest’ wil
zeggen dat men van alles moet kunnen bedenken en dit zodanig naar de aard der
dingen in een beeld moet kunnen samenstellen dat het een ‘aenghenamen
bevallijcken luyster’ geeft en het voor de toeschouwer geheel
begrijpelijk is wat er is weergegeven.
31 ‘Kennisse van
Hystorien’ betekent dat men voor het uitbeelden van ‘Goddelicke,
Poëtische en Heydensche Historien’ de teksten van de uit te beelden
verhalen goed moet lezen en de gegevens daaruit nauwkeurig moet weergeven om
geen fouten ten opzichte van de tekst te maken; het hier geintroduceerde begrip
van ‘hooge na-gedachten’ of ‘verre en eyghentlicke
nagedachten’ wil zeggen dat men het gelezene goed moet overdenken zodat
alles wat men uitbeeldt in overeenstemming zal zijn met het in het verhaal
beschrevene, ook als iets daar niet in verteld wordt, en het voor de
toeschouwer duidelijk is wat er zich afspeelt.
32 Over het uitdrukken
van diepere betekenissen die in deze verhalen besloten liggen spreekt hij niet,
evenmin benadrukt hij overigens het uitdrukken van emoties om het gemoed van de
toeschouwer te bewegen.
Zeer grote nadruk legt
Angel steeds op de nauwkeurige nabootsing van de
zichtbare dingen, zodat ze ‘net echt’ lijken. Licht en schaduw
dient men zodanig te verdelen dat zelfs dingen waarvan men zou denken dat ze
nauwelijks door penseel en verf zijn na te bootsen ‘seer eyghentlijck
[…] schijnen’, voorts dient de ‘waerneminghe van d'eyghen
natuyrlicke dinghen’ ertoe dat men optische effecten nauwkeurig bekijkt
en deze weergeeft zoals men ze ziet.
33 Aangezien ‘wy
na-bootsers van 't leven sijn’, zo zegt hij, moet men niet tegen veel
moeite opzien, als men daardoor ‘de natuerlicke dingen daer mede nader by
komt’. Daarbij haalt hij voorbeelden aan die respectievelijk de
‘Bataelje-Schilders’ en de ‘History-schilders’ (het
effect van een draaiend wiel), de ‘Zee-Schilders’ (het effect van
rook bij een kanonschot) de ‘Landschap-schilders’ (het effect van
spiegeling in het water) en de schilders van ‘Corteguarden’ (het
effect van het gloeien van een lont als deze wordt aangewakkerd door hem rond
te draaien) in acht zouden moeten nemen.
34
De kennis van de anatomie spitst hij toe op de nauwkeurige
waarneming van het uiterlijk van de ledematen en spieren en hoe deze bewegen
(zonder over juiste proporties of ideale schoonheid te spreken).
35 Een voor deze tijd
typerend lijkende vereiste die Angel voorts behandelt, is een zorgvuldige
stofuitdrukking, het onderscheid maken tussen bijvoorbeeld fluweel, wol, satijn
etc.
36 Het meest opmerkelijk in
deze nadruk op een nauwkeurig werken naar de natuur, is de | | | | passage
over de relatie tussen ‘natuyrlicke na-bootsinge’ en
‘handelinghe’ waarin hij stelt dat een schilderij van de beste
meester niet herkenbaar moet zijn aan een bepaalde manier van schilderen, maar
‘uyt de ongewoone overeenkominge die het met het leven heeft’. De
hoogste lof is dat ‘men noyt te voren van sulcke na-by-kominghe nae 't
leven gehoort en had’.
37 Als laatste punt
beveelt hij als schildertrant ‘netticheyt’ aan (een zorgvuldige
gladde manier van schilderen), die echter gepaard moet gaan met een zekere
‘lossicheyt’ om niet te vervallen in ‘stijve nette
onaerdigheyt’, waarbij hij de ‘noyt ghenoegh ghepresen
Gerrit Dou als voorbeeld stelt. Is men hier niet toe in
staat dan kan men maar beter een ‘los, wacker, soetvloeyend’
Penceel' hanteren, want anders zal men meer bespot dan geprezen worden.
38 Tenslotte zijn natuurlijk
aangenaam gedrag, deugdzaamheid en vlijt - vooral het laatste wordt sterk
benadrukt - van node om de hoogste eer en roem als schilder te verkrijgen.
39
Opmerkelijk is voorts de grote nadruk die
Angel bij dit alles steeds legt op het behagen van het
oog van de liefhebber. De ‘aerdigh-vercierende Rijckelijckheydt’
(het uitbeelden van een verscheidenheid aan dingen in het schilderij) is vooral
noodzakelijk vanwege de ‘opweckende toe-gheneghentheyt, die men daer door
in de ghemoederen van de Konst-beminders wacker maeckt’ en deze zal
‘met een wensch-begheerte, het oogh der Liefhebberen tot haer dinghen
verrucken en dat daer door de Stucken haer te beter van de handt gaen’,
en het goed uitbeelden van verschillen in stofuitdrukking is ‘op 't
aengenaemste voor yders ooge’.
40 Door de
‘schijn eyghentlijcke krachte (soo noem ickt het)’, die onstaat
door een goede verdeling van licht en schaduw, zal men het ‘ghesichte der
Konst-beminders […] overweldighen en in nemen’.
41 De nauwkeurig waarneming
en weergave van optische verschijnselen zal ‘niet min behaeghlijck, als
natuerlijck […] zijn in de ghemoederen der Konst-beminders, en oock een
meerder begheer-lust tot de Kunst […] verwecken’, terwijl een
natuurlijk coloriet ‘onse Konst in 't ooghe van de Kunst-beminnende
Liefhebbers een wel-ghevallen doet hebben’.
42
Wanneer Angel overigens zijn ‘Schilders Konst Lof-spraeck’ aan de
verzamelaar
Johan Overbeeck opdraagt, doet hij dit om hem te danken
voor de gelegenheid die hem geboden werd diens collectie te zien ‘om te
versadighen de lust van mijn nieuwsgierighe oogen’ door de
‘menichte van die uytnemende aerdigheden’.
43 Over edificatie van de
toeschouwer door middel van schilderijen dus alweer geen woord, des te meer
over de aangename verlokking van het oog.
Tenslotte kan worden opgemerkt dat bij Angel geen duidelijk
bewustzijn blijkt van een hiërarchie tussen de verschillende genres;
44 wanneer
hij in zijn uiteenzetting over de eisen waaraan een goed schilder dient te
voldoen iets duidelijk wil maken, neemt hij, zoals wij zagen, als voorbeeld bij
het tekenen een ‘tronie’, en elders haalt hij met hetzelfde gemak
het werk van schilders van veldslagen, historiën, zeestukken, landschappen
en ‘corteguarden’ aan,
45 die kennelijk elk als
specialisten worden gezien, wat zij op dat moment in de praktijk ook meestal
waren. Weliswaar is een van zijn eisen het nauwkeurig lezen van verhalende
teksten bij het schilderen van historiën om deze op duidelijke, juiste en
passende wijze te kunnen uitbeelden (waarbij hij zeer uitvoerig op het
uitbeelden van een aantal bijbelse en mythologische onderwerpen ingaat), maar
daaruit maak ik | | | | niet op dat hij bij uitstek het schilderen van
historiestukken als hoogste doel ziet.
46
Zijn waardering voor
Dou, die toen al voornamelijk interieurstukken en
tronies schilderde, lijkt ook zeker niet geringer dan voor
Rembrandt en
Lievens, de drie zeker niet toevallig uit
Leiden afkomstige - schilders die hij met de meeste lof vermeldt.
47
Hoewel het bovenstaande op zichzelf natuurlijk nog niet veel zegt
over het waarom van de onderwerpkeuze en over de inhoud daarvan, ben ik met
enige uitvoerigheid op
Cats en
Angel ingegaan om aan te geven wat rond 1641 althans
voor een Leidse schilder als Angel (die zichzelf ongetwijfeld als tamelijk
geleerd zal hebben beschouwd en daarin ook boven het gemiddelde zal hebben
uitgestoken), belangrijke discussiepunten waren wanneer de status van de
schilder en zijn kunst in het geding was. Daarbij lag de nadruk in de eerste
plaats op de schilderkunst als een hoogwaardig en respectabel ambacht en niet
op intellectuele aspiraties.
48 Vermoedelijk zal zijn gehoor, waaronder zich waarschijnlijk
schilders als
Gerrit Dou,
David Bailly (portret en stillevenschilder),
Pieter van Steenwijck (stillevenschilder),
Pieter Dubordieu (portretschilder),
Quiryn van Slingelandt,
Louys Elsevier en
Maerten Frans van der Hulst (landschapsschilders),
Jan van der Stoffe (batailleschilder),
Cornelis Stooter (zeeschilder),
Johannes van Staveren,
Abraham de Pape en
Adriaen van Gaesbeeck (de laatste drie genreschilders en
navolgers van Dou) bevonden, instemmend hebben geluisterd.
Literaire, inhoudelijke aspecten komen bij Angel alleen ter sprake
voorzover het een precies en duidelijk weergeven van een verhalende tekst
betreft.
49 Over een, ‘noble, didactic purpose of the
art of painting’ wordt in feite niets gezegd,
50 terwijl banden met de
humanistische kunsttheorie slechts met enige moeite aanwijsbaar zijn, hoewel
Van Mander een belangrijke bron voor hem was. Zoals
reeds gezegd had Angel voor
Junius' boek, afgezien van het voorwoord van
De Brune, geen belangstelling, behalve om er wat namen
van klassieke schilders en schrijvers over kunst uit te plukken.
51
In feite valt ook verder in teksten die in deze periode iets over de
schilderkunst zeggen, moeilijk iets te vinden wat op het uitdrukken van
didactische wijsheden als een belangrijk doel van deze kunst wijst.
52 Dat er niet over geschreven werd omdat men het vanzelfsprekend
vond, kan onmogelijk het geval zijn. Het feit dat het in literair-theoretische
uiteenzettingen steeds weer noodzakelijk werd geacht om te hameren op het
Horatiaanse ‘utile dulci’, op de stichtende functie, op de diepere
wijsheden die in een amusante vorm verpakt zijn etc., en men in talloze
voorredes altijd maar weer uitweidt over dergeljke functies van de
desbetreffende literatuur, maakt dit zeer onwaarschijnlijk - zeker als men
ervan uitgaat dat het ‘ut pictura poesis’ in deze zin een
diepgewortelde gedachte was. Het zou dan toch voor de hand liggen om deze
denkbeelden te berde te brengen, juist als men iets wil zeggen over de
waardigheid van een kunst waarin eventuele belerende moralisaties en diepere
wijsheden aanzienlijk makkelijker verkeerd begrepen kunnen worden dan in
literatuur, waarin dit alles duidelijk kan worden verwoord, een kunst die
bovendien door critici vanwege haar vermakelijk, aan- | | | | gename en
zinstrelende uiterlijk als ‘schoubaer oogh fenijn’
53 kon worden veroordeeld en die volgens zulke
critici door haar aard het oog verleidde en slechts genot opwekte. Het feit dat
men dit niet deed, geeft op zijn minst te denken.
