Negen jaar na Rabus' Verlost Britanje verscheen het eerste deel van het epos dat er als het ware door was voorbereid: Wilhem de Derde van de Utrechtse dichter Lucas Rotgans. Maar intussen was er heel wat gebeurd en veranderd. Wat in 1689 een glorieus eindpunt had geleken - de zegepraal van het Protestantisme in Engeland door de kroning van Willem iii en Maria -, was het uitgangspunt geworden voor een verbitterde negenjarige oorlog tegen het expansionisme van Lodewijk xiv, waarbij vrijwel heel Europa betrokken raakte. Slechts dank zij de krachtige leiding en het doorzettingsvermogen van Willem iii was het de Bondgenoten - Engeland, de Republiek, Spanje, Savoye, de Keizer en een aantal Duitse vorsten - met veel moeite gelukt paal en perk te stellen aan de Franse veroveringsdrift. Daarmee waren de gebeurtenissen uit 1688 en de figuur van de Prins in een ander licht komen te staan. De Glorious Revolution kon niet meer worden gezien als een op zichzelf staand feit; doordat zij Engeland uit de invloedssfeer van Lodewijk xiv had losgebroken en in het anti-Franse kamp gebracht, was zij een keerpunt in de geschiedenis van Europa gebleken. En Willem was niet enkel meer de bevrijder van Engeland, maar de beschermer van het gehele continent tegen de tyrannie en de gewetensdwang van de Franse koning. Er had zich ten aanzien van hem een schaalvergroting voorgedaan, die epopisering op de smalle basis van Rabus uitsloot. In het epos van Rotgans neemt de tocht naar Engeland dan ook een betrekkelijk bescheiden plaats in en beslaat slechts één van de acht boeken.
Wat wij omtrent Lucas Rotgans weten, hebben wij in de eerste plaats te danken aan diens vriend en uitgever François Halma. In 1715 - vijf jaar na de dood van de dichter - gaf deze in Leeuwarden Lukas Rotgans Poëzy uit, waarin hij alle gedrukte en ongedrukte werk van zijn vriend opnam dat hij in handen had kunnen krijgen, met uitzondering van diens epos dat na een gedeeltelijke herdruk nog gemakkelijk verkrijgbaar was.1 In het uitvoerige Voorberecht, dat hij aan deze uitgave deed voorafgaan, gaf Halma ook een levensbeschrijving en karakteristiek van zijn gestorven vriend. Erg nauwkeurig blijkt hij ten aanzien van de feiten echter niet te zijn geweest. Het is de verdienste van Mevrouw Drs. A.M.C. van Schaik-Verlee op grond van archiefonderzoek te hebben aangetoond, dat Halma's biographische mededelingen
weinig betrouwbaar zijn en op allerlei punten correctie behoeven.2 Voor mijn overzicht van Rotgans' leven heb ik van haar rechtzettingen bij Halma's biographie dankbaar gebruik gemaakt.
De dichter werd in november 1653 te Amsterdam geboren als oudste zoon van een welgestelde familie. Zijn ouders waren of kwamen in het bezit van de buitenplaats Nijenrode aan de Vecht, waar hij naar zijn eigen woorden ‘zorgeloos (z)yn eerste jeugdt gesleten’ heeft.3 Enkele maanden vóór de Franse inval van 1672 stierf zijn vader; waarschijnlijk was zijn moeder reeds eerder overleden. De 18-jarige Lucas nam dienst in het leger van de Prins en had als vaandrig deel aan de krijgsverrichtingen tot 1674. In dat jaar verliet hij - zoals Halma het uitdrukt - ‘weder de krygstucht’, eensdeels omdat hij niet bevorderd werd, anderdeels omdat het ergste gevaar voor het land toen geweken was ‘en men met bezoldelingen, zoo in- als uitlanders, het oorlog kon gaande houden en uitvoeren’.4 Bij wèlke oorlogshandelingen Rotgans als militair betrokken is geweest, wordt nergens vermeld, zodat niet valt na te gaan of hij een herinnering daaraan in zijn epos verwerkt heeft.
Doordat hij ambteloos bleef, is er over de eerstvolgende jaren van Rotgans' leven niet zo heel veel bekend. Wij weten echter, dat hij na de vrede van Nijmegen in 1678 een reis door Frankrijk heeft gemaakt en enige tijd in Parijs verbleef. Na zijn terugkeer huwde hij in 1681 met Anna Adriane de Salengre, die hem drie kinderen schonk: een zoon en twee dochters; de zoon schijnt echter spoedig gestorven te zijn, zodat Halma hem niet eens noemt. Gedurende zijn huwelijksjaren was Rotgans inwoner van de stad Utrecht, al verbleef hij ook gaarne op zijn buitenplaats Kromwyk (tussen Maarssen en Breukelen), die na de verwoesting door de Fransen in nieuwe luister herrezen was. Na de dood van zijn vrouw in 1689 trok hij zich steeds meer op Kromwyk terug, waar zijn twee dochters - die hij vanwege hun prille jeugd eerst aan de zorg van ‘naastbestaanden’ (zijn zuster en zwager?) had moeten toevertrouwen - later met hem kwamen samenwonen. Ook toen bleef hij echter ingeschreven als burger van Utrecht, zoals blijkt uit het privilege voor de uitgave van Wilhem de Derde. In dit officiële stuk, gedateerd op 31 juli 1697, wordt de dichter aangeduid als ‘Lucas Rotgans, woonende tot Utrecht’. Waarschijnlijk had deze zijn huis in de stad dus aangehouden. Werkelijk gewoond heeft hij daar evenwel niet meer. Het was dan ook op Kromwyk, dat hij de derde of vierde november5 1710 aan de kinderpokken gestorven is. Enkele dagen later, de 8ste, werd hij in de kerk van Breukelen bijgezet in het familiegraf.
Volgens Halma is Rotgans zich eerst in zijn weduwnaarsjaren op Kromwyk serieus gaan toeleggen op het schrijven van poëzie. Als zijn eerste grote werk is daar Wilhem de Derde ontstaan.
Terecht heeft M.E. van Slooten gewezen op het verband tussen dit epos en een bepaalde strofe uit Rotgans' welkomst-gedicht voor Willem iii, toen deze in januari 1691 voor de eerste maal als koning van Engeland naar de Republiek terugkeerde.6 In die strofe wordt de gedachte uitgesproken, dat Willem's daden eigenlijk in een heldendicht zouden moeten worden bezongen. En de context, waarin dat gebeurt, is merkwaardig genoeg om er even bij stil te staan.
Voor zover uit Halma's editie van zijn poëzie valt op te maken, heeft Rotgans vóór 1691 slechts een heel enkele maal met een gelegenheidsgedicht op de politieke gebeurtenissen van zijn tijd gereageerd. Aan de belangrijkste daarvan, de tocht van Willem iii naar Engeland en het verloop van de ‘Glorious Revolution’, had hij - merkwaardig genoeg - géén poëtische aandacht besteed.7 Maar hij revancheerde zich in het welkomst-gedicht van 1691: Aan Zyne Koningklyke Majesteit Wilhem den III, Koning van Engelandt, Schotlandt, Vrankryk en Yerlandt, Erfstadthouder der Vereenigde Nederlanden, Op zyne overkomste in Hollandt.8 In deze uitvoerige lof- en vreugdezang van niet minder dan 68 tien-regelige strofen komen alle roemruchte daden aan de orde, die Willem iii tussen 1688 en het begin van 1691 verricht had: niet alleen de bevrijding van Engeland, maar ook de slag aan de Boyne en de campagne in Ierland. Na dit alles gereleveerd te hebben, beschrijft Rotgans de vreugde van ‘de Nederlandtsche Maagdt’, nu zij haar ‘Staats Beschermheer’ met zoveel glorie ziet terugkeren. In dat verband herinnert hij aan de redding van de Republiek door Willem in de jaren 1672-1674, ‘toen zyn handt // Den vyandt aarslen deede, en vluchten, // Als Overyssel, Gelderlandt, // En Utrecht onder hem most zuchten’. En deze terugblik culmineert in de strofe waarom het ons te doen is, de 54ste:
Na deze strofe keert de dichter terug tot de actualiteit van het ogenblik: de feestelijkheden in Den Haag bij de plechtige intocht van de Stadhouder-Koning op 5 februari 1691. Wij volgen hem daarin niet, maar richten onze aandacht op de implicaties van de geciteerde strofe.
Inderdaad roept Rotgans hier - zoals Van Slooten heeft opgemerkt - zijn mededichters op tot het schrijven van een heldendicht over de daden van Willem iii. Het merkwaardige is echter, dat hij daarbij niet de ‘verlossing’ van Engeland op het oog heeft, maar de bevrijding van de Republiek in 1672-1674! Ik kan mij moeilijk aan de indruk onttrekken, dat er een lichte wrevel in doorklinkt om de eenzijdige verheerlijking van de Prins als bevrijder van Engeland, met verwaarlozing van de veel hachelijker bevrijding van de Republiek, die daaraan was voorafgegaan. 1688 mocht 1672 niet doen vergeten! Ten aanzien van ‘'t geen de Koning heeft verricht, // Voor ons, in die voorlede tyden’ hadden de dichters wat goed te maken, want tot dusver hadden zij er niet de aandacht aan besteed die het verdiende.
Uit deze incidentele opmerking mogen wij zeker niet afleiden, dat de dichter in 1691 zelf al plannen voor een epos had. Maar zij is in zoverre van belang dat wij erdoor gaan begrijpen, waarom in Wilhem de Derde de bevrijding van de Republiek met méér nadruk en uitvoerigheid behandeld wordt dan de tocht naar Engeland.
Wannéér Rotgans met het schrijven van zijn heldendicht begonnen is, valt niet na te gaan. Vermoedelijk echter eerst geruime tijd na 1691; anders zou hij in 1698 wel meer dan vier boeken hebben kunnen publiceren. Het meest waarschijnlijk lijkt mij, dat hij pas in het voorjaar van 1695 definitief de pen op papier heeft gezet. Ik grond dit op de volgende twee overwegingen.
Voor een epos, waarin zoveel politieke en militaire gebeurtenissen moesten worden verwerkt als in Wilhem de Derde, diende de dichter toch wel te kunnen steunen op een samenvattend historiewerk, ter verificatie van zijn persoonlijke herinneringen en ter aanvulling van de gegevens, die hem voor bepaalde onderdelen werden verschaft door de talrijke ‘oprechte’, ‘seeckere’, ‘waerachtighe’ verhalen en relazen in pamfletvorm. Zulk een historiewerk kwam in 1694 van de pers onder de titel Het Leven en Bedryf van Willem de Darde door L.S.;10 de initialen staan voor Lambertus Silvius, latinisering van Lambert van Bos: de auteur die wij in hoofdstuk ix hebben leren kennen als de eerste Nederlandse epen-dichter uit de 17de eeuw.11 Men kan dit werk niet zonder meer de bron van Rotgans noemen; daarvoor gaat deze in zijn epos te zelfstandig zijn gang, soms zelfs met vermelding van bijzonderheden die bij Silvius niet voorkomen. Maar er zijn, dunkt mij, toch genoeg overeenkomsten - met name wat de volgorde betreft waarin gelijktijdige gebeurtenissen worden behandeld - om het aannemelijk te maken dat de dichter dit boek tot zijn beschikking had en er meermalen gebruik van gemaakt heeft.
