Twee jaar na De Kruisheld, in 1714, verscheen Judas de Verrader van de Rotterdamse dichter Joan de Haes, in 1723 gevolgd door diens epische bewerking van het Bijbelboek Jona: Jonas de Boetgezant.
Aan deze twee werken heeft H.M.J. van Galen in 1970 een proefschrift gewijd onder de titel De grote bijbelse gedichten van Joan de Haes.1 In het vorige hoofdstuk is deze studie reeds even ter sprake gekomen,2 maar hier dien ik er - als inleiding op mijn onderzoek naar aard en betekenis van De Haes' epische werk - uitvoeriger op in te gaan.
De voornaamste verdienste van Van Galen is, dat hij voor het éérst de epische Bijbelbewerkingen uit het eerste kwart van de 18de eeuw aan een serieuse bespreking en analyse heeft onderworpen. Want al staan in zijn boek uiteraard de beide gedichten van Joan de Haes centraal, ook aan de overige Bijbel-epiek uit deze periode wordt de nodige aandacht geschonken. Terecht heeft Van Galen ingezien, dat het niet mogelijk is het werk van De Haes te bespreken buiten verband met de contemporaine ontwikkeling van het genre waartoe het behoort, al zou het alleen zijn om te kunnen vaststellen in hoeverre de Judas en de Jonas daardoor werden beïnvloed. Hij betrekt daarom bij zijn onderzoek alle ‘lange epische bijbelse gedichten uit de periode 1662-1723’ d.w.z. vanaf de opkomst van het genre in onze literatuur met Vondel's Joannes de Boetgezant tot en met de verschijning van De Haes' Jonas. Behalve met het Bijbel-epos van Vondel vergelijkt hij de beide gedichten van De Haes dus voortdurend ook met De Kruis-held van Pieter Rabus (1681), De Kruisheld van Jan van Hoogstraten (1712) en Het Leven van de Koning en Propheet David door Koenraet Droste (1716).3
Het eigenlijke doel van Van Galen is ‘een bijdrage te leveren tot het onderzoek van de literatuur uit het eerste kwart van de achttiende eeuw’, die tot dusver nog nauwelijks belangstelling van de literatuur-historici heeft ondervonden. Voor zover er door hen aan deze periode aandacht werd besteed, beperkten zij zich tot het werk van ‘de buitenbeentjes’ zoals Luyken, Poot, Van Swaanenburg en Zeeus. ‘Dat is heel begrijpelijk’, - aldus Van Galen - ‘maar op die manier is het niet mogelijk, een vervalperiode als vervalperiode te beschrijven. Dat kan alleen door een figuur te kiezen die karakteristiek is voor zo'n tijdperk. Welnu, Joan de Haes is een van demeest typerende exponenten van de achteruitgang’.4
Deze doelstelling heeft de opzet van zijn studie volledig bepaald. Het epische werk
van De Haes wordt in de eerste plaats besproken als uitgangspunt voor een karakterisering van de verval-verschijnselen uit de betrokken periode. Dit gaat zelfs zó ver, dat Van Galen aan een afgeronde behandeling van de Judas en de Jonas niet toekomt. Allerlei aspecten van deze twee werken worden aan de orde gesteld en met citaten uitvoerig toegelicht, maar een bespreking ervan als samenhangend gehéél blijft achterwege. Het gevolg is, dat de lezer geen duidelijk beeld krijgt van wat Joan de Haes in zijn grote Bijbel-gedichten nu eigenlijk gewild en al dan niet bereikt heeft. Wij komen precies te weten, op welke wijze de dichter als imitator te werk is gegaan en aan wie de verschillende stof- en vorm-elementen werden ontleend, maar niet wat het resultaat van dit alles is geweest. Op de compositorische aspecten van de Judas en de Jonas gaat Van Galen nauwelijks in, terwijl ook naar de poëtische en stilistische qualiteit van de versificatie geen onderzoek wordt ingesteld. Wat de literaire evaluatie van De Haes' werk betreft, moeten wij het doen met de terloopse opmerking van Van Galen, dat de dichter na zijn dood spoedig vergeten werd ‘en m.i. niet ten onrechte, ofschoon ik voor Judas de Verrader en een vijftal gelegenheidsgedichten wel enige waardering kan opbrengen’.5
Er wordt dus in dit proefschrift niet helemaal recht gedaan aan de twee Bijbeldichten, die er blijkens de titel het onderwerp van vormen. Maar afgezien daarvan valt er veel te waarderen. Met scrupuleuse nauwgezetheid signaleert Van Galen de kenmerkende eigenaardigheden van De Haes' werkwijze, vergelijkt ze met die van zijn tijdgenoten, stelt de problemen die daarmee samenhangen, en zoekt tenslotte naar een verklaring of een ontwikkelingslijn. Achtereenvolgens komen aan de orde: 1. de literaire stromingen en religieuse opvattingen die De Haes' Bijbel-gedichten beïnvloed zouden kunnen hebben; 2. de vraag of deze laatste als epen mogen worden aangemerkt, een vraag waarbij ook het gelijksoortige werk van Rabus, Hoogstraten en Droste wordt betrokken; 3. de verschillende manieren waarop De Haes zijn voorbeelden imiteert en die een ontwikkeling te zien zouden geven ‘van beperkte creativiteit naar niet-creatieve translatio’6; 4. het probleem van de dichterlijke vrijheid in verband met de vereiste eerbied voor de Bijbeltekst; 5. het gebruik van het merveilleux in de Bijbelse epiek tussen 1662 en 1723.
