Doordat zijn Constantinade nooit tot voltooiing is gekomen, werd Vondel niet de eerste epos-dichter in de Nederlandse Renaissancistische literatuur. De eer van deze prioriteit komt toe aan een auteur van het tweede of derde plan, wiens epische werk desondanks verdient minder systematisch te worden doodgezwegen dan tot dusver het geval is geweest: Lambert van Bos.1
Omtrent zijn levensloop is weinig bekend. Volgens de laatste veronderstellingen2 werd hij tussen 1620 en 1625 geboren, misschien te Helmond, en stierf hij in of na 1698, wellicht in Vianen. Het enige, waarover wij zekerheid hebben, is dat hij van 1654 tot 1671 conrector was van de Latijnse school in Dordrecht. Hij werd daar - al dan niet in verband met een conflict tussen hem en het machtige regentengeslacht De Witt - wegens dronkenschap ontslagen, en schijnt verder van zijn pen te hebben geleefd.
Lambert van Bos was een merkwaardig man: veelweter en veelschrijver, beoefenaar van vrijwel alle literaire genres, onvermoeibaar vertaler, geschiedschrijver, popularisator. Tot de belangrijkste van zijn talloze publikaties behoren: de eerste Nederlandse vertaling van Cervantes' Don Quixote onder de titel Den Verstandigen Vroomen Ridder Don Quichot de la Mancha (1657), en zijn vervolg op Aitzema's Saken van Staet en Oorlogh onder de titel Historien onses tyds (1685). Daarnaast moeten nog genoemd worden zijn twee arcadische raam-vertellingen Dordrechtsche Arcadia (1662) en Zuydt-hollandtsche Thessalia (1663), die een groot aantal vertaalde novellen bevatten3 en stellig de moeite van een nadere bestudering ten volle waard zijn.
De epen behoren in het algemeen tot Van Bos' vroegste werk. Als hij inderdaad tussen 1620 en 1625 geboren werd, zijn de Belgias, de Mauritias en de Batavias, alsmede de vertaling van de eerste zes boeken van Statius' Thebais, alle vóór zijn dertigste en misschien zelfs vóór zijn 25ste jaar geschreven. Buiten deze jeugdperiode valt alleen de Britannias van 1661. Maar die vormt dan ook een geval op zichzelf. Wij hebben daarin te doen met een gelegenheids-heldendicht ter viering van de Restauratie in Engeland. Evenals de meeste Nederlanders beschouwde Van Bos de troonsbestijging van Karel ii, waardoor een einde kwam aan het bewind van de Cromwelliaanse ‘koningsmoorders’, als een heuglijke gebeurtenis van de eerste orde. De blijdschap daarover bracht hem ertoe zijn ‘overlang snaerloose en ontlijmde luyt weer
voor den dagh [te] halen, en op sijn Marôs (si dijs placet) een gesang [te] queelen’. Hij had moeilijk duidelijker kunnen zeggen, dat zijn epische periode toen reeds lang tot het verleden behoorde en hij er slechts op teruggreep pour le besoin de la cause.
Van Bos deed als epicus zijn intrede in onze literatuur in hetzelfde jaar 1646 waarin Vondel's proza-vertaling van Vergilius het licht zag, en wel met een uitgave voor eigen rekening, waarvan het titelblad luidt:
Essays // ofte // Poëtische // Betrachtingen, // Bestaende in // vi Boecken Thebaidos P.Pa- // pinii Statii, overgeset // v Boecken Belgiados. // i Mauritiados gerijmt // door // L.V. Bos. // vignet // t' Amsterdam, // Gedrukt voor d'Autheur, by Jacob Lescaille, // in 't jaer 1646.De titel is weinig gelukkig gekozen. Dat de aangekondigde ‘Poëtische Betrachtingen’ (= beschouwingen) van epische aard zijn, valt slechts op te maken uit de daarna volgende titels Thebais, Belgias, Mauritias. Duidelijker is op dit punt de gegraveerde titelplaat die aan het eigenlijke titelblad voorafgaat. Op het schild van de daar afgebeelde gelauwerde vrouwenfiguur leest men: ‘Poemata / Heroica / van / L.V. Bos’. Ondanks de ondoorzichtige titel kan dus aan de epische bedoelingen van de auteur niet worden getwijfeld. - Vermelding verdient verder, dat de bundel is opgedragen aan Anton van Surck, heer van Bergen in Holland. Uit de Latijnse opdracht valt niet goed op te maken, in welke relatie Van Bos tot hem stond, al schijnt de dichter te zinspelen op bloedverwantschap.4
Een jaar later wordt de uitgave door de drukker overgenomen. Wat Jacob Lescaille daartoe bewogen heeft, valt niet na te gaan. Misschien was de auteur niet in staat de drukkosten te voldoen, maar het is eveneens mogelijk dat Lescaille wel wat in het boekje zag en zich daarom van de rechten daarop wilde verzekeren. Ook een combinatie van deze beide factoren is denkbaar. In ieder geval verscheen in 1647 een titel-uitgave van de Essays, met licht gewijzigd voorwerk en een geheel nieuw titelblad. Blijkbaar was ook Lescaille niet gelukkig met Van Bos' oorspronkelijke titel en drong hij bij de auteur op meer duidelijkheid aan. Het nieuwe titelblad laat dan ook geen enkele twijfel bestaan omtrent de aard van de opgenomen dichtstukken. Het luidt:
L.V. Bos // Triodon, // of // Dryling, // van // Heldendichten; // Als // vi Boecken P. Papinii Statii van // de Thebaensche, // vijf van de Nederlantsche oorlogen; // en // dry Gezangen van P. Mauritz daden. // Met den Inhout van ieder Boeck. // vignetje // t'Amsterdam, by Jacob Lescaille, Boekverkoper op den // Middeldam, naest de Vismarkt, 1647.Het drievoudige karakter van de inhoud wordt door Triodon goed aangegeven, al valt het op, dat de auteur het Griekse woord τρίοδος (driesprong) tot neutrum heeft vervormd. De ‘Poemata Heroica’ zijn als Heldendichten van de oorspronkelijke titelgravure naar het nieuwe titelblad verhuisd. Misschien in verband daarmee werd bij de vermelding van de drie onderdelen hun eposkarakter niet nogmaals onderstreept door ze Thebais, Belgias en Mauritias te noemen. Ten aanzien van Statius' epos kon de titel inderdaad zonder be-
zwaar worden weggelaten; elke enigszins ontwikkelde lezer begreep uit de omschrijving dadelijk dat het om de Thebais ging. Daarentegen is het vervallen van de titels bij de oorspronkelijke epen een verlies, omdat men die niet van elders kon kennen. De lezer komt de namen Belgias en Mauritias nu pas tegen bij de ‘Inhout van ieder Boeck’ en verder aan het hoofd van de dichtstukken zelf. - Opmerkelijk is verder, dat Van Bos voor zijn Mauritias een andere structuurvorm opgeeft. Op het titelblad van de Essays had hij dit werk aangekondigd als een epos bestaande uit één boek: ‘i Mauritiados’. Nu wil hij het echter beschouwd zien als een samenstel van drie canto's: ‘dry Gezangen’. Dat hij met ‘Gezangen’ inderdaad canto's bedoelt, blijkt uit de - voor de titel-uitgave van 1647 nieuw geschreven - Inhoud des Mauritiados, bestaande uit drie zes-regelige strofen met de argumenten van resp. het Eerste Canto, Tweede Canto en Derde Canto. De tekst van het dichtstuk, zoals dat in 1646 gedrukt was, maakte de overgang van één Boek op drie Canto's zonder veel bezwaar mogelijk. Er komen namelijk twee Pavse's in voor, die een rustpunt vormen en zodoende de Mauritias in drie gedeelten doen uiteenvallen. In 1647 wil Van Bos elk van deze gedeelten als een afzonderlijk canto beschouwd zien, ook al kon hij dit in het epos zelf niet aangeven en moest hij genoegen nemen met de bestaande driedeling door Pavse's. Waarom hij aan de benaming ‘canto's’ de voorkeur geeft boven ‘boecken’, is niet duidelijk. Formeel onderscheiden de drie delen van de Mauritias zich in niets van de ‘boecken’ uit de Belgias. Hoogstens kan men zeggen, dat ze wat korter zijn. Is dat voor Van Bos misschien aanleiding tot de naamsverandering geweest? Ook Tasso's canto's in de Gerusalemme liberata zijn betrekkelijk kort in vergelijking met de ‘boeken’ van b.v. de Aeneis.
Eén jaar na de titel-uitgave van zijn eerste epische bundel had Lambert van Bos opnieuw een epos voltooid, omvangrijker en pretentieuser dan de Belgias en de Mauritias. Het verscheen dan ook afzonderlijk, met een titelblad dat de betekenis van het werk onderstreept:
L.V. Bos // Batavias, // of // Batavische Aeneas; // Spreeckende // vande Hollantsche beginselen; // Op de wijse der oude en moderne Ita- // liaensche Poëten voorgestelt, en // in vi Boecken verdeelt: // Sijnde het Vervolg van sijne Heldendichten. // Aen den E. Heer // Jeremias van Vliet, // Out-Gouverneur van Malacca, en nu laetst // Commandeur van 's Compagnies // retour-vloot uyt Indien. // vignetje // t'Amsterdam, by Jacob Lescaille, Boekverkoper op den // Middeldam, naest de Vismarkt, 1648.
Wellicht moet het aan het uitblijven van het verwachte succes worden toegeschreven, dat Van Bos daarna zijn epische werkzaamheid niet verder heeft voortgezet. Want de Batavias heeft bij het publiek kennelijk geen enkele respons gevonden. Niet alleen is er nooit een herdruk van verschenen, maar ook wordt er - voor zover mij bekend - door de tijdgenoten nooit naar verwezen of op gezinspeeld. De enige uitzondering daarop is de negatieve reactie van Vondel in zijn Parnasloof voor Cornelis de Graeff, die hierboven ter sprake is gekomen.5 Het is dus alleszins aannemelijk, dat Lambert van Bos uit de onverschilligheid van het lezerspubliek de consequentie heeft getrokken, dat hij beter zou doen het over een andere boeg te gooien als hij succes wilde hebben.
In ieder geval liggen na 1648 zijn publikaties op ander gebied, in hoofdzaak dat van drama en historie.
In 1661 verschijnt er dan echter toch nog een episch nakomertje van zijn hand: het reeds door mij genoemde ‘gelegenheids-heldendicht’ Britannias, ter ere van de Restauratie in Engeland en de troonsbestijging van Karel ii. Het titelblad daarvan luidt:
Britannias // Of // Herstelde Majesteyt, // Helden-dicht, // Door // L van den Bos. // vignet // Tot Dordrecht, // By Abraham Andriessz., Boeckverkooper // by 't Stadt-huys. Anno 1661.Het is een schamele nabloei, waarin de korte opvlucht van Lambert van Bos als epicus een even roemloos als definitief einde vindt.
Wij mogen ervan uitgaan, dat de vertaling der eerste zes boeken van de Thebais het begin van Van Bos' epische activiteit is geweest. De Belgias vertoont in verschillende opzichten een te sterke invloed van Statius' epos om het waarschijnlijk te maken dat de auteur dit eerst later zou hebben vertaald. De Mauritias heeft door zijn geringe omvang meer het karakter van een toegift dan van een eerste proeve in een voor de dichter nieuw genre, wat nog onderstreept wordt door het feit dat het wonderbaarlijke er ontbreekt. Ik meen daarom, dat wij de volgorde op het titelblad van Van Bos' eerste epen-bundel - Thebais, Belgias, Mauritias - tevens kunnen beschouwen als die waarin de drie dichtstukken zijn ontstaan.
Het typeert de jonge auteur dat hij niet uitging van Vergilius, maar van een van diens epigonen. Zijn voorkeur voor Statius werd ongetwijfeld bepaald door congenialiteit. Wij vinden in zijn episch werk - ook afgezien van rechtstreekse ontleningen en imitaties - tal van elementen terug die karakteristiek zijn voor de Thebais. Dat maakt het nodig, wat nader op zijn model in te gaan.
