Kalliope in de Nederlanden


auteur: W.A.P. Smit


bron: W.A.P. Smit, Kalliope in de Nederlanden. Het Renaissancistisch-klassicistische epos van 1550 tot 1850. Van Gorcum & Comp., Assen 1975-1983 (twee delen)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 386]

Hoofdstuk VIII
Vondel's vertalingen van de ‘Aeneis’

§ 1. De uitgaven

Het mislukken van de Constantinade is voor de ontwikkeling van Vondel's poëzie van beslissende betekenis geweest. Het heeft ertoe geleid dat hij - zoals hij in zijn bekende brief van 9 september 1639 aan Hugo de Groot schreef - ‘aen de treurspelen vervallen’ is, en ondanks zijn toenmalige verwachting van het tegendeel raakte zijn ‘lust’ daarin sindsdien nooit meer ‘geboet’.1 In plaats van een tijdelijke onderbreking van zijn episch werk werd de tragedie de definitieve vorm voor zijn meesterschap. Wel publiceerde hij in 1662 toch nog een epos, Joannes de Boetgezant, maar dat kwam te laat om meer te zijn dan een curieus intermezzo dat geen nieuwe wending bracht in de aard van zijn productiviteit; de vrijwel continuë reeks van tragedies blijft daarna gewoon doorgaan. Anders dan de Verovering van Grol in 1627 deed verwachten, is tenslotte niet Kalliope, maar Melpomene de eigenlijke Muze van Vondel geworden.

Maar wat er bij de dichter mocht veranderen, niet zijn bewondering voor Vergilius! Onafgebroken bleef hij zich in diens werk verdiepen, wat voor hem betekende dat hij telkens weer probeerde er een gedeelte van over te brengen in Nederlands proza, voortdurend zoekend naar een meer adaequate weergave en een bondiger stijl. Immers, zo deelt Brandt ons mee: ‘Het vertaalen zelf vondt hy dienstig, om de gedachten van de grootste geesten tot in het merg te doorgronden, hunne kunst en aardigheit hun af te zien, en zyne snaaren te leeren stellen op hunne toonen’.2 Daarbij beperkte hij zich niet tot de Aeneis, al mogen wij aannemen dat hij daarvoor een bijzondere belangstelling en voorkeur bleef koesteren. Het was hem nu te doen om het hele oeuvre van zijn bewonderde dichter, met inbegrip van de Bucolica en de Georgica, die naar sommiger oordeel zeker niet onderdeden voor het epos waaraan tenslotte merkbaar bleef dat Vergilius er de laatste hand niet meer aan had kunnen leggen.3

Als resultaat van al deze studie zag in 1646 een uitgave van de volledige Vergilius in Nederlands proza het licht:

[p. 387]

Publius // Virgilivs // Maroos // Wercken // vertaelt door // I.V. Vondel. // vignet // t'Amsterdam, // Voor Abraham de Wees, Boeckverkooper op den //Middeldam, in 't Nieuwe Testament, in 't jaer 1646. // Met Privilegie voor vijftien jaren.

Vondel's vertaling bleek in een behoefte te voorzien. Nog in datzelfde jaar 1646 waren er twee nieuwe uitgaven nodig. Voor de eerste daarvan werd, behalve in het voorwerk, hetzelfde zetsel gebruikt als voor de oorspronkelijke druk. De andere verscheen niet in quarto-, maar in handzamer duodecimo-formaat, wat betekende dat de gehele tekst opnieuw moest worden gezet; Vondel maakte daarvan gebruik om er een aantal verbeteringen in aan te brengen. In 1652 volgde een nieuwe druk, eveneens in duodecimo en ‘Op nieu oversien en verbetert’, zij het dat het aantal veranderingen niet bijzonder groot is. Veel ingrijpender heeft Vondel zijn werk herzien voor de uitgave van 1659, de laatste die hij zelf heeft voorbereid; de editie van 1675 is er slechts een onveranderde herdruk van.

Ook in de eerste helft van de 18de eeuw bleef er belangstelling voor Vondel's proza-vertaling bestaan. In 1714 zag zij opnieuw het licht bij Samuel Schoonwald, boekverkoper in de Kalverstraat. En tenslotte bezorgde een combinatie van Amsterdamse boekhandelaren er in 1737 nog een laatste druk van, voor het eerst na 1646 weer in quarto-formaat. Misschien mogen wij daaruit afleiden, dat er niet meer in de eerste plaats werd gedacht aan de handzaamheid van de uitgave voor praktisch gebruik, maar aan de betekenis van de vertaling als werk van Vondel.

Wanneer wij de eerste her-uitgave van 1646, vanwege het gebruik van hetzelfde zetsel, als een verlengstuk van de oorspronkelijke editie beschouwen en op grond daarvan niet meetellen, komen wij dus tot een totaal van zeven drukken in minder dan honderd jaar: een aantal dat niet alleen iets zegt omtrent het succes van Vondel's vertaling, maar ook omtrent de belangstelling die er tussen 1650 en 1750 in de Nederlanden voor het werk van Vergilius bestond.4

 

Ook na de voltooiing van zijn proza-vertaling bleef Vondel zich met Vergilius bezighouden. Hoewel uit de Opdracht aan Huygens blijkt dat hij in 1646 niet het plan had deze vertaling als uitgangspunt te gebruiken voor een weergave in dichtvorm en dat hij een adaequate versificatie zelfs als onmogelijk beschouwde, is hij daar later toch toe overgegaan. Later - want het lijkt mij niet juist de vertaling-in-verzen van Vergilius' eerste ecloga, die hij in 1647-1648 aan de uitgave van zijn Leeuwendalers toevoegde en die onmiskenbaar berust op de overzetting in proza, reeds als een eerste stap in die richting te zien. De bewuste Herderskout tusschen Melibeus en Tityr is niet meer dan een incidentele berijming, die Vondel maakte omdat hij ze nodig had als rechtvaardiging voor de pastorale vorm die hij aan zijn vredesspel gegeven had ‘op het spoor van Virgilius’.5 Dat incidentele karakter komt mede tot uit-

[p. 388]

drukking in het feit dat Vergilius' hexameter hier niet werd overgebracht in zijn 17de-eeuwse equivalent - de alexandrijn -, maar in vijfvoetige jamben. Vondel nam deze berijming in 1660 dan ook niet in de uitgave van zijn Vergilius-in-verzen op, maar verving ze door een nieuwe bewerking, nu in alexandrijnen.

Veel moeilijker valt uit te maken, of Vondel in 1655 al plannen had voor een volledige Vergilius in dichtvorm: een vraag die wij verderop in dit hoofdstuk onder ogen zullen moeten zien. In dat jaar gaf hij namelijk ‘in Nederduitsch gedicht’ het tweede boek van de Aeneis uit, onder de titel:

J.v. Vondels // Ondergang // Van // Troje. // Virgilius tweede boeck van Eneas, in // Nederduitsch gedicht. // Vrbs antiqva rvit. // vignet (gravure) // t'Amsterdam, By Thomas Fontein, // Voor de Weduwe van Abraham de Wees, op den Middeldam, // in 't Nieuwe Testament, 1655.
Evenals de Herderskout berust ook deze berijming op de proza-vertaling. Het verschil is echter, dat Vondel hier wèl van alexandrijnen gebruik maakt en dat hij zijn poëtiserende bewerking ditmaal wèl in de volledige Vergilius van 1660 heeft opgenomen. Bedoeld of onbedoeld is de Ondergang van Troje dus in ieder geval een aanloop naar deze grote uitgave geweest.

‘Grote uitgave’ is inderdaad niet te veel gezegd voor de editie van de Vergilius-in-verzen, die in 1660 het licht zag. Zij telt bijna 600 bladzijden in quarto-formaat, ruim 150 meer dan de overeenkomstige uitgave van de prozavertaling. De titel luidt:

Publius // Virgilius // Maroos // Wercken // In Nederduitsch dicht // Vertaelt door // J.V. Vondel. // vignet // t'Amsterdam, // Voor de weduwe van Abraham de Wees, op den Mid- // deldam, in 't nieuwe Testament. 1660. // Met Privilegie voor vijftien jaren.

Terecht heeft Verwey, naar aanleiding van deze alleen al door zijn omvang indrukwekkende uitgave, opgemerkt: ‘Hoe is het mogelijk, kan men vragen, dat iemand die de geheele Vergilius in proza vertaald heeft, zijn proza daarna nog eens omzet in vers?’6 Men kàn het niet alleen vragen, men moèt het zelfs doen, als men wil trachten enigszins te begrijpen hoe en waarom Vondel ertoe gekomen is af te wijken van het standpunt dat hij in 1646 had ingenomen. Ook op deze vraag zullen wij dus dienen in te gaan, waarbij dan tevens het antwoord aan de orde zal komen, dat Verwey erop geeft.

In deze paragraaf kan ik volstaan met te constateren, dat Vondel's Vergilius-in-verzen bij het lezerspubliek minder succes heeft gehad dan zijn prozavertaling. Er is slechts één herdruk van verschenen: in 1696 bij een combinatie van Amsterdamse boekverkopers. Blijkbaar gaven velen de voorkeur aan de vertaling in proza, omdat deze dichter bij de oorspronkelijke tekst stond en dus bruikbaarder was als hulpmiddel bij de lectuur daarvan. Anderen, die het Latijn in het geheel niet beheersten en toch de Aeneis wilden leren kennen, zullen er wellicht van zijn uitgegaan dat de proza-tekst gemakkelijker leesen verstaanbaar zou zijn dan die in verzen. Ook de prijs kan een rol hebben gespeeld; de vertaling in dichtvorm was niet in duodecimo verkrijgbaar. Hoe dit zij, na 1696 werd de Vergilius-in-verzen pas in de 19de- en 20ste-eeuwse uitgaven van Vondel's verzameld werk weer herdrukt, voor het eerst in de

[p. 389]

Dichterlijke werken van Joost van den Vondel die van 1820 tot 1824 in 21 delen bij M. Westerman te Amsterdam verschenen. De ironie van het geval is, dat daarmee eindelijk een uitgave in duodecimo beschikbaar kwam, terwijl de proza-vertaling nu op haar beurt geen aandacht kreeg.7

Ondanks de mindere populariteit van de Vergilius-in-verzen, die uit het ontbreken van herdrukken gedurende de gehele 18de eeuw blijkt, stond Vondel's poëtische bewerking ook toen toch wel degelijk in aanzien. Wanneer in voorredes of verhandelingen Vergilius in het Nederlands wordt geciteerd, gebeurt dit nagenoeg altijd naar deze bewerking. Voor de klassicisten was immers vertaalde poëzie alleen in dichtvorm aanvaardbaar.8

§ 2. Het pionierswerk van Verdenius en Geerts

De Vondel-studie heeft zich tot dusver weinig aan Vondel's Vergiliusvertalingen gelegen laten liggen. Vóór 1932 was dat begrijpelijk, omdat toen het nodige voorwerk nog geheel ontbrak. Wat er over Vondel als vertaler9 werd opgemerkt, bleef incidenteel, vaag en speculatief; de Vergilius-vertalingen kwamen daarbij slechts terloops ter sprake. In 1932 werd echter de mogelijkheid tot een grondige en systematische studie van juist deze vertalingen geopend door de verschijning van twee belangrijke publikaties: een nieuwe uitgave ervan, verzorgd door A.A. Verdenius, in de grote WB-editie van Vondel's werken,10 en het proefschrift van A.M.F.B. Geerts over Vondel als classicus bij de Humanisten in de leer.11 Het moet worden betreurd, dat er van deze mogelijkheid nog steeds geen gebruik is gemaakt. Na veertig jaar ligt het bijeengebrachte materiaal nog altijd op een bewerker te wachten.12

De wijze, waarop Verdenius zich in de WB-editie van zijn even omvangrijke als moeilijke taak heeft gekweten, mag - gezien de middelen waarover hij beschikte - voorbeeldig worden genoemd. Hij had er méér waardering en bewondering voor verdiend dan hem ten deel zijn gevallen.

In een uitvoerig Woord vooraf (WB vi, blz. 19-31) zet hij uiteen, door welke overwegingen hij zich bij zijn werk heeft laten leiden. Zijn voornaamste ver-

[p. 390]

dienste is wel, dat hij de tekst van de proza-vertaling en die van de latere berijming náást elkaar heeft afgedrukt, zodat beide steeds zonder moeite met elkaar vergeleken kunnen worden. Dat Vondel ‘zijn eigen proza-vertaling berijmd’ heeft (blz. 19), is geen ontdekking van Verdenius,13 maar de conclusie dat de beide teksten daarom bij uitgave ‘niet gescheiden mogen worden’ (blz. 20) is wèl van hem. Datzelfde geldt voor de oplossing van een praktische moeilijkheid, die de realisatie van deze conclusie meebracht. Het lag uiteraard voor de hand, de proza-vertaling op te nemen naar de oudste uitgave: de eerste van de drie drukken uit 1646. Maar de bewerking in verzen ‘correspondeert natuurlik op verschillende plaatsen niet met de oorspronkelike prozatekst van 1646; zij staat het dichtst bij de herziene uitgave van 1659’, al blijkt Vondel meermalen toch weer niet die laatste tekst te hebben gevolgd, maar ‘de oorspronkelijke, onjuiste weergave’ (blz. 27 en de noot aldaar). Om deze vrij gecompliceerde situatie tot haar recht te doen komen en de vergelijking tussen proza en poëzie volledig mogelijk te maken, was het dus nodig ‘de voornaamste wijzigingen’ uit de latere drukken ‘onmiddellik onder de prozatekst [van 1646] te vermelden’ (blz. 27). Zodoende werd tevens bereikt, dat de lezer in één oogopslag kan nagaan, òf en hoe Vondel bepaalde onjuistheden, onnauwkeurigheden of minder gelukkige formuleringen later heeft weggewerkt.14 Het resultaat is dan ook een bijzonder overzichtelijk geheel, dat een voortreffelijk uitgangspunt biedt voor nauwgezette vergelijkende bestudering van Vondel's beide vertalingen.

Ook in zijn annotatie heeft Verdenius het zichzelf niet gemakkelijk gemaakt en veel meer gegeven dan enkel de meest noodzakelijke woord- en zaakverklaring. Hij heeft óók Vondel's vertaling getoetst aan de Latijnse tekst. Daarbij kwam aan het licht dat Kalff's mening, als zouden daarin betrekkelijk weinig fouten voorkomen, onjuist is. ‘Vondel heeft Vergilius dikwijls [cursivering van mij. Sm.] verkeerd of maar ten halve begrepen’, en Verdenius heeft ‘het [z]ijn taak geacht aan te wijzen, waar aan zijn vertaling als vertaling iets hapert’ (blz. 23). Hij heeft dit met voorzichtigheid en terughouding gedaan, steeds rekening houdend met het feit dat ‘niet altijd met zekerheid uit te maken (is), of Vondel bewust afwijkt, een vrije vertaling levert, dan wel Vergilius verkeerd heeft begrepen’ (blz. 23). De gebruiker van de desbetreffende aantekeningen ervaart deze dan ook voortdurend als een waardevolle steun bij zijn poging de aard van Vondel's vertalingen meer dan oppervlakkig te onderkennen.

Toch ligt hier, zij het buiten zijn schuld, het zwakke punt van Verdenius' werk - het punt waarop ik doelde, toen ik hierboven bij mijn lof voor zijn prestatie de restrictie maakte: ‘gezien de middelen waarover hij beschikte’. Verdenius is zich dit tekort trouwens volkomen bewust. Hij waarschuwt er zelf voor, dat men voorzichtig moet zijn met het trekken van conclusies omtrent Vondel's kennis van het Latijn uit de onjuistheden die hij in zijn annotatie heeft aangewezen:

Men mag Vondel niet de maat aanleggen van onze moderne kennis omtrent Vergilius en zijn werk. Hoe stond het met de Vergilius-interpretatie

[p. 391]

in Vondels tijd; welke fouten, welke minder gelukkige vertalingen maakte hij op gezag van de toen gangbare commentaren, van meer of minder geleerde vrienden, [...] op gezag van woordenboeken [...]? [...] De eerste vraag is natuurlik: welke uitgave van Vergilius (met commentaar), welke Latijnse tekst of teksten ligt (liggen) ten grondslag aan Vondels vertaling. De bewaarde oude Vergilius-teksten bieden onderling wel niet zo vele en belangrijke varianten, maar Vondels bron vertoonde ongetwijfeld een aantal verschilpunten met de thans vrij algemeen gevolgde teksten en daaronder lezingen die nu - als waardeloze of twijfelachtige varianten - worden verworpen. (blz. 23-24)
Verdenius heeft zich als neerlandicus niet bevoegd geacht tot een onderzoek, dat een antwoord op deze vragen zou hebben gegeven. ‘Hier is werk voor een classicus’, verklaart hij nadrukkelijk. Bij zijn annotatie is hij dus uitgegaan van een moderne Vergilius-editie, al blijkt zo af en toe uit zijn noten dat hij rekening houdt met de mogelijkheid van een variant in de door Vondel gebruikte tekst.15

Het moet voor Verdenius een bittere ervaring zijn geweest, toen hij na het voltooien van zijn annotatie tot de ontdekking kwam dat er een proefschrift op verschijnen stond, waarin het onderzoek naar de door Vondel gebruikte Latijnse edities en commentaren inmiddels metterdaad door een classicus was verricht. Als de bewuste dissertatie van Geerts enkele jaren eerder gereed gekomen was, zou de Amsterdamse hoogleraar zijn toetsing van Vondel's vertaling aan de Latijnse tekst op een wetenschappelijk veel méér verantwoorde wijze hebben kunnen opzetten. Daarvoor was het nu te laat. Zelfs een grondige herziening van de annotatie op basis van de nieuwe gegevens was niet meer mogelijk. Deel vi van de WB-editie zal op het moment van Verdenius' ontdekking ongetwijfeld al grotendeels gezet zijn geweest, en bovendien kon de verschijning met het oog op de inschrijvers niet voor onbepaalde tijd worden uitgesteld. De onfortuinlijke bewerker kon dus niet anders doen dan aanvaarden, dat hij net even te vroeg was geweest en dat zijn annotatie reeds bij de publikatie op een bepaald punt als achterhaald moest worden beschouwd. Wel kreeg of vond hij gelegenheid, in zijn Woord vooraf alsnog mededeling te doen van het komende proefschrift ‘dat ongetwijfeld onze kennis en ons inzicht in deze dingen [de door Vondel gebruikte teksten en commentaren] zal kunnen verhelderen’ (blz.24). Bovendien had Geerts ‘de vriendelikheid mij reeds nu in het kort de resultaten van zijn onderzoek omtrent de door Vondel gebruikte Vergilius-tekst mee te delen’ (blz. 25): de dichter heeft verschillende uitgaven gebruikt, waaronder die van Farnabius, Taubmann, Stephanus en waarschijnlijk nog enkele anderen. Enige bladzijden verder (blz. 30) volgt in een noot nog Geerts' opgave omtrent de herkomst van Vondel's argumenta, zowel die in proza als die in versvorm.

Daarmee heeft Verdenius gedaan wat hij doen kon om zijn uitgave van de Vergilius-vertalingen toch nog zo up to date mogelijk te maken. Hij attendeert zijn lezers met nadruk op het komende proefschrift van Geerts waaraan zij bij verdere studie niet zullen kunnen voorbijgaan, ook al impliceert dit dat zijn eigen toelichtingen aan betekenis hebben ingeboet. Er spreekt uit deze manier van doen een wetenschappelijke integriteit die verdient te worden opgemerkt.

[p. 392]

Het Woord vooraf van Verdenius is gedateerd: juli 1932. Vier maanden later, op 11 november, vond de promotie van Geerts plaats en kwam diens proefschrift ter beschikking. Het doel van het onderzoek, dat de auteur zich tot taak had gesteld, vat deze zelf als volgt samen:

Door tekstvergelijking de uitgaven bepalen welke Vondel bij zijn vertalingen van de Latijnsche en Grieksche schrijvers gebruikt heeft, de aanteekeningen opsporen die hij binnen en buiten die uitgaven gevonden heeft, en de bronnen blootleggen waaruit hij bij de samenstelling van de voorredenen en opdrachten zijner overzettingen heeft geput. (blz. 1)
In het algemeen is Geerts er goed in geslaagd deze opzet te realiseren. Dat maakt zijn boek tot een bijzonder waardevolle en nog altijd onmisbare aanwinst voor de Vondel-studie. Een prettig leesbaar werk is het niet; daarvoor heeft het te veel het karakter van een beschrijvende catalogus, en is de toon vaak wat te apodictisch. Dat wordt echter ruimschoots goedgemaakt door zijn betekenis als bronnenboek en naslagwerk. Alleen zouden wij er graag méér bijzonderheden in hebben gevonden over de 16de- en 17de-eeuwse edities van klassieke auteurs, die worden vermeld.

Wat de Vergilius-vertalingen betreft, beperkt Geerts zich tot Vondel's overzetting in proza. Hij heeft daarover niet zo heel veel meer te zeggen dan al door Verdenius was aangekondigd. Alleen uit hij zich wat vager ten aanzien van Vondel's eigenlijke bron: ‘De Vergilius-uitgaven zijn in de 16e en de 17e eeuw zoo talrijk dat het zelfs niet met Benediktijner geduld mogelijk is al de uitgaven nauwkeurig te bepalen welke Vondel gebruikt heeft’ (blz. 37). Even verder vat hij zijn bevindingen aldus samen:

Het ligt voor de hand dat Vondel [...] de trouwens ook in ons land gedrukte Farnabius' uitgave te zijner beschikking had. De Heinsiusuitgaven zijn meer critisch dan exegetisch. De uitgave van de la Cerda werd voor de samenstelling van de voorrede gebruikt. Of ze in de vertaling werd benut is niet uit te maken. De Duitsche editie van Taubmann en de Fransche van Stephanus blijken Vondel niet onbekend te zijn geweest. [...] Het duidelijkst zijn de aanteekeningen van Farnabius in de vertaling terug te vinden. (blz. 38)16

[p. 393]

Ter adstructie van de laatste zin uit dit citaat laat Geerts op blz. 184-201 een reeks voorbeelden volgen, waaruit blijkt dat Vondel herhaaldelijk de commentaar van Farnabius heeft verwerkt, maar dat er ook plaatsen zijn waar hij eerder bij Stephanus en Taubmann schijnt aan te sluiten. Voorafgaand aan deze voorbeelden geeft Geerts de herkomst van Vondel's argumenta aan:

De Argumenta in proza van de Bucolica en de Georgica zijn vertaald uit Farnabius. De argumenta in proza van de Aeneis vindt men bij Farnabius en anderen. De argumenta in versmaat staan in de uitgaven van Stephanus, Taubmann en anderen. (blz. 184)

Verder heeft Geerts ook het gehalte van de proza-vertaling onderzocht. Zijn conclusie komt vrijwel overeen met die van Verdenius (wiens oordeel hij bij het schrijven van zijn proefschrift nog niet kon kennen). In 1646 had Vondel, zo stelt hij vast, ‘nog steeds niet de noodige geoefendheid om moeilijkheden te vermijden, die men ook zonder een schrander classicus te zijn gemakkelijk uit de weg gaat’.17 Tot meer dan ‘een middelmatige overzetting’ heeft hij het niet gebracht, al is het dan die ‘van een groot taalkunstenaar’ (blz. 40).

 

De definitieve studie over Vondel's Vergilius-vertalingen, die door de twee besproken publikaties binnen betrekkelijk gemakkelijk bereik is gekomen, ontbreekt nog steeds. Ik heb in het onderstaande dus slechts kunnen uitgaan van de mogelijkheden tot inzicht en karakteristiek, die door het voorbereidende werk van Verdenius en Geerts worden geboden. Daarvan heb ik echter dankbaar en veelvuldig gebruik gemaakt.