Een tweede terminus post quem meen ik te mogen afleiden uit de opvallend
sterke nadruk, die Rotgans in zijn epos legt op de liefde tussen Willem en Maria. In het voorbericht Aan den Lezer vraagt hij speciaal aandacht voor ‘de Huuwlyksliefde, de hoofdstoffe van myn Heldendicht’. En daarmee doelt hij niet enkel op het feit dat het huwelijk van Willem iii met Maria zulke vèrstrekkende politieke gevolgen heeft gehad, doordat het voor hem de weg opende naar de Engelse troon en hem zo de gelegenheid bood Engeland tot een doorslaggevende factor te maken in zijn strijd tegen de overheersing van Europa door Frankrijk. Natuurlijk gaat de dichter aan dit aspect niet voorbij; hij ziet - zoals hij het in zijn Opdragt uitdrukt - Willem's huwelijk als ‘Door 't nootlot van den waaren God bepaalt, // Om Jezus Kerk noch hooger op te bouwen’. Maar deze zienswijze had niet behoeven in te sluiten dat de liefde tussen de beide vorsten door het hele werk heen telkens weer wordt uitgebeeld en onderstreept als iets héél bijzonders. Ik ben dan ook geneigd aan te nemen, dat Rotgans daarvoor een concreet uitgangspunt had. En het meest komt als zodanig in aanmerking de dood van Maria op 7 januari 1695,12 in de leeftijd van 32 jaar. Het verdriet van Willem was zó hevig, dat zowel Engelsen als Nederlanders erdoor verrast en ontroerd werden. Een tijdlang moest men zelfs vrezen, dat de Koning de slag niet te boven zou komen. Het is géén overdrijving, wanneer Rotgans in zijn lijkzang voor Maria opmerkt dat men ‘Zyns Konings doodt vreest uit de doodt van zyn Vorstin’.13 Tegen deze achtergrond wordt het begrijpelijk, dat in Wilhem de Derde de liefde zoveel nadruk krijgt. Maar dan moet de dichter bij de opzet van zijn epos zijn uitgegaan van wat in januari 1695 gebleken was.
Wanneer mijn hypothese omtrent voorjaar 1695 als de tijd waarop Rotgans met het schrijven van zijn heldendicht begon, juist is, kunnen wij ons wel zo ongeveer voorstellen welk concept hem toen voor ogen stond. Wij mogen immers aannemen dat de eerste vier boeken, die in 1698 verschenen, aan dit concept beantwoorden. Als een gouden draad zou de liefde van Willem en Maria door het gehele werk moeten heenlopen; vandaar de inzet met een brede epopisering van hun huwelijk, die daarvoor de basis legt. Daarnaast moest Willem worden verheerlijkt als de door God geroepen beschermer van het Protestantisme en de vrijheid, eerst in de Republiek, vervolgens in Engeland en Ierland, tenslotte in heel West-Europa. Er is niets dat zich verzet tegen de veronderstelling, dat de dichter reeds in 1695 deze omvangrijke stof over acht boeken verdeeld had. Het enige, waarnaar wij slechts kunnen gissen, is wat hem toen als eindpunt van zijn epos voor ogen stond. Aanvankelijk misschien de dood van Maria, waardoor het liefdesmotief een afsluiting gekregen zou hebben, evenwaardig aan de beschrijving van het huwelijk in boek i? Tegen deze, op zichzelf niet onplausibele, gedachte pleit echter dat zulk een slot in een heldendicht niet zou hebben gepast; dat behoorde nu eenmaal in majeur te eindigen. Trouwens, ook àls het zo was, dan moet Rotgans daar toch weer spoedig van hebben afgezien. Op 5 september 1695 slaagde Willem iii er namelijk in, de sterke vesting Namen op de Fransen te heroveren. Het was zijn eerste grote succes op het vasteland in de Negenjarige Oorlog, die voor hem weinig gunstig verliep, al lukte het hem steeds weer de vijand te verhinderen
profijt te trekken van zijn militaire superioriteit. Rotgans zal ongetwijfeld begrepen hebben dat hij aan dit glorieuse feit niet voorbij kon gaan, en dienovereenkomstig zijn eindpunt hebben verschoven. Misschien zonder zich daarbij al te zeer aan een nieuw schema te binden. Er kon immers vóór de voltooiing van de Wilhem nog wel méér gebeuren, dat erin verwerkt behoorde te worden. Inderdaad volgde in 1696 nog de grote samenzwering, waarbij de moord op Willem het sein had moeten zijn voor een algemene opstand van de Jacobieten in Engeland en een invasie van Jacobus ii uit Frankrijk. Ook de mislukking van dit uiterst gevaarlijke plan mocht in het epos niet ontbreken, omdat er zo duidelijk uit bleek hoe God over Willem waakte: een nieuw bewijs van diens grootheid!
Intussen werkte Rotgans, ondanks de onzekerheid omtrent het eindpunt, gestadig aan de Wilhem voort. In de eerste maanden van 1697 had hij, na twee jaar arbeid, de helft daarvan klaar of iets meer. Maar toen kwam hij ineens tot het besluit, de eerste helft alvast uit te geven, zonder te wachten tot ook de tweede gereed was. Wat heeft hem tot die vreemde beslissing gebracht?
Ik meen dat het antwoord op deze vraag moet worden gezocht in de politieke ontwikkelingen van 1697. Terwijl de dichter druk bezig was met het bezingen van Willem's krijgsverrichtingen in de Negenjarige Oorlog, hoorde hij dat op 9 mei in Rijswijk de vredesonderhandelingen begonnen waren, die een einde aan deze oorlog moesten maken. Er mocht worden verwacht, dat zij een positief resultaat zouden hebben. In de ogen van het grote publiek, dat niet kon voorzien hoe weinig duurzaam de komende vrede zou blijken, werd daarmee de kroon op het werk van Willem iii gezet. Er zou officieel door worden bevestigd, dat deze erin was geslaagd de overheersing van Europa door Lodewijk xiv te verhinderen. Voor Rotgans was die vrede tevens een ideale afsluiting van zijn epos: de zegepraal van zijn held. Hij kon nu ook het concept van het achtste boek definitief afronden.
Het moet de dichter echter aan het hart gegaan zijn, dat hij met zijn heldendicht nog niet ver genoeg gevorderd was om dat bij het sluiten van de vrede in zijn geheel, als hulde aan de overwinnaar, te kunnen publiceren. Met de voltooiing zouden, in het tempo waarin hij werkte, nog wel enkele jaren gemoeid zijn. Als het epos eerst dan werd uitgegeven, zou het voor de vredesviering van 1697 mosterd na de maaltijd zijn. Om toch iets van zijn grote werk bij de maaltijd te serveren, besloot Rotgans de reeds voltooide helft in het licht te geven als ‘Eerste Deel’. Dat was zonder veel bezwaar uitvoerbaar, doordat de eerste vier boeken uitliepen op een climax die als voorlopig eindpunt kon fungeren: de kroning van Willem en Maria tot koning en koningin van Engeland. En het was niet zonder zin bij de vrede van 1697 nog eens te herinneren aan de gebeurtenissen van 1688 en 1689, die geleid hadden tot de oorlog waaraan nu een einde kwam.
De datum van het druk-privilegie - 31 juli 1697 - maakt het aannemelijk dat dit door Rotgans werd aangevraagd, zodrà hij gehoord had dat er spoedig vrede kon worden verwacht. De Staten van Holland en West-Friesland verleenden hem dat privilegie ‘gedurende den tyd van vyftien eerst agtereenvolgende jaren’ na een request, waarin werd uiteengezet ‘hoe dat hy geerne Wilhem de derde Koning van Groot-Brittanien, door hem in Heldendicht beschreven, en in acht Boeken verdeelt, midsgaders zyne verdere dichtkundige Werken met den druk soude gemeen maaken, ende onder zyne dagelykse toesigt en gedurige nalésing tot Utrecht laten drukken’.
Het verdient opmerking, dat Rotgans privilegie heeft aangevraagd voor de acht boeken van zijn epos, ook al wist hij dat hij er voorlopig slechts vier zou kunnen uitgeven. Daaruit blijkt dat hij Wilhem de Derde inderdaad als één doorlopend geheel beschouwde, en dat niet moet worden gedacht aan een combinatie van twee min of meer zelfstandige delen. - Verder valt het op, dat Rotgans van de gelegenheid gebruik maakte om tevens ‘zyne verdere dichtkundige Werken’ veilig te stellen. Ik meen daarin een aanwijzing te mogen zien voor sterkere bewustwording van zijn dichterschap. Tot dusver was hij slechts gelegenheidsdichter geweest: iemand die met zijn verzen reageerde op gebeurtenissen van de dag, zowel in de publieke sfeer als in die van zijn kennissenkring. De meeste van die verzen zullen wel zijn gedrukt, in plano of in pamfletvorm. Maar het bleven incidentele uitingen van een ‘liefhebber’, niet belangrijk genoeg om ze voor nadruk te vrijwaren door het aanvragen van een privilegie. Met Wilhem de Derde lag de zaak echter heel anders. Dat was gróót werk, waarmee Rotgans boven het peil van de gelegenheidsdichter uitrees om zich te scharen in de kring van de serieuse, officiële beoefenaars van de poëzie. Nu was dus wèl een privilegie wenselijk. Maar daardoor kreeg tevens zijn kleiner werk een nieuwe betekenis, zowel het eerder geschrevene als dat wat later zou ontstaan. Voor de verzamelbundel van een officiële dichter mocht immers belangstelling van het publiek worden verwacht, zodat het zin had zulk een bundel bij voorbaat te beschermen. En misschien heeft Rotgans ook al rekening gehouden met de mogelijkheid dat hij na de Wilhem ander ‘groot werk’ zou gaan entameren, zoals hij met zijn twee klassicistische tragedies - Eneas en Turnus en Scilla - ook inderdaad heeft gedaan. Door het privilegie van 1697 werd dat alles nu tot 1712 toe gedekt.
Het lijkt mij niet onwaarschijnlijk, dat Rotgans gehoopt heeft de verschijning van zijn eerste epos-helft te kunnen doen samenvallen met het sluiten van de vrede. Het privilegie was daarvoor tijdig genoeg afgekomen. En wij mogen aannemen, dat de kopy eveneens tijdig genoeg naar de drukker is gegaan. Dat valt naar mijn mening af te leiden uit het slot van het Aan den Lezer, waarin de dichter het tweede deel van zijn heldendicht aankondigt:
Nu is myn voornemen in een twede deel, onder Gods zegen, de banieren van den Koninklyken Veldheer te volgen; en myne oorlogstoonen met de Vrede, die alrede met een vriendelyk gelaat Europe toelacht, te besluiten. Neem genoegen; en vaar wel.Uit de wijze, waarop hier over de vrede gesproken wordt, kan ik niet anders opmaken dan dat deze op het moment van schrijven wel zeer nabij was, maar toch nog altijd definitief gesloten moest worden. Voor wat het aandeel van de dichter betreft, had diens hulde aan Willem iii dus inderdaad ongeveer bij het afkomen van de vrede - op 20 september - of althans nog in het vredesjaar 1697 kunnen verschijnen.
Als Rotgans daarop gehoopt of gerekend had, werd hij echter teleurgesteld. Het eerste deel van Wilhem de Derde kwam eerst in 1698 van de pers, al zal het waarschijnlijk wel in het begin van dat jaar zijn geweest. Het lijkt gerechtvaardigd te veronderstellen, dat de vertraging goeddeels toegeschreven moet worden aan de wens van de beide Utrechtse uitgevers - François Halma en
Willem van de Water - er een fraai boek van te maken. Behalve door het quarto-formaat, de prettige letter en de ruime interlinie, moest dit bereikt worden door toevoeging van een frontispice en van een allegorische ‘print’ (met ‘verklaring’) bij elk van de vier boeken. En natuurlijk mocht ook een adaequaat aantal drempeldichten niet achterwege blijven; het werden er negen, die samen 22 bladzijden beslaan. De uitgevers hebben inderdaad eer van hun werk gehad en een editie geleverd, die men met vreugde ter hand neemt. Maar de voorbereiding kostte natuurlijk tijd, veel méér waarschijnlijk dan waarop Rotgans gerekend had. De platen moesten worden besteld en vervaardigd, de daarbij behorende ‘Verklaringen’ geschreven,14 bevriende auteurs aangezocht om een drempeldicht. Vertragingen waren bij dit alles niet te vermijden. En zo kwam de vrede eerder tot stand dan het boek.
Inmiddels had Rotgans, in afwachting van het moment waarop hij dit ter afsluiting van zijn epos zou kunnen doen, de Vrede van Rijswijk alvast gevierd met een gelegenheidsgedicht: Vredetriomf, opgedragen aan ‘Hoofdschout, Burgermeesteren, en Raden der Stadt Utrecht’.15 Het is een mythologisch-allegorische vreugdezang, waaruit duidelijk blijkt hoezeer de dichter rekende op een duurzame periode van rust. Hij beeldt de Vrede uit op haar zegewagen, met de verslagen Mars in haar triomfstoet, overal juichend ‘Begroet van kindren, mans en vrouwen’ als de brengster van nieuwe voorspoed en nieuw geluk: ‘Zoo moet Godt Mavors trots verkeeren, // De Vrede oneindig triomfeeren’.