De argumenten die kunsthistorici hebben aangevoerd om principes van
belering en verhulling als uitgangspunt voor de interpretatie van 17de-eeuwse
Hollandse schilderijen, in het bijzonder genrestukken, te gebruiken en deze
vaak als essentie van de betekenis te zien (hetgeen nu dikwijls als een
vanzelfsprekende historische waarheid lijkt te worden aanvaard),
54 zijn analogisch van aard en komen
voort uit een ver doorvoeren van de ‘ut pictura poesis’-gedachte;
op basis daarvan werden met een al te groot gemak de functies en doelen van de
dichtkunst en schilderkunst op één lijn gesteld. De als voorbeeld
aangehaalde teksten over belering en verhulling komen bijvoorbeeld uit Roemer
Vissers voorrede van de
Sinepoppen, Cats' voorredes voor
Proteus en voor de
Spiegel vanden Ouden en Nieuwen Tijdt, Bredero's
voorrede van het
Geestig Liedboeksken, etc.;
55
+ de
gemeenplaatsen uit met name de embleemliteratuur werden dus, ondanks de geheel
verschillende aard, context, functies en tradities (en picturale thematiek: in
feite komen zelfs de onderwerpen en handelingen die men in prentjes van
emblemen met een genreachtig karakter ziet, maar zeer zelden overeen met die in
de genreschilderkunst en vice versa), op de schilderkunst geprojecteerd.
56 De in dit soort literatuur eindeloos herhaalde
clichés van de bolster en de zoete kern, het stichten via het vermaken,
het tonen van ondeugden als waarschuwing en aansporing tot deugd, die men ook
in talloze voorredes van andere vormen van literatuur tegenkomt, of het nu
liedboeken, komedies, verwerkingen van mythologische stof en dergelijke
betreft, zal men echter, zoals reeds gesteld, tevergeefs zoeken wanneer er over
de schilderkunst wordt gesproken.
Wanneer de argumenten een enkele maal wel afkomstig zijn uit teksten
die direct op de schilderkunst betrekking hebben, blijken deze dan ook weinig
adequaat te zijn. Het veelvuldig aangehaalde gedichtje van
Van Hoogstraten bijvoorbeeld, over ‘bywerk dat
bedektlijk iets verklaert’, heeft moeten rechtvaardigen dat men, als het
de (genre)schilderkunst betrof, eveneens in diepzinnige, verhulde betekenissen
dacht.
57 Van
Hoogstratens woorden slaan echter specifiek op historiële voorstellingen
met een enkele figuur (zoals een personificatie), waarin door middel van
bijwerk, zoals bepaalde attributen etc. op onopvallende wijze wordt duidelijk
gemaakt wat er is voorgesteld. Deze passage zegt niets over genrestukken;
bovendien spreekt Van Hoogstraten niet over verhulling, maar juist over
verduidelijking van de voorstelling om ‘[…] de toezienders haer
beeld te doen kennen’.
58
Een ander geval vormen
Van der Venne's dichtregels over
‘Sinne-cunst’ in zijn
Zeeusche Mey-clacht. Ofte schyn-kycker;
59 deze uitspraak heeft mijns inziens betrekking op beelden met
teksten, zoals emblemen, en slaat niet op schilderkunst in het algemeen. De
eerste helft van het gedicht, waarin hij spreekt over de schilderkunst die
vreugde doet ontspringen, schoonheid vastlegt, verlangen opwekt, de ogen
aanlokt, alles wat leeft en is en al wat mensen weten, doen en laten, kan
vastleggen en voor ogen kan stellen, geeft een aantal significante aspecten van
deze kunst die men in teksten vaker tegen komt. Vervolgens gaat Van der Ven- | | | | ne,
tevens dichter en illustrator van embleemliteratuur, over op het
zusterschap van de schilderkunst en de dichtkunst (die ‘hooghe en diepe
dinghen’ kan uitdrukken); hij toont hoe die kunnen samengaan en door hun
verschillende eigenschappen elkaar aanvullen, en komt op deze wijze uit
bij de ‘Sinne-cunst’ - en daarmee bedoelt hij vrijwel zeker de
combinatie van beeld en tekst - die zo prijzenswaardig is omdat de geest daarin
‘soo sin-rijck meegedeelt’ wordt.
60 Wel zegt hij dat de schilderkunst ondermeer deugd en ondeugd en
het menselijk feilen kan afbeelden en kan laten zien, maar dat is dan
ook de meest dichte benadering van een zekere didactische gedachte die te
vinden is.
61
Zelfs met betrekking tot Van Manders
Schilder-Boeck, ontstaan in een
literair-humanistische kring en in een tijd dat de situatie in de schilderkunst
en de kunstmarkt nog aan het begin van een geheel nieuwe ontwikkeling stond
(toen de historieschilderkunst het beeld nog beheerste, de specialisering in
verschillende genres nog tot ontwikkeling moest komen en het produceren en
verzamelen van schilderijen kwantitatief nog geenszins de vlucht hadden genomen
die men enkele decennia later waarneemt), kan men zich vanuit dit gezichtspunt
eerder verbazen dat hij in de
Grondt (op zichzelf een pretentieus dichtwerk
waarin uiteraard uitvoerig gebruik wordt gemaakt van intellectuele metaforen en
exempla) en in de
Levens niet expliciet over een stichtende functie
van of diepere wijsheden in schilderijen spreekt.
62 Als
Van Mander in de Levens schilderijen ter sprake
brengt, zegt hij trouwens opmerkelijk weinig over de onderwerpen van
schilderijen en zeker niet over literair-inhoudelijke aspecten ervan; hij
blijkt dan vrijwel uitsluitend geinteresseerd in het uiterlijk van deze werken.
63
Dat steeds impliciet zou blijken dat Van Mander onderwijzing als de
belangrijkste functie van de schilderkunst ziet, is mij niet gebleken.
64 Gezien het feit
dat 17de-eeuwse auteurs, zoals reeds gezegd, het in uiteenzettingen over de
dichtkunst, embleemliteratuur, etc. kennelijk van voortdurend belang vonden
hierover zeer expliciet uit te weiden (en ook Van Mander hanteert zulke
denkbeelden bijvoorbeeld in zijn inleiding van de
Wtlegghingh op den Metamorphosis zeer uitvoerig),
65 lijkt het mij juist opmerkelijk dat hij daar
niet op ingaat.
Naar mijn mening is het daarom niet goed vol te houden dat, althans
in de periode waar het ons hier om gaat, het lerende doel van de schilderkunst
bij herhaling in de kunstliteratuur wordt onderstreept,
66 of dat men zich daarin steeds beklaagt dat de mensen
zich aan uiterlijke schijn vergapen en niet tot de verborgen betekenis
doordringen.
67 Kortom, het lijkt mij gezien vanuit deze bronnen zeer de vraag of
dergelijke principes in het denken van het merendeel van de Hollandse schilders
in deze tijd een belangrijke plaats hebben ingenomen, of dat hun publiek ze als
een belangrijke functie van hun schilderijen zag. Hiermee wil ik natuurlijk
geenszins beargumenteren dat didactisch-moraliserende bedoelingen niet dikwijls
in schilderijen aanwezig kunnen zijn, maar wel dat het mij onjuist voorkomt
zulke gedachten als uitgangspunt voor de interpretatie te hanteren.
Wat men wel steeds tegenkomt in teksten die op schilderkunst of
schilderijen betrekking hebben, is het gegeven dat de natuurnabootsende
schilderkunst bij machte is alles weer te geven en voor ogen te stellen,
schoonheid vast te leggen, | | | | het oog te verlokken en te
‘verleiden’, aardse vergankelijkheden vast te houden en daarmee de
natuur te ‘overwinnen’,
68 en voorts blijkt telkenmale de gefascineerdheid met nabootsing,
het spel met schijn en wezen en het ‘bedrog’ van het oog.
69 Dit komt in vele varianten tot uitdrukking - en daarbij hoeft het
ons niet te verbazen dat bijvoorbeeld de zeer succesvolle schilders
Dou en
Van Mieris graag met Zeuxis en Parrhasius werden
vergeleken.
70
Zulke gedachten worden door
Van Hoogstraten fraai samengevat als hij in het
hoofdstuk ‘Van het oogmerk der Schilderkonst; watze is, en te weeg
brengt’ allereerst stelt:
De Schilderkonst is een wetenschap, om alle ideen, ofte
denkbeelden, die de gansche zichtbaere natuer kan geven, te verbeelden: en met
omtrek en verwe het oog te bedriegen
en dan vervolgt, na alweer Parrhasius en Zeuxis te hebben
aangehaald, met de reeds vaak geciteerde uitspraak:
Want een volmaekte Schildery is als een spiegel van de Natuer, die
de dingen, die niet en zijn, doet schijnen te zijn, en op een geoorlofde
vermakelijke en prijslijke wijze bedriegt.
71
Dat hij daarop laat volgen dat Poëten de
‘oorsprong’ van de schilderkunst in verband hebben gebracht met
Narcissus lijkt,
72 zonder dat hij het
zegt, tevens associaties met ijdele en vergankelijke schoonheid met zich mee te
brengen (die Narcissus niet vast kon houden, maar de schilderkunst wel),
associaties die ook reeds door de spiegelmetafoor zelf geimpliceerd kunnen
worden. Het weergeven van aangename en vermakelijke beelden die - als een
spiegelbeeld - bedriegelijk echt lijken en gedachten omtrent die gespiegelde
natuur weergeven welke de toeschouwer ‘als in een spiegel’ worden
voorgehouden (met alle connotaties van (zelf)kennis, schoonheid, ijdelheid,
vergankelijkheid en hoogmoed, die met het spiegelmetafoor kunnen samenhangen),
73 lijkt een aardige omschrijving voor een groot
deel van de Hollandse schilderkunst uit deze periode, waarbij beleringen en
dergelijke niet vanzelfsprekend impliciet zijn, maar ook niet uitgesloten
worden. Wat mijns inziens wel valt uit te sluiten is dat deze bij voorkeur
verborgen of verhuld werden weergeven.