Voor elk van deze vijf punten geef ik kort de conclusie aan waartoe Van Galen komt, zoveel mogelijk met diens eigen woorden.
ad 1. De Haes is aanvankelijk een overtuigde vertegenwoordiger van de Vondeltraditie. Het is zelfs mogelijk, Judas de Verrader vanwege de ‘zwaarte’ van de Vondel-imitatie als een eindphase van die traditie te zien. Als gevolg van de felle aanvallen, die in de Poëten-oorlog tegen de Vondel-naäperij ontketend werden, zag hij zich echter ‘gedwongen naar andere mogelijkheden om te zien’. Hij zocht toen aansluiting bij de oude Protestants-Nederlandse traditie van ‘vrome, stichtelijke gelegenheidspoëzie’.7
ad 2. Zoals ook uit de titel van zijn proefschrift blijkt, beschouwt Van Galen de Judas en de Jonas nièt als Bijbelse epen. Naar zijn mening mogen zij slechts ‘lange epische bijbelse gedichten’ worden genoemd. Als nadere genre-aanduiding geeft hij voor Judas de Verrader op: ‘dichterlijke levensbeschrijving van een bijbelse persoon’ en voor Jonas de Boetgezant: ‘mengvorm van een dichterlijke levensbeschrijving van een bijbelse persoon en een berijmde preek’.8
ad 3. Het feit dat de Poëten-oorlog voor De Haes voortzetting van de Vondelimitatie in de trant van Judas de Verrader onmogelijk maakte, is funest geweest voor zijn poëzie. ‘Tussen 1714 en 1723 ontwikkelt De Haes zich van dichter tot rijmer; het weinige wat aan creativiteit aanwezig was, verdwijnt en maakt plaats voor de dienstbaarheid van de vertaler van het werk van anderen’.9
ad 4. In 1714 volgde De Haes Vondel ook in diens opvatting omtrent de verhouding tussen dichterlijke vrijheid en gebondenheid aan de Bijbeltekst. In 1723 blijkt hij echter een veel strenger standpunt in te nemen. ‘Een van de oorzaken hiervan is zeker geweest de poëtenstrijd om Vondel. Invloed van Houbraken en Van Hoogstraten en Droste is niet ondenkbaar en het is zelfs mogelijk, dat de theorieën van Boileau hier en daar een zekere rol hebben gespeeld’.10
ad 5. Ten aanzien van het merveilleux geldt ongeveer hetzelfde. ‘In Judas de Verrader maakt de dichter in navolging van Vondel op grootse wijze gebruik van op de bijbel gefundeerd “merveilleux chrétien”’.11 In Jonas de Boetgezant doet hij dit niet meer, waarschijnlijk onder dezelfde invloeden als bij punt 4 werden aangegeven.
Zoals verder-op in dit hoofdstuk zal blijken, ben ik het op verschillende punten niet met Van Galen's conclusies eens. In het bijzonder geldt dit voor zijn opvatting, dat de Judas en de Jonas niet als Bijbelse epen kunnen worden beschouwd. Ook meen ik, dat hij de betekenis van de Poëten-oorlog voor de latere ontwikkeling van De Haes overschat en op grond daarvan de Jonas te veel ziet als ‘een grote stap terug’.12 Dit neemt echter niet weg, dat ik oprechte waardering heb voor de conscientieuse wijze waarop hij bij zijn onderzoek te werk is gegaan, voor de vele gegevens die hij heeft bijeengebracht, en voor zijn nauwgezette opgave van de talloze ontleningen of reminiscensen in de betrokken gedichten. Ik heb van dit alles voor mijn hoofdstuk over De Haes veel profijt gehad.