Maar toen Rotgans twee jaar later zijn epos voltooide, was het al meer dan duidelijk, dat er van een langdurige vrede geen sprake zou zijn. De Spaanse Successie-oorlog wierp zijn zware slagschaduw vooruit; elk ogenblik konden de vijandelijkheden opnieuw beginnen. De dichter liet zich daardoor niet afbrengen van het plan om de Vrede van Rijswijk tot afsluiting van zijn heldendicht te maken. Maar wanneer men die afsluiting naast de Vredetriomf stelt, voelt men duidelijk dat hij niet meer in de vrede van 1697 geloofde. In plaats van een apotheose wordt zijn vermelding ervan een korte en zakelijke mededeling, waaraan de plichtmatige hulde aan Willem iii die ‘schenkt de Vrede aan ons, legt Mavors aan den band, // En sluit de tempelpoort van Janus met (zyn) hand’, geen werkelijke luister verleent.
Het tweede deel van Wilhem de Derde verscheen in 1700, met een eigen titelblad en een eigen paginering, maar verder geheel als voortzetting van de eerste helft. Formaat, letter en interlinie komen volledig overeen. en ook hier zijn er de allegorische ‘printen’16 bij elk boek, met toelichtende bijschriften. Maar ditmaal is er géén frontispice en géén voorwerk, wat erop wijst dat de beide delen bedoeld waren om tot één geheel te worden samengebonden. Eén kleine afwijking van deze opzet heeft de dichter zich evenwel veroorloofd. Hij voegt een kort Aan den Lezer toe, waarin hij erop wijst dat hij voldaan heeft aan zijn belofte de daden van Willem iii tot de Vrede van Rijswijk te beschrijven. Zijn pessimisme omtrent de duurzaamheid van die vrede komt
echter tot uiting in wat hij daarop laat volgen:
maer indien het nootlot den gekerkerden Mars mogt ontsluiten, en de verzoende Vorsten tegens den anderen weder in vyantschap ontsteecken, dat God verhoede! ben ik van meninge in een derde deel, de heldentogten van den koninklyken Veldheer te volgen. Neem genoegen, en vaar wel!
Dat voornemen is logisch. Rotgans' opzet omvatte de strijd van Willem iii tegen de onderdrukkers van Protestantisme en vrijheid tot de overwinning toe. Zijn epos kon alleen maar eindigen met een beslissende zege van zijn held, zoals die van Aeneas op Turnus bij Vergilius of de verovering van Jeruzalem door Godfried bij Tasso. Als de vrede van Rijswijk slechts een pauze in de strijd zou blijken in plaats van een definitieve overwinning, dan betekende dit dus dat zijn heldendicht nog niet voltooid was en voortgezet diende te worden tot het wèrkelijke einde.
Tot dat derde deel is het nooit gekomen. Weliswaar werd de gekerkerde Mars inderdaad weer door het noodlot op Europa losgelaten, maar de vijandelijkheden waren nog maar nauwelijks begonnen, toen de stadhouder-koning op 19 maart 1702 overleed. De nieuwe oorlog was daardoor niet meer zijn oorlog. Voor hem was de Vrede van Rijswijk tenslotte tòch het eind- en hoogtepunt geweest. Er behoefde daarom aan het epos niets meer te worden toegevoegd. Het eindigde zoals het eindigen moest: met de overwinning van Willem. Historisch gezien een twijfelachtige overwinning, bezegeld door een niet minder twijfelachtige vrede - maar uit episch oogpunt het enige slot dat in de gegeven omstandigheden aanvaardbaar was.
Rotgans gaf aan zijn epos een zware titel mee, berustend op de waardigheden van zijn held. Het titelblad van het eerste deel vermeldt:
Wilhem de Derde, // door Gods genade, // Koning van // Engeland, Schotland, // Vrankryk en Ierland, // Beschermer des geloofs, enz. enz. enz. // In Heldendicht beschreven // Door L. Rotgans. // I. Deel. // vignet // T'Utrecht, // Gedrukt by { François Halma, / Willem vande Water, } Boekverkoopers. // 1698. // Met Privilegie van Haare Ed. Gr. Mogende.Het is zeker niet zonder bedoeling, dat de titel Beschermer des geloofs uitdrukkelijk wordt genoemd. In 1521 had Hendrik viii van de Paus officieel het recht ontvangen zich defensor fidei te noemen, als dank voor een geschrift tegen Luther. Na zijn breuk met de Rooms-Katholieke Kerk werd deze titel hem weer ontnomen, maar slechts om in 1544 opnieuw te worden verleend - ditmaal niet door de Paus, maar door het Parlement. Met fides werd daarbij niet langer het Katholicisme bedoeld, maar het Anglicanisme; de titel bevestigde dat de koning bij de scheuring erkend was als het hoofd van de Engelse Kerk: supreme Head in earth, immediately under God, of the Church of England, en als zodanig tot taak had haar beschermer te zijn. Ondanks modificaties in formulering en interpretatie van dit kerkelijk leiderschap was de titel sindsdien aan het Engelse koningschap verbonden gebleven. Maar in Willem iii was hij tot een nieuwe realiteit geworden, doordat deze metterdaad de Kerk van Engeland beschermd had tegen de katholiserende dwang van Jacobus ii,
zoals hij eerder in de Republiek de Gereformeerde religie gered had door de opmars van Lodewijk xiv te stuiten en hem te noodzaken tot ontruiming van de veroverde provincies. Op het titelblad van Rotgans is Beschermer des geloofs niet enkel een titel, maar de constatering van een feit.
Het titelblad van Deel ii is grotendeels conform aan dat van Deel i. Alleen is het uitgevers-adres in overeenstemming gebracht met het feit dat François Halma in 1699 zijn boekhandel en drukkerij van Utrecht naar Amsterdam had overgebracht. Aldus:
Wilhem de Derde, // door Gods genade, // Koningk van // Engeland, Schotland, // Vrankryk en Ierland, // Beschermer des geloofs, enz. enz. enz. // In Heldendicht beschreven // Door L. Rotgans. // ii. Deel. // vignet // t'Amsteld. / t'Utrecht. { by Francois Halma, / Willem vande Water, } Boekverkoopers. // 1700. // Met Privilegie van Haare Ed. Gr. Mogende.
Tien jaar later verscheen er een nieuwe, herziene druk van het Eerste Deel. De samenwerking van Halma met Willem van de Water blijkt dan te zijn opgehouden, zodat uitsluitend de eerste als uitgever vermeld wordt. Het titelblad luidt:
Wilhem de Derde, // door Godts genade, // Koning van // Engelandt, Schotlandt, // Vrankryk en Ierlandt, // Beschermer des geloofs, enz. enz. enz. // In Heldendicht beschreven // Door L. Rotgans. // i. Deel. // De tweede druk, door den Dichter naaukeurig overzien en beschaaft. // vignet // T' Amsterdam, // Gedrukt by François Halma, Boekverkoper, // In Konstantyn den Grooten, 1710. // Met Privilegie.
De herziening betekent niet alleen dat de ‘Drukfeilen’, die in de eerste druk waren opgemerkt en op de laatste pagina daarvan werden aangegeven, verbeterd zijn. Het gaat er in de eerste plaats om, dat Rotgans zijn tekst heeft beschaaft. Zoals wij nog zullen zien, stond hij sterk onder invloed van Boileau's Art poétique. Dat geldt ook voor de daarin voorkomende vermaning: ‘Hâtez-vous lentement; et, sans perdre courage, // Vingt fois sur le métier remettez votre ouvrage: // Polissez-le sans cesse et le repolissez; // Ajoutez quelquefois, et souvent effacez’ (I, 171-174). In hoever hij zich voor de versie van de eerste druk gehouden heeft aan het remettre sur le métier het ajouter quelquefois en het souvent effacer, valt niet na te gaan. Maar toen een tweede druk in zicht kwam, maakte hij daarvan dankbaar gebruik om te polir en repolir. Hij bracht talloze kleine veranderingen aan, die kennelijk ten doel hebben het vers vloeiender, de taal grammatisch juister, het woordgebruik nauwkeuriger, de beeldspraak zuiverder te maken. Soms is dit inderdaad gelukt, maar in de meeste gevallen heeft het polijsten - althans naar ons moderne gevoel - meer kwaad dan goed gedaan. Ik beperk mij tot een tweetal voorbeelden. Het eerste is ontleend aan blz. 89 in boek ii.17 Het gaat daar om de herovering van Grave op de Fransen door Willem iii in 1674. ‘Hier zag men schans en wal met grof kanon beplant’, zegt Rotgans in de versie van 1698; in 1710 maakt hij daarvan: ‘De sterke vesting was met grof kanon beplant’. - In boek iii beschrijft de dichter op blz. 121 in een mythologische ver-
beelding de vreugde om de vrede van Nijmegen in 1678. De boksvoet Pan - zo drukt hij zich in 1698 uit - ‘Blaast leven in het riet, en doet zyn veldfluit queelen. // De blyde Vlietgodin, betovert door 't geluit, // Steekt haare kruin, met wier gekroont, ten veldbron uit’. In 1710 luiden de drie geciteerde regels: ‘Blaast leven onder 't loof in 't veldtriet onder 't queelen. // De blyde Vlietgodin, betovert door 't geluit, // Steekt, door dit feest bekoort, de kruin ter veldtbron uit’. - In beide gevallen is er een onmiskenbaar verlies aan levendigheid en directheid van visie, dat allerminst wordt goedgemaakt door de (overbodige) preciseringen. Overigens zijn onze bezwaren tegen het resultaat van dit polijsten niet alleen maar ‘modern’. Rotgans' vriend en uitgever Halma blijkt ze te delen. In zijn levensbeschrijving herinnert hij zich, tegenover de Haagse dichterpredikant Joannes Vollenhove - een gemeenschappelijke vriend - eens te hebben opgemerkt ‘dat zyne [= Vollenhove's] eerste woorden, als d'eerste en vryste uitstortinge van den geest, gemeenlyk de gelukkigste waren, zonneklaar uit zyne dubbingen18 te zien’.19
Door zijn plotselinge dood in 1710 heeft Rotgans de ‘overziening en beschaving’ van het tweede deel blijkbaar niet meer tot stand kunnen brengen; een dergelijke uitgave is tenminste nooit verschenen. Maar anders dan men zou hebben verwacht, ging Halma ook niet over tot een herdruk van Deel ii naar de versie van 1700. In alle exemplaren, die mij bekend zijn, is bij de editie-1710 van het eerste deel de eerste druk van het tweede bijgebonden. Kennelijk waren daarvan genoeg exemplaren onverkocht gebleven om een nieuwe oplage overbodig te maken. Vermoedelijk was de belangstelling van het publiek voor het tweede deel van de Wilhem beneden Halma's verwachting gebleven en hadden lang niet alle kopers van Deel i zich ook het vervolg aangeschaft. De verklaring moet wellicht gezocht worden in het feit, dat dit laatste minder spectaculair en minder uitgesproken ‘Nederlands’ was. Het eerste deel bevatte immers alle glorieuse momenten uit het leven van Willem iii als stadhouder: zijn bevrijding van de Republiek, zijn huwelijk met prinses Maria, de zegevierende tocht naar Engeland, de kroning in Westminster Abbey. Daarentegen bracht het tweede deel ‘slechts’ zijn verrichtingen als koning: een reeks veldtochten in Ierland en de Zuidelijke Nederlanden, waarvoor de lezers minder interesse hadden. Bovendien was de vrede van Rijswijk een teleurstelling gebleken; bij de dood van Willem was de Republiek opnieuw in een grote Europese oorlog gewikkeld, waarbij men zich slechts zijdelings betrokken voelde. En tenslotte was bij de verschijning van deel ii het verrassingselement uitgewerkt dat in 1698 de verkoop had gestimuleerd: het nieuwe van een eigen nationaal epos.
In 1735 werd er nog een laatste editie van Wilhem de Derde gepubliceerd. Het privilegie was toen verlopen en de oorspronkelijke uitgever Halma in 1722 overleden. De Amsterdamse boekverkoper Antoni Schoonenburg had echter blijkbaar de ‘printen’ in handen gekregen en maakte daarvan gebruik om een nieuwe uitgave van Rotgans' heldendicht op de markt te brengen. Het titelblad van het eerste deel luidt:
Wilhem de Derde, // door Gods genade, // Koning van // Engeland, Schotland, // Vrankryk en Ierland, // Beschermer des geloofs, enz. enz. enz. // In Heldendicht beschreven // Door L. Rotgans. // i. Deel. // Tweede Druk. // vignet // Te Amsteldam, // By Antoni Schoonenburg, 1735.Dat van de tweede helft is geheel conform, afgezien van de vermelding ‘ii. Deel’.
