terug  begin  verderprepost
[p. 247]

Hoofdstuk V
De rederijkers-vertalingen van Vergilius en Homerus

§ 1. De vertaal-trant van renaissancisten en klassicisten

In dit hoofdstuk krijgen wij te doen met vertalingen van epen uit een vreemde taal in het Nederlands. Dat maakt het noodzakelijk ons, ter vermijding van veelvuldig misverstand, tevoren rekenschap te geven van het belangrijke principiële verschil tussen de wijze waarop Renaissancisten en Klassicisten hun taak als vertaler zagen, en die welke in de tweede helft van de 18de eeuw is opgekomen om zich tenslotte te ontwikkelen tot onze moderne opvatting omtrent de eisen welke aan een vertaling behoren te worden gesteld. Uitgangspunt en doel zijn in beide gevallen namelijk zó verschillend, dat vergelijking vrijwel onmogelijk is en het beoordelen van een Renaissancistisch-klassicistische vertaling naar de thans gangbare normen niet alleen als onbillijk, maar ook als onjuist moet worden beschouwd.

Het bewuste verschil geldt dus niet alleen voor de rederijkersvertalingen van Vergilius en Homerus, die in dit hoofdstuk worden besproken, maar evenzeer voor de overzettingen van klassieke en Renaissancistisch-klassicistische epen in het Nederlands, die in latere hoofdstukken aan de orde zullen komen. De behandeling ervan als eerste paragraaf van dit hoofdstuk is slechts een gevolg van het feit dat wij hier voor de eerste maal behoefte krijgen aan vertrouwdheid met het verschijnsel.

Niemand heeft naar mijn mening het punt, waar het om gaat, scherper en duidelijker geformuleerd dan Th. Weevers in zijn proefschrift over Coornhert's De dolinghe van Ulysse. Ik cursiveer in mijn citaat de gedeelten, waarop het in het bijzonder aankomt:

Vaste grenzen tussen perioden bestaan in de geschiedenis niet, en dus kan men van te voren verwachten, dat de overgangen van de ene vertaalmethode naar de andere geleidelijk zullen zijn. Eén verandering was echter zo principieel, dat die het karakter van deze overzettingen plotseling wijzigde. Alle Renaissance-vertalers, tot laat in de 17e eeuw toe, nemen de stof in zich op, assimileren ook de stijl voor een deel, maar brengen dit alles dan in hun eigen vorm over. In de periode die met Rousseau begint [...] verandert dit. Van J.H. Voss1 af tot op de tegenwoordige tijd streeft elke vertaler ernaar de oude dichters2 in hun eigen vorm te herscheppen, en de poging wordt als des te beter gelukt beschouwd, naarmate zij er meer in slaagt de kleinste schakeringen en effecten te bewaren. Natuurlijk zijn er dichters aan te wijzen, die op de grens staan [...]. Maar de tegenstelling zelf is principieel.3

[p. 248]

Weevers steunt hierbij o.m. op een opmerking van zijn promotor Albert Verwey, waarnaar hij in een noot bij de geciteerde passage verwijst. Naar aanleiding van Vondel's Psalmberijming - Koning Davids Harpzangen - wijst Verwey erop ‘hoe stelselmatig de Renaissance-dichters hun vorm oplegden aan ontleende inhouden’.4 Weevers had ook nog naar een andere plaats in dezelfde studie van Verwey kunnen verwijzen, waar deze - in verband met het feit dat Vondel eerst Vergilius volledig in proza vertaalde en daarna nog eens volledig in verzen - constateert:

Altijd komt het er voor hem op aan, de voorstellingsinhoud van het oorspronkelijke overtenemen in een vers- en strofen-bouw die er volkomen vreemd aan is. Hij maakte met die inhoud, esthetisch gesproken, nieuwe gedichten; en hij kon niet tevreden zijn met het enkele begrijpen, omdat het in verzen begrijpen hem, zoo niet aangeboren, dan toch tot een tweede natuur geworden was.5

Het is een uitermate belangrijk gegeven, dat Weevers op het voetspoor van Verwey naar voren gebracht heeft! Want het feit dat de vertalers van de 16de, 17de en een groot deel van de 18de eeuw het oorspronkelijke werk in hun eigen vorm overbrengen en er zodoende in zekere zin iets nieuws van maken, heeft ver-strekkende consequenties. Het brengt mee, dat zij zich allerlei wijzigingen van meer of minder belang veroorloven: weglatingen, toevoegingen, vrije omschrijvingen, ja zelfs verbeteringen, als zij menen dat daartoe aanleiding bestaat. Zij achten zich slechts aan de oorspronkelijke tekst gebonden voor zover zij die begrijpen en aanvaarden kunnen; waar dit niet het geval is, brengen zij hem over in hun eigen sfeer. Als b.v. Cornelis van Ghistele meent dat Vergilius in zijn zesde boek, bij de ontmoeting van Aeneas met de schim van Dido in de onderwereld, de laatste hardvochtiger tegenover haar vroegere minnaar doet optreden dan in overeenstemming geacht kan worden met haar mateloze passie voor hem in het vierde boek, dan corrigeert hij deze ‘ontsporing’. Bij hem wordt Dido wèl door de woorden van Aeneas getroffen: ondanks haar boosheid op hem stromen de tranen haar over de wangen en laat zij bedroefd het hoofd hangen; tenslotte wint echter haar verbolgenheid het en vlucht zij - evenals bij Vergilius - van Aeneas weg, terug naar ‘Sicheus [Sychaeus] haer eerste man’. Twee eeuwen later doet Sybrand Feitama op groter schaal precies hetzelfde, wanneer hij de Henriade van Voltaire onder het vertalen enigermate protestantiseert, door weglating van al te Katholieke passages, accentuering van de ondeugden der Ligueurs, en meerdere nadruk op de geestelijke adel van Hugenoten als b.v. Du Plessis-Mornay.

Het ligt voor de hand, dat bij deze werkwijze fouten en onnauwkeurigheden in de vertaling niet eenzelfde doorslaggevende betekenis voor de beoordeling kunnen hebben als bij overzettingen naar de moderne opvatting. Het is vaak zelfs nauwelijks mogelijk vast te stellen, òf er wel van fouten en onnauwkeurigheden gesproken kan worden. In het bijzonder geldt dit voor de laatste. Aperte fouten immers verraden zich meestal wel door de innerlijke tegenstrijdigheid of onduidelijkheid in de tekst, die zij tot gevolg hebben. Werkelijke kunstenaars weten dergelijke plaatsen vaak met voldoende virtuositeit te ca-

[p. 249]

moufleren om te voorkomen dat zij bij lezing dadelijk opvallen, maar hun zwakkere broeders blijken daartoe als regel niet in staat.

Ten aanzien van onnauwkeurigheden daarentegen heeft men praktisch geen enkel houvast. Het is er Renaissancistisch-klassicistische vertalers immers slechts om te doen ‘de voorstellingsinhoud van het oorspronkelijke’ - zoals Verwey het uitdrukt - over te brengen in hun eigen taal, en nièt ‘om een nauwkeurige kopie ervan te vervaardigen’.6 Wat doet het er dan toe, of zij in de beeldspraak kleine wijzigingen aanbrengen, een boomsoort vervangen door een andere, enkele details weglaten of integendeel toevoegen? Zolang er niets essentieels wordt veranderd en zolang de overeenkomst met de oorspronkelijke tekst duidelijk genoeg blijft om niet over het hoofd te kunnen worden gezien, behoeven zij zich verder om de nauwkeurigheid van hun weergave geen zorgen te maken. In de meeste gevallen zal er over hun afwijkingen slechts kunnen worden gezegd, dat zij bij de gevolgde vertaal-methode passen en dus als toelaatbaar moeten worden beschouwd. Maar men kan er nooit helemaal zeker van zijn, dat er niet meer achter schuilt. Zodra men met een concreet geval te doen heeft, valt immers onmogelijk te achterhalen òf en in hoeverre de vertaler misschien opzèttelijk van de oorspronkelijke tekst is afgeweken, om daardoor beter bij zijn eigen voorstellingswereld of eigen sfeer aan te sluiten. Het is zelfs mogelijk dat hij dit vrijwel onbewust heeft gedaan, zijn eigen gedachtengang volgend zonder er zich rekenschap van te geven dat deze niet helemaal parallel liep aan die van de oorspronkelijke auteur.

Dit alles maakt het onhistorisch en onbillijk de qualiteit van Renaissancistisch-klassicistische vertalingen te willen bepalen volgens moderne maatstaven, zoals vrijwel regel was vóórdat Verwey en Weevers - nog maar enkele decenniën geleden! - een juister inzicht hebben ingeleid. Ik kan met een enkel voorbeeld volstaan om de consequenties van een dergelijke beoordelingsmethode te demonstreren.

In het achtste boek van de Henriade tekent Voltaire als volgt de graaf van Essex onder de aanvoerders van Hendrik's leger aan de vooravond van de slag bij Ivry:

 
Essex avec éclat paraît au milieu d'eux,
 
Tel que dans nos jardins un palmier sourcilleux,
 
A nos ormes touffus mêlant sa tête altière,
 
Paraît s'enorgueillir de sa tige étrangère.

Feitama's vertaling van deze regels luidt:

 
In 't midden dezer schaar' daagt Essex rustig op,
 
En prykt gelyk een palm, wiens wyde bladertop
 
In onzer linden hoogst en weligst loof gestrengeld,
 
Zyn' vreemden zwier met dien van onze boschpraal mengelt.

In zijn proefschrift over de Henriade in de Nederlandse literatuur noteert H.J. Minderhoud bij de tweede en derde regel van deze citaten (de andere regels laat hij buiten beschouwing):

‘Sourcilleux’ a été supprimé. ‘La tête altière’ n'est pas ‘de wijde bladertop’ et ‘ormes’ n'est pas ‘linden’.7

[p. 250]

Op zichzelf is dat natuurlijk juist. Maar Feitama zal zich daarvan ongetwijfeld even goed bewust geweest zijn als Minderhoud! Bij zijn vertaal-trant mag niemand hem verwijten, dat hij de beeldspraak van Voltaire enigszins modificeerde - en zeker niet als de soepele gang van zijn alexandrijnen erdoor werd bevorderd! Trouwens, wordt het verlies van sourcilleux (hoog) niet voldoende gecompenseerd door hoogst in regel 3, dat bij Voltaire ontbreekt? Is ‘de wyde bladertop’ niet even suggestief als ‘la tête altière’, al brengt deze verandering mee dat in de vertaling van regel 4 de ‘tige étrangère’ moest vervallen? En wat de ‘linden’ betreft: blijkbaar dacht Feitama bij de majestueuse loverpracht van een bosschage eerder aan een groep lindebomen dan aan iepen.8 In ieder geval is er niet de minste aanleiding om op grond van de vergelijking der beide citaten - de laatste in een reeks van zulke vergelijkingen - de conclusie te trekken, waartoe Minderhoud in zijn volgende zin komt:

Le nombre des fautes, chez Feitama, n'est pas si grand que chez Klinkhamer,9 mais il est pourtant assez considérable.10

Bij zijn opmerkingen over Renaissance-vertalingen heeft Weevers vertalingen-in-verzen op het oog, en in het kader van zijn studie over Coornhert's Dolinghe van Ulysse kon hij daarmee inderdaad volstaan. Voor ons is dit evenwel niet het geval. In de loop van ons onderzoek zullen wij ook te maken krijgen met een aantal vertalingen-in-proza. Geldt daarvoor hetzelfde als voor die in verzen, of hebben de auteurs een ander uitgangspunt en een andere doelstelling, op grond waarvan wij hun werk anders moeten benaderen?