§ 3. Achtergronden van de proza-vertaling

Vondel's Vergilius-in-proza is niet in één trek geschreven. De vertaling moet in de loop van jaren, tussen zijn andere werk door, langzaam tot stand zijn gekomen. Om daarvan overtuigd te zijn, behoeft men slechts te bedenken dat in 1646 óók de Maria Stuart verscheen, en dat het jaar tevoren de Altaer-geheimenissen het licht hadden gezien. Vooral dit laatste dichtstuk, dat meer dan 5000 versregels telt en een intensieve voorstudie vereiste, heeft Vondel ongetwijfeld gedurende jaren bezig gehouden. Er wordt door verklaard, waarom tussen 1642 - toen de Brieven der Heilige Maeghden verschenen - en 1645 slechts betrekkelijk ‘klein werk’ uit zijn pen is gevloeid. Het lijkt mij alleszins rede-

[p. 394]

lijk te veronderstellen dat hij in deze jaren, zowel ter afwisseling als ter verpozing van het inspannende werk aan zijn belijdenisgeschrift, óók regelmatig met de vertaling van Vergilius bezig is geweest. Wanneer hij die ter hand heeft genomen, valt niet met zekerheid te achterhalen. Maar in en kort na 1640 was Vondel zó creatief aan het werk, dat een serieuse aanpak van de vertaling dan vrijwel uitgesloten mag worden geacht. In 1640 publiceerde hij Gebroeders, Joseph in Dothan en Joseph in Egypten, in 1641 Peter en Pauwels, in 1642 de Brieven der Heilige Maeghden waarop hij zich had voorbereid door een proza-vertaling te maken van Ovidius' Heroides (in 1715 door David van Hoogstraten uitgegeven). Er is bij dit alles eenvoudig geen plaats voor nòg meer werk, zelfs niet als verpozings-arbeid; het vertalen van de Heroides kon in de behoefte daaraan voorzien. Met het oog op deze productiviteit ben ik dan ook geneigd, de ontstaanstijd van de proza-Vergilius tussen 1642 en 1645/6 te stellen, in hoofdzaak samenvallend met die van de Altaer-geheimenissen en de Maria Stuart. Vondel zou dan van het begin af gebruik gemaakt kunnen hebben van de Amsterdamse uitgave van Farnabius' Vergilius-editie, die waarschijnlijk niet in 1639 verscheen, zoals Geerts aangeeft, maar eerst in 1642 het licht zag.18

Ik bedoel daarmee overigens niet, dat er vóór 1642 niets op papier stond. Vondel was toen al ruim twintig jaar gefascineerd door Vergilius en had zich in die tijd grondig met diens werk vertrouwd gemaakt. Bij deze studie zal hij ongetwijfeld - dat was nu eenmaal zijn manier van studeren - hele stukken uit dat werk in proza hebben vertaald. Bovendien zal hij er herhaaldelijk met zijn Humanistische vrienden over hebben gesproken, waarbij zij hem verder hielpen door uitgaven en commentaren tot zijn beschikking te stellen, door moeilijkheden in de tekst met hem te bespreken, en door correctie van zijn ‘proef-vertalingen’. Wij mogen, dunkt mij, b.v. veilig aannemen dat aan Vondel's imitatio van Aeneis ii in de Gysbreght van Aemstel een vertaling van Vergilius' tweede boek is voorafgegaan en dat de dichter niet heeft gerust voordat hij van deskundige vrienden de verzekering had gekregen dat zij betrouwbaar was. Onder Vondel's papieren zullen zich verschillende van dergelijke vertaalde Vergilius-fragmenten hebben bevonden, sommige ongecorrigeerd, andere door een of meer van zijn vrienden ‘betutteld’, weer andere samen met hen in het Nederlands overgebracht. Het ligt voor de hand, dat de dichter van deze fragmenten gebruik heeft gemaakt, toen hij zich tot zijn vertaling van 1646 zette. Naast de commentaar van Farnabius zal hij ook die papieren hebben geraadpleegd, om te zien hoe zijn vrienden indertijd bepaalde plaatsen hadden geïnterpreteerd. Ik meen dat wij tegen deze achtergrond de mededeling van Geerts aan Verdenius moeten zien ‘dat Vondel de vertaling heeft gemaakt met hulp van verschillende uitgaven, waaronder die van Farnabius, Taubmann, Stephanus. Er zijn er waarschijnlijk meer geweest, doch met zekerheid is het niet te bepalen’.19 Het lijkt mij weinig waarschijnlijk dat de dichter zijn Vergilius-in-proza schreef aan een werktafel die doorboog onder de last van een groot aantal gecommentarieerde edities. Naar mijn mening

[p. 395]

ging hij uit van Farnabius; de ontleningen aan andere commentaren zullen grotendeels moeten worden toegeschreven aan het gebruik dat hij maakte van zijn vroegere vertaal-proeven. Uiteraard valt dit niet te bewijzen; het is bovendien allerminst uitgesloten dat Vondel behalve Farnabius ook wel eens een andere commentaar heeft geraadpleegd, die hij zich van vroeger herinnerde. Maar dat is toch iets anders dan wat de opmerking van Geerts suggereert.20

 

Hoewel Vondel ongetwijfeld àlles bewonderde wat Vergilius geschreven heeft, kan er toch niet aan getwijfeld worden dat zijn bewondering in de allereerste plaats uitging naar de Aeneis. De vraag dringt zich dus op, waarom hij - toen hij zich na de mislukking van de Constantinade opnieuw tot Vergilius keerde - niet volstond met het vertalen van de Aeneis, maar ook de Bucolica en de Georgica in het Nederlands overbracht.

Zekerheid op dit punt is natuurlijk uitgesloten; wij kunnen slechts naar een antwoord gissen. Maar ik meen dat wij een tweetal veronderstellingen mogen maken die de werkelijkheid zouden kunnen benaderen, zij het wellicht met betrekking tot bijkomstige factoren.

In de eerste plaats denk ik aan de mogelijkheid van indirecte beïnvloeding door Joost Baeck en het voorbeeld van Hooft. Baeck - gehuwd met Magdalena van Erp, een jongere zuster van Hooft's (in 1624 gestorven) eerste vrouw Christina - kende geen Latijn en had niet gerust voordat zijn zwager het volledige werk van Tacitus zo letterlijk mogelijk voor hem vertaald had. Geeraardt Brandt weet ons daarover het volgende mee te delen:

Om zynen swaager den Heere Baake te gelieven, vertaalde de Drossaardt zomtydts eenige stukken uit het Latyn van Cornelius Tacitus. Deeze vertaaling was al in den jaare sestienhondert en dertigh, of vroeger, by hem aengevangen: eerst uitkiezende 't geen hem best geviel, of bequaamst was om zich naar onze taal te buigen. Doch als Baake naaderhandt aanhieldt, om ook de rest en de t'zaamenhechting vertolkt te zien, met beede van zoo luttel van de woorden te wyken als redelyker wyze geschieden kon, heeft hem de Drost daar in te wil geweest, en zomtydts eenigen tydt afgebrooken, om aan dat vertaalen te besteeden. Dus werdt allengskens dat geheele werk der Jaarboeken en Historien, ook het Leeven van Agricola, en 't boeksken van de geleegentheit, zeeden en volken van Germanie, of Oudtduitslandt, in het Neederduitsch door hem oovergezet.21

Joost Baeck was een vriend van Vondel, en het mag dus waarschijnlijk worden geacht dat deze van de langzame, maar gestadige voortgang van de Tacitus-vertaling wist. Baeck zal er stellig wel eens met hem over gesproken hebben en hem misschien zelfs met trots een aantal van de gereed-gekomen gedeelten ter lezing hebben voorgelegd. Wanneer de vertaling voltooid is, weten wij niet,22 maar dat is in ons verband ook niet relevant. Waar het op aankomt,

[p. 396]

is dat Vondel omstreeks 1642 kon weten: enerzijds dat een man als Joost Baeck prijs stelde op een zo letterlijk mogelijke vertaling van de volledige Tacitus, en anderzijds dat Hooft bezig was die, tussen zijn werk aan de Neederlandsche Histoorien door, tot stand te brengen. Is het ondenkbaar dat dit bij hem de gedachte aan een vertaling van de volledige Vergilius heeft doen opkomen? Het werk van de Latijnse dichter was zeker niet minder belangrijk dan dat van de Romeinse historie-schrijver. Zou er daarom onder vele Nederlanders niet eenzelfde verlangen naar een betrouwbare vertaling van Vergilius leven als Baeck koesterde ten opzichte van Tacitus? En zou hij beter blijk kunnen geven van zijn verbondenheid met de eerste dan door voor hem te doen wat Hooft deed voor de laatste?

Mijn tweede veronderstelling is - ik ben mij daarvan ten volle bewust - speculatiever en subjectiever. Wij mogen aannemen dat de mislukking van de Constantinade voor Vondel niet alleen een bittere teleurstelling is geweest, maar ook zijn zelfvertrouwen tijdelijk heeft geschokt. Het hoogste dat voor een dichter was weggelegd - het epos - lag buiten zijn bereik; hij moest zich, zoals hij in zijn boven-vermelde brief aan Hugo de Groot schreef, ‘met yet minders zoecken te behelpen’. Zou het zo vreemd zijn, als hij onder deze omstandigheden troost gevonden heeft in de gedachte dat de roem van Vergilius niet uitsluitend op de Aeneis berustte, maar ook op andersoortig werk? Dat hij dus niet behoefde te wanhopen, aangezien zijn ‘meester’ de mogelijkheid bewezen had ook buiten het epos in de volle zin van het woord ‘een excellent poëet’ te zijn? Wanneer dergelijke gedachten inderdaad door zijn hoofd gespeeld hebben, zou dit tot gevolg gehad kunnen hebben dat hij juist in deze tijd nieuwe belangstelling en aandacht kreeg voor het niet-epische werk van Vergilius. Ook dàt had de Latijnse dichter groot gemaakt, en daarom mocht het bij een vertaling zeker niet achterwege blijven. Zo zou Vondel's falen als epicus samengespeeld kunnen hebben met wat Joost Baeck hem over de Tacitus-vertaling van Hooft vertelde, om hem tot het besluit te brengen de volledige Vergilius in het Nederlands over te brengen.

Maar hoe dit ook zij - daarmee is nog niet verklaard waarom Vondel dat in proza deed. Hier ligt immers een principieel verschil met het voorbeeld van Hooft. Deze vertaalde proza in proza, zoals voor de hand lag. Maar het lag nièt voor de hand, poëzie in proza te vertalen, althans niet voor publikatie. Het was iets heel anders dit ter oefening en voor eigen gebruik te doen - zoals Vondel juist toen met de Heroides deed - dan zo'n vertaling uit te geven! Dat laatste hield de pretentie in, dat het proza van de vertaler de poëzie van de oorspronkelijke dichter op min of meer adaequate wijze kon vervangen. Een dergelijke opvatting was Vondel's Humanistische tijdgenoten ten enenmale vreemd. Poëzie behoorde door een dichter, die zichzelf respecteerde en serieus genomen wenste te worden, ook als poëzie te worden vertaald. Wat Vondel deed, was een revolutionaire daad.23 Hoe kwam juist hij, die zich steeds zo gehoorzaam aan regels en voorschriften van de poëtica onderwierp, ertoe hier tegen de draad in te gaan?

[p. 397]

Opnieuw moeten wij met enkele voorzichtige veronderstellingen volstaan. Wellicht hebben de hierboven gesupposeerde gesprekken met Joost Baeck ook op dit punt hun invloed doen gelden. Baeck had zijn zwager immers om een vertaling gevraagd die het Latijn zo letterlijk mogelijk weergaf: ‘met beede van zoo luttel van de woorden te wyken als redelyker wyze geschieden kon’. Wanneer Vondel deze wens van zijn vriend heeft opgevat als exponent van wat zijn niet-Humanistisch-gevormde landgenoten in het algemeen van een vertaling verlangden, kan hij daaruit geconcludeerd hebben dat hij er beter aan zou doen Vergilius in proza over te zetten dan in dichtvorm. Bij proza was een vrij letterlijke weergave van de oorspronkelijke tekst mogelijk, terwijl poëzie die bij voorbaat uitsloot. Wij zullen straks zien, hoe sterk hij in de Opdracht van zijn vertaling aan Huygens op dat laatste de nadruk legt.24 Er moge dus àl dan niet verband geweest zijn met wat Joost Baeck van Hooft vroeg, in ieder geval heeft Vondel aan proza (mede) de voorkeur gegeven, omdat hij zich ten doel stelde ‘zoo luttel van de woorden te wyken als redelyker wyze geschieden kon’.

Maar lag achter dit rationele motief misschien nog een andere reden verborgen: een tegenzin in de epische alexandrijn, omdat deze voor hem onwillekeurig het symbool geworden was van zijn falen met de Constantinade? Het is, dunkt mij, een mogelijkheid die wij niet kunnen uitsluiten. Tussen 1640 en 1646 schreef Vondel namelijk wel alexandrijnen, maar niet als het ging om epos of epos-gelijk. Wèl in zijn lange eerdicht ter gelegenheid van de komst der Engelse koningin Henriette Marie t'Amsterdam, in de Brieven der Heilige Maeghden en in de Maria Stuart. Maar nièt in zijn berijming van Vergilius' eerste Ecloga als aanhangsel bij de Leeuwendalers, en - wat een veel belangrijker aanwijzing is - nièt in de Altaer-geheimenissen. Dat laatste mag inderdaad opmerkelijk heten. De aanhef van Vondel's leerdicht vertoont een duidelijke parallellie met die van de Georgica. Nu de aemulatio met Vergilius op het gebied van het epos mislukt was, waagde Vondel zich aan een nieuwe poging op dat van het leerdicht. De aard van zijn onderwerp noodzaakte hem daarbij tot een veel grotere zelfstandigheid ten aanzien van details en motieven dan in de Constantinade, zodat de aemulerende opzet hier gemakkelijk over het hoofd wordt gezien. Naar mijn mening is er met betrekking tot Vondel's bedoeling echter geen twijfel mogelijk. Zeker, hij wilde belijdenis afleggen van zijn nieuwe geloofsovertuiging en met klem van argumenten de tegenstanders overtuigen van hun ongelijk; hij werd gedreven door de zendingsijver van de bekeerling en was daarin volkomen oprecht. Maar hij deed dit als Renaissancistisch dichter, d.w.z. in wedijver met de auteurs uit de Oudheid, en in de vaste overtuiging hen te kunnen overtreffen omdat zijn ‘stoffe’ Christelijk was en ‘de Zonne des heyligen Geestes alle Heydensche sterren met haren glans uyt doet’.25 Apologetische belijdenis en aemulatio met Vergilius sloten elkaar voor hem niet uit, maar lagen in elkaars verlengde. - Daarvan uitgaande, hadden wij mogen verwachten dat Vondel zijn Altaer-geheimenissen geschreven zou hebben in alexandrijnen als moderne aequivalent van de hexameters uit de Georgica. Maar hij deed dit nièt en schreef ze in vijfvoetige jamben. Het lijkt mij uiterst onwaarschijnlijk dat hij deze versvorm toen reeds koos op gezag van Ronsard, zoals hij dat in 1659 zou doen bij de Jeptha; anders zou

[p. 398]

hij dat, evenals bij zijn tragedie,26 wel vermeld hebben en zouden de Altaergeheimenissen op dit punt in de jaren veertig niet zo geïsoleerd staan. Maar welke reden kan hij dan wèl hebben gehad? En zo kom ik uit bij de veronderstelling die ik hierboven noemde: weerzin tegen de epische alexandrijn, hetzij omdat deze hem herinnerde aan het mislukken van de Constantinade, hetzij omdat hij nog niet het zelfvertrouwen herwonnen had dat nodig was om zich opnieuw aan een experiment daarmee te wagen. Daarbij dienen wij in aanmerking te nemen dat nòch in de Oudheid nòch in de 16de en 17de eeuw de grens tussen epos en leerdicht scherp getrokken werd,27 zodat Vondel de Georgica en de Aeneis als nauw met elkaar verwant zal hebben beschouwd.

Maar als inderdaad tegenzin in de epische alexandrijn Vondel ervan zou hebben weerhouden deze versvorm voor de Altaer-geheimenissen te gebruiken, dan zou diezelfde tegenzin er óók toe hebben kunnen bijdragen dat hij zijn vertaling van Vergilius in proza schreef en niet in dichtvorm.

§ 4. De opdracht van de proza-vertaling

Vondel gaf aan zijn Vergilius-in-proza een uitgebreid voorwerk mee, dat nadrukkelijk de betekenis van de Latijnse dichter - en daarmee indirect ook van deze eerste Nederlandse vertaling van diens volledig werk - moest doen uitkomen. Het omvat twee gedichten en twee proza-stukken, waarvan ik de eerste hier buiten beschouwing laat; zij doen weinig ter zake en zijn voor belangstellenden gemakkelijk bereikbaar in WB vi.28 Wat Vondel zijn lezers werkelijk wilde bijbrengen, vindt men in de beide proza-stukken: de Opdracht aan Constantijn Huygens, en een uitvoerig betoog Aen den Lezer. Dit laatste bevat twee duidelijk onderscheiden gedeelten: een biografie van Vergilius, ‘hoofdzakelijk ontleend aan de Vita Vergilii van Donatus’ waarvan het ‘een zeer vrije bewerking (is) met omzettingen en interpolaties’;29 en een overzicht van de polemiek tussen Homeristen en Maronisten over de vraag of aan Homerus dan wel aan Vergilius de eerste plaats als dichter toekomt. In mijn eerste hoofdstuk is dit overzicht reeds ter sprake gekomen, en ik heb toen gewezen op de betekenis ervan voor onze kennis omtrent Vondel's verering voor Vergilius;30 ik kan hier dus volstaan met daarnaar te verwijzen.

Zo blijft slechts de Opdracht aan Huygens ter bespreking over. In verband met het probleem, dat Vondel's keuze voor een vertaling in proza ons stelt, is dit ongetwijfeld het belangrijkste stuk uit het voorwerk. Want hier geeft de dichter een rechtvaardiging van die keuze.

Dat hij zich met die rechtvaardiging juist tot Huygens wendt, is stellig geen toeval. Vondel mocht verwachten bij de ‘Raet en Sekretaris van zijn Hoogheit’ begrip te zullen vinden voor zijn moeilijkheden als vertaler. Huygens had zich namelijk in zijn Otia van 1625 (herdrukt in 1641) bijzonder kritisch over vertalingen uitgelaten. In de Voor-maning (Woord vooraf) bij zijn verta-

[p. 399]

ling van enkele fragmenten uit Guarini's Il Pastor fido - op een andere manier dan de gebruikelijke rijmtrant31 - had hij opgemerkt:

Neemtmen de ruymte in 't Oversetten, soo kan de waerheid niet vrij van geweld gaen: Staetmen scherp op de woorden, soo verdwijnt de geest vande uytspraeck. Vinden wij dit waer inden ongebonden Stijl, wat kanmen van vertaelde Dichten hopen, die geene verstandige sullen ontkennen het derdendeel van haere waerde den aerd van schryven schuldigh te zijn?32
Het is typisch Huygeniaans geformuleerd, wat betekent dat het voor ‘wat vertolcks’ in aanmerking komt. Nu is het vertolken van Huygens altijd een hachelijke zaak, maar ik meen toch zijn uitspraak als volgt te mogen parafraseren: ‘Bij een vrije vertaling doet men de oorspronkelijke tekst geweld aan, bij een letterlijke gaat het leven ervan verloren. Als dit geldt voor proza, wat kan men dan verwachten bij vertaling van gedichten, die immers voor een belangrijk deel hun waarde ontlenen aan de stijl, het taalgebruik en het poëtisch uitdrukkingsvermogen van de oorspronkelijke auteur?’

Huygens zegt niet, dat men poëzie daarom maar het best in proza kan vertalen; in zijn Guarini-fragmenten heeft hij dit ook niet gedaan en in andere richting naar een oplossing gezocht. Maar Vondel had toch wel enige reden om op grond van de bewuste opmerking te verwachten, dat Huygens gevoelig zou zijn voor zijn argumentatie. In die verwachting schreef hij zijn Opdracht.33

Hij begint op veilig terrein: met een uitbundige lofprijzing van Vergilius, waarvan hij zeker kon zijn dat Huygens ze zou onderschrijven. Eerst daarna stelt hij het punt aan de orde waarom het gaat: de wijze waarop hij heeft vertaald. Natuurlijk, zo erkent hij, heeft Vergilius bij de overzetting verloren; dat was nu eenmaal onvermijdelijk, zoals Huygens zelf had uiteengezet. Dat laatste zegt Vondel er niet bij, maar hij impliceert het m.i. wel. En dan komt de eigenlijke aap uit de mouw: in dit geval is bovendien de versvorm van de oorspronkelijke tekst niet gehandhaafd. Dat is geen kleinigheid, aangezien ‘vaers en onvaers onderling verschillen, gelijck trompetklanck en bloote stem, en het vaers een stem, door een drieboghtige trompet krachtigh uitgewrongen, gelijck is’ (reg. 38-40). Maar Vondel meent toch uit twee kwaden het minste te hebben gekozen. Hij motiveert dit als volgt:

Hierom [= vanwege het grote verschil tussen ‘vaers en onvaers’] moght de vertolcker liever Augustus Hofzwaen [= Vergilius] in rijm en op maet leeren opzingen: maer hoe veel meer had 'er de Mantuaen van zijn vederen moeten laten, indien men zijnen geest door benaeutheit van voeten en rijm bestont te prangen en te knijpen, en uit verlegenheit te rucken, te plucken, en ter noot doorgaens met geleende pluimen van rijm-en-noodige stopwoorden te decken. Het vertaelde te rijmen, zonder afdoen of toedoen, is qualijck mogelijck, ja onmogelijck, en dwaelt meest al min of meer af van het vertaelde. Ick zagh hem dan niet34 nader

[p. 400]

nochte eigentlijcker dan door onvaerzen en onrijm uit te beelden, om den Nederlander te levendiger Maroos ziel in te boezemen, hem te beter te dienen, en met een den Latynist,35 wien het Latijn nu misschien smaeckelijcker wil vallen, wanneer hy d'eigenschappen der Roomsche met onze moederlijcke spraecke zoo na overeen gebroght, en den stijl en rede zoo vlack en effen gevlijt ziet, als my mogelijck was. (reg. 40-54)

Dat is voor de 17de eeuw een opmerkelijk betoog.36 Vondel schijnt hier veel dichter bij de moderne denkbeelden over vertalen te staan dan bij die van zijn tijdgenoten, Huygens misschien uitgezonderd. Maar met opzet gebruik ik het woord schijnt. Wie de geciteerde passage nauwkeurig leest, ontdekt al spoedig, dat Vondel onder vertaling-in-dichtvorm iets heel anders verstaat dan wij: niet een ‘her-dichting’, maar een berijming van de proza-vertaling die de dichter éérst heeft gemaakt. Het proces voltrekt zich voor hem in twee onderscheiden fasen. De oorspronkelijke tekst wordt in proza overgezet, liefst zo letterlijk mogelijk; daarna wordt dit proza op rijm gebracht, liefst ook weer zo letterlijk mogelijk. Als wij dit voor ogen houden, worden ons verschillende punten duidelijk:

 

a.Vondel's ‘keuze’ tussen proza en poëzie betreft niet de aanpak van zijn vertaling, maar slechts de fase waarin hij die publiceert.
b.Zijn ‘revolutionaire’ daad is slechts in zoverre revolutionair, dat hij de eerste en voorlopige fase van zijn vertaling uitgeeft in plaats van ze enkel als uitgangspunt te gebruiken voor de berijming.
c.Zijn latere bewerking-in-verzen is alleen maar de voortzetting van het werk, dat hij in 1646 na de eerste fase had onderbroken.
d.Het ‘probleem’ van de proza-vertaling laat zich terugbrengen tot de vraag, waarom Vondel in 1646 meende met de eerste fase te mogen of te moeten volstaan.

 

In de Opdracht aan Huygens wordt op dit laatste punt een ondubbelzinnig antwoord gegeven: vanwege de meerdere tekstgetrouwheid. Er is geen reden aan de oprechtheid van deze motivering te twijfelen. Alleen verklaart zij niet, waarom Vondel daar juist in 1646 zoveel waarde aan ging hechten, terwijl hij tevoren zijn vertalingen van poëzie uitsluitend in dichtvorm had gepubliceerd. In mijn vorige paragraaf heb ik geprobeerd de achtergronden aan te geven, waaruit en waardoor dit zou kunnen worden verklaard. Als mijn beschouwingen niet al te ver bezijden de waarheid liggen, verkeerde Vondel in een soort ‘epische impasse’; hij kon de moed of de bezieling niet opbrengen om zijn proza-vertaling in dichtvorm te bewerken. Bewust of onbewust maakte hij nu van de nood een deugd, door het voor te stellen alsof zijn niet-kunnen een niet-willen was en hij nooit méér had beoogd dan het voorzien in de behoefte aan een letterlijke vertaling, zoals die alleen in proza mogelijk was. Bij het schrijven van zijn Opdracht had hij zich waarschijnlijk met die gedachte al zó vertrouwd gemaakt dat hij er zelf in geloofde.

Ik geef nogmaals toe, dat dit niet te bewijzen valt. Er is stellig plaats voor andere opvattingen, minder gecompliceerd en misschien juister. Maar ik meen dat mijn hypothese in ieder geval overweging verdient. Zij geeft een verklaring voor een tijdelijke omzwaai bij Vondel, die opmerkelijk genoeg is om

[p. 401]

er een nodig te hebben. En om op Vondel toe te passen wat hij in zijn Opdracht over Vergilius zegt: ‘Ick zagh hem dan niet nader nochte eigentlijcker uit te beelden’.