Dank zij de onderzoekingen van Van Galen, met name ook in het gemeente-archief van Rotterdam, zijn wij omtrent de familie-omstandigheden van Joan de Haes vrij goed ingelicht.13 Wat ons daarin vooral opvalt, is hoezeer de nauwe betrekkingen tussen de leden van de Rotterdamse vriendenkring in zijn persoon als het ware gestalte gekregen hebben.
Joan's grootvader Jan Albertsen de Haes is tweemaal gehuwd geweest, eerst met Neeltie Aerts Verstolc - die binnen de twee jaar stierf - en vervolgens met Maria Frans Oudaan, een zuster van de dichter Joachim Oudaan. Van Galen heeft niet kunnen vaststellen, uit welk van deze beide huwelijken Joan's vader Frans geboren is en of deze dus een echte dan wel een aangetrouwde oomzegger van Oudaan was. Op grond van de namen acht ik echter het eerste verreweg het meest waarschijnlijk. Wij weten namelijk dat uit het huwelijk van Jan de Haes met Neeltie Verstolc een zoon geboren is, die naar zijn grootvader Albert werd genoemd; dit wijst erop dat
deze zoon het eerste mannelijke kind van Jan de Haes is geweest. Aangezien deze Albert op 4 februari 1653 geboren werd, is het uitgesloten dat zijn moeder vóór haar dood op 12 mei van datzelfde jaar nog een tweede zoon ter wereld zou hebben gebracht. Daar komt nog bij, dat ook de naam van Joan's vader - Frans - naar het tweede huwelijk wijst. Nu Jan Albertsen zijn oudste zoon naar zijn vader had vernoemd, lag het voor de hand dat een tweede zoon naar de grootvader van moederskant zou heten. Frans is dan ook een volkomen begrijpelijke naam voor de zoon van Maria Frans(dr.) Oudaan, maar niet voor die van Neeltie Aerts(dr.) Verstolc.
Hoe dit ook zij, in ieder geval is Frans opgegroeid in een gezin, waarvan Oudaan's zuster het middelpunt vormde en waarin de dichter een geregelde gast zal zijn geweest. De invloed, die daarvan op Joan's vader is uitgegaan, werd stellig niet bepaald door de aard van de verwantschap.
Frans de Haes trouwde in november 1683 te Rotterdam met Cornelia Brandt, een dochter van Vondel's levensbeschrijver Geeraardt Brandt. Uit dit huwelijk werd op 3 november 1685 - eveneens te Rotterdam - een zoon geboren, die naar zijn grootvader van vaderskant Joan werd genoemd: de auteur om wie het ons hier te doen is, achterneef van Joachim Oudaan en kleinzoon van Geeraardt Brandt.
Joan was nog geen vijf jaar, toen zijn vader in september 1690 stierf. In het begin van 1696 hertrouwde zijn moeder met Reinier Leers, waardoor hij verder in het gezin van zijn stiefvader opgroeide. Op 20-jarige leeftijd trad hij in het huwelijk met Cornelia de Haes, dochter van zijn half-oom Albert de Haes; de verbintenis, op 22 maart 1706, vond plaats buiten gemeenschap van goederen. Dit leidde tot moeilijkheden, toen Cornelia ruim twee jaar later, op 23 september 1708, overleed. Uit een aantal gedichten van Joan blijkt, dat bloedverwanten aanspraak maakten op (een deel van) haar erfenis aan zijn zoon Frans, die op 18 april 1708 uit hun huwelijk geboren was. De zaak is in zoverre voor ons van belang, dat een echo ervan doorklinkt in de hekeling van de geldzucht in Judas de Verrader.14
Joan de Haes is na de vroege dood van zijn vrouw nooit hertrouwd. Hoewel hij in verschillende notariële acten te Rotterdam als koopman wordt genoemd, komen er in de protocollen weinig gegevens voor omtrent zakelijke.transacties; blijkbaar was hij vermogend genoeg om het grootste deel van zijn tijd aan poëzie en studie te wijden.15 Vanaf 1711 heeft hij geregeld gepubliceerd. Daarbij raakte hij al spoedig betrokken bij de Poëten-oorlog, waarin hij een niet onbelangrijke rol heeft gespeeld. In twee van de polemieken, die in deze oorlog te onderscheiden vallen, had hij zich tegen felle aanvallen te verweren. In de eerste was Jakob Zeeus zijn grote tegenstander en ging het vooral om de verzen van De Haes zelf, die gehekeld werden als kreupeldicht en plagiaat. De tweede polemiek, bekend als ‘de strijd om Vondel’, ontbrandde naar aanleiding van de voorrede, die Joan de Haes had toegevoegd aan zijn uitgave van R. Ansloos Poezy (Rotterdam 1713) en waarin Vondel als zon van de Nederlandse Parnas-hemel verheerlijkt werd. Ditmaal kwam de aanval van de Journal Litéraire, uitgegeven door een Frans-Nederlandse vriendengroep in Den Haag waarvan Justus van Effen deel uitmaakte.16 Ook in andere polemieken is Joan de Haes verwikkeld geraakt; deze waren echter van meer plaatselijke of persoonlijke
aard en houden ‘met den Poëtenoorlog alleen in zooverre verband, dat zij opkomen tegen de destijds zoo ergerlijk optredende vleierij in versvorm van Regeeringspersonen en andere rijke Maecenassen’.17
Op 12 februari 1723 overleed Joan de Haes, nog slechts 37 jaar oud, in zijn huis aan de Nieuwehaven te Rotterdam. Vier dagen later werd hij in de Grote Kerk begraven. Zijn zoon Frans moest toen nog vijftien jaar worden.