Om deze vraag te beantwoorden, kunnen wij niet beter doen dan uitgaan van wat hierboven over hun dichtende collega's werd opgemerkt: zij ‘brengen het oorspronkelijke werk in hun eigen vorm over en maken er zodoende in zekere zin iets nieuws van’.11 Van de proza-vertalers kan hetzelfde niet worden gezegd. Bij hen gaat het er in het algemeen slechts om, een vreemdtalig werk gemakkelijk toegankelijk te maken voor landgenoten die de oorspronkelijke taal niet of onvoldoende beheersen. Daarbij denken zij enkel aan de inhoud, het verhaal; de artistieke vormgeving laten zij buiten beschouwing. Een geval als Vondel's proza-vertaling van de Aeneis, waarin gepoogd wordt de taal-schoonheid van Vergilius zoveel mogelijk vast te houden, is een grote uitzondering die de regel slechts bevestigt. Wèl hebben de proza-vertalers met hun dichterlijke collega's gemeen, dat zij het geoorloofd achten de oorspronkelijke tekst door kleine wijzigingen, meestal verklarende toevoegingen of vereenvoudigende samenvattingen, te verduidelijken waar dit hun gewenst voorkomt. En evenmin als dezen besteden zij veel tijd en moeite aan het zoeken naar het meest juiste woord of naar de meest geëigende weergave van een zegswijze die niet zonder meer in het Nederlands kan worden overge-

[p. 251]

bracht. In zoverre vinden wij ook bij hen het patroon van de gebruikelijke vertaal-trant terug.

Toch is het verschil met de poëzie-vertalingen groter dan de overeenkomst. Doordat de prozaïsten geen aandacht hoeven te besteden aan een eigen vormgeving en dus niet gebonden zijn aan versbouw, metrum en rijm, kunnen zij in principe met meer vrijheid te werk gaan. In de praktijk blijken zij van die meerdere vrijheid echter vrijwel uitsluitend gebruik te maken om de oorspronkelijke tekst zo letterlijk mogelijk te volgen. Niet uit principe - zoals bij moderne vertalers het geval zou zijn -, maar omdat dit de weg van de minste weerstand is die de minste geestelijke activiteit van hen vraagt. Als zij woord voor woord in het Nederlands overbrengen, komt immers de inhoud - waar het hun om te doen is - ‘vanzelf’ óók over. En zo doet zich het paradoxale feit voor, dat op het eerste gezicht de vertalingen-in-proza dichter bij de moderne vertaal-opvatting staan dan die in poëzie, al werd er aan die laatste véél meer tijd en moeite besteed! Meermalen is het zelfs mogelijk, op die prozavertalingen de moderne beoordelings-methode toe te passen, zonder dat de incompatibiliteit onmiddellijk aan het licht treedt, zoals bij het hierboven gegeven voorbeeld uit Feitama. Bij nadere beschouwing ontdekt men echter al spoedig, dat er geen enkel reëel verband bestaat tussen de werkmethode van de betrokken auteurs en de moderne opvatting van vertalen. Van zorgvuldig wikken en wegen om de juiste nuance van een zin of een woord te vinden, is bij hen geen sprake. Zij vertalen letterlijk, maar ongeveer op de wijze van een scholier. Ook als hun vertaling juist is, d.w.z. geen fouten bevat, wil dit nog niet zeggen dat zij ook werkelijk goed is, d.w.z. adaequaat aan de oorspronkelijke tekst. De meerdere of mindere mate, waarin zij fouten weten te vermijden, hangt - evenals bij de scholier - af van hun kennis van de vreemde taal, hun handigheid in het gebruik van een woordenboek, hun intelligentie en hun intuïtie. De resultaten liggen dan ook even ver uiteen als die van de vertalingen bij een schoolexamen. En ook bij de besten van deze vertalers dient men steeds voor ogen te houden, dat het hun slechts te doen was om een juiste weergave van de inhoud; als er bovendien iets van de oorspronkelijke artisticiteit overkomt, werd daar niet bewust naar gestreefd, maar is het ‘toeval’: gevolg van een gelukkige dispositie bij de vertaler.

Tenslotte nog een laatste overeenkomst tussen het werk van de Renaissancistische proza-vertaler en dat van de moderne scholier. Doordat beiden zich zo letterlijk mogelijk aan de oorspronkelijke tekst houden, vallen hun vertaalfouten dadelijk op; de mogelijkheden om onzekerheid of onwetendheid te camoufleren, die zich bij een vertaling-in-verzen voordoen, zijn hier nauwelijks aanwezig. Door de ‘gemakkelijke’ weg van een woordelijke vertaling te kiezen in plaats van de originele tekst in een meer eigen vorm over te brengen, zijn de proza-vertalers op dit punt kwetsbaarder dan hun dichtende collega's. Wat ‘onnauwkeurigheden’ en benaderende vertalingen betreft, moet men hun natuurlijk de armslag toestaan, die inhaerent is aan de vertaal-trant van hun tijd. In dat opzicht kan men hun niet de beperkingen voorschrijven, die gelden voor de moderne scholier.

 

Met dit alles dienen wij rekening te houden. In hoofdzaak komt het erop neer, dat wij bij vertalingen-in-verzen als regel zullen moeten uitgaan van de ‘eigen vorm’ waarin de vertalende dichter het oorspronkelijke epos heeft overgebracht, om vervolgens na te gaan in hoeverre die overbrenging -

[p. 252]

‘translatie’ in een andere dan de gebruikelijke zin! - hem gelukt is, en welke consequenties zij gehad heeft voor de aard, de toon en de qualiteit van zijn werk. Bij vertalingen-in-proza missen wij de steun van zulk een voor de hand liggend uitgangspunt en zullen wij dus meer tastenderwijs te werk moeten gaan. Valt er een antwoord te geven of te vermoeden op vragen als: hoe is de auteur ertoe gekomen zijn vertaling ter hand te nemen? welke bedoeling had hij ermee? zag hij in de inhoud van het origineel enkel een boeiende avonturenroman, of had hij ook oog voor morele en - misschien! - artistieke aspecten? vatte hij zijn taak op als vrijwel mechanisch translateren van de vreemde tekst, of bracht hij wel eens wijzigingen aan? zo ja, van welke aard zijn die dan en wat wilde hij ermee bereiken? Eerst na dit alles onder ogen te hebben gezien, zullen wij - ook al heeft ons onderzoek waarschijnlijk niet veel zekerheden opgeleverd - ertoe mogen overgaan de bewuste vertaling in het kader van haar tijd te typeren en te evalueren. Bij het laatste zal tevens aandacht moeten worden besteed aan de vraag, of de auteur de vreemde taal voldoende beheerste om, naar de eigentijdse opvatting van vertalen, op bevredigende wijze te kunnen realiseren wat hij zich ten doel had gesteld.

§ 2. Van Ghistele's vertaling van de ‘Aeneis’

Tegen het midden van de 16de eeuw beginnen de vertalingen van klassieke auteurs te verschijnen, die er zoveel toe hebben bijgedragen de Nederlanders vertrouwd te maken met de verbeeldings- en gedachtenwereld van de Oudheid. Cornelis van Ghistele behoort niet tot de allereerste vertalers, maar de schaal waarop hij werkte, maakt hem wel tot de belangrijkste. Achtereenvolgens bracht hij in het Nederlands over: de Heroides12 van Ovidius (1553), de Comoediae van Terentius (1555), de Antigone van Sophocles naar een Latijnse bewerking (1555), de Aeneis van Vergilius (1556) en de Satirae van Horatius (1569). In het kader van deze studie heeft hij vooral betekenis, doordat hij de éérste is geweest die een klassiek epos voor zijn tijdgenoten algemeen toegankelijk heeft gemaakt. Met hem doet Kalliope haar intrede in de Nederlandse literatuur.

De auteur

Omtrent de persoon van Van Ghistele is weinig bekend. Hij leefde van omstreeks 1520 tot in de jaren '70 te Antwerpen, en heeft daar een belangrijke plaats ingenomen in het rederijkersleven, met name in de Kamer ‘De Goudbloem’ waarvan hij ongeveer twintig jaar factor is geweest. Behalve zijn vertalingen schreef hij een aantal toneelspelen, terwijl ook enkele gelegenheidsgedichten van hem bewaard gebleven zijn; onder die laatste zijn er een paar in het Latijn geschreven. De betekenis van zijn oorspronkelijk werk valt echter in het niet bij die van wat hij uit de Oudheid ‘in onser duytscher talen Retorijckelijck ouer gheset’ heeft.

De uitgave

De vertaling van de Aeneis is in drie fasen verschenen. Het eerste gedeelte zag in april 1554 het licht onder de titel Deerste viere boecken van Eneas ende Dido genaemt Aeneidos. In het begin van 1556 volgde een herdruk van deze vier boeken, vermeerderd met de twee daarop aansluitende: Deerste sesse

[p. 253]

boecken van Aeneas ghenaemt Aeneidos.13 Nog aan het einde van hetzelfde jaar 1556 kwam ook het laatste deel van de vertaling gereed: Die leste sesse boecken van Aeneas, ghenaemt int Latijne Aeneidos. De twee deeltjes van ‘sesse boecken’ elk konden nu samengevoegd worden tot de volledige Aeneis. In sommige van de bewaard gebleven exemplaren is dit gebeurd met behoud van de twee oorspronkelijke titelbladen; in andere werd wel het tweede titelblad gehandhaafd, maar het eerste vervangen door een nieuw dat het volledige werk aankondigde:

De twaelf // boecken van Aeneas ghenaemt // Aeneidos. beschreuen in latijn door den alder ghe= // leersten ende vermaersten Poeet Vergilius Ma= // ro/ Nv eerste in onser duytscher talen door // Cornelis van Ghistele Retorijckelijck // ouer gheset/ plaisant ende weerdich // om lesen. // vignet met kop van Vergilius // Gheprint Tantwerpen inden schilt van Artoys/ by die we= // duwe van Jacob van Liesueldt/ Met Gratie ende Preuilegie // der K.M. Anno M.D.LVJ.

In hoever deze eerste uitgave een succes is geweest, valt moeilijk na te gaan. De steeds toenemende spanningen op politiek en religieus gebied, en nog meer de daarop volgende jaren van strijd, waren weinig bevorderlijk voor een snelle verspreiding, en nog minder voor het overwegen van een herdruk. Maar in 1583 worden Die twaelf boecken van Aeneas dan toch nogmaals uitgegeven, weer te Antwerpen en met titelbladen van twee verschillende boekverkopers. In 1589 komt het opnieuw tot een uitgave, ditmaal bij Jan van Waesberghe die dan nog een titelblad met Antwerps adres heeft, maar dit tien jaar later vervangt door een ander met zijn nieuwe adres in Rotterdam; ook aan hem heeft zich de grote uittocht uit Antwerpen naar het Noorden voltrokken. En tenslotte verschijnen De twaelf boecken Aeneas voor het laatst nog eens in 1609, opnieuw bij Jan van Waesberghe te Rotterdam.14 Daarna is de belangstelling voor een rederijkersvertaling van Vergilius' epos blijkbaar niet groot genoeg meer om een nieuwe uitgave te rechtvaardigen, al duurt het geruime tijd eer er iets anders voor in de plaats komt.