 

Vondel maakt in zijn Opdracht nòg een opmerking, die aandacht verdient. Om Vergilius letterlijk te kunnen vertalen, moet men het Latijn grondig beheersen, en Vondel is er zich van bewust op dat punt tekort te schieten. Huygens zal in zijn vertaling dan ook ongetwijfeld fouten ontdekken. Hij excuseert zich daar bij voorbaat voor, en verklaart dankbaar te zullen zijn voor opmerkingen die een eventuele herdruk van zijn werk ten goede zouden kunnen komen. In de Opdracht zelf doet hij dit met een elegante tournure, die voor niet-ingewijden de bezorgdheid over de qualiteit van zijn vertaling enigszins camoufleert. Maar in zijn brieven aan Huygens en Hooft, ter begeleiding van de hun toegezonden exemplaren van de Vergilius-in-proza, spreekt hij zich directer uit. Het is de moeite waard, de drie passages naast elkaar te leggen en met behulp van elkaar te interpreteren.

In de Opdracht herinnert Vondel eraan, dat hij bij zijn pogingen ‘onze tael te bouwen’, d.w.z. het Nederlands tot een cultuurtaal te maken, altijd veel profijt heeft gehad van vertalen ‘met overlegh van taelkondigen’ (reg. 54-56). ‘Taelkondigen’ moeten wij hier verstaan als: Humanistisch gevormde vrienden, die het Latijn - en voor de vertaling van Elektra het Grieks - grondig beheersten en in de meeste gevallen bovendien geïnteresseerd waren in de ontwikkeling van een Nederlands dat in expressief vermogen niet voor de talen van de Oudheid behoefde onder te doen. Het ‘overlegh’ met deze ‘taelkondigen’ - die Vondel even verder aanduidt als zijn ‘Mecenaten’ in de zin van ‘helpende vrienden’ - omvatte, zoals men weet,37 alle variaties tussen ‘samen met hen vertalen’, ‘controle van wat hij zelf had overgezet’ en ‘raadplegen ter oplossing van bepaalde moeilijkheden’. Die samenwerking was, betoogt Vondel, bijzonder vruchtbaar. Immers:

Verscheide oordeelen schieten verscheide stralen uit, en zien de dingen van alle kanten door en weder door, terwijl een eenig oordeel maar een' eenigen strael uitschiet, en arm by den rijckdom van velen is... (reg. 56-59)
Maar juist ditmaal, nu het er meer dan ooit op aankwam omdat hij een letterlijke vertaling voor het grote publiek beoogde, had hij praktisch alleen38 gestaan:
...doch naerdien zommige Mecenaten der Poëzye overleden, anderen elders bezigh zijn, most men zich aldus behelpen, en met zijn eige riemen wat te langkzamer voortroeien, tot dat dit werck by schrandere herssenen met der tijt rijper opgenomen (indien het die eere gebeure) allengs meer geslepen en gladder gepolijst werde. (reg. 59-63)

In zijn brief aan Hooft, die eerder geschreven werd dan die aan Huygens

[p. 402]

wiens momentele verblijfplaats Vondel niet bekend was,39 uit de dichter zich meer expliciet:

Mishaeght u iet van het myne, my zou lief zyn met der tijt iet aengetekent te zien; om het te verbeteren. [...] Onze Mecenaten smilten vast. Reael leit in de Westerkerck. Plemp, Baeck,40 Blaeuw, Victoryn en Mostert leggen in de Nieuwe Kerck onder de zerck gekropen, een teken, dat wy volgen zullen: Godt geve ter zalige ure. Onze goede en wyze Grotius is oock al hene.41

De eerste zin uit dit citaat keert in de kort daarop geschreven brief aan Huygens vrijwel letterlijk terug, terwijl ook de Opdracht er een echo in vindt:

Mishaegt uwe Ed. iet van het myne, my zou eere geschieden met der tyt iet aengetekent te zien; om het in den naesten druck te verbeteren. Hoe naeu men toeziet, men begaet hier en daer lichtelyck noch al eenige misslagen. Zommige Mecenaten zyn my afgestorven; en de Drost heeft het nu te drock met zyn Historien: anders kon men verscheide oordeelen gebruicken, dat veel aenwint. Myn Heer zie myn goede genegenheit en niet myn onvermogen aen.42

In combinatie met elkaar laten de drie citaten er m.i. geen twijfel aan bestaan, dat het hier niet gaat om een bescheidenheids-topos zonder meer, maar om een oprecht gemeende captatio benevolentiae. Ook hier blijkt de juistheid van Geerts' opmerking ‘dat Vondel [...] zijn eigen kundigheid wantrouwde en de hulp van anderen inriep’:43 in dit geval hulp achteraf, die hem in staat zou stellen zijn fouten ‘in den naesten druck te verbeteren’.

§ 5. De ‘Aeneis’ in proza

In overeenstemming met het onderwerp van mijn boek beperk ik mij in deze paragraaf tot een bespreking van Vondel's Aeneis-in-proza, die trouwens het overgrote deel van zijn Vergilius-vertaling uitmaakt en zonder bezwaar kan worden beschouwd als representatief voor het geheel.

Reeds bij betrekkelijk vluchtige lezing vinden wij de twee punten bevestigd, die in de Opdracht aan Huygens naar voren kwamen: het streven van de dichter naar een zo letterlijk mogelijke vertaling, en zijn pogen om van druk tot druk zijn werk ‘meer geslepen en gladder gepolijst’ te maken. Ik begin dan ook met wat nader op deze beide aspecten in te gaan.

Letterlijkheid

Wat de letterlijkheid betreft, komt Verdenius - die op grond van zijn systematische vergelijking van Vondel's vertaling met de oorspronkelijke tekst als geen ander tot oordelen bevoegd mag heten - tot de conclusie:

[p. 403]

door vertalingen naar de letter, door het overnemen van Vergilius' beeldspraak en zins-constructie streeft hij er naar [...] zo dicht mogelik bij zijn voorbeeld te blijven; vrije vertalingen, bekortingen of uitbreidingen en moderniseringen zijn betrekkelik zeldzaam. (WB VI, 22)
Van de voorbeelden, waarmee Verdenius deze uitspraak adstrueert, neem ik er ter illustratie enkele over. In Aen. I, 297-301, wordt Mercurius door Jupiter naar de aarde gezonden om de Karthagers gunstig te stemmen ten opzichte van de Trojanen die door de storm naar hun kust zijn gedreven; om aan deze opdracht te voldoen ‘volat ille per aëra magnum // Remigio alarum’. De twee door mij gecursiveerde woorden laten zich het best weergeven als: op de roeibeweging van zijn vleugels. Maar Vondel houdt zich dichter bij het Latijn en vertaalt: ‘Hij vlieght door de ruime lucht, op de riemen zijner vleugelen’ (WB VI, 378, reg. 334). - In Aen. III, 191, vertelt Aeneas: ‘Vela damus vastumque cava trabe currimus aequor’ (wij gaan onder zeil en doorklieven met ons schip de wijde vlakte der zee). Vondel handhaaft hier de betekenis van ‘currimus’ als ‘lopen’, en geeft ‘cava trabs’ niet weer als pars pro toto voor ‘schip’, maar vertaalt beide woorden letterlijk. Zo komt hij tot: ‘(Wy) gaen t'zeil, en loopen met den hollen balk over den woesten waterplas’ (WB VI, 498, reg. 245-246). Het is duidelijk dat een zó ver doorgevoerde letterlijkheid de verstaanbaarheid van de tekst niet ten goede komt. - Datzelfde geldt ook voor de overname van de Latijnse zinsconstructie bij de weergave van Aen. III, 641-644:44
want zoo afgrijsselijck en zoo groot als dees Polyfemus is, die zijn ruige schapen in de holle spelonck sluit, en hunne uiers melckt; zulcke hondert andere onnatuurlijcke Reuzen onthouden zich gemeenelijck in deze boght, en doorsnuffelen het hoogh geberghte. (WB VI, 534-536, reg. 708-712)

Vondel moet zelf ook tot het inzicht gekomen zijn, dat hij in zijn zucht naar letterlijkheid wel eens te ver was gegaan. Verdenius merkt daarover op:

Het is opmerkelik dat hij, bij de herziening en latere uitgaven van zijn prozatekst, iets vrijer tegenover zijn Latijnse voorbeeld is gaan staan. Verschillende woordelike vertalingen, die zijn tijdgenoten stellig ongewoon, soms gekunsteld moesten schijnen, heeft hij in de herdrukken vervangen door meer Hollandse constructies, wendingen en woorden. (WB VI, 22)
Een goed voorbeeld levert de vertaling van Aen. III, 157, waar de door Aeneas meegenomen Trojaanse Penaten hem verschijnen en o.m. zeggen: ‘Nos tumidum sub te permensi classibus aequor’ (wij hebben onder uw leiding met de vloot de weg over de onstuimige zee afgelegd). Aanvankelijk had Vondel permensi letterlijk vertaald: ‘wy hebben onder uw geleide, de bruizende zee met de vloot gemeten’ (WB VI, 496, reg. 209-210). In 1659 vervangt hij echter het laatste woord door overgevaren; blijkbaar is hij tot het inzicht gekomen, dat ook bij letterlijk vertalen met het figuurlijk gebruik van de woorden rekening mag worden gehouden. In diezelfde herdruk is ook de àl te

[p. 404]

Latinistische vertaling van ‘magnorum horrentia centum // Terga suum’ (Aen. I, 634-635) als ‘hondert geborstelde ruggen van groote zwijnen’ (WB VI, 404, reg. 671-672) verbeterd tot ‘hondert groote zwijnen’.45 Terecht herinnert Verdenius (WB VII, 863) in dit verband aan Vondel's eigen waarschuwing in zijn Aenleidinge ter Nederduitsche Dichtkunste van 1650, dat men ‘oock niet al te Latijnachtigh’ dient te spreken.46

Overigens moet men zich dit streven naar letterlijkheid niet àl te rechtlijnig voorstellen. Ook in de eerste uitgave wordt het doorkruist en gemitigeerd door tegengestelde tendensen. Tegenover het behoud van de Latijnse zinsconstructie staat herhaaldelijk het afwijken daarvan om tot een beter en vloeiender Nederlands te komen. Een der fraaiste voorbeelden vindt men in Vondel's vertaling van Aen. IV, 136-139: de verschijning van Dido uit haar paleis om zich aan het hoofd te stellen van de jachtstoet die haar opwacht. De Latijnse versregels staan als het ware stijf van constructies die in het Nederlands niet te handhaven zijn.47 Vondel doet daartoe dan ook geen enkele poging en vertaalt ‘vrij’. Het resultaat is niet alleen voortreffelijk Nederlands, maar weet bovendien de plastische werking en het spel met ‘goud’ en ‘gouden’ uit de oorspronkelijke tekst geheel onaangetast te laten:

Ten lange leste komtze met al haren stoet en sleep voor den dagh, en heeft eenen Sidonischen jaghtrok met een geborduurde lijst [= rand] aen, eenen gouden pijlkoker op den rugh, het hair met gout opgesnoert, en haer purperen kleet met een goude gespe opgehaeckt. (WB VI, 554-556, reg. 180-184)
In deze zin treffen wij tevens een voorbeeld van een andere tendens bij Vondel aan: die om door een kleine uitbreiding een wat zwaarder accent op bepaalde details te leggen dan Vergilius doet. Zo geeft hij hier ‘caterva’ weer als ‘stoet en sleep’, een hendiadys die niet enkel beschouwd kan worden als weergave van magna - reeds adaequaat vertolkt door al haren - en het majesteitelijke aspect van Dido's gevolg versterkt. In de aan het citaat voorafgaande beschrijving van de zich formerende jachtstoet komt nog een ander voorbeeld van zo'n uitbreiding voor. Bij Vergilius (Aen. IV, 132) leest men: ‘Massylique ruunt equites et odora canum vis’ (Massylische ruiters komen aanrennen en honden met scherpe reukzin). Vondel kan de verzoeking niet weerstaan de ‘honden met scherpe reukzin’ (speurhonden) wat breder en plastischer ten tonele te voeren.. Hij vertaalt: ‘Massylische ruiters en maghtigh veel winthonden en bracken, scherp van reuck, komen daer aengesprongen’ (WB VI, 554, reg. 174-175). Hij verzwaart dus het accent door toevoeging van maghtigh veel,48 hij specificeert het algemene ‘honden’ door winthonden en bracken te noemen, en hij kiest met ‘komen daer aengesprongen’ een verbum dat veel beter bij de honden past dan bij de ruiters.

[p. 405]

De accent-verzwaring, die Vondel aanbrengt, heeft vaak een emphatisch karakter. Zo al dadelijk bij de weergave van Aen. I, 94b-96a. Terwijl de storm zijn vloot teistert, roept Aeneas vertwijfeld uit: ‘O terque quaterque beati // Quis ante ora patrum, Trojae sub moenibus altis, // Contigit oppetere!’ Vondel vertaalt nauwkeurig wat er staat; alleen versterkt hij het ‘driewerf, ja vierwerf gelukkig’ tot duizentmael geluckiger: ‘o duizentmael geluckiger dan wy waren deze, wien het moght gebeuren, onder de hooge muren van Troje, in 't gezicht hunner ouderen, te sterven’ (WB VI, 360-362, reg. 129-131). - Een tweede voorbeeld vinden wij in zijn vertaling van Aen. IV, 683b-685a. Als Anna zich naar de brandstapel spoedt waar haar zuster Dido ligt te zieltogen, roept zij de dienaressen toe: ‘Date, vulnera lymphis // Abluam, et, extremus si quis super halitus errat, // Ore legam’ (geef water, dat ik daarmee de wonden afwasse en, als er nog een laatste adem over is, die met mijn mond opvange). Bij Vondel: ‘Brengt toch water, dat ick de wonden afwassche, en haeren lesten adem (zoo 'er noch adem en leven in is) met mijnen mont magh zuigen en inzwelgen’ (WB VI, 602, reg. 776-778); behalve door zijn woordkeus versterkt Vondel hier tot tweemaal toe de emphase tevens door een variërende herhaling.

Naast de accentuerende en emphatische uitbreidingen vallen er ook verklarende toevoegingen op te merken. Ondanks zijn streven naar letterlijkheid aarzelt Vondel niet in zijn vertaling - naar het gebruik van zijn tijd49 - de toelichting te verwerken die hij voor een goed verstaan van de tekst nodig acht. Soms gaat het daarbij om een eenvoudige toevoeging van hem zelf; zo vertaalt hij ‘Maia genitum’ (Aen. I, 297) als ‘Merkuur, Majas zoon’ (WB VI, 376, reg. 331). Maar in de meeste gevallen zijn de toelichtende uitbreidingen ontleend aan de commentaren die hij geraadpleegd, heeft, met name die van Farnabius. Ik geef daarvan een tweetal voorbeelden, ontleend aan de desbetreffende lijst van Geerts.50 Beide komen voor in de passage, waar Aeneas in Epirus Helenus, een zoon van Priamus, als koning aantreft en Andromache, Hektor's weduwe, als diens koningin (Aen. III, 294 vv.). Wanneer de held deze laatste naar haar wedervaren vraagt sinds de ondergang van Troje, ‘Dejecit vultum et demissa voce locuta est’ (vs.320: zij sloeg de ogen neer en sprak met neerslachtige stem). Farnabius verklaart het neerslaan van de ogen door daarbij te noteren: Pudibunda, en Vondel verwerkt deze toelichting in zijn vertaling: ‘Zy sloegh beschaemdelijk haer oogen neder, en sprack flaeuhartigh’ (WB VI, 508, reg. 376-377). Even later is het Andromache's beurt om vragen te stellen. Onder meer wil zij weten hoe het gaat met Ascanius ‘Quem tibi jam Troja ...’ (vs.340: die u, toen Troje reeds ...). De rest van de zin ontbreekt; wij hebben hier te doen met een van de plaatsen die Vergilius bij zijn dood nog niet voltooid had. Farnabius tekent hierbij aan: ‘Supplent alii: Quem tibi iam Troia peperit fumante Creüsa’ (Sommigen vullen aan: die Creüsa u gebaard heeft terwijl Troje reeds in rookwolken gehuld was). Vondel neemt deze aanvulling zonder meer over: ‘dat kleentje, waer van Kreüze gelagh, toen Troje in lichten brant stont’ (WB VI, 510, reg. 397-398).51

[p. 406]

Fouten en verbeteringen

De veranderingen en verbeteringen, die Vondel in de her-uitgaven van zijn proza-vertaling en met name in de druk van 1659 heeft aangebracht, vallen voor de gebruiker van de WB-editie - dank zij de presentatie-methode van Verdenius52 - gemakkelijk te overzien. Lang niet al die veranderingen betreffen de juistheid van de vertaling of mitigatie van het ‘al te Latijnachtigh spreken’. Terecht heeft Verdenius erop gewezen dat daarnaast belangrijk materiaal geboden wordt, waaruit tal van gegevens kunnen worden afgeleid omtrent Vondel's ontwikkeling en experimenten op het gebied van grammatica, syntaxis, woordgebruik, spelling en interpunctie: ‘Een systematiese ordening en nadere beschouwing van al deze afwijkende lezingen is zeer gewenst en zou ongetwijfeld een lonende arbeid zijn’. Wat wij eruit kunnen opmaken omtrent ‘Vondels vertaalwijze en vertaalkunst in verband met zijn kennis van het Latijn’, is slechts één aspect van de gegevens die zij verschaffen (WB VII, 863). In het kader van mijn onderzoek is dit echter het belangrijkste aspect, zodat ik mij in het onderstaande daartoe beperkt heb.

Volgens Verdenius mogen wij veilig aannemen dat Vondel zelf

verschillende onjuistheden in zijn werk heeft ontdekt. De vertaling in verzen, die niet zonder raadpleging van het Latijnse origineel tot stand kwam, noopte hem herhaaldelik tot een hernieuwde bestudering van Vergilius' tekst. Maar stellig zal hij ook in de loop der jaren van verschillende zijden op- en aanmerkingen hebben ontvangen, waarmee hij zijn voordeel heeft gedaan. (WB VII, 863)
Ik ben geneigd aan de ‘op- en aanmerkingen’ van anderen een groter aandeel in de verbeteringen van het eigenlijke vertaalwerk toe te kennen dan Verdenius doet. Wij hebben hierboven gezien, met hoeveel nadruk Vondel, zowel in zijn Opdracht als in zijn brieven aan Hooft en Huygens, om kritische kanttekeningen vroeg die hem in staat zouden stellen tot het aanbrengen van verbeteringen bij een herdruk.53 Weliswaar spreekt hij daarbij niet expliciet over vertaalfouten, maar uit de context blijkt duidelijk genoeg dat hij die wel degelijk óók of zelfs in de eerste plaats op het oog heeft. Wij mogen aannemen dat eenzelfde verzoek, mondeling zowel als schriftelijk, ook tot anderen werd gericht. En al hebben wij daarvoor geen rechtstreeks bewijs,54 ongetwijfeld zal deze aandrang wel enig positief resultaat hebben opgeleverd. Met name in de duodecimo-uitgave van 1646 en in de herdruk van 1652 zijn de verbeteringen van de eigenlijke vertaling zó incidenteel dat zij eerder aan opmerkingen van buitenstaanders dan aan hernieuwde studie van de dichter lijken

[p. 407]

te moeten worden toegeschreven. In de druk van 1659 ligt de zaak enigszins anders. Hier is inderdaad sprake van een serieuse herziening. Ik kan mij echter niet aan de indruk onttrekken, dat deze vooral de taal en de stijl betrof, en dat de verbeteringen ten opzichte van het Latijn ook hier secundair blijven. Natuurlijk verbeterde Vondel wat hij sinds 1652 als onjuist had onderkend, maar zijn correcties hebben een te incidenteel karakter om een systematische hertoetsing aan de oorspronkelijke tekst waarschijnlijk te maken. Ik zou eerder willen aannemen dat Vondel volstond met het overnemen van de verbeteringen, die hij na 1652 in zijn handexemplaar van de druk uit dat jaar had aangebracht.

Hoe dit intussen ook zij, de onjuistheden en onnauwkeurigheden in Vondel's vertaling, zowel die welke in de latere drukken verbeterd werden als die welke gehandhaafd bleven, zijn stellig interessant genoeg om ‘een systematiese ordening en nadere beschouwing’ te rechtvaardigen, zoals Verdenius die ten aanzien van de afwijkende lezingen in het algemeen aanbeveelt. Wij zouden willen weten, hoe het staat met de ernst van de fouten die Vondel maakt, van welke aard zij zijn, in hoeverre daaronder bepaalde typen geregeld terugkeren, welke Latijnse woorden en constructies hem de meeste moeite kosten, onder welke omstandigheden de kans op een fout het grootst is. Een onderzoek naar dit alles zou moeten worden verricht door een classicus, die tevens genoegzaam met het 17de-eeuwse Nederlands vertrouwd is om rekening te kunnen houden met betekenis- en gevoelsnuances van de woorden. Zulk een onderzoek valt dus niet alleen buiten het bestek van deze studie, maar ook buiten dat van mijn bevoegdheid. Met een enkel voorbeeld wil ik echter - voor zover dat op grond van een aantal steekproeven en zonder verdere apparatuur dan de annotatie van Verdenius mogelijk is - trachten enigszins nader te concretiseren wat ik bedoel.

Hierboven is al even ter sprake gekomen, dat Vondel eerst langzamerhand is gaan begrijpen dat een woord ook in zijn figuurlijke betekenis ‘letterlijk’ kan worden vertaald.55 Deze neiging van de dichter om de Latijnse woorden bij voorkeur in hun meest strikte, beperkte zin weer te geven, ook als Vergilius ze in een ruimere, secundaire betekenis gebruikt heeft, veroorzaakt soms fouten. Zo vertaalt hij in 1646 stabula steeds met ‘stal(len)’, hoewel uit de context meermalen blijkt dat er ‘weideplaats(en), weideveld(en)’ wordt bedoeld. Vgl. Aen. VIII, 207 en 213, met WB VI, 834, reg. 227 en 232, waar in het laatste geval de onjuiste weergave van stabula tot een verdere fout in de vertaling leidt.56 In 1659 zijn beide plaatsen gecorrigeerd. Maar in de vertaling van Aen. X, 723, is ‘stallen’ blijven staan (WB VII, 84, reg. 778), ook in de bewerking in verzen (WB VII, 85, vs.1095), ondanks de onwaarschijnlijkheid van de voorstelling die daardoor ontstaat. Het gaat hier namelijk om de Homerische vergelijking van een vechtende held met ‘een afgevaste leeuw, die van dollen honger aengedreven, menighmael door de ruime stallen loopt snuffelen’, op zoek naar een prooi. De argeloze lezer vraagt zich onwillekeurig met enige verbaasdheid af, hoe de leeuw tot in de stallen heeft weten door te dringen. - Een soortgelijk geval signaleert Verdenius naar aanleiding van Aen. III, 431, waar het woord vastus voorkomt in de secundaire betekenis

[p. 408]

van: reusachtig, onmetelijk. Vondel geeft het echter in zijn primaire zin weer als ‘woest’ (WB VI, 518, reg. 493). Verdenius tekent daarbij aan: ‘Vondel vertaalt vastus meermalen ten onrechte door woest’.

Hier is ongetwijfeld aanleiding om van een ‘typische’ fout te spreken. Maar wij moeten voorzichtig blijven met generaliseren! Want opeens is er dan weer een voorbeeld van het tegenovergestelde. Bij de ontmoeting van Aeneas en Andromache in Epirus57 wil de laatste ook over de kleine Ascanius weten: ‘Ecqua tamen puero est amissae cura parentis?’ (Aen. III, 341; ‘denkt het kind nog aan zijn verloren moeder?’). Vondel vat parens hier echter op in de secundaire betekenis van ‘moederstad, vaderland’ en vertaalt: ‘Denckt de knaep noch wel om zijn verloren vaderlant?’ (WB VI, 510, reg. 398-399). - Het doet alles nogal verwarrend aan. Telkens weer blijkt de juistheid van wat Verdenius heeft geconstateerd: ‘consequentie vindt men bijna nergens’ (WB VII, 864). Maar ook deze inconsequentie verdient nader onderzoek. Valt daarin misschien toch enige lijn te ontdekken of kan zij in bepaalde gevallen verklaard worden? Dank zij Geerts kunnen wij ten aanzien van Andromache's vraag of Ascanius nog aan zijn moeder denkt, onmiddellijk het antwoord geven. Vondel's vertaling naar de secundaire betekenis van parens blijkt te berusten op de commentaar van Stephanus of Taubmann, die beiden Aen. III, 341 parafraseren als ‘Doletne perditam patriam?’ (betreurt hij zijn verloren vaderland?).58 In hoeverre is ook in andere gevallen van schijnbare inconsequentie iets dergelijks in het spel?

De indruk, die mijn steekproeven hebben achtergelaten, is dat Vondel in het algemeen nauwelijks èrnstige vertaalfouten maakt. Het gaat vrijwel altijd om kleine onjuistheden of onnauwkeurigheden, in de trant van de hierboven besprokene, of veroorzaakt door het op elkaar betrekken van woorden die in het Latijn niet bij elkaar horen, een enkele maal ook als gevolg van slordig lezen. De verstaanbaarheid van de vertaling wordt er meestal weinig door aangetast. De onduidelijkheden in de tekst komen veel minder voort uit concrete ‘fouten’ dan uit het feit dat Vondel de bedoeling van Vergilius niet precies begrepen heeft en dan maar op goed geluk zo letterlijk mogelijk weergeeft wat er staat. Natuurlijk is ook dit een ernstig tekort. Men moet daarbij echter in aanmerking nemen, dat de onduidelijkheid niet altijd volledig voor rekening van Vondel behoeft te komen; ook de Aeneis heeft zijn moeilijke plaatsen en zijn cruces.