Het eerste van De Haes' twee Bijbelse epen verscheen in 1714. Het titelblad van deze uitgave luidt:
Judas // de // Verrader // Begrepen in drie boeken // door // Joan de Haes. // vignet // Te Rotterdam // By Joannes Hofhout, // MDCCXIV.
Het werk werd in 1720 herdrukt, toen de auteur het opnam in de uitgave van zijn verzamelde poëzie: Gedichten van Joan de Haes. Hier by komt F. Sidneis Verdediging der Poëzy [,] uit het Engelsch vertaelt (Rotterdam, bij Maarten van Loon, 1720). Deze verzamel-editie vormt een lijvig boekwerk-in-quarto van ongeveer 770 bladzijden. De vertaling van Sidney's Defence of Poesie, die De Haes in 1712 had gepubliceerd en waarop hij - terecht18 - trots genoeg was om ze ondanks de proza-vorm aan zijn gedichten toe te voegen, neemt er (met voorwerk) ruim 100 van in beslag. De ereplaats is echter voor Judas de Verrader, waarmee de bundel wordt geopend. Van het voorwerk werd alleen het ‘Aen den Lezer’ toegevoegd. De lof- en drempeldichten zijn, evenals die uit andere publikaties, overgeheveld naar de rubriek ‘Toezangen aen Joan de Haes’ (blz. 647-726), waarin alle verzen werden opgenomen die niet dóór maar vóór de dichter waren geschreven: verjaars-, bruilofts-, geboorte- en lofdichten. Twee van de zeven liminaria voor de Judas werden daarbij echter weggelaten.19
In 1724, een jaar na de dood van De Haes, verzorgde Hubert Kornelisz. Poot een nieuwe presentatie van diens verzameld werk: Alle de gedichten van Joan de Haes. Hier by komt F. Sidneis Verdediging der Poëzy [,] uit het Engelsch vertaelt. In twee deelen (Delft, bij Reinier Boitet, 1724). Een eigenlijke nieuwe editie is dit niet. Wij hebben hier te doen met een titel-uitgave van Gedichten 1720, vermeerderd met wat Joan de Haes nadien nog geschreven had. De paginering van het toegevoegde gedeelte sluit bij die van 1720 aan. Slechts aan het begin en het einde werden, waar dit voor een goede aansluiting wenselijk was, enkele bladzijden opnieuw gezet. De scheiding in twee delen werd verkregen door halverwege het geheel, bij het begin van een nieuw vel, een titelblad aan te brengen voor het Tweede Deel. Hoe willekeurig deze twee-deling is, blijkt uit het feit, dat het laatste blad van Deel I de Franse titel bevat van de rubriek ‘Vertalingen’ (met blanco verso-zijde), terwijl de rubriek zelf in Deel II volgt. - Judas de Verrader is in 1724 ten opzichte van de editie-1720 geheel onveranderd gebleven.
Het tweede grote Bijbeldicht van Joan de Haes verscheen in het jaar van zijn dood. In verband met de sterfdatum - 12 februari - is het onzeker, of hij de ver-
schijning daarvan nog heeft beleefd. Het titelblad kondigt aan:
Jonas // de // Boetgezant, // of // Poëtische // uitbreiding // zyner histori // door // Joan de Haes. // Hier by komen eenige Aenmerkingen des Dichters over de Uitbreiding. // vignet // Te Delf // By Reinier Boitet // MDCCXXIII.
