terug  begin  verderprepost
[p. 529]

Hoofdstuk X
De ‘Orlando’ en de ‘Gerusalemme’ in het Nederlands

§ 1. Óók de ‘Orlando’

In de voorafgaande hoofdstukken heb ik steeds een scherp onderscheid gemaakt tussen romanzo en epos, en de eerste - als niet behorend tot mijn eigenlijke onderwerp - slechts bij mijn beschouwingen betrokken voor zover dit voor een goed begrip van het laatste wenselijk was. Het is dus nodig, uiteen te zetten waarom ik hier van deze gedragslijn afwijk en aan de Nederlandse vertalingen van de Orlando furioso eenzelfde aandacht besteed als aan die van de Gerusalemme liberata.

Het heeft mij enige aarzeling gekost daartoe te besluiten, maar tenslotte heeft de overweging de doorslag gegeven dat een strak vasthouden aan het beginsel ‘alléén het epos’ hier tot een leemte in mijn overzicht zou hebben geleid, die aan de duidelijkheid afbreuk kon doen.

Het onderscheiden van romanzo en epos is namelijk eerst achteraf opgekomen, als conclusie van de theoretici die de Orlando toetsten aan de voorschriften van Aristoteles' Poetica en aan de praktijk van Vergilius. In werkelijkheid is de opkomst van het Renaissancistische epos in de 16de eeuw zó nauw met Ariosto's meesterwerk verbonden, dat de grenzen telkens vervagen. Zelfs Tasso's Gerusalemme, die het grote model voor het moderne epos zou worden, is tenslotte een compromis tussen de theorie van Aristoteles (zoals die door de 16de-eeuwse Italiaanse theoretici werd geïnterpreteerd) en de praktijk van Ariosto. In hoofdstuk ii van mijn boek is duidelijk gebleken, hoe groot in heel West-Europa de invloed van deze laatste direct en indirect op de opkomst van het nieuwe epos is geweest. Eerst gaandeweg wordt die invloed minder, om tenslotte door de klassicistische theorie geheel te worden teruggedrongen.

In de Nederlanden valt er vóór 1625 niets van een eigen modern epos te bespeuren. In het tweede kwart van de 17de eeuw is er de mislukte poging van Vondel om zijn Constantinade te schrijven en verschijnt het epische werk van Lambert van Bos. Veel verder komen wij daarmee echter niet. Naar het Renaissancistische karakter van Vondel's epos en de betekenis die de romanzo via het voorbeeld van Tasso daarvoor wellicht - ik zou zelfs willen zeggen: waarschijnlijk - zou hebben gehad, kunnen wij slechts gissen. De proeven van Van Bos zijn te zwak en te weinig origineel om te worden beschouwd als representatief voor wat het moderne epos hier te lande in zijn eerste fase geweest zou zijn, wanneer het zich daar ontwikkeld had zoals elders. Toch meen ik, dat wij niet zonder meer mogen voorbijgaan aan het feit, dat in de Batavias de invloed van Ariosto zich in tweeërlei opzicht duidelijk doet gelden: enerzijds in de tekening van de verliefde Medea naar het model van Alcina,1 anderzijds in de onbekommerde inlassing van irrelevante verhalen-in-het-verhaal

[p. 530]

zoals wij die uit de Orlando kennen.2 Blijkbaar maakte het voor Van Bos weinig verschil of hij aan Tasso dan wel aan Ariosto ontleende, zoals het hem bij de klassieke epici onverschillig liet of hij het voorbeeld van Lucanus dan wel dat van Vergilius volgde - ofschoon door de contemporaine theoretici zowel aan de Orlando als aan de Pharsalia het recht op de benaming ‘epos’ ontzegd werd. De praktijk is bij hem ruimer en toleranter dan de leer. Zonder nu al te zeer te generaliseren - iemand als Vondel zou stellig niet zo ver zijn gegaan - meen ik toch, dat wij Van Bos daarin als een exponent van zijn tijd mogen zien. Voor de prae-klassicistische 17de-eeuwers behoorde in de praktijk het werk van Ariosto mede tot de epische verworvenheden die zij bewonderden en waaraan zij deel hadden. Ik verwijs in dit verband naar mijn vierde hoofdstuk, waar de belangstelling voor de Orlando furioso in de eerste helft van de 17de eeuw en de invloed daarvan op het drama van deze periode aan de orde gekomen zijn.3

Tegen deze achtergrond gezien, mochten de vertalingen van de Orlando in dit hoofdstuk niet ontbreken. Zij bevestigen het bestaan van de gesignaleerde belangstelling voor Ariosto en leveren het bewijs, dat in de eerste helft van de 17de eeuw diens romanzo op precies dezelfde manier onder de aandacht van het grote publiek werd gebracht als het epos van Tasso.

§ 2. De ‘Orlando’-vertaling van Everaert Syceram

Ook in het Nederlands ging Ariosto aan Tasso vooraf. De eerste van de hier te bespreken vertalingen betreft de Orlando furioso en zag in 1615 te Antwerpen het licht. Zij is van de hand van de Brusselse juwelier Everaert Syceram (Siceram), die tussen 1560 en 1620 geleefd heeft en in 1615 overdeken was van de rederijkerskamer ‘De Coorenbloem’ in zijn geboortestad. Het titelblad van zijn werk luidt:

Il Divino Ariosto // oft // Orlando // Furioso. // Hoogste voorbeelt van oprecht // Ridderschap. // Oock Claren spieghel van beleeftheijt // Voor alle welgeboorne // Vrouwen: // Begrijpende Ouer Hondert Niewe // Historien. // Ouergeset wyt Italiaensche veersen // In Nederlantsche Rijmen door // Euerart Siceram // van Brussel. // Met // gratie en pri // uilegie. // Bij Dauid Mertens // Thantwerpen // 1615.

Anders dan het titelblad doet vermoeden, bevat deze vertaling slechts de eerste helft van de Orlando. Na de 23ste zang wordt wel verwezen naar het vervolg dat binnen afzienbare tijd verwacht mag worden, maar dit is nooit verschenen. Wèl juist is de mededeling, dat Syceram rechtstreeks uit het Italiaans heeft vertaald. In tegenstelling tot de Noord-Nederlandse overzetting van J.J. Schipper, die vier-en-dertig jaar later in Amsterdam van de pers kwam, berust het werk van Syceram op de oorspronkelijke tekst en niet op een vertaling daarvan in het Frans.

De overdeken van ‘De Coorenbloem’ stond nog volop in de rhetoricale traditie. Zijn vertaling is typisch rederijkerswerk en sluit als zodanig aan bij de vertalingen van Vergilius en Homerus, die in de 16de eeuw door Van Ghistele, Coornhert en Van Mander geschreven waren. Het grootst is de verwant-

[p. 531]

schap met de Aeneis van Van Ghistele, al ging Syceram in verschillende opzichten met meer originaliteit te werk dan zijn Antwerpse collega zestig jaar tevoren.

In de officiële geschiedschrijving van de Nederlandse letterkunde is Syceram volkomen vergeten geraakt; hij behoort tot een nabloei van de rederijkerij, waarvoor geen plaats was in de historie van de ontluikende Renaissance-literatuur uit het begin van de 17de eeuw. Slechts bij Jonckbloet en Te Winkel heb ik zijn naam - zij het uiterst terloops - vermeld gevonden;4 bij Kalff, Rombauts (Geschiedenis van de letterkunde der Nederlanden v) en Knuvelder komt hij niet voor. Men vindt echter de nodige informatie in het voortreffelijke artikel, dat W. van Eeghem aan hem wijdde in de Biographie nationale de Belgique.5 Wie zich enigszins met Syceram's werk vertrouwd heeft gemaakt, kan niet anders dan bewondering hebben voor de wijze waarop Van Eeghem in kort bestek alle karakteristieke punten en alle problemen heeft weten samen te vatten, waarmee wij in Il Divino Ariosto worden geconfronteerd. Ik heb daarvan in deze paragraaf herhaaldelijk dankbaar gebruik gemaakt.

Het voorwerk

Het voorwerk bevat geen lof- of drempeldichten van buitenstaanders en bestaat uitsluitend uit wat Syceram zelf ter inleiding te zeggen heeft.

Hij begint met een hoogdravende Opdracht aan de vorsten, edelen en aanzienlijken van (Zuid-)Nederland, alsmede aan de ‘wel-gheborene Princerssen’ en ‘beleefde Iouffrouwen’ die tot hun kring behoren. Wij moeten daarin een ‘verduytsing’ zien van de situatie bij Ariosto, die zijn werk schreef ter verheerlijking van het geslacht der Este's en steeds het hof van Ferrara voor ogen had. Die vernederlandsing behoort tot de algemene opzet van Syceram; waar het enigszins mogelijk is, vervangt hij in zijn vertaling ‘Italia’ door ‘Neerlant’. Hij gaat daarin zelfs zó ver, dat de geloofwaardigheid er wel eens door in het gedrang komt. Zo b.v. als Melissa in Zang vii Rogier uit de betovering van Alcina verlost en hem onder meer voorhoudt dat hij - als stamvader van het geslacht Este - moet denken aan zijn nakomelingen die ‘Italia torneran nei primi onori’ (st. 61, reg. 8); bij Syceram wordt dit: ‘Die t'Neerlant haer verloren eer sulen wedergeven’ (st. 67, reg. 8; blz. 144).

Na deze Opdracht wendt de auteur zich tot de gewone lezer, om hem mee te delen hoe zijn vertaling tot stand is gekomen. Uit liefde voor zijn ‘vryster’ had hij ‘in de bloem van mijns levens iaer’ enkele ‘lief-suchtige Historien’ uit de Orlando vertaald. Hij had die nooit willen uitgeven, omdat hij steeds was blijven hopen nog eens tijd te zullen vinden om het gehèle werk in het Nederlands over te brengen. Maar als hij niet verstrikt was geraakt in ‘sware processen (noch onbeslicht) om mijne moederlijcke erfgoeden, God weet oft oyt dit vertael waer ten eynde gecomen’. De ‘sware vervolginge’ en alle ellende van deze processen maakten hem namelijk zó afkerig van de omgang met mensen, dat hij troost ging zoeken bij zijn Muze. ‘Dit seg ick is een groote

[p. 532]

voordering geweest in het voorgenomen besluyt, welc was door arbeyt mijn lantslieden te laten smaken wat soeter vruchten Ferraren hadde voorts gebracht door d'emsicheyt6 vanden lofweerdigen Poeet Arioste ...’. Er valt uit deze uiteenzetting moeilijk tot een andere conclusie te komen dan dat Syceram alle 46 zangen van de Orlando vertaald had, toen hij op 1 oktober 1615 zijn Woord-aan-den-lezer schreef. Wij zullen dus dienen na te gaan, waarom zijn boekje er slechts 23 bevat.