Stijl en toon

De eigenaardigheden, waarvan ik er enkele besproken heb, drukken hun stempel op Vondel's vertaling. Vooral de geforceerde letterlijkheid en de emphatische versterking doen zich in dat opzicht gelden. Daarnaast wil ik ook nog wijzen op de persoonlijk-gekleurde weergave van bepaalde uitdrukkingen, waarmee Vondel geregeld verrast. Als b.v. Aeneas in het gebied van de Harpijen terecht is gekomen, voorspelt de oudste van haar - ‘Celaeno, // Infelix vates’ (onheilsprofetes); Aen. III, 245b-246a - hem een toekomst vol moeilijkheden. Vondel vertaalt: ‘Celeno, die altijt onweer kraeit’ (= altijd slecht weer voorspelt; WB VI, 502, reg. 299). Het komt op hetzelfde neer, en Vondel zal dit ongetwijfeld niet als een afwijking van de tekstgetrouwheid

[p. 409]

hebben beschouwd. Maar al is de betekenis dezelfde, de gevoelswaarde is anders. - In nog sterkere mate is dit het geval bij de vertaling van invisa in Aen. II, 574. Daar ontdekt Aeneas, nadat hij op zijn zwerftocht door het brandende Troje getuige is geweest van de moord op Priamus, in de tempel van Vesta de oorzaak van alle rampen, Helena, die invisa bij het altaar zit. Er zijn twee mogelijkheden om dit woord te vertalen: ‘onopgemerkt’ en ‘(door allen) gehaat’. Vondel gaat echter een eigen weg. Hij geeft het niet weer naar zijn uiterlijke betekenis, maar naar de innerlijke die berust op de gevoelens van Helena: ‘schuw voor alle man’ (WB VI, 462, reg. 606).

Het gevolg van dit alles is, dat Vondel's Aeneis-in proza naar stijl en toon ànders geworden is dan het oorspronkelijke epos. Zijn vertaling heeft een eigen, Vondeliaans karakter dat zich moeilijk in enkele woorden laat samenvatten. Ook hier is nader onderzoek gewenst. Wat wij nodig hebben, is een studie die de resultaten van een vergelijking tussen origineel en vertaling analyseert, verklaart en karakteriseert: een studie zoals J.D. Meerwaldt er een geschreven heeft over Vondel's vertalingen van Griekse tragedies,59 en liefst nog wat uitgebreider. Meerwaldt komt tot de slotsom dat deze vertalingen ‘zich in hun totaliteit wellicht het best karakteriseren als composietproduct van twee gelijktijdig, zij het niet steeds in dezelfde krachtverhouding werkzame stijl-tendenties’: een bewust klassiek-harmonische en een onbewust Senecaans-excessieve.60 Dezelfde twee tendensen zijn - dat valt al af te leiden uit de enkele notities die ik hierboven maakte - duidelijk óók in de proza-vertaling van de Aeneis aan het werk. In het algemeen trouwens vindt men bij lezing van Meerwaldt's studie telkens elementen gesignaleerd, die evenzeer voor de vertaling van 1646 gelden.

Die overeenkomsten maken echter de door mij bedoelde analyse niet overbodig. De tragedie-vertalingen, welke Meerwaldt heeft onderzocht, zijn in dichtvorm bewerkt, wat betekent dat de dichter genoodzaakt was - zoals hij het in de Opdracht van 1646 aan Huygens uitdrukt - ‘doorgaens met geleende pluimen van rijm-en-noodige stopwoorden’ de oorspronkelijke tekst aan te vullen. Het eigen element is er dus sterker dan in de Vergilius-in-proza, waar Vondel probeerde ‘zonder afdoen of toedoen’ te vertalen. Als desondanks de door Meerwaldt gesignaleerde ‘onbewuste stijl-tendentie’ zich óók in dit proza doet gelden, zegt dit méér omtrent de stuwkracht daarvan. Een nader onderzoek zou de conclusies van de Amsterdamse classicus dus kunnen preciseren. Bovendien lijkt het mij niet onmogelijk, dat wij er beter door zouden gaan begrijpen wàt Vondel met een tekstgetrouwe vertaling compatibel acht en wat niet - misschien zelfs waarom en wanneer op bepaalde momenten bij hem de natuur (de onbewuste stijl-tendentie) sterker wordt dan de leer (de bewuste tendentie van tekstgetrouwheid).

Geerts heeft het oordeel over Vondel als Latinist waarschijnlijk wel voorgoed vastgelegd, toen hij de Vergilius-vertaling van 1646 karakteriseerde als ‘een middelmatige overzetting van een groot taalkunsenaar’.61 Dat oordeel is ongetwijfeld juist. Maar de mate waarin Vondel het Latijn beheerste, de

[p. 410]

fouten die hij maakte en de onnauwkeurigheden die hij bij het vertalen beging, vormen - althans voor de Aeneis62 - niet het meest karakteristieke aspect van die overzetting. Het blijven tenslotte min of meer externe factoren. Van veel essentiëler betekenis is naar mijn mening het feit, dat de vertaling tevens een transpositie blijkt. Vondel brengt de Aeneis over in een andere toonsoort en een andere stijl: emphatischer dan het origineel, zwaarder en weelderiger in woordgebruik, drukker, onrustiger. Ik bedoel deze adiectieven niet peioratief en gebruik ze enkel ter typering. Of men dit verschil negatief dan wel positief wil waarderen, is een kwestie van persoonlijke voorkeur en smaak.

Twee proeven van vertaling

Hoewel Vondel's proza-vertaling van de Aeneis dank zij de WB-editie voor ieder gemakkelijk bereikbaar is, meen ik er goed aan te doen in deze paragraaf volledigheidshalve toch een tweetal proeven daaruit op te nemen. Ik laat een vergelijking met de Latijnse tekst nu echter achterwege; er zou slechts door bevestigd worden wat hierboven reeds werd opgemerkt. Het is er mij hier enkel om te doen, een indruk te geven van de leesbaarheid en verstaanbaarheid van Vondel's proza, zoals zijn tijdgenoten dat onder ogen kregen. Ik koos daartoe enerzijds een ‘gemakkelijke’, anderzijds een ‘moeilijke’ passage, waarbij de eerste tevens tot de meest beroemde en de tweede tot de minder bekende gedeelten van de Aeneis behoort.

Mijn eerste fragment betreft de verschijning van Creüsa's schim aan Aeneas in de nacht van Troje's ondergang: Aen. II, 771-794. Vondel geeft dit als volgt weer:

Terwijl ick haer aldus zocht, en al razende, zonder ophouden, huis in, huis uit, door de stadt liep, verscheen my Kreüzes ongeluckige geest en gedaente zelf, grooter van gestaltenisse, dan ickze gekent hadde. Ick stont verbaest, mijn hair te bergh, en kon geen geluit slaen. Toen sprackze my dus aen, en benam my de zorge met deze woorden: mijn lieve man, wat mooghtge u te vergeefs aldus afslaven? Dit gebeurt niet zonder wil en beleit der Goden: en ghy mooght Kreüse niet van hier met u nemen: d'opperste hemelvooght laet u dat niet toe. Ghy moet lang in ballingschap omzwerven, en een wilde woeste zee overvaren. Ghy zult in Hesperie belanden, daer de Lydische Tyber langkzaem afvloeit, door het vette lant, dat mannen uitlevert. Daer zal u weelde, een koningkrijck en Koningklijcke dochter ten deele vallen. Schrey niet meer om uwe beminde Kreüze: want ick, Dardans afkomst en Venus schoondochter, zal de trotse gebouwen der Myrmidonen en Dolopen niet zien; nochte Griecksche Jofferen gaen dienen; naerdien de groote Moeder der Goden my hier in dit gewest met der woon houdt: nu vaer wel, en volhardt in de liefde van ons beider zoon. Toenze dit gezeit hadde, verlietze my, die vast weende, en noch veel zeggen wou, en zy verdween in de dunne lucht. Driewerf pooghde ick toen haer t'omhelzen: driewerf greep ick vergeefs naer heuren geest, die my, gelijck een lichte wint en vlugge slaep, ontglipte.
(WB VI, 476-478, reg. 801-823)
Deze passage kan ook Vondel's niet-Humanistisch-onderlegde lezers nauwe-

[p. 411]

lijks moeilijkheden hebben opgeleverd. Hoogstens zullen de namen voor hen weinig inhoud gehad hebben, en zal ‘de groote Moeder der Goden’ een vaag begrip gebleven zijn dat zij uit de context wellicht als ‘doodsgodin’ hebben geïnterpreteerd. Maar dat stond het begrijpen van de episode niet in de weg. Vondel's tekst is duidelijk en beeldend genoeg om bij de lezer een voorstelling wakker te roepen waaraan hij houvast heeft. De ‘vreemde namen’ zal deze ervaren hebben als een soort ‘exotische’ ornamentiek die herinnerde aan de herkomst van het verhaal uit de hem onbekende maar fascinerende wereld van de Oudheid.

Het ‘moeilijke’ fragment ontleen ik aan Aen. VIII, 233-267. Evander, de koning van Pallanteum - gebouwd op de Aventinus, waar later het hart van Rome zou liggen - verklaart daar aan Aeneas, waarom zijn volk en hij jaarlijks een offerfeest vieren ter ere van Hercules. Deze heeft namelijk het rooken vuurspuwende monster Cacus, half mens half dier, gedood, dat de streek terroriseerde. Toen Hercules met de runderen van de door hem overwonnen Geryon voorbijtrok, had Cacus er een aantal van gestolen en ze verborgen in zijn onderaardse hol. Door het loeien van een der gestolen dieren ontdekte Hercules de diefstal en het bestaan van het hol. Ondanks al zijn pogingen slaagde hij er echter niet in, de ingang open te breken. Maar:

Op den rugh der speloncke, rontom met afgebroke steenrotsen omheint, stont een scherpe klip, die heel hoogh uitstack, een recht broeinest voor heilooze vogels.63 Herkules deze klip, die aen de slincke zijde des heuvels over den stroom helde, met zijn rechte hant aengrijpende, verwrickte en scheurdeze los van haren wortel; stietze daer na haestigh van boven neêr, zoo dat de lucht overwijt van den slagh wedergalmde, d'oevers daverden, en de stroom van verbaestheit64 te rugh sprongk. Toen quam Kakus moorthol en diep roofnest naeckt aen den dagh, en de beschaduwde moortkelders lagen geheel open: niet anders gelijck of het aertrijck, ergens van onder opgereten, den helschen poel ontdeckte, en het Rijck des doots, zoo gehaet by de Goden, opsloot,65 zoo dat men, van boven in den afgrijsselijcken afgront, de zielen voor 't inschijnende licht zagh sidderen. Weshalve Alcides van boven af met pijlen schoot, al zijn geweer te baet nam, en met vreesselijcke steenen, en dicke tacken van boomen, zonder ophouden hem te keer gingk, die strax tegens zijne hoop in het licht betrapt, in de holle steenrots besloten was, en nu afgrijsselijck tierde en brulde. Maer Kakus (want daer was geen vlughten aen) braeckte zulck eenen geweldigen damp te keele uit, dat het wonder was, en blies in het hol zulck eenen duisteren nacht en nevel, en benevelde de spelonck zoo byster, met zwarten roock en duisternisse, met vier gemengelt, dat men uit zijn oogen niet zien kon. Dit stont den moedigen Alcides niet te lijden: hy sprongk van boven neder in 't vier, daer de roock allerdickst opdreef, en de zwarte damp allermeest uit het woeste hol op quam smoken. De helt greep Kakus toen, die vast vergeefs uit de duisternisse vier en vlam spoogh, en hy knoopte hem de voeten met de handen aen een, duwde d'oogen uit den kop, en worghde zijn keel toe, zonder dat'er een druppel bloets uit quam. Terstont ruckte hy de deuren op, zette den gruwzamen

[p. 412]

moortkuil open, broght de weghgedreve ossen en den gelochenden roof66 voor den dagh, en sleepte het wanschape doode lichaem met de voeten buiten het roofnest. De menschen kunnen zich niet zadt zien aen afgrijsselijcke oogen, en aenzicht, en borstelige en ruige borst van het halve dier, en het vier, dat in zijne keel smoorde.
(WB VI, 836-838, reg. 252-287)
Hier zijn de details niet alle even duidelijk. Vondel heeft het Latijn kennelijk niet overal helemáál begrepen en vertaalt daarom niet altijd met voldoende precisie. Maar desondanks stelt zijn weergave de lezer in staat het verloop van de gebeurtenissen in grote lijn te volgen. Deze begrijpt genoegzaam wat er aan de hand is, om zich een voorstelling te kunnen vormen van de strijd tussen Hercules en het monster. Of die voorstelling op sommige punten enigszins afwijkt van wat er bij Vergilius staat, is van ondergeschikte betekenis. Het gaat erom dat hij zich iets kan voorstellen, en daarvoor geeft Vondel's hier inderdaad ‘middelmatige overzetting’ hem nog ruimschoots genoeg.

Het oordeel van de tijdgenoten

Brandt is in zijn Leven van Vondel opmerkelijk uitvoerig over ‘dat groote werk, de vertaaling van Virgilius werken in prose’. Niet alleen geeft hij, samenvattend en citerend, vrijwel de hele Opdracht weer, maar hij acht het ook de moeite waard zijn lezers op de hoogte te stellen van de ontvangst door het publiek. Daarbij laat hij zowel de voor- als de tegenstanders aan het woord komen. De laatsten worden vertegenwoordigd door Barlaeus, van wie hij uit een brief aan Huygens citeert:

Gy hebt Vondels Virgilius geleezen, of ten minste gezien, maar zonder leven, zonder mergh, en de lenden gebrooken. Indien hem Augustus las, hy zou deezen Maro niet van 't vier bevryden ten zy dat gy, geleerde man, het anders verstaat.67
Brandt tekent daarbij aan, dat Barlaeus ongetwijfeld doelde ‘op de volmaakte kunst der Latynsche vaarzen, die in Neêrduitsche prose onnaavolghbaar zyn’. Daartegenover stelt hij echter het oordeel van de bewonderaars, dat kennelijk ook het zijne is:

[p. 413]

Maar die grondige kennis hadden van de Hollandtsche taale en haare eigenschappen, oordeelden, dat zyn taal in dit werk onverbeterlyk was; en dat men nergens, daar Duitsch gesprooken wordt, iemant vinden zou, die Hollandtsche woorden en spreekwyzen zou weeten te vinden, de kracht van Maroos Latyn zoo naa uitdrukkende, als hy doorgaans hadt gedaan.68

Na alles, wat in deze paragraaf aan de orde gekomen is, kost het ons geen moeite om voor beide reacties begrip op te brengen. Voor een Latinist als Barlaeus moet alleen al het loslaten van de versvorm genoeg zijn geweest om Vondel's Vergilius ‘exsanguem’ (bloedeloos) te noemen. Daar kwam dan nog bij, dat het werk van de Latijnse dichter onder Vondel's handen getransponeerd was in de stijl van de vertaler. Voor Barlaeus kon een dergelijke transpositie alleen maar verlies betekenen: ‘moord’ op Vergilius. Vandaar zijn onvoorwaardelijke afwijzing, waarbij het opvalt dat hij blijkbaar geen oog gehad heeft voor de meerdere emphase bij Vondel; zijn adiectieven - ‘exsanguem, exuccum, elumbem’ (beroofd van bloed, van sap, van lendenkracht) - duiden alle drie enkel op slapheid.

Barlaeus had in zoverre gelijk, dat Vergilius in de vertaling à travers le tempérament van Vondel gegaan en daardoor ‘verduytscht’ was in méér dan alleen de strikte zin van dit woord. Maar de bewonderaars hadden eveneens gelijk, wanneer zij stelden dat niemand een betere - d.w.z. leesbaarder en levender - vertaling had kunnen geven dan Vondel. Zij lieten de positieve aspecten prevaleren, terwijl Barlaeus het de negatieve deed.

§ 6. Achtergronden van de ‘Ondergang van Troje’

In 1655 verscheen J.v. Vondels Ondergang van Troje. Het is de in dichtvorm overgebrachte proza-vertaling van het tweede boek uit de Aeneis, zoals die in de Vergilius-uitgave van 1646 voorkomt. Vijf jaar later vinden wij diezelfde bewerking zonder noemenswaardige wijzigingen69 terug in de volledige Vergilius-in-verzen van 1660.

Daarmee staat vast, dat Vondel halverwege de jaren vijftig bezig was met het overbrengen van zijn proza-vertaling in verzen. Er blijven echter tal van vragen over. Is hij met het tweede boek van de Aeneis begònnen? Of ging hij systematisch te werk en had hij het eerste boek voltooid, toen hij aan het tweede begon? Had hij bij de uitgave van de Ondergang al meer in manuscript gereed: het derde en misschien zelfs het vierde boek? En hoe stond het met de Bucolica en de Georgica? Had hij die voorlopig buiten beschouwing gelaten, omdat nu eenmaal zijn grote liefde de Aeneis betrof? Of werkte hij intermitterend aan de verschillende gedeelten van Vergilius' oeuvre? Deze vragen laten zich op grond van de Ondergang van Troje niet beantwoorden. Wij moeten ze voorshands dus laten rusten, in de hoop dat de volledige vers-uitgave van 1660 ons straks meer gegevens aan de hand zal doen.

Hier kunnen wij slechts trachten een beperkter probleem tot oplossing te brengen. Hoe kwam Vondel ertoe, in 1655 de dichterlijke bewerking van één enkel boek uit de Aeneis te publiceren, en waarom juist het tweede? Voor de

[p. 414]

laatste helft van deze dubbele vraag zijn wel argumenten te vinden. Het verhaal van Aeneas over de ondergang van Troje vormt een min of meer op zichzelf staand, afgerond geheel dat zich - anders dan b.v. het eerste boek - voor afzonderlijke publikatie leende. Bovendien had de Destrucyen van Troyen altijd sterk tot de verbeelding gesproken; reeds in de Middeleeuwen en de Rederijkerstijd was de ondergang van Priamus' stad een populair thema geweest. Er mocht dan ook worden verondersteld dat de Ondergang van Troje lezers zou vinden, ook buiten verband met de rest van Vergilius' epos.

Het bovenstaande maakt echter slechts duidelijk, dat een afzonderlijke uitgave van Aeneis ii voor een boekverkoper aantrekkelijk kon zijn. Het verklaart niet, waarom Vondel er als auteur belangstelling voor had en er zelfs een geheel nieuwe bewerking voor leverde. Die vraag blijft even klemmend, of wij ervan uitgaan dat Vondel ze voor deze gelegenheid schrééf dan wel ze ter beschikking stelde uit wat hij van zijn wordende Vergilius-in-verzen reeds gereed had. Wanneer het initiatief van de uitgever zou zijn uitgegaan, had deze kunnen volstaan met een afzonderlijke publikatie van Aeneis ii naar de prozavertaling van 1646. Het feit dat de Ondergang van Troje in dichtvorm verscheen, kan dus moeilijk anders verklaard worden dan uit de veronderstelling dat Vondel zelf dit zo wenste. Maar waarom deed hij dit?

Het ontbreken van interne aanwijzingen heeft er mij toe gebracht te gaan zoeken naar externe factoren, die dit zouden kunnen verklaren. En dan blijkt dat Vondel, na de verschijning van de verbeterde herdruk van zijn proza-Vergilius in 1652, twee publikaties onder ogen gehad heeft of althans gehad kàn hebben, die aanleiding geweest zouden kunnen zijn tot uitgave van zijn Ondergang van Troje.

Ik begin met de minst belangrijke, al moet ik daarvoor afwijken van de chronologische volgorde. Daar staat tegenover, dat er in dit geval geen twijfel over kan bestaan of Vondel de bewuste publikatie wel heeft gekend; het staat vast dat hij met de auteur - beter misschien: de samensteller - in relatie stond. De titel van het uitgaafje luidt:

Verhael // Van de verwoestinge des Stadts // Troje. // Uyt het tweede, en ten deele // uyt het eerste Boeck van // Virgilius. // Voorgestelt, en door levende Afbeeldinge // verthoont by eenige Amsterdamsche Studen- // ten, onder het beleyt van // D. Franciscus van den Enden. // vignet // Amsterdam, // Uyt de Druckery van Pieter la Burgh. 1654.

Franciscus van den Enden was de stichter en rector van een particuliere Latijnse school in Amsterdam, die in 1654 reeds enige jaren bestond. Een bijzondere attractie van deze school was, dat Van den Enden zijn leerlingen Latijnse en Griekse toneelstukjes liet opvoeren, soms zelfs in de schouwburg. Een uitvloeisel van deze activiteit was dat een aantal van zijn ‘studenten’ ter gelegenheid van een aanzienlijke bruiloft - die van Petrus Melis met de dochter van burgemeester Cornelis van Vlooswijck op 8 februari 1654 - de ondergang van Troje in een reeks tableaux-vivants tot uitbeelding brachten; elk tafereel werd door voordracht van de desbetreffende verzen uit de Aeneis toegelicht. Het hierboven genoemde uitgaafje is het tekstboekje bij deze voorstelling, speciaal gedrukt om aan de bruiloftsgasten te worden uitgereikt. De feestgangers vonden er niet alleen de Latijnse tekst van de passages die bij de tableaux werden voorgedragen, maar ook - ter tegemoetkoming aan degenen die dit nodig hadden, in de eerste plaats wel de aanwezige dames - de ver-

[p. 415]

taling daarvan in Nederlands proza. Hoewel Vondel niet als auteur wordt vermeld, blijkt dit proza ontleend te zijn aan diens Vergilius-vertaling, en wel in hoofdzaak naar de duodecimo-uitgave van 1646, zoals Verdenius heeft vastgesteld.70

Ik zie niet goed, hoe van dit - niet voor de handel bestemde - tekstboekje een impuls op Vondel zou kunnen zijn uitgegaan, sterk genoeg om hem ertoe te bewegen het jaar daarop nogmaals een uitgave van Aeneis ii71 te publiceren, ditmaal in dichtvorm. Hoogstens zou men kunnen veronderstellen dat de dichter, toen hij daarin de verzen van Vergilius onmiddellijk naast zijn eigen proza zag staan, tot de conclusie gekomen is met dit laatste toch tekort te hebben gedaan aan de poëzie van zijn bewonderde meester en dus besloot tot een omwerking in dichtvorm. Maar waarschijnlijk is dit niet. Per slot van rekening had Van den Enden de proza-vertaling van Vondel precies voor het doel gebruikt waarvoor deze ze geschreven had: als hulpmiddel om Vergilius toegankelijk te maken voor degenen die het Latijn niet of slechts oppervlakkig beheersten.

Veel aannemelijker acht ik het, dat de bewuste impuls - àls er een impuls is geweest - zou zijn uitgegaan van de andere publikatie, waarop ik zo even doelde. Het betreft een Antwerps uitgaafje, van de hand van een zekere Gerard van Delft - een auteur omtrent wie ik vergeefs naar nadere gegevens heb gezocht -, dat in 1652 het licht zag onder de langademige titel:

Oorsaeck // beghin en eynde // Van het thien-jarigh belegh, ende destructie // Van Troyen. // In-hovdende // Hoe Aeneas den Troyaenschen Prince na veel leet op Zee gheleden // te Carthago aen-comt; ende aldaer vande Koninginne Dido ont- // fanghen wort, uyt den eersten boeck Aeneidos. // Ende hoe Aeneas op het versoeck vande Koninginne Dido ordent- // lijck verhaelt de destructie, ende onder-ganck van sijne stadt // Troyen uyt den heelen tweeden boeck Aeneidos. // Origineelijck ende seer vernuftelijck in het Latijn beschreven door // den out vermaerden ende hoogh-gheachten Prince der Poëten // Vergilivs Maro // In onse Nederlantsche tale, ende rijme over-gheset ende met // sijne noodelijcke annotatien, ende printen verciert. // Item // Passeerlycke Moraliteyt. // In-hovdende // Verscheyde nieuwe morale, ende sententie-wijse rijmspreucken ende // vraghen met eenighe soo-danighe navolghende rijmdichten van // verscheyden stiele ende materie. // Het eerste // Historiewijs ende memorabel // Het tweede // Stichtelijck ende curieuselijck om

[p. 416]

lesen. // Licht zijnde om inde hant te ghebruycken. // Beyde door den Auth. Gerardo van Delft van Antw. // vignetje // T'Antwerpen, // By Godtgaf Verhulst inde Cammerstraet/ inden witten Hasewint. // Anno 1652.
Zoals uit dit titelblad blijkt, bevat het boekje twee verschillende geschriften van Gerard van Delft: het verhaal Van Troyen, en de Passeerlycke Moraliteyt. Beide zijn afzonderlijk gepagineerd, en van enig onderling verband is geen sprake. Ik laat de Passeerlycke Moraliteyt verder dan ook buiten beschouwing.