Publius Papinius Statius (± 45 - ± 96 n.Chr.) behandelt in de twaalf boeken van zijn Thebais het bekende gegeven van de ‘Zeven tegen Thebe’: het verhaal van de strijd tussen Oedipus' zonen Eteokles en Polynices om de heerschappij over Thebe. Hoewel zij overeengekomen waren bij toerbeurt telkens een jaar over de stad te regeren, weigerde Eteokles na afloop van zijn eerste termijn plaats te maken voor zijn broeder. Deze vluchtte daarop naar Argos, waar hij voor zijn aanspraken steun vond bij koning Adrastus wiens dochter Argia hij huwde. Onder leiding van Adrastus trokken zeven vorsten tegen Eteokles op, maar bij de bestorming van Thebe werden zij teruggeslagen. Zowel Eteokles als Polynices verloren in een broeder-duel het leven. Van de zeven vorsten, die ten strijde getrokken waren, bleef alleen Adrastus gespaard. Na tien jaar ondernam deze - met de ‘epigonen’, d.w.z. de zonen van de gesneuvelde vorsten - een nieuwe krijgstocht tegen Thebe, en ditmaal wist hij de stad te veroveren. Thersandrus, de zoon van Polynices en Argia, werd er koning.
De Thebais staat bij de huidige Latinisten niet hoog aangeschreven. De Utrechtse hoogleraar Wagenvoort verwijt Statius dat deze, ‘hoewel niet on-
begaafd als kleurrijk verteller, de eenheid van compositie op(offert) voor een aaneenschakeling van sensatie-wekkende episoden’.6 Zijn Franse collega Pichon acht de Thebais ongunstig beïnvloed door de openbare voorlezingen, die Statius van gereedgekomen gedeelten gaf en die hij bij het schrijven steeds voor ogen had: ‘Ainsi composée par morceaux, lue par fragments dans les réunions mondaines, la Thébaïde manque tout à fait d'unité’. Het werk biedt ‘dans le détail bien des pages gracieuses, touchantes ou énergiques. Mais de beaux fragments épiques ne forment pas une épopée, et l'ensemble est fastidieux’.7 De Engelse classicus Mozley, die het werk van Statius in The Loeb Classical Library uitgaf en vertaalde, oordeelt wat gunstiger over de Thebais. Hij merkt op, dat dit epos ‘received high praise from the elder Scaliger and the post-Renaissance-critics’ en meent dat ‘the tendency to-day is, if anything, to underrate [Statius'] merits’. De eenheid van handeling laat inderdaad te wensen over, maar men moet in aanmerking nemen dat de behandelde stof daartoe aanleiding geeft: ‘the unity of the plot is a duality, i.e. the conflicting fortunes of the two brothers, and the real interest consist in the gradual approach and closer interweaving of the two “subjects”, until, as in the stretto of a fugue, the climax is reached in the great duel of Bk.xi.’ Overigens is Mozley zeker niet blind voor de zwakheden van Statius. Deze ‘revels in description’, en het is daarin ‘that his love of hyperbole becomes most manifest’. De dichter ‘suffers from lack of judgement, rising now to the wildest heights of exaggeration and bombast, and now sinking to trivial and absurd detail, as when persons are described kissing each other through closed visors (galeis iuvat oscula clausis inserere, IV.20), or when Mercury's hat gets wet in the rainstorms of Thrace (VII.39)’. Verder is er - zoals ook Pichon opmerkt - een teveel aan ontleningen en navolgingen: ‘... the plan and chief incidents of the Aeneid seem to be reproduced with an astonishing scrupulousness in the Thebaid’. Maar daarnaast vinden wij er tal van ‘incidents, or at any rate, details’ die aan andere auteurs zijn ontleend, vooral aan Ovidius en Lucanus, in mindere mate ook aan Seneca en Valerius Flaccus.8
Een gevolg van de nauwe aansluiting bij de Aeneis is, dat in de Thebais de eigenlijke strijd om Thebe pas in het zevende boek begint, zoals bij Vergilius die om Latium dat doet. De avontuurlijke zwerftocht van Aeneas voordat hij Italië bereikt, die de eerste zes boeken van de Aeneis in beslag neemt, vindt in de Thebais zijn parallel in de breedvoerige, door ingelaste episoden vertraagde, behandeling van de voorgeschiedenis, de voorbereidingen tot de strijd en de opmars van de Zeven tegen Thebe, waarmee Statius eveneens zes boeken vult.
Lambert van Bos heeft behoord tot de 17de-eeuwse bewonderaars van de Thebais, aan wie Mozley ons herinnerde. Uit de manier, waarop hij zich in zijn eigen epen naar dit voorbeeld richtte, valt vrij nauwkeurig af te leiden wat hem daarin het meest geboeid moet hebben. In de eerste plaats de voortdurende afwisseling door de vele ‘thèmes accessoires de développement’ (Pichon), die Statius aanwendt om zijn epos spannend en levendig te houden.
Dat de eenheid van handeling door al deze inlassingen en uitweidingen in het gedrang komt, zal Van Bos niet gehinderd hebben en hem waarschijnlijk zelfs nauwelijks opgevallen zijn. Hij had genoeg aan het boeiende en kleurige verhaal dat hij genoot zoals het was, zonder neiging tot kritische analyse. Om dezelfde reden zal hij het niet als een bezwaar hebben gevoeld dat ‘il n'y a ni intérêt national, ni conception morale, ni doctrine religieuse ou philosophique: rien que des faits et des mots’.9 Zoals hij het epos las, waren die ‘faits et mots’ ruimschoots voldoende. Met de ‘mots’ komen wij tevens toe aan het tweede punt, dat zijn bewondering moet hebben opgewekt: Statius' beschrijvingskunst. De uitvoerige tekening van de details uit een bepaalde situatie, met sterke nadruk op de sensationele en lugubere aspecten, moet hem hebben gefascineerd. In ieder geval vinden wij in zijn eigen werk dezelfde voorkeur voor uitvoerige en sensationele beschrijvingen terug.
Lambert van Bos heeft slechts de eerste zes boeken van de Thebais vertaald. Hij houdt op, als Statius - in zijn zevende boek - aan de eigenlijke strijd om Thebe toekomt. Men kan moeilijk beweren dat de eerste helft van het epos een in zichzelf afgerond geheel vormt, zodat het einde van Boek vi een geschikt punt opleverde om een gedeeltelijke vertaling te beëindigen. Wij moeten dus wel aannemen, dat Van Bos - tegen zijn oorspronkelijke bedoeling in - zijn werk halverwege heeft afgebroken. De meest waarschijnlijke verklaring daarvoor is wel, dat hij in jeugdige impetuositeit genoeg gekregen had van vertalen en zijn krachten wilde gaan beproeven aan een epos van eigen vinding. Als dit juist is, zou dus de overzetting van de Thebais onvoltooid zijn gebleven, omdat de Belgias op stapel werd gezet.
Van een man, die enkele jaren later in aanmerking kwam voor benoeming tot conrector van de Latijnse school in Dordrecht, mogen wij verwachten dat hij het Latijn grondig beheerste. De vertaling maakt dan ook de indruk vrij moeiteloos uit zijn pen te zijn gevloeid. Voor een nauwkeurige beoordeling van de merites en de tekortkomingen zouden wij uiteraard moeten uitgaan van de Thebais-editie(s) en de commentaar of commentaren, die Van Bos heeft gebruikt. Dat geldt te meer, omdat Statius het zijn vertalers niet gemakkelijk maakt. Mozley, die dit uit eigen ervaring kon weten, merkt daarover op:
Statius takes great liberties with the Latin language. There are phrases which it is impossible te make sense of, if taken grammatically and literally. [...] It is impossible, in translating, to do more than give the general sense; the poet is here a pure ‘impressionist’.10
Ik heb mij als niet-classicus aan een dergelijk gedetailleerd onderzoek niet gewaagd. In afwachting van een deskundige studie, zoals Geerts en Meerwaldt die aan de vertalingen van Vondel hebben gewijd, heb ik mij beperkt tot een globale karakteristiek en tot het signaleren van enkele bijzonderheden, die ook bij vergelijking met een moderne tekst-editie van de Thebais opvallen.
Reeds bij oppervlakkige lezing wordt het duidelijk, dat Lambert van Bos een vertaling beoogde, die gemakkelijk begrijpbaar was en zich vlot liet lezen. Hij volgt vrij nauwkeurig de tekst van Statius, maar zonder ernaar te streven
die zo letterlijk mogelijk weer te geven. Er is bij hem geen sprake van een eerbied voor de oorspronkelijke tekst, zoals wij die in het vorige hoofdstuk bij de Vergilius-vertalingen van Vondel hebben opgemerkt. Van Bos stelt zich tevreden met wat Mozley het weergeven van ‘the general sense’ noemde; alleen doet hij dit niet enkel waar het niet anders kan, maar ook als het Latijn geen bijzondere moeilijkheden oplevert: vrijwel systematisch. Nu eens voegt hij een kleine verduidelijking toe, dan weer laat hij een detail weg dat voor zijn lezers zonder toelichting niet duidelijk zou zijn geweest; nergens acht hij zich gebonden aan de zinsbouw en de woordkeus van het Latijn. Dat er zodoende weinig bewaard blijft van de finesses in Statius' verhaaltrant en stijl, deert hem kennelijk niet; het is hem niet te doen om de vorm, maar enkel om de inhoud van de Thebais. In zekere zin zou men dus kunnen zeggen, dat Van Bos - evenals indertijd Van Ghistele en Coornhert - meer na-vertelt dan vertaalt. Maar anders dan deze voorgangers voegt hij geen eigen vindingen toe en brengt hij geen correcties aan. Hij houdt zich aan wat er bij Statius staat, zodat men zijn werk uiteindelijk toch beter kan karakteriseren als vrijmoedig vertalen dan als na-vertellen.
Bij Vondel bleek de Vergilius-in-verzen een versificatie te zijn van de prozavertaling die eraan ten grondslag ligt. Ik heb niet de indruk, dat iets dergelijks ook voor de Thebais van Van Bos geldt. Het lijkt mij waarschijnlijk, dat hier de Latijnse tekst onmiddellijk in Nederlandse verzen werd overgebracht. Doordat de vertaler zich beperkte tot ‘the general sense’ en geen poging deed zo dicht mogelijk bij het Latijn te blijven, was dit inderdaad uitvoerbaar. Intussen verhindert die meerdere directheid niet, dat ook hier de vertaling meermalen door de behoeften van metrum en rijm beïnvloed is.11
Om een meer gedetailleerd beeld van Van Bos' vertaaltrant te geven, kan ik niet beter doen dan deze demonstreren aan zijn weergave van een bepaald fragment.
Ik koos daarvoor een gedeelte uit een episode, die typerend mag heten voor Statius' afdwalingen van zijn eigenlijke onderwerp en die bovendien Lambert van Bos kennelijk bijzonder heeft aangesproken; in diens Belgias zullen wij er tenminste een getrouwe navolging van vinden.
Het gaat om Thebais V, 236-264. Bij zijn opmars naar Thebe raakt het leger van de Zeven in ernstig gevaar; door toedoen van Bacchus wordt het met verdorsting bedreigd. Een ontmoeting met Hypsipyle, slavin van koning Lycur-
gus van Nemea, brengt echter uitkomst. Zij wijst het Argivische leger een bron, en vertelt daarna uitvoerig over het tragische lot dat haar als slavin in Nemea heeft doen terechtkomen. Zij is de dochter van koning Thoas van Lemnos. Toen de Lemnische vrouwen alle mannen van het eiland doodden omdat dezen haar ontrouw geweest waren, had zij haar vader gered en hem helpen ontsnappen. Toen dit uitlekte, had zij van Lemnos moeten vluchten. Op die vlucht werd zij gevangen genomen door zeerovers, die haar aan koning Lycurgus van Nemea verkochten, door wie zij belast werd met de zorg voor zijn zoontje Opheltes. - In haar verhaal gaat Hypsipyle vooral uitvoerig in op de moordpartij op Lemnos; het geciteerde gedeelte is een brok uit haar beschrijving daarvan.