De uitgever(s)

‘Gratie ende Preuilegie’ (= toestemming tot publikatie en alleen-recht van uitgave voor een bepaald aantal jaren) voor Deerste viere boecken werden in april 1554 verleend aan ‘Hans van Liesuelt Boecprinter woonende in onser Stadt van Antwerpen’, die dan ook op het titelblad als drukker-uitgever staat vermeld. Deze Hans, zoon van de onfortuinlijke Jacob van Liesvel(d)t,15

[p. 254]

zette na de dood van zijn vader diens zaak voort, ongetwijfeld gesteund door zijn moeder die zich al eerder een capabele zakenvrouw had betoond.16

Twee jaar later worden Deerste sesse boecken uitgegeven op grond van dezelfde overheids-stukken, die vóór in het boek opnieuw zijn afgedrukt. Dat was mogelijk, omdat noch de ‘Gratie’ noch het ‘Preuilegie’ een bepaald aantal boeken vermeldde. Opmerkelijk is echter, dat Hans niet meer wordt genoemd - was hij inmiddels gestorven? - en dat zijn moeder de leiding van het bedrijf blijkt te hebben overgenomen; het titelblad geeft aan: ‘Gheprint Tantwerpen inden schilt van Artoys, by die weduwe van Jacob van Liesueldt’. Ook Die leste sesse boecken werden door haar uitgegeven. Helemaal aan het slot van dit laatste boekje treffen wij echter een nieuw Privilegie aan, nu op háár naam: Maria Ancxt, weduwe van Jacob van Liesveldt.

Dit alles is voor ons van belang, omdat naar alle waarschijnlijkheid moeder en zoon Van Liesveldt een niet onbelangrijke rol hebben gespeeld bij de tot-stand-koming van de Aeneis-vertaling door Van Ghistele. Volgens de ‘Gratie’ van 1554 had Hans namelijk in zijn aanvrage gesteld ‘hoe dat hy suppliant groote costen ghedaen heeft om te doen translateren Eneidos Vergilij’ (cursivering van mij). Ook als wij aannemen dat het tot het jargon van een dergelijke ‘supplicatie’ behoorde nadruk te leggen op de kosten, die de betrokken drukker zich voor het verkrijgen van de kopy had moeten getroosten, wil dit nog niet zeggen dat de bewuste bewering geen (grond van) waarheid bevat. Maar dan betekent dit, dat het initiatief voor de Aeneis- vertaling niet is uitgegaan van Cornelis van Ghistele zèlf: hij werd ertoe aangezocht! Waarschijnlijk zal het Hans en zijn moeder niet veel moeite hebben gekost de dichter ertoe over te halen hun opdracht te aanvaarden; die lag helemaal in zijn lijn. Het is zelfs mogelijk, dat het plan tot een vertaling in gezamenlijk overleg tot stand is gekomen. Maar wij moeten, naar ik meen, in ieder geval aannemen dat Hans van Liesveldt en zijn moeder er vanaf het allereerste begin bij betrokken zijn geweest en dat Cornelis van Ghistele zonder hun toedoen in plaats van de Aeneis wellicht een ander werk uit de Oudheid zou zijn gaan vertalen.

Ook de haast die met de publikatie werd gemaakt - zodra er een afgerond deel klaar was, volgde onmiddellijk de uitgave daarvan - zou erop kunnen wijzen dat de vertaling in opdracht van de Van Liesveldt's werd gemaakt. De aan Van Ghistele uitbetaalde bedragen zouden immers een groot deel van hun rentabiliteit verliezen, als diens vernederlandste Aeneis geen primeur zou zijn. Vandaar de publikatie van Deerste viere en Deerste sesse boecken, zowel om de volledige uitgave aan te kondigen en er interesse voor te wekken als om andere drukkers ervan af te schrikken óók een vertaling van de Aeneis op de markt te brengen. Het Privilegie beschermde immers wel tegen nadrukken van de eigen uitgave, maar niet tegen publikatie van concurrerende vertalingen door andere auteurs.

Het is Maria Ancxt inderdaad gelukt de eerste te zijn. Daarmee zette zij - op bescheidener schaal, maar toch op waardige wijze - de traditie van haar man voort. Zoals deze de eerste volledige Bijbel in het Nederlands had uitgegeven, zo publiceerde zij de eerste volledige vertaling van de Aeneis, waartoe

[p. 255]

zij met haar zoon het initiatief had genomen. Dat geeft er zowel háár als Hans recht op, in de Nederlandse literatuur-historie náást Cornelis van Ghistele te worden genoemd als inaugurateurs van het Renaissancistische epos in de landstaal.

Het voorwerk

Het voorwerk van Deerste sesse boecken bestaat uit vier stukken, alle vier geschreven door Van Ghistele; de later zo onvermijdelijke liminaria van anderen ontbreken hier nog geheel.

Het eerste van deze stukken is het minst belangrijke. In een 12-regelige referein-strofe verzoekt De Translateur (zoals het opschrift luidt) het publiek dit boek in dank te aanvaarden ‘Van een Antwerpsch goubloemken wt ionsten reyn’ - een verwijzing naar de rederijkerskamer waartoe hij behoorde -, en doet hij verder een uitval tegen ‘zoilus ghebroetsele’ (afgunstige kritikasters).

Van veel meer betekenis is het daarop volgende Totten Lesere, omdat er zo duidelijk uit blijkt dat Van Ghistele bij zijn lezers een vooroordeel moest overwinnen alvorens te kunnen hopen hun belangstelling te wekken voor Vergilius. Van een heidens dichter viel niets goeds te leren, oordeelde het grote publiek, en dus kwam het niet te pas door een vertaling aandacht voor hem te vragen. Van Ghistele verweert zich tegen deze opvatting:

Maer ten eersten weet al ist sake dat Vergilius een Heydens Meester was, dat daerom sijn schriften niet onduechdelijck oft te verachten en sijn, want alle Heydensche Philosophen ende Poeten, al en hebben si gheen kennisse van Christo ghehadt, nochtans haer groote wijsheyt ende verstant hebben si wel laten blijcken...
In hun werk maken zij inderdaad melding van hun heidense gods- en eredienst, maar
daer duere en derf nyemant gheschandaliseert worden, want wy wel weten dat si doen ter tijt, van Christo gheen kennisse en hadden, nochtans beuinden wi dat alle duechdelijcke manieren duer haer gheleert worden, prijsende tgoet, ende straffende het quaet, ghelijck gulsicheyt, ghiericheyt, oncuysheyt, ende soodanighe ghebreken, die een Kersten mensche schuldich is te hatene.
Dat is ook in de Aeneis het geval. Wie ‘dit boecxken’ leest ‘met verstande’, d.w.z. zonder zich te stoten ‘aen der Heydenen Ceremonien’, zal er ‘niet dan duecht ende wijsheyt in beuinden’. Ten bewijze daarvan geeft Van Ghistele voor ‘deerste sesse boecken’ van boek tot boek aan, wat daaruit te leren valt. Ik geef als voorbeeld wat hij opmerkt over boek ii (Aeneas' verhaal over de ondergang van Troje) en boek iv (de liefdesgeschiedenis van Aeneas en Dido):
Int tweede boeck muechdy oock aenmercken dat de gramschap Gods altoos de oorsake is dat men rijcken oft steden siet declineren.
[...]
Int vierde muechdy mercken aen Dido hoe crachtich dat den hittighen brandt der rasender liefden is, ons een exempel, dat een yeghelijc hoe machtich, hoe wijs, oft verstandich, hem daer wel af behoort te wachtene.

[p. 256]

Ten anderen beuinden wy noch hier inne, de groote ghehoorsaemheyt van Aeneas, die God, altoos bouen den mensche onderdanich was.

Na deze zin-duiding zet Van Ghistele uiteen, waarom hij in zijn voorwerk ook een biografie van Vergilius heeft opgenomen. Dat is nodig, omdat volksboeken e.d. een volkomen onjuist beeld van hem hebben getekend en gangbaar gemaakt: ‘Te wetene van Vergilius die in de mande hinck, dwelc een Toouenaer binnen Roomen was’.17

Als derde stuk volgt dan inderdaad Het leuen van Vergilius Maro, ongetwijfeld grotendeels de vertaling van een Vita Maronis die voorkwam in de Latijnse editie van de Aeneis, welke Van Ghistele gebruikte.

Tenslotte is er dan nog een opdracht-gedicht in het Latijn - 56 regels in disticha - aan de Antwerpse koopman Gerard Delius (Deelen?). Daarin treffen ons de beide regels waarin Van Ghistele niet zonder trots over zijn vertaling opmerkt: ‘Een moeilijke onderneming, dat geef ik toe, een onderneming die héél veel inspanning vergde, en die vóór mij niemand nog heeft aangedurfd!’18

De Latijnse bron

Van Ghistele verwijst in zijn vertaling telkens naar de Latijnse tekst. Aan het begin van elk boek citeert hij de beginregels - meestal de eerste vier - in het Latijn. Verder plaatst hij - als regel bij het begin van elke strofe, maar ook wel eens bij een later gedeelte - in margine de eerste woorden of de eerste zin van de Latijnse passus die in de Nederlandse tekst wordt weergegeven. In theorie moet het mogelijk zijn, aan de hand van deze Latijnse citaten vast te stellen, welke editie van de Aeneis Van Ghistele voor zijn vertaling heeft gebruikt. In de praktijk zijn onverwachte moeilijkheden daarbij echter niet uitgesloten, zoals P.J.M. van Alphen heeft ondervonden bij zijn onderzoek naar de bron voor Van Ghistele's Terentius-vertaling, aan de hand van de Latijnse citaten die ook dáár in de marge zijn opgenomen. Het resultaat was bijzonder teleurstellend: ‘Van geen enkele der ons bekende vóór 1555 verschenen uitgaven correspondeert de tekst geheel en al met de fragmenten in margine’. Van Alphen moet dan ook volstaan met een hypothese: ‘Het is natuurlijk mogelijk, dat de vertaler meerdere edities gebruikt heeft, terwijl het lang niet zeker is, dat hij zijn tekst-uittreksels steeds even nauwkeurig heeft gecopieerd’.19

Op grond van Van Alphen's ervaring heb ik gemeend te mogen afzien van een onderzoek naar de Aeneis-editie(s), die Van Ghistele's bron(nen) is (zijn) geweest. In het kader van mijn onderzoek zou trouwens zelfs een positief re-

[p. 257]

sultaat nauwelijks betekenis hebben gehad. Van Ghistele vertaalde immers niet letterlijk, maar bracht ‘de voorstellingsinhoud van het oorspronkelijke’ (Verwey) over in zijn eigen vorm. Veel zinvoller dan een twijfelachtige speurtocht naar de Latijnse tekst waarvan hij uitging, is daarom een karakteristiek van de eigen vorm waarin hij die tekst overbracht.

De ‘eigen vorm’

Van Ghistele bracht de Aeneis over in de vorm, die voor hem als rederijker de vanzelfsprekende was voor een lang gedicht: hij schreef zijn vertaling Baladens wijse. Wij moeten daarbij vooral niet denken aan balladen in de huidige betekenis van het woord! De rederijkers verstonden onder balade niets anders dan strofe: een strofe die zich slechts van de referein-strofe onderscheidt door het ontbreken van een stock-regel. Dat Van Ghistele zijn vertaling Baladens wijse schreef, betekent dus dat hij dit deed in rederijkersstrofen.