Het boekje van Gerard van Delft over de ondergang van Troje is een uiterst merkwaardig product, dat ons van de ene verbazing in de andere doet vallen. Het begint al in de Voor-reden, waar de auteur er zijn verwondering over uitspreekt dat de Aeneis - in tegenstelling tot zoveel andere geschriften -

noyt tot noch toe uyt haere Originele in eenighe andere talen na haren stiele overghebracht is, ten waer misschien iemandt my aen wese voor ontrent 100. iaren na gissinghe, soo ick verstaen hebbe; sijnde de selve oversettinghe (soo het schijnt) een halve vremde tale, immers nu eenen heel onghebruyckelijcken en onghehoorden stiele ...
(fol. *3 ro-vo)
Gerard van Delft weet dus blijkbaar niets van de vele Aeneis-vertalingen en -bewerkingen, die gedurende de 16de en de eerste helft van de 17de eeuw in de verschillende landen van West-Europa, met name in Frankrijk, verschenen waren.72 Dat doet hem al dadelijk kennen als iemand die zonder het nodige onderzoek maar wat beweert: een dilettant. Alleen wat de Nederlanden betreft, heeft hij gelijk. Daar waren - afgezien van Vondel's proza-vertaling die hij, zoals straks blijken zal, bij het schrijven van zijn Voor-reden nog niet kende - De twaalf boecken van Aeneas door Cornelis van Ghistele nog steeds de enige overzetting die ter beschikking stond; de laatste druk ervan was in 1609 verschenen. Maar die telt vanwege de verouderde rederijkerstaal voor Van Delft niet mee. Overigens wekt hij door de toevoeging ‘soo het schijnt’ de indruk het boekje niet zelf in handen te hebben gehad en slechts af te gaan op wat hij er van anderen over gehoord heeft.

Om in het - door hem veronderstelde - Westeuropese tekort ten aanzien van de Aeneis te voorzien, besloot Van Delft zelf aan het werk te gaan. Voorshands beperkte hij zich tot een in zichzelf afgerond gedeelte:

te weten het ordentlijck verhalen vanden onderganck van Troyen uyt den heelen tweeden Boeck Aeneidos ende tot meerdere verclaernis en inleydinghe des selfs een meestendeel des eersten Boeck Aeneid' ...
(fol. *3 vo)
Uiteindelijk stond hem ‘een volcomen oversettinghe vande andere Boecken in vervolgh vanden Poëtischen stiele’ voor ogen. Daartoe is het echter, voor zover wij weten, nooit gekomen.

Evenals Van den Enden leidt ook Van Delft het verhaal van Aeneis in met een gedeelte uit het eerste Boek. Hij grijpt echter veel verder terug dan de Amsterdamse rector, die begon bij de beschrijving van de feestmaaltijd in

[p. 417]

Dido's paleis. De Antwerpenaar kiest de aankomst van Aeneas op de kust van Afrika (Aen. I, 305) als uitgangspunt. Na een korte samenvatting over de storm die de Trojaanse vloot geteisterd heeft, vertelt hij - in alexandrijnen - op zijn eigen manier verder. ‘Zijn eigen manier’ in dubbele zin! Hij vertáált niet, maar vertelt het verhaal met eigen woorden na, al herkennen wij wel eens een echo van de oorspronkelijke tekst. Bovendien echter brengt hij grondige wijzigingen in het verloop der gebeurtenissen aan! Bij hem komt Aeneas niet vlak bij Karthago aan land, maar ver daarvandaan, in het gebied van koning Iarbas. Bij de ontmoeting met Venus, ‘als Diaen' gansch totter Iacht bereydt’ (blz. 1), krijgt hij van zijn moeder opdracht zo snel mogelijk dit gevaarlijke gebied te verlaten en naar Karthago te zeilen. ‘'tGhebodt dat wert volbracht, sy lichten d'anckers op’ (blz. 3) en bereiken veilig de haven van de stad, waar zij de verloren gewaande schepen van hun vloot terugvinden. ‘Daer rijst een nieuwe vreucht; sy treden saem van boort’ (blz. 3) en gaan de stad-in-aanbouw verkennen. Het spreekt vanzelf, dat deze voorstelling van zaken Van Delft in moeilijkheden brengt, als hij verderop moet spreken over de nevel waarmee Aeneas en Achates door Venus onzichtbaar worden gemaakt en over hun onverwachte terugvinden van de vermiste reisgenoten bij Dido. Hij slaat zich daar echter doorheen, door zich niets van onwaarschijnlijkheden of innerlijke tegenspraak aan te trekken en zijn verhaal voort te zetten of er niets aan de hand is. Zo bereikt hij, aanzienlijk bekortend - o.m. vervalt de beschrijving van de taferelen uit de Trojaanse oorlog, die Aeneas in de tempel van Juno aantreft (Aen. I, 441-493) -, tenslotte het moment waarop Aeneas zijn verhaal begint, in de eerste regels van het tweede boek.

Van Delft's weergave van het tweede boek wijkt minder ver van de oorspronkelijke tekst af dan die van het eerste, maar blijft toch niet zonder ‘verrassingen’. Om te beginnen legt de auteur 26 regels in de mond van Aeneas, die bij Vergilius niet voorkomen. Zij handelen over de schaking van Helena als ‘oorsaeck’ van de Trojaanse oorlog, en worden in margine toegelicht door de volgende Nota:

Dese reden waerom de Griecken de orlogh en het belegh begonst hebbe [sic] heeft Vergilius niet beschreven, tot meerder verclaernis soo hebbe ick die hier in ghevoeght. (blz. 13)
Verder vertelt Van Delft vrij nauwkeurig na wat Aeneas over de laatste nacht van Troje meedeelt. Ontsporingen blijven echter niet uit. Als de ‘caecae fores’ (de verborgen deuren) aan de orde komen, waarvan Andromache gebruik placht te maken om onofficieel met haar ‘puerum Astyanacta’ de oude Priamus te bezoeken (Aen. II, 453-457), dan wordt dit bij hem ‘een onbekende baen’ waarvan Andromache met haar dochter gebruik maakte; in margine wordt bij ‘dochter’ aangetekend: ‘Astianacta ghenaemt’ (blz. 26). - In de episode van de moord op Priamus door Pyrrhus (Aen. II, 506-558) blijven de honderd dochters en schoondochters van Hecuba, die met haar een toevlucht gezocht hebben bij het altaar op de binnenhof, geheel onvermeld. Van Delft laat alleen Hecuba ‘met haren ouden helt’ aanwezig zijn, blijkbaar met ‘hun soontjen’ (Polites). Want als Pyrrhus binnenstormt, dan: ‘Hun soontjen daer by hun die siet den Grieck daer staen’ en hij vermoordt het kind (blz. 28). - Als Creüsa's schim aan Aeneas verschijnt en hem zijn toekomst in Italië voorhoudt waar de ‘Lydius Thybris’ stroomt (Aen. II, 781-782), dan vat Van Delft Lydius als eigennaam op en annoteert: ‘Lyd. een rivier van Italien’.

[p. 418]

- Voegt men daarbij nog de ‘losse’ onhandige stijl van de verzen,73 dan kan men zich gemakkelijk voorstellen dat er weinig te waarderen overblijft! De lezer vraagt zich telkens met ongelovige verbazing af, hoe de auteur tot een zo machteloze berijming van zoveel onzin heeft kunnen komen en die als serieuse vertaling heeft durven uitgeven. In het eerste boek wijkt hij zelfs zózeer van Vergilius af, dat onwillekeurig de vraag opkomt of hij een andere bron volgt dan de Aeneis.

Ik ben zo uitvoerig op het wanproduct van Van Delft ingegaan, omdat deze er Vondel bij betrokken heeft. Na het slot van zijn Tweeden Boeck Aeneidos laat hij op blz. 38 een brief volgen, gericht ‘Ad Integerrimum ac spectiatissimnm [sic] Virum Ivdocvm vande Vondel Amstelrodamensem Poëtam huius Aevi insignem’ (Aan den zeer Eerwaarden en Voortreffelijken Heer Joost vande Vondel van Amsterdam, vermaard dichter van onze tijd). Deze brief is te merkwaardig om hier niet in zijn geheel te worden weergegeven. In Nederlandse vertaling luidt hij aldus:

Toen ik, na jaren uit het buitenland in mijn vaderland (vaderstad) teruggekeerd, meer dan overvloedig over tijd beschikte - het kostbaarste van alle goederen - heb ik daarvan gebruik gemaakt om dit werkje van Vergiliaanse herkomst, dat ik om dezelfde reden [= het beschikbaar hebben van tijd] eerder opgezet en vrijwel ten einde gebracht had, nu definitief te voltooien. Onmiddellijk nadat het gedrukt was, heb ik door de toevallige ontmoeting met een vriend uit Amsterdam vernomen dat het Latijnse dichtwerk van Vergilius door U op hoogst talentvolle en prijzenswaardige wijze in Nederlands proza is overgebracht. Zoals het mij - die daarvan onkundig was - verheugde over dit werk te horen, zo zal het mij een genoegen zijn het ook te zien (te lezen). Intussen heb ik - de mededeling als juist aanvaardend - de enkele onderstaande dichtregeltjes tot Uw wel-verdiende lof hier willen toevoegen, ze [ter verbreiding] toevertrouwend aan de Faam.

 
Ik weiger U, Vondel, de eer van Vergilius niet,
 
Die Pallas en de versmade Juno aan Venus ontzeggen;
 
Deze eer, die aan mij een later-komende Muze door verzen in de moedertaal schonk,
 
Die heeft het volledige Nederlandse proza U eerder gegeven.74
[p. 419]
[Zoals van een auteur als Gerard van Delft te verwachten valt, kenmerken zijn disticha zich niet door overmatige duidelijkheid. Ik heb getracht ze zo letterlijk mogelijk te vertalen, en zou ze als volgt willen parafraseren: ‘Ik misgun U, Vondel, de eer van de prioriteit in het vertalen van Vergilius niet - anders dan Pallas en de versmade Juno zich tegenover Venus gedroegen [nl. toen Paris haar de gouden appel van Eris “voor de schoonste” toekende]. De eer, die de Muze mij later door mijn vers-vertaling in de moedertaal gaf, die heeft de volledige overzetting in Nederlands proza U reeds eerder geschonken’.]

Als ik de disticha juist geïnterpreteerd heb, komen zij er dus op neer dat Van Delft goedmaakt wat hij in zijn Voor-reden uit onwetendheid aan Vondel had tekort gedaan. Hij had zichzelf daar gepresenteerd als de eerste vertaler van de Aeneis na Van Ghistele. Nu weet hij echter dat Vondel hem vóór is geweest en erkent hij diens prioriteit.

Er is geen enkel bewijs, dat Vondel het boekje van Van Delft onder ogen gehad heeft. Toch is dit waarschijnlijk genoeg om er ernstig rekening mee te houden. Er was geregeld verkeer tussen Amsterdam en Antwerpen. Zoals Van Delft toevallig over Vondel's proza-vertaling hoorde, zo kan omgekeerd Vondel door een kennis op de hoogte zijn gebracht van Van Delft's uitgave. De daarin opgenomen, aan hem gerichte brief maakt die kans zelfs groter dan zij anders geweest zou zijn. De veronderstelde tussenpersoon zal er des te eerder toe gekomen zijn, van het boekje gewag te maken of er een exemplaar van mee te brengen. Als dit inderdaad gebeurd mocht zijn - wellicht eerst in de loop van 1653 of 1654 -, kost het weinig moeite zich voor te stellen hoe Vondel gereageerd moet hebben.

In de eerste plaats zal hij zich onnoemelijk aan het boekje geërgerd hebben: dit was geen vertalen, zelfs geen navertellen meer, maar een onzinnige verhaspeling van Vergilius' meesterwerk, een toppunt van onkunde en onbegrip. In de tweede plaats zal hij zich weinig gevleid hebben gevoeld door het feit dat Gerard van Delft hun beider vertalingen op één lijn stelde, de ene in verzen, de andere in proza - met de voor die tijd vanzelfsprekende implicatie dat de dichtvorm aan de eerste een prae verleende. Vondel mocht - zo suggereerde de Antwerpenaar - hem dan in tijd vóór geweest zijn, daartegenover stond dat hij ‘maar’ in proza had vertaald.

Als Vondel een impuls behoefde om tot dichterlijke bewerking van zijn proza-vertaling over te gaan, dan moet het boekje van Van Delft voor hem precies geweest zijn wat hij nodig had. Want op dat boekje, met inbegrip van de toegevoegde brief, was maar één antwoord mogelijk: het daadwerkelijk bewijs dat de ‘vertaling’ van Gerard van Delft minderwaardig was, en dat deze zich als dichter niet met Vondel kon meten. Om dit bewijs te leveren was er geen betere weg dan het publiceren van een eigen vertaling-in-dichtvorm van Aeneis ii. Daaruit zou blijken, hoe zo'n vertaling zijn moest en zijn kon, en hoe ver Van Delft daarbeneden bleef.

[p. 420]

Zo zou de Ondergang van Troje Vondel's antwoord geweest kunnen zijn op het boekje van Gerard van Delft. Het zou verklaren, waarom in 1655 juist het tweede boek van de Aeneis door de dichter werd gepubliceerd. Maar nogmaals: zekerheid hebben wij niet.

Trouwens, ook als onze veronderstelling juist zou zijn, is daarmee nog niet alles opgelost. Wanneer het alléén om het boekje van Gerard van Delft was gegaan, zou op de Ondergang van Troje geen vollèdige Vergilius-in-verzen hebben behoeven te volgen. Zoals ik aan het begin van deze paragraaf heb opgemerkt, blijven er tal van vragen over, die beter benaderd kunnen worden vanuit de complete uitgave dan vanuit de fragmentarische publikatie die de Ondergang van Troje uiteindelijk gebleken is te zijn.

Tot slot nog slechts één opmerking. Als Vondel zijn Ondergang inderdaad bedoeld heeft als antwoord op de publikatie van Gerard van Delft, dan schijnt hij daarmee in ieder geval bereikt te hebben dat deze afgezien heeft van verdere Aeneis-vertalingen. Maar ook hier mag de restrictie schijnt vooral niet ontbreken. Er kunnen zoveel andere omstandigheden zijn geweest, die de Antwerpse auteur weerhouden hebben van voortwerken aan zijn ‘vertaling’: gebrek aan tijd, ziekte, dood. Wij weten zelfs niet of hij ooit Vondel's Ondergang van Troje in handen gekregen heeft. Het enige wat wij kunnen zeggen, is dat dit stellig niet uitgesloten mag worden geacht.

§ 7. Het voorwerk van de ‘Ondergang van Troje’

Het voorwerk van de Ondergang van Troje omvat drie gedeelten: een Opdracht in proza aan de jonge Peter Hooft de Graeff, een uitvoerig gedicht van 148 alexandrijnen ‘Aen den zelven Heer’, en een vertaling-in-verzen van Horatius' Ode I, 15: ‘Nereus voorspellinge Op den ondergang van Troje’. Deze volgorde komt overeen met die van de betekenis van de drie stukken. Om de nadruk te doen vallen op het belangrijkste, bespreek ik ze echter in omgekeerde rangorde, met de Opdracht als climax.

Nereus voorspellinge75 is niet meer dan een toegift, die uit moet doen komen hoezeer de ondergang van Troje ook de dichters uit de Oudheid gefascineerd heeft. Het gedicht is een bijzonder nauwkeurige en geslaagde bewerking-in-verzen van de proza-vertaling die Vondel er indertijd van gemaakt had.76 De vier-voetige trochaeën, het rijmschema abbaccd waarbij de laatste rijmklank verweesd blijft, de enjambementen van strofe tot strofe in het middendeel - het werkt alles gelijkelijk mee om het vers zowel vaart als zangerigheid te verlenen. De letterlijke ontleningen aan de proza-vertaling zijn zó gelukkig verwerkt dat zij nergens opvallen, laat staan als storende elementen aandoen. Vondel is hier als ‘berijmer’ van eigen proza op zijn best. Meer behoeft er in ons verband over zijn Horatiaanse toegift niet te worden opgemerkt.

De dichterlijke aanspraak aan de 17-jarige Peter Hooft de Graeff, die op de eigenlijke Opdracht volgt,77 is eerder kenmerkend voor Vondel's opvattingen omtrent plaats, roeping en taak van de regenten dan verhelderend ten aanzien van zijn Ondergang van Troje. Met nadruk wordt de Amsterdamse burgemeesterszoon eraan herinnerd, dat zijn rang en afkomst hem de verplichting

[p. 421]

opleggen zich grondig voor te bereiden op de bestuurderstaak die hem wacht. Daartoe dient hij zich te richten naar het voorbeeld van zijn geslacht, maar ook kennis te nemen van wat de geschiedenis hem leren kan, met name die van de Oudheid. Vorsten en helden hadden steeds veel te danken aan leermeesters en poëten. De opsomming van voorbeelden loopt uit op de vermelding van Vergilius als ‘Raetsheer van August’ (vs.124). En daarmee is Vondel dan toegekomen aan de vertaling van Aeneis ii, die hij Peter de Graeff aanbiedt. Zijn werk is niet meer dan een zwakke echo (‘weêrgalm’, vs.147) van het origineel, maar Vergilius valt nu eenmaal niet te evenaren. En de glorie van diens naam weegt ruimschoots op tegen de ‘ruwe stijl’ (vs.148) van de vertaling.78 - In dat laatste klinkt de gebruikelijke bescheidenheids-topos door, maar deze heeft hier m.i. toch meer dan enkel formele betekenis. Als wij ons herinneren, met hoeveel klem Vondel in de Opdracht van zijn proza-vertaling aan Huygens op de bezwaren van een transpositie in verzen gewezen had,79 mogen wij aannemen dat hij zich ‘'t gebreck’ van zijn poëtiserende bewerking wel degelijk bewust is geweest.

En dan tenslotte de eigenlijke Opdracht.80 Wie mocht verwachten daarin een antwoord te vinden op de vraag, waarom Vondel er nu toe overgaat te doen wat hij in 1646 had afgewezen - nl. ‘het vertaelde te rijmen’ - ziet zich teleurgesteld. Met geen woord wordt op dit probleeem ingegaan. Veeleer wekt Vondel de indruk zich van geen probleem bewust te zijn. Hij vermeldt zijn lofrede op Vergilius ‘voor het rijmelooze verduitschen des zelven nooit volprezen dichters’81 (reg. 10-11), alsof het de gewoonste zaak van de wereld is dat er na de vertaling in proza nu een ‘in Nederduitsch gedicht’ volgt, zij het dan dat die laatste hier beperkt blijft tot het tweede boek van de Aeneis. Wèl geeft hij een verklaring voor het feit, dat hij juist dit tweede boek in verzen heeft overgebracht. De kunstrechters, zo betoogt hij, zijn het er onderling niet over eens wèlk boek ‘uit het twaleftal van Eneas boecken (schoonze alle den titel van goddelijck voeren,) het beste’ is (reg. 15-16); het tweede, het vierde, het zesde en het twaalfde worden afwisselend als zodanig aangewezen. Op grond van die onenigheid bij de deskundigen durft hij in alle bescheidenheid zijn eigen voorkeur hebben:

Wat my belangt, die mijn inzicht gaerne Apolloos uitspraecke onderworpe, dit tweede boeck heeft in mijne gedachten altijt uitgescheenen, boven d'andere my menighmael verruckt, en noit mijnen lust genoegh konnen verzadigen. (reg. 21-24)
Vondel kan zich indenken, dat Nero ertoe kwam ‘zijne eeuwe het ondergaende Troje in het brandende Rome, den bloedigen Xanthus in den gloejenden Tyber te laeten zien’, al was dit - mede omdat de schuld ervan op de Christenen werd gelegd - ‘een schendigh en verwaten lasterstuck’ (reg. 33-37). Maar er blijkt uit ‘hoe Virgilius afbeeldinge van der Trojaenen uiterste nederlaege,

[p. 422]

van outs, in d'oogen der Romainen en des Keizers, op de kunst der Poëzye verslingert, gebloncken heeft’ (reg. 38-40). Even verder stelt Vondel het voor, alsof Augustus slechts geweigerd heeft aan Vergilius' laatste wens te voldoen, door het manuscript van de Aeneis te verbranden, uit bewondering voor het tweede boek: ‘uit edelmoedigen lust en liefde tot dezen schoonen en kostelijcken brant, het allerschoonste en kostelijckste, dat oit, met oogen van menschelijck begrijp, en ooren des verstants, gezien en gehoort wiert’ (reg. 52-54). - Door de verwijzing naar Nero en Augustus heeft Vondel zijn persoonlijke voorkeur als het ware gelegitimeerd. Wie zou het goed recht in twijfel kunnen trekken van een opvatting, die door twee Keizers uit de Oudheid werd gedeeld? Op deze basis mag hij dan ook hopen dat zijn ‘nederduitsche vertaelinge van het wijt befaemde Trojaensche treurspel’ (reg. 55-56) de jonge Peter Hooft de Graeff genoegen zal doen, en draagt hij die aan hem op ‘als een proefstuck van d'andere boecken’ (reg. 58): als proeve van wat ook de andere boeken van de Aeneis de lezer aan schoonheid en wijsheid te bieden hebben.

 

In verband met deze Opdracht verdient een drietal punten onze aandacht: de mening van Sterck omtrent de lezerskring voor welke de dichter zijn boekje bedoelde; de opmerking van Anton van Duinkerken over Vondel's voorliefde voor stads- en wereldbranden; mijn veronderstelling van een mogelijk verband tussen de Ondergang van Troje en het uitgaafje van Gerard van Delft over hetzelfde onderwerp.

 

1. Sterck is van mening, dat Vondel het tweede boek van zijn Aeneis-in-dichtvorm ‘vooral voor de jongere patriciërs bestemde’.82 Hij herinnert aan de belangstelling van de dichter voor de opvoeringen door leerlingen van Franciscus van den Enden, en vermeldt daarbij de Opdracht aan Peter Hooft de Graeff die een van deze jongere patriciërs was. Naar ik meen, is deze conclusie niet gerechtvaardigd. Het past niet bij Vondel, dat hij zijn werk in het bijzonder zou bestemmen voor de jeunesse dorée van zijn tijd. Daarvoor had hij een te hoge opvatting van het dichterschap en van de plicht die dit op hem legde, vates te zijn voor àllen die hij bereiken kon. Veel waarschijnlijker lijkt mij, dat de opdracht van de Ondergang aan Peter de Graeff gezien moet worden als een indirecte hulde aan diens vader, de machtige en kunstzinnige burgemeester Cornelis de Graeff. Vijf jaar later zou Vondel hem zijn volledige Vergilius-in-verzen toewijden. Wij mogen dat vooral niet over het hoofd zien. Is het te ver gezocht, aan te nemen dat hij in 1655 zijn Ondergang van Troje graag aan Cornelis de Graeff zou hebben opgedragen, maar het beneden diens waardigheid achtte ‘afgescheept’ te worden met de vertaling-in-dichtvorm van één enkel boek uit de Aeneis, zelfs al was dit naar Vondel's mening het allermooiste van de twaalf? Aan een man als Cornelis de Graeff kon men geen fragment opdragen, slechts een geheel! Ten opzichte van diens 17-jarige zoon gold dit bezwaar echter niet. Een fragmentarisch uitgaafje als de Ondergang, niet belangrijk genoeg om de vader te worden aangeboden, was juist een alleszins passend geschenk voor de ‘opluickende jeught’ van de zoon. Vondel moet daarin een gelukkige oplossing hebben gezien. Hij bereikte ermee dat zijn boekje toch een band kreeg met het geslacht De Graeff, terwijl hij mocht ver-

[p. 423]

onderstellen dat de vader de bedoeling van de Opdracht aan zijn zoon zou doorzien en de Ondergang ook zelf wel eens ter hand zou nemen.

 

2. Anton van Duinkerken heeft in een even scherpzinnig als verrassend betoog de vraag gesteld of het tekenende feit dat Vondel ‘tot op hoge ouderdom geboeid zal blijven door de gedachte aan brandend ondergaande steden en aan werelden, die plotseling in vuur of storm verdwijnen’ niet zou kunnen samenhangen met diens ervaring als negenjarige jongen, toen hij pas in de Warmoesstraat woonde en ‘op een nacht, halverwege de maand juni 1597, uit zijn bed gehaald (werd), omdat van de Oudezijdsarmsteeg tot de Nieuwe Brug het hele noordelijke deel van de Warmoesstraat in brand stond’.83 Wij moeten deze vraag overigens niet al te zwaar nemen. Van Duinkerken stelt ze in het kader van een waarderende, maar kritisch-relativerende bespreking van S. Dresden's ‘vlugschrift’ Existentie-philosophie en Literatuurbeschouwing. De latere Leidse hoogleraar stelde daarin ‘dat men de ware aard van het letterkundige kunstwerk slechts kan blootleggen door toepassing van een existentialistische bewustzijns-ontleding’ (blz. 274). Van Duinkerken aanvaardt tot op zekere hoogte deze zienswijze, maar wijst ze als ‘alleenzaligmakende methode’ af (blz. 275). Ter illustratie van zijn bezwaar tegen verabsolutering wijst hij op ‘de oerangst van Vondel’. Om die te verklaren mag men volgens hem niet eenzijdig-existentialistisch te werk gaan, maar dient men wel degelijk óók rekening te houden met gegevens die de historische methode van literatuuronderzoek ons aan de hand doet.