De verraderlijke slachting begint na een feest ter ere van de terugkeer der mannen op het eiland na een succesvolle expeditie: een feest van ‘banqueting and amorous sport’ (Statius, ed. Mozley, II, 17). Aanvankelijk is Hypsipyle in stille ontzetting getuige van het bloedbad, maar dan wordt het haar te veel:
[Vertaling Mozley: But when I beheld Alcimede carry her father's head still murmuring and his bloodless sword, my hair stood erect and fierce shuddering horror swept through my frame; that was my Thoas, methought, and that my own dread hand! Straightway in agony I rush to my father's chamber. He indeed long while had pondered - what sleep for him whose charge is great? - although our spacious home lay apart from the city, what was the uproar, what the noises of the night, why the hours of rest were clamorous. I tell a confused story of the crime, what
was their grievance, whence their passionate wrath. ‘No force can stop their frenzy; follow this way, unhappy one; they are pursuing, and will be on us if we linger, and perchance we shall fall together’. Alarmed by my words he sprang up from the couch. We hurry through devious paths of the vast city, and, shrouded in a covering of mist, everywhere behold great heaps of nocturnal carnage, wheresoe'er throughout the sacred groves the cruel darkness had laid them low. Here could one see faces pressed down upon the couches, and sword-hilts projecting from breasts laid open, broken fragments of great spears and bodies with raiment gashed and torn, mixing-bowls upset and banquets floating in gore, and mingled wine and blood streaming back like a torrent te the goblets from gaping throats. Here are a band of youths, and there old men whom no violence should profane, and children half-slain flung o'er the faces of their moaning parents and gasping out their trembling souls on the threshold of life. No fiercer are the banquet-revellings of the Lapithae on frozen Ossa, when the cloud-born ones12 grow hot with wine deep-drained; scarce has wrath's first pallor seized them, when overthrowing their tables they start up te the affray.]
Van Bos heeft voor zijn weergave van deze 29 regels er zelf 50 nodig. Bij hem luidt de passage als volgt:
Als wij de gebrekkige interpunctie buiten beschouwing laten, die wellicht meer voor rekening van de zetter dan van de dichter komt, valt uit dit fragment op te maken dat Van Bos over een behoorlijke mate van technische versvaardigheid beschikt. Zijn alexandrijnen zijn weliswaar nergens verrassend, maar zij lopen regelmatig en vlot, met vermijding van Catsiaanse eentonigheid doordat de caesuur niet altijd precies na de derde versvoet valt. Zinsbouw en woordkeus stellen de lezer in het algemeen niet voor moeilijkheden, en er zit genoeg vaart in de verzen om zijn aandacht gevangen te houden. Bij vergelijking met de oorspronkelijke tekst vallen ons echter een aantal kleine afwijkingen en onnauwkeurigheden op. In vs.237 zegt Statius over het zwaard van Alcimede's vermoorde vader dat het ‘egentem sanguinis’ is: zonder bloedvlekken, omdat de eigenaar geen kans had gekregen zich te verdedigen. Van Bos maakt er echter van: ‘nau met een vleck // Van 't oude bloet bespat’ (vs.3-4). Hij gaat er dus blijkbaar van uit, dat Alcimede haar vader met diens eigen zwaard gedood heeft, waarbij de oude man niet genoeg bloed meer in zijn aderen bleek te hebben om dat zwaard meer dan oppervlakkig te bevlekken. - Bij Statius (vs.240) gaat Hypsipyle naar de kamer van haar vader om hem te waarschuwen en te redden. Van Bos laat haar daarentegen naar haar
eigen kamer gaan en hem dáár vinden (vs.9-10): een voorstelling van zaken die veel minder waarschijnlijk aandoet. - In vs.244 van de Latijnse tekst vertelt het meisje haar vader trepido ordine (= haastig en onsamenhangend) wat er aan de hand is. Van Bos (vs.15) laat haar dit ‘van woort tot woort’ verhalen, alsof er geen sprake zou zijn van angst en haast. Hier is overigens ongetwijfeld rijmdwang in het spel geweest; Van Bos had een rijmwoord nodig op ‘gehoort’ in de vorige regel. - In vs.260 noemt Statius de jongetjes, die op de lichamen van hun stervende vaders liggen, semineces (halfdood), wat begrijpelijk maakt dat zij in vs.261 singultant animas (rochelend hun levensgeesten uitblazen). Van Bos geeft semineces evenwel weer met ‘ontsielt' // Door moeders handen al te jammerlijck vernielt’ (vs.42b-43), waardoor het vreemd aandoet dat zij in vs.44a ‘Noch snacken naar haar aem’. - Bij Statius tenslotte zijn het in vs.261b-264 de Centauren (‘Nubigenae’) die op de bevroren hellingen van de Ossa in hun dronkenschap de feestmaaltijd van de Lapithen verstoren. In de vertaling van Van Bos (vs.44b-50) komen de Centauren niet voor en is de zinspeling op hun euveldaad bij de bruiloft van Pirithoüs16 verdwenen. Bij hem zijn de Lapithen zelf de ruziemakers; hij stelt het zelfs voor alsof het bij hen heel gewoon is, dat hun banketten in dronken vechtpartijen ontaarden. Bovendien vertaalt hij gelida Ossa (op de ijzige Ossa) door ‘het woeste Ossa’, alsof het om een land of landstreek gaat in plaats van om een berg. Wij kunnen ons desnoods indenken, dat Van Bos hier bewust de tekst heeft vereenvoudigd, omdat hij de zinspeling op de strijd tussen Lapithen en Centauren bij het bruiloftsmaal van Pirithoüs voor zijn lezers niet doorzichtig genoeg vond. Maar daarbij had hij de Ossa rustig een berg kunnen laten! Dat hij er een land(streek) van maakt, kan niet worden goedgepraat.
Wanneer wij onze indrukken samenvatten, kunnen wij aan Van Bos' vertaling van de Thebais een zekere verdienste niet ontzeggen. De jonge dichter geeft op zijn vrije manier de tekst van Statius in het algemeen goed weer, en zijn versificatie is - afgezien van enige wijdlopigheid en een neiging tot monotonie - alleszins redelijk. Maar hij had méér kunnen bereiken, als hij zich daartoe de tijd had gegund. De kleine maar vrij frequente ongerechtigheden, die wij in de bovenstaande proeve opmerkten en die ook elders telkens voorkomen, wijzen erop dat hij haastig en zonder veel zorgvuldigheid te werk is gegaan. In sommige gevallen kunnen zijn onnauwkeurigheden door rijmdwang worden verklaard, in andere is het mogelijk dat hij ter wille van meer duidelijkheid opzettelijk van de oorspronkelijke tekst is afgeweken. Maar er blijven een aantal plaatsen over, die zich moeilijk anders laten verklaren dan uit slordigheid. Zo in het bovenstaande fragment die, waar Hypsipyle haar vader in haar eigen kamer gaat zoeken, waar de ontzielde jongetjes ‘noch snacken naar haar aem’, waar de Ossa een landstreek is geworden. Reeds in deze vroege vertaling doet Van Bos zich kennen als de veelschrijver van later, wiens werk nooit zonder enige verdienste is maar altijd te haastig op papier werd gezet om gelegenheid te bieden voor het aanbrengen van de finishing touch.
Bleef zodoende de literaire waarde van Van Bos' Thebais beperkt, in cultureel opzicht was de betekenis ervan zo mogelijk nog kleiner. Tot enige toena-
me van de belangstelling voor Statius' epos in de Nederlanden heeft deze vertaling niet geleid. Tegen de interesse, die Vondel met zijn gelijktijdige overzetting van Vergilius - en vooral van diens Aeneis - bij de tijdgenoten wist te wekken, kon Van Bos niet op. Daartoe zal ook wel bijgedragen hebben, dat deze slechts de eerste helft van de Thebais had vertaald. Wie dit epos wilde leren kennen zonder het in het Latijn te kunnen lezen, werd door Van Bos halverwege in de steek gelaten. Juist op het moment dat na een eindeloze voorgeschiedenis de eigenlijke strijd om Thebe gaat beginnen, breekt de vertaling abrupt af. Dat lokte niet tot nadere kennismaking uit. Daarbij kwam dan nog, dat Statius' epos op het titelblad van Van Bos' epische bundel slechts secundair wordt vermeld en dus niet onmiddellijk de aandacht trok.
Literair-historisch gezien, is de Thebais-vertaling dan ook vrijwel uitsluitend van belang als sleutel tot het oorspronkelijke epische werk van Lambert van Bos. Zij bereidt er ons op voor dat dit, ondanks alle Vergiliaanse invloed die er in op te merken valt, toch niet rechtstreeks naar het model van de Aeneis geschreven werd. Van Bos' eigenlijke voorbeeld is de Thebais geweest. Hij is Vergiliaans zoals Statius dat was: ‘with an astonishing scrupulousness’ (Mozley), maar zonder originaliteit en zonder verder te komen dan ‘des faits et des mots’ (Pichon). Ook in zijn voorliefde voor ingelaste episoden volgt hij duidelijk het spoor van Statius, die de afwisseling en de spanning liet prevaleren boven de eenheid van handeling.
De Belgias, die in Triodon de bladzijden 195 t/m 315 beslaat, is een epos over de gebeurtenissen uit de beginjaren van de Tachtigjarige oorlog, van 1568 tot het vertrek van Alva in 1573. Wat zijn onderwerp betreft, sluit Van Bos hier dus aan bij het voorbeeld van Lucanus, die in de Pharsalia eveneens een brok recente historie behandelde. Maar in de uitwerking betoont hij zich een trouwe adept van Statius; evenals deze richt hij zich voortdurend naar het model van Vergilius en maakt hij veelvuldig gebruik van het bovennatuurlijke.
Ondanks het feit dat hij zijn epische bundel als geheel aan Anton van Surck had opgedragen, geeft Van Bos aan de Belgias een eigen Opdracht mee. Hij wijdt zijn eerste epos toe aan Prins Emanuel van Portugal, kleinzoon van de Portugese kroonpretendent Antonio en geboren uit het romantische huwelijk van diens zoon met Emilia van Nassau, dochter van Willem van Oranje en Anna van Saksen. Toen Van Bos hem de Belgias opdroeg, was hij commandant van het Staatse garnizoen in Steenwijk.
Uit de Opdracht blijkt niet duidelijk, in welke relatie Van Bos tot deze prins stond en of hij hem persoonlijk kende. Wel wijst hij erop, dat niemand méér voor de toewijding van zijn epos in aanmerking kwam dan Emanuel ‘cujus avus, avunculi, consanguinei praecipuas in hac mea scena partes agunt’ (blz. 199): wiens grootvader (Willem van Oranje), oud-ooms (Oranje's broeders) en bloedverwanten (de overige Nassau's) de voornaamste rollen spelen in het stuk dat ik ten tonele voer.
De merkwaardigste passage is wel die, waarin Van Bos een opsomming
geeft van wat er in zijn epos aan tragische en verschrikkelijke gebeurtenissen te vinden is:
wisselingen van heersers en heerschappijen, lotsveranderingen in oorlogstijd en in het bijzonder hoezeer grimmige en wrede tyrannie bijdraagt tot de ondergang van staten; kortom: rampspoed van volken, verwoestingen van steden gepaard gaande met slachtingen van burgers en militairen, bloedige overwinningen over en weer die de velden wit maken van het gebeente der verslagenen en de golven van zee en stromen rood van bloed, ze grillig verlichtend met vlammen en hele landstreken onder water zettend; het zwerk zelve vol kometen en wondertekenen die met alle soorten onheil dreigen en in het bijzonder met wat binnenlandse oorlogen aan ellende brengen.17Het is mogelijk dat Van Bos hier rechtstreeks Tacitus imiteert (Historiae I, 2), maar het lijkt mij veel waarschijnlijker dat hij het beroemde begin van Hooft's Neederlandsche Histoorien navolgt dat daarop is geïnspireerd en waarmee zijn opsomming van gruwelijkheden meer overeenkomst vertoont. In ieder geval doet het bovenstaande citaat reeds in de Opdracht uitkomen wat in het epos telkens weer bevestigd wordt: dat Van Bos elke gelegenheid aangrijpt die hem de kans biedt zijn werk door imitatio van bekende passages uit vooraanstaande auteurs aan het hunne op te trekken en daarmee tevens blijk te geven van zijn belezenheid.