Maar de auteur had nog meer op zijn hart. Na zijn Woord-vooraf, dat uitloopt op een speelse captatio benevolentiae,7 laat hij nog een zakelijke Onderrichtinghe voor den Leser volgen, waarin hij eerst wijst op het nut van zijn boek en vervolgens verantwoording aflegt van de wijze waarop hij bij het vertalen te werk is gegaan. Wat het nut betreft: ‘het werck met bevroetsaemheyt ghelesen, brengt met [= mee] schoone Allegorien’. Dat wordt toegelicht met een aantal voorbeelden, waarin gebeurtenissen en personen uit de Orlando zinnebeeldig worden geduid op eenzelfde wijze als Tasso dit in zijn Allegoria del Poema met situaties en figuren uit de Gerusalemme doet. Of Syceram rechtstreeks het voorbeeld van de Allegoria volgde dan wel herhaalde wat vóór hem reeds door anderen was gezegd, heb ik niet nagegaan. In ieder geval mogen wij echter wel aannemen, dat hij met deze allegorisering hetzelfde beoogde als Tasso enkele decennia tevoren: zich bij voorbaat te dekken tegen eventuele kritiek van kerkelijke zijde. - Een bijkomend voordeel voor de lezer (zo vervolgt Syceram) is ook nog, dat deze de toneelvoorstellingen van zijn tijd beter zal kunnen volgen: ‘ghy en sult, soo ghy eenich verstant hebt, niet ydel keeren, want sult dan alle Comedien ende Tragedien verstaen dier ghespeelt worden, die meest hier uyt al sijn getrocken’.

Hoe interessant dit alles in cultuur-historisch opzicht ook moge zijn, belangrijker is in ons verband toch de verantwoording van Syceram omtrent zijn manier van vertalen. Wat hij daarover zegt, laat zich in vijf punten samenvatten:

1 ‘Nopende het oversetten hebbe dat soo trouhertich gehandelt alst ommers mogelijck was, niet dat ickt van woort te woorde heb vertaelt, maer segge in elck veers [= strofel] dat mijnen meester seyt, in louter nederlantsche sprake: hebbende ghemijt de uytheymsche woorden soo veel moghelijck is geweest’.
   
  In verband met het mijden van uitheemse woorden excuseert Syceram er zich voor, dat hij geregeld van ‘Dammen en Cavailieren’ spreekt en bij de eigennamen soms de Italiaanse vorm heeft gehandhaafd: ‘rekent my dat voor nederduyts, om dat ick van Brussel ben, daer dien naem inden mont ver-

[p. 533]

  storven is, soo datmen qualijck dien soude konnen mijden, sonder de Dammen te naer te doen, noch oock de Cavailieren, wiens dienaer ick blijve’.
   
2 Zijn versregels tellen van tien tot veertien syllaben. Waar het anders is, moet dit aan een vergissing van hemzelf of van de drukker worden toegeschreven.
3 Bij het vertalen heeft hij ‘met oorlove van Arioste’ weggelaten wat hij voor Nederlanders niet interessant achtte, zoals de geslachtslijst van het Huis Este (canto iii) en de troepen-monstering in Engeland (canto x). In plaats daarvan heeft hij ‘gevoecht wat vanden mijnen, dat ick hoep u meer sal verlusten’, d.w.z. iets van eigen vinding ingelast.
4 Zoals men weet, breekt Ariosto telkens een bepaalde episode af, om een andere draad van het verhaal op te nemen; het vervolg van de afgebroken episode ligt dan soms enkele zangen verder en is moeilijk te vinden voor wie daar nieuwsgierig naar is. Daarom heeft Syceram ‘tot gerief vanden onverduldigen Leser’ bij elke onderbreking van een episode aangegeven, in welke zang en strofe het aansluitende vervolg te vinden is.
5 Tenslotte waarschuwt de auteur zijn lezers voor de drukfouten, waarvan hij ‘bevonden’ heeft dat zij in het boek voorkomen: ‘ick bidde den Leser dat door bescheydenheydt [= gezond oordeel] te beteren, en dencken datter niemant volmaeckt is’.
   
  Uit deze waarschuwing volgt, dat Syceram de Onderrichtinghe voor den Leser geschreven heeft, toen zijn boek reeds gezet en (waarschijnlijk) afgedrukt was, zodat de opgemerkte fouten niet meer konden worden verbeterd.

De vertaling

Om na te gaan wat de dichter op deze basis heeft weten te bereiken, kunnen wij niet beter doen dan zijn praktijk toetsen aan de door hem genoemde punten.

Ad 1. Syceram heeft inderdaad strofe voor strofe ‘trouhertich’ vertaald. In principe zou dus in elke Zang het aantal van zijn ‘veersen’ overeen moeten komen met dat van Ariosto's stanzen. Dat dit niet het geval is, moet enerzijds worden toegeschreven aan de eigen inlassingen van de auteur, die in omvang de weggelaten gedeelten uit Ariosto overtreffen, anderzijds aan de slordigheid van de zetter die zich in de nummering van de strofen meermalen vergist.8

Er kan geen twijfel aan bestaan, dat Syceram de Orlando vurig bewonderd en in het algemeen met pleizier vertaald heeft. Tal van zegswijzen uit het Italiaans vinden wij vrijwel letterlijk bij hem terug. Zo b.v. I, 2, r.1-2: ‘Dirò d'Orlando in un medesmo tratto // cosa non detta in prosa mai né in rima’, die bij hem luiden: ‘Van Roelant sal ick spreken in eenen weghen [= tegelijkertijd] // Dinghen noyt verduytst in rijmen, oft proos’ (blz. 2). Daar staat tegenover dat hij heel vaak zijn eigen weg gaat, ook waar hij daartoe niet door het rijm gedwongen wordt. Zijn rhetoricale voorkeur voor het ongewone brengt er hem dan toe, de betrekkelijk eenvoudige verteltrant van Ariosto op te sieren met vernuftige omschrijvingen die de lezer telkens voor kleine puzzels stellen en de eruditie van de auteur moeten doen uitkomen. Zo vervangt hij I, 24 ‘uyt het water’ door uyt de pijn van Tantaele en ‘helm’ door tophuyf.

[p. 534]

Zoals Van Eeghem terecht heeft geconstateerd, ‘Syceram se sert tout à la fois d'euphémismes, d'archaïsmes et de néologismes’,9 wat de lectuur van zijn werk niet bepaald vergemakkelijkt. Ook in zinsconstructie en woordvolgorde manifesteert zich bij hem voortdurend de drang naar het ongebruikelijke of zelfs bizarre - vaak, maar niet altijd, mede onder invloed van rijmdwang. Een extreem voorbeeld vinden wij in XIX, 37, waar van Angelica gezegd wordt: Te trecken bedacht sy haers vaders Catay ‘naer’ [= zij vatte het plan op, naar Catay (het land) van haar vader te trekken] (blz. 478). Een typisch geval van eruditie-vertoon levert I, 37. De vluchtende Angelica vindt daar een idyllisch plekje, waar ‘la foglia coi rami in modo è mista, // che 'l sol non v'entra, non che minor vista’. Het feit dat de zon er buitengesloten is, doet Syceram denken aan het overspel van Mars en Venus, waar de zon wèl getuige van kon zijn. En hij transponeert de hele passage in de sfeer van deze reminiscentie. Bij hem vormen de ineen-gegroeide takken en blaren

 
eenen bequamen Outaer
 
Om Venus te offeren sonder vreese gemoeyt;
 
Want Phebus en koster seynden sijn blinckende raeyen10
 
Noch den mancken smit, sijn net daer spraeyen.
 
(blz.10)

De verzekering van de dichter dat hij ‘uytheymsche woorden’ gemeden heeft, kan licht tot misverstand aanleiding geven, als wij er niet op bedacht zijn dat hij daarmee bastaardwoorden bedoelt. Alleen dan klopt zij met de werkelijkheid. Bastaardwoorden komen in Syceram's werk inderdaad niet of nauwelijks voor. Maar hij heeft er geen enkel bezwaar tegen om woorden uit een andere taal in ònverbasterde vorm over te nemen. Een sprekend voorbeelden vinden wij in I, 46. Daar wordt van Sacripante verteld, dat hij uit liefde voor Angelica haar spoor gevolgd heeft van Indië tot de Pyreneeën: ‘Van in Indien hy wist (den prickel van sijnen druck) // Datse Roelant was gevolght, tot d'uyterste Ponenten’ (blz. 13). Het laatste woord is zonder meer ontleend aan de corresponderende Italiaanse regels: ‘che seppe in India con suo gran dolore, // come ella Orlando sequitò in Ponente’ [= naar het Westen]. Doorzichtiger is het gebruik van een Spaanse uitdrukking in III, 51: En met den knecht, haer mil besemanos ‘sint’ (blz. 55). - In deze zin zijn er dus wèl ‘uytheymsche woorden’, en het behoeft geen betoog dat zij er - evenzeer als de hierboven vermelde eigenaardigheden - toe bijdragen de lectuur van Syceram's werk tot een inspannende aangelegenheid te maken.

Alleen bij de interpretatie van ‘uytheymsche woorden’ als bastaard-woorden heeft het excuus voor het gebruik van ‘Dammen en Cavailieren’ zin. Dat zijn namelijk de Franse woorden dames en cavaliers, op zijn Frans uitgesproken, maar met een Nederlandse meervouds-uitgang: bastaardwoorden dus. Wij dienen de uitgang van ‘Cavailieren’ dan ook te lezen als -jeren.

Ad 2. Het tweede punt voert ons naar de versbouw. Met de mededeling dat zijn regels van tien tot veertien syllaben tellen, conformeert Syceram zich

[p. 535]

aan wat in de 16de eeuw de ‘Hollandsche mate’ heette.11 Hij hanteert eveneens nog het vrije rederijkersvers zonder metrische inslag, maar weet daarin een sterke ritmiek te realiseren die de lezer geboeid houdt. In plaats van een van de talloze rijmschema's, die voor rederijkersstrofen gebruikelijk waren,12 kiest hij echter het rijmschema van Ariosto's ottava rima: abababcc, zij het zonder zich te houden aan uitsluitend vrouwelijke rijmen. Bij hem wisselen mannelijke en vrouwelijke rijmen elkaar willekeurig af, al valt in de eerste zes regels van de strofe een neiging tot alternering waar te nemen, terwijl in de slotregels het vrouwelijk rijm domineert. Hoewel men dus niet kan zeggen dat Syceram in ottave rime schrijft, heeft het overnemen van Ariosto's rijmschema toch een ‘modern’ karakter aan zijn vertaling verleend. Zijn strofen zijn met hun acht regels korter en lichter dan men van rederijkerswerk gewend is. Doordat bovendien elk van die strofen met een stanze van Ariosto correspondeert, komt er méér van diens levendige verteltrant over dan bij langere strofen met een gecompliceerder rijmschema mogelijk zou zijn geweest.

Overigens verloochent Syceram ook in de rijmen zijn rhetoricale achtergrond niet. Vrijmoedig forceert hij woordvormen en woordbetekenissen, als zijn rijmschema dat wenselijk maakt. Ook heeft hij een uitgesproken voorliefde voor dubbelrijmen, waaraan hij telkens weer de natuurlijke gang van zijn vers ondergeschikt maakt. Naar ons moderne gevoel gaat het vóórkomen van dubbelrijm dan ook meestal gepaard met een poëtische inzinking. Ik geef één enkel voorbeeld. In XIX, 39 wordt eraan herinnerd, hoe Angelica indertijd naakt aan een rots gebonden was om door een draak te worden verslonden: ‘Daer sy van de roovers wort naeckt “ghebonden // Om te sijn van een dier dat draeckt” verslonden’ (blz. 479). De omschrijving van de draak als ‘een dier dat draeckt’ is volledig bepaald door de noodzaak om een rijm te verkrijgen op ‘naeckt’.