Het zou dwaasheid zijn te willen volhouden, dat Vondel nooit apocalyptische of eschatologische dromen zou hebben gedroomd, als hij niet als jongetje van negen jaar door zijn ouders uit zijn bed was gehaald omdat de hele noordzijde van de Warmoesstraat vlak bij hun woonhuis in brand stond. Van de andere kant moet de kenmerkende angst van Vondel voor de ondergang van alle dingen, juist in een karakter, dat zozeer als het zijne hing aan het leven, toch op een of andere wijze worden verklaard. Doet de historie ons een feit aan de hand, dat wij tot zulk een verklaring kunnen benutten, dan zondigen wij niet door van dit feit een voorzichtig gebruik te maken. Veronderstellenderwijs mogen wij Vondel's visuele droom van stadsbranden en wereldbranden met ons bekende feit uit 1597 in verband brengen. Niettemin moet iedere historicus de mogelijkheid erkennen, dat de negenjarige Vondel die nacht rustig in zijn bed is blijven liggen of dat hij toevallig niet thuis was. (blz. 275-276)

Van Duinkerken poneert het geval-Vondel slechts als voorbeeld, ter illustratie van zijn betoog. De vraag is daarom voor hem belangrijker dan het antwoord. In verband met onze bespreking van de Ondergang van Troje heeft het echter zin te trachten er een te geven.

In zijn artikel heeft Anton van Duinkerken de Ondergang buiten beschouwing gelaten en dus ook geen aandacht besteed aan de wijze waarop Vondel zich in de Opdracht over de brand van Troje uitlaat: ‘dezen schoonen en kostelijcken brant, het allerschoonste en kostelijckste, dat oit, met oogen van

[p. 424]

menschelijck begrijp, en ooren des verstants, gezien en gehoort wiert’. Het is moeilijk, deze artistieke verrukking te koppelen aan een ‘oerangst van Vondel’ op grond van een traumatische belevenis in zijn jeugd. Wat de dichter in het tweede boek van de Aeneis fascineert, is niet de verschrikking van het gebeuren-zelf, maar de schoonheid en trefzekerheid van de beschrijving. In de Gysbreght van Aemstel heeft hij - zoals hij in de Opdracht van dit drama aan Hugo de Groot schrijft - geprobeerd ‘den schoonen brand van Troje t'Amsterdam [...] te stichten, na het voorbeeld des goddelijcken Mantuaens’,84 d.w.z. Vergilius' magistrale uitbeelding van die brand imiterend over te dragen van Troje naar Amsterdam. De vlammende ondergang van Priamus' stad is voor hem een groots literair motief, een poëtisch hoogtepunt in de wereldliteratuur - nièt het symbool van de oerangst in zijn leven. Mijn twee citaten - en men zou meer dergelijke uitlatingen kunnen vinden - sluiten, naar ik meen, elke twijfel dienaangaande uit. Vondel staat trouwens - het is hierboven al even ter sprake gekomen85 - met zijn bewondering voor de brand van Troje in een lange literaire traditie, die van de Oudheid over de Middeleeuwen tot zijn eigen tijd reikt; de berijming van Gerard van Delft en het tekstboekje van Franciscus van den Enden bewijzen dat ook anderen zijn voorkeur deelden. - Ter verklaring van het telkens weer terugkeren van ‘de ondergang van alle dingen’ (blz. 276) in Vondel's werk hebben wij evenmin een jeugd-trauma nodig. Nog afgezien van het feit dat dit thema samenhangt met de peripeteia in de tragedies die hij schreef, mogen wij niet vergeten dat de vergankelijkheid van al het aardse tot de grote waarheden van het Christendom behoort. Vondel en zijn tijdgenoten waren er, ondanks hun Renaissancistische vreugde aan het leven, diep van overtuigd dat uiteindelijk Gods toorn als vuur over deze wereld moest gaan, alvorens ‘een nieuwe hemel en een nieuwe aarde’ (Openb. 21:1) mogelijk zouden worden. Zij onderschreven ten volle het motto dat Jan van der Noot in 1568 voor zijn Theatre oft Toon-neel koos: ‘Tis al verganckelyck sonder [= behalve] de liefde Gods’. Ik meen dan ook, dat Van Duinkerken ten onrechte spreekt over ‘de kenmerkende angst van Vondel voor de ondergang van alle dingen’. Angst is niet het juiste woord, waar het gaat om de eschatologische geloofsovertuiging van de Christen.

Samenvattend: Het lijkt mij meer dan waarschijnlijk dat Vondel als negenjarig jongetje de grote brand in de Warmoesstraat gezien heeft. Maar ik geloof niet dat dit bij hem geleid heeft tot een traumatische ‘oerangst’ die in zijn werk telkens weer zou bovenkomen. De ondergangsbeschrijvingen in dat werk zijn niet negatief, maar positief gefundeerd: op bewondering en op geloof.

 

3. In zijn Opdracht aan Peter de Graeff verklaart Vondel het ontstaan van de Ondergang van Troje uit zijn diepe bewondering voor het tweede boek van de Aeneis en geeft hij daaraan uiting in haast extatische bewoordingen. Maar daarmee heeft hij niet tevens verklaard, waarom die bewondering hem tot een dichterlijke bewerking van zijn vroegere proza-vertaling heeft gebracht, en waarom juist toen. Zijn voorliefde voor Aeneis ii berustte niet op een nieuwe ontdekking, maar dateerde van jaren her, zoals b.v. blijkt uit de Opdracht van Gysbreght van Aemstel. Wat Vondel aan Peter de Graeff schrijft, sluit dan ook

[p. 425]

geenszins uit dat mijn veronderstelling omtrent samenhang tussen het dichten van de Ondergang en verontwaardiging over de publikatie van Gerard van Delft juist zou kunnen zijn. Integendeel; de vererende bewondering van de dichter voor Vergilius' beschrijving van de brand van Troje doet ons begrijpen, hoè diep de minderwaardige ‘vertaling’ van de Antwerpse auteur hem gegriefd moet hebben. Zijn verontwaardiging kan als een katalysator hebben gewerkt en zijn passieve bewondering geactiveerd hebben tot een drang die sterk genoeg was om hem naar de pen te doen grijpen.

 

Een bespreking van de tekst van de Ondergang van Troje in een afzonderlijke paragraaf laat ik achterwege. Doordat Vondel die tekst zonder noemenswaardige wijzigingen in de grote Vergilius-in-verzen van 1660 opnam, heeft deze publikatie haar zelfstandigheid verloren. Het heeft geen zin, in te gaan op de wijze waarop hij in dit fragment zijn proza-vertaling in dichtvorm heeft overgebracht. De verhouding tussen proza- en versbewerking kan beter en zuiverder worden vastgesteld aan de hand van het geheel dan op grond van een betrekkelijk willekeurig onderdeel, ook al is dit dan het eerst in druk verschenen.

§ 8. Achtergronden van de Vergilius-in-verzen

Slechts vijf jaar na de Ondergang van Troje komt Vondel's volledige Vergilius ‘in Nederduitsch dicht’ van de pers. En daarmee staan wij opnieuw voor de vraag van Verwey, die hierboven86 reeds werd vermeld: ‘Hoe is het mogelijk, kan men vragen, dat iemand die de geheele Vergilius in proza vertaald heeft, zijn proza daarna nog eens omzet in vers?’ Ditmaal kunnen wij er echter niet aan ontkomen, naar een antwoord op die vraag te zoeken.

Verwey heeft dat uiteraard zelf ook gedaan. Hij wijst erop dat Vondel niet uitging van ‘het latijnsche vers als zoodanig’, maar zijn proza-vertaling overbracht in zijn eigen dichtvorm (de alexandrijn): ‘Hij versificeerde eenvoudig de al eens overgebrachte zin’. Verwey schrijft dit toe aan het feit, dat Vondel niet tevreden kon zijn met ‘het enkele begrijpen’ van een vreemde tekst zoals deze zich laat weergeven in proza. Hij had er behoefte aan te begrijpen in verzen, d.w.z. de zin van die vreemde tekst tot uitdrukking te brengen in dichtvorm, ‘omdat het in verzen begrijpen hem, zoo niet aangeboren, dan toch tot een tweede natuur geworden was’. En dus ‘kon (hij) niet rusten voor de heele Vergilius, die hij door en door begrepen had, maar in proza, begrepen was in verzen’. Verwey werkt nog wat nader uit, waarop dit neerkwam. Vondel behoefde zich geen zorg meer te maken over wat er in zijn vers-bewerking moest staan: ‘de taal lag zoo goed als geheel voor 't grijpen in zijn proza-vertaling’. Hij kon dus zijn aandacht geheel richten ‘op de betrekking tusschen volzin en vers’. Dat zijn de beide elementen waarom het in zijn latere gedichten - waartoe de Vergilius-in-verzen behoort - in de eerste plaats gaat: ‘de volzin, d.i. de klare gedachte; het vers, d.i. de onbelemmerde beweging’.87

Verwey doet zich in deze beschouwing kennen als de dichter die een andere dichter in de kern van diens kunstenaarschap weet te begrijpen. Wat hij opmerkt over de betekenis van de betrekking tussen volzin en vers in Vondel's

[p. 426]

latere gedichten, is even raak als scherp getypeerd. Wij zullen er bij de karakteristiek van de Aeneis-in-verzen dan ook op hebben terug te komen.

In het kader van ons onderzoek kan het antwoord van Verwey ons echter toch niet helemaal bevredigen. Dat antwoord laat zich samenvatten als: het lag nu eenmaal in Vondel's dichter-natuur uiteindelijk geen genoegen te kunnen nemen met een proza-vertaling. Dat is ongetwijfeld juist. Maar wij zouden graag méér willen weten en begrijpen. Hoe komt het dan, dat Vondel in 1646 wèl genoegen had genomen met een proza-vertaling? Hoe groeide in hem het besef dat hij het daarbij niet kon laten? Wanneer begon hij met de bewerking in dichtvorm? Al de vragen, die wij aan het begin van § 6 terzijde moesten laten omdat zij enkel op grond van de Ondergang van Troje niet te beantwoorden vielen,88 dringen zich opnieuw aan ons op, maar met nieuwe klem.

Intussen beginnen de gegevens, aanwijzingen en veronderstellingen, die wij in de loop van dit hoofdstuk bijeengebracht hebben, langzamerhand toch wel iets van een patroon te vormen. De vraag, waarom Vondel in 1646, in strijd met zijn dichternatuur, genoegen nam met een proza-vertaling, heeft in § 3 een tentatief antwoord gekregen dat schijnt te passen bij wat wij hem in de jaren vijftig zien doen. Al blijven er heel wat legkaart-stukjes ontbreken, toch meen ik dat er genoeg zijn om ons dat patroon te doen onderkennen. In grote lijnen meen ik het, reconstruerend en recapitulerend - het is onmogelijk hier elke herhaling te vermijden -, als volgt te mogen naschetsen.

De mislukking van zijn Constantinade had Vondel in episch opzicht zijn zelfvertrouwen doen verliezen en hem in een ambivalente positie tegenover Vergilius gebracht. Enerzijds bleef hij in deze vóór alles de dichter van de Aeneis zien, anderzijds wilde hij ook diens andere werk in zijn bewondering betrekken om niet nogmaals alles op één kaart te zetten. Hij begon dus aan een hernieuwde bestudering, d.w.z. vertaling, van diens volledige werk, met de min of meer bewuste bedoeling er zichzelf en anderen van te overtuigen dat een dichter óók groot kan zijn in andere genres dan het epos. Tussen ander werk door voltooide hij de eerste twee fasen van deze opzet: nauwkeurig lezen van het Latijn en nauwkeurig weergeven van dat Latijn in Nederlands proza. Als afsluitend en bekronend stadium had daarop de bewerking van dat proza in dichtvorm moeten volgen, zoals in overeenstemming was met de aard van zijn dichterschap dat - naar de uitdrukking van Verwey - niet kon rusten voordat hij in verzen begrepen had. De moed voor dat laatste stadium kon hij in 1646 echter niet opbrengen. Op grond van de vijfvoetige jamben in zijn Altaer-geheimenissen van 1645 lijkt het niet ongerechtvaardigd te veronderstellen, dat in deze jaren de epische alexandrijn voor hem nog te veel het symbool van zijn falen met de Constantinade was dan dat hij ertoe kon komen deze opnieuw als instrument voor belangrijk dichtwerk te hanteren. Desondanks stond hij erop, de publikatie van zijn Vergilius-studie niet af of uit te stellen. Hij wilde er immers mee bewijzen in zijn liefde en bewondering voor Vergilius dezelfde te zijn gebleven, ook al was hij aan de treurspelen ‘vervallen’. Wellicht mede dank zij gesprekken met Joost Baeck kwam hij tot de overtuiging, dat uitgave van zijn proza-vertaling niet alleen zin had, maar zelfs in een behoefte kon voorzien: het lezerspubliek stelde prijs op vertalingen die de oorspronkelijke tekst zo letterlijk mogelijk weergaven. Wij behoeven aan de oprechtheid van zijn desbetreffend betoog niet te twijfelen, om er

[p. 427]

toch een rechtvaardiging-achteraf in te vermoeden. Gezien zijn vorige vertalingen-in-dichtvorm en zijn behoefte om ‘in verzen te begrijpen’ mogen wij aannemen dat een proza-vertaling niet zijn oorspronkelijke opzet was geweest.

Na 1646 kwam Vondel geleidelijk over zijn epische trauma heen. Hij herwon zijn vroegere zelfvertrouwen ten aanzien van de epische alexandrijn en van het epos. De voldoening, die het welslagen van de Lucifer hem moet hebben verschaft, zal daar zeker toe hebben bijgedragen. Wie een zó moeilijk en hachelijk onderwerp als de val der opstandige Engelsen zó indrukwekkend gestalte wist te geven, behoefde niet te twijfelen aan het creatieve vermogen van zijn dichterschap, in welk genre dan ook.

De terugkeer van Vondel's zelfvertrouwen zal echter gepaard zijn gegaan met een groeiend gevoel van onbehagen ten aanzien van zijn Vergilius-vertaling. Naar zijn eigen normen was deze immers nog niet af. Wat hij in 1646 uitgegeven had, mocht dan zinvol zijn en zelfs in een behoefte voorzien, uiteindelijk was het toch niet meer dan een tussenfase op de weg naar werkelijke voltooiing. Het besef daarvan moet Vondel verontrust hebben: hij had ten opzichte van zijn meest bewonderde dichter nog altijd een ereschuld af te lossen. Wij weten niet, wanneer dit besef geleid heeft tot het nemen van een besluit en tot een begin van uitvoering. In 1654, toen hij een adempauze kreeg na de voltooing van Lucifer en van Salmoneus (bestemd om na het opvoeringsverbod voor de Lucifer de kostbare toneel-apparatuur die daarvoor was aangeschaft toch nog rendabel te maken)? Misschien reeds eerder, onder het werk aan deze beide drama's door? Het heeft geen enkele zin daarover te gaan speculeren zonder feitelijk gegeven als uitgangspunt. Een hypothese is alleen gerechtvaardigd, wanneer er een basis voor is.

Er is bijzonder weinig dat ons zulk een basis zou kunnen verschaffen. Het enige, waarvan wij zeker zijn, is dat in 1655 de Ondergang van Troje verscheen. Verder hebben wij enige grond voor het vermoeden, dat dit boekje Vondel's antwoord zou kunnen wezen op het Antwerpse uitgaafje van Gerard van Delft, met diens brief aan Vondel als post scriptum. Om te kunnen komen tot een hypothese, die niet helemáál in de lucht hangt, moeten wij van dit weinige uitgaan - al dienen wij er ons tevens rekenschap van te geven daarmee niet noodzakelijk een (het) juist(e) uitgangspunt gevonden te hebben. Wij hebben echter geen alternatief. Dat rechtvaardige de smalle basis van de hieronder volgende hypothese.

Het is redelijk aan te nemen, dat Vondel's verontrusting over zijn ereschuld aan Vergilius niet zo heel spoedig in activiteit is overgegaan. De schuld was al oud, en hij had zoveel andere plannen, waarvan er sommige in 1654 misschien al een begin van uitvoering hadden gevonden. Ik denk aan Koning Davids Harpzangen die in 1657 verschenen; aan het voorbereidende werk voor de Jeptha die zijn meesterstuk als tragedie-schrijver moest worden en waarvoor hij daarom een uitvoerige studie van de meest gezaghebbende poëtica's ondernam; aan de vertaling van Sophocles' Οἰδίπους τύραννος. Dat maakt het naar mijn mening waarschijnlijk, dat Vondel een stoot van buitenaf nodig had om over het dode punt heen te komen. Die stoot zou door Gerard van Delft gegeven kunnen zijn. Zoals ik hierboven89 heb uiteengezet, acht ik de kans groot dat Vondel diens uitgaafje inderdaad onder ogen heeft gekregen; de aan hem gerichte brief moet dat in de hand hebben ge-

[p. 428]

werkt. Maar het behoeft niet onmiddellijk na de verschijning in 1652 gebeurd te zijn; er kan best enige tijd verlopen zijn voordat het daartoe kwam. Dat brengt ons tot eind 1653, begin 1654, misschien nog later. Maar toen veroorzaakte de verontwaardiging dan ook wat anders wellicht nog enige jaren zou zijn uitgebleven: Vondel greep naar de pen om zijn Vergilius-in-proza in dichtvorm over te brengen. Aanvankelijk misschien met geen andere bedoeling dan recht te doen aan het tweede boek van de Aeneis; de afzonderlijke publikatie zou daarop kunnen wijzen. Maar al werkende aan de Ondergang moet de dichter dan ontdekt hebben dat het ‘weer ging’: dat alle remmingen uit de jaren veertig verdwenen waren en hij de epische alexandrijn opnieuw vlot en vloeiend hanteren kon. Wéér werd hij door Vergilius gepakt en meegesleept, maar nu ging dit gepaard met het in verzen begrijpen dat hij in 1646 niet had kunnen realiseren. Toen de Ondergang voltooid was, zette hij dan ook het werk voort, vermoedelijk eerst boek na boek van de Aeneis in vers brengend, daarna overgaande op de Bucolica en Georgica, maar in ieder geval niet rustend voordat zijn volledige proza-vertaling tot voltooiing gekomen was als vertaling-in-dichtvorm.

Zo zou het in grote lijnen geweest kunnen zijn. En als het anders gegaan is, dan ben ik geneigd aan te nemen dat op één punt de werkelijkheid toch met mijn hypothese overeenkwam. Dat ene punt is de veronderstelling, dat de Ondergang van Troje het begin van de dichterlijke bewerking is geweest. Waarom zou Vondel zich in 1655 tot de uitgave van dit éne boek beperkt hebben, als hij toen al meer klaar had gehad? In het bijzonder had men kunnen verwachten, dat hij dan in ieder geval het eerste boek - of een gedeelte daarvan - als inleiding op het tweede zou hebben opgenomen, zoals Gerard van Delft en Franciscus van den Enden dat in hun boekjes beiden hadden gedaan. Bovendien vereist een omvangrijk en veeleisend werk als de versificerende bewerking van de Vergilius-in-proza een toewijding en een energie, die slechts kunnen worden opgebracht zolang het enthousiasme voortduurt waarmee het werd ondernomen. Het lijkt mij gemakkelijker te aanvaarden dat dit enthousiasme Vondel een jaar of vijf - tussen 1654/5 en 1659/60 - heeft beheerst dan dat het zich gedurende vrijwel het gehele decennium van de jaren vijftig zou hebben weten te handhaven. Als wij uitgaan van een periode van maximaal vijf jaar, kwam de voltooiing van het werk snel genoeg in zicht om een additionele stimulans te kunnen zijn tot dóórzetten; bij een langzame groei gedurende het dubbele van die tijd zou deze stimulans zich niet of nauwelijks hebben doen gelden.

Wij beschikken over nòg een feitelijk gegeven, dat zich zonder bezwaar in de bovenstaande hypothese laat inpassen. Toen Vondel in 1657 overging tot uitgave van zijn - eerder geschreven - Salmoneus, citeerde hij in het Berecht, dat hij daaraan liet voorafgaan, ruim twintig regels vers-vertaling uit Aeneis vi die over Salmoneus handelen. Diezelfde regels vinden wij vrijwel onveranderd terug in zijn Vergilius-in-dichtvorm van 1660. Zoals Michels terecht heeft opgemerkt, valt uit de wijze van citeren op te maken, dat ‘niet de regels uit het berecht werden overgenomen in de rijmvertaling’, maar omgekeerd: ‘uit deze (rijmvertaling) die toen nog niet verschenen maar in bewerking was, nam Vondel enkele verzen in zijn berecht op’.90 In 1657 moet dus de vers-vertaling van de Aeneis op zijn minst voor de helft gereed zijn geweest.

[p. 429]

Hoe dit alles intussen ook zij, het uiteindelijke resultaat staat vast. In 1660 had Vondel zijn ereschuld aan Vergilius afgelost. En daarmee was tevens een definitief einde gekomen aan de frustrerende invloed die de mislukking van de Constantinade op de ontwikkeling van een bepaalde kant van zijn dichterschap had uitgeoefend. Ook naar die kant - het epische en episch-didactische in Vergiliaanse trant - kon hij zich nu vol-uit ontplooien. Hij moet daarmee onmiddellijk begonnen zijn. In 1662 verschijnen in vijf boeken zijn Bespiegelingen van Godt en Godtsdienst, niet in vijfvoetige jamben zoals de Altaergeheimenissen, maar in breed-vloeiende epische alexandrijnen. In 1663 volgen de drie boeken van De Heerlyckheit der Kercke, eveneens in alexandrijnen en met een nog duidelijker epische toon. Tussen deze beide leerdichten in ziet Vondel's epos het licht: Joannes de Boetgezant.

In zekere zin kan de geschiedenis van Vondel's Vergilius-vertalingen gezien worden als de moeizame weg die de dichter te gaan had, om de diepe depressie vanwege de mislukking van de Constantinade te overwinnen en de Joannes te kunnen realiseren.

‘Tantae molis erat’ (Aen. I, 33a): zó moeizaam verliep het.

§ 9. De opdracht van de Vergilius-in-verzen: ‘Parnasloof’

Ook in het voorwerk van zijn Vergilius-in-verzen nam Vondel de uitvoerige inleiding over de Latijnse dichter op, die in alle uitgaven van de proza-vertaling voorkomt onder de titel Aen den Lezer. Alleen gaf hij nu aan, waarover deze inleiding handelt, en ving hij het bezwaar op dat er eigenlijk twee verschillende onderwerpen in aan de orde kwamen: de biografie van Vergilius en de controverse tussen Homeristen en Maronisten. Daartoe splitste hij de bewuste inleiding in twee delen met elk een afzonderlijke titel; deze luiden respectievelijk Het leven van Publius Virgilius Maro en Het pleit der Homeriaenen en Maroniaenen voor d'eere van Homerus en Virgilius.

Van veel meer belang is in ons verband echter de Opdracht, gericht aan de Amsterdamse burgemeester Cornelis de Graeff. Zij is vervat in een uitvoerig gedicht van 168 alexandrijnen, waaraan Vondel de ietwat kryptische titel Parnasloof gaf.91 Naar ik meen, moeten wij dit verstaan als: lauwerkrans, eerdicht. Het ‘loof’, dat bij uitstek met de Parnassus verbonden is, bestaat immers uit de bladeren van de laurier.92 De inhoud van het gedicht bevestigt deze interpretatie van de titel. Vondel blijkt de opdracht van zijn Vergiliusin-verzen in de eerste plaats te hebben gehanteerd als hulde-betoon.