Er kan geen twijfel aan bestaan, dat Van Bos voor zijn historie-epos in de eerste plaats heeft gesteund op de Neederlandsche Histoorien van Hooft, die in 1642 waren verschenen. Het lijkt mij zelfs niet onwaarschijnlijk dat het dit werk is geweest, waardoor hij tot het schrijven van zijn Belgias werd geïnspireerd. In het algemeen vinden wij bij hem de volgorde van de gebeurtenissen en de details terug, zoals Hooft die geeft; een enkele maal is er zelfs sprake van vrijwel letterlijke ontlening.
Overigens is Hooft niet Van Bos' enige bron geweest. Ook Van Meteren's Nederlantsche Historien en Van Reyd's Oorspronck ende voortganck vande Nederlantsche oorloghen heeft hij geraadpleegd. Meermalen vinden wij bij hem details die Hooft niet vermeldt, maar die wel in deze geschiedwerken voorkomen. Van Bor's Oorspronck der Nederlandtschen oorloghen schijnt hij veel minder gebruik te hebben gemaakt, al blijft het mogelijk dat hij ook daaraan wel eens iets heeft ontleend.
Intussen treffen wij in de Belgias soms ook bijzonderheden aan, die in geen van de genoemde historie-werken terug te vinden zijn. Wellicht heeft Van Bos dus nog andere bronnen gehad of beschikte hij - zij het dan wel uit de tweede hand - over verhalen van ooggetuigen. Het is echter evenzeer mogelijk, dat de bewuste bijzonderheden eigen vinding van de dichter zijn. Tenslotte
schreef deze geen geschiedboek maar een epos, wat betekent dat hij zich een zekere mate van vrijheid ten opzichte van de historische feiten mocht veroorloven. Hij kon deze naar believen uitbreiden of wijzigen, zolang dit hem niet in strijd bracht met de waarschijnlijkheid, d.w.z. zolang hij voor zijn lezers niet ongeloofwaardig werd door algemeen-bekende gebeurtenissen of bijzonderheden anders voor te stellen dan zij in werkelijkheid waren. Er valt bij Van Bos dan ook eigenlijk nooit met volkomen zekerheid te zeggen, waar de Wahrheit ophoudt en de Dichtung begint, of omgekeerd. Een ander gevolg van zijn epopisering is, dat hij niet àlle gebeurtenissen vermeldt, maar eclectisch te werk gaat: hij beperkt zich tot wat het best in zijn epos past en het effect daarvan kan versterken. Om dezelfde reden doet hij tal van - op zichzelf niet onbelangrijke - feiten met enkele woorden af, en werkt hij andere breedvoerig uit, ook al is er in zijn bronnen voor die uitwerking geen enkel aanknopingspunt te vinden.
Als goed leerling van Statius imiteert Lambert van Bos in de Belgias, al blijft de Aeneis zijn grote voorbeeld, ook graag passages van andere auteurs dan Vergilius. Wij treffen er navolgingen en ontleningen aan, die zijn terug te voeren op: Lucanus, Statius, Ovidius, Seneca, Tasso, Vondel. En ik ben ervan overtuigd dat deze lijst bij voortgezet onderzoek nog wel uitgebreid zou kunnen worden.
Ik ga hier niet nader op deze ontleningen in; zij kunnen beter straks in hun context ter sprake komen, als wij aan een bespreking van de inhoud der verschillende ‘boecken’ toe zijn. Alleen voor Vondel moet ik een uitzondering maken. Diens invloed reikt namelijk veel verder dan een incidentele ontlening. Het is van hèm dat Van Bos geleerd heeft, hoe hij historische stof in Vergiliaans-epische trant kon bewerken. In de Verovering van Grol vond hij precies het model dat hij nodig had. Weliswaar bedoelde Vondel - zoals wij in hoofdstuk vii hebben gezien - dit gedicht niet als een werkelijk epos en was het er hem slechts om te doen in speels-mystificerende vorm ‘op uitgebreide schaal te experimenteren met structuur-elementen en motieven van het epos’.18 Maar dit spel bracht mee, dat het begin (exordium en inzet van de narratio) zoveel mogelijk het karakter vertoonde van een legitiem heldendicht. Vondel leidt zijn beschrijving van het beleg van Grol dan ook met een bovennatuurlijke episode in: hij laat de geest van Willem de Zwijger in de droom aan Frederik Hendrik verschijnen om hem aan te sporen tot nieuwe activiteit, en imiteert in die verschijning een tweetal beroemde passages uit de Aeneis, terwijl zijn karakteristiek van de betrokken nacht eveneens aan Vergilius ontleend is.19 Van Bos neemt dit alles praktisch zonder meer over. Ook hij laat zijn narratio beginnen met de beschrijving van een nacht naar het model van Aeneis VIII, 26-27, en ook hij laat daarin een droomverschijning plaats vinden. Alleen is het bij hem een allegorische figuur, ‘het beelt des Vaderlants’, die de held - in dit geval Willem van Oranje - in zijn slaap komt aansporen niet langer te aarzelen en tot daden over te gaan. Daarmee is dan het verhaal van de krijgsverrichtingen, die de Prins in 1568 onderneemt, in epische trant op gang gebracht. En daarmee heeft Van Bos tevens de methode geleerd, volgens welke hij historische gebeurtenissen episch omkleden kon.
Hij heeft van deze methode, die zich naar behoefte op tal van manieren liet variëren, veelvuldig gebruik gemaakt. Tè veelvuldig zelfs, zonder de zelfbeperking die Vondel in de Verovering van Grol betrachtte. Bij Van Bos wordt de methode tot een ‘manier’, waardoor het verrassende effect ervan op de duur goeddeels verloren gaat.
Intussen zijn er uiteraard ook nog andere elementen, die Van Bos hanteert om aan zijn verhaal een episch karakter te verlenen. Daartoe behoort b.v. de epische allocutio. Telkens weer laat hij personen rechtstreeks aan het woord komen: aanvoerders spreken hun soldaten toe, vorsten richten zich tot hun raadgevers en omgekeerd, boodschappers brengen berichten over. Op zichzelf is dit volkomen in orde; het behoort inderdaad tot de karakteristika van het epos en komt de levendigheid van het verhaal ten goede. Maar ook op dit punt weet Van Bos zich niet de nodige beperking op te leggen: hij overdrijft. Er zijn bij hem te veel van dergelijke allocuties en bovendien zijn deze in het algemeen te lang. Ook hier lijdt de functionaliteit schade, doordat de methode tot ‘manier’ is geworden.
Hetzelfde geldt voor de Homerische vergelijkingen, die eveneens behoren tot de wezenlijke bestanddelen van het epos en bij oordeelkundige aanwending niet minder functioneel zijn dan ornamenteel. Maar weer zien wij Van Bos tot excessiviteit vervallen. De Belgias grimmelt van Homerische vergelijkingen. Hun aantal is zó groot, dat de voortgang van het verhaal er soms eerder door wordt verstoord dan verlevendigd. Bovendien komen zij te vaak op hetzelfde neer. Met name de vergelijking met een leeuw (of wolf) die de schaapskooi of stal heeft weten binnen te dringen en daar een slachting aanricht, en het beeld van een alles meeslepende of alles inunderende watervloed zijn bij Van Bos stereotiep. De lezer voelt ze bij het lezen van passages over een krijgsman die zich op het slagveld een weg door zijn vijanden baant, resp. over een onweerstaanbare stormaanval, van tevoren al aankomen - telkens wel met kleine variaties, maar toch te gelijkvormig om hem nog te kunnen boeien.
Met meer handigheid en succes weet Van Bos gebruik te maken van wat genoemd zou kunnen worden: het epische keuze-principe. Een jaar na de verschijning van de Belgias werd dit door Vossius aldus in een regel vastgelegd: ‘Als er ten aanzien van een detail in de hoofdhandeling verschillende opvattingen bestaan, mag men de lezing volgen waaraan men de voorkeur geeft’.20 Van Bos past dit b.v. toe met betrekking tot de dood van Arenberg en Adolf van Nassau in de slag bij Heiligerlee. Noch Bor, noch Van Meteren, noch Van Reyd vermelden dat deze beiden in een gevecht tegen elkaar zouden zijn omgekomen. Hooft gelooft daar ook niet aan, maar merkt volledigheidshalve op: ‘Zommighen willen, dat Arenbergh van de zyne [= Graaf Adolf's], ende hy van Arenberghs hand storf’ (Neederl. Hist., blz. 166). Dat is voor Van Bos genoeg om voor een tweegevecht tussen de beide aanvoerders te kunnen kiezen zonder aan de geloofwaardigheid van zijn verhaal afbreuk te doen. In de sfeer van het epos is zulk een tweegevecht niet alleen het meest passend, maar ook het meest waarschijnlijk. Uitvoerig geeft hij dan ook het verloop ervan weer, met tal van details die uiteraard niet op historische werke-
lijkheid berusten, maar ontleend zijn aan de epische traditie waarin van Homerus tot en met Tasso krijgshelden steeds weer in een gevecht van man tegen man blijk geven van hun moed, kracht en behendigheid.
Een tweede voorbeeld van zulk een ‘epische keuze’ vinden wij in Van Bos' beschrijving van de dood van de graaf van Hoogstraten. Deze kwam om het leven, terwijl hij deelnam aan Oranje's ongelukkige veldtocht over de Maas in 1568. Hoe, staat niet met zekerheid vast. Hooft geeft twee mogelijkheden: ‘De Graaf van Hooghstraaten, hem [= Oranje] zoo lief, in zyn voet geschooten, oft, (naa 't melden van anderen) door zyn eighen roer bezeert, quam 't kortelinx te besterven’ (Neederl. Hist., blz. 187). Van Bos kiest natuurlijk voor het eerste; een epische held sterft nu eenmaal niet aan een ongeluk met zijn eigen pistool. In de Belgias vecht Hoogstraten dan ook door ‘... tot dat verscheyde wijs gewont, // Hy op een hoop van doôn, die om hem aller weegen // Verslagen lagen is ter aarden neer geseegen; // En door de kracht van 't bloet dat uit sijn wonde schoot, // Sijn heerlijck leven ginck verwislen met de doot’ (Triodon, blz. 239).
Een niet-Vergiliaans element in de Belgias vormen de emotionele ontladingen van verontwaardiging, bezorgdheid, bewondering e.d., waarmee Van Bos bij treffende gebeurtenissen de narratio onderbreekt. Hij volgt daarmee ongetwijfeld het voorbeeld van Lucanus, wiens persoonlijke betrokkenheid bij de door hem beschreven ondergang der vrijheid algemeen als een van de grote plus-punten in de Pharsalia wordt beschouwd. Maar de Nederlander bereikt daarmee niet hetzelfde effect als zijn Romeinse voorganger. Voor een belangrijk deel is dat een gevolg van het feit dat hij als dichter op een veel lager plan staat dan Lucanus. Er is evenwel ook nog een andere reden. Lucanus schreef - afgezien van zijn eerste drie boeken - in verbitterde wanhoop, vanuit een uitzichtloze situatie: er was geen enkele kans op herstel van de republikeinse vrijheid. Zijn emotionele geladenheid is existentieel, deel van zijn wezen. Bij Van Bos, die zijn epos schreef in het zicht van de overwinning - de vrede van Munster stond voor de deur -, is van iets dergelijks geen sprake. Zijn emotionele ontladingen zijn retrospectief, reacties achteraf, die niet onoprecht behoeven te zijn om toch min of meer gratuït te blijven en soms eerder het karakter te dragen van een literair motief dan van een werkelijke cri de coeur. Ook daarom is de overtuigingskracht ervan zoveel minder dan bij Lucanus.