Merkwaardig genoeg schijnt Schoonenburg de herziene druk van het eerste deel uit 1710 niet gekend te hebben. Hij volgt in zijn uitgave tenminste de oorspronkelijke druk van 1698, alsof Rotgans die nooit ‘naaukeurig overzien en beschaaft’ had. De vermelding ‘Tweede Druk’ op het titelblad van Deel i moet dan ook worden beschouwd als te goeder trouw aangebracht. Men kan eruit afleiden, dat Deel i veel méér verspreiding gevonden had in de versie van 1698 dan in die van 1710; anders zou Schoonenburg die laatste niet over het hoofd hebben kunnen zien.
De beide delen van de Wilhem zijn in de editie-1735 nauwkeurig naar het model van hun voorgangers uit 1698 en 1700 nagedrukt, zij het wat minder fraai. Alleen werden, zoals voor de hand lag, de daar op de slotpagina aangegeven ‘Drukfeilen’ in de tekst verbeterd. Ook daarbuiten schijnt Schoonenburg trouwens een wakend oog over het zetsel te hebben laten gaan. Een bijzonder hinderlijke onjuistheid in boek vii, op blz. 104 van het tweede deel, blijkt namelijk eveneens te zijn weggewerkt, al was er in 1700 bij de opsomming van de drukfouten niet op geattendeerd. Op de aangegeven plaats wordt een treffen tussen de Bondgenoten en de Fransen beschreven, dat in margine wordt aangeduid als ‘Veldslag by Leiche’. Aangezien deze plaatsnaam ook in de tekst wordt genoemd, denkt de lezer niet aan de mogelijkheid van een vergissing. Een slag bij Leiche is echter niet bekend, terwijl Leiche ook als plaatsnaam niet thuis te brengen valt. In de druk van 1735 wordt het raadsel opgelost; daar is Leiche veranderd in Leuse. Dat is een stadje in Henegouwen, waar in 1691 Willem iii inderdaad met de Fransen slaags is geweest.
Wanneer men zich Leuse in een 17de-eeuwse hand geschreven denkt, met een lange s, kan men zich gemakkelijk voorstellen dat de zetter van 1700, als hij de naam niet kende, gemeend heeft dat er Leiche stond, met een lange h.
Overigens is het ook mogelijk, dat de correctie van deze fout niet aan de oplettendheid van Schoonenburg moet worden toegeschreven, maar aan die van een vroegere lezer, door wie zij was aangebracht in het exemplaar dat voor de nadruk als model diende.
Het voorwerk van Wilhem de Derde werd eigenlijk alleen voor het eerste deel samengesteld. Maar doordat het nòch voor het tweede deel nòch voor de acht boeken als gehéél aangevuld of vervangen werd, mag worden aangenomen dat het alles bevat wat Rotgans meende dat er te zeggen viel. Het bestaat uit drie gedeelten: een opdracht in verzen, een ‘Aan den Lezer’ in proza, en negen drempeldichten. Elk van deze onderdelen verdient een ogenblik onze aandacht.
Rotgans droeg zijn werk in een gedicht van 170 regels op aan Diderik van Veldhuisen, lid van de Staten van Utrecht en de gelukkige bezitter van de beroemde buitenplaats Heemstede bij Houten, die hij eerder in een hofdicht bezongen had.20 Het belang van deze Opdragt ligt in het feit dat er zo duidelijk uit blijkt, hoe de dichter zijn held zag en door welke overtuiging hij zich bij de opzet van zijn epos liet leiden.
Onder de bescherming van Veldhuisen's naam wil hij de legervanen volgen ‘van dien grooten Oorlogsheld, // Die 't volk verloste, en Neêrlands onderdaanen, // Geloof en recht kloekmoedig heeft herstelt’. Maar ook Willem's ‘huuwlykstogt’ neemt daarbij een belangrijke plaats in, en vormt ‘Een hoofdstof, daar myn Heldendicht op speelt’. Bij het bezingen van dit alles tracht de Muze van de dichter ‘van verre na te streeven // Virgyl, beroemt door Vorst Anchizes Zoon, // En vinding van Eneas heerlyk leven’. Als poëzie zal zijn epos zich niet met dat van Vergilius kunnen meten. Daar staat echter tegenover: ‘De waarheid zet myn Dicht weer luister by’. Bovendien gaat Willem als held Aeneas verre te boven. De laatste vluchtte uit Troje weg en liet zijn vaderstad verbranden, maar Willem redde zijn land: ‘Hy blust het vuur. hy dooft de krygstoorts uit’. Aeneas huwde ‘door Jupiters besluit’ Lavinia om Rome te kunnen stichten, maar
en verwerft daardoor de kroon van Engeland. Zó groot is de superioriteit van Willem boven Aeneas, dat Rotgans zelfs durft stellen:
Van zùlk een held de zanger te willen zijn, is een uiterst hachelijke onderneming. De dichter is er zich van bewust, dat zijn krachten daarvoor eigenlijk ontoereikend zijn. Hij begrijpt, dat zijn mede-dichters hun hart vasthouden en dat
Hier wordt gedoeld op het drempeldicht van Joannes Vollenhove, waarin inderdaad iets dergelijks voorkomt:22 een bewijs dat de Opdragt eerst na ontvangst van de liminaria (of althans dat van Vollenhove) geschreven werd. - Eigenlijk, zo gaat Rotgans voort, is het nog veel erger. Hij waagt zich niet slechts aan een gevaarlijke scheepsreis, maar als Ikarus en Phaëton wil hij
‘dwaas ten hemel vaaren’.23 Hij kan evenwel niet anders: ‘Ik word genoopt, geprest, en vlieg dan heene’. Mocht hij neerstorten, laten zijn mede-dichters hem dan bewenen zoals Phaëton's zusters het hun broeder deden.
Dit is slechts de kern van het opdracht-vers, maar in ons verband hebben wij daaraan genoeg. De twee punten, waarop het aankomt, zijn: de mateloze bewondering van de dichter voor Willem iii, en zijn ‘moed’ om met Vergilius te aemuleren ondanks het besef van zijn poëtische inferioriteit.
De bewondering voor Willem iii is hier hyperbolisch geformuleerd, in overeenstemming met de ‘hooghdraeventheit’ van de Parnastaal waarin zij tot uitdrukking wordt gebracht. Maar zij is er niet minder reëel en diep om. Voor Rotgans en vele van zijn tijdgenoten was Willem inderdáád het instrument in de hand van God tot bescherming van Jezus' Kerk (= het Protestantisme). Als uitverkoren Godsheld stond hij op één lijn met Constantijn de Grote en met Godfried van Bouillon. Zijn huwelijk was een daad van God om hem daartoe de weg te openen, en het kòn daarom niet anders dan goed en gelukkig zijn. Wat er sinds zijn verheffing in 1672 door hem verricht was, kon slechts worden aangemerkt als een reeks ‘Wonderen Des Alderhoogsten Vitgevoerd In, onder en door Willem de Derde, Doorlugtig Prince van Orangien’.24 Deze religieus-gefundeerde overtuiging vormt het hart van het epos; wie ze niet serieus neemt, sluit zich de toegang daartoe af.
Uit die overtuiging komt ook de moed voort om Vergilius ‘na te streeven’. Rotgans' nadruk op de beperktheid van zijn dichterlijk vermogen tegenover de grootheid van deze voorganger moet natuurlijk mede worden gezien als obligatoire bescheidenheids-topos, maar berust toch ook op een grond van werkelijke modestie. Hij voelt zich inderdáád klein naast Vergilius: ‘Wie zal hem ooit in Heldenpoëzy, // In schikking, taal en oorlogsstyl gelyken?’ Wanneer hij zich desondanks aan het schrijven van een epos waagt, doet hij dit dan ook slechts uit de overweging dat zijn stof meer dan goedmaakt wat er aan de vormgeving mocht ontbreken. In tegenstelling tot de fabula van Vergilius is de zijne geen verzinsel maar waarheid, en bovendien niet heidens maar Christelijk. Het zijn dezelfde argumenten, die ook Vondel als rechtvaardiging voor zijn aemulatio met dichters uit de Oudheid aanvoert. Tegenover de Hippolytus van Euripides en Seneca stelt hij zijn Jozef als een ‘onverzierde Hippolytus’,25 tegenover de ondergang van Troje die van Jeruzalem, tegenover de mythologie van de Oudheid de waarheid van het Christendom waarin ‘de Zonne des heyligen Geestes alle Heydensche sterren met haren glans uyt doet’.26 Zo is voor Rotgans Willem iii een ‘onverzierde Eneas’, in wiens geschiedenis God de glans van de Aeneis heeft uitgedoofd. Mocht zijn Muze voor haar overmoed worden gestraft en als Ikarus neerstorten: ‘Geen nood: zy zengt haar vlerken aan de Zon’. Het onderwerp rechtvaardigt de poging, hoe vermetel ook.
Uit dat laatste blijkt, dat Rotgans de superioriteit van zijn stof niet be-
schouwde als waarborg voor een goed resultaat. Evenals Vondel was hij er zich van bewust, dat zijn prae tegenover de Oudheid slechts gold ceteris paribus. Maar overeenkomstig de opvattingen van zijn tijd hoopte hij wèl, dat de meerwaardigheid van zijn onderwerp genoeg tegenwicht zou bieden aan de poëtische onvolkomenheden van zijn epos om dit náást de Aeneis lezenswaardig te doen zijn.
Ging het in de Opdragt vooral om het onderwerp, in het Aan den Lezer staat de vormgeving centraal. Na ook hier gewezen te hebben op het bijzondere van de ‘waarachtige geschiedenisse’ die hij gaat behandelen, zo vol van ‘wonderbaare gevallen, die het geloof van den nakomeling in twyfel zullen stellen’, vervolgt Rotgans:
Om nu deze ongemeene stoffe niet op een gemeene wyze, en als een Rymkronyk, te verhandelen, hebbe ik, naar myn vermogen, de regels van een Heldendicht gevolgt.Daarom is hij mediis in rebus begonnen: ‘niet met de geboorte van den Held’, maar met diens reis naar Engeland ‘om Prinses Maria ten huwelyk te verzoeken’. Eerst in het tweede boek, aan de feestmaaltijd na het huwelijk, worden ‘de gevallen van de voorige jaaren, de Heldendaaden van den Zegenpraalenden Wilhem, en zyn geboorte opgehaalt’. Dat is dus geheel naar het model van de Aeneis: de komst van Aeneas in Carthago, de feestmaaltijd die Dido hem aanbiedt, en zijn verhaal van wat voorafging in de boeken ii en iii. - Verder ontbreekt het wonderbaarlijke niet. Rotgans wijst in dit verband op de figuur van de Theems-godin, die in zijn eerste boek met haar waterstoet de Prins komt verwelkomen. ‘Ook hebbe ik my van voorzeggingen, het Heldendicht eigen, bedient’. Weer wordt voor een voorbeeld naar het eerste boek verwezen: de voorspellingen van Neptunus, die de Theems-godin indertijd heeft gehoord en die zij nu voor haar Nimfen herhaalt. - Dat is evenwel nog niet alles:
Indien krygsbeleid en dapperheid myn Heldendicht luister byzetten, niet min heerlyk vertoont zich de Huuwlyksliefde, de hoofdstoffe van myn Heldendicht; een huwelyk, op de deugden gebout: een huwelyk, dat den waaren Godsdienst tegens 't geweld der vyanden verzekert.Met de combinatie van krijgsverrichtingen en liefde blijft Rotgans binnen de traditie van het Vergiliaans-Tassoniaanse epos. Maar hij wijkt daarvan af door de liefde te beperken tot Huuwlyksliefde en ze tot het centrale motief (‘de hoofdstoffe van myn Heldendicht’) te maken. Het laatste is natuurlijk een gevolg van zijn overtuiging dat God zelf Willem en Maria verbonden had om daardoor mogelijk te maken, dat de Prins ‘beschermer des geloofs’ zou worden, niet alleen voor Engeland maar voor geheel Europa. En het eerste hangt daar onmiddellijk mee samen, al komt erbij dat voor Willem als deugdheld elke andere vorm van liefde dan die binnen het huwelijk in de ogen van de dichter ondenkbaar was.