Hij koos daarvoor baladen van 15en, d.w.z. strofen van 15 regels, en als rijmschema: abab/bcbc/cdcd/dee.20 Slechts een heel enkele maal wijkt hij daarvan af. Zo is de laatste strofe van Boek i een ‘balade van 19en’ geworden, omdat de dichter aan 15 regels niet genoeg had om tot een bevredigende afsluiting te komen. Omgekeerd telt de laatste strofe van Boek xii - in Die leste sesse boecken - slechts 11 regels, omdat daarin alles gezegd was wat er nog te zeggen viel.

De versregels zijn van ongelijke lengte, maar tellen in het algemeen 11 tot 14 syllaben. Naar beide kanten komen echter incidentele ‘uitschieters’ voor, zowel naar 9 en 10 als naar 15 en 16 syllaben.

 

Cornelis van Ghistele heeft het ongeluk gehad, dat zijn Aeneis-vertaling door Weevers in diens proefschrift als repoussoir is gebruikt om de voortreffelijkheid van Coornhert's Dolinghe van Ulysse des te beter te doen uitkomen. Nu was Coornhert ongetwijfeld een groter dichter dan zijn Antwerpse tijdgenoot, maar de manier waarop Weevers met het werk van de laatste omspringt - hoe begrijpelijk ook in het kader van zijn proefschrift - kan toch niet anders dan eenzijdig en onbillijk worden genoemd. Het lijkt mij hier de juiste plaats om Weevers' bezwaren tegen de ‘eigen vorm’ van Van Ghistele aan een kritisch onderzoek te onderwerpen en waar nodig tot bescheidener proporties terug te brengen. Dat is zeker geen overbodig werk, want die bezwaren zijn bezig in de Nederlandse literatuur-historie tot gemeengoed te worden. Hun invloed is duidelijk merkbaar in wat Van Alphen, in verband met Van Ghistele's Terentius-vertaling, over diens overzetting van Vergilius opmerkt.21 En ik kan mij niet aan de indruk onttrekken, dat zij ook hun sporen achtergelaten hebben in het vrij negatieve oordeel dat Rombauts over Van Ghistele's strofische vertalingen velt.22 In ieder geval sluit Knuvelder bij Weevers aan,

[p. 258]

wanneer hij de indeling in strofen ‘zoals Van Ghistele in zijn vertalingen van klassieke auteurs toepaste’ stelt tegenover ‘het dóórlopend verhalend gedicht’ bij Coornhert.23

Het voornaamste bezwaar van Weevers is, dat de strofen aan de epische gang van de Aeneis te kort doen: ‘Het verhaal wordt daardoor in gelijke stukken ingedeeld, wat de handeling telkens tot stilstand brengt’. Bovendien keurt hij het af, dat ‘het laatste vers meestal (wordt) gevormd door een moraliserende opmerking van de vertaler, op willekeurige wijze in Vergilius' epos ingeschakeld’.24 Ook tegen de twee gepaarde rijmen aan het slot van de strofe heeft hij bedenkingen: ‘Het slotrijm bij van Ghistele is een los toevoegsel’,25 wat betekent dat het de ‘stilstand’ tussen de strofen nog accentueert.

Weevers meet deze bezwaren breed uit, om eraan te demonstreren hoeveel hoger de Dolinghe van Ulysse staat. Coornhert wijst namelijk het gebruik van baladen af en geeft ieder boek weer als een doorlopend gedicht, omdat Homerus dat ook had gedaan. Zodoende is hij inderdaad méér een vernieuwer geweest dan Van Ghistele die zich conformeerde aan het gebruik van zijn eigen tijd. Maar in zijn enthousiasme voor Coornhert verliest Weevers ten aanzien van Van Ghistele enigszins uit het oog, wat hij zelf zo terecht over de vertaaltrant van Renaissancisten en klassicisten naar voren heeft gebracht: namelijk dat het er hun niet om te doen is de oorspronkelijke tekst naar vorm en inhoud zo dicht mogelijk te benaderen.26 Als Coornhert dit op bepaalde punten méér doet dan zijn voorganger, dan mag dit geen reden zijn om de laatste op grond daarvan beneden hem te stellen. Naar de opvattingen van zijn tijd had Van Ghistele er het volste recht toe, voor zijn vertaling zijn eigen vorm te kiezen, hoe anders ook dan die van Vergilius. Bij een vergelijkende evaluatie tussen Coornhert en hem mag dus - historisch gezien - de meerdere of mindere mate van aansluiting bij vorm en verhaaltrant van de oorspronkelijke dichter geen factor zijn die meetelt. Het gaat er slechts om, wie van hen beiden het beste nieuwe gedicht geschreven heeft, d.w.z. de door hem gekozen eigen vorm het meest overtuigend gerealiseerd heeft naar de mogelijkheden en aspecten van die vorm!

Zo gaat Weevers echter niet te werk. Zijn bewondering voor de vertaalvorm van Coornhert brengt hem ertoe die als de enig-goede te beschouwen. Het doorlopend gedicht verdient volgens hem a priori de voorkeur, omdat een indeling in strofen - getuige het resultaat bij Van Ghistele - het verhaal telkens tot stilstand brengt. Dat laatste is echter in zijn algemeenheid eenvoudig niet waar. De strofenvorm leidt tot een ànder soort continuïteit dan in een doorlopend gedicht - een minder strakke, als men wil; men kan echter met evenveel recht zeggen: een meer beweeglijke -, maar continuïteit desalniettemin! Niemand zal willen staande houden, dat in de Orlando furioso of in de epen van Tasso, Camões en Spenser het verhaal na elke strofe voor een ogenblik tot stilstand komt! Op zijn eigen wijze zet het zich onverstoord en onverstoorbaar van strofe tot strofe voort, waarbij de soepele variabiliteit van aaneenschakeling er een bijzondere charme aan toevoegt, die in een doorlopend

[p. 259]

gedicht niet realiseerbaar is. Als dus Weevers gelijk zou hebben en bij Van Ghistele het verhaal telkens stokt, dan is dit niet een onvermijdelijk gevolg van de door deze gekozen vorm, maar moet het worden toegeschreven aan de beperktheid van diens dichterschap. Dat dichterschap is inderdaad beperkt - zeker in vergelijking met dat van Tasso, Camões en Spenser! -, maar toch niet zó of ook Van Ghistele weet in het algemeen wel degelijk een alleszins bevredigende ‘strofische continuïteit’ in zijn werk te brengen. Dat blijkt naar mijn mening overtuigend genoeg uit het fragment, dat verderop in deze paragraaf ter kennismaking met zijn vertaling is opgenomen,27 om hier van een bewijsvoering te kunnen afzien.

Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor de moraliserende opmerkingen - sententiae - die in de laatste regel van de strofe ‘meestal’ zouden voorkomen en ‘op willekeurige wijze in Vergilius' epos ingeschakeld’ worden genoemd. Om te beginnen behoort de voorliefde voor sententies tot de geest van de tijd en werkt de strofe-vorm de aanwending daarvan in de hand; ook bij Tasso en andere epici van naam treft men deze vorm van strofe-afsluiting geregeld aan. Van Ghistele doet dus niets anders dan wat gebruikelijk is bij, en in zekere zin deel uitmaakt van, de vorm die hij voor zijn vertaling koos. In de tweede plaats is het niet juist, dat zijn strofen ‘meestal’ met een sententie worden afgesloten, en evenmin dat deze dan ‘op willekeurige wijze’ zou zijn ingelast. Van Ghistele maakt graag van sententieuse generalisaties gebruik, maar hij doet dit slechts als zijn verhaal hem daartoe ongezocht een mogelijkheid biedt en er dus niet wezenlijk door wordt onderbroken. De sententie is dan enkel een kort ogenblik van bezinning, dat voortvloeit uit wat er zo juist is verteld en daarvan deel uitmaakt door het te helpen typeren, maar dat verder geen enkele invloed heeft op de gang van het verhaal. De eerste regel van de volgende strofe zou niet anders hebben geluid, als de sententie achterwege was gebleven. Ook hiervoor vindt men voldoende bewijs in het fragment, dat in de vorige alinea werd aangekondigd.

Mijn verhaal dreigt, om met Multatuli te spreken, eentonig te worden. Want ook ten aanzien van het gepaarde rijm, waarmee Van Ghistele zijn strofe besluit en dat Weevers als ‘een los toevoegsel’ afkeurt, valt weer hetzelfde op te merken. De ottava rima van Tasso (ab/ab/ab/cc) vertoont precies hetzelfde verschijnsel, zonder dat dit het ontstaan van een meesterwerk in de weg heeft gestaan! Bovendien is het niet zó, dat de beide slotregels bij Van Ghistele altijd geïsoleerd staan; dat is eigenlijk slechts het geval wanneer zij sàmen een sententie vormen. Anders loopt het verhaal - vaak ook: de zin - gewoon van de dertiende naar de veertiende regel door. Opnieuw verwijs ik voor bewijsplaatsen naar het zo aanstonds volgende fragment.

Weevers had aan een dichter uit de 16de eeuw niet op deze wijze de vorm mogen verwijten, die deze voor zijn vertaling koos en die in dit geval de vorm was van diens tijd. Zijn kritiek had zich moeten beperken tot de manier, waarop Van Ghistele die vorm hanteerde en er al dan niet een goed gedicht van wist te maken.

Overigens blijkt Weevers ook op dit laatste punt wel bezwaren tegen de Antwerpse rederijker te hebben. Zo constateert hij, dat in vergelijking met Coornhert bij hem ‘een heel ander (en slapper) rythme te vinden is; sommige verzen

[p. 260]

zijn zelfs zo verwaterd, dat ze eigenlijk geen rythme hebben’.28 In vergelijking met Coornhert moge dit juist zijn, als verwijt aan Van Ghistele mag het niet gelden. Diens vers doet ritmisch niet onder voor dat van zijn rederijkerstijdgenoten. En ik zou daar nog aan willen toevoegen, dat ik onder het lezen geen last van de slapheid of het ontbreken van zijn ritme heb gehad. Er zit in Van Ghistele's strofen wel degelijk een ritmische gang, die men gaat aanvoelen zodra men zijn aandacht niet op afzonderlijke regels, maar op het geheel van een strofe of van een passus richt. Dan blijkt telkens, dat de zwakke(re) regels worden meegevoerd in de vaart van de totaliteit.

Ook de ‘stoplappen’ bij Van Ghistele zijn voor Weevers stenen des aanstoots. Hij citeert tien regels uit de allereerste strofe van diens vertaling, met cursivering van de toevoegingen ter wille van het rijm, en concludeert dan:

Zulke stoplappen zijn niet anders te verklaren dan uit gebrek aan rijmtechniek. [...] Telkens brengt de aanhef van het vers de vertaling een stapje verder, waarna een stoplap volgt om voor 't rijm te zorgen. Van Ghistele is veel onbeholpener dan Coornhert.29

Coornhert' superioriteit als dichter trek ik niet in twijfel. Maar mogen wij Van Ghistele's rijmtechniek daarom ‘onbeholpen’ noemen? Voor een antwoord dienen wij de bewuste regels nader te bezien. Ik laat ze hier volgen naar de druk van 1556 - Weevers citeert de uitgave van 1609, die enigszins gemoderniseerd is -, met behoud van de cursiveringen die daarin ter wille van de kritiek werden aangebracht:

 
De feyten van oorloghen sal ick nv verhalen
 
Vanden vromen man: die door gods bestieren
 
Alder eerst verlatende de Troyssche palen
 
Quam in Italien met cloecke manieren.
5
En die veel lijdens (sonder eenich versieren)
 
Door de wreede Junoos haet te water te lande
 
Pijnlijc besuert heeft / en door des crijchs hantieren
 
Oock vele gheleden, als de Valiande
 
Eer hi cost opghehouden30 met subtijlen verstande
10
In Lauinien de eerste stadt onsachte [.]

