Tussen 1650 en 1670 valt er een ongekende hausse in Vergilius-vertalingen waar te nemen, die in de allereerste plaats de Aeneis betreft. De Bucolica volgen met grote achterstand, en de Georgica ontbreken - afgezien van Vondel's vers-vertaling van de volledige Vergilius uit 1660 - zelfs geheel.
Die hausse is des te opmerkelijker, omdat er in de eerste helft van de 17de eeuw geen enkele Nederlandse vertaling van de Aeneis was verschenen, voordat Vondel in 1646 met zijn overzetting in proza die stilte doorbrak. Maar dan keert opeens het getij. In de jaren '50 verschijnen er vijf vers-vertalingen van afzonderlijke boeken. Aan het begin van het zesde decennium komen er niet minder dan vier vollèdige Aeneis-vertalingen van de pers, zij het dat één daarvan onvoltooid bleef, naar alle waarschijnlijkheid door het ontijdig overlijden van de auteur. In de daarop volgende jaren worden er opnieuw een aantal afzonderlijke boeken in dichtvorm overgebracht. Maar dan blijkt in 1670 de hausse even plotseling voorbij als zij was opgekomen. Eerst in 1747 wordt de Aeneis opnieuw in het Nederlands vertaald: door de Antwerpenaar Franciscus Cockelet, en in proza.
De reeks publicaties uit deze hausse-periode wordt ingezet door Matthijs van de Merwede, Heer van Clootwijck, die in 1651 Het Vierde Boeck van d'Eneis van Virgilius toevoegde aan de erotische verzen van zijn bundel Uyt-heemsen Oorlog, ofte Roomse Min-triomfen. Een jaar later volgt de Antwerpenaar Gerard van Delft met zijn Oorsaeck, beghin en eynde van het thien-jarigh belegh, ende destructie van Troyen, naar het eerste en tweede boek van de Aeneis. In 1655 geeft Vondel, onder de titel Ondergang van Troje, ‘Vergilius tweede boeck van Eneas, in Nederduitsch gedicht’ uit, en doet Jacob Westerbaen hetzelfde met het vierde boek, dat hij De verliefde Dido noemt. Een anoniem dichter sluit de vers-vertalingen van afzonderlijke boeken uit de vijftiger jaren in 1656 af met Eneas Hellevaert, naar boek vi.
Binnen vier jaar, van 1660 tot 1663, zien wij dan vier volledige vers-vertalingen van de Aeneis snel op elkaar volgen: in 1660 die van Vondel, in 1662 die van Jacob Westerbaen en de onvoltooide van de Zuid-Nederlander Roeland van Engelen, in 1663 die van Dirck Doncker. Daarna geeft Bernard vanden Bergh omstreeks 1665 onder de titel Nederlaegh van Turnus nog een vers-vertaling van boek xii in het licht, terwijl rondom 1669 Christoffel Pierson het tweede en zesde boek in Nederlandse verzen overbrengt, gevolgd door een tweede bundel met de boeken viii en xii.1
Het zou niet juist zijn, de beschreven hausse uitsluitend te beschouwen als opgeroepen door Vondel's Aeneis-in-proza van 1646. Ongetwijfeld heeft deze
vertaling bijzonder stimulerend gewerkt en is er - zoals wij straks zullen zien - op allerlei manieren invloed van uitgegaan. Maar onder de genoemde publikaties zijn er ook enkele, die geheel buiten de invloedssfeer van Vondel hun beslag hebben gekregen. Van de Merwede's vertaling van het vierde boek werd al in 1643 geschreven, acht jaar voordat zij in de Roomse Min-triomfen verscheen. Gerard van Delft hoorde pas iets over het bestaan van Vondel's proza-vertaling, toen zijn eigen boekje op het punt van verschijnen stond.2 Niet àlle vermeerderde belangstelling voor de Aeneis mag dus aan Vondel's toedoen worden toegeschreven; ook buiten hem om was het getij aan het keren.
Het ligt niet in mijn bedoeling, al de opgesomde publikaties te gaan bespreken. Overeenkomstig de opzet van deze studie beperk ik mij tot de volledige of - zoals die van Roeland van Engelen - als volledig opgezette vertalingen. Fragmentarische overzettingen laat ik in principe buiten beschouwing; slechts als daartoe aanleiding bestaat, betrek ik ze in mijn onderzoek. In het onderhavige geval betekent dit, dat in het nu volgende hoofdstuk aan de orde zullen komen: de vertaling van boek iv door Matthijs van de Merwede; de volledige Aeneis van Westerbaen, met De verliefde Dido als voorloper en onderdeel daarvan; de onvoltooid gebleven vertaling van Roeland van Engelen; en tenslotte de overzetting van Dirck Doncker.3
Toen Matthijs van de Merwede zijn Uyt-heemsen Oorlog, ofte Roomse Mintriomfen (in 1651 te 's-Gravenhage verschenen) voor de druk gereed maakte, voegde hij aan de erotische gedichten waarop zijn titel doelt, onder meer toe: Het vierde Boeck van d'Eneis van Virgilivs. In Neder-duyts Rijm gestelt door m.v.m.v.cl.4 In 't Jaer 1643. Met de nadrukkelijke vermelding van 1643 als het ontstaansjaar van zijn vertaling vestigt de dichter er de aandacht op, dat het hier om een jeugdwerk gaat. Omstreeks 1625 geboren, kan hij nauwelijks ouder geweest zijn dan 17 of 18 jaar, toen hij ze schreef. Sindsdien, zo wil hij doen uitkomen, is hij jarenlang in Italië geweest en heeft hij in Rome de mintriomfen beleefd ‘voor-gevallen en beschreven in 't Jaer 1647. 48. 49. en 50.’, die het titelblad van zijn bundel vermeldt. Dat heeft hem tot een volwassen mens en een gerijpt dichter gemaakt, die - zo suggereert de verwijzing naar 1643 - met een toegeeflijke glimlach op zijn jeugdwerk neerziet en zijn lezers vraagt hetzelfde te willen doen. Hij geeft het niet uit, omdat hij het zo goed vindt, maar omdat hij er iets mee bewijzen wil. Overigens sluit deze distanciëring natuurlijk de mogelijkheid niet uit, dat hij met het oog op de publikatie zijn jeugd-vertaling hier en daar wat heeft bijgeschaafd.
Voor de 17de eeuw betekent deze publikatie een primeur: Van de Merwede gaf daarmee de éérste vers-vertaling van een volledig boek uit de Aeneis in het licht, waarover zijn tijdgenoten konden beschikken. Hij heeft dit ongetwijfeld heel goed geweten, en in zijn hart moet hij, ondanks de distantie die
hij ervan neemt, een beetje trots zijn geweest op dit jeugdwerk, waarmee hij iets tot stand had gebracht dat buiten hem blijkbaar niemand had aangedurfd. Alleen zó valt te verklaren, dat hij meende het zijn lezers te kunnen aanbieden als weerlegging van Vondel's betoog uit 1646 dat een proza-vertaling van Vergilius de voorkeur verdiende boven een bewerking in dichtvorm.
Want dáár komt het op neer in het ‘Aen den Leser’, dat Van de Merwede op blz. 199-200 van zijn bundel aan de vertaling van Aeneis iv doet voorafgaan. Zijn publikatie is bedoeld als protest tegen Vondel's opvatting en als concreet bewijs van diens ongelijk. Dat maakt ze in de geschiedenis van het Nederlandse epos uit de 17de eeuw tot een tè interessant verschijnsel om er niet nader op in te gaan.
Van de Merwede valt met de deur in huis. Al in zijn eerste zin komt hij tot de kwestie waar het om gaat, en constateert hij
dat'er Lieden zijn die ons geern souden willen wijs maken dat de Schriften van Virgilius, soo van den val van Troyen, als sijn Herders Liedekens, niet en konnen als in ongerijmde Tael verduytst werden. . .Het is duidelijk, dat dit slaat op wat Vondel in de Opdracht van zijn Vergiliusin-proza aan Huygens had opgemerkt,5 al geeft Van de Merwede de bedoeling wat overtrokken en daardoor niet helemaal juist weer. Zelf is hij fel tegen vertaling van poëzie ‘in ongerijmde Tael’ gekant. Tegenover de zo juist vermelde opvatting stelt hij dan ook zijn overtuiging
dat d'Eneis van Virgilius, ende meer and're groote stukken Werks van Poëten zijn gelijck sommige Iufferkens, die de natuer niet en heeft begaeft, als met goed oordeel van haer wel op te toyen, die met het schoon vermillioen van Spaenjen, loot-wit, eenige nae-geâepte Vliegskens6 van swert ermesy7, aerdig hulssel, geestige kleeding, ende een losse bevallikheyd, &c, haer dikmaels veel schoonder voor-doen als een pael van een Juffer, die ses-mael moyer is als sy. Dat,8 soo een verstandig Dier al haer çieraet af te nemen, is eveneens als Virgilius t'ontrymen ofte t'ontverssen; Maer beken, dattet seer dienstig kan zijn voor Latijnse School-meesters.
Ik behoef er nauwelijks op te wijzen, dat Van de Merwede hier langs Vondel heenpraat. Deze had nooit beweerd dat het onmogelijk was Vergilius in verzen te vertalen; hij had slechts betoogd dat het vrijwel uitgesloten was dit met de gewenste tektsgetrouwheid te doen: ‘Het vertaelde te rijmen, zonder afdoen of toedoen, is qualijck mogelijck, ja onmogelijck, en dwaelt meest al min of meer af van het vertaelde’. Dat is trouwens niet het enige zwakke punt in Van de Merwede's redenering. Hoe men ook over de (wel opzettelijk gechargeerde) vergelijking van poëzie met mooi-opgemaakte Iufferkens moge denken, het is eenvoudig niet wáár dat ‘Virgilius t'ontrymen ofte t'ontverssen’ - d.w.z. hem te vertalen zonder rijm of maat - zou neerkomen op ‘afnemen
van al haer çieraet’ aan de oorspronkelijke tekst. Nog afgezien van het feit dat Vergilius geen rijm kent en men hem dus niet kan ‘ontrymen’, gaan bij een vertaling in proza zeker niet àlle schoonheden van de dichterlijke vorm verloren. De beelden, de vergelijkingen, de onverwachte wendingen, de verhevenheid van stijl en toon - dat alles kan behouden blijven en komt in proza vaak zelfs beter over dan in een vers-vertaling die ter wille van rijm en maat- om Vondel's Opdracht aan Huygens nogmaals te citeren - ‘doorgaens met geleende pluimen van rijm-en-noodige stopwoorden’ moet worden aangelengd.