Want Willem is in Rotgans' epos een typische deugdheld, geheel overeenkomstig de opvatting van Tasso en de doctrine classique.27 En Maria is daarin
zijn waardige partner, die in deugdzaamheid niet voor hem onderdoet. Dat geeft aan het heldendicht zijn didactische waarde, niet alleen voor de élite - zoals Vossius het nog stelde28 - maar voor elke lezer, zoals de toepassing van de regel in de praktijk geworden was. Rotgans verzuimt niet daarop met nadruk te wijzen:
Laat de vroomheid, en Godvruchtigheid van dit Koninklyke Paar u leeren, het zelve spoor te volgen, en nacht en dag voor Gods Heiligdom te waaken. Maria slaafde in haar leven, met de kroon op 't hoofd, voor de vryheid van Gods Kerk. Vorst Wilhem vergezelschapte haar; en volherd noch dagelyks in die Godsdienstige bezigheden. Wat kan u meer opwekken, als het voorbeeld van deze groote Personagien?
Dit alles doet duidelijk uitkomen, hoezeer Rotgans rekening hield met de gangbare opvattingen omtrent de eisen waaraan een epos diende te voldoen. Het woord Heldendicht op zijn titelblad moet dan ook, in tegenstelling tot de gedevalueerde betekenis die het in zijn tijd gaandeweg gekregen had,29 worden opgevat in de oorspronkelijke zin, als aequivalent van epopoeia.
Intussen moet daaraan iets worden toegevoegd, dat wel niet rechtstreeks blijkt uit het Aan den Lezer, maar toch het best hier aan de orde kan worden gesteld. Het laatste woord inzake het epos kwam voor Rotgans niet van Vossius of Tasso, maar van Boileau. En zoals men zich herinneren zal, had deze zich in zijn Art poétique fel gekeerd tegen de vervanging van het heidenswonderbaarlijke door een merveilleux chrétien, zoals die op voorgang van Tasso vrijwel algemeen ingang gevonden had.30 Volgens hem was het voor een Christen ontoelaatbaar Satan in zijn Helleraad uit te beelden, en nog meer om God actief bij de ontwikkeling van de intrige te betrekken. Door zulke ficties maakt men, zo betoogde hij, ‘Du Dieu de vérité [...] un dieu de mensonges’ (III, 236). Daarentegen is er - en ook hier keerde Boileau zich tegen Tasso - niets tegen, gebruik te maken van de heidens-mythologische verbeeldingsgestalten uit de Oudheid, die voor ons immers niet meer dan personificaties en symbolen zijn. Dat geeft leven, kleur en schoonheid aan de gebeurtenissen, die men vertelt. Dat Aeneas door een storm overvallen en bij Carthago op de kust geworpen wordt, is op zichzelf niet meer dan ‘une aventure ordinaire et commune’ (III, 179). Maar Vergilius maakt er poëzie van ‘qui surprend, frappe, saisit, attache’ (III, 188), door het voor te stellen of Juno in haar toorn tegen de Trojanen Aeolus overhaalt tot het loslaten van zijn stormen op de vloot van Aeneas, die slechts gered wordt door het verontwaardigde ingrijpen van Neptunus. Dàt is de soort fictie, waarvan de epische dichter gebruik dient te maken:
Rotgans heeft zich nauwkeurig aan deze voorschriften gehouden. In principe vermijdt hij het merveilleux chrétien; slechts in de tweede helft van zijn epos laat hij éénmaal God rechtstreeks ingrijpen en éénmaal Satan in de hel plannen smeden tegen het leven van Willem. Maar in beide gevallen gaat het dan ook om een zó exceptionele gebeurtenis dat deze niet geloofwaardig zou zijn zonder direct verband met de Hemel of de Hel. Voor het overige betoont de dichter zich een van Boileau's meest getrouwe adepten. Met name de eerste twee regels uit bovenstaand citaat staan hem voortdurend voor ogen. Hij personifieert wat er maar te personifiëren valt, niet alleen in aansluiting bij de mythologie van de Oudheid, maar ook naar eigen vinding overeenkomstig dat model. Opvallend is vooral, hoe letterlijk hij zich gehouden heeft aan Boileau's ‘Chaque vertu devient une divinité’; het meest frappante voorbeeld daarvan vindt men aan het slot van het vierde boek.31
De nauwe aansluiting van Rotgans bij de aanwijzingen van Boileau heeft de structuur van Wilhem de Derde in belangrijke mate bepaald. Daarom was het nodig, de mededelingen van de dichter omtrent de vormgeving van zijn epos met dit gegeven aan te vullen, om een bruikbaar uitgangspunt te verkrijgen voor de analyse en evaluatie van het resultaat waartoe hij gekomen is.
Van de negen drempeldichten zijn er drie in het Latijn geschreven. Daaraan hebben zij het te danken dat zij vooropgaan, al behoren zij naar hun inhoud niet tot de meest belangrijke bijdragen. Twee van de auteurs zijn vermaarde classici: Joan van Broekhuizen en Pieter Burman (de Oude). De eerste was officier,32 maar ontwikkelde zich tevens tot vooraanstaand neolatijns dichter en editeur van Latijnse auteurs; daarnaast schreef hij ook Nederlandse verzen. Burman, eveneens een befaamd latinist en editeur, was alumnus van de Utrechtse universiteit waaraan hij in 1696 als hoogleraar verbonden werd. De derde Latijnse drempeldichter, Hendrik de Hennin, was professor aan het Athenaeum in Duisburg. Op de gedichten zelf behoef ik niet in te gaan. Alleen vermeld ik even, dat Joan van Broekhuizen in het zijne het woord epos gebruikt:33 één van de heel weinige keren dat ik deze term in de 17de eeuw ben tegengekomen.34
Ook de namen van de Nederlands-schrijvende drempeldichters getuigen van Rotgans' vriendschappelijke betrekkingen met toonaangevende figuren op cultureel gebied. De twee belangrijkste zijn hier: de Haagse dichter-predikant Joannes Vollenhove en diens Deventer collega Arnold Moonen. Na hen volgen de predikant-dichter Joannes Brandt (zoon van de bekende Geeraardt Brandt) en Rotgans' uitgever François Halma. De poetae minores Samuël van
der Heiden en Dirk Smout zijn met een wat korter gedicht vertegenwoordigd; de laatste zullen wij nog ontmoeten als beoefenaar van Bijbelse epiek.
Het is zeker geen toeval, dat onder de Nederlandse gedichten Vollenhove's bijdrage de eerste plaats kreeg. Zoals uit de Opdragt blijkt, beschouwde Rotgans hem als ‘Hollands Hoofdpoëet’ en reageerde hij op diens vrees voor ‘schipbreuk’.35 De desbetreffende regels bij Vollenhove luiden:
Verder valt er ook over de Nederlandse drempeldichten niet zo heel veel te zeggen. Alle auteurs delen Rotgans' bewondering voor Willem iii, en allen onderstrepen zij het bijzondere van de epische opzet. Vollenhove spreekt zelfs van ‘Een groter werkstuk, dan de grootste heldenzanger // Voor Neêrduitsche oren zong, of ergens bragt in 't licht’. - Opmerkelijk is dat de drie neo-latinisten, evenals Vollenhove en Halma, niet Kalliope, maar Klio (de Muze van de geschiedenis) als Rotgans' Muze noemen en diens werk dus blijkbaar als een historie-epos beschouwden. Alleen Moonen spreekt van Kalliope, en nog wel in verband met een historisch feit: de verovering van Namen door Willem iii in 1695. Al te veel waarde mogen wij aan dit verschil echter niet hechten; de functies van de diverse Muzen worden niet altijd scherp onderscheiden, waardoor zij gemakkelijk verwisselbaar zijn.36
Tenslotte vestig ik nog de aandacht op een passage in het drempeldicht van Joannes Brandt, waaruit wellicht af te leiden valt hoe ver Rotgans met zijn epos gevorderd was, toen hij in 1697 besloot tot uitgave van de eerste vier boeken. Brandt richt zich in de betrokken passage tot Willem iii:
Het begin van Willem's Ierse veldtocht en de slag aan de Boyne vormen de inhoud van Rotgans' vijfde boek. De geciteerde regels zouden kunnen wijzen op vertrouwdheid van Brandt met de stof, waarmee de dichter zich het laatst had bezig gehouden. Waarom zou hij anders juist en uitsluitend de Ierse veldtocht vermelden, terwijl hij zelfs de kroning van Willem niet noemt? Ik acht het niet onmogelijk, dat Brandt de slag aan de Boyne zo uitdrukkelijk vermeldt, omdat hij meende dat Rotgans dáármee Deel i van zijn epos zou besluiten; hij zou geweten kunnen hebben, dat ook het vijfde boek al voltooid was. Uiteraard heeft deze veronderstelling geen enkele bewijskracht. Maar zij is het vermelden waard, omdat zij een ondersteuning vormt voor de hypothese waartoe ik in § 1 van dit hoofdstuk gekomen ben: dat Rotgans zijn epos als één doorlopend geheel heeft opgezet en dat hij in 1697 zijn werk daaraan
heeft onderbroken, om de vrede van Rijswijk alvast met de eerste helft te kunnen vieren.
Het is niet goed mogelijk de structuur en de poëtische qualiteiten van Rotgans' epos te bespreken zonder het verloop van de handeling in de opeenvolgende boeken voor ogen te hebben. Ik laat dus een overzicht daarvan volgen. Bij het eerste en het vijfde boek bespreek ik het exordium afzonderlijk, om de continuïteit van de narratio beter tot haar recht te doen komen.
Rotgans begint met een propositio, zoals wij die voor dit epos eigenlijk niet zouden hebben verwacht. Zij luidt:
Het zou voor de hand gelegen hebben, dat deze inzet afgestemd was op het Vergiliaanse ‘Arma virumque cano’. Een herinnering daaraan klinkt in de eerste regels nog wel door, met name in het woord wapentoon; maar dominerend is toch de Ovidiaanse aanhef ‘Fert animus’. Er is daarvoor m.i. geen andere verklaring mogelijk dan dat Rotgans zich hier gericht heeft naar het voorbeeld van Vondel in Joannes de Boetgezant. Vooral de herhaling van ‘My lust’ in reg. 5 sluit te duidelijk bij de inzet daarvan aan om een toevallige overeenkomst te kunnen zijn.37 Blijkbaar heeft Rotgans op deze manier zijn Wilhem de Derde bij de traditie van het Nederlandse epos willen doen aansluiten, hoe recent deze ook was en al berustte zij nog slechts op één enkel werk. Maar dat éne werk was van Vondel, en Joannes Brandt geeft ongetwijfeld Rotgans' bedoelingen weer, als hij in zijn drempeldicht opmerkt dat deze ‘d'Agrippynsche Zwaan zoo groots (heeft) nagezongen’.
Anders dan voor Vondel was er voor Rotgans geen enkele aanleiding om de Vergiliaanse aanhef te vermijden. Zijn epos is er inderdaad een vol wapenfeiten en zijn held is een oorlogsheld, geheel overeenkomstig de voorschriften die voor het ‘echte’ epos golden. Hij behoefde zich dus voor zijn opzet niet te rechtvaardigen met een verwijzing naar Ovidius, en het daarmee aan zijn lezers over te laten of zij zijn werk al dan niet als heldendicht wensten te beschouwen. Zoals uit zijn titelblad blijkt, dééd hij dit ook niet; de Wilhem heet daar ‘in Heldendicht beschreven’. Episch-theoretisch beschouwd, moet dus de Ovidiaanse propositio als overbodig en zelfs als enigszins verwarrend worden beschouwd. - Ernstiger is het bezwaar tegen de ‘dubbele propositio’. Bij Vondel had zij zin, omdat zij correspondeerde met de twee-deligheid van de Joannes. Van iets dergelijks is bij Rotgans geen sprake. Hij wekt dan ook ten onrechte de indruk, dat in zijn epos de strijd te land (reg.1-4) en die ter zee (reg.5-7)
als twee verschillende onderwerpen náást elkaar zouden staan en in betekenis tegen elkaar zouden opwegen. In werkelijkheid neemt de strijd ter zee alléén in het eerste boek een enigszins belangrijke plaats in; voor het overige worden zeeslagen slechts zeer terloops vermeld, wanneer dat niet te vermijden valt. Ik kan het daarom niet anders zien dan dat Rotgans - omdat hij de dubbele propositio van Vondel wilde navolgen - naar een inhoud voor de tweede aankondiging heeft gezòcht en tenslotte de strijd ter zee als minst ongeschikte heeft gekozen.