Om dit goed te begrijpen, moeten wij ons de eerbiedige bewondering realiseren, waarmee Vondel tegen de Amsterdamse regenten-geslachten opzag. Tot de aanzienlijkste en machtigste daarvan behoorden de families De Graeff, Boelens, Bicker en Witsen, alle nauw met elkaar verbonden door familieen huwelijksbanden. Naar Vondel's overtuiging waren zij het, die in de 15de en 16de eeuw de grondslag van Amsterdam's grootheid hadden gelegd en in de 17de de stad tot het machtigste handelscentrum van de wereld hadden gemaakt; zonder Amsterdam zouden de zelfstandigheid en de bloei van de Republiek niet mogelijk zijn geweest! Telkens weer komen wij in Vondel's werk

[p. 430]

dan ook met telgen uit deze geslachten in aanraking: hij draagt hun een nieuwe publikatie op, schrijft een gelegenheidsgedicht voor hen, eert hen met epigrammen waarin hij bij voorkeur ook de roem van hun voorouders vermeldt. Het meest typerend is in dit opzicht de reeks epigrammen, die hij in 1658 opdroeg aan Andries de Graeff, een jongere broer van Cornelis. De uitvoerige titel van die reeks geeft precies aan wat ermee bedoeld werd: ‘Afbeeldingen der Stamheeren en zommige telgen van de Graven, Boelensen, Bickeren en Witsens, toegewyt den edelen en gestrengen Heere Andries de Graeff, Ouden Raet en Rekenmeester, nu Out Burgermeester en Zeeraet’.93 Kenmerkend is ook het gedicht Op de wapenkroon van Amsterdam, dat Vondel in 1655 voor Cornelis de Graeff schreef en waarin hij diens voorvader Andries Boelens (1455-1519) verheerlijkt, die in 1489 van Keizer Maximiliaan i voor de stad het recht verworven had de keizerskroon boven haar wapen te voeren.94

Tegen deze achtergrond gezien, is het niet zo vreemd dat Vondel in de eerste 20 verzen van Parnasloof min of meer - het wordt meer geïmpliceerd dan uitgesproken - een parallel trekt tussen Vergilius' opdracht van zijn werk aan Keizer Augustus en de toewijding van de overzetting daarvan in ‘Nederduitsch gezangk’ aan ‘Mecenas Graeff’ (vs.16).

De opdracht aan De Graeff, zo vervolgt het gedicht, komt op een gunstig moment. Cornelis is juist als burgemeester afgetreden en als zodanig door zijn broeder Andries vervangen. Hij heeft dus tijd voor ontspanning. Hij kan nu op zijn hofstede Soestdijk genieten van het buitenleven ‘Of onder 't lindeloof, in eenen stillen hoeck // En eenzaem, spreecken met een stom en landnut boeck’ (vs.35-36). Wil hij eens wat meer de nadruk leggen op het dulce dan op het utile, dan biedt Vergilius hem alles wat hij wensen kan.

Dat laatste wordt nader toegelicht op een manier, die duidelijk bevestigt wat in de loop van dit hoofdstuk reeds meermalen als vermoeden werd uitgesproken: namelijk dat Vergilius voor Vondel in de éérste plaats de dichter van de Aeneis was en bleef. In vier regels wordt heel summier de inhoud van de Bucolica en de Georgica vermeld (vs.61-64), maar voor het overige heeft en vraagt Vondel alleen maar aandacht voor de Aeneis. Dàt ‘hemelsch werckstuck’ (vs.69) is het, waarin Cornelis de Graeff telkens weer iets zal vinden dat hem aanspreekt. Het ‘hangt, als een geweven // Onschatbaer koortapijt, van boven tot beneên, // Van nutte wijsheit en historien aen een’ (vs.70b-72). En dat alles is gericht op één enkel doel dat het gehele werk beheerst: ‘den staet [= de positie] van Rome in top te heffen, // Als 's weerelts hooftstadt’ (vs.74b-75a).

Die verheerlijking van Rome moest Cornelis de Graeff wel aanspreken! In al zijn bestuursfuncties had deze zich immers steeds ten doel gesteld ‘den staet van Amsterdam in top te heffen, // Als 's weerelts hooftstadt’. Er ligt hier een parallel, die - naar Vondel's voorstelling - uitgangspunt kan worden voor verder ‘bespiegelen’ (vs.84) en vergelijken. Rome en Amsterdam hebben immers veel gemeen. Zoals het machtige Rome gegroeid is uit het ‘arm begin’ (vs.87) van koning Evander's schamele stad Pallanteum, zó Am-

[p. 431]

sterdam uit ‘heer Gysbreghts visschersstadt, // Uit asch en puin hersticht’ (vs.88b-89a). Nù is Amsterdam de wereldmacht, die Rome indertijd was; zijn schepen beheersen de zeeën en de handel tot in het verre Oosten ‘daer men Batoos stadt [= Batavia] in 't oosten ziet herbout // Door uwe Bataviers’ (vs.92-93a).

Hier vallen voor het eerst de namen Bato en Batavieren, die in het vervolg van het gedicht zulk een belangrijke rol gaan spelen en schijnbaar de Aeneis op de achtergrond dringen. Om deze overgang te kunnen volgen, moet men met twee feiten rekening houden. In de eerste plaats, dat het vanuit zijn bespreking van de Aeneis is dat Vondel tot de Batavieren komt; de vermelding van Bato loopt dan ook uit op het schetsen van een epos over deze mythische held, dat voor de Nederlanders zou kunnen zijn wat de Aeneis voor de Romeinen was geweest: een nationaal heldendicht. In de tweede plaats, dat omstreeks 1660 de belangstelling van de Nederlanders voor de Batavieren een hoogtepunt had bereikt; ik heb daar reeds eerder op gewezen naar aanleiding van Vondel's Batavische gebroeders uit 1663, waarmee de dichter zijn aandeel leverde in de algemene Batavieren-cultus van zijn tijd.95 Bovendien was Cornelis de Graeff ten nauwste bij deze cultus betrokken. Ik meen niet beter te kunnen doen dan hier herhalen wat ik daarover ter anderer plaatse heb opgemerkt:

Deze was juist in die tijd bezig zich te beijveren voor het doen vervaardigen van ‘Bataafse’ schilderingen, ter versiering van het in 1655 gereed gekomen nieuwe Stadhuis. Centraal zou in die schilderingen de strijd van Claudius Civilis tegen de Romeinen moeten staan, een strijd waarin de Nederlanders van die dagen een parallel zagen van hun verzet tegen Spanje.96
Het ligt dan ook voor de hand, dat Vondel in zijn vers de gedachten van Cornelis de Graeff zich in de richting van diens hobby laat ontwikkelen: de parallel tussen zijn ‘grootvaérs tijt’ en ‘d'oude tijt’ van de opstand der Bataven (vs.96). De bewuste grootvader was Diedrick Jansz. Graeff (1529-1589), die de moeilijke beginjaren van de Tachtigjarige oorlog had meegemaakt, in 1568 met zijn gezin naar Emden was uitgeweken, maar na de Alteratie van 1578 naar Amsterdam terugkeerde om zijn stad als vroedschapslid en burgemeester te dienen.97

Het is goed ons nogmaals te realiseren, hoe logisch in dit spel van associaties het een uit het ander voortkomt. De Aeneis werd geschreven ter verheerlijking van Rome's grootheid. Die grootheid herinnert aan de opkomst van Amsterdam, uit een even ‘arm begin’ tot een even dominerende heerschappij. Een van de meest spectaculaire bewijzen voor die macht is de stichting van Batavia: een naam die verwijst naar de helfhaftige Batavieren, die onder Claudius Civilis aan hun nageslacht het voorbeeld gegeven hadden van vastberaden en succesvol verzet tegen een overmachtige onderdrukker. En dat voorbeeld is bezig zichtbare gestalte te krijgen door het ijveren van Cornelis de Graeff om ‘stadts Kapitool en boogen // Te kleeden met een ry zeeghaftige oorelogen,

[p. 432]

// Geschildert naer de kunst’ (vs.105b-107a): de Bataafse schilderingen in het nieuwe Stadhuis. - Men lette erop, hoe Vondel de veronderstelde gedachtengang van de Burgemeester zó doet verlopen, dat diens eigen aandeel in de bloei van Amsterdam er het eindpunt van vormt. Niet voor niets heet het gedicht Parnasloof!

Van de Batavieren is het maar één stap naar hun - door Vondel trouwens reeds terloops genoemde - legendarische stamvader Baeto, die de Amsterdammers o.m. al bekend was uit de tragedie van Hooft waarvan hij de titelheld is. En van de Aeneis is het maar één stap naar het epos dat aan hem, als Nederlandse aequivalent van Aeneas, gewijd zou moeten worden.

Op dat epos in spe gaat Vondel in de volgende 36 versregels nader in. Het verrassende daarbij is, dat hij het voorstelt of hij zelf tot het schrijven ervan zou willen overgaan, als hij er de tijd voor zou kunnen vinden. Ik heb al eens eerder betoogd, dat men daarin niet de aankondiging van een concreet plan moet zien: ‘Het hele Baeto-plan maakt de indruk minder een serieus project te zijn geweest dan een momentele opwelling, voortgekomen uit een tijdelijke Amsterdamse hausse in de algemene Batavieren-verering der 17de eeuw’.98 Ik zou daaraan nu willen toevoegen: en goeddeels bepaald door de mogelijkheid die het de dichter bood tot indirect hulde-betoon aan Cornelis de Graeff. Maar al heeft Vondel's opmerking dan niet veel reële achtergrond, toch is zij niet zonder belang. Zij bevestigt namelijk de conclusie, waartoe wij in de vorige paragraaf zijn gekomen. De frustrerende invloed van de teleurstellende ervaring met de Constantinade is definitief overwonnen. Vondel voelt het niet meer als een onmogelijkheid dat hij ooit een epos zou kunnen schrijven. Hij is zelfs al weer zó ver, dat hij met de gedachte kan spelen dit wèl te doen en daar openlijk voor durft uitkomen.

Ik laat hier de eerste tien regels van de bewuste passage volgen; de regelnummering is die uit de WB-editie.

 
Indien de tijt my gunt, naer 's Mantuaners wetten,
110
Den krijghshelt Bato met opklinckende trompetten
 
In top te voeren, naer den eisch van 't vrye lant,99
 
Door twalef boecken heen, tot daer de vredebant100
 
Gesloten wort; men zal de boschnon101 hooren melden,
[p. 433]
 
Voorspellen op een ry de vaders en de helden
115
Der volgende eeuwen, die alom met raet en daet
 
Zich queeten in gevaer, tot nootweer voor den staet,
 
De Graven, Boelensens, de Bickers, en de Hoofden,102
 
Zoo trou in 't leveren, gelijckze 't trou beloofden.103

Het valt op, dat Vondel in de geciteerde regels slechts één aspect uitwerkt van het epos, zoals hij zich dat voorstelt. Terloops laat hij uitkomen dat dit twaalf boeken zou tellen - wij zullen straks zien dat hij daarmee een bepaalde bedoeling heeft -, maar verder volstaat hij met het schetsen van wat een opzet ‘naer den eisch van 't vrye lant’ aan consequenties meebrengt ten aanzien van de toekomst-profetie die in een Vergiliaans epos nu eenmaal niet mocht ontbreken. In die profetie zou de betekenis van Amsterdam en de Amsterdamse regenten-geslachten voor de uiteindelijke grootheid van Baeto's rijk centraal moeten staan, en breed moeten worden uitgemeten. ‘De Graven, Boelensens, de Bickers, en de Hoofden’ zouden er evenzeer tot hun recht moeten komen als in Aeneis vi de grote figuren van het oude Rome vóór en in de tijd van Vergilius. Want Amsterdam - zo stelt Vondel - is voor de Republiek wat Rome was voor het Romeinse rijk: het hart en de kracht. In de verzen, die op het citaat volgen, werkt de dichter in deze geest nader uit wat de profetie van ‘de boschnon’ in een epos naar zijn ontwerp zou bevatten. Het verwerven van de keizerskroon boven het stadswapen door Andries Boelens zou worden vermeld, evenals de uitlegging van Amsterdam onder het burgemeesterschap van Cornelis de Graeff, de bouw van het nieuwe Stadhuis en het Zeemagazijn, de activiteit van het Admiraliteitscollege - waarvan Cornelis' broeder Andries een der leden was - voor de opbouw van een sterke vloot. Ook de ontdekkingsreizen van stoutmoedige zeevaarders zouden worden geëerd, en de fameuse bestuursjaren van Johan Maurits van Nassau in Brazilië. Na deze opsomming van motieven, die in de toekomst-profetie zouden voorkomen en waarvan alleen de laatste twee meer Nederlands dan Amsterdams zijn, keert Vondel ter afsluiting weer terug naar ‘zijn’ epos als geheel. Daarin, zo verzekert hij, zou men steeds het bezielende voorbeeld van Vergilius herkennen, zoals men bij het zien van een regenboog weet dat zijn schoonheid veroorzaakt wordt door de zon (vs.139-141).

Het is haast overbodig erop te wijzen, hoezeer deze schets van de inhoud der ‘boschnon’-profetie beheerst wordt door het hulde-betoon aan Cornelis de Graeff. Ook die schets is ‘Parnasloof’! Een reden te meer om niet te

[p. 434]

gauw te denken aan een concreet plan van de dichter. Zijn hele ‘plan’ is in de eerste plaats middel tot doel: een ingenieuse omkleding en verpakking van de hulde.

Toch ben ik ervan overtuigd, dat de 36 regels van de epos-passage óók nog een andere achtergrond hebben. Zoals ik in een eerdere publikatie heb betoogd, mogen wij niet uit het oog verliezen dat er al een epos over Baeto bestond toen Vondel ze schreef: de Batavias of Batavische Aeneas van Lambert van Bos, in 1648 te Amsterdam verschenen.104 Het mag, dunkt mij, uitgesloten worden geacht dat Vondel (met zijn voorkeur voor het epische) en Cornelis de Graeff (met zijn belangstelling voor alles wat Bataafs was) dit werk niet zouden hebben gekend. Maar dan kan het feit dat Vondel het in Parnasloof niet vermeldt, slechts betekenen dat hij het opzettelijk doodzwijgt, omdat hij het onwaardig oordeelt als Nederlandse aequivalent van de Aeneis te fungeren en in één adem daarmee te worden genoemd. De Batavias komt in mijn volgende hoofdstuk aan de orde.105 Wij zullen daar zien, dat het een zeer middelmatig dichtstuk is, zwak en onevenwichtig van compositie, op allerlei punten in strijd met de eisen die door de tijdgenoten aan een Vergiliaans epos werden gesteld. Het paste inderdaad niet in de context van Vondel's epos-passage, en de onbarmhartige kritiek van het doodzwijgen is in het bewuste verband niet ongerechtvaardigd. Maar al nòèmt Vondel de Batavias niet, hij zinspeelt er naar mijn mening in tweeërlei opzicht toch wel degelijk op, met een knipoog naar Cornelis de Graeff die hem zeker begrijpen zou. Wanneer hij met nadruk verklaart dat in ‘zijn’ epos Baeto bezongen zou worden ‘naer den eisch van 't vrye lant, // Door twalef boecken heen’, dan doelt hij op een tegenstelling met de Batavias die slechts zes boeken telde: te weinig om een waardig evenbeeld van de Aeneis te kunnen zijn, en te weinig om ‘naer den eisch’ aan de machtige Republiek der Verenigde Nederlanden recht te doen wedervaren. Nog veel duidelijker zet Vondel zich tegen Van Bos' epos af in de uitvoerige opsomming van de inhoud der ‘boschnon’-profetie. Bij mij - zo verzekert hij aan burgemeester De Graeff - zullen de Amsterdamse regenten-geslachten de plaats innemen van ‘de vaders en de helden’ die Anchises in Aeneis vi voor zijn zoon de revue laat passeren, en zal Amsterdam centraal staan in de voorgeschiedenis van de Republiek. Lambert van Bos daarentegen had voor de betekenis van Amsterdam geen oog gehad en in zijn epos slechts zeventien regels aan de toekomstige bloei van de stad gewijd. Ook bij hem krijgt Baeto de toekomende heersers over zijn rijk te zien, maar hun stoet begint met graaf Dirk i van Holland en eindigt met koning Filips ii van Spanje. Het is duidelijk, hoe Vondel daarop reageert. Niet de graven van Holland en zeker niet Filips ii zijn de voortzetters en voltooiers van Baeto's werk geweest. Niet zij hebben Holland en door Holland de Republiek groot gemaakt, maar de burgers onder leiding van de invloedrijke regenten-geslachten die uit hen zijn voortgekomen en die nog steeds voortgaan het rijk van Baeto tot groter bloei te brengen. In de wijze waarop Vondel hier tegenover de voorstelling van Van Bos een oppositioneel uiterste stelt, zit ongetwijfeld een element van ‘Parnasloof’-overdrijving. Maar ik twijfel er niet aan, of in wezen geeft hij zijn werkelijke overtuiging weer. Het zou bijzonder interessant zijn geweest, te zien hoe hij die in een epos over Baeto zou hebben verwerkt.

[p. 435]

Daartoe is het echter nooit gekomen. Reeds aan het einde van zijn epospassage distancieert Vondel zich trouwens alweer van zijn ‘plan’ (opnieuw een aanwijzing dat wij dit niet te serieus moeten opvatten): ‘Hoewel ick schroom naer d'eer des Mantuaens te streven // Met wasse pennen’ (vs.142-143a). Hij blijft maar liever ‘om laegh, beneên zijn' faem’ (vs.143b) zweven, om niet de kans te lopen als een nieuwe Icarus naar beneden te storten. Intussen vergenoegt hij zich met ‘gezang van korter adem’ (vs.145b), met name gelegenheidsgedichten van allerlei aard. ‘De zangbeminners zijn belust op keur van wijzen, // En watertanden naer verandering van spijzen’ (vs.153-154).

De dichter besluit zijn lof- en opdrachtdicht met de wens, dat Cornelis de Graeff nog lang in leven zal blijven om op Soestdijk te genieten van zijn ‘waeranden, en geplante lustboscheicken’ (vs.162). Als het van hèm afhing - ‘Indien mijn Zanggodin uw dagen recken kon’ (vs.155) -, zou de levenszon van de 61-jarige regent slechts ‘langkzaem daelen, en beneên de kimmen zincken’ (vs.157).106

De mening dat Vondel ‘het plan (had) opgevat om geleid door Virgilius' Epos een echt vaderlandsch heldendicht te scheppen, met Bato als held’107 berust uitsluitend op Parnasloof. Om dit z.g. plan tot redelijke proporties te reduceren, was het daarom nodig met enige uitvoerigheid op dit veelszins merkwaardige gedicht in te gaan.

§ 10. De ‘Aeneis’ in verzen

Zoals ik dat in § 5 bij mijn bespreking van de proza-vertaling heb gedaan, beperk ik mij ook in mijn opmerkingen over Vondel's Vergilius-in-verzen tot het gedeelte dat de Aeneis bevat.

Als uitgangspunt kies ik de opmerking van Verdenius, dat Vondel in zijn vers-vertaling ‘inderdaad herhaaldelik vervallen is in de fouten die hij vreesde, en van te voren reeds als onvermijdelik beschouwde’.108 De Amsterdamse geleerde doelt daarmee op de uitspraak van de dichter in de Opdracht van zijn proza-vertaling aan Huygens, dat hij in een gepoëtiseerde overzetting veel verder van de oorspronkelijke tekst zou hebben moeten afwijken. De bewuste passage is reeds eerder geciteerd in § 4, maar gemakshalve laat ik ze hier nogmaals volgen:

... hoe veel meer had'er de Mantuaen van zijn vederen moeten laten, indien men zijnen geest door benaeutheit van voeten en rijm bestont te prangen en te knijpen, en uit verlegenheit te rucken, te plucken, en ter noot doorgaens met geleende pluimen van rijm-en-noodige stopwoorden te decken. Het vertaelde te rijmen, zonder afdoen of toedoen, is qualijck mogelijck, ja onmogelijck, en dwaelt meest al min of meer af van het vertaelde. (WB VI, 43, reg. 42-48)

Naar mijn mening geeft Verdenius, als hij spreekt van ‘de fouten die hij vreesde’, aan Vondel's woorden een betekenis die zij niet hebben. Vondel signaleert hier geen ‘fouten’, maar constateert een ervaringsfeit. Het is nu

[p. 436]

eenmaal onmogelijk ‘het vertaelde te rijmen’ zonder ten behoeve van maat en rijm de nodige veranderingen aan te brengen in de proza-tekst die aan de berijming ten grondslag ligt. Zoals paste in het kader van zijn Opdracht, die het goed recht van een proza-vertaling moest verdedigen, formuleerde de dichter dit in scherpe bewoordingen. Maar deze hebben alléén betrekking op de tekstgetrouwheid ten opzichte van het origineel. Zij wijzen eenzijdig op het negatieve aspect van een vertaling-in-verzen, zonder daar de poëtische winst tegenover te stellen die de mindere letterlijkheid ruimschoots kan goedmaken. Die eenzijdigheid is in de bewuste context op haar plaats, maar geeft nièt Vondel's werkelijke standpunt weer. Wat hem voor ogen staat en wat hij hier eigenlijk bedoelt, is dat een vertaler moet kiezen. Wie letterlijk wil overzetten, moet zich aan proza houden. Wie het in verzen wil doen, moet aanvaarden dat dit onvermijdelijk gepaard gaat met ‘afdoen of toedoen’. Zowel het een als het ander heeft zijn voor en zijn tegen.

Toen Vondel ertoe overging zijn proza-vertaling ‘te rijmen’, betekende dit daarom niet dat hij ‘herhaaldelik vervallen is in de fouten die hij vreesde’. Hij aanvaardde bewust de noodzaak van mindere tekstgetrouwheid die met de poëtisering van zijn proza gepaard ging, al probeerde hij uiteraard de afwijkingen tot een minimum te beperken.

Alvorens na te gaan op welke wijze hij daarbij te werk ging, dienen wij echter eerst nog even stil te staan bij enkele detailpunten waarop Verdenius de aandacht gevestigd heeft. Ik laat hem daarvoor zelf aan het woord:

De directe bron van de vertolking in verzen is de proza-vertaling, maar daarnaast heeft Vondel herhaaldelik zijn Latijnse Vergilius en de daarbij behorende commentaar of commentaren geraadpleegd; dat blijkt op tal van plaatsen; in de aantekeningen onder de teksten heb ik daarop vele malen de aandacht gevestigd. Enkele onjuistheden uit de eerste druk die in alle volgende proza-drukken, ook nog in die van 1675, onverbeterd zijn blijven staan, zijn in de vertaling in verzen vervangen door de juiste vertaling. - Nu en dan heeft Vondel bij de dichterlike bewerking zijn prozatekst verkeerd opgevat; als gevolg daarvan vertoont de vertaling in verzen verschillende misvattingen, die de dichter ongetwijfeld bij hernieuwde raadpleging van zijn Latijns origineel zou hebben vermeden. Een geringe afwijking of minder duidelike weergave in de prozatekst is soms oorzaak van een ontwijfelbare fout in de poëtiese bewerking. Ook hierop is in de aantekeningen herhaaldelik gewezen. (WB VI, 20)
Ik onthoud mij van het geven van voorbeelden. Wie daarvoor belangstelling heeft, kan ze zonder moeite in de WB-editie vinden, te meer omdat Verdenius in een drietal noten bij de geciteerde passage naar een aantal plaatsen verwijst waar dergelijke voorbeelden voorkomen.

Wel moet ik aan de constateringen van Verdenius één punt toevoegen, dat hij hier niet ter sprake brengt, maar dat wel uit zijn nauwkeurige annotatie af te leiden valt. Het komt soms ook voor, dat de vertaling-in-verzen een onjuistheid of onnauwkeurigheid bevat, die in Vondel's laatste herziening van zijn proza-tekst - de druk van 1659 - verbeterd blijkt te zijn.

Uit deze gegevens mogen wij concluderen, dat Vondel zijn beide vertalingen niet systematisch op elkaar heeft afgestemd. Als hij in zijn dichterlijke bewerking een fout vermeed die in de proza-tekst voorkwam, noteerde hij niet altijd die correctie in zijn handexemplaar van de Vergilius-in-proza dat de grond-

[p. 437]

slag moest vormen voor een verbeterde herdruk. Omgekeerd bracht hij in dat handexemplaar wel eens een verbetering aan, zonder in zijn dichterlijke bewerking het desbetreffende gedeelte - wanneer dat reeds voltooid was - met die correctie in overeenstemming te brengen. Blijkbaar was hij in die gevallen te veel met het éne bezig om tegelijkertijd ook aan het andere te denken.

Ter illustratie van de wijze, waarop Vondel zijn proza-vertaling in verzen overbracht, laat ik hier dezelfde passages volgen die ik in § 5 uit de Aeneis-in-proza heb geciteerd. De lezer kan ze dan desgewenst woord voor woord met elkaar vergelijken. Weliswaar kan hij deze vergelijking ook baseren op de WB-editie, die het voordeel biedt de beide teksten náást elkaar te plaatsen, maar ik meende er niet op te mogen rekenen dat elke lezer WB VI onmiddellijk bij de hand zou hebben. Om enigszins tegemoet te komen aan het bezwaar, dat bij mij de corresponderende proza- en poëzie-teksten nièt naast elkaar afgedrukt staan zodat er voor vergelijking telkens moet worden teruggebladerd, heb ik in mijn citaten uit de dichterlijke bewerking gecursiveerd wat daarin letterlijk aan de vertaling in proza is ontleend. Zodoende behoeft men niet telkens § 5 op te slaan, om een indruk te krijgen van de nauwe samenhang en de verschillen tussen Vondel's beide vertalingen.