Dat de veelvuldig aangehaalde eigenschappen van schijn en
‘bedrog’ van het oog ook als twijfelachtige kwaliteiten konden
worden gezien, komt eveneens dikwijls naar voren, vooral wanneer het negatieve
uitingen over de schilderkunst betreft. De bekoring, de verlokking van het oog
door deze aantrekkelijke bedriegelijke schijn, de daaruit voortkomende
‘verleidende’ kwaliteiten van de schilderkunst, zowel in positieve
als negatieve zin, is een steeds terugkerende topos, dat des te meer kracht
krijgt omdat in alle toonaarden werd geschreven dat het oog het zintuig is dat
het meest direct op de zinnelijke gevoelens inwerkt en lusten opwekt.
74 Weliswaar zijn het dikwijls oude topoi die op klassieke
teksten teruggaan, maar de wijze waarop deze zaken voortdurend worden herhaald
lijkt mij daarom niet minder veelzeggend.
Dirck Camphuyzen, zelf ooit schilder ge- | | | | weest, gaat, in navolging van
Geesteranus, zelfs zover de schilderkunst als
‘verleydt-Ster van 't gezicht dat sich verstaart op 't
sterffelijck’ geheel af te wijzen. Weliswaar is zijn opvatting extreem -
geformuleerd vanuit een streng religieus standpunt - maar door zijn heftigheid
ook verhelderend. Het schilderij heeft geen nut of zin en niets leerachtigs, zo
zegt hij, maar is slechts
Een vleyend' oog bedroch, 't welck naackt t'aenschouwen geeft,
Hoe dat hy is in 't hart die 't maeckt en die het heeft.
75
Even eerder had hij bijvoorbeeld gezegd:
't Geen d' oogen weyt en leyt, bevalt den sinnen soet
En d' ydle beeltenis beheerst het swack gemoet.
So komt het dat gy ('t wijl 't gesicht sich laet bedriegen,
En 't hert verwondert staet door 't schoone schilderliegen)
Soo als ghy alles geern in schildery aen-schout,
Alsoo oock in der daet geern doen en hebben sout.
Dus krijght d'onwijse lust door schildery sijn voetsel,
En ondeugt wort geteelt door 't sotte breyns uytbroetsel.
76
Het lijkt mij niet verwonderlijk dat - in een maatschappij waarin
een bepaalde sector van het publiek een ongelooflijke gretigheid naar
schilderijen aan de dag legde (wie heeft er nu nog tussen de 100 en 250
schilderijen in huis? In het tweede en derde kwart van de zeventiende zijn
bijvoorbeeld in Leiden een flink aantal inventarissen met
dergelijke aantallen te vinden), maar waarin tevens zo'n ambivalente houding
bestond ten opzichte van het beeld en het gezicht, - preoccupaties met genot,
verleiding, aardse schoonheid en vergankelijkheid zo dikwijls in een
onverbrekelijke samenhang in schilderijen aanwezig lijken te zijn, door middel
van onderwerpen en een schildertrant die deze mijns inziens direct tot
uitdrukking brengen. Ik denk hierbij in de eerste plaats aan de talloze
genrestukken waarin liefde, jeugd, deugd en ondeugd - meestal met een jonge
vrouw als centrale figuur - zo'n belangrijke rol spelen. Maar het kan ook
gelden voor de bijna altijd idyllisch-amoureuze mythologische scenes, en voor
vele stillevens en landschappen. Dat wil zeggen dat een bepaalde
‘moraal’ zeker aanwezig is, en te verwoorden moralisaties in veel
gevallen dicht bij de hand liggen (en in een specifieke context geactiveerd
konden worden), maar niet dat zulke schilderijen meerendeels als waarschuwende
of didactisch-moraliserende boodschappen zijn bedoeld, verhuld in een
realistisch ‘mom-aensicht’.
77 Veeleer werden
denkbeelden en houdingen ten opzichte van de natuur en het menselijk bedrijf in
het schilderij op direct herkenbare wijze verbeeld en voor ogen gesteld. Door
de zeer selectieve keuze van onderwerpen en motieven en de daarmee
samenhangende conventies in verwijzing naar de eigen belevingswereld, werden
associaties richting gegeven; door aanpassingen aan of afwijkingen van
conventies in het uitbeelden van die onderwerpen en motieven, door stereotypen
die herkenbaar waren voor het publiek waarvoor het bestemd was, en door
visualisering van simpele, gangbare metaforen, droeg mijns inziens het
voorgestelde in zulke | | | | niet-narratieve schilderijen veelal betekenis
over op de toeschouwer. De toeschouwer/koper kon deze vanuit zijn eigen
intelectuele, sociale en religieuze achtergrond nader specificeren.
78
Waarschijnlijk zullen weinigen gemeend hebben door aantrekkelijk
ogende beelden van ondeugden, vermakelijkheden, amoureuze of erotisch getinte
taferelen - de zaken die men immers zo veelvuldig uitbeeldde in schilderijen
uit deze periode - gesticht te zullen worden. Dat de eventueel te verwoorden
moralisaties ter ‘rechtvaardiging’ van zulke schilderijen gezien
konden worden als slechts een verbale toevoeging die geen wezenlijk deel
uitmaakte van de voorstelling, werd door
Camphuyzen vanuit zijn negatieve benadering als volgt
geformuleerd:
Nochtans 't heeft mee (segt gy) sijn nut. Men kan't uytleggen,
En leven naem en daet al 't saem doen sien, door seggen.
Maer (och!) wat uytleg en wat lof kan veylig staen,
By toonsels die 't gemoet uyt eygen aert beschaen?
79
Misschien was de enigszins prikkelende spanning tussen aangenaam
zintuigelijk genot en ‘gevaarlijke’ verleiding wel een van de
bepalende factoren voor de aantrekkelijkheid van vele geliefde onderwerpen.
80
Wellicht kan worden gesteld dat een iconologische methode van
betekenisduiding, in de eerste plaats ontwikkeld voor 15de- en 16de-eeuwse
kunst die dikwijls in nauwe samenhang met tekstuele bronnen stond, een kunst
die vaak onstond in een programmatische opdrachtssituatie en bestemd was voor
een specifieke context, met te weinig aanpassingen werd gehanteerd bij een
kunst die deze aspecten grotendeels ontbeert. Deze methode kon, zoals wij
zagen, worden toegepast door - via een grote nadruk op de uit de humanistische
kunsttheorie afkomstige ‘ut pictura poesis’-gedachte - literaire
principes over te planten naar deze schilderkunst, waarbij men vooral in de
embleemliteratuur de argumenten daarvoor vond. Tevens krijgt men de indruk dat
het verwarren van het doel van de iconografie - het weer naar boven halen,
‘ontcijferen’ van elementen van betekenis die voor de moderne
toeschouwer niet meer voor de hand liggen (elementen van betekenis die vergeten
zijn maar die voor de maker en toeschouwer wellicht vanzelfsprekend waren) -
met het bestaan van verhulde of verborgen betekenissen, een extra argument voor
de juistheid van deze benadering hebben gevormd.
81 Daarbij lijken ook nogal eens de middelen die
voor deze ontcijfering werden gebruikt, met name als dat emblemen gold, te zijn
gelijk gesteld met de bronnen van de schilder; dit heeft bovendien dikwijls tot
te specifieke duidingen aanleiding gegeven.
82 Daarnaast werden door een dergelijk gebruik van
emblematische en literair-theoretische bronnen voor de interpretatie, nogal
eens een intellectuele bagage en eruditie op de schilder, zijn schilderijen en
zijn publiek geprojecteerd die dikwijls buitengewoon onwaarschijnlijk mogen
worden genoemd.
83
Het beperkende effect dat deze benadering voor de interpretatie kan
hebben, wordt mede veroorzaakt door de scheiding tussen inhoud en vorm die
daarbij | | | | steeds optreedt en, daarmee samenhangend, een merkwaardig
onderscheid tussen betekenis en betekenisloosheid.
84
Het zoeken naar ‘de’ betekenis, meestal in tamelijk
geïsoleerde duidingen - zonder een themagroep als geheel, met de
conventies daarbinnen en de afwijkingen daarvan, in beschouwing te nemen -
heeft dit verder in de hand gewerkt. Door diezelfde scheiding tussen vorm en
inhoud konden mijns inziens tevens met al te groot gemak laat-middeleeuwse en
16de-eeuwse denkbeelden als bijna vanzelfsprekend worden overdragen op
17de-eeuwse schilderijen, met veronachtzaming van de grote veranderingen in het
uiterlijk van deze schilderijen en de context waarin zij functioneerden.
85 De ingrijpende ontwikkelingen in vorm en
thematiek, in de wijze van produktie en verhandelen, in differentiëring
van het kunst kopende publiek dat zijn huizen dikwijls op ongekende schaal met
schilderijen vulde, worden dan teveel gerelativeerd. Deze moeten grote gevolgen
hebben gehad voor de wijze waarop de 17de-eeuwse toeschouwer/koper schilderijen
benaderde.
Dat men zich overigens in de tijd zelf - en niet pas bij terugblik -
bewust was dat er iets bijzonders aan de hand was met de ‘eigen’
schilderkunst, geproduceerd door de ‘Verciersels van ons
Vaderlandt’,
86 blijkt reeds als
Huygens omstreeks 1629 schrijft dat thans zijn
Nederlandse landgenoten het verder dan wie ook hebben gebracht in de
vaardigheid van het weergeven van allerlei vormen en houdingen van mensen en
dieren en van de gedaante van bomen, rivieren, bergen en dergelijke zaken die
men in een landschap ziet.
87 In
1678 stelt
Van Hoogstraten, in een pleidooi om regeerders van de
republiek te manen meer kunst te kopen om als geschenken in het buitenland te
geven, dat
[…] de Schilderkonst in onzen staet, als in een nieuw
Grieken, in 't best van haer bloeijen is
en dat zij dus
[…] den Vaderlande eygen, als een onkostelijke mijne,
parelvisserye, en edelsteente groeve, dagelijx veel rijke jueweelen van
kabinetstukken kan uitleveren […].
88
Dat tevens de liefdevolle aandacht waarmee zulke schilderijen lijken
te zijn vervaardigd en waarmee het zichtbare is weergegeven niet slechts een
moderne projectie is, kan wellicht, behalve uit de schilderijen zelf, ook
blijken uit woorden van Van Hoogstraten, die als eerste vereiste voor de
schilder noemt:
Dat hy niet alleen schijne de konst te beminnen, maer dat hy in der
daet, in de aerdicheden der bevallijke natuur uit te beelden, verlieft is.