Ad 3. In plaats van wat hij voor Nederlanders niet interessant achtte, heeft Syceram ‘gevoecht wat vanden mijnen’. Uit deze simpele aankondiging valt niet op te maken, hoe systematisch hij daarbij te werk is gegaan. Hij geeft namelijk geen inlassingen ad hoc, enkel bedoeld om de lacune te vullen die door het weglaten van een gedeelte uit Ariosto's canto ontstond, maar voegt een geheel nieuwe historie toe! Gebruik makend van het feit dat de Orlando bestaat uit een reeks vrij los met elkaar vervlochten ‘lief-suchtige Historien’, waarvan het verhaal na een bepaalde episode telkens wordt afgebroken om eerst later - soms véél later - weer te worden opgenomen, past Syceram deze methode toe om een eigen ‘Historie’ in deze veelheid te verweven. Hij begint daarmee inderdaad ter vervanging van een episode die hij voor Nederlanders niet relevant acht: de geschiedenis van het Huis Este in canto iii. Maar daarna gaat zijn Historie een eigen leven leiden temidden van alles wat Ariosto vertelt. Niet alleen als er iets uit de Orlando voor eliminatie in aanmerking komt, maar ook op andere plaatsen, als loutere inlas, volgt telkens weer een nieuwe episode uit die ingeschoven geschiedenis. Op de inhoud daarvan kom ik straks terug; hier gaat het om Syceram's werk als vertaling. Maar in dat verband dient dan toch opgemerkt te worden, hoe goed de dichter het karakter

[p. 536]

van de Orlando begrepen heeft. Hij doorziet de structuur ervan scherp genoeg om een substantieel verhaal te kunnen toevoegen zonder het wezen van het oorspronkelijke gedicht aan te tasten. En daarbij gaat het dan niet om een ‘uitbreiding’ die voortborduurt op reeds aanwezige motieven, maar om iets dat volledig ‘vanden mijnen’ is! De vrijmoedige vertaaltrant van de 16de en 17de eeuw, waarmee wij in de vorige hoofdstukken al herhaaldelijk in aanraking gekomen zijn, leidt hier bij Syceram tot een onverwachte consequentie die echter tevens een hoogtepunt blijkt. Niet alleen in vrijmoedigheid, maar ook en vooral in de wijze waarop zij creatief werd benut.

Ad 4. De vermelding, aan het einde van een episode, van ‘sanck ende veers’ waarin de lezer het vervolg van de onderbroken historie kan vinden, is op zichzelf natuurlijk van weinig betekenis. Maar door de verwijzing naar een plaats in de ongepubliceerd gebleven tweede helft van de Orlando-vertaling beschikken wij, dank zij deze manier van doen, over een indicium voor het onderzoek naar de vraag wat er met die tweede helft aan de hand is geweest. In dat verband zullen wij straks dan ook nader op Syceram's vierde punt dienen terug te komen.

Ad 5. Het is niet zonder reden, dat de auteur meent zijn lezers te moeten voorbereiden op drukfouten. Zowel de tekst als de interpunctie wemelen ervan. In combinatie met de hierboven vermelde eigenaardigheden van Syceram's stijl en dichttrant, die de lectuur van zijn werk toch al moeilijk genoeg maken, leidt deze typographische onnauwkeurigheid meermalen tot onbegrijpelijkheden waarvoor praktisch geen oplossing te vinden is, omdat de lezer niet beschikt over een betrouwbaar uitgangspunt voor zijn interpretatie. Het is geen overdrijving, wanneer Van Eeghem constateert: ‘certains passages sont pour ainsi dire incompréhensibles sans le texte italien’.13

 

Het bovenstaande zou de indruk kunnen wekken, dat Syceram's vertaling in dichterlijk opzicht geen verdiensten heeft. Maar het tegendeel is het geval. Wie zich door de rhetoricale excessen en de typographische slordigheden niet laat afschrikken, ontdekt tot zijn verrassing dat de Brusselse juwelier werkelijk een dichter is geweest. Door alle duisterheid heen klinkt telkens een toon van echte poëzie op. In zijn beste ogenblikken is het de vertaler inderdaad gelukt iets van de meeslepende vaart en de lichtvoetige charme van Ariosto's verzen in de zijne over te brengen.

Ter illustratie, zowel van dit positieve aspect als van de gesignaleerde eigenaardig- en moeilijkheden, laat ik hier een klein fragment volgen uit canto xix. Om vergelijking met de oorspronkelijke tekst mogelijk te maken, geef ik eerst de stanza's van Ariosto, en daarna de corresponderende strofen van Syceram. Ik druk deze laatste diplomatisch af, zonder toelichtende noten of emendaties in de interpunctie, maar voeg er een interpreterende paraphrase aan toe, waarin ik - mede aan de hand van de Italiaanse tekst - getracht heb zo goed mogelijk de problemen op te lossen waarvoor de vertaling ons stelt.

De liefde van Medor en Angelica

Angelica heeft de laag-geboren, maar jonge en aantrekkelijke Medor gewond in het bos aangetroffen en hem naar de hut van een herder gebracht, waar hij dank zij haar goede zorgen genezing vindt. Uit hun omgang groeit

[p. 537]

een grote liefde, die de Prinses alle standsverschil doet vergeten: zij geeft zich aan Medor. Op dit punt begint het fragment, dat bij Ariosto luidt:

 
33.
 
Angelica a Medor la prima rosa
 
coglier lasciò, non ancor tocca inante:
 
né persona fu mai sì aventurosa,
 
ch'in quel giardin potesse por le piante.
 
Per adombrar, per onestar la cosa,
 
si celebrò con cerimonie sante
 
il matrimonio, ch'auspice ebbe Amore,
 
e pronuba la moglie del pastore.
 
 
 
34.
 
Fersi le nozze sotto all'umil tetto
 
le più solenni che vi potean farsi;
 
e più d'un mese poi stero a diletto
 
i duo tranquilli amanti a ricrearsi.
 
Più lunge non vedea del giovinetto
 
la donna, né di lui potea saziarsi;
 
né, per mai sempre pendergli dal collo,
 
il suo disir sentia di lui satollo.
 
 
 
35.
 
Se stava all'ombra o se del tetto usciva,
 
avea dì e notte il bel giovine a lato:
 
matino e sera or questa or quella riva
 
cercando andava, o qualche verde prato:
 
nel mezzo giorno un antro li copriva,
 
forse non men di quel commodo e grato,
 
ch'ebber, fuggendo l'acque, Enea e Dido
 
de' lor secreti testimonio fido.
 
 
 
36.
 
Fra piacer tanti, ovunque un arbor dritto
 
vedesse ombrare o fonte o rivo puro,
 
v'avea spillo o coltel subito fitto;
 
così, se v'era alcun sasso men duro:
 
et era fuori in mille luoghi scritto,
 
e così in casa in altritanti il muro,
 
Angelica e Medoro, in varii modi
 
legati insieme di diversi nodi.
 
 
 
37.
 
Poi che le parve aver fatto soggiorno
 
quivi più ch'a bastanza, fe' disegno
 
di fare in India del Catai ritorno,
 
e Medor coronar del suo bel regno.

Bij Siceram vinden wij dit als volgt terug:

 
33.
 
Angelica aen Medor de eerste roos
 
Plucken liet versch, ongehandelt, o stoute dante.
[p. 538]
 
Die aen weerdiger Ridders ontseyt met verachtelijcke proos
 
Ghy hadt (tot u schant) aen menighen kante.
 
Maer om wat te bedecken dees lichtveerdighe gloos
 
Dede wat ghelaets aen Hymineus den sante.
 
t'Houwelijck had voor getuygen den Godt der minnen stout
 
En Pronuba t'wijf der herderinnen out.
 
 
 
34.
 
Sy hielden de bruyloft onder t'leeghe dack,
 
t'Costelijckste dat sy brenghen kosten te weghe.
 
Meer dan een maent verleden sy met ghemack,
 
En bouden met nieu-lustkens Venus ghelege.
 
Wijder sy niet en sach als den ieuchdighen tack,
 
Van der minnen vrucht versaden en kost sy te deghe,
 
Al honck sy Medor aen den hals, vanden eenen morghen
 
Tot dat d'Aurora weder quam de sterren borghen.
 
 
 
35.
 
Bleef sy in de schaduwe, oft ginck sy te velt,
 
Nacht en dach den vreucht-stock had sy aen t'sijde.
 
Op een groen (t'savonts) dammeken sy de viskens telt,
 
Ontrent t'wout daer Philomele haer in sanck verblijde,
 
Setten sy hun in een groen hutte, niet te betalen met gelt,
 
Op den middach, als die deckte in voorleden tijde
 
Dido en Eneas vluchtende, soo ons den Poeeët briefde;
 
Eenighen getuyge van hun min en secreet liefde.
 
 
 
36.
 
Tusschen soo veel wulpsheyt vont hy inden dreef
 
Eenen ef-schorsigen boom, oft een fonteyne reene,
 
Deed hem prijsen, oft haer naelde aenkleef;
 
Oft vant hy aen de roitse eenen saechten steene.
 
Daer op in duysent plaetsen hy schreef;
 
In sijn herberg, op den muer, en inden wech gemeene,
 
Angelica en Medor paer, dat elck kost met sinnen micken
 
Verscheyden te gaer, gebonden met minnen stricken.
 
 
 
37.
 
Als deze nieuw gehoude docht, dat sy hay daer
 
Meer dan genoechsaem gedaen wandel, en woone:
 
Te trecken bedacht sy haers vaders Catay naer;
 
Om te begiften haren Medor van scepter en kroone.
 
(blz.477-478)
[33. Angelica liet Medor de eerste roos, fris en ongerept, plukken - de roos die gij, o lichtzinnige vrouw, menigmaal (wat nu tot de schande van uw mesalliance leidt) met smalende woorden ontzegd had aan edellieden die waardiger waren ze te ontvangen dan hij.14 Maar om deze lichtvaardigheid enigszins te verbloemen, kwam zij naar de uiterlijke vorm wat tegemoet aan Sint Hymenaeus [= gaf zij er de schijn van een officiële
[p. 539]
echtverbintenis aan]. Als getuigen bij het huwelijk fungeerden de liefdesgod Cupido en Pronuba, de oude herdersvrouw.15
34. Zij vierden onder het lage dak de bruiloft met zoveel praal als zij konden realiseren. Meer dan een maand brachten zij genoeglijk door, met ongekende genietingen de akker van Venus bearbeidend. Iets anders zag zij niet dan de jeugdige telg [= de jongeman]. Van de vrucht der liefde kon zij niet behoorlijk verzadigd raken, al hing zij aan Medor's hals van de ene morgen totdat Aurora opnieuw de sterren kwam verbergen [= van de ene morgen tot de volgende].
35. Of zij in de schaduw [= binnen de hut] bleef of naar buiten ging, nacht en dag had zij de bron van haar vreugde als een rapier16 aan haar zijde. 's Avonds telt zij op een groen dijkje de visjes [= kijkt zij vanaf een dijkje naar de visjes in het water]. 's Middags zetten zij zich, bij het bos waar de nachtegaal zingt, neer in een groene schuilplaats die de natuur voor hen heeft gemaakt17 - zoals die welke naar het getuigenis van de dichter [= Vergilius] eertijds aan Dido en Aeneas op hun vlucht [nl. voor het noodweer] bescherming bood: enige getuige van hun heimelijk liefdesspel.
36. Onder zoveel liefdesgenietingen door: als hij in de laan een boom vond met een gladde schors of een mooie fontein,18 dan deed dat hem proberen of een scherp voorwerp er vat op had [= of hij er met een scherpe punt in krassen kon]; of als hij in de rotswand een zachte steen vond, dan grifte hij op duizend plaatsen daarin; zodat ieder, op de muur van zijn tijdelijke woonplaats en langs de openbare weg, de namen van Angelica en Medor bijeen kon zien, telkens weer op een andere manier door liefdesstrikken met elkaar verbonden.19
37. Toen deze nieuw-gehuwden vonden dat zij daar ruimschoots lang genoeg hadden verkeerd en gewoond, besloot zij [= Angelica] naar Catay, het rijk van haar vader, te trekken om daar aan haar Medor scepter en kroon te geven.]