Ik laat een kort inhouds-overzicht van de verschillende ‘boecken’ volgen, telkens besloten door een notitie omtrent de voornaamste imitaties en ontleningen die daarin voorkomen.
De eerste 56 regels bevatten de propositio, invocatio en descriptio loci. Dit gedeelte is sterk beïnvloed door de inzet van de Thebais; de propositio is zelfs geheel naar het model daarvan geschreven, wat vooral duidelijk uitkomt als men er Statius' tekst naast legt in Van Bos' vertaling.21 De invocatio
is, al dan niet naar het voorbeeld van Vondel, verschristelijkt: de aanroep om hulp bij het werk wordt gericht tot God. Evenals bij Statius is de descriptio loci nauw met de invocatio verweven, maar Van Bos is er niet in geslaagd een aequivalent te vinden voor de ingenieuse wijze waarop zijn voorganger dit doet.22 Hij geeft een zakelijke uiteenzetting van de voorgeschiedenis, ongeveer zoals Vondel er een gaf in zijn Verovering van Grol, maar minder levendig en minder puntig.
Dan begint met reg. 57 (blz. 202) de eigenlijke narratio. Terwijl Willem van Oranje in het kasteel van Dillenburg ligt te slapen, verschijnt hem in de droom ‘het beelt des Vaderlants’, deerlijk verwond en gehavend, om hem aan te zetten eindelijk tot daden tegen de onderdrukker over te gaan (blz. 202-204). De aansporing heeft succes: de verschillende krijgstochten voor 1568 worden voorbereid. Het verloop van enkele daarvan wordt kort vermeld, maar verder valt de aandacht uitsluitend op de inval van Lodewijk en Adolf van Nassau in het Noorden. Aanvankelijk verloopt deze naar wens. In de slag bij Heiligerlee wordt zelfs het legertje van Arenberg verslagen. Hoogtepunt in de beschrijving van deze slag is het tweegevecht tussen Adolf van Nassau en Arenberg, die aan beiden het leven kost. Diep geschokt geeft Lodewijk bij het lijk van zijn broeder uiting aan zijn droefheid (blz. 205-217). - De Hel reageert onmiddellijk op de overwinning van Lodewijk. Pluto roept de Helleraad bijeen en geeft zijn duivels opdracht zich naar de aarde te begeven om daar alles te doen wat mogelijk is ‘Ten oorbaar van de hel, en d'altijt swarte nacht’. Zij gehoorzamen en zwermen uit over de aarde (blz. 217-220). - Alecto bezoekt in Brussel Alva in zijn slaap. Zij verschijnt hem echter niet in haar ware gedaante van Furie, maar in die van zijn vriend en raadsman. Als zodanig hitst zij hem op tot krachtige tegenmaatregelen: het legertje van Lodewijk van Nassau moet dadelijk overvallen en vernietigd worden (blz. 220-221). - De hertog ontwaakt in een toestand van razernij en wilde activiteit. Hij verzamelt onmiddellijk zijn troepen om naar het Noorden op te rukken. Vóór zijn vertrek laat hij echter, om de rust in het Zuiden te waarborgen, een groot aantal gevangen edelen ter dood brengen. Ook Egmont en Hoorne worden onthoofd. De terechtstelling van Egmont krijgt vrij uitvoerig aandacht. Zonder enige vrees te tonen loopt deze naar het schavot: ‘Een tabbaart van damast omving sijn frissche leeden’;23 alvorens neer te knielen voor de dodelijke slag van het scherprechterszwaard betuigt hij nogmaals zijn onschuld en trouw aan de koning. Even moedig treedt na hem Hoorne de dood tegemoet (blz. 221-225).
| a. | De verschijning van ‘het beelt des Vaderlants’ aan Willem van Oranje |
| gaat - via die van de vermoorde Prins aan Frederik Hendrik in Vondel's Verovering van Grol24 - terug op de verschijning van Hector's bebloede schim aan Aeneas in Aeneis II, 268-297. | |
| b. | De beschrijving van de slag bij Heiligerlee herinnert aan Lucanus' uitbeelding van de slag bij Pharsalus (hevigheid, gedrag der aanvoerders). Overigens vindt men bij Van Bos heel weinig details; hij geeft een stereotiep verslag van ‘een’ verwoed gevecht, in algemeenheden die voor elke veldslag kunnen gelden en vaag herinneren aan soortgelijke beschrijvingen bij Homerus, Vergilius en Tasso. |
| c. | Het tweegevecht tussen Arenberg en Adolf van Nassau, waarvoor Van Bos over geen enkele historische bijzonderheid kon beschikken, is eveneens algemeen genoeg gehouden om verwantschap te kunnen vertonen met alle epische helden-duels. Slechts het feit, dat hier te paard wordt gestreden, maakt dat het meer aan de Gerusalemme liberata dan aan epen uit de Oudheid doet denken. |
| d. | De scène van Pluto met zijn Helleraad is rechtstreeks ontleend aan Tasso: Gerusalemme IV, st.1-19. Een deel van Pluto's toespraak tot de duivels is zelfs vrijwel letterlijk overgenomen.25 |
| e. | Alecto's verschijning aan Alva is een navolging van Aeneis VII, 406-459, waar Alecto in Ardea Turnus in zijn slaap tot de strijd tegen de Trojanen ophitst, in de gedaante van de oude priesteres Calybe. Ook de wilde razernij, waarin de hertog wakker wordt, is aan deze episode ontleend. - Het is mogelijk, dat Van Bos hier tevens de imitatio van deze passage in de Verovering van Grol26 voor ogen heeft gehad, maar hij blijft dichter bij het voorbeeld van Vergilius dan Vondel had gedaan. |
| f. | De beschrijving van de toeschouwers bij de terechtstelling van Egmont en Hoorne berust op het voorbeeld van Seneca in Troades, vijfde bedrijf, vs. 1077-1087, al heeft Van Bos ze aangepast aan de stedelijke situatie door heuvels en rotsen te vervangen door daken, vensters en gevels. - Ook hier kan overigens invloed van Vondel in het spel zijn geweest. In |
| Palamedes, vijfde bedrijf, vs.1911-1919, heeft deze de bewuste beschrijving van Seneca vrijwel onveranderd overgenomen. |
Na de terechtstellingen in Brussel trekt Alva naar het Noorden ‘om Lodewijck ten ende te bespringen’. Deze heeft intussen moeilijkheden gekregen met zijn krijgsvolk, dat betaling van de soldij eist en weigert mee te werken aan versterking van het legerkamp. Zelfs het voorbeeld van Lodewijk, die ‘nam ten lesten self de schup in sijne hant’, heeft geen effect, evenmin als zijn betoog dat het in hun gevaarlijke situatie ‘doch geen tyt was hem te quellen, // Of haar betaaling te beschicken en te tellen’27 (blz. 225-226). Als de aanval van de Spanjaarden komt, wordt de slag bij Jemmingen dan ook een debâcle voor Lodewijk. Ter nauwer nood weet hij zichzelf te redden door ‘met een schuytjen’ de Eems over te steken. ‘De schaar der Nimphen en der groene waatergooden // Syn hem gedienstich, en so veel alst was van noden // De barck gaan stouwen voort, en leiden met de hant’ (blz. 229). De Spanjaarden richten een bloedbad aan, niet alleen onder de vluchtende soldaten, maar ook onder de plattelandsbevolking (blz. 229-230). - Intussen is in het Zuiden de Prins met zijn leger over de Maas getrokken. Dat verontrust Alva, die bovendien verschrikt wordt door allerlei onheilspellende voortekenen; hij begeeft zich weer naar Brabant. - Dan volgt een uitvoerig verslag over het tragisch verloop van de veldtocht voor Oranje, die overwonnen wordt doordat Alva steeds weer weigert het tot een beslissende slag te laten komen. Door gebrek aan voorraden en aan geld verloopt het leger van de Prins, die tenslotte genoodzaakt is uit te wijken naar Frankrijk (blz. 230-242). - Ondanks Van Bos' pogingen om deze stof te epopiseren blijft zijn relaas hier in het algemeen toch vrij kroniekmatig. Het meest ‘episch’ is nog de passage over de strijd bij de Gete, in de buurt van Tienen, waar de Prins meer dan 2000 man verloor die niet bijtijds over de rivier hadden kunnen komen. Hierboven heb ik al gewezen op de epopisering van de dood van Hoogstraten bij deze gelegenheid.28 Een andere dergelijke episode vertelt over een groep soldaten die zich onderling de dood geven, liever dan in handen van de vijand te vallen (blz. 240-241): een gebeurtenis waarvoor ik nergens een historische bevestiging heb kunnen vinden.
| a. | Het voortstuwen door de nimfen en watergoden van het schuitje, waarin Lodewijk van Nassau over de Eems vlucht, lijkt mij geïnspireerd op Vondel's Verovering van Grol, vs.114-118, waar ‘de vlietgodinnen’ Frederik Hendrik's schepen met troepen en oorlogstuig tegen de stroom opduwen om hem behulpzaam te zijn.29 |
| b. | De onheilspellende voortekenen, die Alva verontrusten, lijken mij in principe geïnspireerd op de ‘Voortekens van Cesars doot en den burgerkrijgh’ (Vondel) aan het einde van Boek i van de Georgica, ook al beschrijft Van Bos andere ‘teeckens’ dan Vergilius. |
| c. | De passage over de soldaten bij de Gete, die elkaar en zichzelf doden om aan gevangenschap te ontkomen, is een imitatie van de episode in Pharsalia iv, waar Lucanus vertelt over de vrijwillige heldendood van Vulteius en zijn manschappen, als hun vaartuig is vastgelopen en zij overgeleverd blijken aan een overmacht van vijanden.30 |
Na zijn overwinningen van 1568 kan Alva ongestoord voortgaan met het onderdrukken van de burgers. ‘Helpt God wat plagen gaet den booswicht niet versinnen? // Om ongenadich te verwoesten en verslinnen // De rijckdom eer en roem van dit vermaert gewest, // En 't lantschap onbewoont te maecken als een pest’ (blz. 242). Tot overmaat van ramp wordt het land getroffen door de Allerheiligenvloed van 1 november 1570 (blz. 243-245). Dat is voor Alva echter geen reden om zich te matigen. Zijn tyranniek optreden leidt tot paasief verzet, dat nieuwe dwangmaatregelen uitlokt (blz. 245-246). - Maar dan zendt God hulp door toedoen van de Watergeuzen. Onder Lumey doen zij de Spanjaarden ter zee afbreuk waar zij kunnen, veroveren op Palmzondag [1572] Den Briel31 en besluiten de stad te behouden (blz. 247-250). - Even onverwacht was ook Loevestein in 's Prinsen handen gevallen,32 maar kort daarop weer verloren gegaan (blz. 250-251).
De aanslag op Loevestein (9 december 1570) is hier wel bijzonder ongelukkig ingelast. Niet alleen wordt de indruk gewekt alsof hij vrijwel ter zelfder tijd plaats vond als de verovering van Den Briel, maar bovendien wordt het verhaal van de krijgsverrichtingen om deze stad er halverwege door onderbroken.