89
Vele vragen over het waarom van de grote rijkdom, maar
tegelijkertijd strikte selectiviteit van die liefdevol weergegeven
‘aerdicheden der bevallijke natuur’, over de associaties die
daardoor werden opgeroepen en over de samenhang tussen stijl, onderwerpkeuze en
publiek, zijn nog lang niet bevredigend beantwoord. De iconologische benadering
heeft zeer vruchtbare richtingen gewezen, maar zij mag niet beperkend gaan
werken.
|
1Zie voor een overzicht tot 1984: J.
Müller Hofstede.
‘“Wort und Bild”: Fragen zu Signifikanz
und Realität in der Holländischen Malerei des 17.
Jahrhunderts.’ In: (red.) H. Vekeman en J. Müller Hofstede. Wort
und Bild in der Niederländischen Kunst und Literatur des 16. und 17.
Jahrhunderts. Erftstadt 1984, pp. IX-XXII. Voor een overzicht van
de laatste jaren tot 1987: E. Haverkamp-Begemann.
‘The State of Research in Northern Baroque
Art.’ The Art Bulletin 79 (1987), pp. 510-519. Als
belangrijkste publikaties met betrekking tot deze discussie kunen nog worden
toegevoegd:
‘Tradition and innovation. A selection of papers
read at the first international research conference of the Historians of
Netherlandish Art in Pittsburgh, 9-12 October 1985.’ Simiolus 16
(1986), pp. 91-190, en: (red.)
H. Bock en Th. W. Gaehtgens. Holländische
Genremalerei im 17. Jahrhundert. Symposium Berlin 1984. Berlijn 1987
( Jahrbuch Preussischer Kulturbesitz. Sonderband 4). Zie ook de
korte samenvating van de lezingen op het symposium in Londen naar aanleiding
van dezelfde tentoonstelling over genreschilderkunst
(Philadephia/Londen/Berlijn 1984) in:
Art History 8 (1985), pp. 236-239. In de
bovengenoemde literatuur komt vooral de genre- en historieschilderkunt aan de
orde; op het gebied van de landschapsschilderkunst zijn verschillen in
opvattingen eveneens duidelijk naar voren gekomen. Zie in het bijzonder de
inleidingen in: (red.)
P. Sutton.
Masters of 17th-century Dutch landscape
painting. Cat. tent. Amsterdam/Boston/Philadelphia 1987; Zie
hierover tevens de uitstekende bespreking van C. Brown in:
Simiolus 18 (1988), pp. 76-81. Een
opmerkelijk inzicht in de verschillende standpunten, waaruit blijkt dat zelfs
van een polarisatie kan worden gesproken, valt voorts te verkrijgen uit de vele
kritieken op het boek van Svetlana Alpers.
The art of describing. Dutch art in the seventeenth
century. Chicago 1983. Bijvoorbeeld: E.H. Gombrich, in: The New
York Review of Books 30 nr. 17 (nov. 1983), pp. 13-17; I. Gaskell, in:
The Oxford Art Journal 7 (1984), pp. 57-60; J. Glynne, in: Art
History 7 (1984), pp. 247-252; A. Harrison, in: Art International
(Jan.-mrt. 1984), pp. 1-4; E. de Jongh, in: Simiolus 14 (1984), pp.
51-59; S. Schama, in: New Republican (mei 1984), pp. 25-31; J. Stumpel,
in: Vrij Nederland Boekenbijlage 25-2-1984, pp. 34-37; K.H. Veltman, in:
Kunstchronik 37 (1984), pp. 262-267; J. Bruyn, in: Oud Holland 99
(1985), pp. 155-160; A. Grafton en Th. DaCosta Kauffmann, in: Journal of
Interdisciplinary History 16 (1985), pp. 255-265; J. Bialostocki, in:
The Art Bulletin 67 (1985), 520-526; tenslotte zij de inleiding van W.
Kemp genoemd in de duitse vertaling Kunst als Beschreibung. Keulen 1986,
pp. 7-20. Het meest evenwichtig en doordacht zijn mijns inziens de, overigens
zeer verschillende, commentaren van A. Grafton en Th. Da Costa Kauffman, I.
Gaskell, en J. Bialostocki.
2J. Bialostocki 1985 (op. cit. noot 1), p.
525. Zie ook J. Bialostocki.
‘Einfache Nachahmung der Natur oder symbolische
Weltschau. Zu den Deutungsproblemen der holländischen Malerei des 17.
Jhdt.’ Zeitschrift für Kunstgeschichte 47 (1984), p.
429.
3Zie S. Alpers 1983 (op. cit. noot 1), pp.
229-234: Appendix:
‘On the Emblematic Interpretation of Dutch
Art’, en de felle kritiek van E. de Jongh op het gebruik van deze
terminologie die suggereert dat deze manier van interpreteren geheel is
gebaseerd op het gebruik van emblemen: Simiolus 14 (1984), p. 58. Zie
ook J.B. Bedaux.
‘Fruit and fertility: fruit symbolism in
Netherlandish portraiture of the sixteenth and seventeenth centuries.’
Simiolus 17 (1987), p. 151-154 (zie i.h.b. zijn noot 2, waar een
goede - corrigerende - uiteenzetting wordt gegeven over het methodisch gebruik
en misbruik van emblemen). Niet ontkend kan echter worden dat de term inzoverre
passend is, dat vele principes die voor de functie en betekenis van emblemen
gelden, werden gehanteerd als geldend voor de schilderkunst.
4Deze omschrijving werd ontleend aan: H.-J.
Raupp.
‘Ansätze zur einer Theorie der Genremalerie in
den Niederlanden im 17. Jahrhundert.’ Zeitschrift für
Kunstgeschichte 46 (1983), p. 401; eveneens aangehaald door J.B.
Bedaux (op. cit. noot 3), p. 151.
5J. Bruyn. ‘Toward a Scriptural
reading of seventeenth-century Dutch landscape painting.’ In:
cat. tent. Amsterdam/Boston/Philadelphia 1987 (op. cit. noot 1), p.
84.
6Met het recente overzichtswerk wordt
uiteraard B. Haaks monumentale
Hollandse schilders in de Gouden Eeuw.
Amsterdam 1984, bedoeld, dat, wat betreft betekenisduiding, geheel van de
iconologische benadering van met name De Jongh uitgaat (zie i.h.b. het hfdst.
‘Realisme en symboliek’). Al eerder was dit het geval, zij het met
verschillende nadrukken, bij de veel beknoptere overzichtwerken van R.H. Fuchs
en M.M. Kahr. Wat betreft educatieve begeleidingsbladen zijn enkele van het
Rijksmuseum illustratief te noemen, maar in dit opzicht zeker niet
uitzonderlijk. Wat betreft kranteartikelen zijn bijvoorbeeld stukken als die
van P. Milder en R. van Gelder, die vanuit deze optiek de grote
‘genre’-tentoonstelling in Philadelphia/Londen/Berlijn 1984
bekritiseerden, karakteristiek (resp.: ‘De kunsthistorische misvattingen
over de Gouden Eeuw.’ De Volkskrant 22-6-1984, p. 15 en ‘Hoe
amusant was Nederland.’ NCR/Handelsblad 29-6-1984.
‘CS’, p. 6).
7J. Bruyn.
Geschiedschrijving als parabel. Rede
[…] 349ste dies natalis van de universiteit van Amsterdam. 8-4-1981, p.
5: ‘[…] de meer of minder bloemrijke, op
“Einfühlung” berustende commentaren waarop gidsen hun
toeristen, ouders hun kinderen en allerhande scribenten hun lezers en
lezeressen tot op de huidige dag vergasten.’ Juist die
‘Einfühlung’ lijkt, althans als het om Hollandse
genrestukken gaat, de laatste jaren verdwenen te zijn.
8Het succes valt wellicht mede te verklaren
uit het feit dat De Jongh deze benadering ook van het begin af aan op
aantrekkelijke wijze naar voren bracht in een vorm die bestemd was voor een
breder publiek:
Zinne- en minnebeelden in de schilderkunst van de
zeventiende eeuw. z. pl. 1967 (uitgave Openbaar Kunstbezit);
‘Realisme en schijnrealisme in de Hollandse schilderkunst van de
zeventiende eeuw.’ In:
Rembrandt en zijn tijd. Cat. tent. Brussel
1971 en
Tot lering en vermaak. Cat. tent.
Rijksmuseum Amsterdam 1976. Volgens een educatief medewerker van een Nederlands
musuem zou uit een enquete blijken dat het publiek op het ogenblik het liefst
wil worden ingelicht over symboliek en ‘verborgen betekenissen’.
Typerend is dat bij de recente landschapstentoonstelling in het Rijksmuseum
(1988) het diaprogramma was gebaseerd op het artikel van J. Bruyn in de
catalogus (op. cit. noot 5), de meest theoretisch-speculatieve en, gezien het
karakter van de tentoonstelling, de minst passende, maar wel makkelijkst te
verwoorden benadering, waarin nu ook voor landschappen de moralisaties en
verborgen symboliek werden uitgelegd. Opmerkelijk is dat De Jongh in zijn
kritiek op Alpers (op. cit. noot 1, p. 59) de angst uitsprak dat haar
denkbeelden een zeer grote aantrekkingskract zouden hebben (waar hij m.i.,
gezien de ongrijpbaarheid van het merendeel van haar ideeën, statements en
redeneringen, niet voor hoeft te vrezen), omdat het een ‘unified field
theory’ zou geven waarin diverse fenomenen als expressie van
één en dezelfde mentaliteit worden gezien, iets waaraan men een
diepgewortelde behoefte lijkt te hebben. De Jonghs benadering - evenzeer met
‘Hegeliaanse’ wortels (zie wat dit betreft over de Panofskiaanse
iconolgie: E.H. Gombrich.
In search of cultural history. Oxford 1969)
- met generaliseringen als de ‘neiging tot moraliseren’ die
‘allesoverheersend is’ en ‘de grote voorkeur voor vermomming,
versluiering, voor allegorisering en dubbelzinnigheid’ (De Jongh 1971,
op. cit. noot 8, p. 144) lijkt dat in feite juist tot gevolg te hebben
gehad.
9Zie voor de meest heftige kritiek de
‘Introduction’ en het ‘Appendix’ van het boek van
Alpers (op. cit. noot 1); enkele punten hiervan werden eerder geformuleerd in
o.a.: S. Alpers.
‘Taking pictures seriously: a reply to Hessel
Miedema.’ Simiolus 10 (1978/9), pp. 46-50. Zeer
uitgesproken is ook het voorwoord van W. Kemp bij de Duitse editie van Alpers'
boek (op. cit. noot 1). In de in noot 1 genoemde publikaties zijn talloze
vormen van gematigde tot nuancerende kritiek te vinden.
10Ph. Angel.
Lof der schilder-konst. Leiden 1642. Zoals de
drukker vermeldt, is het ‘een Schets ende voorwerpsel […] van het
aenstaende werck dat by onsen Autheur berust’; meer dan deze
‘schets’ werd helaas nooit gepubliceerd.