De beide citaten spreken voor zichzelf. Ik behoef er nog slechts de aandacht op te vestigen, dat in strofe 33 Syceram's tweede rijmklank overeenkomt met die op de corresponderende plaats bij Ariosto. Zo iets komt vaker voor. Soms is het een gevolg van het feit dat in de vertaling een regel eindigt met een

[p. 540]

eigennaam die in zijn Italiaanse vorm wordt overgenomen. Maar ook onafhankelijk daarvan conformeert Syceram zich wel eens aan het rijm van de oorspronkelijke tekst, zoals hier in de eerst-geciteerde strofe.

Het ingevoegde verhaal

De historie, die Syceram in zijn vertaling van de Orlando invlecht, is - anders dan zijn ‘vanden mijnen’ zou doen verwachten - géén eigen vinding van hem. De inhoud komt geheel overeen met die van het beroemde drama van Thomas Kyd: The Spanish Tragedie ... Containing the lamentable end of Don Horatio, and Belimperia; with the pittifull death of Hieronimo, waarvan de eerste druk in 1594 verscheen en dat in Engeland bijzonder populair was. Vandaar dat men zich heeft afgevraagd, of Syceram deze geschiedenis aan Kyd ontleend heeft. Beschikte hij over een Engelse tekst? Of heeft hij Kyd's tragedie leren kennen door een opvoering van Engelse tonelisten in Brussel ‘où, notamment en 1612, on signale le passage d'une troupe d'acteurs anglais’?20 In het kader van deze studie ligt het niet op mijn weg, een poging te doen dit probleem op te lossen. Ik volsta met te vermelden dat Van Eeghem geneigd is het Engelse drama nièt als de rechtstreekse bron van Syceram te beschouwen: ‘Syceram et Kyd auront vraisemblablement puisé, indépendamment l'un de l'autre, à une seule et même source’.21

Syceram begint met het vertellen van deze historie in Zang iii, ter vervanging van de geschiedenis van het Huis Este, die de toveres Melissa bij het graf van Merlijn vertoont aan Bradamante die er de stammoeder van zal zijn. De manier, waarop de Brusselse rederijker zijn inlas aan de stof uit de Orlando koppelt, is naar het voorbeeld van Ariosto gevolgd. Deze schakelt bij voorkeur een nieuwe historie in, door een persoon uit de laatst-verhaalde episode een toevallige ontmoeting te doen hebben met een figuur die nauw betrokken is of zal worden bij de gebeurtenissen uit het nieuwe verhaal. Syceram gaat op dezelfde wijze te werk. Hij laat de verrader Pinabel, die aan het einde van canto ii Bradamante in grote moeilijkheden heeft gebracht, in aanraking komen met ‘Een Ridder ont-schapen [= gestorven] vol dootlijcke wonden’ (st. 26, 4; blz. 49): de geest van Bel-Imperia's minnaar Don Andreas, die uit de onderwereld naar de aarde teruggezonden is om daar getuige te zijn van ‘een weerdighe wraak’ voor zijn ontijdige en gewelddadige dood. Helemaal overtuigend is deze koppeling niet; zij mist de natuurlijkheid waarmee Ariosto zijn verbindingen tot stand weet te brengen en de lezer voelt zich door de forcering ietwat gemanipuleerd. Als eenmaal de geest van Andreas geïntroduceerd is, laat Syceram overigens Pinabel snel verdwijnen en ontwikkelt de inlas zich verder buiten de gebeurtenissen uit de Orlando om. In de zangen 7, 10, 13, 14, 15, 19 en 21 vinden wij er telkens een episode van, en de reeks had in de tweede helft van de vertaling moeten worden voortgezet, want de historie is in de 21ste zang nog maar tot het begin van de climax gekomen.

Syceram is door dit droeve verhaal zeker niet minder gepakt dan door de Orlando. Hij vertelt het met verve en smaak, zózeer zelfs dat Van Eeghem het resultaat gelijkwaardig acht aan het drama van Kyd en soms zelfs beter. Hoe dit zij, in ieder geval staat vast dat de dichterlijke juwelier in zijn weergave van de historie van Bel-Imperia over het algemeen vlottere en minder-

[p. 541]

gecompliceerde verzen schrijft dan in zijn eigenlijke vertaling, waar hij rekening moet houden met de omvang en inhoud van elke afzonderlijke strofe. Het moet dan ook ernstig worden betreurd, dat wij niet over het tragische hoogtepunt en het concluderende slot van deze merkwaardige inlas beschikken.

Ongetwijfeld is Syceram ervan uitgegaan dat zijn toevoeging in het geheel van de Orlando goed paste, omdat zij een liefdeshistorie betreft en Ariosto's werk van liefdeshistories wemelt. Maar dan heeft hij zich op een belangrijk punt toch vergist. Toon en sfeer van wat ik gemakshalve nu maar The Spanish Tragedy noem, zijn volkomen anders dan die van de Orlando. Bij Ariosto leiden de liefdesverwikkelingen meermalen tot op zichzelf tragische gebeurtenissen - men denke slechts aan de razernij van Roeland uit gefrustreerde liefde voor Angelica, of aan de dood van Isabella -, maar dergelijke gebeurtenissen worden nooit als een serieuse tragedie uitgebeeld; steeds weer worden zij door de badinerende, ironiserende, speels-hyperbolische verteltrant gerelativeerd. De materie van The Spanish Tragedy daarentegen is wèl serieus bedoeld en Syceram geeft ze ook als zodanig weer. Het is een verhaal van moord en wraak en van ondergang voor alle betrokkenen, dat geheel buiten de sfeer van de Orlando valt en de lezer naar een andere wereld verplaatst dan die van de Paladijnen en hun Moorse tegenstanders. In zover heeft Syceram dus een fout gemaakt. Afgezien daarvan is zijn weergave van Bel-Imperia's liefdesgeschiedenis echter stellig een opmerkelijke prestatie.

Waarom slechts 23 zangen?

Zoals wij gezien hebben, wekken zowel het titelblad als het voorwerk van Il Divino Ariosto de verwachting, dat er een volledige vertaling van de Orlando aangeboden wordt. Eerst aan het slot van de 23ste Zang blijkt, dat dit niet het geval is. De dichter vraagt daar in een eigen - ditmaal 9-regelige - strofe zijn lezers om geduld te oefenen:

 
136.
 
 
 
Al voorbyter eenen sonne loop, edel heeren en vrouwen,
 
Eer met Orlandes heyl ick u kome te velt;
 
Hy is so uytsinnich en dul, dat ick hem vrees t'aenschouwen
 
En tot sijn opquick hoeft tijt, arbeyt, ende ghelt.
 
Dat van hem ghy hebt gelesen willet wel onthouwen:
 
Mijn lier sont ick naer Apollo dat hyse stelt,
 
Op dat d'ander deel met soeter toon u voortsbringen mocht.
 
Want die deysen wat deed dan voorder springen plocht
 
Dit spreeck ick tot die dit boecksken met weynich dinghen kocht.
 
(blz.623)
[Al gaat er een jaar voorbij, edele Heren en Vrouwen, eer ik u over de genezing van Orlando kom vertellen, [ verbaas u daarover niet, want] hij is zó krankzinnig en dol dat ik bang voor hem ben, en hij tijd, moeite en geld nodig heeft om weer te worden opgekweekt. Onthoud intussen goed wat gij over hem gelezen hebt; ik zond slechts mijn lier naar Apollo om ze bij te stellen [= zuiverder te stemmen], opdat ik u de rest op lieflijker toon zou kunnen vertellen. Want wie eerst wat achteruit loopt, pleegt dan verder te kunnen springen. Wat ik hier zeg, is [ter geruststelling?] bedoeld voor degenen die dit boekje voor een luttel bedrag hebben gekocht.]
[p. 542]

Het is niet zo eenvoudig, de inhoud van deze slotstrofe te verzoenen met de suggestie van volledigheid die er van titelblad en voorwerk uitgaat. Hier wordt immers juist de indruk gewekt, dat de vertaling nog nièt voltooid is. Er moet nog heel wat tijd, moeite en geld aan worden besteed: een jaar zal daar zeker wel mee gemoeid zijn.

Had Syceram méér beloofd dan hij achteraf waar kon maken? Maar uit de vermelding van de vele drukfouten blijkt, dat zijn voorwerk eerst nà of ònder het afdrukken van het boekje geschreven werd, zodat de auteur op dat moment geweten moet hebben waar hij aan toe was. Bovendien verwijst hij in de 21ste Zang voor het vervolg van de geschiedenis, die hij daar afbreekt, naar Zang 33, strofe 5 of 5.22 Als het om een episode uit de Orlando ging, zou men kunnen veronderstellen dat hij zich richtte naar de Italiaanse tekst; doordat hij strofe voor strofe vertaalde, zouden canto- en stanza-telling van Ariosto ook voor hem gelden - althans wanneer hij in de betrokken Zang niets wegliet of invoegde. Maar de verwijzing betreft juist niet een episode uit de Orlando; zij heeft betrekking op de ingelaste geschiedenis van Bel-Imperia! Als Syceram in de 21ste Zang zó precies kon opgeven, wáár twaalf zangen verder die geschiedenis werd voortgezet, moet men toch wel aannemen dat ook de 33ste Zang toen al geschreven was. En vandaar is het maar een kleine stap naar de veronderstelling dat de gehéle rest van de vertaling reeds op papier stond - zoals de dichter in zijn Woord-aan-den-lezer trouwens impliceert, wanneer hij zegt dat zonder de ellende van zijn processen: ‘God weet oft oyt dit vertael waer ten eynde gecomen’.

Het probleem wordt nog gecompliceerder, als wij er reg. 6-8 van de slotstrofe bij betrekken. Het stellen van de lier en vooral het reculer pour mieux sauter doen eerder denken aan een verbeterende herziening dan aan voltooiing van het werk. Maar waarom zou Syceram zulk een herziening voor de laatste 23 zangen ineens nodig gevonden hebben, terwijl de eerste 23 al waren afgedrukt?