Na een vergeefse poging om Den Briel te heroveren, trekt Bossu zich terug op Dordrecht dat hem echter de toegang weigert; op verraderlijke en bloedige wijze maakt hij zich daarop meester van Rotterdam (blz. 252-254). Maar het voorbeeld van Den Briel vindt navolging in Vlissingen, waar ‘iemant die de haet wel diep in 't herte sat, // Van Spanjen, en voor al lust voerde tot het vrye’ (blz. 255) de burgers weet over te halen de zijde van de Prins te kiezen. Van Bos laat hem lange redevoeringen houden, maar noemt zijn naam niet,33 hoe uitvoerig hij in andere opzichten over de overgang van Vlissingen vertelt (blz. 254-260). - In het Noorden keert zich dan stad na stad tegen de Spanjaarden, al gaat dit in Enkhuizen met moeilijkheden gepaard (blz. 260-263). - De Zeeuwen slaan het beleg om Middelburg en voeren de strijd te water op. ‘Den Veerschen Admiraal’, in gevecht met vier Spaanse schepen, raakt aan de grond en steekt de lont in het kruit, liever dan zich over te geven (blz. 263-266). - In het Zuiden verrast Lodewijk van Nassau Bergen in Henegouwen, in het Noorden gaat ‘de vruchtbre Veluw’ voor Alva verloren (blz. 266-267). Deze neemt tegenmaatregelen: Bergen wordt belegerd, een ontzettingslegertje van Hugenoten verslagen (blz. 267-269). - Intussen trekt de Prins voor de tweede maal over de Maas en rukt naar Bergen op, om Lodewijk te hulp te
komen. Roermond en tal van Brabantse steden vallen hem in handen. Maar opnieuw weigert Alva hem een beslissende veldslag (blz. 269-271). -Op een avond komt een Fransman in 's Prinsen legerkamp met het bericht over de Parijse Hugenotenmoord in de Bartholomeüsnacht. Willem doet hem aanzitten aan het avondmaal en vraagt hem om een uitvoerig verslag van het gebeurde.
Van Bos heeft in dit Boeck zóveel te behandelen, dat hij aan epopisering nauwelijks toekomt. Zijn relaas blijft dan ook, ondanks epische allocuties en Homerische vergelijkingen, in wezen een ‘kroniek’. Slechts hier en daar valt op afhankelijkheid van epische voorgangers te wijzen:
| a. | Als Alva met geweld tegen het passieve verzet van 1570-1571 optreedt, wordt dit ‘verklaard’ door een inlas van acht regels (blz. 246); het zijn de drie Furiën die hem daartoe aanzetten.34 |
| b. | De toespraak van ‘den Veerschen Admiraal’ tot zijn schepelingen, voordat hij de lont in het kruit steekt, herinnert - hoewel meer door de gelijksoortige situatie dan door de eigenlijke inhoud - even aan die van Vulteius in Pharsalia iv.35 |
| c. | Als aan het slot van het Boeck de Prins de Franse boodschapper aan zijn tafel doet aanzitten en hem vraagt om een uitvoerig verhaal over de Bartholomeüsnacht, ontstaat een situatie welke overeenkomt met die aan het slot van Aeneis i, waar Dido aan het feestmaal Aeneas om het verhaal van zijn avonturen vraagt. Daarmee is de imitatio van Aeneis ii ingeleid, die de eerste helft van Boeck iv kenmerkt. |
De Fransman vertelt zijn droevig verhaal: ‘Elck sweech en lette wel met aandacht op sijn reen’.36 Er was feest in Parijs om het einde van de burgeroorlog te vieren, dat bezegeld werd door het huwelijk van Hendrik van Navarre met Margaretha van Valois. Maar in de nacht wordt de spreker opgeschrikt door twee verschijningen van Coligny, de eerste maal nog levend, de tweede al vermoord. Verschrikt door deze dromen en door het lawaai in de straten gaat hij de stad in, waar de Hugenoten-moord in volle gang is. Levendig ver-
telt hij over de verschrikkingen die hij ziet, de ontmoetingen die hij heeft, zijn omzwervingen, de houding van de koning, de grote namen onder de slachtoffers (blz. 272-283).
Van Bos is goed op de hoogte van de gebeurtenissen in de Bartholomeüsnacht. Hij had er reeds eerder een tragedie aan gewijd:
Carel de negende, // anders // Parysche // Bruyloft, // Door // L.V.B. // plaat, voorstellende hoe het naakte lichaam van de vermoorde Coligny uit het venster geworpen wordt // Ghedruckt Anno m.dc.xlv.
Het ontbreken van een boekverkopers-adres wijst erop, dat het een uitgave ‘voor d'Autheur’ betreft. Het stuk is uiterst zwak van compositie, maar geeft blijk van kennis van zaken; Worp vermoedt dat deze werd ontleend aan De Thou's Historiae sui temporis.37 Invloed van Vondel's Gysbreght van Aemstel is onmiskenbaar; bovendien herinnert de laatste scène, waarin de geest van de vermoorde Coligny zijn aartsvijand De Guise achtervolgt, aan de gelijksoortige situatie in Maeghden V, sc.2. - Er is praktisch geen verband tussen het verloop van het drama en het verhaal van de Fransman in de Belgias. Alleen valt deze laatste te herkennen als de Bode die in de tragedie de Hugenoten aan de overzijde van de Seine nog juist bijtijds weet te waarschuwen, zodat zij aan het bloedbad kunnen ontsnappen.
In de nacht, die op het avondmaal met het verhaal van de Hugenoten-moord volgt, doen de Spanjaarden - ‘Met witte hemden op haar kleedren aan gedaan’ (blz. 284)38 - een nachtelijke overval op de legerplaats van de Prins. Zij worden geleid door de Furie Megera: ‘Een lichte fackel hout haar bloedge slincker hant, // Haar rechter vuyst is met een snijdend swaar[t] gemant, // De slangen van haar hooft begeerich om te schenden, // En moorden staan haar op haar scheedel over ende, // Van dracht en van fenijn ...’ (blz. 285). Zij heeft zich verzekerd van de hulp van ‘de traege slaep en loome luyicheit’, die het leger van de Prins in een ‘toover slaap’ hebben gebracht. De overval heeft aanvankelijk dan ook succes; Oranje zelf loopt gevaar in zijn slaap te worden verrast. Maar God grijpt in, en zendt ‘eenich goeden geest’ naar de aarde om paal en perk te stellen aan de triomf van de Hel. Deze goede geest wekt Willem nog bijtijds39 en drijft Megera terug naar ‘Stygis naare poel’. De Prins slaagt erin zijn leger te redden, al moet hij verdere pogingen om Bergen te ontzetten opgeven. Hij begeeft zich naar Holland (blz. 283-289).
| a. | Het verhaal van de Fransman over de Bartholomeüsnacht loopt in grote |
| lijnen parallel aan dat van Aeneas over de laatste nacht van Troje in Aeneis ii. Wij vinden erin terug: de tegenzin van de spreker om al die ellende op te halen; de vreugde om het schijnbare einde van de vijandelijkheden; de verschijning van Hektor (Coligny) aan Aeneas (de Fransman); de omzwerving door de stad; de ontmoeting van Aeneas en Panthus (de Fransman en zijn vriend Renèl) met de wanhopige uitroep van de laatste;40 de vlucht als er geen andere uitweg meer is. | |
| b. | De beschrijving van Parijs in de ongeluksnacht blijkt, hoewel zij enige overeenkomst vertoont met Aen. II, 361 vv., toch in de eerste plaats ontleend te zijn aan Thebais V, 248-264, waar Hypsipyle bij haar vlucht met haar vader overal in straten en huizen de dode of zieltogende lichamen van de vermoorde mannen ziet.41 |
| c. | Van Bos heeft ook Vondel's imitatie van Aeneis ii in de Gysbreght van Aemstel voor ogen gehad. Als de Fransman vertelt hoe hij zijn vriend Renèl lafhartig ziet vermoorden, is er zelfs een nagenoeg letterlijke ontlening: ‘Denkt eens wat schrick en vrees mijn bange leên beving, // Mijn lijf wiert koud als ys, en aan elck haarken hing // Een druppel sweets ...’ (blz. 280).42 |
| d. | De nachtelijke overval op het leger van de Prins wordt beschreven naar het model van Tasso in Gerusalemme iv: de nachtelijke aanval van Soliman op het Christenleger van Godfried van Bouillon. Van Bos vervangt |
| Alecto door Megera, last een tocht van deze Furie naar het uiterste Noorden in om daar ‘de traege slaep en loome luyicheit’ te halen die haar helpen moeten, maar sluit aan het slot van de episode geheel bij Tasso aan. Het ingrijpen van God, die ‘eenich goeden geest’ (in de Gerusalemme: Michaël) uitzendt om de Zijnen te redden en de machten der Hel te verjagen, is meer ontlening dan navolging. |
Na de aftocht van de Prins is de capitulatie van Bergen nog slechts een kwestie van tijd. Daarna begint Alva aan het stelselmatig heroveren van de verloren gegane steden. Mechelen, Zutphen en Naarden worden het slachtoffer van Spaanse wreedheid en onbetrouwbaarheid (blz. 289-295). In Zeeland overvalt en verslaat Mondragon de Geuzen die Goes belegeren, een aanslag van Lumey op Amsterdam mislukt (blz. 295-296). - Dan wordt het beleg om Haarlem geslagen. Van Bos vertelt daar zeer uitvoerig over (blz. 297-307); alle belangrijke punten, die Hooft vermeldt, komen ook bij hem aan de orde. Toch slaagt hij er niet in, een duidelijk beeld van de gebeurtenissen te geven. Hij komt niet verder dan een vrij verwarrende opsomming van feiten, waarvan de eigenlijke betekenis goeddeels aan het oog onttrokken wordt door een rookgordijn van epische algemeenheden en cliché's. - Na de val van Haarlem keert echter de kans. Geertruidenberg wordt door de Prins verrast, het beleg van Alkmaar moet door de Spanjaarden worden opgegeven, de vloot van Bossu wordt op de Zuiderzee verslagen (blz. 308-311). - Teleurgesteld en moedeloos door zijn onmacht om het verzet te breken, komt Alva ertoe een Amsterdamse heks te raadplegen. Zij roept een helse geest op, die hem de toekomst voorzegt. Het verzet valt niet meer neer te slaan. Onder Alva's opvolgers zal het steeds aan kracht winnen, tot het Twaalfjarig Bestand de overwinning op Spanje bevestigt. Wat Alva zelf betreft, deze zal in Spanje sterven, ‘Doch dese roem sult gy behouden naderhant, // Dat gy de straf waart en de sonde van dit lant’. Tegenover deze uitzichtloosheid gesteld, geeft Alva het op; hij legt zijn ambt neer en verlaat de Nederlanden (blz. 312-315).