11Van Philips Angel (ca. 1618-na 1683) zijn
nauwelijks werken bekend, op een enkele geëtste tronie in de trant van
Rembrandt na (zie: L.J. Bol.
‘Philips Angel van Middelburg en Phlilips Angel van
Leiden.’ Oud Holland 64 (1949), pp. 3-19). Angel hield
zijn lezing op een moment dat de Leidse schilders druk doende waren - en Angel
was direct daarbij betrokken - om vergunning tot de oprichting van een gilde te
krijgen, als middel om Leidse schilders economisch te beschermen en
waarschijnlijk tevens om zichzelf als groep met een belangrijke
sociaal-economische status in de Leidse samenleving erkend te zien (zie
hierover: E.J. Sluijter,
‘Schilders van “cleyne, subtile ende curieuse
dingen”. Leidse fijnschilders in contemporaine bronnen.’ In: (red.)
E.J. Sluijter e.a. Leidse fijnschilders. Van Gerrit Dou tot Frans van Mieris
de Jonge, 1630-1760. Cat. tent. De Lakenhal Leiden 1988, pp.
29-31). Angels nadruk op de status en waardigheid van het schildersvak
lijkt met deze pogingen samen te hangen. De lezing verscheen waarschijnlijk
praktisch tegelijkertijd in druk met de toezegging van het stadsbestuur enige
maatregelen te treffen voor economische bescherming van de Leidse schilders. In
de lijst die in 1644 werd aangelegd (het betrof nog geen officieel gilde)
figureert Angel als ‘hooftman’. Aangenomen mag worden dat de
schilders die deze lijst ondertekenden ongeveer Angels publiek op St. Lucasdag
zullen hebben gevormd (zie voor enkele namen van deze schilders hieronder); de
volledige lijst van schilders en kunsthandelaren werd gepubliceerd in: D.O.
Obreen e.a.
Archief voor de Nederlandsche
Kunstgeschiedenis. Dl. V. Rotterdam 1882/83, pp. 177-178.
12J.A. Emmens, die voor het eerst een overzicht
van de kunsttheorie in Nederland schetste in:
Rembrandt en de regels van de kunst. Utrecht
1968, haalde Angel slechts vrij summier aan en lijkt hem dan voornamelijk over
één kam te scheren met Van Mander. Zie hierover de kritiek van H.
Miedema, in: Oud Holland 84 (1969), pp. 249-256 en H. Miedema.
‘Philips Angels Lof der schilder-konst.’
Proef december 1973, pp. 27-33, i.h.b. p. 27. In het
laatstgenoemde artikel gaf Miedema een beknopte analyse van Angels boekje,
waarin hij het vooral afzette tegen Van Manders Grondt; hij heeft deze
helaas niet verder uitgewerkt. Hoewel Angels traktaatje sindsdien wel steeds
wordt vermeld, kreeg het toch niet de plaats toebedeeld die het verdient,
waarschijnlijk juist omdat het in de lijn Van Mander, Hoogstraten, Lairesse,
waarin de ontwikkeling van de ‘academische’ kunsttheorie te
traceren is, uit de toon valt. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor het hoofdstuk
‘Theorie van de kunst’ in Haaks boek (op. cit. noot 6, pp. 60-70;
geschreven door B. Brenninkmeyer-De Rooij). P. Chapman schreef met enige
uitvoerigheid over Angels traktaat, naar aanleiding van de titelprent:
‘A Hollandse Pictura: Observations on the title
page of Philips Angel's Lof der Schilder-Konst.’ Simiolus 16
(1986), pp. 233-248.
13J. Cats.
Proef-steen van den trou-ringh. Dordrecht
1637, III, pp. 662-741 (ed. Alle de werken. Amsterdam 1712. Dl. II, pp.
189-208). Zie over het verhaal (gedeeltelijk op Aelianus gebaseerd): S.F.
Witstein.
‘Portret van een dichter bij Cats.’ In: (red.)
T. Harmsen e.a. Een Wett-steen vande Ieught. Verzamelde
artikelen van Prof. dr. S.F. Witstein. Groningen 1980, pp. 61-62.
14Witstein (op. cit. noot 13), p. 65.
17Het pleidooi van schilder: Cats ed. 1712 (op.
cit. noot 13), II, p. 196; door Angel (op. cit. noot 10) volledig geciteerd op
pp. 27-30; de aanhalingen in mijn tekst komen steeds uit het citaat bij
Angel.
18Angel (op. cit. noot 10), p.
27-28.
22Zie over de relatie tussen ‘een’
en ‘gewin’: Emmens (op. cit. noot 12, ed. 1979), pp., 170, 174 en
178. Van Mander plaatste, in afwijking van de Italiaanse theoretici voor wie in
navolging van de dichtkunst de eer veel hoger stond, ‘eere en
ghewin’ op één lijn en stelde ook reeds dat men beter de
‘Dicht-const Retorica’ kon ontvluchten omdat deze i.t.t. de
schilderkunst geen ‘meel in de Keucken’ brengt. Voor Junius was
gewin als doel natuurlijk slechts verachtelijk, maar Van Hoogstraten stelde het
(nu tezamen met de liefde voor de kunst), net als Van Mander op
één lijn met eer. Opmerkelijk is dat Huygens in zijn
autobiografie schrijft (na zich te hebben afgevraagd of de schilderkunst nog
steeds zo geëerd is als Plinius beschrijft, daaraan toevoegend dat
daarvoor gunst van aanzienlijken of het beoefend worden door aanzienlijke
lieden voldoende is): ‘Altijd heeft ze onmetelijk voordeel opgeleverd
(als men tenminste onder dat woord het profijt van stoffelijke winst
verstaat)’.
De jeugd van Constantijn Huygens door hemzelf
beschreven. Vert. A.H. Kan. Rotterdam 1971, p. 65. Zie over het
financiële voordeel ook hieronder noot 27.
23Opmerkelijk is dat de enige regels van Cats
die nog iets van een zekere didactisch nut kunnen suggereren (de eerste zinnen
die de schilder uitspreekt), tevens de enige regels zijn die Angel niet
citeert: ‘Wel aen, ick laet het volk haer eygen vuyl ontdecken, / En
leggen voor het oog haer onbekende vlecken’. De schilder kan dus het
menselijk feilen de toeschouwer voor ogen stellen.
24Zie Miedema 1973 (op. cit. noot 12), pp.
28-33. Franciscus Junius.
De Schilder-konst der oude. Middelburg 1641
(het verscheen dus in hetzelfde jaar in een Nederlandse vertaling; de eerste
editie in het Latijn is van 1637). Zie voor de ontleningen aan De Brune verder
hieronder. Het geleerde werk van de filoloog Junius, waarin volgens een op de
retorica gebaseerde indeling teksten uit de oudheid bij elkaar zijn gezet, was
later in de eeuw van invloed op kunsttheoretische geschriften, maar kan ons
niets wijzer maken over denkbeelden die Hollandse schilders in deze tijd
koesterden. Zie Emmens (op. cit. noot 12, ed. 1979), pp. 67 e.v.; zie over
Junius verder: A Ellenius.
De arte pingendi; Latin art literature in
seventeenth-century Sweden and its international background.
Uppsala-Stockholm 1960, pp. 33-54.).
25Zie Miedema 1973 (op. cit. (noot 12), p.
28.
26Angel (op. cit. noot 10), p. 12-13. Angel
ontleende dit van Plinius afkomstige verhaal waarschijnlijk aan Van Manders
Het leven der oude antijcke doorluchtige schilders. In:
Het Schilder-Boeck. Haarlem 1603/4, fol. 68r;
vermoedelijk was dit een algemeen bekende schilders-anecdote die Hollandse
schilders zal hebben aangesproken (zie ook hieronder, noot 70). Angel
selecteerde enkele voorbeelden van schilders uit de oudheid uit Van Mander,
maar plaatst ze zelf in deze volgorde, en zegt na het Zeuxis-Parrhasius
verhaal: ‘Dus is onse Konst van trap tot trap op gheklommen
[…].’
27Angel (op. cit. noot 10), p. 23. Het betreft
de gezant van Christina van Zweden, Spiering Silvercroon; zie hierover verder
Sluijter 1988 (op. cit. noot 11), pp. 26 en 36. Zie over de geobsedeerdheid met
prijzen die in de 17de eeuw valt waar te nemen in verband met het werk van Dou
en Van Mieris: op. cit. pp. 26-28.
28Angel (op. cit. noot 10), pp. 24-26. Deze
verhandeling, gebaseerde op een passage uit De Brune's voorrede bij Junius,
vormt een echo van het eindeloze, vooral in Italië gevoerde
‘paragone’-debat. Zie hierover P. Hecht.
‘The paragone debate: ten illustrations and a
comment’. Simiolus 14 (1984), pp. 125-136. Angel draait,
in navolging van De Brune, het traditionele verwijt dat schilderkunst slechts
‘schijn, sonder sijn’ is (zoals Angel het zo mooi noemt), juist om
tot een positief argument, omdat het tastbare, driedimensionale karakter van de
beeldhouwkunst niet een verdienste van de natuur nabootsende kunst is, maar een
verschijnsel van de natuur zelf (vergelijk ook de brief van Galileo, bij Hecht
op. cit. p. 133, met een verwante argumentatie). Daarna volgt Angels
voornaamste argument: het opsommen van alles wat de beeldhouwkunst niet uit kan
beelden. De meest opmerkelijke toevoeging die hij hier ten opzichte van De
Brune geeft, zijn de verschillende metalen (goud, zilver, koper, tin, lood),
hetgeen de in deze tijd opkomende nadruk op een perfecte stofuitdrukking, waar
Angel ook later nog op terugkomt, reflecteert.
29Zie Miedema 1973 (op. cit. noot 12), pp.
29-30. Het is jammer dat Miedema hierover zo beknopt is; hij noemt voornamelijk
de traditionele herkomst van bepaalde ‘partes’ in Angels indeling,
zonder dat erg duidelijk wordt dat Angels invulling daar, althans naar mijn
mening, wel zeer weinig mee te maken heeft. Angels vereisten zijn
achtereenvolgens 1. een ‘ghesont Oordeel’; 2. een ‘seeckere
en ghewisse Teyckenhandt’; 3. een ‘vloeynde Gheest om eyghentlick
te Ordineeren’; 4. het ‘geestighe Bedencken der aenghename
Rijckelijckheyt’; 5. het ‘wel schicken der Daghen en
Schaduwen’; 6. een ‘goede waerneminghe der eyghen natuerlicke
dinghen’; 7. een ‘welgheoeffent verstant in de
Perspectijven’; 8. ‘ervaren in kennisse der Hystorien’; 9.