Eerst dan de passage betreffende de verschijning van Creüsa's schim aan Aeneas in de nacht van Troje's ondergang: Aen. II, 771-794; de proza-vertaling daarvan vindt men op blz. 410 hierboven. De regel-telling is die van Verdenius in WB VI.

 
Terwijl ick haer aldus, en zonder rust, loop zoeken
1110
Al razende, huis in, huis uit, in alle hoecken
 
En wijcken van de stadt, verscheen Kreüzes geest
 
En schim my, grooter danze in 't leven was geweest,
 
In een gestaltenis, my droever dan, in 't ende
 
En voor haer afscheit, ick haer met mijne oogen kende.
1115
Ick stont verbaest van schrick, en al mijn haeren staen
 
Te berge, en mijne keel vergeet geluit te slaen.
 
Toen sprackze tegens my, en streeck, in zulck een smarte,
 
Met dezen zoeten troost de zorgen van mijn harte:
 
Wat slaeftge, ô lieve man, u zelven af, om niet?
1120
Hier is niet zonder Godts beleit en wil geschiet.
 
Gy mooght Kreüze niet met u uit Troje brengen:
 
De groote hemelvooght wil geensins dit gehengen.
 
Gy moet noch lang de wilde en woeste zee alom
 
Beploegen, zwerven in onzeker ballingsdom.
1125
Gy zult belanden in 't Hesperische geweste,
 
Daer 's Tybers versche stroom den vetten acker meste,
 
En langsaem afdrijft, door het lant dat helden teelt:
 
Daer staet een lot van weelde en 't koningklijcke beelt,
 
Een schoone maeght, en 't rijck, haer bruitschat, u te winnen.
1130
Nu schrey niet om Kreüze, en zetze eens uit uw zinnen:
 
Want ick uit Dardans stam, en Venus aengetrout,
 
Zal niet de gevels zien, van Myrmidons gebouwt,
 
En trotse Dolopen, noch Griecksche joffren dienen;
 
Dewijl ick, hier om hoogh in top, by d'ongezienen
1135
Voortaen verblijf, en blijf voor eeuwigh met der woon,
 
Onthaelt by Cybele, de moeder van de Goôn.
 
Nu leef gezont, en lang: volhardt in gunste en liefde
 
Van uw' en mijnen zoon: zoo sprackze, die my griefde
 
In 't scheiden, daer ick weende, en zuchte heel ontstelt,
[p. 438]
1140
En zy voor 't oogh verdwijnt, aen dunne lucht versmelt.
 
Wy pooghden drywerf haer t'omhelzen, al beneepen,
 
En drywerf naer heur' geest en schim vergeefs gegreepen,
 
Ontglipteze onzen arm, gelijck de wint ontglipt
 
Die licht is, en gelijck de vlugge slaep ontslipt.
 
(WB VI,477-479)

Wat ons het eerst opvalt, is het uitdijen van de passage. Vondel's dichterlijke bewerking komt veel meer neer op toedoen dan op afdoen aan de oorspronkelijke tekst (wat in dit geval wil zeggen: de proza-vertaling). Een sprekend voorbeeld vinden wij al dadelijk in vs.1111b-1114. Het daarmee corresponderende proza luidt kort en bondig: ‘verscheen my Kreüzes ongeluckige geest en gedaente zelf, grooter van gestaltenisse, dan ickze gekent hadde’. Vondel geeft daarvoor een omschrijving, die op zichzelf wel juist is, maar minder duidelijk en minder effectief. De reden ligt naar alle waarschijnlijkheid in het feit dat hij rijmen nodig had op de kernwoorden geest (vs.1111) en kende (vs.1114). Maar twee nieuwe rijmwoorden betekenden twee versregels die moesten worden gevuld zonder dat er een motief werd ingevoegd dat bij Vergilius ontbreekt. Vondel is er vrij goed in geslaagd deze moeilijkheid te overwinnen. Wie de bewuste regels leest zonder ze met het proza te vergelijken, laat er zich door meenemen. Maar wie ze gaat analyseren, kan slechts tot de conclusie komen dat met name de vss.1113 en 1114 - om Vondels' eigen terminologie te gebruiken - niet veel meer dan ‘rijm-en-noodige stopwoorden’ bevatten. Al is het woord gestaltenis aan het proza ontleend, noch daar noch bij Vergilius blijkt de gedachte terug te vinden dat Kreüze's schim Aeneas in droever gedaante verschenen zou zijn dan hij haar bij haar leven gekend had. De tijdsbepaling ‘in 't ende // En voor haer afscheit’ is na ‘in 't leven’ (vs.1112) geheel overbodig; in 't ende dient alleen om een rijmwoord te leveren op kende in de volgende regel, voor haer afscheit als vulsel om die regel tot een alexandrijn te maken. - Iets dergelijks treffen wij aan in de vss.1117-1118, waar ‘in zulck een smarte’ en ‘zoeten’ eveneens vul-woorden zijn, al kan men ze met enige goede wil wel als functioneel aanvaarden. - In vs.1124 zien wij Vondel ballingschap ter wille van het rijm vervormen tot ballingsdom, in vs.1128-1129 om dezelfde reden ‘Koningklijcke dochter’ breedvoerig omschrijven als ‘'t koningklijcke beelt, // Een schoone maeght’. - In vs.1134 wordt het neutrale ‘in dit gewest’ van het proza (het Latijn heeft: ‘his oris’) door de uitwerking tot ‘hier om hoogh in top, by d'ongezienen’ naar een Christelijke voorstelling van het hiernamaals omgebogen; waarschijnlijk is de behoefte aan een rijmwoord op -ienen daartoe aanleiding geweest. - In de vss.1137-1144 tenslotte vinden wij ten opzichte van het proza duidelijk dezelfde tendens terug, die wij in § 5 reeds bij het proza waarnamen ten opzichte van de Latijnse tekst.109 Men vergelijke vooral vs.1138b-1140 en vs.1143-1144 met de corresponderende vertaling in proza op blz. 410 hierboven.

Van de tweede passage, die ik uit de proza-vertaling geciteerd heb - de overwinning van Hercules op het monster Cacus (Aen. VIII, 233-267) - laat ik kortheidshalve slechts het eerste gedeelte in Vondel's dichterlijke bewerking volgen; de rest brengt geen nieuwe aspecten aan het licht. De corresponderende proza-tekst vindt men op blz. 411 hierboven.

[p. 439]
 
Recht boven op den rug van 't hol, met rots by rots
340
En afgebroke klippe omheint, stont spits en trots
 
Een klip, die uitstack in de hooghte, een nest voor gieren,
 
Een broeinest voor de rave en roofgezinde dieren.
 
Alcides deze klip, die aen den slincken kant
 
Des heuvels naer den stroom zich buight, met zijne hant
345
Aengrijpende. verwricktze, en scheurtze van haer' wortel,
 
En stootze flux om laegh aen puin en gruis te mortel,
 
Dat al de lucht rondom gewaeghde van den slagh,
 
En d'oevers daverden, de stroom van groot ontzagh,
 
Verbaest te rugge sprongk. toen quamen dees speloncken
350
En Kakus moorthol, en zijn roofnest, diep gezoncken,
 
Heel helder aen den dagh. de kelders, vuil van moort,
 
En zwart van schaduwen en schimmen, lagen voort
 
Voor ieder open, en niet anders of 't gereeten
 
En gaepende aerdtrijck, diep van onder opgespleeten,
355
Den helschen jammerpoel ontdeckte, en 't naere rijck
 
Des Doots, gehaet by't licht der Goden, te gelijck
 
Nu opensloot, zoo dat men onderwaert van boven
 
In dien gevloeckten poel, voor 't licht, dat door de kloven
 
Beneden scheen, de schaer der zielen siddren zagh:
 
(WB VI, 837)

Het is alsof Vondel, naarmate de tekst moeilijker wordt, zich angstvalliger aan de ‘letterlijke’ weergave van zijn proza-vertaling tracht te houden. Vs.343-345 zijn praktisch onveranderd gebleven. Alleen is ‘Herkules’ metri causa gewijzigd in ‘Alcides’, en ‘zijde’ rimae causa in ‘kant’, terwijl ‘over den stroom helde’ vervangen werd door ‘naer den stroom zich buight’, eveneens ter wille van het metrum. Toch ontbreken ook hier de omschrijvende uitbreidingen en herhalingen niet. ‘Een recht broeinest voor heilooze vogels’ wordt in vs.341b-342 aangedikt tot: ‘een nest voor gieren, // Een broeinest voor de rave en roofgezinde dieren’ (waarbij ‘dieren’, door het rijm bepaald, nauwelijks in de context past). De neiging tot meerdere emphase, weelderiger woordgebruik en meer bewogen stijl, die wij in de vorige passage opmerkten, vinden wij hier met name terug in de vss.353b-359. ‘Den helschen poel’ en ‘het Rijck des doots’ uit het proza worden hier: ‘Den helschen jammerpoel’ en ‘'t naere rijck // Des Doots’. Men ziet de zielen in het dodenrijk niet slechts ‘van boven’, maar ‘onderwaert van boven’ (vs.357). De zinsconstructie wordt door tussenvoegingen en bijstellingen verbrokkeld en maakt daardoor een gejaagde indruk die door de frequente enjambementen nog wordt versterkt.

Het zou de moeite waard zijn, op deze wijze voort te gaan om te trachten tot definitieve conclusies omtrent Vondel's berijmings-techniek te komen. In het kader van deze studie kan daarvan echter geen sprake zijn en moet ik mij beperken tot de enkele opmerkingen die ik hierboven gemaakt heb.

Intussen blijkt dat weinige toch al voldoende om ten volle de karakteristiek te bevestigen, die Albert Verwey geeft van de vormgeving in de Vergilius-inverzen. Wie zich - zoals wij zo juist gedaan hebben - op een aantal willekeurige plaatsen tot vergelijking van de berijming met het proza heeft gezet, kan niet anders dan diepe bewondering voelen voor de trefzekerheid, waarmee Verwey de essentie weet samen te vatten van wat zo'n vergelijking oplevert. Hij doet dit in aansluiting op de opmerking dat er in een gedicht ‘eigenaardig-

[p. 440]

heden’ zijn die men aan de gedachte, en andere die men aan het vers toeschrijft. Daarop volgt dan:

Er zijn dichters, en ik reken hen tot de grootste, in wier werk men die scheiding nauwelijks maken kan. Hun gedachte is eenvoudig vers, zoodat men noode een trek van hun vers kan noemen die er niet ook een van hun gedachte is. Maar bij Vondel is de band iets losser: de zin eenmaal gegeven, gunt hij zich een op zijn vers berekende vrijheid van omschrijving en herhaling. Omschrijving terwille van het rijm, herhaling als factor van geluid en beweging. Niemand leest Vondel zonder optemerken hoe graag hij zich beweegt in overdrachtelijke zegswijzen en welk een ruim gebruik hij maakt van synoniemen. - Beide eigenaardigheden zijn minder een trek van zijn denken dan van zijn uiting. Zij doen hem kennen als een man van overdrachtelijke en genietende vormgeving, meer dan van hartstochtelijke onmiddelijkheid. - Deze vormgeving stelde hij in 't werk tegenover Vergilius.110

De twee belangrijkste termen in dit citaat zijn: ‘de zin eenmaal gegeven’ en ‘genietende vormgeving’. Bij beide zou ik een kanttekening willen maken om dit te onderstrepen.

De zin eenmaal gegeven ...’. Wij beschikken niet over ander werk van Vondel, waarin hij op een dergelijke schaal eigen proza in versvorm heeft overgebracht. Van zijn andere grote vertalingen-in-dichtvorm is het proza, dat er de grondslag voor vormde, niet bewaard gebleven. Intussen is er geen enkele reden om te veronderstellen dat de verhouding tussen proza en poëzie daar anders gelegen zou hebben. Wij mogen de samenhang tussen die beide in de Vergilius-vertalingen veilig als representatief beschouwen voor zijn manier van werken. Maar dan volgt daaruit dat de term, die de dichter in zijn Opdracht van 1646 aan Huygens gebruikte: ‘het vertaelde te rijmen’, volstrekt letterlijk moet worden verstaan. Er is in de Aeneis-in-verzen geen sprake van om- of her-dichting, van persoonlijk engagement of innerlijke bezieling bij de dichter. De zin - d.w.z. de gedachte, de Gehalt - eenmaal gegeven en in zijn proza-vertaling vastgelegd, houdt Vondel zich nog slechts bezig met de Gestalt. Hij probeert niet in zijn dichterlijke bewerking de géést en de sféér van Vergilius nauwkeuriger te vangen dan hem in zijn proza-vertaling gelukt was. Hij is er alleen maar op uit, de proza-vertaling zódanig te herformuleren, dat enerzijds de bewoordingen daarvan zoveel mogelijk gehandhaafd kunnen blijven, en anderzijds toch voldaan wordt aan de eisen van metrum en rijm. Het overbrengen in dichtvorm is voor hem praktisch uitsluitend een kwestie van versvaardigheid en technische vindingrijkheid. - Verwey merkt in onmiddellijke aansluiting op het bovenstaande citaat op, dat dezelfde dichterlijke vormgeving als in de Vergilius-in-verzen óók de Bespiegelingen van Godt en Godtsdienst beheerst. Als dit juist is - en ik ben geneigd dat aan te nemen -, dringt zich onwillekeurig de vraag op, of wij dan niet moeten veronderstellen dat ook dit leerdicht geheel of gedeeltelijk berust op een eerder geschreven vastlegging van de zin in proza. Overigens is er dit verschil, dat de dichter in de Bespiegelingen wel degelijk blijk geeft van persoonlijk engagement en innerlijke bezieling.

Genietende vormgeving’. Het overbrengen van de Aeneis in verzen moge

[p. 441]

dan in hoofdzaak een kwestie van versvaardigheid en technische vindingrijkheid zijn, dat sluit bij de dichter een ambachtelijke vreugde in het verrichten van degelijk vakwerk niet uit. Vondel heeft er kennelijk plezier in, zijn proza zich onder zijn kundige handen te zien voegen naar de eisen van de dichtvorm, oplossingen te vinden voor de moeilijkheden die zich daarbij voordoen, en niet te rusten vóór zijn alexandrijnen soepel genoeg lopen om hem te kunnen voldoen. Berijmen is voor hem: zijn proza dwingen tot het aannemen van een edeler vorm; de middelen, die hij daartoe hanteert, zijn: omzetting van de woordvolgorde, wijziging van de zinsconstructie, omschrijving, herhaling, toevoeging van bepalingen en bijstellingen. Meestal slaagt hij erin dit zó te doen, dat zijn vulsels functioneel blijven. Slechts een enkele maal doet een toevoeging als geforceerd of minder gelukkig aan. Vaker komt het voor, dat een indruk van overbodigheid wordt gewekt, al moeten wij rekening houden met de mogelijkheid dat dan ‘herhaling als factor van geluid en beweging’ (Verwey) in het spel is. De meerdere emphase ten opzichte van het proza, die wij waarnamen, wordt naar mijn mening bij dit alles niet bewust nagestreefd. Zij is een gevolg van wat Meerwaldt de onbewust in Vondel werkzame Senecaans-excessieve stijltendentie heeft genoemd,111 waardoor hij onwillekeurig in de eerste plaats naar accentuerende vulsels grijpt.

 

De Aeneis-in-verzen mag beschouwd worden als een ambachtelijk meesterstuk, maar is zeer bepaald géén meesterwerk. De wijze, waarop Vondel in dichtvorm vertaalt, sluit bij voorbaat uit dat hij daarmee de poëtische hoogten bereikt, waartoe hij in zijn oorspronkelijk werk weet te komen: niet alleen in b.v. de Lucifer en de Jeptha, maar ook in de Geboortklock en de Verovering van Grol. Dat geldt voor àl zijn in-vers-gebrachte vertalingen.112 Om het ten opzichte van Vondel's tijd enigszins anachronistisch uit te drukken: zij verhouden zich tot zijn oorspronkelijke werk als kunstnijverheid tot kunst.

§ 11. Conclusie

Vondel's twee vertalingen van de Aeneis vormen een belangrijk moment in de ontwikkelingsgeschiedenis van het Renaissancistisch-klassicistische epos in de Nederlanden. Als wij de vertaling van de Pharsalia door Hendrik Storm buiten beschouwing laten - wat gerechtvaardigd is, omdat dit werk van Lucanus door de theoretici niet als een epos maar als een historie-dicht werd beschouwd -, kan men zeggen dat Vondel's proza-vertaling van 1646 de eerste Renaissancistische publikatie van een epos ten onzent is geweest. Weliswaar verschenen in hetzelfde jaar ook de eerste epen van Lambert van Bos, die in mijn volgende hoofdstuk aan de orde zullen komen en die in onze ogen op de vertaling van Vondel vóór hebben dat zij oorspronkelijk zijn. Maar voor de tijdgenoten was dit ongetwijfeld eerder een na- dan een voordeel. Wat zij wensten, was toegang te krijgen tot het meest bekende en beroemde heldendicht uit de Oudheid, waarop in de literatuur van hun tijd telkens weer gezinspeeld werd, waarvan zij in grote lijnen de inhoud kenden, maar dat in de eigen taal niet volledig tot hun beschikking stond. Bovendien was Lambert van Bos in 1646 een jongeman, wiens naam nog geen enkele klank had en

[p. 442]

wiens werk niet bij voorbaat vertrouwen wekte. Vondel daarentegen had in 1646 zijn sporen reeds ruimschoots verdiend. Men wist van zijn grote belangstelling voor het epos, men herinnerde zich dat hij reeds eerder werk uit de Oudheid met succes had vertaald, en verwachtte dus niet anders dan dat zijn Vergilius-in-proza in de bestaande behoefte zou kunnen voorzien. De reeks herdrukken bewijst dat dit ook inderdaad het geval is geweest.

Ondanks de gelijktijdige verschijning van Vondel's proza-vertaling en de Essays van Lambert van Bos mag daarom vastgesteld worden dat de stoot voor de hernieuwde epische belangstelling, die zich omstreeks 1650 gaat manifesteren, van Vondel is uitgegaan. Vóór hem was die belangstelling zó gering dat niemand ertoe gekomen was de 16de-eeuwse rederijkersvertalingen van de Aeneis en de Homerische epen te vervangen door een meer moderne bewerking, bij voorkeur tevens een meer tekstgetrouwe. Vondel's Aeneis-in-proza was zowel het een als het ander. Bovendien werd daarin - voor het eerst in de Nederlanden - gebroken met de traditie, dat poëzie slechts in dichtvorm vertaald zou mogen worden. Op dit punt vooral vond zijn voorbeeld vrijwel onmiddellijk navolging. In de eerstvolgende jaren verschijnen er nu ook vertalingen of bewerkingen in proza van de Odyssee en de Ilias. De aandacht beperkt zich niet tot het epos uit de Oudheid, maar omvat ook dat van de ‘modernen’; de Orlando furioso en de Gerusalemme liberata komen eveneens in Nederlands proza van de pers. Vondel heeft met zijn proza-Aeneis niet alleen een nieuwe mogelijkheid aangewezen, maar die tevens met de autoriteit van zijn naam gelegitimeerd. Zodoende heeft hij voor de vele Nederlanders, die hun vreemde talen niet voldoende beheersten om de daarin geschreven epen met vrucht en genoegen te kunnen lezen, een nieuwe wereld doen opengaan.

In § 5 van dit hoofdstuk heb ik een verklaring trachten te geven voor deze ‘revolutionaire’ daad van Vondel. Op grond van de schaarse gegevens, waarover wij beschikken, heb ik de hypothese ontwikkeld dat zij toegeschreven moet worden aan het mislukken van de Constantinade en de ‘epische impasse’ waarin Vondel als gevolg daarvan tijdelijk verkeerde. Als deze hypothese juist is, volgt daaruit dat het kwade toch tot iets goeds heeft geleid. De prozavertaling van de Aeneis heeft uiteindelijk méér gedaan voor het stimuleren van de epische belangstelling en de publikatie van andere epen dan naar alle waarschijnlijkheid door de Constantinade zou zijn bewerkt. Men zou een oorspronkelijk epos van Vondel, al dan niet met reserves, hebben bewonderd, om vervolgens weer over te gaan tot de orde van de dag. Datzelfde zou m.i. ook het geval zijn geweest, als Vondel zijn vertaling van de Aeneis dadelijk in dichtvorm had gepubliceerd. Want daarmee zou hij geen nieuwe weg hebben aangewezen om buitenlandse epen toegankelijk te maken voor het eigen lezerspubliek: die van het proza.

Ook als men mijn hypothese niet aanvaardt en meent dat Vondel's keuze voor het proza zonder ‘epische impasse’ kan worden verklaard, blijft de conclusie onaangetast dat de verschijning van zijn Aeneis-in-proza grote culturele betekenis heeft gehad, door de stoot te geven tot het opleven van de epische belangstelling die tot dusver in de Nederlandse Renaissance van de 17de eeuw vrijwel verborgen was gebleven.

Maar de betekenis van de Aeneis-in-verzen uit 1660 mag daarnaast zeker niet worden verwaarloosd! Het kan niet anders, of er is een ‘contra-revolutionaire’ invloed van uitgegaan. In § 8 van dit hoofdstuk heb ik getracht ant-

[p. 443]

woord te geven op de vraag, hoe het opmerkelijke verschijnsel van een vertaling-in-verzen naast die in proza moet of zou kunnen worden verklaard. Maar de invloed van de dichterlijke bewerking op anderen werd niet bepaald door de werkelijke drijfveren van Vondel. Het ging om de conclusie, die het lezende publiek uit de verschijning van die bewerking meende te moeten trekken. En deze kan slechts geweest zijn, dat Vondel voor de vertaling van een epos teruggekeerd was naar de traditionele opvatting dat poëzie ook als poëzie diende te worden vertaald. Blijkbaar was hij, zo moet men gedacht hebben, niet langer de mening toegedaan dat een epos vanwege de meerdere tekstgetrouwheid het best in proza kon worden overgezet, zoals hij in zijn Opdracht van 1646 had betoogd. In ieder geval had hij door de publikatie van zijn Aeneis-in-verzen op zijn proza-vertaling het stempel gedrukt van voorlopigheid en min-waardigheid. Wanneer een gezaghebbend dichter als Vondel meende daartoe te moeten overgaan, dan diende ook op dit punt ernstig rekening te worden gehouden met zijn opvatting en zijn voorbeeld.

Ik meen dan ook, dat wij verband moeten leggen tussen de verschijning van de Aeneis-in-verzen en het feit dat er nà 1660 plotseling geen enkele eposvertaling in proza meer wordt gepubliceerd. Wat er vóór de eeuwwisseling nog aan overgezette epen het licht ziet, heeft steeds de poëtische vormgeving. Ongetwijfeld heeft de in die jaren snel toenemende invloed van het Fransklassicisme daartoe mede bijgedragen. Maar het opvallende verschil met de situatie in de jaren vijftig brengt er mij toe, toch in de eerste plaats aan doorwerking van Vondel's voorgang te denken. Eerst in 1700 verschijnt er weer een epos in proza-vertaling. Maar dan gaat het om de Télémaque van Fénelon waarvan ook de oorspronkelijke tekst proza was, zodat het probleem heel anders ligt.

 

Wat de literaire waarde van Vondel's twee vertalingen betreft, hebben wij kunnen vaststellen dat er tegen beide vrij ernstige bezwaren vallen aan te voeren. Bij die in proza: een teveel aan onjuistheden en onnauwkeurigheden enerzijds, aan Latinismen en geforceerde letterlijkheid anderzijds; bij die in dichtvorm: een teveel aan ‘kunstnijverheid’. Geen van beide behoren zij tot Vondel's beste werk. Maar desondanks dragen zij onmiskenbaar het stempel van zijn meesterschap. Men herinnert zich dat Geeraardt Brandt in zijn biografie van Vondel de proza-vertaling tegen de kritiek van Barlaeus verdedigde, door erop te wijzen dat géén ander beter zou hebben kunnen slagen dan hij.113 Een soortgelijke opmerking maakt Brandt ook, als hij over de Vergilius-in-verzen komt te spreken:

... al kon hy dien grooten voorganger niet altyd met gelyke schreden volgen, noch in luister van eere met hem gelyk staan, ('t welk het menschelyke vermoogen bykans te boven gaat) nochtans oordeelden de kenners, dat hy hem veeltydts zeer naa quam, en als op de hielen tredende, geen' kleenen lof verdiende.114

Ook Vondel's tijdgenoten zagen dus wel de beperkingen van zijn Vergiliusvertalingen. Maar terecht waren zij ervan overtuigd dat niemand er méér van zou hebben kunnen maken dan hij. Ten aanzien van de proza-vertaling valt

[p. 444]

dit niet met de stukken te bewijzen: naast die van Vondel bestaat er geen andere. Er zijn tussen 1660 en 1700 echter wèl drie vertalingen-in-dichtvorm van de Aeneis verschenen, die met de zijne kunnen worden vergeleken. Zoals wij in Hoofdstuk xi zullen zien, kunnen zij zich daarnaast in geen enkel opzicht handhaven.