Wat Van de Merwede bedoelt, is natuurlijk dat poëzie ontluisterd wordt, als zij niet in dichtvorm wordt vertaald; een overzetting in proza heeft voor hem alleen zin als hulpmiddel bij het onderwijs op de Latijnse school. Maar hij ziet poëzie zó uitsluitend als een kwestie van rijm en maat, dat hij geen oog heeft voor andere aspecten en niet ontvankelijk is voor het eigenlijke probleem dat door Vondel aan de orde was gesteld: dat van tekstgetrouwheid in de vertaling. Hij zit zó vast aan de traditie van vertalen als navertellen-ineigen-woorden, dat hij zich geen bezwaren daartegen kan voorstellen. Vondel's bewering dat het onmogelijk zou zijn Vergilius in verzen te vertalen, kan volgens hem dan ook alleen maar berusten op het ontbreken van dergelijke vertalingen. Vandaar dat hij meent die stelling te kunnen weerleggen door publikatie van zijn Vierde Boeck van d'Eneis. Daarmee werd immers bewezen dat het wèl mogelijk was Vergilius over te brengen in Nederlandse verzen, al had van zijn tijdgenoten niemand dit vóór hem ooit gedaan.
Deze conclusie wordt door Van de Merwede niet onder woorden gebracht. Hij laat ze over aan zijn lezers, die hij door de philippica tegen het ‘ontrymen ofte ontverssen’ van Vergilius voldoende geconditioneerd acht om te begrijpen wat hij bedoelt. Na het vorige citaat schakelt hij abrupt over op een captatio benevolentiae voor zijn eigen werk:
Ik wil evenwel niet dat yemand geloove, dat ik gheloof, ende een ander mede wil doen gelooven dat ik soo een Over-vlieger9 ben, daer Virgilius soo veel jaren is over besig geweest, dat ik (die geen gebondenheyd in mijn sin magh setten) dat in een Maent of twee, met eenige losse vlagen, soude heel net hebben verduytst, ende daer noch by over ses jaren;10 neen, in magnis voluisse sat est. Ende om u niet lang op te houwen. Vaert wel, ende siet hier na wat ik seggen wil.Dat is een variant op de traditionele bescheidenheids-topos, die nooit al te letterlijk moet worden genomen en soms vooral bedoeld schijnt om de lezer tot tegenspraak te prikkelen. Van de Merwede onderstreept het conventioneelludieke karakter ervan nog eens extra, enerzijds door zijn speelse herhaling geloove - gheloof - doen gelooven, anderzijds door de losse en quasi-onhandige constructie van zijn zin (waarin ik, evenzeer als in de vergelijking van poëzie met Iufferkens, een opzettelijke charge zie). Zo geeft hij, als het ware met een
knipoog, te kennen dat zijn lezers hem niet al te serieus moeten nemen. Wat hij zegt, is op zichzelf wel waar, maar moet met een korreltje zout worden verstaan. Het is wáár, dat zijn vertaling ‘over ses jaren’ zonder grote inspanning ‘in een Macnt of twee, met eenige losse vlagen’ tot stand is gekomen en als jeugdwerk moet worden beschouwd. Maar, zo suggereert de knipoog, is dat eigenlijk geen compliment voor de schrijver die reeds zó jong zó goed Latijn kende en zó gemakkelijk verzen schreef? Ondanks zijn tekortkomingen was dit jeugdwerk toch maar een belangrijke primeur. In magnis voluisse sat est, maar hier was het niet bij willen gebleven! ‘Vaert wel, ende siet hier na wat ik seggen wil’.
Dat laatste zinnetje heeft een dubbele bodem. Men kan het opvatten als uitsluitend betrokken op wat Van de Merwede over zijn jeugdwerk heeft opgemerkt: ‘lees het maar, dan blijkt wel wat ik bedoel’. Het is echter óók mogelijk, dit zinnetje te lezen als samenvatting van àlles wat eraan voorafgaat; in dat geval staat er: ‘lees mijn vertaling maar, dan blijkt wel dat Vondel ongelijk heeft en ik hem terecht op de vingers tik’. En dat laatste is, dunkt mij, wat de auteur er in de eerste plaats mee heeft bedoeld.
Kenmerkend voor dit Aen den Leser is de badinerende toon, die er een provocerend karakter aan verleent. Van de Merwede protesteert niet met argumenten, maar met een uitdagende verwijzing naar eigen werk; dat dit een jeugdwerk is, accentueert de provocatie. Zo beschouwd, past zijn vertaling van Aeneis iv - ook afgezien van de amoureuse inhoud - goed in zijn Uytheemsen Oorlog, waarin hij met zijn erotische verzen nog veel uitdagender ingaat tegen de morele en sexuele conventies van zijn tijd waaraan hij zich niet wenst te conformeren. En dat wenst hij óók niet te doen aan de nieuwe opvatting van vertalen, zoals die door Vondel naar voren was gebracht en waarbij zoveel nadruk gelegd werd op tekstgetrouwheid. Daarvan uitgaande, acht ik het allerminst uitgesloten, ja zelfs waarschijnlijk, dat Van de Merwede's protest bewust of onbewust eigenlijk meer gericht is tegen de gebondenheid aan de oorspronkelijke tekst, die Vondel voorstond, dan tegen een proza-vertaling als zodanig. Een man als hij, ‘die geen gebondenheid in (s)ijn sin magh setten’, laat zich nu eenmaal niet aan banden leggen, óók niet door de tekst die hij vertaalt. Hij vindiceert het recht om die tekst over te brengen naar eigen smaak en lust en luim, ‘met eenige losse vlagen’, zonder zich door iemand te laten voorschrijven hoe het moet. Bij de oude manier van vertalen was dit mogelijk en daarom verdedigt hij die tegen de nieuwe, waardoor zijn vrijheid dreigde te worden beknot.
Ik geloof, dat wij het inderdaad zo moeten zien. Met zijn protest tegen het vertalen in proza verzet Van de Merwede zich feitelijk tegen het vertalen in gebondenheid aan de oorspronkelijke tekst. Deze interpretatie vindt steun in de vertaling, waarnaar hij zo nadrukkelijk verwijst om duidelijk te maken wat hij precies bedoelt.
Het is zeker geen slecht werk, dat Van de Merwede met die vertaling geleverd heeft; voor een 18-jarige mag het zelfs opmerkelijk goed heten. De auteur geeft blijk geen enkele moeite te hebben gehad met het verstaan van de Latijnse tekst. Ook de versificatie is voor hem kennelijk geen probleem geweest. Zijn alexandrijnen lopen regelmatig en gemakkelijk, de rijmwoorden komen vanzelf, de caesuur in de versregels laat niets te wensen over. Men kan er
slechts één bezwaar tegen hebben: dat het allemaal tè moeiteloos gaat om op de duur niet vlak en monotoon te worden.
Te Winkel heeft opgemerkt, dat Van de Merwede zijn Geestelyke Minnevlammen - de bundel waarmee hij in 1653 boete deed voor de erotische excessen van Uyt-heemsen Oorlog - ‘in Catsiaansche verzen’ schreef.11 Maar de alexandrijnen uit zijn jeugd-vertaling zijn zeker niet minder Catsiaans. Men vindt er dezelfde technische handvaardigheid, hetzelfde gebrek aan innerlijke spankracht en dezelfde ‘dreun’ in als bij de dichter van Houwelijck en Trou-ringh. Diens invloed doet zich trouwens ook in de stijl en de zinsbouw van Van de Merwede gelden. Men herkent bij hem de Catsiaanse voorliefde voor woordherhalingen, het gebruik van twee verschillende uitdrukkingen voor de formulering van één gedachte - b.v. ‘De kans die is verkeert, de bakens sijn verset’; ‘Sy geeft haer tot een roof, sy maekt haer tot een buyt’12 -, de neiging tot wijdlopigheid in het algemeen. Er kan dan ook geen twijfel aan bestaan, of Van de Merwede heeft ook vóór zijn vertrek naar Italië in de ban van Cats verkeerd.
Dat heeft in belangrijke mate de manier bepaald, waarop hij het vierde boek van de Aeneis vertaalde. Voor wat de gebeurtenissen en hun volgorde betreft, houdt hij zich aan de oorspronkelijke tekst. Vrijwel elke zin van Vergilius is bij hem terug te vinden, zij het meer ad sensum dan ad verbum. Al vallen er telkens wel kernwoorden uit het Latijn te herkennen, toch geeft hij in hoofdzaak op eigen wijze weer wat er bij Vergilius staat. En daarbij transponeert hij dan de verhevenheid van diens epische stijl in de gelijkmatig-gemoedelijke toon van de verhalen uit de Trou-ringh. Om daarvan overtuigd te raken, behoeft men slechts de eerste twee regels van het Latijn te vergelijken met zijn weergave daarvan. Vergilius formuleert beeldend en pregnant: ‘At regina, gravi jamdudum saucia cura, // Vulnus alit venis et caeco carpitur igni’.13 Van de Merwede werkt dit uit tot:
Wat Vergilius zegt, staat - wat grover uitgedrukt - volledig in de eerste twee regels.15 Maar Van de Merwede voegt er nog vier aan toe, om de heftigheid van Dido's minnegloed te accentueren en daardoor de emotionaliteit van zijn inzet te versterken. Naar duidelijkheid en samenhang moet men er niet te
veel in zoeken; die laten nogal wat te wensen over. Maar dat doet er voor de auteur niet toe. Het gaat er slechts om, met klem van zware woorden de lezer te doordringen van het zinneloze in Dido's hartstocht, zodat hij de onvermijdelijke catastophe voorvoelt en des te geboeider verder leest. Naar het voorbeeld van Cats meent de auteur niet uitvoerig genoeg te kunnen zijn, als het een punt betreft dat hij belangrijk acht.
Men lette ook op het gebruik van Me-vrouw, dat minder distantie schept dan ‘Coningin’ of ‘Princes’ en als het ware het verhaal dichter bij de lezer brengt. Hetzelfde geldt voor de aanduiding van Dido's zuster als Sus of Anne Sus. In beide gevallen wordt dit tot het einde toe consequent volgehouden.