Weevers spreekt in dit verband van ‘dwaze’ rijmen. Dwaas zijn de hier gecursiveerde vulsels - al staan zijn ongetwijfeld allereerst in dienst van het rijm - echter niet. Ze zijn, althans naar onze opvatting, overbodig, maar laten zich overigens zonder moeite zinvol in de tekst integreren. Reg. 4: ‘met cloecke manieren’ = met (dank zij) schrander beleid; reg. 5: ‘sonder eenich versieren’ = zonder dat ik er iets bij verzin, zonder overdrijving; reg. 7: ‘door des crijchs hantieren’ = door het voeren van oorlog; reg. 8: ‘als de Valiande’ = op de wijze van helden, als een held; reg. 9: ‘met subtijlen verstande’ = met scherpzinnig oordeel, met wijs overleg; reg. 10: ‘onsachte’ (adverbium bij ‘cost opghehouden’) = moeizaam, ondanks voortdurende tegenslagen.

Wanneer wij als moderne lezers door de overbodigheid van dergelijke ‘stoplappen’ worden gehinderd, mogen wij dus niet uit het oog verliezen dat zij, afgezien van hun betekenis voor het rijm - zij komen trouwens niet

[p. 261]

alléén in rijmpositie voor -, wel degelijk ook in ander opzicht in meerdere of mindere mate functioneel zijn of althans kùnnen zijn. Er wordt iets door tot uitdrukking gebracht: een nadruk, een modaliteit, een persoonlijke betrokkenheid, een typering. Ook valt het op, dat zij in vrij sterke mate stereotiep zijn; met kleine variaties keren telkens weer dezelfde uitdrukkingen terug, zoals in reg. 4 en 9 van het citaat hierboven. Helaas weten wij nog steeds te weinig omtrent de poëtische opvattingen van de rederijkers om met enige zekerheid te kunnen zeggen, hoe zij op dit alles reageerden. Aanvaardden zij dergelijke ‘stoplappen’ graag ter wille van de winst aan klank, met name in het rijm? Hadden zij bewondering voor de virtuositeit waarmee een dichter er voor dit doel gebruik van wist te maken, zonder dat de functionaliteit binnen de zin daarbij geheel verloren ging? Waardeerden zij het telkens terugkeren van stereotiepe vulsels, zoals de Grieken het de epitheta ornantia bij Homerus deden? De frequentie van het verschijnsel is groot genoeg om een dergelijke veronderstelling aannemelijk te maken. Zolang wij omtrent dit alles niet méér weten, dienen wij voorzichtig te zijn met de qualificatie onbeholpen bij iemand als Van Ghistele. Alleen wanneer het gebruik van z.g. stoplappen tot onmiskenbare ongerijmdheden in de tekst leidt, mogen wij tot onmacht van de dichter concluderen. Waar dit niet het geval is, beschikken wij ten aanzien van rhetoricale ‘stoplappen’ over geen ander criterium dan de meerdere of mindere vaardigheid waarmee de dichter ze effectief en functioneel wist aan te wenden, zowel wat de klank (het rijm) als de zin (toon en sfeer) van zijn vers betreft.

Ook met betrekking tot het ritme en de stoplappen is Weevers dus onbillijk tegenover Van Ghistele geweest, doordat hij diens vertaling van de Aeneis niet naar haar eigen verdiensten en tekortkomingen beoordeelt, maar ze de norm aanlegt van de vormgeving bij Coornhert, die in de Dolinghe van Ulysse uitging van geheel andere principes. De beide vertalingen zijn ongelijksoortig. En ongelijksoortige grootheden kunnen wel met elkaar vergeleken worden, maar niet aan elkaar getoetst.

Intussen hebben de bovenstaande opmerkingen over ritmiek en vulsels bij Van Ghistele ons al gebracht in het grensgebied tussen diens ‘eigen vorm’ en zijn manier van vertalen. Het wordt tijd, dat wij nu ook die laatste wat nader bezien. Eerst daarna kunnen wij trachten op grond van onze bevindingen tot een voorzichtige evaluatie te komen.

De manier van vertalen

Van Ghistele's manier van vertalen kan, dunkt mij, het best worden gekarakteriseerd als vertalend navertellen. Hij gaat ongeveer op dezelfde manier te werk als een moeder die haar kinderen een verhaal uit een vreemde taal ‘voorleest’. Zij heeft de originele tekst vóór zich, op schoot, en volgt die van regel tot regel met de ogen. Maar zij geeft de gebeurtenissen weer in haar eigen woorden en soms ook naar haar eigen interpretatie. Zij laat details vervallen die naar haar mening van geen belang zijn, buigt bewust of onbewust hier en daar de bedoeling van de auteur wat om, werkt bijzonderheden uit die haar getroffen hebben of verzint er nieuwe, vereenvoudigt of laat weg wat zij voor haar kinderen te moeilijk vindt en misschien zelf ook niet helemaal begrijpt. Het doet er allemaal niets toe, zolang de grote lijn van het verhaal bewaard blijft en de kinderen die kunnen volgen. Aarzelingen of verbeteringen van de vertelster zouden de gewekte spanning verstoren. Daarom gaat zij

[p. 262]

unverfroren door, heenglijdend over alles wat tot onderbreking zou leiden, met als enig doel: het overbrengen van de charme van het verhaal, zoals zij die onder het vertellen aanvoelt, op haar kinderen.

Natuurlijk mogen wij de vergelijking niet te ver doorvoeren. Van Ghistele schrijft een tekst die hij wil publiceren, en hij schrijft die bovendien in verzen. Maar hij heeft met de vertellende moeder gemeen, dat ook hij aarzelingen en verbeteringen zoveel mogelijk dient te vermijden. Hij heeft haast, zowel omdat zijn uitgever op spoed aandringt als omdat hij zoveel ander werk te doen heeft - hij was tenslotte factor van De Goudbloem - en nog zoveel andere plannen koestert. Om niet hopeloos met dit alles vast te lopen, moet hij onder hoogspanning aan zijn vertaling werken, zonder bij moeilijke passages veel meer te kunnen doen dan de Gordiaanse knopen doorhakken. Evenals de bewuste moeder dient hij bovendien steeds te zorgen voor voldoende duidelijkheid en begrijpelijkheid, door in te grijpen waar dit met het oog op zijn publiek wenselijk lijkt. Als wij zijn tekst met die van Vergilius vergelijken,31 blijkt telkens weer dat hij inderdaad op de geschetste manier heeft gewerkt. Ik noteerde gevallen van: onnauwkeurige weergave van een passus waardoor een detail min of meer in de lucht komt te hangen; weglating van ter plaatse indifferente bijzonderheden; samenvattende of uitbreidende omschrijvingen; toelichtende toevoegingen; vermijding van de periphrase ter aanduiding van personen, door directe vermelding van hun naam (dus: ‘Achilles’ in plaats van ‘de zoon van Peleus’); merkwaardige interpretaties; kennelijke fouten of vergissingen bij de vertaling; verbeteringen van de voorstelling van zaken bij Vergilius; onduidelijkheid in moeilijke passages (waarbij de dichter het blijkbaar de gemakkelijkste oplossing vindt er zo vlug en onopvallend mogelijk overheen te glijden). - Maar evenals bij de vertellende moeder is ook bij Van Ghistele dit alles tenslotte bijkomstig. Het grote punt is, dat het verhaal loopt, dat de gang van de gebeurtenissen zonder moeite te volgen is, en het geheel de aandacht voortdurend gespannen houdt.

Ter adstructie van de bovenstaande typering laat ik een vijftal strofen volgen, zonder enige onderlinge samenhang, maar die telkens een of meer van de genoemde aspecten illustreren. Bij de keuze van dit vijftal heb ik mij laten leiden door wat ik als de meest kenmerkende of meest merkwaardige specimina van Van Ghistele's vertaal-trant beschouw.

1. onnauwkeurige weergave van een passage, waardoor een detail in de lucht komt te hangen.

Het gaat hier om Aeneis i, 157-169. Na de hevige storm, die hun vloot geteisterd heeft, komen Aeneas en de zijnen in Libië terecht en vinden daar een veilige ankerplaats. Een langwerpig eiland, dat dwars voor de kust ligt, maakt van de daarachter liggende inham een natuurlijke haven, door hoge rotsen tegen het geweld van de wind beschermd. Van Ghistele beschrijft die plaats als volgt:

 
Aeneas volck / vermoeyt / duer desen tempeeste /
 
Ghinghen ten naesten lande haer schepen stieren /
 
Daer elc na haecte / minste en meeste:
 
Soo dat si quamen aen Libiens frontieren /
[p. 263]
5
Daer een plaetse was bequaem van manieren
 
Comende aen dzee met twee hoecken en sijen /
 
Een eylant / daer de schepen laghen vry van schoffieren
 
En daer de zee huer cracht benomen wert tallen tijen [.]
 
Twee hooge steenrootsen die elc schip mocht mijen
10
Waren daer ontrent: qualijck mochter comen oock
 
Eenighe fellen wint / duer alsulcke bevrijen.
 
Een doncker bosch stont daer thaerder vromen oock
 
Ende tsout water wasser wech ghenomen / oock:
 
Tscheen der Zee Goddinnen plaetse / fray van faetsoene
15
Daermen cabels of anckers / nau en had van doene [.]
 
(fol. V vo,str.2)32

De regels 6 en 7a zijn weinig duidelijk, al valt uit reg. 8 wel zo ongeveer af te leiden wat er bedoeld wordt. Maar reg. 13 en 14 hangen volkomen in de lucht. Bij Van Ghistele kan men slechts opmaken, dat de inham zelf zoet water zou bevatten. Dat komt doordat hij Aen. I,166 onvertaald heeft gelaten: ‘Fronte sub adversa scopulis pendentibus antrum’; het zoet water bevindt zich in een grot, en het is ook die grot - niet de inham! - welke ‘der Zee Goddinnen plaetse’ is. Daarentegen vertaalt Van Ghistele in reg. 15 uitstekend Aen. I,168b-169: ‘Hic fessas non vincula naves // Ulla tenent, unco non alligat ancora morsu’.

2. weglating van ter plaatse indifferente bijzonderheden.

Aeneis I,180-191: Terwijl zijn manschappen na de landing vuur maken en een maaltijd bereiden, klimt Aeneas op een rots om uit te kijken naar de schepen die nog vermist worden. Maar de zee is leeg van alles wat op schepen lijkt. Landinwaarts ontdekt hij echter een aantal herten die hij, ter aanvulling van de ernstig geslonken mondvoorraad, dodelijk weet te treffen met de boog, die zijn vriend en wapendrager Achates hem nagedragen heeft.