‘begrijp der Matimatische dingen’; voorts is de goede schilder
iemand die: 10. ‘de Anatomy grondich verstaet’; 11. ‘de
Natuyr meer soeckt na te bootsen dan andere Meesters handelinge’; 12.
‘de Verwe vleysich onder een weet te smeuren’; 13.
‘onderscheyt van alle Wolle-Laeckenen, Linde, en Zijde Stoffe weet uyt te
drucken’; 14. ‘een wacker, doch soet verliesent Penceel
heeft’. Over de kennis van perspectief is Angel uiterst summier en op de
‘Matimatische dingen’ gaat hij helemaal niet in.
30Angel (op. cit. noot 10), pp. 35-38.
38Idem, pp. 55-56. Zie over het reeds oude
onderscheid tussen het ‘nette’ en ‘losse’ schilderen,
waarin Angel de voorkeur omdraait ten gunste van het ‘nette’: J.A.
Emmens, in:
Album Disciplinorum Prof. dr. J.G. van
Gelder. Utrecht 1963, pp. 125-126 en B.P.J. Broos in:
Simiolus 10 (1978-1979), pp. 122-123. Zie hierover in verband met de
Leidse fijnschilders: Sluijter 1988 (op. cit. noot 11), pp. 15-19. Voor Vasari
toonde de schilder in de losse manier van schilderen zijn verbeelding en
virtuositeit; ook voor Van Mander was de losse manier moeilijker en daarom
slechts voor de beste schilders weggelegd.
40Idem, resp. p. 39 en 55.
42Idem, resp. pp. 43 en pp. 54/55.
44Dit werd reeds door Miedema 1973 (op. cit.
noot 12), p. 31, geconstateerd: ‘[…] een opmerkelijke
veronachtzaming van hiërarchie van voorstellingen’.
45Juist omdat de vocabulaire waarin tot dan toe
over schilderkunst werd gesproken voornamelijk op de narratieve
(historie)schilderkunst van toepassing was, is het des te opmerkelijker dat
Angel, als hij voorbeelden zoekt, zonder problemen verschillende
niet-narratieve voorstellingen aanhaalt wanneer hij zaken duidelijk wil maken
die niet uitsluitend op historieschilderkunst van toepassing hoeven te zijn.
Opmerkelijk is hoe Raupp in zijn geforceerde, vanuit latere kunstliteratuur
geconstrueerde literair-theoretische ‘Gattunghierarchie’ die
volgens hem in de 17de eeuw voor de schilderkunst gegolden zou hebben, Angel
nauwelijks aanhaalt. Wanneer hij kort aan Angel refereert, geeft hij diens
standpunt onjuist weer om hem in te kunnen passen (Raupp 1983, op. cit. noot 4,
p. 411). Afgezien van het feit dat hij doet voorkomen of Angel voornamelijk
over problemen van historieschilderkunst, decorum en
‘Affektenschilderung’ spreekt, is het evenmin correct te stellen
dat het significant is dat hij ‘realistische Naturwiedergabe’
speciaal met genrestukken (de ‘corteguarden’) verbindt. Zoals
gezegd haalt Angel dan juist ook de historieschilderkunst en alle andere
genoemde specialismen aan. Significant is daarentegen dat Angel überhaupt
die verschillende specialismen in één adem noemt en zijn nadruk
op natuurnabootsing voor alle laat gelden.
46De vanzelfsprekendheid waarmee de laatste tijd
wordt aangenomen dat ook in deze periode de historieschilderkunst algemeen als
het hoogste doel van de schilderkunst werd beschouwd, wordt hiermee enigszins
op losse schroeven gezet (zelfs Van Hoogstraten is hier enige decennia later
nog tamelijk ambivalent over). Overigens wik ik hiermee niet zeggen dat het
voor een aantal Nederlandse schilders die zich intensief op de
historieschilderkunt toelegden en die dikwijls in directe dialoog met de
Italiaanse kunst stonden niet wél zal hebben gegolden; ook in deze tijd
zijn er zeker ‘academische’ aspiraties aanwijsbaar (zie over het
laatste: H. Miedema.
‘Kunstschilders, gilde en academie. Over het probleem
van de emancipatie van de kunstschilders in de Noordelijke Nederlanden van de
16de en 17de eeuw.’ Oud Holland 101 (1987), pp. 13-21).
Sinds de tentoonstelling God en de Goden - waarin terecht vele aspecten
van de Nederlandse historieschilderkunst aan de vergetelheid werden ontrukt -
bestaat soms de neiging het aandeel van de historieschilderkunst in de
Nederlandse kunstproductie te overdrijven (bijv. Bialostocki 1984, op. cit.
noot 2, p. 432). Het blijft een feit dat de belangstelling in deze periode
daarvoor nogal gering was. In Leiden waren bijvoorbeeld rond het midden van de
eeuw nauwelijks historieschilders werkzaam, en zelfs in zeer rijke Leidse
verzamelingen in deze periode is het percentage historiestukken zeer klein (en
dan blijkt het vaak zelfs 16de-eeuwse stukken te betreffen). Het is ook zeker
niet juist te stellen, zoals tegenwoordig nogal eens gebeurt, dat
historiestukken over het algemeen het duurst waren. Tot de kostbaarste
schilderijen van de 17de-eeuw behoorden immers de werken van schilders als Dou
en Van Mieris met dienstmeisjes, modieuze jonge vrouwen, drinkers etc.
47Opmerkelijk is dat in hetzelfde jaar dat Angel
zijn rede hield - en dat de Leidse schilders zich voor de stichting van een
gilde inzetten (zie hierover, boven noot 11) - Jan Orlers de tweede druk van
zijn
Beschrijvinge der Stadt Leyden deed
verschijnen, waarin hij enige bladzijden over Leidse schilders toevoegde en
bewust een respectabele Leidse schilders-traditie lijkt te willen creëren.
Zie ook Sluijter 1988 (op. cit. noot 11), pp. 15 en 31.
48Waarschijnlijk zullen bijvoorbeeld Gerrit Dou
en zijn even succesvolle leerling Frans van Mieris - schilders die in de 17de
eeuw nationaal en internationaal uitzonderlijke roem vergaarden en op wie
Angels denkbeelden bij uitstek van toepassing lijken - zichzelf zonder
gêne als ambachtslieden (maar dan van zeer hoog niveau) hebben beschouwd;
beide kwamen ook uit een milieu waarin het ambacht reeds op hoog
sociaal-economische niveau beoefend werd (zie hierover Sluijter 1988, op. cit.
noot 11, pp. 28-29). Zie over de relatie ambacht, gilde en
‘academische’ ambities: H. Miedema 1987 (op. cit. noot 46), pp.
1-29.
49Ik meen dus dat niet blijkt dat Angel
‘een volledige, traditioneel bepaalde waardering voor de literaire,
inhoudelijke aspekten van de inventie’ had, zoals Miedema 1973 (op. cit.
noot 12, p. 31) schreef.
50Chapman (op. cit. noot 12, p. 246). Haar
mening dat dit het doel van Angels boek was is m.i. ongegrond, evenals de
gedachte dat ‘in keeping with humanist art theory he ranks history
painting highest’ (p. 235); evenmin is het juist dat ‘Angel
glorifies the art of painting as an intellectual activity’ en dat
‘Angel draws heavily on classical authors and Italian art theory,
filtered through van Mander, and, to a lesser extent, Junius’. Juist het
feit dat Angel weinig belangstelling en begrip voor dit alles toont, is
typerend. Chapman ziet Angel ten onrechte als een erudiet die Van Mander
enigszins populariseerde. Ook de titelprent, waarover Chapmans artikel handelt,
is minder erudiet (zij het wel spitsvondig) dan zij veronderstelde. Een reeds
in Leiden (het ‘Athena Batavae’) bestaand type titelprent van
Athena/Minerva op een piedestal in een omheinde tuin (zie bijv. Heinsius'
uitgave van Iohannis Secundus.
Hagensis Batavi Itineraria. Leiden 1618),
werd gecombineerd met de door Chapman genoemde Minerva als Pictura op de
titelpagina van Marolois (zie Chapman, afb. 2).
51Angel neemt een lijst op van namen van
schrijvers (grotendeels uit de oudheid), die over schilderkunst schreven, om de
waardigheid van die kunst te tonen. Hiervoor plukte hij - behalve uit Van
Mander - wat namen uit Junius (zie Miedema 1973, op. cit. noot 12, p. 28).
Opmerkelijker dan de namen die er in voorkomen zijn eigenlijk degenen die
ontbreken: naast Junius zelf, zoekt men tevergeefs naar belangrijke Italianen
als Alberti en Vasari (alleen Leonardo wordt genoemd), laat staan dat hij weet
heeft van recentere Italiaanse schrijver als Lomazzo of Armenini. Wel komt
overigens Jan Orlers (zie noot 47) in het lijstje voor!
52Ook Huygens bijvoorbeeld spreekt daar niet
over in zijn uitvoerige uiteenzetting, waarin hij zijn bewondering voor vele
aspecten van de Nederlandse schilderkunst niet onder stoelen of banken steekt
(op. cit. noot 22, pp. 64-87). Evenmin wordt hierover in De Brune's voorrede
bij Junius gerept (op. cit. noot 24), waar met diverse argumenten de
waardigheid van de schilderkunst wordt benadrukt. Hetzelfde kan o.a. gezegd
worden over de lofdichten op de schilderkunst, verzameld in: Thomas Asselijn.
Broederschap der schilderkunst. Amsterdam
1654.
53Camphuyzen (op. cit. noot 75), p. 218/219. Zie
daarover verder hieronder.
54Het duidelijks is dit het geval in recente
publicaties van Bruyn: Bruyn 1981 (op. cit. noot 7), voorts
Een gouden eeuw als erfstuk. afscheidscollege
26-9-1985. Amsterdam 1986; ‘Mittelalterliche “doctrina
exemplaris” und Allegorie als Komponente des sog. Genrebildes.’ In:
symposiumbundel Berlijn 1987 (op. cit. noot 1), pp. 33-59 en Bruyn 1987 (op.
cit. noot 5). Karakteristiek is bijvoorbeeld de zinsnede die ik in het begin
van dit artikel citeerde (noot 5).
55Zie bijvoorbeeld: E. de Jongh 1967 (op. cit.
noot 8), pp. 5-22; de Jongh 1971 (op. cit. noot 8), pp. 144-146; De Jongh 1976,
(op. cit. noot 8), pp. 20, 25, 27-28; Bruyn 1985/1986 (op. cit. noot 54), p.