Niet overal gaat Van de Merwede zo uitbreidend te werk als in dit citaat. Er zijn hele gedeelten, waarin hij zich beperkt tot na-vertellend weergeven van wat er inderdaad bij Vergilius staat. Soms laat hij een naam of een klein detail vervallen; soms ook simplificeert hij enigszins, b.v. bij de ‘bruiloft’ van Aeneas en Dido in de spelonk, en bij de wijding van de stervende Dido aan Pluto door Iris.16 Maar zodra er een emotioneel-dramatisch moment aan de orde komt, laat hij zich daardoor meeslepen. Het meest sprekende voorbeeld vindt men in de afscheids-scène van de beide gelieven. Aeneas heeft Dido meegedeeld, dat hij van Mercurius de opdracht gekregen heeft haar te verlaten om in Italië zijn lotsbestemming te volgen. Zij reageert daarop met heftige verontwaardiging en bittere verwijten (Aen. IV, 362-367):
Van de Merwede geeft de eerste drie regels vrij nauwkeurig weer; ‘door-loopt sy al sijn le'en’ mag zelfs een gelukkige vertaling heten van ‘totum pererrat’. Maar als Dido aan het woord komt, raakt hij op drift. Men oordele zelf:
Het zijn passages als deze, die aan Van de Merwede's vertaling een toon verlenen die volstrekt incompatibel is met de sfeer van het epos. Het verhaal is naar het uiterlijk hetzelfde gebleven, maar Vergilius is eruit verdwenen.
In zijn ‘Aen den Leser’ wijst Van de Merwede de overzetting van Vergilius in proza categorisch af. Als ik hem goed begrepen heb, doet hij dit vooral, omdat hij een proza-vertaling beschouwt als symbool van de gebondenheid aan de oorspronkelijke tekst die Vondel aan vertalers wil opleggen. Maar met Het vierde Boeck van d'Eneis. waarmee hij bedoelde aan te tonen dat een vrijere bewerking-in-verzen de voorkeur verdient, levert hij veeleer een nieuw bewijs voor de juistheid van Vondel's opvatting. Met een kleine variant in de persoonsvorm kan men een zinnetje uit diens Opdracht aan Huygens citeren als beste typering van Van de Merwede's vertaling: ‘maer hoe veel meer heeft'er de Mantuaen van zijn vederen moeten laten’.20
Niet ten onrechte heeft men Jacob Westerbaen (1599-1670) getypeerd als ‘een Zondagskind’.21 Hij was de zoon van een Haagse lijndraaier en dus van eenvoudige afkomst. Op grond van zijn goede aanleg werd hij in 1615 toegelaten als bursaal van het Staten-College te Leiden, waar onbemiddelde jongelieden van overheidswege werden opgeleid tot predikant. Bij de zuivering van dit College na de veroordeling der Remonstranten door de Synode van Dordt werd hij echter weggezonden, omdat hij behoorde tot degenen die weigerden de Canons der Synode te ondertekenen. Hij ging toen medicijnen studeren, eerst te Leiden en vervolgens te Caen in Frankrijk, waar hij de doctorsgraad verwierf. Op 23-jarige leeftijd teruggekeerd in zijn geboortestad, wist hij zich daar een goede praktijk als geneesheer op te bouwen. En dan volgt de ‘charmantegeste der fortuin, die hem een huwelijk bezorgde met een der meest vooraanstaande vrouwen in den lande’.22 Hij kwam namelijk in aanraking met Anna Weytens, de weduwe van Oldenbarnevelt's oudste zoon Reinier, heer van Groenevelt, die op 29 maart 1623 met zijn hoofd geboet had voor zijn aandeel in de samenzwering tegen het leven van Maurits, die bekend staat als de aanslag van Jan Faassen. Tussen de schatrijke weduwe en de jonge dokter ontstond een liefdes-idylle, die in augustus 1625 tot een huwelijk leidde. Ondanks het verschil in stand en leeftijd - Anna Weytens moet ongeveer tien jaar ouder geweest zijn dan haar tweede echtgenoot - ontwikkelde dit zich zeer gelukkig. Westerbaen werd er bovendien een vermogend man door, die
zich voortaan Heer van Brandwyck en Gybland mocht noemen, en de medische praktijk kon opgeven om zijn leven verder als landedelman te slijten. Het pleit voor hem, dat hij zich niet alleen wist te handhaven in de hogere kringen waartoe hij zo onverwacht was gaan behoren, maar dat hij al spoedig ook op goede voet kwam te staan met de verwanten van zijn vrouw, die zich heftig tegen het huwelijk hadden verzet. Na haar dood in 1648 begon hij met de bouw en de aanleg van een nieuw buiten, westelijk van Loosduinen, dat hij Ockenburgh noemde. In de zomer van 1652 betrok hij deze nieuwe woning, waar hij op 31 maart 1670 overleed.23
Reeds vóór zijn huwelijk beoefende Westerbaen in zijn vrije ogenblikken de dichtkunst. Na het neerleggen van de medische praktijk had hij verwacht er meer tijd voor te zullen vinden, maar dat viel aanvankelijk tegen. Het buitenleven nam hem zó in beslag met ‘planten, pooten, hovenieren, ryden, jaeghen, visschen en vogel-vangen, ende diergelijcke land-genuchten’,24 dat hij nauwelijks toekwam aan meer geestelijke arbeid. Naarmate hij ouder werd, verschoof echter zijn activiteit en ging beoefening van de poëzie een grotere plaats in zijn leven innemen.
Een groot dichter is de Heer van Brandwyck nooit geweest, al heeft hij soms een eigen toon. Hij stond sterk onder invloed van Huygens, met wie hij in hechte vriendschap verbonden was en die hij meermalen heeft nagevolgd. De meeste bekendheid verwierf hij zich met zijn Arctoa Tempe: Ockenburgh, een beschrijving van zijn buiten en van zijn leven aldaar, geïnspireerd op Huygens' Hofwijck en verschenen in 1654. Daarnaast maakte hij naam door zijn polemische verzen op theologisch gebied, niet in de laatste plaats gericht tegen Vondel aan wie hij diens overgang naar het Rooms-Katholicisme niet kon vergeven. In 1655 gaf hij verder een nieuwe Psalmberijming in het licht, ter vervanging van die van Datheen, maar met even weinig succes als de velen die dit sinds Marnix vóór hem hadden geprobeerd. Met tal van gelegenheidsgedichten begeleidde hij de belangrijke gebeurtenissen in binnen- en buitenland. En tenslotte zijn er de vele vertalingen uit het Latijn, die hij bij het klimmen der jaren op Ockenburgh tot stand heeft gebracht. Daartoe behoort de Aeneis-vertaling, waarom het ons in deze paragraaf te doen is.
Westerbaen is begonnen met de vertaling van het vierde boek. Geerebaert vermeldt een afzonderlijke uitgave daarvan, die in 1655 bij A. en J. Tongerloo te 's-Gravenhage verscheen onder de titel De verliefde Dido. Het vierde boeck des Eneis.25 Het is mij niet gelukt een exemplaar daarvan in handen te krijgen. Wel kon ik de - waarschijnlijk ongewijzigde - herdruk raadplegen, die voorkomt in de Gedichten van Jacob Westerbaen van 1657, eveneens bij de gebroeders Tongerloo in Den Haag verschenen. Op blz. [323] treft men daar de Franse titel aan: De // verliefde // Dido. // Het vierde Boeck des Eneis van // P. Virgilius Maro // In Nederduytsche rymen naegevolgt, waarna van blz. 325-361 de tekst van de vertaling volgt. Als de oorspronkelijke druk een Op-
dracht en/of een ‘Aen den Leser’ heeft bevat, dan werden die in 1657 niet overgenomen. Het is mogelijk, dat daarmee een mededeling van de dichter omtrent de aanleiding, die hem tot het maken van zijn vertaling bracht, voor ons verloren is gegaan.
Het werk aan De verliefde Dido moet Westerbaen zo goed bevallen zijn, dat hij in de loop van de volgende jaren met het vertalen van de Aeneis voortging en tenslotte het gehele epos in Nederlandse verzen overbracht. Wij zien bij hem dus hetzelfde gebeuren als bij Vondel, die - eveneens in 1655 - het tweede boek van de Aeneis ‘in Nederduitsch gedicht’ uitgaf als Ondergang van Troje, en daarmee de aanloop nam naar zijn grote editie van de volledige Vergilius-in-verzen die in 1660 het licht zag.26 Alleen beperkte Westerbaen zich tot de Aeneis en werkte hij minder snel; het duurde tot 1662 eer zijn vertaling voltooid was.
De editie, die toen op de markt kwam, bestaat uit twee gedeelten die oorspronkelijk afzonderlijk waren verschenen, maar na voltooiing van de tweede helft door de uitgever tot één geheel werden samengevoegd en voorzien van een nieuw titelblad. Dat blijkt duidelijk uit één van de aldus ontstane exemplaren - aanwezig op de U.B. te Amsterdam, signatuur 333 C 8 -, waarin het titelblad en ‘Aen den Leeser’, die bij de afzonderlijke uitgave van de tweede helft behoorden, bij vergissing achter het voorwerk van het gecompleteerde boek mede zijn bijgebonden. Het bewuste titelblad luidt:
De // Laetste ses Boecken. // van // P. Virgilius Maroos // Aeneis. // In Nederduytsche rijmen gebraght // Door // Jacob Westerbaen, // Heer van Brandwijck, &c. // vignet // In s'Graven-hage, //By Joannes Tongerloo, Boeck-verkooper, woonende // in de Hoogh-straet, Anno 1662.Tegenover De Laetste ses Boecken moeten uiteraard De Eerste ses Boecken hebben gestaan. Dat wordt trouwens expliciet bevestigd door het Aen den Leeser, waarin Westerbaen meedeelt:
Voor desen heb ick ul. door den druck mede gedeylt de eerste ses boecken van P. Virgilius Maroos Aeneis so die by my in Nederduytsche rymen gebraght waeren: tegenwoordigh geve ick u.l. de ses volgende, die doemaels noch inde pen waren ende sedert daer uyt geraekt zijn, dewijl my leven ende gelegentheyd daer toe gegeven is, op welcke voorwaerde ick u.l. de selve eenigsins had toegeseyt.Een afzonderlijk exemplaar van het eerste deel is niet bewaard gebleven, zodat wij het verschijningsjaar daarvan niet kennen. Op grond van een mededeling door een Duitse geleerde, die wellicht dat eerste deel in handen gehad heeft, neemt Geerebaert aan dat het op 1661 gesteld zal moeten worden. Als dit juist is, zullen wij wel aan het begin van dat jaar moeten denken.27 Onder de
drempeldichten van de volledige uitgave - die kennelijk ook reeds in die van De Eerste ses Boecken hadden gestaan - zijn er namelijk twee die erop wijzen dat de auteurs Westerbaen's werk als de éérste Aeneis-vertaling-in-verzen beschouwden en dus Vondel's volledige Vergilius ‘in Nederduitsch dicht’ - die tegen het einde van 1660 verscheen - nog niet kenden, toen zij ze schreven.