De invocatio is gericht tot de ‘Oorlogsgoden’, die nader worden aangeduid als de helpers van Mars en Bellona. Daarmee blijft Rotgans formeel nog net binnen de grenzen van Vossius' voorschrift, dat het gebed om hulp tot niemand mag worden gericht, die het Christelijk geloof ons verbiedt aan te roepen.38 Hij richt zich niet tot met name genoemde heidense goden. Zijn vage ‘Oorlogsgoden’, al staan zij dan in dienst van Mars en Bellona, laten zich gemakkelijker in de allegorische zin van Boileau interpreteren dan die beiden zelf.
De dedicatio bestaat uit een ‘Aanspraak aan de doorluchte Voorvaders van den Held’, die zich zoveel roem verworven hebben in de strijd tegen Spanje, maar wier krijgsdaden toch niet opwegen tegen de verdienste dat zij voorvaderen zijn van Willem iii. ‘Beroemde Vorsten’ - zo spreekt de dichter hen toe - ‘steekt nu 't hoofd ten grafstede uit, // Verheerlykt met uw gunst myn vrolyk krygsgeluid’ (blz. 3). En hun gunst wordt hem niet onthouden:
Daardoor aangemoedigd, richt de dichter zich tot zijn Muze met de aansporing aan het werk te gaan. En daarbij moet zij de liefde van Willem als uitgangspunt kiezen: geen onkuise liefde als die van Paris, maar ‘een kuische minnedrift [...] // Gekoestert van de deugd, om zo veel helsche vonden // In hun geboortensuur te smooren, en het quaad // Te keeren...’ (blz. 3)
Er wordt in de 44 regels van deze dedicatio meer overhoop gehaald dan gebruikelijk is: de lof van Willem's voorvaderen, het verzoek om hun ‘gunst’, de bezieling van de dichter door het verkrijgen daarvan, zijn aansporing tot de Muze, met vermelding van Willem's liefde als beginpunt. Het geheel wordt door die veelheid wat verward en verwarrend. Het verzoek aan de Voorvaderen om hun ‘gunst’ (belangstelling) krijgt onwillekeurig het karakter van een tweede invocatio, doordat het resultaat ervan dichterlijke bezieling is. De aansporing tot de Muze is in dit verband met de epische traditie in strijd. Hetzelfde geldt voor de aankondiging van een nieuw thema (de liefde), dat in de propositio onvermeld was gebleven. Door dit alles wordt het laatste deel van het exordium zowel rommelig als verhoudingsgewijs veel te lang.
Met opzet heb ik hierboven de drie regels geciteerd, waarin Rotgans meedeelt dat hij bezield raakt. De tweemaal voorkomende uitdrukking 't Gaat wel wordt in het Nederlandse epos van de 18de eeuw de stereotiepe term om aan te duiden dat de auteur de dichterlijke aandrift voelt,
die hij nodig heeft om voort te gaan. Helemaal de eerste is Rotgans in het gebruik van deze term niet; ook bij Rabus komt hij terloops al eens voor. Maar de frequentie ervan in de 18de eeuw gaat ongetwijfeld veeleer terug op de voorgang van Rotgans dan op die van Rabus. Vandaar, dat ik eerst hier op de opkomst van deze standaard-uitdrukking attendeer.
Het is herfst en het leger moet vanwege het ongunstige weer de winterkwartieren betrekken. In deze pauze van de vijandelijkheden voelt Willem iii zich vervuld van liefde voor zijn nicht Maria Stuart, die hij ‘niet lang geleên, in d'overzeesche ryken’ (blz. 4) had leren kennen. Hij besluit naar Engeland over te steken om haar te huwen.
De precisering van een jaartal past niet in de sfeer van het epos, en Rotgans laat die dan ook - zowel hier als overal elders in zijn heldendicht - achterwege. Het gaat echter om de herfst van 1677, toen Willem op 17 oktober naar Engeland vertrok. - De voorstelling van zijn liefde is idealiserend gestileerd. Inderdaad had hij Maria bij een bezoek aan het Engelse hof in 1670 ontmoet, maar deze was toen nog slechts 8 jaar oud. Dat zij haar 12 jaar oudere neef reeds toen liefde zou hebben ingeboezemd, is dan ook een constructie-achteraf, die mogelijk wordt door Rotgans' vage tijdsbepaling ‘niet lang geleên’. In werkelijkheid werd Willem's aanzoek om de hand van zijn 15-jarige nicht in 1677 door politieke overwegingen bepaald. De dichter projecteert in het gehele eerste boek de latere liefde tussen Willem en Maria terug op het begin van hun huwelijk.
Willem's vloot vaart uit en heeft een voorspoedige reis. ‘Eool, de koning van de winden, plaatst zyn stoet // In 't oosten, en de kiel bruist veilig door den vloed’ (blz. 5). Neptunus begeleidt met zijn zeegoden en -godinnen de Prins naar de Engelse kust, waar de Nimf van de Theems hem ter begroeting opwacht. ‘Maar Wilhem, afgemat door teedre minneklagten, // Verpoosde door den slaap de togten van sijn hert’ (blz. 7). De Theems-godin wil die slaap niet verstoren en besluit op zijn ontwaken te wachten. Onderwijl zal zij haar stoet van waternimfen vertellen wat de komst van Willem aan herinneringen in haar wakker geroepen heeft.
Rotgans stelt het voor, alsof Willem rechtstreeks naar Londen reisde. In werkelijkheid landde deze in Harwich, vanwaar hij met zijn gevolg per koets naar Newmarket reed, waar Karel ii en Jacobus zich toen bevonden. Samen met hen begaf hij zich enkele dagen later naar Londen. - Er valt niet na te gaan, of deze vereenvoudiging tot de poëtische stilering behoort, dan wel of de dichter niet van de bijzonderheden op de hoogte was en dus aannam dat Willem direct naar Whitehall zou zijn gegaan. In ieder geval kon hij bij Lambert van Bos geen aanwijzingen vinden voor het tegendeel; deze doet in zijn Leven en Bedryf van Willem de Darde de geschiedenis van diens huwelijk met enkele woorden af (I, 329).39
Terwijl ‘De Nimfen zitten om haar wagen neêr in 't rond’ (blz. 7), vertelt de Theems-godin uitvoerig over de vier zeeslagen tussen de Engels-Franse en de Hollandse vloten, waarvan zij in 1672 en 1673 getuige is geweest:40 die bij Solebay, de twee bij Schooneveld, en die bij Kijkduin. Vooral aan de eerste - de enige overwinning van de Republiek in het rampjaar 1672 - wijdt zij veel aandacht (blz. 8-12). - Het geweld van de slag bij Kijkduin verontrustte zelfs Neptunus: ‘Neptuin ontzinkt de moed terwyl zyn zaalen branden. // De scherpe zeevork ploft tot driemaal uit zyn handen. // De waterbliksem smeult en zengt zyn gryzen baart’ (blz. 16). Tevergeefs poogt hij de strijdende partijen tot bedaren te brengen. Maar gelukkig valt de nacht ‘En dwingt die leeuwen om hun woeden af te breeken’ (blz. 17). Dan gaat Neptunus - het is nog altijd de Theems-godin die vertelt - de gesneuvelde Engelse en Nederlandse helden beklagen, en aan de overlevenden voorzeggen hoe hun toekomst zal zijn. Er zal vrede komen tussen de Republiek en Engeland, maar met de Fransen zullen de Hollanders nog meer zeeslagen te leveren hebben. Daarbij zal De Ruyter een heldendood vinden ‘in 't gezigt van Etnaas zwavelkolk’, en ‘Een algemeene rou zal 't lyk naar 't graf geleijen’ (blz. 20).41 Neptunus' profetie - aldus besluit de Theems-godin haar verhaal - is volledig in vervulling gegaan: er kwàm vrede met Engeland, en De Ruyter ‘sneuvelde op de Middelandse plassen’ (blz. 21).
Inmiddels is Willem ontwaakt, zodat de godin hem kan verwelkomen. Zij spreekt haar vreugde uit over zijn huwelijksplannen, die vrede zullen brengen en ‘een vasten band // Van vriendschap vlechten met ons Ryk en Nederland’ (blz. 21).
In Londen wordt de Prins vorstelijk ontvangen en onthaald. Als in het paleis zijn aandacht getrokken wordt door de portretten van Karel's voorgangers, geeft de Koning hem daarbij de nodige toelichting. Vooral het droeve lot van Karel i - Willem's grootvader - en de omzwervingen van Karel ii vóór de Restauratie worden uitvoerig opgehaald. - In de nacht na deze ontvangst kan Willem van liefde niet slapen: ‘Hy voelt de minnegloet zyn boezem heeter blaaken. // Hy woelt. hy klaagt. hy zucht’ (blz. 31). Tenslotte verlaat hij zijn bed om de tapisserieën te bekijken waarmee zijn slaapvertrek is bekleed. Maar het zijn niet de oorlogstaferelen die hem bekoren; hem boeit enkel het wandtapijt waarop Maria als jageres (Diana) staat afgebeeld: ‘Hy drukt het beeld, gelyk Pigmalion wel eer // D'ivoore maagd omhelsde, en kust de zyde draaden. // Hy kan zyne oogen in 't aanschouwen niet verzaaden’ (blz. 33).
De volgende morgen maakt Willem zijn opwachting bij de Koningin en ontmoet dan ook Maria. Haar schoonheid doet hem ‘het opperste besluit’ danken ‘Dat zulk een minnares voor hem had uitgekoozen’. En ook Maria ‘voelde alreê de schicht42 // Haare aders quetsen door het vorstelyk gezigt’ (blz. 34). In een gesprek tussen haar en een van haar ‘hofjuffers’ geeft de dichter weer, hoe zij zich van haar liefde voor Willem bewust wordt. Daarna brengt de Prinses de nacht biddend door: ‘zy knielt voor haare sponde neêr; // Zoekt Jesus, en pleegt raad met hem, haar Opperheer’ (blz. 36).
Dan volgt een idyllische episode, die zich niet beter en korter laat weergeven dan met de marginale samenvatting die Rotgans zelf ervan geeft: ‘De Prins treed met den dag in den vorstelyken lusthof, en vind Maria bezig in haar morgengebeden; die hy, na 't eindigen van dezelve, aanspreekt, den morgen zegen toewenscht, en zyn liefde verklaart. De wederliefde vertoont zich in de oogen van de Prinses; waar door de beelden in den hof schynen te leeven, de Echo verlieft te worden, en de zon meer glans van zich te geeven Maria verklaart zich; de Koning en haar Vader staan het huwelyk toe’ (blz. 36-39).
Met een nieuwe aanroep om hulp, ditmaal gericht tot de Engelenkoren - naar het voorbeeld van Vondel in de invocatio voor Joannes de Boetgezant -, bereidt de dichter zich voor op de beschrijving van ‘dit bruiloftsfeest, de blydschap van Euroop', // De heilbron van Britanje, en Neêrlands lust en hoop’ (blz. 39). Aan het eigenlijke huwelijk wijdt hij echter slechts enkele regels. Belangrijker dan het moment van de verbintenis is voor hem haar betekenis. Als Willem en Maria in de echt verenigd zijn, laat hij daar direct op volgen:
Een typisch voorbeeld van rationalisering van het Wonderbaarlijke! Als centraal motief is Willem's huwelijk zó belangrijk, dat in de epische traditie een ‘goddelijke’ onderstreping daarvan vrijwel onmisbaar is. Maar een bovennatuurlijke verschijning in Westminster Abbey op 14 november 1677 is té ‘onwaarschijnlijk’ om voor de lezers aanvaardbaar te zijn. Rotgans redt zich uit de moeilijkheid door die verschijning wèl te beschrijven, maar ze tevens te ontkennen door er 't Scheen of aan te doen voorafgaan!
De wijze, waarop hij het huwelijk door de Hemel als een decisief moment laat bevestigen, herinnert zó sterk aan het neerdalen van de duif en het klinken van Gods stem bij de doop van Jezus in Vondel's Joannes,44 dat er nauwelijks aan getwijfeld kan worden of Rotgans heeft dit als voorbeeld voor ogen gehad. In dit verband is het veelzeggend dat hij wel een Engel doet neerdalen, maar in diens ‘Orakel’ duidelijk God zelf laat spreken. Men lette op: ‘myn grond’, ‘betrout op my’, ‘myne altaaren’, in reg. 4, 6 en 8 van het citaat.