 
Aeneas te wijle dat dit gheschiende was /
 
(Altoos sorchfuldich) op een hooge steenrootse clam:
 
Daer hi de zee / breet / en wijt / ouersiende / was /
 
Offer yemant / of yet meer / noch ghedreuen quam
5
Van de sijne / maer luttel hi vernam /
 
Dan33 drie groote Herten sach hi gaen weyen
 
Ontrint den oeuer der Zee / seer mack / en tam:
 
En noch vele horen beesten ontrent dier valeyen
 
Van achter volchden / dies hi sonder beyen
10
Heeft rasschelijck boghe / en pijl ghegrepen /
 
Die Achates hem na droech in alle contreyen:
 
Ten eersten heeft hi die drie herten ghenepen /
 
Die groot waren / en met hooge hoornen geschepen /
 
Daer nae den anderen hoop hi oock verstoort heeft
15
En met sinen boge gewracht een groote moort heeft [.]
 
(fol. VI ro, str.2)

Vergilius geeft in vs.181b-183 een opsomming van de schepen, waarnaar Aeneas vergeefs uitkijkt. Van Ghistele laat dit weg: waar het op aankomt, is

[p. 264]

dat Aeneas niets ziet, en daar houdt de dichter het bij; zijn understatement ‘luttel’ voor ‘niets’ onderstreept het hopeloze van dit uitzien over ‘de zee / breet / en wijt’. De herten zijn positief en daarom belangrijker!

3. toevoeging van een regel uit Ovidius.

Aeneis II,799-804 (slot van het tweede boek): Aeneas vertelt hoe in de nacht van Troje's ondergang tal van vluchtelingen zich bij hem en de zijnen komen voegen in de voorlopige schuilplaats die hij buiten de stad heeft weten te vinden. ‘Sy’ in reg. 1 van de strofe slaat op die vluchtelingen.

 
Sy quamen van alle canten met groot geruchte
 
En met lijf / en goede / sijnde bereet
 
Om met my te nemene de vluchte
 
Tsy in wat landen / ouer dzee wijt / en breet.
5
Als nv de sonne op alle berghen heet
 
Begonst te schijnen / en de morgensterre claer
 
Hadde haer verthoont met blijckelijck bescheet:
 
En der Griecken macht ons ane iaechde den vaer
 
Houwende de poorten ghesloten daer
10
Datter nyemant meer / en mocht wt / oft inne /
 
Ende dat ons geenen bystant meer en volchde naer:
 
Soo ben ick gheweken ten eersten beghinne
 
Op den hooghen berch Ida met mijnen gesinne34 /
 
Nemende op mijnen hals / mijnen ouden vadere /
15
My weerdiger / dan al tgoet van Troien te gadere.
 
(fol.XLII vo, enige strofe)

De laatste regel is, zoals in de marge uitdrukkelijk vermeld wordt, ontleend aan Ovidius. Zij is een vrije verwerking van wat deze (Metamorphoses XIII,626) opmerkt naar aanleiding van het feit dat Aeneas zijn oude vader op de schouders neemt om hem in veiligheid te brengen: ‘De tantis opibus praedam pius eligit illam’ = uit zoveel schatten (nl. de door de vluchtelingen meegebrachte kostbaarheden) kiest hij zich liefdevol dèze buit. Door deze regel in margine te citeren geeft Van Ghistele duidelijk aan, dat hier geen toeval in het spel is. Hij is blijkbaar zozeer door de daarin vervatte gedachte getroffen, dat hij niet kan nalaten er het verhaal van Vergilius mee te verrijken. - Verder valt over deze strofe nog op te merken, dat in reg. 1 ‘met groot geruchte’ een eigen toevoeging is, die bij vluchtelingen echter minder gelukkig moet heten. Ook reg. 5-7 geven het Latijn - ‘Jamque jugis summae surgebat Lucifer Idae // Ducebatque diem’ (vs.801-802a) - niet goed weer. Er is daar sprake van de morgenster, die de dag aankondigt nog vóórdat de zon is opgegaan. Van Ghistele noemt óók de zon, wat op zichzelf niet zo erg zou zijn geweest, als hij die maar niet volop had laten schijnen (reg. 5-6a) alvorens de morgenster te vermelden!

4. merkwaardigheden in een moeilijke passage.

Aeneis IV,683b-705 (slot van het vierde boek): Dido heeft zich na het vertrek van Aeneas doorstoken met het zwaard dat hij haar ten geschenke gegeven had. De leden van haar hofhouding vinden haar stervend, haar zuster Anna komt weeklagend aanlopen. Wat er verder gebeurt, geeft Van Ghistele als volgt weer (in de eerste regels is Anna aan het woord):

[p. 265]
 
Brengt my water ghi dienstmaechden terstont
 
Op dat icke haer wonde bloedich
 
Mach suyueren / en reynigen / en met mijnen mont
 
Sal ick gaen ondersoecken vroedich
5
(Om haer leuen te sine behoedlich)
 
Oft noch adem int lichaem is. aldus is ghecomen
 
Anna by haer suster seer mismoedich
 
En heeft haer (half doot) op haren schoot genomen
 
Swaerlijc versuchtende / met hertswerich scromen
10
Af vaghende dbloet met haren cleeren.
 
Dido aldus ligghende vol onvromen
 
Qualijck cost si haer oogen na den hemel keeren [.]
 
De dootlijcke wonde / een groot verseeren /
 
Was haer nopende / en eylaes seer pijnlijck
15
So dat dlicht wten ooghen was verdwijnlijck.
 
 
 
Driemaels rechte si haer op / ende daer na sloech
 
Haer ooghen noch eens ten hemel claer
 
Het leste suchten suchtende noyt meerder ongeuoech.
 
Juno aenmerckende haer pijne swaer
20
Ende dat het leuen wt den lichaem voorwaer
 
Qualijck cost ghescheyden / creech medelijden.
 
En heeft ghesonden wt den hemel tot haer
 
Irim heur dienersse om een beurijden.
 
De leden sachmen teghen de doot strijden
25
Want de natuere noch niet en was gheinclineert
 
Tot steruene / haer iaren sulcx noch benijden:
 
Voor haren dach steruende / gheinflammeert
 
Met een hittighe wreetheyt diet al mineert /
 
De oude moeten steruen / naer elcx propoost
30
Maer de ioncheyt dicwils sijn leuen verroeckeloost.
 
(fol.LXXXII vo,str.2, en
 
LXXXIII ro, enige strofe)

Een merkwaardige interpretatie vindt men in reg. 3b-6a. Bij Vergilius (vs.684b-685a) zegt Anna, dat zij de laatste adem van haar zuster met haar eigen mond wil opvangen: ‘extremus si quis super halitus errat, // Ore legam’. Van Ghistele vindt dit blijkbaar een moeilijk aanvaardbare voorstelling van zaken voor zijn lezers, die niet weten dat het bij de Romeinen gewoonte was de laatste adem van een geliefde stervende op deze manier op te vangen. Daarom brengt hij een wijziging aan en stelt het voor, alsof Anna haar mond op die van Dido wil drukken om na te gaan, ‘Oft noch adem int lichaem is’. Eveneens met het oog op zijn lezers, of omdat hij zelf het Latijn niet goed begreep, heeft hij vs.689b van Vergilius - ‘infixum stridit sub pectore vulnus’ = de aangebrachte wonde maakte een sissend geluid [nl. door het ontsnappende bloed] onder de borst - omschreven: reg. 13-15, niet onjuist, maar wel wat verwaterd. - In de tweede strofe zijn eveneens ingrijpende wijzigingen aangebracht. Bij Vergilius is het moeizame sterven van Dido een gevolg van haar ontijdige, niet door het lot bepaalde, maar door zelfmoord veroorzaakte dood. Proserpina kan daarom ‘geen recht op haar doen gelden, vóórdat de stervende een haarlok is afgesneden; eerst door deze symboliese handeling wordt zij aan de onderwereld gewijd en kan zij sterven’.35 Juno zendt Iris om dat te doen.

[p. 266]

Van Chistele laat zowel haarlok als wijding weg, ongetwijfeld als te moeilijk om door zijn lezers, en misschien ook door hemzelf, begrepen te kunnen worden. Bij hem zendt Juno Iris met een veel vager geformuleerde opdracht: ‘om een beurijden’ (reg. 23). En dan verklaart hij de noodzaak daartoe uit het feit dat Dido door haar zelfmoordpoging haar lichaam een wreedheid heeft aangedaan, die dat lichaam niet aanvaarden wil: ‘Want de natuere noch niet en was gheinclineert // Tot steruene’ (reg. 25-26a). - Reg. 29-30 brengen als conclusie een sententie, die echter niet onmiddellijk uit Dido's moeizame sterven voortvloeit en daarom de strofe eerder verzwakt dan versterkt.

5. een afwijkende voorstelling van Dido in de onderwereld.

Aen. VI,465-474. Het gaat hier om de plaats, die ik in de vorige paragraaf al even vermeld heb als voorbeeld van een door Van Ghistele aangebrachte ‘verbetering’ in de tekst van Vergilius.36 Op zijn tocht door de onderwereld ontmoet Aeneas ook de schim van Dido. Hij wordt door haar aanblik ontroerd en probeert haar ervan te overtuigen, dat hij haar slechts verlaten heeft op goddelijk bevel, en niet uit gebrek aan liefde. Zij moet niet vol afschuw van hem wegvluchten:

 
Blijft staende / wijct niet wt mijnen oogen noch:
 
Waerom vliedy van mi [?] dits de leste ure
 
Dat ick v sal spreken / duer Gods gedoogen noch.
 
Aeneas die heeft huer herte hier duere
5
Gelaeft, nochtans sach si hem ane met oogen stuere /
 
En de tranen liepen ouer de wanghen
 
Houwende huer gesichte als een droeue creatuere
 
Nederwaert ter eerden / met drucke beuanghen.
 
Si bleef stil staen / met grooter pranghen /
10
Al hoorde si dees woorden hem spreken ongelaect
 
Daer om niet en verruerde / maer duer tverstrangen
 
Stont ghelijc een beelt van hout / of van steen gemaect /
 
Ten lesten is si van hem duer een bosch ghebraect
 
Daer Sicheus haer eerste man / met lijden beuaen /
15
Haer liefde weder / duer sijn liefde heeft ontfaen.
 
(fol.CXXVIII vo,str.2)

In reg. 4-7 geeft Van Ghistele vs.468 van Vergilius weer: ‘Lenibat dictis animum lacrimasque ciebat’. De werkwoordsvormen moeten hier in tentatieve zin worden begrepen: ‘trachtte haar gemoed te verzachten’ en ‘trachtte haar tranen op te wekken’, in beide gevallen zonder dat dit gelukt. Van Ghistele laat het tentatieve vervallen. Bij hem ontroeren Aeneas' woorden Dido inderdaad en doen haar goed: haar hart wordt erdoor ‘gelaeft’. Ook stromen de tranen haar over de wangen, en is het uit verdriet dat zij het hoofd laat hangen (bij Vergilius houdt zij hardnekkig haar ogen van Aeneas afgewend). Wel blijft zij evenals in de oorspronkelijke tekst onbeweeglijk staan als een houten of stenen beeld, maar - en dat is het verschil met Vergilius - ‘met grooter pranghen’: met diepe smart. Van Ghistele laat dus bij Dido de gevoelens voor Aeneas nog sterk genoeg zijn om haar tot tranen te bewegen en even onzeker te maken; maar dan wint haar verbolgenheid het toch van haar liefde, en vlucht zij het bos in.