Jeremias de Decker vermeldt in zijn sonnet, dat vóór Westerbaen reeds velen Vergilius ‘in Duytsch, in Fransch, in Spaensch gewaed gesteken’ hebben. Maar, zo houdt hij de lezer voor:
Als De Decker over vertalingen ‘in Duytsch gewaed’ spreekt, kan hij alleen maar aan die van Vondel denken, want andere volledige overzettingen van de Aeneis bestonden er niet.28 De vraag is echter, of hij enkel doelt op diens proza-vertaling van 1646 dan wel óók de dichterlijke bewerking daarvan uit 1660 op het oog heeft. Als dit laatste het geval zou zijn, moet men in de tweede regel van het citaat bet interpreteren als juister, met minder fouten en onnauwkeurigheden. Veel waarschijnlijker acht ik het echter, dat De Decker met bet nae Maro sweemt bedoelt: ‘dichter bij de originele tekst staat, doordat de versvorm behouden bleef’. In dat geval komt het erop neer, dat de versvertaling van Westerbaen boven de proza-overzetting van Vondel wordt gesteld.
Valt er hier nog aan de bedoeling van het drempeldicht te twijfelen, bij dat van Joan Blasius kan van twijfel geen sprake meer zijn. Waar, zo roept deze uit, kan men een evenbeeld van Virgilius vinden, Of ymand slechts die Hem op duytsche voeten stelde? Het mag, dunkt mij, uitgesloten worden geacht dat Blasius deze woorden gebruikt zou hebben, als hij Vondel's Vergilius-inverzen gekend had. Voor hem was het Westerbaen's grote verdienste, dat deze deed wat Vondel nièt gedaan had: de Aeneis ‘op duytsche voeten stellen’. Blasius' onbekendheid met Vondel's Vergilius-editie van 1660 versterkt de waarschijnlijkheid van mijn suppositie dat ook Jeremias de Decker er bij het schrijven van zijn sonnet nog niet van wist.
Zo vreemd als dit op het eerste gezicht misschien lijkt, is het bij nader inzien toch niet. Het was gebruikelijk dat een auteur zijn vrienden en kennissen geruime tijd vóór de verschijning van zijn werk verzocht om de toezending van drempeldichten die daarin konden worden opgenomen. Als wij ervan uitgaan dat Westerbaen gerekend had op het uitkomen van zijn Eerste ses Boecken tegen het einde van 1660, dan is het heel aannemelijk dat De Decker en Blasius hun lofdichten daarvoor - zó geformuleerd dat zij ook zouden kunnen dienen voor de volledige vertaling die uiteindelijk beoogd werd - in de zomer van dat jaar hebben geschreven. Toen was Vondel's Vergilius-in-verzen inderdaad nog niet verschenen: het Privilegie berust op een octrooi van de Staten-Generaal d.d. 15 juli.
Het lijkt mij zeer waarschijnlijk, dat ook Westerbaen zelf gemeend heeft de eerste te zullen zijn die de Aeneis ‘op duytsche voeten stelde’. Als dit inderdaad zo is geweest, moet de verschijning van Vondel's vers-vertaling nog vóórdat de eerste helft van zijn eigen Aeneis het licht had gezien, hem onaange-
naam hebben verrast en een ernstige teleurstelling voor hem hebben betekend. Hij liet zich daardoor echter niet weerhouden van stug voortwerken aan de taak die hij zichzelf had opgelegd, totdat deze voltooid was.
Zo konden dan in de herfst van 1662 - het Aen den Leser van de volledige uitgave is gedateerd op 1 september - de beide helften van Westerbaen's vertaling worden samengevoegd tot één geheel, met het volgende titelblad:
De // Aeneis // van // P. Virgilius Maro, // bestaende in xii. Boecken, // uyt het Latijn in Nederduytsche rymen gebracht // Door // Jacob Westerbaen, // Ridder, Heere van Brandwyck // en Gybland. // vignet // In s'Graven-hage, by Johannes Tongerloo, // Boeck-verkooper, woonende in de Hoogh-straet, 1662.Wij vinden daarin De verliefde Dido vrijwel onveranderd terug als ‘Het vierde Boeck’. De aangebrachte wijzigingen zijn - afgezien van spelling en interpunctie - miniem en blijven beperkt tot vervanging van een enkel woord of versoepeling van een enkele zinsconstructie.29 - Verder valt het op, dat Westerbaen verklarende noten heeft toegevoegd waar hij die voor een goed begrip van de tekst wenselijk achtte; in het algemeen bevatten zij bijzonderheden omtrent personen en plaatsen, waarvan hij blijkbaar verwachtte dat zij voor minder ontwikkelde lezers niet genoeg achtergrond zouden hebben om voor zichzelf te spreken.
Tien jaar later werd de Aeneis-vertaling opgenomen in Het derde deel der Gedichten van Jacob Westerbaen, dat in 1672 - opnieuw bij Johannes Tongerloo in Den Haag - als laatste deel van diens verzameld dichtwerk verscheen. Westerbaen had deze uitgave nog zelf voorbereid ‘en in Maart 1670 alles aan zijn uitgever ter hand gesteld. Maar hij heeft deze uitgave niet zelf kunnen bezorgen, want hij overleed den 31sten Maart op Ockenburgh’.30 Overigens gaat het hier maar ten dele om een herdruk. Zoals Geerebaert heeft vastgesteld, liet Tongerloo weliswaar een aantal nieuwe exemplaren drukken, maar ‘benuttigde (hij) ook de nog overblijvende exemplaren van Aeneis 1662 tot een vermeerderde titeluitgaaf. Verder bleven hem nog enkele exemplaren van De Laetste ses Boecken 1662 en van katern 15 over, welke hij evenmin ongebruikt liet’.31
Westerbaen beheerste het Latijn volkomen. Fouten en onnauwkeurigheden, zoals Verdenius die in de vertaling van Vondel aantoonde, komen bij hem dan ook niet of nauwelijks voor. Als in een enkel geval iets ons wat vreemd aandoet, dienen wij rekening te houden met de waarschijnlijkheid dat de verklaring daarvoor gezocht moet worden in de tekst-uitgave(n) of de commentaren, waarvan de dichter gebruik maakte - al mag een ogenblik van onachtzaamheid natuurlijk nooit helemaal uitgesloten worden geacht. Op deze aspecten van de vertaling ga ik echter niet in. Zij vallen buiten mijn competentie en
kunnen slechts op bevredigende wijze worden onderzocht door deskundige kenners van het Latinisme uit de 16de en 17de eeuw, zoals A.M.F.B. Geerts dat - helaas alleen in zijn proefschrift en nog veel te globaal - gedaan heeft ten aanzien van Vondel's vertalingen uit het Latijn en het Grieks.32
Behalve het Latijn beheerste Westerbaen ook de techniek van het Nederlandse vers. Zijn alexandrijnen laten zich vlot lezen; doordat de caesuur nogal eens verspringt en er vrij wat enjambementen zijn, ontkomen zij aan het gevaar van te grote monotonie. De dichter houdt zich nauwkeurig aan de feiten uit de oorspronkelijke tekst, maar doet - anders dan Vondel - geen poging om die zo letterlijk mogelijk weer te geven. Hij kiest zijn eigen woorden en uitdrukkingen, waarbij hij zich kennelijk ten doel stelt zo dicht mogelijk bij het gewone taalgebruik aan te sluiten, om ook voor minder ontwikkelde lezers gemakkelijk begrijpbaar te zijn. Bij vergelijking van zijn vertaling met de Aeneis-in-verzen van Vondel doet de zijne dan ook veel ‘gewoner’ en gemoedelijker aan, wat nog onderstreept wordt door een neiging tot weinig-zeggende toevoegingen of herhalingen, meestal rimae causa. Verder ontbreekt bij hem wat bij Vondel telkens weer treft en boeit: het opflitsen van een gelukkig gevonden woord, de spanning van de conciese zins-structuur, de verhevenheid van toon en stijl. Tegenover Geerts' kenschets van Vondel's vertaling als ‘een middelmatige overzetting van een groot taalkunstenaar’33 kunnen wij de Aeneis van Westerbaen niet beter karakteriseren dan als ‘de goede vertaling van een middelmatig dichter’.
Ter illustratie van Westerbaen's werktrant laat ik in zijn vertaling de episode van Turnus' dood volgen, die het slot van de Aeneis vormt (Aen. XII, 962b-952).
Aan het begin van het fragment is de situatie als volgt. De beide aanvoerders - Aeneas voor de Trojanen en Turnus voor de Latijnen - zijn overeengekomen dat aan de oorlog een einde zal worden gemaakt door een beslissende tweekamp tussen hen beiden. De strijd verloopt ten gunste van Aeneas, die tenslotte met een wel-gerichte werpspies zijn vijand in de dij treft en doet neervallen. Op dit punt begint mijn citaat.
Voor een goed begrip daarvan dient men nog te weten, dat Turnus indertijd Aeneas' jeugdige vriend Pallas, de zoon van koning Evander, in de strijd gedood en van zijn wapenrusting beroofd had; hij draagt nu diens met gouden knoppen versierde ‘draegh-band’ (wapengordel). Als Aeneas op het punt staat zijn verslagen vijand het leven te schenken, ziet en herkent hij plotseling de wapengordel van zijn vriend. Dat doet bij hem elk spoor van mededogen verdwijnen. Hij herinnert zich de verplichting, hem door Evander opgelegd, de dood van Pallas aan Turnus te wreken, en kwijt zich - in nieuw opwellende smart om zijn vriend en haat tegen diens ‘moordenaar’ - van deze taak. Westerbaen geeft dit met de volgende verzen weer:
Het kenmerkende van deze vertaling is dat er verder eigenlijk niets over op te merken valt, niet in ongunstige maar evenmin in prijzende zin.