Na de huwelijksvoltrekking volgt het feestelijk bruiloftsmaal, dat de ‘heerlykheid van Thetis bruidsbanket’ nog overtreft. Weer legt de dichter er de nadruk op, dat zijn waarheid de ficties van de Oudheid te boven gaat: ‘Zwygt, oude Dichters, zwygt; hier vind men beter stof’ (blz. 41). Want op de bruiloft van Peleus en Thetis verscheen Eris met haar twistappel, terwijl hier ‘de Godsdienst, maar geen Venus, 't ledekant (spreit)’, de Vriendschap neerdaalt en de Deugden haar volgen (blz. 41).
Als het bruidspaar zich teruggetrokken heeft en ook koning Karel met de koningin is weggegaan, wordt het feest minder formeel. De Engelse edelen vragen de leden van Willem's gevolg hun het verhaal te doen van diens heldendaden in de strijd tegen Frankrijk. Na enige aarzeling laat ‘De braave Bentink, die, als Gunsteling, den Prins // Steets volgde’ (blz. 42) zich daartoe overhalen. Zo eindigt het eerste boek met dezelfde situatie als Aeneis i: een feestmaal en een hoge gast die het woord neemt om te vertellen wat er tevoren is gebeurd, al betreft het hier dan niet zijn eigen avonturen, maar die van zijn Vorst.
Bentinck begint zijn verhaal met een uiteenzetting omtrent de politieke en militaire toestand bij het uitbreken van de oorlog in 1672. Lodewijk xiv heeft zich met Keulen, Munster en Straatsburg verstaan om de Republiek ten onder te brengen. En ‘Uw Koning (als gy weet ô Ridders.) stemde meê // In ons bederf, en zond zyn vlooten af op zee’ (blz. 46). De Verenigde Provinciën staan vrijwel alleen, terwijl de defensie schromelijk verwaarloosd is. De vestingwerken zijn in verval, de magazijnen leeg, de garnizoenen niet op sterkte. Dat laatste is nog het ergste, want - zoals Bentinck het in een fraaie sententie uitdrukt - ‘De muuren vechten niet, maar ruiters en soldaaten’ (blz. 50). In deze nood ‘moest men, maar te laat, en door de vrees gedreeven, // Het hooge krygsgezag in Wilhems handen geeven’ (blz. 50): de Prins wordt kapiteingeneraal voor één veldtocht. Intussen rukken de Franse legers op, wèl voorzien van oorlogstuig en proviand.45 In het Kleefse veroveren zij de ene stad na de andere, terwijl de Munstersen zich meester maken van Twente. Condé weet bij het Tolhuis over de Rijn te komen en de Betuwe binnen te dringen. Bentinck beschrijft de ontsteltenis van de boeren:
Nog hoger stijgt de nood! Gelderland, Overijsel en Utrecht gaan volledig verloren, Holland is radeloos. ‘De Maagd van Holland ziet dit dodelyk toneel // Met schreijende oogen aan’. Maar zij blijft niet bij de pakken neerzitten:
Zij herinnert de burgers aan wat in het verleden de Prinsen van Oranje voor hen hebben gedaan en wijst op Willem iii als degene die ‘'t schip van 't vaderland, // Door onweêrbuijen heen', naar een gewenschte strand // Geleiden (zal), en van storm en barning zegepraalen’ (blz. 63). Het volk geeft haar gehoor; de Prins wordt kapitein-generaal en -admiraal gemaakt ‘met onbepaalder magt’, en gekozen tot stadhouder.
Het heeft geen zin Bentinck's verhaal verder op de voet te volgen. Het bovenstaande doet genoegzaam uitkomen, op welke wijze Rotgans de gebeurtenissen van de oorlogsjaren epopiseert. Ik kan volstaan met het aanstippen van die gebeurtenissen, voor zover hij ze vermeldt. Uitvoerig wordt beschreven, hoe de Prins de verdediging van het land organiseert en tracht de Fransen tot staan te brengen. Een poging tot herovering van Woerden mislukt, evenals de belegering van Charleroi. Maar de ‘Wreedheden door de Franssen gepleegt tot Bodegrave en Zwammerdam’ (marginale samenvatting op blz. 75) worden gevolgd door het terugwinnen van Koevorden en Naarden. De verovering van Bonn dwingt de Fransen het Sticht te ontruimen en zich naar het Zuiden terug te trekken. Het dankbare Holland schenkt Willem het erfstadhouderschap. - In de zomer van 1674 verenigt de Prins zijn troepen met die van zijn Spaanse bondgenoten. Bij Seneffe in Henegouwen komt het tot een treffen met de Fransen, waarin Willem ‘door Gods arm zo trou bewaart’ wordt,
Bentinck gaat zich nu naar het einde van zijn verhaal spoeden: ‘de tyd // Verloopt; de middernacht is lange wyl verstreeken’ (blz. 88-89), zo merkt hij op. In het kort beschrijft hij nog de herovering van het sterke Grave, de laatste vesting die in Franse handen was. Sindsdien duurt de oorlog met Frankrijk nog wel voort, maar de Republiek is aan ‘de tanden van 't uitheemsch geweld ontrukt’. Uitsluitend dank zij de heldenmoed van de Prins: ‘Door zo veel wonderen zal Wilhem eeuwig leven’ (blz. 90).
Dan zwijgt Bentinck. ‘Het Feestgenootschap scheid, men sluit de bruiloftszaal’ (blz. 91): dezelfde situatie als aan het slot van Aeneis iii, waar Aeneas het verhaal van zijn avonturen besluit.
Rotgans beperkt zich in het verhaal van Bentinck tot de gebeurtenissen, waarbij Willem iii rechtstreeks betrokken was. Het gaat niet om de geschiedenis van de Republiek, maar om de zijne. De moord op Jan en Cornelis de Witt komt niet aan de orde; er wordt zelfs niet op gezinspeeld. Aan de strijd ter zee wordt stilzwijgend voorbijgegaan; die was in het eerste boek al bij voorbaat door de Theems-godin verteld, zodat hier het uitzicht op de persoon van Willem er niet door behoefde te worden belemmerd. - Maar ook ten aanzien van de landoorlog onder Willem's leiding gaat de dichter selectief te werk. Hij doet slechts een greep uit het belangrijkste. Terecht heeft Van Slooten erop gewezen, dat de veldtochten van 1675, '76 en '77, waarin geen successen werden behaald, onvermeld blijven. Ik betwijfel echter, of hij gelijk heeft, wanneer hij meent dat dit gebeurt ‘om geen afbreuk te doen aan de kwaliteiten van zijn [= Rotgans'] held’.48 Want er worden wel degelijk ook een aantal mislukkingen van Willem behandeld: de vruchteloze poging tot herovering van Woerden, het vergeefse beleg van Charleroi. Terecht; de grootheid van Willem ligt niet alleen in zijn successen, maar evenzeer in de wijze waarop hij tegenslagen incasseerde en desondanks de strijd voortzette. Ik meen daarom, dat Rotgans zich slechts het leiden door de overweging dat Bentinck's verhaal niet tè lang mocht worden. Het tweede boek is toch al - afgezien van het achtste, maar daar golden bijzondere omstandigheden - het meest in omvang uitgedijd. Dat dwong hem tot weglating van alles wat hij als minder essentieel beschouwde: niet om het beeld van Willem te flatteren, maar brevitatis causa.
Het derde boek begint met een brede ‘Beschryvinge van d'aankomste van den dag’ (marginale samenvatting) na de bruidsnacht van Willem en Maria. Die beschrijving gaat over in een aanroep tot Febus - de zonnegod, die tevens de god der dichtkunst is -: ‘Leer my de vrolykheid van Londens burgerreijen // Afmaalen op 't papier; terwyl myn yver blaakt, // En 't goddelyke vuur myne ingewanden raakt’ (blz. 94). Aldus gesterkt, vertelt de dichter dan over de begroeting van de jong-gehuwden door het Hof en over de ‘Plegtigheden binnen Londen’.
Maar het wordt tijd voor de Prins naar Holland terug te keren. De oorlog met Frankrijk duurt nog steeds voort, en - zo verklaart Willem aan de Koning -: ‘My voegt den Godsdienst te beschermen met myn degen’ (blz. 96). Dat leidt tot een uitvoerig ‘Gesprek tusschen den Koning en den Prins’ (marginale samenvatting op blz. 96), waarin de eerste aandringt op beëindiging van de strijd en zijn bemiddeling aanbiedt. De Prinses neemt afscheid van haar vader, en het jonge paar vertrekt. Het wordt een voorspoedige tocht, waartoe Neptunus, Febus, de zeegodinnen, Triton en Hymen allen het hunne bijdragen.
Ook dit is idealiserende stilering. De overtocht van Willem en Maria verliep in werkelijkheid veel minder vlot dan het hier wordt voorgesteld. Maar de epopisering stelde haar eisen aan de dichter.
In Holland wordt het Prinselijk paar plechtig ontvangen door ‘de Opper-
hoofden van den Staat’. Maria wordt begeleid naar het paleis ‘Dat prachtig opgetooit, met zyde en goud behangen, // De kruin hoogmoedig beurt ten Hemel; door 't ontfangen // Van zulk een groote Vrou verheerlykt en verpligt’ (blz. 100). Er volgen ‘Plegtigheden in den Hage’ (marginale samenvatting op blz. 101). Maar de Prins moet weer aan het werk: ‘De minnevlam verteert geen krygsvuur in zyn zinnen. // Hy wil de Ryksprinses, maar ook den Staat beminnen’ (blz. 103). De vredesbemiddeling van Karel ii heeft weinig succes. De Fransen vallen opnieuw in Vlaanderen: Gent en Ieper worden door hen veroverd. Een lichtpunt is, dat er in Nijmegen onderhandeld wordt over beëindiging van de vijandelijkheden. De Vrede, ‘die voorheen, in jammerlyken staat, // Moest vlieden uit Euroop'’ (blz. 106), daalt van de hemel neer om de gezanten toe te spreken en aan te sporen ‘Om 't volk in vrede en rust te leiden. in uw' landen’ (blz. 108). De oorlogsgoden Mars en Bellona zetten echter alles op alles om dit te verhinderen. Zij beramen een plan om de legeraanvoerders na het sluiten van de vrede met elkaar slaags te doen raken, voordat zij gehoord hebben dat in Nijmegen overeenstemming werd bereikt.
De Fransen belegeren Bergen, en de Prins rukt op om de stad te ontzetten. ‘Met den dag verschynen Mars en Bellone boven de legers in de lucht’ (marginale aantekening op blz. 110). Mars strooit zijn oorlogsfakkels ‘in 't midden van de legers, onder 't branden’: de veldslag bij Bergen - ook wel de slag bij St. Denis genoemd - is begonnen. De Prins en zijn troepen verrichten wonderen van volharding en moed. Maar: ‘In 't midden van het woên, terwyl de Helden streden, // Verschynt de Luchtbodin [= de Faam], en daalt allenks beneden’ (blz. 112). Zij brengt het bericht dat de vrede gesloten is en verder strijden geen zin heeft. Neerknielend aan Willem's voeten, biedt zij hem ‘den vredeschepter’ aan. ‘D'Oranje Veldheer heft haar leden van den grond, // Hy drukt haar in zyn arm, en kust den blyden mond’ (blz. 113). De Faam verlaat hem om Mars en Bellona te gaan verjagen. Met bitse woorden gebiedt zij hen te verdwijnen, en ‘steekt de vreêklaroen met opgezwollen koonen’ (blz. 113), waardoor de paarden van Mars' oorlogswagen zó schrikken dat zij niet meer te houden zijn. Mars wijkt voor dit ‘geweld’,49 maar niet zonder een dreigende profetie aan het adres van de Zuidelijke Nederlanden. Slechts tijdelijk trekt hij zich terug; eer er tien jaren voorbij zijn, zal hij zegevierend terugkeren en ‘Zal gansch Europe, aan een gehitst, in 't harnas staan’ (blz. 114): de Negenjarige Oorlog!