Evenals in het derde Boeck heeft Van Bos hier weer zoveel te ventellen, dat hij aan epopisering niet toekomt: de ‘kroniek’ domineert. Slechts op twee plaatsen heb ik een duidelijke poging tot aansluiting bij epische voorgangers kunnen ontdekken.
| a. | Bij het begin van het beleg van Haarlem kappen de Spanjaarden in de Haarlemmer Hout de bomen die zij nodig hebben ‘om haare vasticheen (= versterkingen, schansen) te stercken met het hout’. Hooft vermeldt dit detail niet, maar Van Bos wijdt er niet minder dan 37 regels aan (blz. 297). Daarin imiteert hij Gerusalemme III, st.74-76, waar de Christenen hetzelfde doen als zij het beleg om Jeruzalem slaan. Evenals Tasso noemt Van Bos de verschillende boomsoorten die gekapt worden, en vraagt hij aandacht voor het wild dat daardoor uit zijn schuilhoeken verdreven wordt. |
| b. | Alva's bezoek aan de Amsterdamse heks, die te zijnen behoeve een helse geest oproept, lijkt in de eerste plaats het begin van Aeneis vi als model te hebben, waar Aeneas de Sibylle raadpleegt ter voorbereiding van zijn |
| tocht door de onderwereld.43 Maar de scène herinnert ook aan het slot van Pharsalia vi, waar Sextus, de zoon van Pompeius, de Thessalische tovenares Erychto komt raadplegen en zij een dode dwingt uit de onderwereld in zijn half-vergane lichaam terug te keren om Sextus de toekomst te voorzeggen. En wellicht heeft Van Bos óók nog 1 Samuël 28:7-25 voor ogen gehad, waar Saul vóór de slag tegen de Filistijnen de waarzegster van Endor raadpleegt, die de geest van Samuël oproept om hem de uitslag van de strijd kenbaar te maken. |
Met opzet ben ik in mijn inhouds-weergave van de verschillende Boecken vrij uitvoerig geweest. Daardoor valt namelijk het grote tekort van de Belgias duidelijk op: het ontbreken van structurele samenhang. In een eindeloze juxta-positie laat de auteur het ene feit op het andere volgen, zonder ook maar te pogen van die veelheid een eenheid te maken: een com-positie. Om zijn historisch relaas tot een werkelijk epos te doen worden, had hij moeten uitgaan van een centrale idee en een visie moeten ontwikkelen, waarin de afzonderlijke gebeurtenissen een gezamenlijke achtergrond kregen en hun motivering vonden. Uit de epen van Vergilius en Tasso, waaraan hij zo graag ontleende, kon Van Bos weten hoe dit te realiseren viel. In de Aeneis heeft de achtergronds-visie gestalte gekregen in de strijd tussen Venus en Juno, waardoor de wisseling van voor- en tegenspoed in de lotgevallen van Aeneas beheerst en verklaard wordt. In de Gerusalemme liberata is het heidense motief van de godentwist verchristelijkt en verdiept tot dat van de eeuwige strijd tussen God en Satan; de kruistocht van Godfried van Bouillon tegen Jeruzalem wordt getekend als een momentaan aspect van de metaphysische worsteling tussen Goed en Kwaad. Vooral het voorbeeld van Tasso had voor Van Bos van betekenis kunnen zijn. In de Belgias komt hier en daar onmiskenbaar tot uiting, dat de auteur er niet aan twijfelde of God stond aan de zijde van de Prins en de Hel aan die van de Spanjaarden. Wat had dus méér voor de hand gelegen dan dat hij dit zou hebben uitgewerkt tot een achtergrond-visie, waarin het Nederlandse verzet tegen Spanje eveneens geïnterpreteerd werd vanuit de dualiteit tussen Goed en Kwaad? Het Wonderbaarlijke zou daarmee in de Belgias functioneel geworden zijn: agens voor alles wat er tussen 1568 en 1573 in de Nederlanden plaats vond. Van Bos heeft van deze kans echter geen gebruik gemaakt. Naar de reden daarvoor kunnen wij slechts gissen. Misschien
vreesde hij daarmee te ver van de historie te zullen afwijken om nog geloofwaardig te zijn, zodat hij er de voorkeur aan gaf de feiten voor zichzelf te laten spreken. Wellicht ook had hij te weinig begrip voor het wezen van het epos, om in te zien aan welke structurele eisen dit moest voldoen en hoe essentieel daarbij de aanwending van het Wonderbaarlijke was. In ieder geval is het duidelijk, dat hij met dit laatste niet goed raad heeft geweten. Hij hanteert het bovennatuurlijke nooit zelfstandig, maar slechts naar het directe voorbeeld van anderen: in incidentele imitaties, waar de werking ervan beperkt blijft tot de betrokken passage en niet als een zuurdesem het gehele werk kan doortrekken. Zodoende is in de Belgias het Wonderbaarlijke slechts als ornament aanwezig, niet als ingrediënt.
Dit gebrek aan structuur heeft ook tot gevolg dat de beide antagonisten, Willem van Oranje en Alva, niet uit de verf komen en niet overtuigend tegenover elkaar staan. Van Bos schenkt hun slechts aandacht op de momenten dat het verloop der gebeurtenissen daartoe aanleiding geeft. Ook op dit punt houdt hij zich angstvallig aan de historie en durft hij daarvan blijkbaar niet afwijken ter wille van een ‘visie’, die hem trouwens onvermijdelijk in de sfeer van het Wonderbaarlijke zou hebben gebracht. Wel wordt de Prins aan het begin van de Belgias door de verschijning van ‘het beelt des Vaderlants’ aangespoord tot activiteit, maar er is geen sprake van dat hij - zoals Godfried in de Gerusalemme - belast wordt met een Goddelijke opdracht die hem tot Gods uitverkoren aanvoerder maakt voor alle krijgsverrichtingen die daarna volgen. Omgekeerd wordt Alva wel enkele malen door de Furiën tot onderdrukking en meedogenloze wreedheid aangezet, maar buiten deze passages wordt hij niet voorgesteld als instrument van het Kwade. Zowel Oranje als hij blijven te ‘historisch reëel’ om te kunnen uitgroeien tot epische gestalten.
De Belgias is als epos mislukt, omdat Van Bos - hetzij ter wille van de geloofwaardigheid, hetzij uit onmacht om het anders te doen - de historische feiten liet prevaleren boven de epische structuur. Daardoor werd zijn werk, ondanks de epische ornamenten die hij erin aanbracht, niet meer dan een kroniek. Het is niet onwaarschijnlijk, dat dit mede in de hand werd gewerkt door zijn bewondering voor de Thebais. Eenheid van conceptie en evenwichtige compositie zijn nu eenmaal niet de punten waarvoor Statius' epos als navolgenswaardig model kon gelden.
De wijze, waarop Lambert van Bos verzen schrijft, is gelijkvormig genoeg om het mogelijk te maken ze aan een betrekkelijk willekeurig fragment te illustreren. Ik koos daartoe zijn weergave van de slag op de Zuiderzee in 1573, waarin Bossu door de Geuzen gevangen genomen wordt.
Het is eenzelfde soort alexandrijnen als wij in Van Bos' vertaling van de Thebais aantroffen: regelmatig, vlot leesbaar, zonder Catsiaanse dreun, maar ook zonder verrassingen.47 Van dichterlijke verhevenheid is nergens sprake; de auteur komt niet uit boven een ietwat veredelde ‘gewone’ taal, waarvan de voornaamste verdienste is dat zij vrijwel steeds vaart weet te behouden. Het maakt daarbij weinig verschil, of wij te doen hebben met een ‘kroniekmatig’ dan wel met een ‘episch-ornamenteel’ fragment. Men behoeft de hierboven geciteerde epische imitaties48 slechts na te lezen, om ervan overtuigd te raken dat daarin de ‘poëtischer’ inhoud taal en stijl praktisch niet beïnvloedt. Evenmin als in zijn vertaling van Statius heeft Van Bos zich in de Belgias de tijd gegund - men kan ook zeggen: de moeite gegeven - zijn werk kritisch te herzien en de finishing touch aan te brengen. Hij schreef met zóveel gemak draaglijke alexandrijnen, dat hij geen behoefte voelde aan een nader gevecht met de Muze. Met Pilatus liet hij staan wat hij in eerste instantie geschreven had, om nog slechts aandacht te hebben voor wat daarop volgen moest.
Uit literair-historisch oogpunt markeert de Belgias een belangrijk moment in onze letteren. Voor het eerst verschijnt daarmee in de Nederlanden een oorspronkelijk epos, dat de duidelijke pretentie heeft de Vergiliaanse traditie voort te zetten. Van Bos is er echter niet in geslaagd, deze pretentie waar te maken. Op twee punten schiet hij tekort. In de eerste plaats blijkt hij niet voldoende vertrouwd geweest te zijn met het wezen van het epos en met de
structurele consequenties die daaruit voortvloeiden; hij ging aan het werk zonder de nodige voorstudie en zonder de nodige planning. In de tweede plaats besteedt hij niet genoeg zorg aan zijn verzen; hij stelt zich tevreden met een vlotte versificatie zonder diepgang of originaliteit, en meent met de uiterlijke aanwending van een aantal epische imitaties te kunnen compenseren wat zijn eigen vormgeving aan dichterlijke waarde mist.
Daar staat tegenover, dat Van Bos inderdaad vertellen kan. Welke bezwaren er ook tegen de Belgias vallen aan te voeren, echt vervelend wordt hij daarin zelden of nooit. De (te grote) haast waarmee hij schreef, heeft het voordeel dat zijn relaas een impetuositeit bezit die zich aan de lezer meedeelt; het een is nog maar nauwelijks afgehandeld, of de aandacht is alweer op het volgende gericht. Daardoor blijft de afwisseling bewaard, die de interesse gespannen houdt. Ook de ingelaste epische imitaties dragen tot die afwisseling bij; in zoverre kunnen zij, ondanks de uiterlijke aanwending, toch als min of meer functioneel worden aangemerkt.
De Belgias is een eerste epische zwaluw, die nog lang geen zomer maakt. Men kan er zelfs over twisten, of het wel om een echte zwaluw gaat. Maar in ieder geval is de lucht niet meer zo hélemaal leeg.
De Mauritias is veel bescheidener van opzet. In plaats van de talloze feiten uit vijf bewogen oorlogsjaren wordt er slechts één enkele gebeurtenis in behandeld: de slag bij Nieuwpoort. Het is dan ook begrijpelijk, dat Van Bos aanvankelijk gemeend heeft daarvoor met één Boeck te kunnen volstaan. Maar onder het schrijven dijde dit uit tot een omvang die hij waarschijnlijk niet had voorzien: 1658 versregels, d.w.z. ruim 500 meer dan het langste Boeck van de Belgias (het derde). Bij nader inzien gaf hij er daarom de voorkeur aan, de drie - door Pavsen gescheiden - onderdelen van zijn oversized Boeck voor te stellen als zelfstandige canto's. Daartoe bestond des te meer aanleiding, omdat elk van deze onderdelen een vrij goed in zichzelf afgerond geheel vormt. In het eerste wordt de nederlaag van Ernst Casimir bij Leffinge beschreven, in het tweede komen de gebeurtenissen tussen dit treffen en de eigenlijke slag bij Nieuwpoort aan de orde, in het derde de beslissende strijd en de glorieuse overwinning. Bovendien zal Van Bos zich ook wel hebben laten leiden door de overweging, dat een heldendicht in één Boeck tegen de epische traditie inging.
In het algemeen gaat de auteur in de Mauritias bij zijn epopisering van de historie op dezelfde manier te werk als in de Belgias. Maar er is één belangrijk verschil! Ditmaal maakt hij géén gebruik van het Wonderbaarlijke. Alle bovennatuurlijke episoden blijven achterwege; nergens wordt er door God of de machten der Hel invloed uitgeoefend op het verloop van de gebeurtenissen. Daardoor heeft dit tweede epos, ondanks alle overeenkomsten met de Belgias, toch een ander ‘gezicht’ gekregen.
Zoals Van Bos zich in de Belgias voor de feiten in de eerste plaats gehouden had aan de Neederlandsche Histoorien van Hooft, zo volgde hij nu Everhard van Reyd's Oorspronck ende voortganck vande Nederlantsche Oorloghen. In 1644 was er van dit geschiedwerk bij de weduwe van Everhard Clop-
penburgh te Amsterdam een derde druk verschenen. Het lijkt mij niet uitgesloten, dat het (her)-lezen van de gebeurtenissen uit 1600 in deze nieuwe editie hem tot het schrijven van de Mauritias heeft geïnspireerd, op soortgelijke wijze als de verschijning van Hooft's Histoorien in 1642 wellicht aanleiding is geweest tot het ontstaan van de Belgias.49 Ook ditmaal heeft de dichter zich echter niet uitsluitend aan één bron gehouden. Wij komen bij hem soms bijzonderheden tegen, die Van Reyd niet vermeldt en waarvan de herkomst zich moeilijk laat vaststellen. Overigens dienen wij de nodige voorzichtigheid te betrachten bij het aanvaarden van de authenticiteit van dergelijke gegevens. Zoals wij bij de bespreking van Canto ii zullen zien, is het niet altijd uitgesloten dat zij als epische uitwerking aan Van Bos' fantasie moeten worden toegeschreven. Bij de namen van aanvoerders, die Van Reyd niet noemt, moet echter wel een additionele bron worden verondersteld.