Het spreekt vanzelf, dat er geen definitief antwoord mogelijk is. Op grond van de gegevens, waarover wij beschikken, zou ik echter de volgende hypothese willen wagen:

Toen met het zetten van Syceram's vertaling begonnen werd, was deze in manuscript geheel voltooid. Waarschijnlijk was het aanvankelijk de bedoeling, de volledige tekst in één deel te doen verschijnen. Er kwamen echter moeilijkheden met de uitgever David Mertens. De vermelding van ‘ghelt’ in de slotstrofe zou erop kunnen wijzen dat deze van financiële aard waren. Vond Mertens achteraf de omvang te groot of vielen de zetkosten tegen? Wilde hij daarom, alvorens met het zetten van het tweede deel te beginnen, eerst eens aanzien of het eerste deel voldoende aftrek vond? Hoe dit ook zij, in ieder geval werden de eerste 23 zangen als afzonderlijk boekje uitgegeven. Dat moet voor Syceram een teleurstelling zijn geweest. Hij rekende er echter vast op, dat ook de tweede helft van zijn vertaling binnenkort in druk zou verschijnen. Die tweede helft kon dan - zoals wel vaker gebeurde - bij de eerste worden bijgebonden, zodat er toch nog een volledige Nederlandse Orlando tot stand zou komen. Daarvan ging hij in goed vertrouwen uit, toen hij op 1 oktober 1615 zijn voorwerk schreef. Al wist hij dat zijn boekje slechts 23 zangen zou bevatten, toch schreef hij zijn Woorden-vooraf met het oog op de complete

[p. 543]

editie die zou ontstaan na toevoeging van de voorlopig nog ontbrekende tweede helft. Ook de tekst van het titelblad greep op die complete editie vooruit. - In de slotstrofe was de dichter echter gedwongen zo goed mogelijk bonne mine à mauvais jeu te maken. Hij stelde er de kopers van zijn boekje gerust: de rest zou binnen afzienbare tijd volgen. En van het uitstel zou hij gebruik maken om de tekst nog eens te herzien, zodat zijn lezers er uiteindelijk bij zouden winnen. De negende regel mag men misschien opvatten als een weerlegging-bij-voorbaat van het verwijt dat het boekje niet bracht wat het titelblad beloofde: de kopers hebben er dan ook maar weinig voor betaald; een complete uitgave zou uiteraard duurder hebben moeten zijn.

De beloofde tweede helft van de vertaling is er nooit gekomen. Met Van Eeghem meen ik, dat de dood van Syceram daarvan de oorzaak is geweest. Als hij was blijven leven, zou hij wel niet berust hebben in het onvoltooid-blijven van wat hij beschouwde als zijn magnum opus. Maar David Mertens vond dit blijkbaar niet belangrijk genoeg om het posthuum te doen verschijnen. Zakelijk gezien, zal hij daarin wel gelijk gehad hebben. De Orlando-vertaling van Syceram was te moeilijk voor het grote publiek om voor de uitgever een succes te kunnen zijn.

Conclusie

Everaert Syceram heeft met Il Divino Ariosto een opmerkelijke prestatie geleverd. Hij is de enige Nederlander, die ooit rechtstreeks naar het Italiaans en in verzen een vertaling van de Orlando furioso heeft gepubliceerd. Die vertaling is geen meesterwerk; daarvoor wordt zijn tekst op vele plaatsen te moeilijk verstaanbaar, om niet te zeggen onbegrijpelijk, door forcering van zinsconstructies, woordvormen en woordbetekenissen. In tegenstelling tot Coornhert slaagde Syceram er slechts af en toe in, de rederijkerstechniek tot bruikbaar instrument te maken voor zijn poëzie. Al te vaak is hij er meer de slaaf van dan de meester. Toch blijkt onmiskenbaar uit zijn vertaling, dat hij in alle beperktheid een echte dichter was. Achter zijn onduidelijk- en onhandigheden blijft voortdurend merkbaar, hoe gevoelig hij is voor het meesterschap en de charme van Ariosto's poëzie. En telkens weer verrast hij even door een gelukkige passage, waarin dan tevens de ritmiek van zijn vers - een van zijn sterkste punten - ten volle tot haar recht komt. Het méést dichter betoont hij zich misschien in de ingevoegde historie van Bel-Imperia; hij is daar niet gebonden aan de stanza van zijn voorbeeld en kan zich vrijer laten gaan. Het valt bijzonder te betreuren, zowel ter wille van die inlas als van de vertaling in het algemeen, dat de tweede helft van zijn werk onuitgegeven bleef en daardoor verloren is gegaan.

Syceram verdient in de geschiedenis van de Nederlandse letterkunde méér aandacht en waardering dan hem tot dusver ten deel zijn gevallen. Hij was slechts een minor poet, maar als zodanig heeft hij ongetwijfeld recht op erkenning. In de historie van de rederijkerij als waardige representant van haar nabloei in de 17de eeuw, in de historie van het epos als dichter-vertaler van de Orlando furioso.

§ 3. De ‘Orlando’-vertaling van J.J. Schipper

Vier-en-dertig jaar na de onvoltooid gebleven vers-vertaling van Syceram verscheen de Orlando furioso voor de eerste maal compléét in het Nederlands.

[p. 544]

Het zou ook de énige maal blijven. Noch als herdruk noch in een andere vertaling is er op deze eerste editie ooit een tweede gevolgd.

De bewuste vertaling is het werk van Jan Jacobsz. Schipper, en vormt tevens de eerste van de reeks epen, die naar het voorbeeld van Vondel's Aeneis-in-proza tussen 1646 en 1660 eveneens in proza werden overgebracht en gepubliceerd.23 Het titelblad ervan luidt:

De // Razende // Roelant. // In 't Italiaens gestelt // door // Louys Arioste, // En nu vertaelt // door // J.J. Schipper. // vignet // Tot Amsterdam. // By Ian Iacobsz Schipper, op de Prince- // Gracht. 1649.

Zoals het titelblad aangeeft, was de vertaler tevens de uitgever. Dat is in de 17de eeuw - en trouwens ook nog lang daarna - niets vreemds. Herhaaldelijk treffen wij boekverkopers aan, die persoonlijk aan de opbouw van hun fonds bijdroegen. Schipper deed dit door proza-vertalingen uit het Frans en door toneelbewerkingen op grond van die vertalingen. Zijn overzetting van de Orlando sluit daar goed bij aan. Anders namelijk dan het titelblad suggereert, vertaalde Schipper zijn Razende Roelant niet rechtstreeks uit het Italiaans, maar naar het Frans.24

Zijn uitgangspunt was de proza-vertaling van François de Rosset, waarvan de eerste uitgave in 1615 verscheen en die in 1625 en 1644 werd herdrukt. Hoewel het uiteraard niet uitgesloten is dat Schipper een van de oudere drukken heeft gebruikt, ben ik uitgegaan van de grotere waarschijnlijkheid dat hij de uitgave van 1644 vóór zich had. In zijn Opdracht, gedateerd op 1 oktober 1649, zegt hij twee jaar tevoren met vertalen begonnen te zijn, d.w.z. in de loop van 1647. Dat laat ruimschoots speling voor kennis-maken en vertrouwdraken met de Franse druk van 1644. Bovendien blijkt uit deze mededeling, dat Schipper zijn werk eerst ter hand genomen heeft na de verschijning van Vondel's Aeneis-in-proza. Mijn veronderstelling van verband tussen zijn vertaling en het voorbeeld van Vondel wint daardoor aan waarschijnlijkheid.

Het titelblad van de Franse uitgave, die naar alle waarschijnlijkheid Schipper's directe bron is geweest, vertoont een rijk versierd frontispice, waar nauwelijks plaats overblijft voor de tekst die hier en daar dan ook enigszins in de verdrukking gekomen is. Deze tekst luidt:

Le divin // Arioste // ov // Roland le Fvrievx // Traduict nouuellement en // françois par F. de Rosset. // Ensemble // La suitte de ceste histoire continuee // iusques à la mort du Paladin // Roland conforme à l'in= // tention de l'Autheur // Le tout enrichi de figures et dedié // A // La Grande Marie De // Medicis Reine de // France & de Nauar. // A Paris. // Chez Ant. de Sommaville, au Palais // dans la Salle des Merciers, à l'Escu de France. // Et // Chez Av. Covrbé, dans la mesme // Salle à la Palme.

[p. 545]

Voor het jaar van uitgave bleef geen plaats meer over. Men vindt dit daarom, ongebruikelijkerwijze, op de Franse titel tussen vierkante haken: m.dc.xliv.

Zoals uit het titelblad blijkt, heeft François de Rosset zich niet tevreden gesteld met het vertalen van de 46 zangen waaruit de Orlando furioso bestaat. Hij heeft daaraan het vervolg van Roeland's avonturen toegevoegd tot en met diens dood bij Roncesvalles, ‘overeenkomstig de bedoeling van de auteur’. Wat hij met dit laatste op het oog heeft, wordt duidelijk door wat de beste kenner van ‘la fortune de l'Arioste en France’, Al. Cioranescu, ons daaromtrent weet mee te delen:

Malgré ses dimensions, le poème de l'Arioste n'est pas terminé. Le poète voulait le continuer jusqu'à la bataille de Roncevaux et à la mort de Roland; mais ses amis lui firent observer que cela ferait une conclusion trop tragique, et il y renonça, finissant assez brusquement sur une conclusion imitée de celle de l'Enéide.25
Epigonen van Ariosto hebben zich uiteraard deze gelegenheid niet laten ontgaan om het werk van de meester te ‘voltooien’. In het Au Lecteur, dat hij aan zijn Suitte doet voorafgaan, fulmineert Rosset hevig tegen de versie van het vervolg, die in Frankrijk bekendheid had verkregen doordat Gabriël Chappuis ze aan zijn Orlando-vertaling van 1543 had toegevoegd. Rosset acht dit vervolg, dat hij aan Lodovico Dolce toeschrijft, vanwege tal van dwaze onnauwkeurigheden vertaling onwaardig, en doet het voorkomen alsof hij daarom zelf een geheel nieuwe Suitte heeft samengesteld. Cionarescu brengt deze aanmatiging tot redelijke proporties terug. In werkelijkheid geeft Rosset slechts een corrigerende bewerking van de door hem veroordeelde tekst, die overigens niet van Lodovico Dolce afkomstig is, maar van Pescatore. Wat hij doet, komt neer op:
mettre un peu plus d'ordre dans les fictions de Pescatore, qu'il imite de près, et les mettre mieux en accord avec les indications de l'Arioste. Son intention n'est donc pas d'ecrire un roman nouveau; s'il l'avait voulu, il n'aurait pas eu le temps de le faire, car il nous dit26 avoir composé cette suite dans l'espace d'un mois dans le cabinet du peintre Du Monstier.27

De Suitte, die aan de derde druk van Rosset's Ariosto-vertaling werd toegevoegd, vormt een boekje op zichzelf, met eigen titelblad28 en eigen foliëring, uitgegeven door dezelfde boekverkopers, maar met het jaartal 1643.

Cioranescu oordeelt in het algemeen gunstig over Rosset's vertaling. Hij vindt ze aanzienlijk beter dan die van zijn voorganger Chappuis. Uiteraard is Rosset's proza trager en minder meeslepend dan de poëzie van Ariosto,

[p. 546]

mais, du moins, il n'y a plus autant de fautes d'interprétation et d'erreurs grossières. Son style ne manque pas d'une certaine élégance.29

Jan Jacobsz. Schipper heeft de hierboven beschreven Franse editie integraal gevolgd. Wij vinden bij hem dus ook de Suitte terug, al wordt deze - anders dan bij Rosset - niet op het titelblad vermeld. Evenals in zijn bron vormt de vertaling daarvan een weliswaar bijgebonden, maar verder op zichzelf staand uitgaafje met eigen titel en afzonderlijke paginering. Het titelblad kondigt aan:

De // Bezadigde // Roelant. // door // Françoys van Rosset, // In 't // Frans gestelt, en nu vertaelt. // vignet // T'Amsterdam. // By I.I. Schipper.