Er is bij Rotgans geen sprake van, dat de Prins de slag bij St. Denis begonnen zou zijn, hoewel hij wist dat de vrede reeds getekend was, zoals later is geopperd. Dat is géén schoon-wassen van Willem, maar geheel overeenkomstig de gegevens die de dichter bij Lambert van Bos vond. Ook deze laat het bericht van de vrede eerst tijdens of na de slag de strijdende partijen bereiken.50
De Prins keert naar Den Haag terug. Met een hernieuwde invocatio zet Rotgans zich tot de beschrijving van de vreugde om de bevochten vrede. Eerst die van Maria. De Prinses treedt ‘bestuuwt van hoofsche Vrouwen, // Ter Hofpoorte uit, zo dra de Prins 't paleis genaakt’ (blz. 116). De blijde begroeting gaat gepaard met een ‘gesprek van 't vorstelyke Paar’ (blz. 119), dat door de omstanders met eerbied wordt aangehoord. - Dan komt de vreugde in de Republiek aan de beurt. Overal wordt de vrede uitbundig gevierd met pektonnen, vuurwerk, vreugdeschoten, trompetgeschal, dankdiensten.
De hele rest van het derde boek (286 regels) is gewijd aan een verheerlijking van de vrede en van Willem, die er de bewerker van is. Na een idyllisch-pastorale beschrijving van de ‘Heilzaame vruchten van de vrede op de dorpen en velden’ (marginale samenvatting op blz. 120) laat de dichter de Nimf van de Vecht - als vertegenwoordigster van zijn geliefde Sticht - een vredezang aanheffen, waarin zij de zegeningen van de vrede stelt tegenover de oorlogsellenden die zij heeft moeten doorstaan. Vervolgens nodigt hij de lezer uit zijn Muze op zee te volgen: ‘gy zult geen oorlogsvloot // Zien dobberen in 't bloed, door 't woeden van het loot, // Maar koopmans schepen, door Neptunus ruime baaren, // Om ryke schatten naar uitheemsche kusten vaaren’ (blz. 125). Dat brengt welvaart en overvloed in de steden, waar kunsten en wetenschappen tot nieuwe bloei komen. In Utrecht is de bevrijde Universiteit weer aan het werk, hebben de predikanten het ware geloof hersteld en ‘'t bygeloof uit Gods verkore Kerk’ gebannen (blz. 126), zorgt de magistraat opnieuw voor rust en orde en recht:
De Prins ziet dit alles met vreugde aan, ‘Werkt nu met wysheid voor 's Lands welvaart meer en meer’ (blz. 128), en waakt voor de veiligheid van de Staat. In alles is hij een voorbeeld voor zijn onderdanen:
Zo loopt de verheerlijking van de vrede uit op een verheerlijking van de Prins:
De zo jubelend begroete vrede duurt niet lang. Er wordt een einde aan gemaakt door de Twistgodin, die met een stoet van Furiën - ‘Bedrog, Trouloosheid, List en Wreetheid’ (blz. 134) - opstijgt uit de hel. ‘Ik ben de vrientschap van 't verzoende Europe moe’ (blz. 134), vertrouwt zij haar hofstoet toe, en haar ‘trouwe kamerwacht’ Stokebrand krijgt opdracht de vorsten tegen elkaar te gaan ophitsen, met name op godsdienstig gebied. ‘Men breng' de waereld door gewetensdwang in lyden’ (blz. 135), zo luidt haar bevel. En uit de hel vloekt zij de verdoemde zielen omhoog, om Stokebrand daarbij behulpzaam te zijn: ‘Zy prest het vloekgespuis de gansche waereld door’ (blz. 136).
Wij herkennen in Stokebrand het ‘gruwsaam monsterdier’ uit Rabus' Verlost Britanje, aan wie Belzebub opdracht gaf het plan omtrent een ondergeschoven troonopvolger in de oren van Jacobus' biechtvader te blazen.51 Weliswaar had Rabus op zijn beurt de naam weer aan Vondel's Verovering van Grol ontleend, maar als personificatie komt Stokebrand voor het eerst bij hem voor.
Stokebrand en zijn helpers doen hun werk goed: ‘Vervolging gaat in zwang, en woed op d'ingewanden // En vrye zielen; sticht het bloedig moordschavot; // Rukt kerk en heiligdom om ver, tot hoon van God’ (blz. 136).52 De Vrede vlucht voor het geweld ‘en vliegt om hoog naar 's Hemels gulde zaalen’.
Ook in Engeland voelt de Godsdienst (= het Protestantisme) zich bedreigd. ‘Zy zag hoe 't helsch gedrogt den Koning op zyn stoel // Den gloed van kerktwist blies in 't herte, om 't volk te plaagen, // En 't oude voorrecht van haar tempel te belaagen’ (blz. 137). Na een vurig gebed tot God vat zij echter weer moed, omdat zij een uitweg ziet. Vergezeld door Gerechtigheid, Liefde en Waarheid begeeft zij zich naar de Republiek om de hulp in te roepen van Willem en Maria: ‘Zy zyn om mynent wil door Gods besluit gepaart. // Men vond nooit vroomer noch oprechter Paar op d'aard’ (blz. 138). Aan het strand wordt zij ontvangen door de Hollandse Tuinmaagd, die haar naar het paleis van de Prins brengt. Daar verschijnt de Godsdienst aan Willem in zijn slaap, ‘verhaalt de vervolgingen in Vrankryk, en in Engeland’ (marginale samenvattingen op blz. 139 en 140), wijst er hem op, hoe ‘Een opgeraapte zoon,
indien men 't mag gelooven, // Zoekt uwe Gemaalin van 't Kroonrecht te berooven’ (blz. 140), en eindigt met een beroep op zijn bijstand.
Merkwaardig is in deze droom-toespraak het gedeelte, waar Godsdienst zich wendt tot koningin Elizabeth i als grondvester van het Engelse Protestantisme: ‘Ai zie uw tempels in den nood, zy zyn uw eigen, // En door uw vlyt ...’ Maar dan valt de spreekster zichzelf in de rede. Elizabeth is dood en ‘hoort ons niet, schoon zulks het Roomsche Kerkhoofd leert’. Alléén God is alwetend; de zielen der gestorvenen ‘Zyn eeuwig onbewust van 't geen om laag geschied’, en contact met hen is niet mogelijk (blz. 141). Met andere woorden: er zijn geen heiligen die voor ons kunnen interveniëren, geen gestorvenen die ons gadeslaan en met hun voorbede steunen.
De Prins ontwaakt in aarzeling en tweestrijd. Enerzijds weet hij zich gebonden door het feit dat Jacobus ii zowel zijn schoonvader als zijn oom is; anderzijds voelt hij zich geroepen tot hulp aan het bedreigd Geloof. ‘Hier pleit de liefde tot den Godsdienst tegens 't bloed’ (blz. 142).
Maar tenslotte wint de Godsdienst het. Willem besluit tot zijn tocht naar Engeland en bereidt die in overleg met de Staten voor. Een tocht, die de expeditie van de Grieken tegen Troje verre overtreft! Want het oogmerk van de Grieken was wraak,
Maria smeekt de Prins haar vader te sparen: ‘Behou den Koning, maar vernietig al zyn laagen’, en Willem zweert haar: ‘ik zal den Vorst niet deeren’ (blz. 145). Samen bidden zij om Gods zegen ‘in een aanslag vol gevaaren’, daarin gevolgd door heel het volk.
Tenslotte zeilt de machtige vloot uit: ‘Zeshonderd schepen en ruim vyftig klooven 't nat, // Bevolkt met oorlogsliên’ (blz. 146). Maar in de daarop volgende nacht wordt zij geteisterd door een hevige storm. Aeolus' winden gedragen zich als in Aeneis i tegen de schepen van de Trojanen: ‘Nu houd geen tuchtspelonk dat muitgespan by een. // De stormen snorren op hun onweerpennen heên, // En woeden op de vloot’ (blz. 146). In de morgen moet de Prins met zijn gehavende expeditiemacht terugkeren. Maar dadelijk gaat hij aan het werk om de geleden schade te herstellen. Met onvermoeibare energie weet hij iedereen te bezielen tot een nieuwe krachtsinspanning. En eindelijk kan de vloot opnieuw uitvaren.
Ditmaal verloopt de tocht voorspoedig: ‘Eool' de Windvoogd raakt, door 't smeeken, aan 't bedaaren, // En sluit de muiters in hun nachtspelonken op’ (blz. 149). Zonder tegenstand te ontmoeten kan Willem bij Torbay zijn leger ontschepen: ‘Een bos van pieken groeit aan Koning Stuarts strand’ (blz. 150).
De omwonenden begroeten hem als bevrijder: ‘elk bied zich gewillig aan, // En zweert, tot rust van 't ryk, den Veldheer by te staan’ (blz. 151).
Het verdere verloop van de expeditie wordt slechts kort aangegeven, veel beknopter dan Rabus dit deed. Rotgans kon de gebeurtenissen voldoende bekend achten om ze met een enkel woord af te doen, nu er daardoor geen spectaculaire heldendaden van de Prins onvermeld bleven. Maar bij diens intocht in Londen staat hij weer uitvoeriger stil. Want het is een gróóts moment, wanneer ‘Prins Wilhem, op zyn stasikoets gestegen, // Gelyk een tweede August', met eere en pleghtigheid, // Naar 't hooge Kapitool van Londen word geleid’ (blz. 155)! Met tranen van blijdschap wordt hij begroet; Engelse meisjes eren hem in haar welkomstzang als de wàre Perseus en de wàre Theseus tegenover de fictieve figuren van die naam bij de ‘oude dichters’ (blz. 156).
Onmiddellijk treft Willem alle nodige maatregelen en roept ‘naar 't oud gebruik’ het Parlement bijeen. ‘De liefde tot den Vorst groeit daaglyks in de zinnen. // Zyn vlyt verplicht het volk hem meer en meer te minnen’ (blz. 158), wat er tenslotte toe leidt dat hem de scepter aangeboden wordt. ‘Men zend gezanten naar Holland om de Prinses af te haalen. Maria toont in 't scheiden haar genegentheid voor den Staat en de ingezetenen’ (marginale samenvattingen op blz. 160). Uitvoerig geeft de dichter de woorden weer, die een der ‘Vaders’ (Staten-leden) bij het afscheid tot haar richt. Engeland is nu gered, zo betoogt hij, maar de Republiek wordt bedreigd: ‘De Fransche Koning heeft zyn sabel reeds gewet. // Hy stygt verwoed te paard, en steekt de moordtrompet’ (blz. 161). Laat Maria er bij haar gemaal op aandringen terug te keren om aan dat gevaar het hoofd te bieden: ‘Beweeg den Koning om zyn Vaderland te bergen’, het vaderland dat er zo trots op is te kunnen zeggen ‘Dat Neêrland in zyn schoot een Koning heeft gequeekt’ (blz. 162)!
Maria's overtocht wordt mythologisch omdicht op een wijze, die deze episode tot tegenhanger maakt van Willem's bruidsgang naar Londen in het eerste boek. De marginale samenvattingen op blz. 163-165 spreken voor zichzelf: ‘Maria word naar den oever geleid en gaat scheep. Thetis verschynt op haar schulpkoets, en zend Triton voor af, om de komst van de Koningin te bootschappen. Hij steekt zyn horen aan de kust van Engeland, waar op het volk zich naar zee begeeft. Een oud zeeman wyst de schepen van de Koningin. Vreugde van de onderdaanen, waar op de Teemsgodin te voorschyn komt, en het volk aanspreekt. De vloot van Maria genaakt de kust van Engeland’.
Als Maria in Londen door Willem wordt begroet, spreekt zij nogmaals haar tegenstrijdige gevoelens uit: vreugde om het succes van de Prins en de bevrijding van Engeland, maar verdriet om het droeve lot van haar vader. Willem antwoordt haar met evenveel waardigheid en geloofsovertuiging. ‘Hoe staat de Ridderschap verrukt en opgetoogen, // Door 't deugdsaam onderhoud. de Hoofsche Juffers droogen // De traanen van haar wang: elk voelt haar hert geraakt’ (blz. 168).
Kort daarop volgt de dag van de kroning. De dichter begint met een beschrijving van de plechtige stoet op weg naar Westminster Abbey, met Willem en Maria onder een boven hen gedragen ‘gehemelte’.54 Maar dan schakelt hij over naar de allegorie: ‘De Godsdienst ontfangt den Koning aan den Tem-