Toch schuilt er in de Aeneis van Westerbaen een onverwachte verrassing. Wanneer men zijn vertaling nauwkeurig leest, blijkt dat hij - ondanks alle zelfstandigheid waarmee hij de Latijnse tekst weergeeft - toch ook een en ander (zelfs vrij wat) te danken heeft aan Vondel's Aeneis-in-proza van 1646. Er is geen sprake van, dat deze zijn eigenlijke uitgangspunt zou zijn geweest. Maar onder het werken moet hij ze toch wel voortdurend geopend naast zich hebben gehad, om zijn voordeel te kunnen doen met gelukkige vondsten en
trefzekere aequivalenten van het Latijn die hij daarin aantrof. Reeds in De verliefde Dido van 1655 komen een aantal uitdrukkingen voor, die er geen twijfel aan laten bestaan dat hun herkomst bij Vondel moet worden gezocht. Ik geef daarvan een drietal voorbeelden uit het eerste gedeelte.
a. In Aen. IV, 11, zegt Dido tot haar zuster Anna over Aeneas: ‘Quem sese ore ferens! quam forti pectore et armis!’ Westerbaen heeft daarvoor: ‘Hoe deftigh en hoe braef van opsicht en gelaet? // Wat is hy koen en stout daer 't op een strijden gaet?’ (blz. 113). De gecursiveerde woorden vindt men precies zo bij Vondel: ‘Hoe braef is hy van opzicht! hoe onversaeght en dapper in den oorloogh!’ (WB VI, blz. 544, reg. 40-42).
b. Even verder (Aen. IV, 19) erkent Dido dat zij, ondanks haar trouw aan haar vermoorde man, ‘Huic uni forsan potui succumbere culpae’. Bij Westerbaen (blz. 114): ‘Misschien dees eene reys gingh ick my noch te buyten’; bij Vondel (WB VI, 544, reg. 50): ‘misschien zou ick my dees eene reis noch kunnen te buiten gaen’.
c. Weer enkele regels verder (Aen. IV, 28-29) verwerpt Dido deze gedachte en verzekert zij: ‘Ille meos, primus qui me sibi junxit, amores // Abstulit; ille habeat secum servetque sepulcro’. Westerbaen vertaalt (blz. 114): ‘Hy, die my eerst met hem gevoegt heeft door het trouwen, // Heeft mijne liefde wegh: hy moete die behouwen: // Sy zy hem in 't graf’. En ook hier vinden wij de gecursiveerde uitdrukking bij Vondel terug: ‘Hy, op wien ick eerst mijn zinnen zette, heeft mijn hart en liefde wech; hy behouze en bewaerze by zich in zijn graf’ (WB VI, 546, reg. 60-62).
De overtuigingskracht van deze voorbeelden ligt vooral in het feit, dat de overeenkomst niet zonder meer uit de Latijnse tekst kan worden verklaard. En de frequentie is te groot dan dat aan toeval zou kunnen worden gedacht.
Eenmaal op ontleningen aan Vondel's tekst attent geworden, gaan wij er steeds meer ontdekken. Natuurlijk komen daaronder twijfelgevallen voor, b.v. als het gaat om één enkel woord van overeenkomst in een passage die Westerbaen verder anders formuleert dan Vondel, of als de verwantschap meer de zinsbouw dan de woordkeus betreft. Maar er blijft genoeg over om te kunnen vaststellen dat er tussen de beide vertalingen een zeker verband bestaat, en om te mogen aannemen dat ook bij een gedeelte van de twijfelgevallen de invloed van Vondel zich inderdaad heeft doen gelden.
Hoe dat verband precies is, valt moeilijk onder woorden te brengen. In alle twaalf boeken vinden wij overeenkomsten met Vondel's vertaling terug. Maar de mate van Westerbaen's ‘afhankelijkheid’ - in dit geval eigenlijk een te sterk woord - wisselt voortdurend. Er zijn hele passages, waarin reminiscensen aan Vondel praktisch niet voorkomen; andere waarin ze soms wel vermoed maar niet met zekerheid geconstateerd kunnen worden. En dan komt er ineens weer een fragment, waarin - zoals aan het begin van De verliefde Dido - een aantal onmiskenbare ontleningen dicht op elkaar volgt.
Het zou een nauwkeurige analyse van Westerbaen's vertaling vergen om het geheim van haar verhouding tot die van Vondel te achterhalen. Zit er iets van een systeem in de wijze waarop de Heer van Brandwyck nu eens wel en dan weer niet rekening houdt met zijn voorganger? Is er misschien een bepaald soort passages, waar hij bij voorkeur zijn eigen weg gaat, en staat daartegenover een andere soort waar hij zich minder zeker van zichzelf voelt? Of zijn de plaatsen in Vondel's vertaling, waarbij hij aansluit, de gedeelten die hij als de best geslaagde beschouwde, zodat de frequentie van zijn ontleningen bepaald
werd door de mate van zijn waardering? Het zijn vragen, die ik in het kader van deze studie onbeantwoord moet laten; het zou mij te ver van mijn verkennende opzet afvoeren er de aandacht aan te besteden, die zij op zichzelf ongetwijfeld verdienen.
Ik volsta dus met het signaleren van Vondel's invloed op de Aeneis-vertaling van Westerbaen. Daarbij mag men evenwel vooral niet denken aan iets wat zou zwemen naar plagiaat. Westerbaen's frequente, maar altijd incidentele ontleningen zijn voor de 17de eeuw volkomen legitiem. Hij deed ten opzichte van Vondel's Aeneis-vertaling slechts wat alle Humanistische auteurs deden met het werk van hun voorgangers, in het bijzonder die uit de Oudheid: blijk geven van hun bewondering door ontleningen en rapprochementen, die bedoeld waren om door de ingewijden als zodanig te worden herkend en gewaardeerd, maar die aan het grote publiek - het profanum vulgus - onopgemerkt voorbijgingen.
Tot dusver heb ik slechts aan een drietal plaatsen uit De verliefde Dido het bestaan van samenhang tussen de Aeneis-vertalingen van Vondel en Westerbaen gedemonstreerd. Die samenhang is echter merkwaardig en belangrijk genoeg om ook in deze voorlopige studie wat steviger te worden gefundeerd. Ik laat dus nog enkele voorbeelden van ontleningen door Westerbaen volgen, die voorkomen in andere boeken dan het vierde.
1. In Aen. II, 63-64, vertelt Aeneas aan de maaltijd bij Dido, hoe na de schijnbare aftocht van de Grieken de gevangen genomen Sinon naar Troje wordt gebracht: ‘Undique visendi studio Trojana juventus // Circumfusa ruit, certantque illudere capto’. In zijn berijming van 1655 - de Ondergang van Troje, die Westerbaen dus al vóór 1660 kon kennen! - had Vondel dit als volgt weergegeven (WB VI, blz. 421, reg. 90-92a):
Vrijwel dezelfde woorden en dezelfde zinsbouw vinden wij bij Westerbaen (blz. 42-43):
2. In datzelfde boek komt het leugenverhaal van Sinon voor, waarin deze zich voordoet als slachtoffer van de Grieken en vooral van Ulysses: ‘... hinc semper Ulixes // Criminibus terrere novis, hinc spargere voces // In vulgum ambiguas et quaerere conscius arma’ (Aen. II, 97b-99). In Vondel's prozavertaling (waaraan Westerbaen hier de voorkeur gegeven heeft boven de berijming) wordt dit kernachtig en kleurig weergegeven (WB VI, 422, reg. 132-135):
... hierom zocht Ulysses gedurigh my eenen nieuwen lack35 op den hals te worpen, en angst aen te jagen: hierom stroide hy dubbelzinnige geruchten onder het volck, en in zijn hart overtuight, wapende zich met treken ...36
Westerbaen vond het wenselijk wat explicieter te zijn, maar gaat toch duidelijk van Vondel's vertaling uit (blz. 44):
Deze passage biedt tevens een goed voorbeeld van Westerbaen's neiging tot wijdlopigheid.
3. In Aen. v worden de Trojanen direct na hun vertrek uit Carthago door een storm overvallen, en: ‘Ipse gubernator puppi Palinurus ab alta: // Heu! quianam tanti cinxerunt aethera nimbi? // Quidve, pater Neptune, paras?’ (vs.12-14a). Vondel vertaalt (WB VI, 606, reg. 45-48):
... waerom Palinuur, de stuurman, zelf van de stuurplecht zijn volck toeriep: och, hoe hangt de lucht zoo vol buien? Vader Neptuin, wat hebt ghy voor?Bij Westerbaen horen wij daarvan een duidelijke echo (blz. 151):
4. In Aen. XII, 56-60, smeekt koningin Amata, moeder van Lavinia, de door haar gewenste schoonzoon Turnus af te zien van zijn plan een beslissend tweegevecht aan te gaan met Aeneas: ‘Turne, per has ego te lacrimas, per si quis Amatae // Tangit honos animum (spes tu nunc una, senectae // Tu requies miserae; decus imperiumque Latini // Te penes; in te omnis domus inclinata recumbit), // Unum oro: desiste manum committere Teucris’. In Vondel's vertaling wordt dit (WB VII, 182, reg. 97-103):
o Turnus, ick bidde u, om deze tranen, om d'eere van Amate, zoo u die noch eenighzins ter harte ga (ghy zijt nu d'eenige hoop en troost van mijnen bedroefden ouderdom; aen u hangt de roem en het Rijck van Latinus; al het huis leunt en steunt op u) ick bidde u slechts om eene zaeck: staeck uw opzet, wort niet hantgemeen met den Trojaen.Westerbaen volgt Vondel in diens knappe weergave van het begin - ‘per si quis Amatae tangit honos animum’ laat zich niet zo gemakkelijk in goed Nederlands overbrengen! -, maar keert daarna terug tot zijn gemoedelijker eigen manier van vertalen (blz. 442-443):
De Aeneis van Westerbaen is een degelijk stuk werk. Als vertaling is zij betrouwbaarder dan die van Vondel en vaak ook duidelijker, al wordt de meerdere duidelijkheid verkregen door een wat al te gemoedelijk taalgebruik en gaat zij meermalen gepaard met wijdlopigheid. Als poëzie staat zij echter ver bij de weergave van Vondel achter, óók bij diens vertaling-in-proza. Westerbaen is er niet in geslaagd uit te komen boven een vlakke gelijkmatigheid, die dichterlijke verrassingen uitsluit en onvermijdelijk leidt tot monotonie. De ‘gewoonheid’ van zijn woordgebruik doet bovendien tekort aan de stijl en de toon van het oorspronkelijke epos.
Het pleit voor de dichter, dat hij heeft begrepen herhaaldelijk zijn voordeel te kunnen doen met gelukkige woordvondsten en wendingen uit de vertaling van Vondel; zijn werk heeft er ongetwijfeld aan overtuigingskracht door gewonnen. Nog meer pleit het echter voor hem, dat hij daarbij zijn eigen beperkte talent geen geweld heeft aangedaan en in zijn ontleningen niet verder ging dan naar de opvattingen van zijn tijd als hulde-betoon aan een voorganger toelaatbaar en gebruikelijk was. Westerbaen's dichterlijke integriteit maakt zijn werk sympathiek.
In hetzelfde jaar 1662, waarin Jacob Westerbaen met De Laetste ses Boecken zijn vertaling van de Aeneis voltooide, verscheen er ook in Antwerpen een Nederlandse uitgave van Vergilius' epos. Een eigenlijk titelblad ontbreekt, maar er is een fraai frontispice met de volgende tekst:
P. // Virgilius // Maro. // Verduijtst // R.V.E. // A. Diepenbeeck inu: C. Caukercken fec: // Gedruckt tot Antwerpen, by Marcelis Parijs, inde Cammerstraet inden swerten Hondt. 1662.