Het verdient opmerking dat Schipper de Suitte, door deze niet aan te kondigen als een vervolg op Ariosto maar er een eigen titel aan te geven, grotere zelfstandigheid verleent. Bij hem wordt zij, in plaats van aanhangsel, een tegenhanger van de Orlando. Tegenover de razende Roeland van Ariosto staat de bezadigde (= tot rust en kalmte gekomen) Roeland van Rosset. Dat Schipper het inderdaad zo bedoelde, blijkt uit zijn Klinkdicht, Aen de Leesgierige Lezer, Iohannes Bouman, waarmee hij de laatste pagina (blz. 847) van zijn Ariosto-vertaling aan de verso-zijde vult. Eigenlijk staat het sonnet daar niet op de goede plaats; het had beter nà de vertaling van de Suitte afgedrukt kunnen worden, want Johannes Bouman wordt verondersteld ook die reeds onder ogen te hebben gehad. In de laatste terzine houdt Schipper hem voor:

 
Gy hebt hoe Roelant Raest, en weer Bezadigt; nu
 
Schort de Verliefde ons noch, verwacht die, zo deze u,
 
En andere smaakt als my, twijl ik blijf, uw verplichte,
 
I.I. Schipper.

Ondanks de erbarmelijke versificatie blijkt uit deze regels duidelijk, dat Schipper de geschiedenis van Roeland beschouwde als een soort drieluik, samengesteld door drie verschillende auteurs. Van deze triptiek had hij nu het middenpaneel (‘hoe Roelant Raest’: de Orlando furioso) en het tweede zijstuk (‘hoe Roelant Bezadigt’: de Suitte) in het Nederlands overgebracht. Er restte nog slechts het eerste zijstuk: de Orlando innamorato van Boiardo, die de voorgeschiedenis van Ariosto's romanzo bevat. Schipper had dus kennelijk het plan, ook Boiardo's werk voor Nederlandse lezers toegankelijk te maken. Daartoe is het echter niet gekomen, wellicht omdat de belangstelling voor zijn vertaling tegenviel.

Schipper nam ook het Au Lecteur, dat Rosset aan zijn Suitte deed voorafgaan, plichtsgetrouw over. Alleen gaf hij aan dit woord-vooraf - zoals hij ook gedaan had met het zo juist besproken Klinkdicht - een minder gelukkige plaats, namelijk àchter in plaats van vòòr De bezadigde Roelant. Verder liet hij daaruit de mededeling van Rosset weg, dat ‘dans vn mois elle [= de

[p. 547]

Suitte] a esté acheuée & imprimée’ en dat het ‘en partie’ in het kabinet van de schilder Du Monstier was ‘que i'ay composé cette suite dans si peu de iours’.

 

Twee opmerkingen dienen nog vooraf te gaan aan een onderzoek naar de wijze, waarop Schipper zich van zijn vertalerstaak gekweten heeft.

De eerste daarvan onderstreept opnieuw, dat de Suitte bij hem een grotere zelfstandigheid heeft gekregen dan zij bij Rosset had. De Fransman voegt ze weliswaar als afzonderlijk uitgaafje aan zijn vertaling van Ariosto toe, maar zonder aparte Opdracht. Daardoor wordt de indruk gewekt dat ook de Suitte betrokken moet worden bij de Opdracht van de voorafgaande vertaling. Uit de bewoordingen op het titelblad van die laatste blijkt trouwens, dat dit inderdaad de bedoeling is. Le tout (vertaling èn vervolg) wordt daar als een samenhangend geheel opgedragen aan de Franse koningin Maria de Médicis.30 - Schipper daarentegen accentueert de tweeheid van vertaling en vervolg door een Opdracht aan twee verschillende personen. De Razende Roelant wijdt hij toe aan Maria Spiegel, echtgenote van de Amsterdamse burgemeester Gerard Schaep, maar De Bezadigde Roelant aan de dichteres Sybilla van Griethuyzen, die toen met haar man - de apotheker Upke Harmen Wytzema - in Appingedam woonde en die hij daarom betitelt als ‘Ommelandse Muza’. - Anderzijds accentueert Schipper de parallellie tussen de beide panelen van zijn drieluik door ook in De Bezadigde Roelant de onderdelen ‘Zangen’ te noemen. Rosset had dit niet gedaan; bij hem heten de onderdelen van de Suitte - op grond van het feit dat zij geen vertaalde poëzie zijn, maar proza van zijn eigen hand - ‘aventures’ in plaats van ‘chants’.

Mijn tweede opmerking betreft de allegorische duiding. Rosset plaatst boven elke ‘chant’ en elke ‘aventure’ een Argument, waarin hij de inhoud niet alleen samenvat, maar die ook in allegorische zin interpreteert. Schipper neemt het zakelijke deel van deze Argumenten getrouw31 over, maar laat systematisch de zinnebeeldige uitleg vervallen. In tegenstelling tot Syceram32 hechtte hij daaraan blijkbaar geen waarde meer.

Ariosto, Rosset, Schipper

In de gegeven omstandigheden is het uiteraard niet mogelijk, de qualiteit van Schipper's vertaling te bepalen door ze te vergelijken met de tekst van Ariosto. Wij moeten uitgaan van wat Rosset daarvan gemaakt heeft.

In het algemeen is diens overzetting in het Frans zeker niet slecht. Ik kan mij zonder moeite verenigen met het gunstige oordeel van Cionarescu. Rosset geeft de tekst van Ariosto vrij nauwkeurig weer, al acht hij zich - overeenkomstig de opvattingen van zijn tijd - in geen enkel opzicht aan letterlijke vertaling gebonden. Waar hij dit voor het goed begrip van de lezer wenselijk acht, veroorlooft hij zich zonder aarzeling de invoeging van een kleine toelichting of een verduidelijkende omschrijving. Ook houdt hij ervan, speelse en

[p. 548]

alluderende uitdrukkingen te transponeren in nuchter proza dat niets aan de verbeeldingskracht van de lezer overlaat. - Zoals bij het werk van een dergelijke omvang nauwelijks te vermijden valt, kijkt of interpreteert hij wel eens verkeerd, wat dan een onjuiste of minder gelukkige vertaling tot gevolg heeft. Dergelijke vlekjes komen betrekkelijk veelvuldig voort, maar zijn nooit van ernstige aard; men leest er in de meeste gevallen vrijwel ongemerkt overheen. Er kan trouwens niet altijd met zekerheid worden vastgesteld, of Rosset zich inderdaad vergist heeft dan wel om de een of andere reden bewust van Ariosto is afgeweken. - Anders dan Vondel in zijn proza-vertaling van de Aeneis, bekommert de Fransman zich niet om de poëtische waarde van het origineel. Zijn aandacht is uitsluitend gericht op het overbrengen van de boeiende inhoud in een vorm, die zich gemakkelijk, prettig en probleemloos laat lezen. In feite herleidt hij zodoende het poëtische meesterwerk van Ariosto tot een soort avonturenroman. Maar het dichterschap van de oorspronkelijke auteur blijkt sterk genoeg om te bewerkstelligen dat het resultaat toch nog altijd een superieure avonturenroman is. Om daarvan overtuigd te raken, behoeft men slechts nà elkaar een vertaalde canto en een van de ‘aventures’ uit de Suitte te lezen. Hoewel de gebeurtenissen in deze laatste precies hetzelfde karakter hebben als die in de Orlando en er meermalen zelfs naar geïmiteerd zijn, staan zij toch niet op hetzelfde peil. Zij zijn vlakker, eentoniger, dorder. Indirect leveren zij daarmee het bewijs, dat er zelfs in Rosset's fantasieloze proza-vertaling toch nog altijd (via compositie en verteltrant) iets van Ariosto's verve en charme bewaard gebleven is.

Schipper gaat ten opzichte van Rosset op vrijwel dezelfde wijze te werk als deze ten aanzien van Ariosto. Ook hij vertaalt vrij nauwkeurig, maar binnen het kader van een betrekkelijke vrijheid; doordat in de Franse tekst de moeilijkheden van het Italiaans goeddeels zijn opgelost, behoeft hij echter minder te simplificeren dan Rosset en kan hij deze letterlijker volgen. Zijn kennis van het Frans is heel behoorlijk; het aantal foutjes en onnauwkeurigheden blijkt niet groter dan uit onvermijdelijke momenten van verslapte aandacht te verklaren valt. Bovendien schrijft Schipper een vlotte stijl, zodat de prettige leesbaarheid van Rosset's vertaling in de zijne behouden blijft. Ook bij hem kan het resultaat dan ook gequalificeerd worden als ‘superieure avonturenroman’.

Ik heb mij een ogenblik afgevraagd, of Schipper bij het vertalen van Rosset óók de Italiaanse tekst vóór zich had, en op grond daarvan hier en daar kleine oneffenheden heeft gladgestreken. Het komt namelijk meer dan eens voor, dat zijn vertaling beter weergeeft wat er bij Ariosto staat dan die van Rosset. Bij nader toezien blijkt echter, dat deze verbeteringen steeds kunnen worden verklaard uit de werking van zijn gezond verstand. Als er bij Rosset een onnauwkeurigheid voorkomt, die in de context een storend effect heeft, ligt het bij Schipper's manier van vertalen voor de hand dat hij door een kleine verandering het logisch verband herstelt of versterkt. Daarvoor was een vergelijking met het origineel niet nodig. Ik ben dan ook tot de slotsom gekomen, dat Schipper de tekst van Rosset niet aan het Italiaans heeft getoetst.33 Als een sterke aanwijzing voor de juistheid van deze conclusie beschouw ik het feit dat hij op een plaats, waar Rosset - waarschijnlijk uit onachtzaamheid - een

[p. 549]

stanza heeft overgeslagen, deze omissie niet heeft hersteld, hoewel het verhaal daardoor even ‘hokt’. Deze indicatie wint nog aan betekenis, doordat Schipper in de onmiddellijke context een paar maal Rosset verbetert op een wijze die zijn vertaling dichter bij het origineel brengt. Het valt moeilijk aan te nemen, dat hij dit op grond van de Italiaanse tekst zou hebben gedaan zònder tevens de overgeslagen strofe weer in te voegen. Daar komt dan nog bij, dat in diezelfde context een aperte vertaalfout van Rosset - maar een fout die op zichzelf niet zinstorend werkt en dus alleen door tekstvergelijking kan worden ontdekt - zonder meer door Schipper gehandhaafd wordt.34

 

Om dit alles duidelijker te doen uitkomen, illustreer ik het aan een fragment uit de Orlando furioso, dat ik achtereenvolgens citeer naar de tekst van Ariosto, in de vertaling van Rosset en in die van Schipper. Ik koos daarvoor de beroemde beschrijving van Roeland's razernij en de aanval die de boeren op hem doen ter bescherming van hun vee. Die keuze werd bepaald door de omstandigheid dat in dit fragment de kwestie van de overgeslagen strofe zich voordoet, waarover ik zo juist gesproken heb. Voor het overige had ik echter even goed een andere episode kunnen kiezen. Uit een aantal steekproeven is mij gebleken dat de vertaal-eigenaardigheden, waarop ik de aandacht wil vestigen, vrijwel overal op nagenoeg dezelfde manier en in dezelfde dosering voorkomen.