11; Bruyn 1984/1987 (op. cit. noot. 54), pp. 39-42; Raupp 1983 (op. cit. noot
4), p. 411; Haak 1986 (op. cit. noot 6), pp. 73-74.
+Raupp gaat, in zijn gelijkstelling van de literaire theorie van
de komedie met een theoretisch kader voor de genreschilderkunst, zelfs zover
dat hij meent dat, als er in kunstliteratuur over ‘vermakelijk’
wordt gesproken, er eigenlijk ‘belerend’ wordt bedoeld (op. cit. p.
407); opmerkelijk lijkt mij dan alweer dat er voortdurend over het
één en nooit over het ander wordt gesproken, terwijl dat bij
uitingen over de komische dichtkunst steeds wel het geval is.
56Het meest uitgesproken in de gelijkstelling van
principes van embleemliteratuur en schilderkunst is wel Bruyn, bijv.:
‘Wat Cats hier definieert is het embleem of zinnebeeld […] maar de
definitie gaat zonder meer op voor het schijnbaar realistisch bedoelde beeld
dat de schilderkunst biedt en datgene wat wij geleerd hebben erachter te
zoeken.’ (Bruyn 1985/1986, op. cit. noot 54, p. 11). Verschillen in vorm,
context, functies en tradities worden buiten beschouwing gelaten. Tevens worden
natuurlijk graag prenten met moraliserende onderschriften aangehaald (overigens
komen prenten met onderschriften na 1620 vrijwel niet meer voor) en met
‘de’ betekenis van het beeld gelijkgesteld (en zelfs als een
‘garantie’ daarvoor gezien; zie Bruyn 1984/1987, op. cit. noot 54,
p. 35). Over het feit bijv. dat men ook met prenten met onderschriften zeer
voorzichtig moet zijn omdat deze immers ook een andere functie hebben dan
schilderijen, en onderschriften bovendien weinig over de betekenis van een
voorstelling hoeven te zeggen (waarin de inventiviteit van de literator, die
teruggrijpt op zijn eigen tradities, wordt geplaatst naast de
‘welsprekendheid’ van het beeld), zal ik hier niet verder ingaan.
Zie daarover o.a. het fraaie artikel van E. McGrath, in: Wort und Bild
(op. cit. noot 1), pp. 73-90. In gedichten op schilderijen wordt slechts
uiterst zelden een moralisatie verwoord; zie hierover K. Porteman.
‘Geschreven met de linkerhand? Letteren tegenover
schilderkunst in de Gouden Eeuw.’ In: (red.) M. Spies. Historische
letterkunde. Groningen 1984, pp. 107. Overigens wil ik hiermee
geenszins suggereren dat emblematische literatuur en prenten met onderschriften
geen buitengewoon belangrijke hulpmiddelen bij het interpreteren kunnen zijn
(zie ook noot 82).
57S. van Hoogstraten.
Inleiding tot de hooge schoole der
schilderkunst. Rotterdam 1678, p. 89-90. Zie o.a. De Jongh 1967
(op. cit. noot 8), p. 22; De Jongh 1971 (op. cit. noot 8), p. 146; De Jongh
1976 (op. cit. noot 8), p. 20; Haak 1986 (op. cit. noot 6), p. 75.
58Het is hetzelfde wat Lairesse uitvoeriger
beschrijft, als hij zegt dat het voor de duidelijkheid nodig kan zijn
zinnebeelden in te voegen die bijvoorbeeld geveinsdheid, valsheid of bedrog
uitbeelden in de vorm van ‘beelden, beesjes, of Hiroglifize
figuren’, ‘[…] om alle duisterheid en twijffelachtigheden
weg te ruimen.’ (G. de Lairesse. Groot Schilderboek. Amsterdam
1707 (ed. 1712), I. p. 70). Het hoofdstuk waarin Van Hoogstraten dit schrijft
‘Van de byvoegsels door Zinnebeelden en Poëtische
uitvindingen’ handelt geheel over historiële voorstellingen. Aan het
begin van dit hoofdstuk zegt hij dat het te prijzen is als zulke schilderijen
‘met den eerlijken naem van d'een of d'ander leersame beduidenis bekleet
zijn’ (op. cit. noot 57, p. 88), hoewel hij ‘Schilders van
hennetasters en gortentelder’ (doelt hij op bijvoorbeeld de poeliers- en
kruidenierswinkels van Dou en navolgers?) niet verwerpt. Dat impliceert dus dat
het soort hoogstaande, leerzame betekenissen die men bij ‘Poëtische
en Historysche vertellingen’ kan verbeelden, volgens hem niet op
genrestukken van toepassing zijn.
59Zie De Jongh 1976 (op. cit. noot 8), p. 14
(motto): ‘Waerom wert Sinne-cunst, sou yder mogen vragen,/ Iuyst boven
ander cunst soo hooghe voor-gedragen? / Ick seg om dat den geest daer
sonderling in speelt; / Men vindt geen dergelijck, soo sin-rijck mee
gedeelt.’ (Van der Venne, in:
Zeeusche Nachtegael. Middelburg 1623, p.
63).
60Zie ook Porteman 1984 (op. cit. noot 56), p.
108: ‘[…] een pleidooi voor het samengaan van de zusterkunsten in
de zogenaamde “Sinne-cunst”.’ Het lijkt mij karakteristiek
dat ook hier, zodra Van der Venne over de dichtkunst spreekt, termen als hoog
verstand, geleerd, hooge en diepe gedachten en ook lering, te voorschijn
komen.
61Zie ook hierboven noot 23 (dezelfde gedachte bij
Cats).
62Opmerkelijker dan de woorden ‘De seer
vermaecklicke en vernuft-barend edel Schilder-const’ waar Van Mander de
voorrede van de Grondt meer opent, waarmee het ‘miscere utili
dulci’ geïmpliceerd lijkt te worden, en die als argument werden
aangehaald dat ‘het lerende en onderhoudende doel van de kunst’ bij
herhaling werd onderstreept (De Jongh 1976, op. cit. noot. 8, p. 27), is dat
Van Mander daar verder niet op deze gedachte ingaat. Dat Van Mander zijn
levensbeschrijvingen heeft uitgegeven ‘tot nut en vermaeck der Schilders
en Const-beminders’, hetgeen op dezelfde plaats door de Jongh als
argument voor het bovenstaande werd genoemd, zegt al helemaal niets daarover.
Het feit dat slechts zulke magere citaten konden worden opgevoerd, is al
veelzeggend.
63Zie hierover E.J. Sluijter.
De ‘heydensche fabulen’ in de Noordnederlandse
schilderkunst, circa 1590-1670. Leiden 1986, pp. 283-286.
64H. Miedema.
Kunst, kunstenaar en kunstwerk bij Karel van
Mander. Alphen a/d Rijn 1981, pp. 214/215. Zie hierover Sluijter
1986 (op. cit. noot 63), p. 284, in het bijzonder 284n2.
65Zie hierover Sluijter 1986 (op. cit. noot 63),
pp. 313-321, waar tevens werd uiteengezet dat dit als een zelfstandig
Metamorfosen-commentaar moet worden gezien, dat geheel in een specifieke,
literaire traditie past.
66De Jongh 1976 (op. cit. noot 8), p. 27 (zie
hierboven noot 62).
67Raupp 1983 (op. cit. noot 4), p. 416. Raupp
spreekt hier over de kunstliteratuur, maar haalt daarbij weer het stokoude
topos aan over de bittere pil en de zoete kern etc., uit werken die niets met
kunstliteratuur te maken hebben. (zie over dit steeds herhaalde topos, maar dan
in verband met Metamorfosencommentaren, ook Sluijter 1986, op. cit. noot 64, p.
314).
68Zie bijvoorbeeld ook Van der Venne (op. cit.
noot 59), pp. 59/60. Angel (op. cit. noot 10, p.25), stelt in navolging van De
Brune dat alles vergankelijk is behalve God, maar ‘soo konnen de
Schilderyen eenige honderde jaren duyren, het welcke ghenoech is’. Het
motief van het vasthouden van vergankelijkheden en het overwinnen van de tijd
komt zeer veel voor (zo spreekt - om een voorbeeld te noemen - De Bie in een
lofdicht op Van Mieris bijvoorbeeld over diens kunst ‘Die soo natuer
braveert, en trotst den grijsen tydt’; C. de Bie.
Het gulden cabinet vande edele vry
schilder-const. Antwerpen 1661, p. 404); vooral in beeldgedichten
treft men het veelvuldig aan. Het genoemde motief vormt het hoofdthema van Jan
Vos' ‘Strijdt tusschen de doodt en natuur, of Zeege der
Schilderkunst’. ( Alle de gedichten. Amsterdam 1726,
I, pp. 193-207). Overigens mag men hopen op meer letterkundige studies zoals
die van Porteman over enkele beeldgedichten (zie bijv. K. Porteman.
‘Vondels gedicht “Op een Italiaensche Schildery
van Suzanne”.’ In: (red.) G. van Eemeren e.a. 't Ondersoeck
leert. Studies … ter nagedachtenis van prof. dr. I. Rens. Amersfoort
1986, pp. 301-318); juist doordat deze duidelijker kunnen maken wat
traditioneel en wat bijzonder is in zulke gedichten en in de benadering van de
dichter - en wat dat te betekenen kan hebben, kunnen zij van groot belang zijn
voor een beter begrip van de benadering van schilderijen uit die
periode.
69Over het schilderij als ‘bedrog’
van het oog zie o.a. hieronder Camphuyzen (noot 75) en Van Hoogstraten (noot
72). Jan de Brune de Jonge weidt alsvolgt daarover uit in
Alle volgeestige werken. Harlingen 1665, pp.
317: ‘[…] doch haer bedroch is een genuchelik en onschadelik
bedrogh; want aan dingen, die niet en zijn, zich zo te vergapen, als ofze
waren, en daar zoo van geleit te worden, dat wy ons zelven, sonder schade,
diets maken datze zijn; hoe kan dat tot de verlusting onzer gemoederen niet
dienstigh wezen? Zeker, het vervroolikt yemand buite maat, wanneer hy door een
valsche gelikenis der dingen wort bedrogen’. Zie ook de volgende
noot.