Het betreft hier een rijk uitgegeven boekwerk in quarto-formaat, met de Latijnse tekst van de Aeneis (in cursief) op de even en de Nederlandse vertaling op de oneven bladzijden. Die laatste tellen steeds 32 versregels; het aantal regels van het daarmee corresponderende Latijn varieert van ongeveer 20 tot 30, al naar de vertaling in omvang is uitgedijd. Voor elk van de twaalf boeken is een plaat voorzien die - met blanco verso-zijde - tussen de eerste Latijnse en de eerste Nederlandse bladzijde van het betrokken boek werd ingevoegd, zonder te worden mee-gepagineerd.39 Op één na zijn al deze platen ontworpen door Abraham van Diepenbeek, die ook het frontispice ontwierp; de ene uitzondering betreft de plaat bij boek xi, die op naam staat van Erasmus Quellinus. Van Caukercken, die op het frontispice als graveur daarvan vermeld staat, sneed van de platen alleen die voor het tweede boek; de andere zijn van drie verschillende plaatsnijders, onder wie Petrus de Jode met zeven werkstukken verreweg de belangrijkste plaats inneemt.
Ondanks al deze zorg voor de uitvoering werd de beoogde opzet niet bereikt; het boek kwam maar voor de helft klaar. Tegenover de Latijnse tekst van Aen. VII, 24-46, vinden wij op blz. 391 nog de daarmee corresponderende vertaling. Maar het Latijn van Aen. VII, 47-67, dat op blz. 392 staat afgedrukt, krijgt geen Nederlandse tegenhanger meer op blz. 393. In plaats daarvan zijn achter elkaar de vijf platen opgenomen, die voor de boeken viii tot xii bestemd waren, telkens met blanco verso-zijde en zonder paginering. Een toelichting wordt er niet bij gegeven.
De situatie spreekt trouwens voldoende voor zichzelf om een verklaring overbodig te maken. Het is duidelijk, dat het boek gereed gemaakt werd naar gelang de kopy binnenkwam. Telkens als de vertaler een gedeelte van de Nederlandse tekst had afgeleverd, werd dit meteen gezet, onder bijvoeging van het corresponderende Latijn op de even bladzijden. Toen men echter tot het begin van Boek vii gevorderd was, kwam er plotseling stagnatie. De meest voor de hand liggende verklaring is wel, dat de vertaler door ziekte en dood verhinderd werd zijn werk verder voort te zetten. De drukker - tevens uitgever? - Marcelis Parijs zag zich daardoor genoodzaakt te beslissen wat hij met de reeds gezette en waarschijnlijk ook al (geheel of gedeeltelijk) afgedrukte vellen zou doen, en hoe hij aan de gravures voor de onvertaald gebleven boeken toch nog een bestemming kon geven. Zoals uit de custoden van de blzz. 391 en 392 blijkt, was er waarschijnlijk al iets meer gezet dan bewaard is gebleven. De custos van de Nederlandse tekst op blz. 391 verwijst naar een voortzetting met ‘Men-zeet’, die van het Latijn op blz. 392 met ‘Continuo’ naar Aen. VII, 68. Dit rechtvaardigt het vermoeden dat de Nederlandse tekst, die op blz. 393 tegenover het verweesde Latijn van blz. 392 had moeten staan, oorspronkelijk aanwezig was, terwijl met het zetten van de blzz. 394 (Latijn) en 395 (Nederlands) althans een begin was gemaakt. Maar met blz. 392 eindigde - zoals uit de foliëring blijkt - een vel, en de drukker heeft gemeend dat hij dáár dus de tekst het best kon afbreken. De schamele rest van de vertaling was hem de toevoeging van een nieuw vel, waarvan slechts enkele bladzijden - 393 en een deel van 394-395 - bedrukt zouden kunnen worden, kennelijk niet waard. Wèl vond hij het verantwoord, de vijf gravures voor de boeken viii tot xii nog op de afgebroken tekst te laten volgen; zij vormden een attractie te meer en waren nu eenmaal betaald. Als deze veronderstelling juist is, eindigt dus de Nederlandse tekst niet precies op het punt waar de vertaler de pen had neergelegd, maar is er een klein gedeelte van het daarop volgende zetsel uit economische overwegingen onafgedrukt weer vernietigd.
De initialen R.V.E., waarmee de vertaler wordt aangeduid, zijn die van de Antwerpse dichter Roeland van Engelen. Behalve de Aeneis heeft deze ook nog een vertaling van Guarini's Il pastor fido op zijn naam staan, alsmede een oorspronkelijk toneelspel: Den Coninck van Napels ofte In wanhoop hoop. Over zijn leven is niet veel meer bekend dan dat hij vóór 1650 factor was van de rederijkerskamer ‘Den Olyftack’ en daarna behoord heeft tot ‘De Violieren’.40 Als mijn interpretatie van de eigenaardige wijze, waarop de
uitgave van zijn Aeneis-vertaling werd afgesloten, juist is, kan men daaraan toevoegen dat hij aan het einde van 1661 of in het begin van 1662 gestorven moet zijn, waarschijnlijk vrij plotseling.
In alle drie de werken, die wij van hem kennen, volgt Van Engelen een eigen spelling welke hij in een betoog aan de lezer toelicht en verdedigt. Het is steeds hetzelfde betoog, al blijkt de versie daarvan in de Aeneis-vertaling - zijn laatste werk - hier en daar herzien of aangevuld. In ons verband heeft het geen zin op de taalkundige beschouwingen van de auteur in te gaan, maar met het oog op de citaten dien ik wèl aan te geven op welke spelling-eigenaardigheden men bedacht moet zijn om Van Engelen's tekst te kunnen volgen. De eenvoudigste manier om dit te doen is het overnemen van de duidelijke samenvatting, die P.E.L. Verkuyl geeft in zijn hoofdstuk over diens vertaling van Il pastor fido:
De belangrijkste afwijkingen van het normale spellingbeeld uit zeventiende-eeuwse teksten zijn wel: de schrijfwijze ii voor de klank die wij in gesloten lettergrepen met ie aanduiden; i voor ons ie in open lettergrepen; ou voor ons teken oe; en ouw voor ons ou. De ij-klank, die bij ons nu eens met ij dan weer met ei wordt aangeduid, blijkt Van Engelen alleen met het teken y aan te geven.41
Verkuyl heeft ook de aandacht gevestigd op de eigenaardigheden in Van Engelen's woord- en taalgebruik. Er blijken bij de Antwerpse dichter herhaaldelijk woorden voor te komen, die niet of niet zó in lexicographische naslagwerken zijn terug te vinden, maar waarvan Verkuyl - m.i. terecht - aanneemt dat zij toch als Zuidnederlands moeten worden beschouwd.42 Wij hebben al vaak genoeg gezien, hoe vrij dichters uit de 16de en 17de eeuw ter wille van maat of rijm met de vormen en betekenissen van een woord kunnen omspringen, om aan te nemen dat iets dergelijks ook bij Van Engelen mag worden verondersteld. Dat zou voor een deel de ontoereikendheid van de lexica ten opzichte van zijn woordgebruik kunnen verklaren.
Wat Van Engelen's hantering van de taal betreft, signaleert Verkuyl - naast gevallen van geforceerde woordvolgorde en zinsbouw - het herhaaldelijk voorkomen van adiectiva postposita, en een frequent gebruik van persoonsvormen zonder onderwerp. Bovendien ‘vindt men (herhaaldelijk) aan het begin van een versregel het terugwijzende demonstrativum dat gebruikt, dat in de meeste gevallen het best kan worden weergegeven met (en) wel’.43
Dat alles geldt evenzeer voor Van Engelen's Aeneis-vertaling als voor zijn Pastor-Fido Verduyts. De lectuur van zijn werk wordt er bepaald niet door vergemakkelijkt, al went men vrij snel aan het ongebruikelijke spellingbeeld. Het meest verwarrend is naar mijn ervaring, dat ou steeds onze oe representeert; gout moet dus worden gelezen als goet en zout als zoet.
Het voorwerk brengt allereerst in acht bladzijden het spelling-betoog, dat
gericht is Tot den onverdielden Lezer44 en dat ik nu verder buiten beschouwing kan laten.
Dan volgt de opdracht van het boek Aen de Iovnckhyt, waarin de auteur zijn jeugdige lezers uiteenzet dat hij hun zijn vertaling aanbiedt ‘tot verlichtinge des lerens’ van het Latijn. Hij koos de Aeneis, want: ‘Voor zo veel als den Rym [versta: de poëzie] belanght, wete ik genen schryver beter als Virgilius: Den Voorst der Poeten’. En om een vreemde taal - in dit geval het Latijn - te leren,
zo heb ick bevonden dat met Rymen van buyten te-leren, altyt het beste gevaren ben; mits deze wel te-verstaan: het-gene zo wanneer jmanden zo veel mout wouwde doun, van het Latyn ende Duyts van buyten te-leren, ick gelove, hem daer mede wel bevinden zouwde; vermits45 niit te-zeer steunende op het Duyts (het geen zeer mouyelyck zouwde wezen van woort tot woort over te-zetten) oft oock op zyn ygen zelven: maar hem te bevragen, aan degene die het Latyn wel verstaan. Vaart wel.
Het is er Van Engelen dus niet in de eerste plaats om te doen, de Aeneis toegankelijk te maken voor wie geen Latijn kennen; hij wil zijn lezers in de gelegenheid stellen zich door vergelijking van de Latijnse en de Nederlandse tekst met de taal van de eerste vertrouwd te maken. Hij is er zich evenwel van bewust, dat zijn vertaling daarbij slechts een gebrekkig hulpmiddel kan zijn. Terecht voegt hij de waarschuwing toe dat hij niet woordelijk heeft kunnen vertalen, zodat men niet uitsluitend op zijn ‘Duyts’ of op eigen conclusies mag afgaan. Voor serieuse lezers blijft het wenselijk de hulp van een Latinist in te roepen, ter aanvulling van wat zijn overzetting als leerboek niet geven kan.
Uit deze Opdracht valt af te leiden, dat Van Engelen met zijn boek een soort aequivalent wilde geven van de tweetalige Homerus-edities, die in zijn tijd gangbaar waren en waarin de Latijnse vertaling mede bedoeld was als hulpmiddel bij het aanleren van het Grieks.46 Hij zag daarbij echter over het hoofd, dat de bewuste interpretationes latinae ad verbum steeds in proza waren gesteld en geen aanspraak maakten op andere verdiensten dan die van philologische nauwkeurigheid. Zelf bleef hij bij zijn opzet óók aan literaire aspiraties vasthouden: zijn vertaling ad verbum moest er tèvens een in verzen zijn. In tegenstelling tot Vondel begreep hij niet dat het een het ander uitsloot en een poging tot combinatie neerkwam op het zoeken naar de quadratuur van een cirkel.