Roeland's razernij bij Ariosto

Aan het slot van Canto xxiii is verteld, hoe Roeland tot waanzin vervalt bij de ontdekking dat Angelica, aan wie hij zijn hart verloren heeft, aan Medor de voorkeur gegeven heeft boven hem en diens liefde beantwoordt. Het volgende fragment - Canto xxiv, stanza 4 t/m 14 - sluit daar direct bij aan.35

 
4.
 
Signor, ne l'altro canto io vi dicea
 
che 'l forsennato e furioso Orlando
 
trattesi l'arme e sparse al campo avea,
 
squarciati i panni, via gittato il brando,
 
svelte le piante, e risonar facea
 
i cavi sassi e l'alte selve; quando
 
alcun' pastori al suon trasse in quel lato
 
lor stella, o qualche lor grave peccato.
 
 
 
5.
 
Viste del pazzo l'incredibil prove
 
poi più d'appresso e la possanza estrema,
 
si voltan per fuggir, ma non sanno ove,
 
sì come avviene in subitana tema.
 
Il pazzo dietro lor ratto si muove:
 
uno ne piglia, e del capo lo scema
 
con la facilità che torria alcuno
 
da l'arbor pome, o vago fior dal pruno.
 
 
 
6.
 
Per una gamba il grave tronco prese,
[p. 550]
 
e quello usò per mazza adosso al resto:
 
in terra un paio addormentato stese,
 
ch'al novissimo dì forse fia desto.
 
Gli altri sgombraro subito il paese,
 
ch'ebbono il piede e il buono aviso presto.
 
Non saria stato il pazzo al seguir lento,
 
se non ch'era già volto al loro armento.
 
 
 
7.
 
Gli agricultori, accorti agli altru' esempli,
 
lascian nei campi aratri e marre e falci:
 
chi monta su le case e chi sui templi
 
(poi che non son sicuri olmi né salci),
 
onde l'orrenda furia si contempli,
 
ch'a pugni, ad urti, a morsi, a graffi, a calci,
 
cavalli e buoi rompe, fraccassa e strugge;
 
e ben è corridor chi da lui fugge.
 
 
 
8.
 
Già potreste sentir come ribombe
 
l'alto rumor ne le propinque ville
 
d'urli e di corni, rusticane trombe,
 
e più spesso che d'altro, il suon di squille;
 
e con spuntoni et archi e spiedi e frombe
 
veder dai monti sdrucciolarne mille,
 
et altritanti andar da basso ad alto,
 
per fare al pazzo un villanesco assalto.
 
 
 
9.
 
Qual venir suol nel salso lito l'onda
 
mossa da l'austro ch'a principio scherza,
 
che maggior de la prima è la seconda,
 
e con più forza poi segue la terza,
 
et ogni volta più l'umore abonda,
 
e ne l'arena più stende la sferza;
 
tal contra Orlando l'empia turba cresce,
 
che giù da balze scende e di valli esce.
 
 
 
10.
 
Fece morir diece persone e diece,
 
che senza ordine alcun gli andaro in mano:
 
e questo chiaro esperimento fece
 
ch'era assai più sicur starne lontano.
 
Trar sangue da quel corpo a nessun lece,
 
che lo fere e percuote il ferro invano.
 
Al conte il re del ciel tal grazia diede,
 
per porlo a guardia di sua santa fede.
 
 
 
11.
 
Era a periglio di morire Orlando,
 
se fosse di morir stato capace.
 
Potea imparar ch'era a gittare il brando,
 
e poi voler senz' arme essere audace.
 
La turba già s'andava ritirando,
 
vedendo ogni suo colpo uscir fallace.
 
Orlando, poi che più nessun l'attende,
 
verso un borgo di case il camin prende.
[p. 551]
 
12.
 
Dentro non vi trovò piccol né grande,
 
che 'l borgo ognun per tema avea lasciato.
 
V'erano in copia povere vivande,
 
convenienti a un pastorale stato.
 
Senza il pane discerner da le giande,
 
dal digiuno e da l'impeto cacciato,
 
le mani e il dente lasciò andar di botto
 
in quel che trovò prima, o crudo o cotto.
 
 
 
13.
 
E quindi errando per tutto il paese,
 
dava la caccia e agli uomini e alle fere;
 
e scorrendo pei boschi talor prese
 
i capri isnelli e le damme leggiere.
 
Spesso con orsi e con cingiai contese,
 
e con man nude li pose a giacere;
 
e di lor carne con tutta la spoglia
 
più volte il ventre empì con fiera voglia.
 
 
 
14.
 
Di qua, di là, di su, di giù discorre
 
per tutta Francia; e un giorno a un ponte arriva,
 
sotto cui largo e pieno d'acque corre
 
un fiume d'alta e di scoscesa riva.
 
Edificato accanto avea una torre
 
che d'ogn' intorno e di lontan scopriva.
 
Quel che fe' quivi, avete altrove a udire;
 
che di Zerbin mi convien prima dire.

Roeland's razernij bij Rosset

In de vertaling van Rosset vinden wij deze episode als volgt terug (editie 1644, fol. 216 ro t/m vo):

 

Ie vous racontois au Chant precedent que le furieux Comte d'Angers se despoüilla de ses armes, en sema la campagne, deschira ses habits, & ietta à terre son espee. Desia il arraçhoit les arbres, & du bruict qui en procedoit il faisoit resonner les cauernes des rochers, & les costaux ombreux,5lors que quelque estoille de mauuaise influence, ou plustost quelque grand peché y attira certains Bergers. Si tost qu'ils virent l'incroyable force du furieux, & qu'ils se furent approchez de luy, pour mieux la contempler, ils voulurent prendre la fuitte: mais ils ne sceurent quel chemin prendre, comme il arriue en vne soudaine frayeur. Le fol10court legerement apres. Il en prend vn, & luy arrache la teste aussi facilement qu'on arrache vne pomme de l'arbre, ou la fleur d'vn prunier. Apres il prend par vne iambe le corps pesant, & s'en sert de masse pour assommer le reste. Du premier coup qu'il en donna il en fit dormir deux iusques au iour du iugement. Les autres qui eurent plus d'esprit, gagnerent15soudain au pied. Le furieux n'auroit point esté lent à les suiure, s'il n'eust rencontré le bestail, sur lequel il se rua. Les laboureurs s'estans rendus sages aux dépens d'autruy, abandonnerent soudain la campagne, la charruë, le soc, & la faucille. Les vns montent sur les couuertures des maisons, & les autres sur celles des temples, puis que les chesnes, ny les ormes ne20sont pas asseurez. De là ils contemplent l'horrible furie, qui à coups de

[p. 552]

poing, auec des secousses, à belles dents, & à belles ongles, & à coups de pieds, froisse, fracasse, & assomme les cheuaux, & les boeufs. Croyez que celuy a de fort bonnes jambes qui en peut eschapper. Cependant les25villages prochains retentissent tous d'vn grand bruit, & d'vne haute humeur. On n'entend par tout que des hurlemens, des sons de cor, & de trompettes rustiques: mais les cloches en font bien ouïr dauantage. On voit à mesme temps descendre des montagnes voisines mille Paysans, les vns auec des fourches, ou auec des arcs, & les autres auec des bastons30ferrez, ou auec des sondes. Il en vient autant des campagnes, & tous pour assaillir à la villageoise ce Furieux. [Hier ontbreekt stanza 9] II en fit mourir de premier abord vne vingtaine, qui luy tomberent confusément entre les mains. Cela apprit aux autres que le plus seur estoit de s'en esloigner. Il n'est loisible à pas vn d'eux de luy tirer du sang. C'est en vain35que le fer le frappe & l'atteint. Le Monarque du Ciel a departy vne telle faueur au Comte, pour s'en seruir à la deffense de son Eglise. Aussi il n'y a point de doute que Roland ne fust mort à l'heure, s'il eust été capable de mourir. Il eut alors appris la folie que c'est d'abandonner son espee & de faire le courageux sans estre armé. La tourbe voyant que tous ses coups40estoient ruez en vain, prit la fuitte, & quand Roland apperceut que nul n'auoit plus le courage de l'attendre, il prit son chemin vers vn bourg. Il n'y treuua dedans ame viuante. Tout le monde en auoit deslogé de frayeur. Il y auoit à foison des viandes grossieres, conuenables à la condition des Laboureurs. Luy sans faire difference du pain, & du gland,45tout affamé du long jeusne, & porté de sa rage mit la main, & la dent sur ce qu'il treuua premierement, sans regarder s'il estoit ou crud ou cuit. De là il s'en alla courant & rauageant tout le pays, & donnant la chasse aux hommes, & aux bestes. Quelquesfois il entroit dans la forest, & prenoit à la course les Dains legers, & les biches qui vont si viste. Bien50souuent il assailloit les Ours, & les Sangliers, & ainsi nud qu'il estoit les depeçoit, & apres de leur chair se remplissoit le ventre, voire de leur peau. Quand il eut trauersé presque toute la France, il arriua vn iour à vn pont, sous lequel court vne belle & large riuiere. A l'vn des bouts de ce pont il y auoit vne tour, par où l'on descouuroit de loing tout à l'entour55ceux qui venoient. Ie vous diray vne autresfois ce qu' il y fit. Il faut que ie parle premierement de Zerbin.

 

Bij vergelijking met de oorspronkelijke tekst blijkt dadelijk, hoe Rosset door kleine veranderingen, toevoegingen, omschrijvingen e.d. wat meer geleidelijkheid en duidelijkheid in het verloop van het verhaal heeft willen brengen. Vooral bij de verbinding tussen twee opeenvolgende zinnen is hij erop uit, het staccato van Ariosto om te zetten in een ligato. In het algemeen is hij daarin wel geslaagd; zijn weergave van Roeland's avontuur laat zich vlot lezen en gemakkelijk begrijpen. Toch komen er een drietal minder gelukkige plaatsen in voor. In reg. 25-26 vertaalt hij de eerste twee regels van Ariosto's achtste stanze op zijn minst wat vreemd door de toevoeging van ‘vne haute humeur’ aan ‘vn grand bruit’. Heeft hij wellicht rumor gelezen als umor? Of is humeur een drukfout voor rumeur? - In reg. 43 geeft hij Ariosto's vivande (st. 12, reg. 3) weer met viandes in plaats van vivres; ook dit zou een gevolg kunnen zijn van verkeerd lezen. - Ernstiger is de fout in reg. 50; con man nude (st. 13, reg. 6) kan onmogelijk geïnterpreteerd worden als ‘ainsi nud qu'il es-

[p. 553]

toit’. - Verder is de negende stanze onvertaald gebleven. Misschien vond Rosset de daarin vervatte Homerische vergelijking een storende onderbreking van het verhaal en het hij ze daarom opzettelijk weg. Daar staat evenwel tegenover, dat de laatste twee regels van de strofe wel degelijk een nieuw element aan de situatie toevoegen: het eindeloze aantal boeren, dat van de bergen en uit de dalen op Roeland aanzwermt. Het ontbreken van dit detail in de Franse tekst leidt niet tot onduidelijkheid, maar veroorzaakt wèl een vrij bruuske overgang tussen de beide zinnen die daar nu op elkaar volgen. Dat valt des te meer op, omdat Rosset elders dergelijke overgangen juist vermijdt en zorg draagt voor een soepel ligato van zin tot zin.