[p. 267]

Men zou kunnen aanvoeren, dat hier geen sprake is van een ‘verbetering’, maar slechts van een vertaalfout. Van Ghistele heeft, zo valt er te betogen, de tentatieve betekenis van de beide imperfecta uit vs.468 niet begrepen. Hij vertaalde ze als weergave van feitelijke gebeurtenissen, en raakte daardoor op een dwaalspoor dat hem onvermijdelijk naar een onjuiste voorstelling van zaken voerde. - Het is inderdaad niet helemaal uitgesloten, dat de reactie van Dido's schim bij Van Ghistele op een misverstaan van de Latijnse tekst berust; het tegendeel laat zich in ieder geval niet afdoende bewijzen. Naar mijn mening verdient evenwel mijn hypothese van een bewust aangebrachte wijziging de voorkeur. Van Ghistele beheerste immers het Latijn goed, zo goed zelfs dat hij er verzen in kon schrijven. Bovendien had hij voor zijn vertaling de steun van de scholia in de door hem gebruikte editie van de Aeneis. Met elkaar maken deze twee feiten het toch wel waarschijnlijk, dat hij de tekst van Vergilius op de juiste manier heeft begrepen. En het ligt helemaal in de lijn van Van Ghistele om de situatie uit het origineel door een andere te vervangen, als zij hem niet beviel. Wij zagen hem in de sub 4 besproken strofen hetzelfde doen ten aanzien van het opvangen van Dido's laatste adem door Anna. Ten overvloede geef ik er nog een sprekend voorbeeld van, in een passus waar het Latijn geen enkele moeilijkheid biedt en de wijziging onmogelijk aan foutief vertalen kan worden toegeschreven.

Als in Boek i Aeneas, na zijn landing op de Libische kust, met Achates een verkenningstocht maakt, ontmoet hij zijn moeder Venus in de gedaante van een jageres aan wie hij inlichtingen vraagt omtrent het land waar hij zich bevindt. Van zijn kant vertelt hij haar, tot welk volk zijn metgezel en hij behoren. Bij Vergilius doet hij dit met de woorden: ‘Ons, afkomstig uit het oude Troje, als gij misschien wel eens van Troje gehoord hebt, heeft een storm op de Libische kust geworpen’.37 Van Ghistele heeft dit kennelijk ongeloofwaardig gevonden; Troje en de Trojaanse oorlog waren te bekend dan dat iemand er nooit van gehoord zou kunnen hebben! Daarom laat hij Aeneas antwoorden:

 
Wy sijn van de oude Troia een ouergebleuen bende /
 
Van welcke Troia als de wel bekende
 
Ghi eertijts (denck ick wel) hebt genoech gehoort [.]
 
(fol.XI vo, str.2, reg.8-10)

Die leste sesse boecken

In het bovenstaande heb ik al mijn voorbeelden ontleend aan de eerste helft van Van Ghistele's vertaling, die de meest bekende episoden uit de Aeneis bevat. Maar alle verschijnselen en eigenaardigheden, die daar op te merken vielen, vinden wij precies zo in het tweede deel terug. Ook in Die leste sesse boecken past Van Ghistele een vertalend navertellen toe, waarbij hij zich nogal wat vrijheden veroorlooft, maar toch de gang en de zin van het verhaal goed weet over te brengen. Er vallen een aantal onduidelijkheden en afwijkingen - soms kennelijk: onjuistheden - te signaleren, maar na wat wij hierboven al hebben geconstateerd heeft het geen zin daarop nog uitvoerig in te gaan. Ik volsta dan ook met een korte vermelding van wat mij het méést is opgevallen. Zo is Van Ghistele weinig gelukkig geweest in de beschrijving van het schild, dat Venus door Vulcanus voor Aeneas heeft laten smeden en waarop de hoogtepunten uit de geschiedenis van het latere Rome staan afge-

[p. 268]

beeld (Aen. VIII,626-728).38 Verder kan ik mij niet aan de indruk onttrekken, dat hij zich in de laatste helft van zijn vertaling een grotere vrijheid ten opzichte van de Latijnse tekst veroorlooft dan in Deerste sesse boecken; d.w.z. dat hij met meer vrijmoedigheid in eigen woorden navertelt en uitbreidingen invoegt dan hij dáár deed. In het algemeen trouwens schijnt hij, naarmate het einde in zicht kwam, wat haastiger en slordiger te hebben gewerkt. Het kan nauwelijks toeval zijn, dat de grote slot-episode van het epos - het tweegevecht tussen Aeneas en Turnus, dat uitloopt op de dood van de laatste - bij Van Ghistele zoveel onnodige uitbreidingen, geforceerde vulsels en zwakke constructies bevat, ja dat zelfs eenmaal hetzelfde rijmwoord reeds na twee regels opnieuw wordt gebruikt.39 Dit alles is echter - ik herhaal het - niet meer dan een vrij hardnekkige indruk. Alvorens als juist te worden aanvaard, zou deze moeten worden bevestigd door een systematischer onderzoek naar de aard van Van Ghistele's werk dan in het kader van mijn verkennende overzicht mogelijk was. Intussen meen ik wèl reeds te mogen vaststellen, dat Die leste sesse boecken in geen enkel opzicht op een hoger peil staan dan Deerste sesse; veeleer is het tegendeel het geval.

Proeve van een dóórlopend fragment

Uit de hierboven geciteerde strofen heeft men zich, behalve van Van Ghistele's manier van vertalen, ook reeds enige voorstelling kunnen vormen van zijn dicht-trant. Maar helemaal tot zijn recht is die laatste in de bewuste citaten toch niet gekomen; zij waren te veel uit hun context losgemaakt dan dat de continuïteit en de vaart van het verhaal zich konden doen gelden. En juist in die continuïteit en die vaart ligt naar mijn mening de voornaamste poëtische verdienste van Van Ghistele. Meestal slaagt hij erin een strofische continuïteit40 te realiseren, die de aandacht van de lezer gespannen houdt en hem de zwakkere regels of strofen doet vergeten vanwege de eind-indruk die door het geheel bij hem wordt gewekt.

Daarom beschouw ik het als ‘een daad van eenvoudige rechtvaardigheid’ tegenover Van Ghistele, een dóórlopend fragment uit zijn vertaling op te nemen dat van deze plus-punten althans een indruk geeft. Ik koos daartoe een fragment, dat ik als een van zijn meest geslaagde episoden beschouw. Een dichter heeft er recht op, in de eerste plaats beoordeeld te worden naar zijn beste momenten en niet naar de zwakkere, al mogen die bij de evaluatie van zijn werk uiteraard niet buiten beschouwing worden gelaten.

Het gaat om de episode uit Aeneis IV, vs.129-205. Dido organiseert ter ere van Aeneas een jachtpartij, die door een plotseling noodweer verstoord wordt. De jachtgenoten zoeken elk voor zich beschutting tegen de hagel- en regenvlagen, waarbij Dido en Aeneas van de anderen geïsoleerd raken en samen alleen in een grot terecht komen. Daar vindt dan hun lichamelijk samenzijn plaats, dat door Dido als een huwelijk beschouwd wordt. Vanaf dat ogenblik komt zij er openlijk voor uit, dat Aeneas bij haar de plaats van echtgenoot inneemt. De Faam haast zich het nieuws van deze liefdesverhouding overal in stad en land bekend te maken. Zo hoort ook Iarbas ervan, de koning van de Maxitani, die onder bedreiging met oorlog Dido ten huwelijk had gevraagd

[p. 269]

en zich nu als haar verloofde beschouwt. In dolle woede wendt deze zich tot Jupiter, wiens zoon hij is en die door hem en zijn volk daarom heel in het bijzonder vereerd wordt, om diens interventie in te roepen.

Ik geef het fragment precies zoals het in de uitgave van 1556 staat. Alleen heb ik - evenals in de hierboven geciteerde strofen - de abbreviaturen opgelost, en hier en daar tussen vierkante haken een lees- of rustteken ingelast, als het ontbreken daarvan de lezing zodanig bemoeilijkt dat aan een zetfout mag worden gedacht. Van woordverklaring heb ik mij onthouden, om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de situatie van de 16de-eeuwse lezer. Want de moeilijkheden in het vers van Van Ghistele moeten goeddeels ook voor zijn tijdgenoten hebben gegolden. Vooral in het rijm gebruikt hij nogal eens een woord, dat hij daar niet naar de gewone betekenis verstaan wil zien, maar in een naar de behoefte van de context omgebogen en vaak enigszins geforceerde zin; hij rekent erop, dat zijn lezers goede verstaanders zijn die zich door het verband zullen laten leiden. Wat de ‘vulsels’ betreft - ik geef aan dit woord de voorkeur boven het peioratieve ‘stoplappen’ -, deze laten zich, zoals ik hierboven heb betoogd,41 meestal wel op de een of andere manier als functioneel in het zinsverband verklaren. Maar lang niet altijd even gemakkelijk als in de tien regels uit de aanvangsstrofe, die daar aan de orde waren! De betekenis is vaak zó ephemeer en zó weinig op een bepaald woord of zinsdeel betrokken, dat elke precisering er een te sterke nadruk aan verleent en het effect te veel rationaliseert. Vulsels moeten - afgezien van hun waarde voor de klank van het vers - niet worden ‘begrepen’, maar onder het lezen éven aangevoeld als vluchtige nuanceringen in de zin, die niet helemáál hetzelfde zou hebben gezegd als zij ontbraken. Ongetwijfeld hebben de tijdgenoten van Van Ghistele, gewend als zij waren aan dergelijke vulsels, daarmee minder moeite gehad dan wij. Maar dit neemt niet weg, dat annotatie tevens een interpretatie zou zijn: een keuze uit meerdere mogelijkheden, die door de dichter geen van alle helemaal werden uitgesloten en daarom ook alle min of meer (zouden kunnen) meespelen.

Dat alles maakt de lezing van het fragment ongetwijfeld moeilijk, althans wanneer men zich van woord tot woord rekenschap wil geven van wat er nu eigenlijk precies staat. Maar een rederijkersvers leent zich niet voor close reading. Zoals ik reeds opmerkte, moet de lezer vooral niet rationaliseren; er wordt van hem slechts ‘vluchtig aanvoelen’ verwacht. En mijn bedoeling met het nu volgende dóórlopende fragment is juist te doen uitkomen, dat dit inderdaad ook voldoende is. Ondanks de woorden en vulsels, waarvan de betekenis min of meer duister blijft, is het geheel volkomen duidelijk. Het kost geen moeite de gang van het verhaal te volgen en zich een voorstelling te vormen van de opeenvolgende gebeurtenissen. Slechts als wij bij de lezing van Van Ghistele's fragment dáárop letten, wordt ons duidelijk waarin zijn kracht als verteller ligt.

 
Smorgens vroech als den dageraet was opgestaen
 
Den eeldom van Chartago was al omme in rueren /
 
Daer toe ghecoren duer Didoes vermaen
 
En die bequaem ter iacht waren met stoute cueren [.]
5
Al datter toe diende sachmen na der poorten spueren /
 
Der honden ghesnor / de triumphante peerden
[p. 270]
 
Daer oock niet en ghebraken ter ghesetter vren.
 
Haer edelste heeren vroom int volheerden
 
Hebben de Coninghinne met grooter weerden
10
Verwacht binnen den palleyse / daer staende bereet
 
Een triumphantelijck ros al op veerden
 
Omhangen met gout / en siluere / en met een purperen cleet
 
Dwelck al schuymende op sinen breydel beet.
 