70Mooi is het gedicht van Dirck Traudenius op
een werk van Dou, door hem ‘de Hollandsche Parrhasius’ genoemd, dat
veel van de genoemde elementen in zich heeft: ‘Zag Zeuxis dit bancket, hy
wierd al weer bedrogen:/ Hier leit geen verf, maer geest en leven op 't
paneel.’ etc. ( in zijn
Rijmbundel, achter diens
Tyd-zifter. Amsterdam 1662, p. 17); in een
gedicht op Van Mieris schrijft de gelegenheidsdichter W. van Heemskerck:
‘Let hoe Penceel en Verw met 't leven dingt om strijd. / Indien 't
Parhasius, en Zeuxis mogten zien: Zij staakten 't wedspel, / en streên
wie de Eerkrans hem zou biên’ (onderschrift onder de prent van Van
Mieris' zelfportret, in prent gebracht door A. Blooteling; ook geciteerd door
A. Houbraken.
De groote schouburgh der Nederlandtsche konstschilders en
schilderessen. Den Haag 1718-1721 (ed. 1753), III, p. 5). De
geschilderde gordijnen ‘voor’ een aantal schilderijen van bijv.
Leidse fijnschilders als Dou, Van Gaesbeeck, De Pape en Van Mieris, verwijzen
ongetwijfeld naar deze anecdote (zie o.a. (red.) Sluijter e.a. 1988, op. cit.
noot 11, afbn, 11 en 37 en cat. nrs. 9 en 19)
71Van Hoogstraten 1678 (op. cit. noot 57), pp.
24-25.
72Dit ontleende hij waarschijnlijk aan Van
Mander (Voorrede bij Het Leven der oude antijcke doorluchtige schilders.
In:
Het Schilder-Boeck. Haarlem 1603-1604, fol.
61v), die het echter in een andere context aanhaalt.
73Zie hierover, en over de mijns inziens daarmee
samenhangende gefascineerdheid met de spiegel en het spiegelbeeld in de
Hollandse kunst van deze periode: E. J. Sluijter, in: (red.) N.J. Brederoo e.a.
Oog in oog met de spiegel. Amsterdam 1988 (te
verschijnen najaar 1988).
74Zie hierover uitvoerig: Sluijter 1986 (op.
cit. noot 63), pp. 270-277. Weliswaar werden deze gedachten over het oog,
wanneer zij met schilderijen in verband werden gebracht, voornamelijk toegepast
op naaktuitbeelding omdat de kritiek zich steeds daarop richtte, maar het lijkt
mij een houding die, in minder toegespitste vorm, ook voor veel andere soorten
schilderijen kon gelden, zeker als het voorstellingen van amoureus amusement en
weelde betreft - de thematiek die een groot deel van de genreschilderkunst
beheerste. Van der Venne (op. cit. noot 59, p. 60), gebruikte de gedachten
omtrent de krachten van het oog en het schilderij in deze zin bijv. in enkele
strofen die op een beeltenis van de geliefde betrekking hebben, eindigend met
de mooie regel: ‘De oog is noyt vervult, 't gewens is noyt versaet,/ Soo
lang men met de cunst en min-sucht omme-gaet.’ Een dergelijke, uiteraard
petrarkistisch gekleurde, gedachte, lijkt mij van belang voor het interpreteren
van de talloze genrestukken waarin een jonge vrouw centraal staat, meestal in
een amoureuze situatie die verleiding (dikwijls ook gericht op de toeschouwer)
impliceert.
75D. Camphuyzen. ‘Tegen 't Geestigdom
der Schilderkunst’ (ca. 1620), een berijmde vertaling van
‘Idolelenchus’ van Johannes Evertsz. Geesteranus, in:
Stichtelycke Rymen, Amsterdam 1623 (ed.
1647), p. 224. Ook in een eerder gedicht in deze bundel spreekt Camphuyzen over
de ‘[…] verwende Konst, van malle Malery, / Het voedtsel van qua'e
lust en fieltsche sotterny’ (op. cit. p. 4).
77Zie ook L. Goedde. ‘Convention, realism,
and the interpretation of Dutch and Flemish tempest painting.’
Simiolus. 16 (1986), p. 146, die vanuit bestudering van zeestukken tot
een dergelijke formulering komt. Zijn werkwijze, die zich richt op een gedegen
onderzoeken van de selectie van onderwerpen en motieven binnen een bepaalde
themagroep en de conventies die daarin optreden als bepalend voor de betekenis
die het uitgebeelde communiceert, lijkt mij een uiterst vruchtbare uitgangspunt
om tot een evenwichtiger vorm van betekenisduiding te komen. Een verwante
werkwijze werd door mij op het terrein van de mythologische thematiek
nagestreefd (op. cit. noot 63), zie o.a. pp. 3 en 8.
78Zoals reeds vaker werd opgemerkt is juist het
feit van groot belang dat he hier voor het eerst een kunst betreft die op grote
schaal via de kunsthandel werd verkocht, en moest ‘cateren’ voor
een breed, grotendeels anoniem, publiek, waarbij de koper zelf de context
creëerde vanuit zijn eigen achtergrond. Alleen al om die reden lijkt het
niet erg zinvol naar ‘de’ betekenis te zoeken. Veeleer moet een
heel scala van mogelijke associaties die met bepaalde thematiek en
uitbeeldingswijze in verband kan worden gebracht in beschouwing worden genomen
(zie ook: Sluijter 1986, op. cit. noot 63, p. 8 en 290-292).
79Camphuyzen (op. cit. noot 75), p. 224.
Ongetwijfeld stonden Camphuyzen in de eerste plaats bijbelse of mythologische
voorstellingen met een erotische getinte strekking voor ogen, maar de manier
waarop hij onderscheid maakt tussen de werking van het beeld en verbale
toevoeging, lijkt mij daarom niet minder veelzeggend.
80Zie hierover, in verband met de keuze en
uitbeelding van mythologische onderwerpen in de Noordelijk Nederlanden:
Sluijter 1986 (op. cit. noot 63), deel II, passim, in het bijzonder hoofdstuk
5. In dit opzicht bieden ook Schama's interpretaties veel stof tot overdenking:
S. Schama,
Overvloed en onbehagen. De Nederlandse cultuur in de
Gouden Eeuw. Amsterdam 1988, in het bijzonder hoofdstukken 5 en 6.
Opmerkelijk is dat Schama bij het interpreteren van schilderijen wel de
traditioneel-iconologische methode als uitgangspunt neemt, maar dikwijls vanuit
zijn eigen benadering tot sterk daarvan afwijkende interpretaties
komt.
81Zie voor verwante kritiek (daar toegespitst op
het Panofskiaanse begrip van ‘disguised symbolism’ in de
15de-eeuwse Vlaamse schilderkunst, dat van directe invloed is geweest op deze
benadering): J.H. Marrow.
‘Symbol and meaning in northern European art of the
late middle ages and the early Renaissance.’ Simiolus 16
(1986), p. 151 (zie voor een kritische benadering van het begrip
‘disguised symbolism’ ook J.B. Bedaux.
‘The reality of symbols: the question of disguised
symbolism in Jan van Eyck's Arnolfini portrait.’ Simiolus 16
(1986), pp. 5-26).
82Zie hierover Bedaux 1987 (op. cit. noot 3),
pp. 151-154. Zijn stelling dat het aantal genrestukken waarin een embleem de
directe bron voor de voorstelling vormt, vrijwel te verwaarlozen is, lijkt mij
correct. Juist omdat enkele voorbeelden daarvan zo nadrukkelijk en met veel
succes naar voren zijn gehaald (ook bij een paradepaard in dit opzicht als
Dou's Kwakzalver, denk ik dat emblemen in feite geenszins een bron
vormen en evenmin voor de interpretatie door de eigentijdse toeschouwer van
direct belang waren), is er zo'n vertekend beeld ontstaan. Bedaux' correctie
van de symboliek van de druiventros is wat dit betreft verhelderend (zie ook
Sluijter 1986, p. 253 en 253n5, waar eveneens naar aanleiding van de
druiventros op de te specifieke duiding werd gewezen). Het belang van
interpretatie met behulp van emblemen wordt hiermee geenzins ontkend, maar dit
dient vooral te geschieden om mogelijke assiociaties met bepaalde motieven te
achterhalen.
83Zie over de projectie van een overmatige
theoretische ballast bijvoorbeeld J. Beckers uitstekende kritiek ( Oud
Holland 101 (1987), pp. 280-286) op. J.-H. Raupp,
Untersuchungen zu Künstlerbildnis und
Kunstlerdarstellungen in den Niederlanden im 17. Jahrhundert.
Hildesheim etc. 1984, een studie waarin vrijwel geheel vanuit kunsttheoretische
denkbeelden werd geïnterpreteerd.
84Het duidelijkst vindt men dit verwoord in De
Jongh 1971 (op. cit. noot 8), waarvan de titel ‘Realisme en
schijnrealisme’ reeds deze scheiding aangeeft en waardoor hij bijv. zich
kan afvragen ‘waar symboliek ophoudt en “lege” vorm
begint’ en of ‘een schilder soms niet meer bedoelde dan hij liet
zien’, en recentelijk vooral bij Bruyn 1981, 1985/1986, 1984/1987 en 1988
(op. cit. noten 5, 7 en 54); hij kan als alternatief voor zijn opvatting over
betekenis slechts een betekenisloosheid implicerende ‘Realität
[…] als Selbstzweck’, ‘een realistische uitbeelding als
zodanig’ of een ‘rein asthetische empfunden Realitat’ zien,
en hij interpreteert het uitbeelden van het alledaagse als ‘een blijkbaar
in Holland aanvaarde wetmatigheid’ waraan de conventionele symboliek
moest worden aangepast (Bruyn 1985/86, p. 7). Zie ook de volgende noot.
85Het meest uitgesproken komt dit - alweer - tot
uiting in alle bovengenoemde artikelen van Bruyn. Hij gaat zelfs zover te
stellen dat de 17de eeuw eigenlijk niets nieuws biedt, ‘of het moet zijn
de steeds kunstiger verhulling van deze oude gegevens in de afschildering van
de alledaagse omgeving en een steeds subtielere vertakking van de
thematiek’ (Bruyn 1981, op. cit. noot 7, p. 14). De scheiding tussen vorm
en inhoud is hier compleet. Referenties aan de eigen omgeving en de associaties
die deze oproepen hebben niets te zeggen; zij dienen slechts tot verdere
verhulling. Overigens gaat daarmee steeds de gedachte gepaard dat zienswijzen
uit het begin van de 18de eeuw ons daarentegen niets meer kunnen vertellen over
de 17de-eeuwse benadering.
86Angel (op. cit. noot 10), p. *3v (Den Drucker
tot de schilders).
87Huygens (op. cit. noot 22), p. 66
88Van Hoogstraten (op. cit. noot 57), p.
330.
89Idem, p. 11/12. Men vergelijke de verandering
ten opzichte van Van Mander die spreekt over de noodzakelijke verliefdheid op
Pictura, die als een jaloerse schone vrouw is ( Grondt, fol. 2r en
Levens, fol. 143v; zie H. Miedema.
Karel van Mander. Den grondt der edel vry
schilder-const. Utrecht 1973, II, p. 365-366).
|
|