Door het Wonderbaarlijke los te laten heeft Van Bos zich in de Mauritias feitelijk afgekeerd van de drie voornaamste voorbeelden, die hij in de Belgias had gevolgd: Vergilius, Statius en Vondel. Behalve in de keuze van zijn onderwerp richt hij zich nu ook op dit punt naar Lucanus, wiens Pharsalia - afgezien van de magie, waaraan de dichter geloofde - zich kenmerkt door het ontbreken van bovennatuurlijke episoden. Waarom Van Bos daartoe is overgegaan, valt niet met zekerheid te zeggen. In eerste instantie doet het enigszins bevreemdend aan. Hij moet er zich immers bewust van zijn geweest, dat de eliminatie van het Wonderbaarlijke voor hem het gevaar vergrootte in de kroniek te blijven steken. Daar staat evenwel tegenover, dat hij in de Belgias met het bovennatuurlijke eigenlijk niet goed raad geweten had en het slechts incidenteel als uiterlijk ornament had aangewend.50 Dat zou kunnen verklaren, waarom hij er hier - nu hij op veel kleiner schaal werkte - liever maar helemaal van afzag. Ook de vrees aan geloofwaardigheid in te boeten, als hij de algemeen-bekende historische feiten met het Wonderbaarlijke ging omkleden, kan daartoe hebben bijgedragen. En tenslotte moeten wij rekening houden met de mogelijkheid, dat het weglaten van het Wonderbaarlijke een bewust experiment was; na de Belgias in Vergiliaanse trant te hebben geschreven, zou Van Bos in de Mauritias geprobeerd kunnen hebben de manier van Lucanus te volgen.
In ieder geval is de eliminatie van het Wonderbaarlijke nièt het gevolg geweest van een verminderde epische ambitie bij de dichter. Het valt integendeel op, dat deze zijn best gedaan heeft om het wegvallen van het bovennatuurlijke te compenseren door het accentueren van andere epische kenmerken. Wij zullen daarop nog hebben terug te komen.
Het loslaten van Vergilius en Vondel als rechtstreeks model betekent overigens niet, dat hun invloed in de Mauritias geheel ontbreekt. Incidenteel heeft Van Bos nog wel eens iets aan hen ontleend; zijn exordium blijkt zelfs een directe navolging te zijn van wat er in de Verovering van Grol aan de eigenlijke narratio voorafgaat. Méér dan aan hen heeft hij echter te danken gehad aan Tasso. De belangrijkste episode uit Canto ii is kennelijk geïnspireerd op een soortgelijke gebeurtenis in het 19de boek van de Gerusalemme liberata.
Bovendien herinnert de sfeer van de Mauritias voortdurend aan die van Tasso's epos, althans voor wat de gevechts-scènes betreft. Het kan haast niet anders of Van Bos heeft bij het beschrijven van de oorlogshandelingen en veldslagen, die zowel zijn eerste als zijn derde Canto vrijwel geheel in beslag nemen, het voorbeeld van de Italiaanse meester voor ogen gehad. Bij deze gaat het nooit om het strategisch verloop van de gevechten, maar om een flitsende opeenvolging van kleurige totaal- en detailbeelden: impressies van mêlée's en verwarring, close-up's van helden in actie, moment-opnamen van doden en gewonden, het wisselspel van telkens weer nieuwe situaties en evenementen zoals die zich binnen de beperkte gezichtskring van een ooggetuige voordoen. Tasso beschrijft niet het gehéél, maar geeft een filmisch verslag van hoogtepunten die hij zijn lezers doet meebeleven. Een onbedoeld gevolg daarvan is, dat zijn gevechtsbeschrijvingen steeds ongeveer op hetzelfde neerkomen en - afgezien van de persoonsnamen - onderling vrijwel verwisselbaar zijn. Het handgemeen tussen Christenen en Saracenen leidt immers iedere keer weer tot nagenoeg dezelfde details, hoe verschillend van geval tot geval de uitslag van de strijd moge zijn. Tegenover dit bezwaar, dat gemakkelijk tot monotonie zou kunnen leiden, staat echter het grote voordeel dat de lezer veel rechtstreekser bij de gebeurtenissen betrokken wordt dan anders het geval zou zijn; hij leest niet over een slag, maar staat er midden in. En Tasso's dichterschap is sterk genoeg om die lezer telkens weer mee te slepen en dezelfde motieven iedere keer weer nieuw voor hem te maken.
Naar ik meen, heeft Van Bos geprobeerd op eenzelfde manier de slagen bij Leffinge en Nieuwpoort ‘filmisch’ weer te geven. Ook bij hem krijgt men geen duidelijk beeld van de gevechtshandelingen als samenhangend geheel, maar ziet men een reeks ‘momenten’ daaruit aan zich voorbijtrekken. Omdat Van Bos als dichter niet in de schaduw van Tasso kan staan, is men aanvankelijk geneigd dit toe te schrijven aan onmacht een overtuigende samenhang te realiseren, te meer omdat zijn ‘momenten’ - in tegenstelling tot die van Tasso - meestal een historische basis hebben en dus voor het verloop van de strijd betekenis hebben gehad. Bij nader inzien blijkt deze mening echter moeilijk te handhaven. Als Van Bos een overzicht van de gevechten als gehéél had willen geven, zou dat hem niet veel moeite hebben behoeven te kosten; hij had dan kunnen volstaan met het weergeven van wat hij bij Van Reyd vond. In plaats daarvan splitst hij evenwel diens relaas op in afzonderlijke ‘momenten’, die hij stuk voor stuk epopiserend uitwerkt en tot min of meer zelfstandige episoden maakt. Bovendien voegt hij gedetailleerde beschrijvingen van verwoede gevechten toe, die sterk herinneren aan Tasso's ‘impressies van mêlée's en verwarring’ en evenals deze met kleine variaties bij een volgende gelegenheid met dezelfde verve worden herhaald. Het lijkt mij weinig waarschijnlijk, dat deze overeenkomst op toeval zou berusten. Ik neem dan ook aan, dat Van Bos bewust getracht heeft de verteltrant van Tasso na te volgen, zowel ter wille van de meerdere kleur en levendigheid die daardoor mogelijk werden, als om zich duidelijk te distanciëren van de kroniekstijl bij Van Reyd. Als deze veronderstelling juist is, zou de aanduiding-achteraf van de drie gedeelten uit de Mauritias als canto's nog een andere reden kunnen hebben dan alleen het feit dat zij te kort waren om ‘boecken’ te worden genoemd.51 Misschien wilde Van Bos er tevens - of in de eerste plaats - mee aangeven dat
zijn tweede epos goeddeels in de trant van Tasso geschreven was. De lezer moest dan zelf maar ontdekken dat dit ‘goeddeels’ - anders dan hij in eerste instantie waarschijnlijk veronderstelde - geen betrekking had op het bovennatuurlijke en magische dat de Gerusalemme liberata kenmerkt, maar op de manier om gevechten en veldslagen episch tot leven te brengen. De kleine mystificatie, die daarin besloten ligt, past goed in de sfeer van de 17de eeuw; ik behoef in dit verband slechts te herinneren aan het mystificerende spel dat Vondel twintig jaar eerder in de Verovering van Grol had gespeeld.
Voordat ik overga tot een nadere karakteristiek van de Mauritias, dien ik eerst een overzicht te geven van de inhoud. Anders zouden mijn citaten en conclusies door het ontbreken van de nodige achtergrond te veel in de lucht komen te hangen.
De eerste 36 regels bevatten de propositio, invocatio en dedicatio. Ditmaal volgt Van Bos in zijn aanhef niet Statius, maar Vergilius: ‘Ick sing de waepenen en 's mans kloeckmoedicheyt, // Voor wie de grootse siel genoeg ter aerde leit // Des vyants ...’. Bedoeld worden de wapenfeiten en de kloekmoedigheid van Prins Maurits, al wordt diens naam niet genoemd. Dat is in overeenstemming met de epische traditie: in de propositio moet de identiteit van de held blijken uit de omschrijving van zijn persoonlijkheid en zijn grootheid, niet uit zijn naam.52 Maar Van Bos breidt dit principe uit; hij past het ook toe in de invocatio en de dedicatio. In de eerste omschrijft hij God in plaats van Hem te noemen, in de laatste doet hij hetzelfde met Frederik Hendrik. Meer dan een technisch trucje is dit niet, en het speelse karakter ervan doet afbreuk aan de ernst die de inzet van een epos behoort te kenmerken. Zo doet het bijna ironisch aan, dat de identiteit van Maurits niet werkelijk onthuld wordt door de omschrijving in de propositio, maar pas duidelijk blijkt uit de dedicatio waar hij ‘voorsaat’ (voorganger) en ‘broeder’ van Frederik Hendrik genoemd wordt: een in episch opzicht volkomen irrelevante bijkomstigheid. Het enige aardige is, dat een van de aanwijzingen voor het ‘herkennen’ van Frederik Hendrik een literair tintje heeft. In de regel ‘Hoe met een stedekroon g'u scheedel hebt geciert’ (blz. 318) wordt onmiskenbaar gezinspeeld op Vondel's Stedekroon van Frederick Hendrick, geschreven ter ere van diens zegevierende veldtocht langs de Maas in 1632 (WB III, 384-386).
Afgezien van zijn naam-verzwijgend trucje blijkt Van Bos zich voor de grote lijn van zijn exordium nauwkeurig te houden aan het voorbeeld, dat Vondel hem in de Verovering van Grol gegeven had. Wij herkennen achtereenvolgens de inzet met Arma virumque cano, de Christelijke invocatio, de dedicatio aan Frederik Hendrik (al is deze bij Van Bos dan niet tevens de bezongen held), het beroep op diens welwillendheid bij het lezen van 's dichters werk.53
Met regel 37 begint dan de narratio. Van Bos valt nogal met de deur in huis. Zonder inleiding over doel en achtergrond van Maurits' veldtocht, zon-
der toelichting over de moeilijkheden waarin Aartshertog Albertus van Oostenrijk verkeert door de muiterij onder zijn troepen - dat alles wordt blijkbaar genoegzaam bekend verondersteld -, vangt hij mediis in rebus met vertellen aan. ‘Der Staten heirkracht nu doorliep naar eygen lust // Een groot gedeelte van de rijcke Vlaemse kust’, terwijl Maurits niet bij machte is aan het plunderen en branden een einde te maken. De weinige gezagsgetrouwe Spaanse garnizoenen wijken voor de overmacht. Snaaskerke, Oudenburg en de Albertusschans vallen in handen van Maurits, die met zijn hoofdmacht al tot bij Nieuwpoort is doorgedrongen - op weg naar het kapersnest Duinkerken (blz. 318-319). Maar dan slaagt Albertus er met grote moeite in, weer een geduchte krijgsmacht op de been te brengen. Hij verzamelt alle gezagsgetrouwe troepen en weet de muiters op bepaalde voorwaarden te bewegen tot medewerking aan deze éne veldtocht. Met dit leger rukt hij tegen Maurits op.54 Snaaskerke wordt heroverd en het Staatse garnizoen over de kling gejaagd, Oudenburg geeft zich over. Slechts vage geruchten omtrent dit alles bereiken Maurits, en het duurt vrij lang voordat hij de gevaarlijke situatie kan overzien waarin hij zich bevindt (blz. 319-322). Het ergste is, dat het gros van zijn leger aan de Zuidzijde ligt van het (alleen bij eb doorwaadbare) water dat de haven van Nieuwpoort met de zee verbindt, terwijl Ernst Casimir met de rest van de troepen aan de Noordzijde onmiddellijk bedreigd wordt. En dan gebeurt wat ik niet korter en duidelijker kan samenvatten dan met de woorden van de historicus P.J. Blok:
Maurits zond Ernst bevel den vijand zoo lang op te houden, totdat het water zou vallen, maar Albertus liet geen tijd verloren gaan, trok aanstonds naar het strand over eene brug, die men onbegrijpelijker wijze verzuimd had af te breken, en joeg de doo