Ten lesten is Dido voort ghecomen /
15
Met veel dienstmaechden verknaept tot haerder vromen [.]
 
 
 
Met een costeliken mantel was si omhangen reynlijc
 
En een siden cleet daer onder excellent.
 
Haer suuer hair lach int gout geulochten certeinlijc
 
Eenen pijlcoker hinc achter op haer scouweren ient:
20
Alsoo si te rijdene ghemeynlijck was ghewent
 
Op die iacht / oft yewers buyten int velt.
 
Die Troianen die daer oock waren ontrent
 
Hebben haer cloecke manieren voort ghestelt.
 
Ascanius als een ionck iuechdich helt
25
Sijn vroomheyt oock daer lustich bethoonde.
 
En Aeneas als eene onder de edele ghetelt /
 
Met sijn coragiuesheyt den hoop verschoonde.
 
Ghelijck Appollo / die als de ghecroonde
 
Triumpheert als hi lustich na Delos is treckende /
30
Coragieusheit is elcken / tot vruechden verweckende.
 
 
 
Als si nv int gheberchte quamen /
 
En onder de bosschen / terstont aen alle inden
 
Sachmen de wilde gheytkens beancxt voor pramen
 
Lancx de duynen vlieden / als die haer vianden kinden /
35
Ter ander sijden sachmen herten / en hinden /
 
Met groote cudden lancx velden / en heyen
 
Snellijc vluchten / schouwende bracken en winden.
 
En met groot gestubbe van tgeberchte scheyen.
 
Ascanius de ionghelinck sonder verbeyen
40
Is neerstich na gheuolcht / lustich opgheseten.
 
Rennende lancx bosschen / berghen / en valeyen /
 
Maer op swijnen / of leeuwen was hy meest gebeten [ : ]
 
Alsulcx te schietene was al sijn vermeten.
 
Want voor een ionck man tot een memorie
45
Hoe stouter feyt / hoe meerder victorie.
 
 
 
Hier en tusschen bestont den hemel te donderen /
 
Stortende watere / en haghel ouer al /
 
So dat si haer niet en costen ghenoech verwonderen /
 
Vanden grooten tempeest / elc verliet bosch / berch en dal:
50
Vluchtende in holen / tsy groot of smal /
 
Dido en Aeneas duer alsu[l]cken noot
 
Quamen ghelijckelijck in een hol na den val.
 
Lucht / vier / en aertrijck beuende bloot
 
Gaven een ghetuyghenisse groot:
55
Van sulck ongheluckich houwelijck: als daer
 
Inde speloncke wert ghesloten minioot.
 
Och dit was den eersten dach van huer blijschappe claer
 
En doorsake van huerder droefheyt swaer.
 
Tis een quade blijscappe / merct dit verhalen // vroet
60
Diemen met droefheyt int leste betalen // moet.
[p. 271]
 
Haer groote liefde die si tot Aeneam droech
 
Heeft si nv openbaerlijck laten blijcken.
 
Huer dochte / si was verontschuldicht ghenoegh
 
Door de vaste trouwe sonder beswijcken.
65
Die fame sachmen terstont in alle wijcken
 
Vlieghen ouer de steden van Libyen machtich.
 
Als een snel voghel quaet om ghelijcken
 
Die in onrusten groeyt / en al gaende wort crachtich
 
Eerst cleyn / en beureest daer na stoutachtich
70
Streckende vander eerden tot aen de wolcken ruyme [ / ]
 
Dapper te voet / rasch int vliegen / een monster onsachtich
 
Grouwelijck / en groot / so menige pluyme
 
Als is aen haer lichaem / een wonderlijcke castuyme [ / ]
 
Soo veel ooren / ooghen / tonghen / en monden
75
Neerstich int vernemen / stout int verseggen / tallen stonden.
 
 
 
Snachts vliechtse inde lucht ende ruist neuen der eerden ]. ]
 
De ooghen haer nemmermeer tot slape en begeuen [ / ]
 
Sdaechs als een wachtere opden toren met volheerden
 
Bespietse steden / landen / hoe machtich verheuen
80
En al / wat vanden mensche wort bedreuen.
 
Soo wel logene / als waer / so wel quaet / als goet /
 
So wel seker als onseker / wort van haer bescreuen:
 
Ja dat gesciet is / oft dat gescien sal binnen corter spoet.
 
Dese fame met veel spraken maecte den volcke vroet
85
Hoe datter een vreemt Riddere was ghecomen
 
Ghesproten vanden Troianen / het edel bloet /
 
Den welcken Dido hadde voor haren man ghenomen.
 
Aldus met onsuuer begeerten si / tot haerder onvromen
 
In wellusten den langen winter ouerbrachten // coen
90
Om Italien oft Chartago si luttel dachten // doen.
 
 
 
Dese fame haer ouer al in yegelijcx mont spreyde
 
Ende is terstont na Hiarbam den Coninck ghestreken.
 
De welcke grooten nijt in sijnder herten gront breyde
 
En is hier duere tot gramschappen ontsteken.
95
Den welcken hadde Juppiter met foortselike treken
 
Aen een dochter van Garamanten ghegenereert
 
Ende heeft hondert schoone tempels soot is gebleken
 
In sijn rijcke ter eeren Juppiter ghefondeert.
 
Sijn harte was door tgeruchte seer geinflammeert
100
En men seet dat hi inder Goden presentie
 
Voor den outaer seer ootmoedich hem heeft verneert
 
Leggende sijn handen te gader met reuerentie.
 
En sprac een ootmoedich gebet zijns herten intentie
 
Gheuende te kennen / lijdende hinderlijc prangen
105
Als eene die met Didoos liefde was beuanghen [.]
 
(fol.LXVII vo, str.1, t/m
 
LXIX ro, str.1)

Conclusie

Een gróót dichter is Cornelis van Ghistele stellig niet geweest. Hij beschikt wèl over alle technische vaardigheden van de geroutineerde rederijker, maar komt niet uit boven het gemiddelde peil van de rhetoricale versificatie uit zijn tijd. In zijn vertaling van de Aeneis zoekt men tevergeefs naar sporen van verrassende vondsten of vernieuwende tendensen. Tegenover zijn goede mo-

[p. 272]

menten kan men zonder moeite een groter aantal voorbeelden van minder gelukkige formulering en van gebrek aan duidelijkheid stellen. Dat wordt nog in de hand gewerkt door het feit, dat hij zijn vertaling met te veel haast heeft geschreven om ertoe te komen ze door zorgvuldige herziening op te voeren tot het optimum dat voor hem bereikbaar was.

Toch mogen wij Van Ghistele niet simpelweg ‘een knutselaar’ noemen, zoals Weevers doet.42 Hij was wel degelijk dichter, zij het een poeta minor. Zijn bewondering voor de Aeneis was echt en sterk genoeg om bij hem het enthousiasme te wekken, zonder hetwelk hij de vertaling nooit tot een goed einde had kunnen brengen. Die bewondering gold in de eerste plaats de inhoud; vandaar de vanzelfsprekendheid waarmee hij die overbracht in de ‘eigen vorm’ van zichzelf en zijn tijd, namelijk ‘baladens wijse’. In die vorm betoont hij zich, bij alle beperktheid van zijn dichterschap, een goed en boeiend verteller. Ondanks alle bezwaren die tegen zijn versificatie vallen aan te voeren, doet zijn narratief vermogen hem uiteindelijk tòch slagen in het doel dat hij zich gesteld had: het verhaal van Aeneas' avonturen voor zijn tijdgenoten niet alleen toegankelijk, maar ook aantrekkelijk te maken.

De literaire betekenis van Van Ghistele ligt in het feit, dat hij in zijn vertaling een continuïteit en een vaart wist te brengen, die de lectuur tot een boeiend avontuur doen worden. Daardoor wordt het begrijpelijk, dat na de troebelen van de jaren '60 en '70 er nog zóveel belangstelling voor bestond dat twee herdrukken konden verschijnen. Blijkbaar voorzag de vertaling in een behoefte voor de velen die secundair - d.w.z. zonder zelf het Latijn te beheersen - aan de Renaissance deel hadden of zochten te hebben. En de (vierde) uitgave van 1609 bewijst, dat ook in de eerste decennia van de 17de eeuw die behoefte nog altijd bestond.

De cultuur-historische betekenis van Van Ghistele, met betrekking tot de geschiedenis van het Nederlandse Renaissancistisch-klassicistische epos, ligt in het feit dat hij als éérste een heldendicht uit de Oudheid voor de brede kring van niet-Latinistische letterlievenden toegankelijk heeft gemaakt en zodoende bij hen de grondslag legde voor de vertrouwdheid met het klassieke epos, die conditio sine qua non was voor het ontstaan van belangstelling in het contemporaine ‘moderne’ Renaissance-epos. Die cultuur-historische betekenis zou echter ongetwijfeld vrijwat minder groot zijn geweest, als zijn vertaling niet genoeg positieve qualiteiten had bezeten om ze gedurende meer dan een halve eeuw tot gewilde lectuur te maken.

§ 3. Coornhert's vertaling van de ‘Odyssee’

Vijf jaar nadat Van Ghistele zijn Twaelf boecken van Aeneas ghenaemt Aeneidos voltooid had, kwam er opnieuw een epos uit de Oudheid, overgebracht in Nederlandse verzen, van de pers. In 1561 publiceerde Dirck Volckertszoon Coornhert de eerste helft van zijn vertaling van de Odyssee. Het titelblad van deze uitgave kondigt aan:

Deerste twaelf boecken // Odysseae, dat is de dolinghe van Vlysse, be // screuen int Griecx door den Poeet Homerum // vadere ende fonteyne alder Poeten, nv // eerstmael wten Latijne in rijm // verduytscht door

[p. 273]

Dierick // Coornhert. // vignet // Tot Haerlem, // By Ian van Zuren. // 1561. // Met Gratie ende Priuilegie.

In onze literatuur-historie is Coornhert's vertaling van de Odyssee, waarvan bovengenoemde uitgave het eerste deel vormt, onverbrekelijk verbonden geraakt met de naam van Th. Weevers, die er in 1934 een belangrijk proefschrift aan wijdde,43 waarnaar ik in dit hoofdstuk reeds meermalen verwezen heb. In mijn vorige paragraaf heb ik nogal eens met Weevers moeten polemiseren, naar aanleiding van wat hij in dat proefschrift over Cornelis van Ghistele opmerkt. Het verheugt mij, daartegenover nu mijn grote waardering te kunnen stellen voor het baanbrekende werk dat hij verricht heeft ten aanzien van Coornhert's Dolinghe van Ulysse, het eigenlijke object van zijn studie. Dank zij Weevers staat de Dolinghe nu in onze literatuur terecht bekend als verreweg de beste en meest dichterlijke van de drie rederijkersvertalingen naar Vergilius en Homerus, die de 16de eeuw ten onzent heeft opgeleverd, en als het hoogtepunt van Coornhert's poëzie, de oorspronkelijke verzen daarbij inbegrepen. Maar Weevers heeft méér gedaan dan alleen op de literaire qualiteiten van deze vertaling gewezen. Hij heeft bovendien een nauwkeurig onderzoek ingesteld naar de bronnen waarvan Coornhert gebruik heeft gemaakt, naar de ‘eigen vorm’ die hij realiseerde, en naar de manier wa