Deze tweeslachtigheid doet het werk van Van Engelen dan ook verzanden in een reeks van compromissen, forceringen en inconsequenties, die noch aan de letterlijkheid noch aan de poëzie gelegenheid bieden zich te ontplooien. Als hij probeert letterlijk te vertalen, wordt hij door de eisen van metrum en rijm gedwongen tot gewrongen zinsconstructies en tot allerlei kleine toevoegin-
gen, hetzij om een versregel vol te maken, hetzij om te kunnen uitkomen bij een passend rijmwoord. Wanneer hij zich wat meer laat gaan en op bescheiden schaal amplificeert - er zijn inderdaad toevoegingen, die vers-technisch niet noodzakelijk zijn en slechts verklaard kunnen worden uit het pleizier van de dichter in het detail dat hij naar eigen vinding aan het tafereel bijdroeg -, dan keert hij onmiddellijk daarop schuldbewust tot de letterlijkheid terug. Toch leveren deze niet-noodzakelijke amplificaties vrijwel het enige bewijs voor het bestaan van een sprankje dichterlijk vermogen bij Van Engelen; in de tweede van de straks volgende vertaal-proeven zullen wij daarvan voorbeelden vinden. Voor het overige brengt de dichter het nooit verder dan een wanhopig gevecht met de taal, waarin hij steeds weer de verliezer is, ondanks - of misschien is het juister te zeggen: dóór - zijn jongleren met persoonsvormen zonder subject, absolute constructies, ongewoon woordgebruik en gewrongen zinsbouw.47
Van Engelen kent redelijk goed zijn school-Latijn, maar beheerst de taal lang niet grondig genoeg om zich aan een vertaling van de Aeneis te kunnen wagen. Zo gaan wij b.v. aan zijn competentie als Latinist twijfelen, wanneer hij in Aen. I, 28, ‘genus invisum’ vertaalt met ‘ongeziin geslacht’ (blz. 3).48 Het gaat hier om de oorzaken van Juno's verbittering tegen de Trojanen; daartoe behoort ook de schaking en vergoddelijking van Ganymedes, zoon van Tros aan wie de Trojanen hun naam ontleenden en die een kleinzoon was van Dardanus, door Jupiter in overspel verwekt en daarom door Juno gehaat. Invisum behoort dan ook vertaald te worden met ‘gehaat’ en niet, zoals Van Engelen doet, met ‘ongeziin’, hoe letterlijk dit ook moge schijnen.49 - Nog erger is de fout, die hij maakt in de episode van Kreüsa's verschijning aan Aeneas, als deze haar in het brandende Troje zoekt. In haar troostende afscheidswoorden zegt Kreüsa's schim onder meer, dat Aeneas zonder haar verder zal moeten gaan, aangezien ‘me magna deûm genitrix his detinet oris’ (Aen. II, 788). De grote moeder der goden is Cybele, echtgenote van Kronos en bij hem moeder van de Olympische goden. Van Engelen heeft dit niet begrepen en verwart haar met Venus: ‘'t Is Venus di my houwdt, en schickt my woonplaats aan’ (blz. 113).
Naar aanleiding van Van Engelen's vertaling van Il pastor fido heeft Verkuyl opgemerkt, dat de Antwerpse dichter in allerlei opzichten niet over de capaciteiten voor een zo moeilijk werk beschikte: ‘Het is zonder meer duidelijk, dat hij zich met een rijmende vertaling een veel te zware opgave heeft gesteld’.50 Deze conclusie geldt onverminderd ook voor zijn vertaling van de Aeneis.
Ter adstructie van het bovenstaande geef ik een tweetal citaten. In het eerste zien wij Van Engelen op zijn letterlijkst en onhandigst aan het werk, in het tweede wat minder letterlijk en met wat meer vaardigheid. Ik meen deze
twee fragmenten te mogen beschouwen als redelijke representanten van de minus- en plus-polen, waartussen zijn werk fluctueert.
Als proeve van onhandigheid geef ik de vertaling van Vergilius' propositio en invocatio in Aen. I, 1-11. Op blz. 2 van Van Engelen's boek vinden wij eerst de Latijnse tekst:
Op blz. 3 staat daartegenover de volgende vertaling:
Van Engelen begint héél letterlijk: ‘De wapens en den Man, ick zingh’, al verwaarloost hij daarbij het feit dat Vergilius arma in oneigenlijke zin gebruikte, met de betekenis ‘wapenfeiten’. Vervolgens geeft hij qui ... profugus ... venit niet onhandig weer met ‘di ... vluchten ... kompt’. Of het praesens kompt (in plaats van quam) toegeschreven moet worden aan een interpretatie van venit als tegenwoordige tijd, valt niet vast te stellen. Op zichzelf lijkt dit
mij zeker niet uitgesloten, maar daar staat tegenover dat hij in reg. 6 eveneens een praesens gebruikt (bouwdt voor conderet), al is er daar geen uitgangspunt voor een misverstand. Doordat in zijn eerste regel vluchten in rijmpositie staat, ziet Van Engelen zich genoodzaakt Italiam enigszins geforceerd te vertalen met ‘'dItaliansche luchten’. In reg. 3a verraadt ‘Lavinas' strand'’, dat hij Lavina litora - er had Lavinia moeten staan, maar dat kan een onnauwkeurigheid zijn geweest in de door hem gebruikte tekst-editie - niet begrepen heeft als strand van Lavinium. - In reg. 3b-5 blijven de vertaalde onderdelen zonder logisch zinsverband vrijwel los naast elkaar staan. In reg. 3b werd ‘Door noot-lot’ kennelijk ingevoegd, om goed te maken dat fato uit reg. 2 van het Latijn tot dusver onvertaald was gebleven. Het daarop volgende ‘zoveel le’ maakte in reg. 4 een rijmwoord op e(e) nodig; terwille daarvan werd Vi superûm met de persoonsvorm stre verbonden (‘met hoge machten stre’). In reg. 5 gaat de vertaler echter door, alsof er in het voorgaande - zoals in het Latijn! - enkel van lijden en niet ook van strijden sprake was geweest; ‘oock veel door oorloghs plagen’ sluit, òver het stre van reg. 4 heen, bij ‘zo-veel le’ uit reg. 3 aan. - Reg. 7b-8 zijn al bijzonder ongelukkig uitgevallen. Om te beginnen maakt Van Engelen een fout bij de vertaling van genus vnde Latinum (waaruit het Latijns geslacht ...). Vermoedelijk heeft hij ‘Latinus’ gelezen en dit opgevat als een substantief: ‘geslacht, waar uyt dat den latijn ...’. Verder heeft hij in reg. 7 van het Latijn altae blijkbaar verward met alta, zodat hij dit adiectief op ‘wallen’ betrekt in plaats van op Rome. Het resultaat van deze twee vergissingen is een ondoorzichtige zin, die pas enige - hoewel niet de juiste - zin krijgt, wanneer wij in reg. 8 hooch als adiectivum postpositum onderkennen. De betekenis wordt dan: ‘geslacht, waaruit de Latijn, de Albaanse stamvaders en de hoge muren van Rome zijn voortgekomen en nog steeds bestaan’. - In de invocatio is het niet anders. Ik wijs slechts op de willekeurige invoeging van ‘Der Goden Koningin’ in reg. 11, midden in een toch al gecompliceerde zin waarvan ‘wat Godthyt’ (reg. 9) het subject is. Verder valt de toevoeging van reg. 12b - die zowel de regel moet vullen als een rijmwoord opleveren - geheel uit de toon. Niet alleen wordt de kracht van de voorafgaande rhetorische vraag door dit ‘antwoord’ gebroken, maar ook is het niet het antwoord dat Vergilius wilde suggereren.
Er zouden in deze korte passage nog wel meer ongerechtigheden te signaleren vallen. Maar het bovenstaande is, dunkt mij, voldoende om aan te tonen, hoe ondeskundig en stuntelig Van Engelen vertaalt, als hij zich enkel door het streven naar letterlijkheid laat leiden.
Tegenover deze cumulatie van onhandigheid stel ik mijn tweede citaat, als proeve van wat hij bereikt wanneer hij wat zelfstandiger tegenover het Latijn durft zijn. Ik koos daarvoor de episode over het ‘huwelijk’ van Aeneas en Dido tijdens de jachtpartij buiten Carthago (Aen. IV, reg. 151-172).
Op blz. 188-190 vinden wij in Van Engelen's uitgave de Latijnse tekst:
De Nederlandse vertaling staat er, op de gebruikelijke wijze, tegenover op blz. 189-191. Deze luidt:
Het zou geen moeite kosten ook in deze passage dezelfde soort fouten en eigenaardigheden aan te wijzen als in de vorige. Men lette b.v. op de foutieve vertaling van vocat als ‘roept’ in plaats van ‘noemt’ in de laatste regel. Ik laat dat aspect ditmaal echter rusten om de aandacht te vestigen op de meerdere vrijheid die Van Engelen zich hier veroorlooft, weliswaar ten koste van de letterlijkheid, maar ten voordele van de begrijpelijkheid. Dat hij daarbij moeilijke gedeelten - b.v. de begeleiding van de ‘bruiloft’ door Tellus, Juno, de lucht en de bergnimfen - wel eens anders interpreteert dan Vergilius ze bedoelde, mogen wij hem nauwelijks kwalijk nemen. Het doorhakken van dergelijke knopen behoorde tot de vertaal-techniek van zijn tijd, en er komt tenminste iets zinnigs uit tevoorschijn. Opmerkelijk zijn echter de amplificaties in de regels 5-6, 9-10, 16-17, 24. Daar geeft Van Engelen er blijk van, over genoeg verbeeldingskracht te beschikken om aan de beschreven situatie kleine details toe te voegen, die er de levendigheid van verhogen. De geiten, die op hun vlucht ‘stientiens neersmyten’ (reg. 5) zijn raak gezien.64 Reg. 6 is minder geslaagd, zowel door het ontbreken van een persoonsvorm als door het gebruik
van het woord tegenweer, dat niet in deze context past en kennelijk op rijmdwang berust. Daarentegen is in reg. 9-10 de tekening van het vluchtende dier, dat telkens omkijkt waar zijn achtervolgers blijven, weer een goede vondst - zij het met de restrictie dat het bewuste dier een hert is, van wie wij ons deze gedragslijn moeilijk kunnen voorstellen. De regels 16-17 bevatten de beste van deze amplificaties; vooral het hóren van de druppels nog vóórdat men ziet of voelt dat de regen begonnen is, getuigt van scherpe waarneming. Dat in reg. 24 de spelunca, waarin Dido en Aeneas een schuilplaats zoeken, als een verlaten leeuwenhol wordt voorgesteld, is niet onaanvaardbaar, en dat de beide vorsten desondanks niet ‘vreesden deze ruympt’, accentueert nog eens indirect de hevigheid van het noodweer.