Roeland's razernij bij Schipper

Bij Schipper vinden wij op blz. 408-409 het bovenstaande Frans van Rosset ‘verduytscht’ terug:

 

Ik verhaelde u in de vorige Zang, dat de Razende Grave van Angiers zijn wapenen [= delen van zijn wapenrusting] uyt-toog, de weg daer mee bezaeyde, zijn klederen scheurde, en zijn zwaert ter aerde wierp. Hy trok nu bomen uyt, en 't gerucht dat'er uyt ontstont, dee de holten der rotsen,5en beschaduwde heuvelen wedergalmen, zo'er 't noodlot, of eer enige grote zonde daer zekere Herders toog. Zoo dra als zy d'ongelovelijke kracht van de Razende zagen, en dat zy hem naderde [sic] om hem te beter te bezien, wilden zy de vlucht nemen: maer zy wisten niet wat weg, dat zy nemen wilden, gelijk in een schielijke schrik gebeurt. De Zot liep10luchtig na. Hy nam'er een en trok hem 't hooft zoo licht af, als men een appel van een boom plukt, of een bloeysel van een Pruym-boom. Daerna nam hy een zwaer lichaem by 't eene been, en gebruykte 't voor een knods, om d'overige te verbrijzelen. Met d'eerste slag, die hy sloeg, dee hy'er twee tot de dag des Oordeels slapen. D'andere, die wijzer waren,15ontliepen 't terstont. De Razende zou niet traeg geweest zijn, om hen te volgen, zoo hy 't Vee niet ontmoet had, daer hy op aen viel. De Boeren tot een anders schade wijzer geworden, verlieten de Kar, de Ploeg, en Seyssen. Zommige klommen op de daken der huyzen, en andere op die der Kercken, om dat zy op Eyken en Olmbomen niet verzekert waren.20Van daer zagen zy de schrikkelijke razerny, die met vuyst-slagen, stoten, tanden, nagelen, en voeten, Paerden, en Ossen kneusde, verscheurde, en verpletterde. Geloof, dat die, die hem ontlopen kon, goede benen had. De naeste Dorpen klonken ondertusschen, van 't groot gerucht. Men hoorde overal niet dan huylen, en geluyt van Hoornen en Trompetten; maer de25klokken lieten haer best horen. Men zag ter zelver tijt duyzent Boeren van de byliggende bergen komen: d'een met vorken, of met bogen, en d'andere met beslage stokken, of vlegels. Zoo veel quamen'er ook uyt de velden, en alle om deze Razerny by 't Dorp te bespringen. [Hier ontbreekt stanza 9] Hy doden'er in 't aenkomen twintig, die hem overhoop in de handen30vielen. Dat leerde d'anderen, dat het wechwijken zekerst was. Geen van alle kon hem bloed laten. 't Was vergeefs datmen met het yzer sloeg of raekte. De Monarg des Hemels had de Grave dit toegedeelt, om hem tot de bescherming van zijn Kerk te gebruyken. Buyten twijffel zou Roelant toen gestorven hebben, zoo hy had konnen sterven. Hy zou toen geleert35hebben, wat zotheyt dat het is, zijn zwaert te verlaten, en ongewapent

[p. 554]

de moedige te spelen. 't Gespuys alle slagen vergeefs ziende, nam de vlucht; en toen Roelant zag, dat hem niemant meer verbeyden durfde, nam hy zijn weg naer 't Dorp. Hy vont daer niet een levende ziel in. Al de werelt was uyt vervaertheyt verhuyst. Hy vond daer veel grove Boere40kost; dies hy, door lang vasten verhongert, met hant en tant nam, wat hy eerst vont, zonder te letten, of 't raau, of gekookt was. Hy liep van daer, en schuymde 't gantsche lant, verjoeg menschen en beesten. Zomtijts liep hy in 't bosch, en ving in zijn loop Dassen, en Hinden, die zo snel lopen. Dikwils besprong hy Beeren, en wilde Zwijnen; en zoo45naekt als hy was, vernielde hy'er, en vulde daerna de buyk met haer vleesch, ja ook met haer vel. Hy, gants Vrankrijk byna doorlopen hebbende, quam daerna by een brug, daer een schone en brede Revier onder door liep. Aen 't eene end van deze brug stont een Tooren, waer van men van verre daer ontrent al die'er aenquamen, vernemen kon. Ik zal u op50een andermael zeggen, wat hy daer dee. Ik moet nu van Zerbijn spreken.

 

Reeds uit de eerste zinnen blijkt, dat Schipper zich zo nauwkeurig mogelijk aan de tekst van Rosset houdt. Helemaal feilloos is zijn vertaling niet. Zo zou het in reg. 2 niet de weg moeten zijn, die Roeland met de delen van zijn wapenrusting bezaait, en is in reg. 12 het onbepaalde lidwoord een positieve fout, omdat daardoor onduidelijk wordt dat het om het lichaam gaat van de boer, wie Roeland zo juist het hoofd afgetrokken heeft. In reg. 28 geeft Schipper blijk à la villageoise (Rosset, reg. 31) niet te hebben begrepen; in reg. 42 is verjoeg geen juiste vertaling van donnant la chasse à (Rosset, reg. 47). De andere onnauwkeurigheden36 zijn minder storend; de weergave - of is het een bewuste vervanging? - van sondes (Rosset, reg. 30) door vlegels in reg. 27 voldoet in de context zelfs uitstekend. De hierboven gesignaleerde haute humeur van Rosset (reg. 25-26) laat Schipper terecht vervallen; met zijn ‘De naeste Dorpen klonken ondertusschen, van 't groot gerucht’ (reg. 22-23) geeft hij de tekst van Ariosto (st. 8, reg. 1-2) beter weer dan zijn Franse voorbeeld. Datzelfde is ook het geval in reg. 39-40, waar hij Rosset's viandes grossieres (reg. 43) vertaalt met grove Boere kost, wat het blijkens de context inderdaad moet zijn. Daarentegen neemt hij Rosset's foutieve vertaling van con man nude als ainsi nud qu'il estoit onveranderd over (reg. 44-45), terwijl hij geen enkele poging doet het wegvallen van de negende stanze te corrigeren. De conformiteit aan Rosset op deze beide punten maakt het m.i. praktisch zeker, dat Schipper géén Italiaanse tekst heeft geraadpleegd.

Conclusie

Beoordeeld naar wat het in werkelijkheid is - de overzetting van een Franse proza-vertaling - mag het werk van Schipper van redelijke qualiteit worden genoemd. Degenen, die geen Italiaans kenden en het Frans niet vol-

[p. 555]

doende beheersten om de Orlando in de vertaling van Rosset te lezen, konden dat voortaan in het Nederlands doen. Weliswaar kan men Rosset-in-het-Nederlands allerminst gelijk stellen aan Ariosto-in-het Nederlands. Maar waarom zou ook hier een half ei niet beter zijn dan een lege dop?

§ 4. Olivier van den Tempel: ‘Tassoos vierde gezangh’

Evenals die van de Orlando werd ook de proza-vertaling van de Gerusalemme voorafgegaan door een (gedeeltelijke) bewerking in verzen. Ditmaal is de voorloper echter van veel minder importantie. Anders dan Syceram heeft Olivier van den Tempel nooit de bedoeling gehad het gehele epos van zijn keuze in Nederlandse verzen over te brengen. Zijn aspiraties reikten niet verder dan één enkel canto: het vierde. Er zou voor mij dan ook geen aanleiding zijn op deze vertaling van een fragment uit de Gerusalemme in te gaan, wanneer zij niet om twee redenen enige aandacht verdiende. Van den Tempel leverde namelijk de eerste en tevens de énige vers-vertaling van een volledig canto uit Tasso's epos, die in de 17de eeuw het licht heeft gezien. En bovendien introduceerde hij daarmee in onze letterkunde het motief van de Helleraad, dat in de Nederlandse epiek zulk een vruchtbare ontwikkeling zou hebben.

Het bewuste boekje verscheen in 1644 onder de titel:

Torquato Tassoos: // Vierde Gezangh. // van // Iervsalems // Verlossinge. // Uyt d'Italiaensche in Neederduytschen Rijm na-gebootsts. // door // O.V. Tempel. // Waer in der Vrouwen listigheydt door haere vleyeryen // wert afgebeelt. // vignet // t'Amsterdam, // Voor Joost Hartgerts, Boeckverkooper inde Gasthuys-steegh, inde // Boeck-winckel. 1644.

Omtrent de dichter is nauwelijks iets bekend. Dat wij O.V. Tempel inderdaad moeten lezen als O(livier) V(anden) T(empel), blijkt uit het anagram waarmee hij zijn werk besluit: Min liep, ten droeve val. Gezien het feit dat hij een gedicht schreef bij de dood van Camphuysen in 1627, moet hij van middelbare leeftijd zijn geweest, toen hij zijn Tasso-vertaling uitgaf. Of hij die misschien al eerder geschreven had, valt niet na te gaan. Helemaal uitgesloten is dit niet, want de uitgave was bedoeld als afscheidsgeschenk en Van den Tempel zou daarvoor gebruik gemaakt kunnen hebben van een pennevrucht die hij toevallig in portefeuille had. Waarschijnlijker lijkt mij evenwel, dat vertaling en uitgave als ‘gelegenheidswerk’ bij elkaar behoren. De dichter wilde er, blijkens de Opdracht, zijn vriend Symon Dylman mee eren, toen deze zich terugtrok als medicus ordinarius ‘der Steede Beeverwyck’ om zich in Amsterdam te gaan vestigen:

 
Neem vry Armide mee, laet zy u gaen geleyden,
 
Zy zoeckt togh avontuur: en waer gebeurter yet,
 
Dat mee niet t'Amsterdam niet diergelyck geschiet?

Uit dit citaat blijkt, dat Armida voor Van den Tempel de figuur is, om wie het in het vierde canto gaat. Op zichzelf is dat ook wel juist, al doet hij daarbij aan Tasso tekort door de achtergrond te verwaarlozen waartegen deze haar optreden plaatst. In Gerusalemme iv verontrust de duivel zich namelijk over het snelle oprukken van het leger der Christenen naar Jeruzalem en hun voorbereidingen voor het beleg van de stad. Hij roept de Helleraad bijeen, om zijn onderhorigen op het hart te binden alles te doen wat zij kunnen om God-

[p. 556]

fried's toeleg te dwarsbomen. De machinaties van Armida zijn een direct gevolg van deze opdracht. Zij is een nicht van de machtige tovenaar Idraote, koning van Damascus, en zelf nauwelijks minder in de magie bedreven dan hij; bovendien is zij van een onweerstaanbare schoonheid. Idraote zendt haar naar het legerkamp van de Christenen om daar door haar schoonheid en verleidingskunsten zoveel mogelijk onrust, tweedracht en jaloesie te veroorzaken. Als het kan, moet zij Godfried zelf in haar netten zien te verstrikken. Dat laatste lukt haar niet; de uitverkoren Godsheld is onvatbaar voor de bekoringen van het kwaad. Maar bij diens ridders heeft Armida meer succes. Het canto eindigt met een uitvoerige beschrijving van de listige huichelarij, waarmee zij erin s