Een geslaagde vertaling kan men ook dit fragment zeker niet noemen! Maar hier is de Nederlandse tekst tenminste zonder àl te veel moeite te volgen, en de amplificaties brengen er een spoor van levendigheid in. Gelukkig voor de lezers, ligt het gemiddelde van de vertaling in het algemeen wat dichter bij het tweede citaat dan bij de minus-pool van het eerste. Maar daarmee is dan ook wel alles gezegd wat er aan goeds te zeggen valt.
De vraag dringt zich op, of Van Engelen - evenals Westerbaen - de Aeneis-vertaling van Vondel gekend en daarvan bij zijn werk gebruik gemaakt heeft. De even stuntelige als eigenzinnige vertaal-techniek van de Antwerpenaar maakt het echter bijzonder moeilijk, op deze vraag een bevredigend antwoord te geven. De afstand tussen zijn taalgebruik en dat van Vondel is zó groot dat er nauwelijks rechtstreekse ontleningen mogelijk zijn, die als bewijs van afhankelijkheid kunnen gelden.
Ik heb op twee manieren getracht een oplossing voor het probleem te vinden. Eerst heb ik een reeks plaatsen vergeleken, waar Vondel van de Latijnse tekst afwijkt, om na te gaan of de afwijking ook bij Van Engelen voorkomt. Vervolgens heb ik een aantal letterlijke vertalingen van beide auteurs naast elkaar gelegd. Als zowel door de een als de ander getracht wordt de oorspronkelijke tekst zoveel mogelijk ad verbum weer te geven, betekent dit namelijk niet dat zij daarbij ook tot dezelfde oplossingen, woorden en termen moeten komen. Er blijft een zekere marge, binnen welke de auteur ook bij grote tekstgetrouwheid toch een eigen stempel aan zijn taal geven kan. Bij Vondel is dat stempel geprononceerd en persoonlijk genoeg om gemakkelijk herkenbaar te zijn. Is er in het werk van Van Engelen iets te vinden, dat genoegzaam aan Vondel's stempel herinnert om verband waarschijnlijk te maken?
De eerste methode leidde niet tot een definitieve conclusie. Van de Vondeliaanse ‘afwijkingen’, die ik onderzocht, bleken er enkele óók bij Van Engelen voor te komen; bij andere was dit echter niet het geval. Het laatste bevestigt dat de Antwerpenaar inderdaad van het Latijn uitging en niet van Vondel's vertaling - zoals wij reeds wisten door onze analyse van het eerste citaat. Daarnaast zouden de gemeenschappelijke afwijkingen er echter op kunnen wijzen dat hij Vondel toch wel eens raadpleegde: bij wijze van commentaar voor moeilijke plaatsen in het Latijn. Is dat misschien het geval geweest, toen hij Aen. II, 574, vertaalde? Het gaat daar om het moment, waarop Aeneas tijdens zijn tocht door het brandende Troje de oorzaak van alle ellende, Helena, invisa(m) bij het altaar van Vesta aantreft. Vondel had dit invisa weerge-
geven met ‘schuw voor alle man’.65 Van Engelen schijnt daarbij aan te sluiten: ‘(Zy) Versteeckt haar, aan 'd ouwtaar, van al de wereldt schouwe’ (blz. 99). Maar schouwe staat bij hem in rijm-positie, zodat wij voorzichtig moeten zijn met het trekken van een conclusie uit deze overeenkomst; zij zou een toevallig gevolg kunnen zijn van rijmdwang! - In Aen. III, 341, vraagt Andromache, als Aeneas haar in Epirus ontmoet, of Ascanius zich zijn verloren moeder nog herinnert. Vondel vertaalde echter: ‘Denckt de knaep noch wel om zijn verloren vaderlant?’ Van Engelen doet hetzelfde: ‘heucht het [kint] noch zyn's landt?’ (blz. 143), Maar Vondel's interpretatie blijkt te berusten op de commentaar van Stephanus of Taubmann,66 en dat zou dus ook voor de vertaling van Van Engelen kunnen gelden, buiten Vondel om. Opnieuw is er aanleiding tot voorzichtigheid bij het trekken van een conclusie. - Hetzelfde geldt nogmaals voor de accent-verzwaring, die Vondel in Aen. I, 94, aanbrengt door ‘terque quaterque beati’ te vertalen met ‘duizentmael geluckiger’.67 Van Engelen heeft hier: ‘Geluckich duzent-maal’ (blz. 9). Maar ligt het niet voor de hand terque quaterque met een goed-vaderlandse uitdrukking weer te geven in plaats van vast te houden aan ‘driewerf, ja vierwerf’, dat in het Nederlands zoveel minder expressief is?
Langs deze weg kwam ik dus niet tot zekerheid, al valt niet te ontkennen dat de gesignaleerde overeenkomsten op enig verband tussen de beide vertalingen zouden kùnnen wijzen.
Bij de toepassing van mijn tweede methode ben ik in de eerste plaats uitgegaan van de beide hierboven geciteerde fragmenten, omdat ik daarbij in de noten óók Vondel's vertaling heb opgenomen. De lezer kan dus zelf de beide teksten vergelijken.
In het eerste fragment vragen slechts drie overeenkomsten de aandacht. In reg. 5 wordt ira, juist maar niet vanzelfsprekend, vertaald als wrock; in reg. 6 deos (Penaten) als zyn Goden, met toevoeging dus van een possessivum dat in het Latijn wel bedoeld wordt, maar er niet staat. Vondel's Aeneis-in-proza heeft in beide gevallen precies hetzelfde. Toeval of niet? Vooral bij de interpretatie van ira als wrock in plaats van toorn is het laatste zeker niet ondenkbaar. Bovendien heeft ook Vondel hoog bij muren getrokken in plaats van bij Rome. - In het tweede fragment hebben de beide Nederlandse teksten méér woorden en uitdrukkingen met elkaar gemeen, die niet direct met het Latijn gegeven zijn. Zo in reg. 3 bij Van Engelen schuyl-houken; in reg. 9 heuvels; in 27 ken (bij Vondel: kennis); in 30 En past op gout noch quaat.68 Het laatste geval heeft de meeste overtuigingskracht, maar al met al leveren ook de overeenkomsten in dit tweede fragment geen bewijs op, dat als definitief kan worden beschouwd.
Ik heb dus ook nog enkele andere passages op woord-overeenkomsten onderzocht. Het resultaat was echter steeds weer hetzelfde: meermalen is er een treffende gelijkheid die samenhang doet vermoeden, maar steeds blijft deze te vluchtig om zekerheid te verschaffen. Wel heb ik kunnen constateren, dat Van Engelen zich gaandeweg wat minder moeite gegeven heeft om letterlijk te
vertalen. Het is trouwens aannemelijk, dat hij al doende tot het inzicht gekomen is dat het resultaat van zijn letterlijkheid niet opwoog tegen de inspanning en de tijd die zij hem kostte. Daardoor zou hij wat volgzamer geworden kunnen zijn ten aanzien van de commentaren en voorbeelden, waarvan hij gebruik maakte. Oók ten aanzien van Vondel's vertaling? In ieder geval vinden wij in het zesde boek - het laatste dat Van Engelen voltooide - een paar plaatsen die wel héél dicht bij de tekst van zijn voorganger aansluiten.
Als Aeneas, op zijn tocht door de onderwereld, de schim van Dido voor zich ziet wegvluchten, roept hij haar na: ‘Siste gradum, teque adspectu ne subtrahe nostro. // Quem fugis?’ (Aen. VI, 465-466a). Vondel vertaalde: ‘Blijf toch staen, en vertreck niet uit onze oogen. Wien vliet ghy?’ (WB VI, 712, reg. 501-502). Bij Van Engelen vinden wij dit vrijwel letterlijk terug: ‘Blyft doch een wynigh staan, vertreckt niit uyt ons ógen, // Wi vliidt ghy?’ (blz. 347).
Na zijn terugkeer op de bovenwereld voegt Aeneas zich weer bij zijn reisgenoten en zet met hen koers naar Caieta: ‘Ille viam secat ad naves, sociosque revisit. // Tum se ad Caietae recto fert litore portum’ (Aen. VI, 899-900). Bij Vondel: ‘Eneas neemt zijnen -wegh naer de schepen, en bezoeckt zijne mackers: daer na vaert hy, recht uit, het strant langs, naer de haven van Kajete toe’ (WB VI, 748, reg. 937-939). Bij Van Engelen (blz. 387):
Deze laatste plaatsen geven voor mij de doorslag. In combinatie met de eerder besproken overeenkomsten leveren zij m.i. voldoende grond om te concluderen, dat Van Engelen in ieder geval Vondel's Aeneis-in-proza gekend heeft, en op een later tijdstip misschien ook de berijming uit 1660 onder de ogen heeft gekregen. Voor zijn vertaling maakte hij er een schaars gebruik van; waarschijnlijk raadpleegde hij Vondel's werk meer bij wijze van commentaar dan om eraan te ontlenen. Toch deed hij ook dit laatste wel eens, aanvankelijk om zijn voordeel te doen met gelukkig-gevonden afzònderlijke woorden bij zijn voorganger, maar later met een toenemende neiging om op wat ruimere - zij het nog steeds: zeer beperkte - schaal aan hem te ontlenen.
De Aeneis-vertaling van Roeland van Engelen heeft geen enkele literaire waarde. Maar uit literair- - of, als men liever wil: cultuur- - historisch oogpunt heeft zij wel degelijk betekenis. Zij brengt ons namelijk in aanraking met een poging, die wij in de epische situatie ten onzent gedurende de 17de eeuw niet eerder zijn tegengekomen: die om bij de vertaling van een bewonderd epos letterlijkheid en dichtvorm beide te realiseren. Dat die poging bij voorbaat tot mislukking gedoemd was, doet aan het interessante van het verschijnsel niet af.
Nieuw is eveneens de opzet van Van Engelen: door middel van een letterlijke vertaling de Aeneis ook in de oorspronkelijke taal voor zijn lezers toegankelijk te doen worden, althans hen te helpen zich het Latijn eigen te maken. Doordat de praktijk hem noodzaakte gaandeweg steeds meer water in
de wijn van zijn letterlijkheid te doen, is er van deze opzet niet veel terechtgekomen.
Opmerkelijk is verder, dat Van Engelen het de moeite waard vond zijn eigen vertaling