In 1724 werd uiteraard ook de Jonas door Poot bij zijn uitbreiding van de Gedichten 1720 tot Alle de gedichten betrokken. Tot een herdruk heeft dit echter niet geleid. De nog onverkochte exemplaren van de editie-1723 kregen in plaats van het oorspronkelijke titelblad een Franse titel en werden vervolgens (met behoud van de eigen paginering) aan deel II van Alle de gedichten toegevoegd. Dit leidde ertoe, dat de Jonas daarin helemaal achteraan komt, zelfs nà de omvangrijke ‘Blatwyzer der gedichten’, waarin hij wel vermeld wordt maar zonder verwijzing naar een bladzijden-nummering. Tot een werkelijke her-uitgave is het nooit gekomen.
Het ‘Aen den Lezer’ van de Judas is gedateerd op 1 maart 1714. Joan de Haes heeft zijn eerste Bijbeldicht dus ongeveer twee jaar na het verschijnen van de Amsterdamse editie van Hoogstraten's De Kruisheld voltooid. Die tussentijd is lang genoeg om het mogelijk te maken, dat hij eerst aan zijn epos begonnen is nadat hij dat van zijn oudere vriend Jan van Hoogstraten had leren kennen. Zekerheid daaromtrent hebben wij echter niet. Theoretisch is het even goed denkbaar, dat hij reeds aan zijn epos werkte of althans het concept daarvan gereed had, toen hij met De Kruisheld in aanraking kwam. Met het oog op de volledige afwezigheid van enige invloed van Hoogstraten's half-epos op de Judas heb ik aanvankelijk gemeend, dat wij dit laatste als waarschijnlijk dienden te beschouwen.20 Bij nader inzien ben ik daar echter op teruggekomen. De omvang van het epos (1486 regels) is te beperkt om de veronderstelling te rechtvaardigen dat Joan de Haes er langer dan twee jaar aan zou hebben gewerkt. Dit klemt te meer, als wij in aanmerking nemen dat Jonas de Boetgezant hem blijkens zijn voorbericht hoogstens acht maanden kan hebben gekost. Nu is de Jonas met zijn 892 regels wel een heel stuk korter dan de Judas, maar daar staat tegenover dat er niet minder dan 32 bladzijden toelichtende ‘Aenmerkingen’ op volgen, die in de Judas geen aequivalent hebben. Bovendien wordt in het ‘Aen den Lezer’ van laatstgenoemd werk zó nadrukkelijk een opvatting verdedigd, tegengesteld aan die van Arnold Houbraken in het voorbericht van De Kruisheld, dat het nauwelijks mogelijk is er geen bestrijding van diens standpunt in te zien. Natuurlijk is het op zichzelf niet onmogelijk, dat Joan de Haes daarin achteraf zijn standpunt tegenover dat van Houbraken stelde, terwijl de Judas zelf buiten deze tegenstelling om was ontstaan. Maar waarschijnlijk lijkt mij dit niet. Daarvoor is de opzet ervan te uitgesproken - om niet te zeggen: te programmatisch - de tegenpool van die in De Kruisheld.
Ik meen daarom, dat wij ons de ontstaansgeschiedenis van Judas de Verrader ongeveer als volgt moeten voorstellen. Toen in 1712 De Kruisheld verscheen, zal De Haes die ongetwijfeld - als voortgekomen uit de vriendenkring waartoe hij krachtens
geboorterecht behoorde - met veel verwachting ter hand hebben genomen. Maar de lezing kan niet anders dan een teleurstelling voor hem zijn geweest. Als vurig bewonderaar van Vondel moet hij zich gegriefd hebben gevoeld door de wijze waarop hier werd afgeweken van het voorbeeld dat deze voor de epische bewerking van Bijbelstof had gegeven, en nog meer door de laatdunkende kenschets van diens meriveilleux chrètien als ‘ydele hersenschimmen’ en ‘bedrieglyke eigen vindingen’ in het voorbericht van Houbraken (al noemde deze dan geen naam).21 Het zal hem natuurlijk niet ontgaan zijn, dat Hoogstraten geprobeerd had zo dicht mogelijk bij Vondel's Joannes de Boetgezant aan te sluiten als Houbraken's oorspronkelijke opzet achteraf toeliet, en hij zal waardering hebben gehad voor de Vondeliaanse inslag die zijn vriend in de boeken VI en VII had weten aan te brengen. Vermoedelijk heeft hij met voldoening geconstateerd, dat in de Goudse editie het aanstootgevende ‘Aen den Lezer’ van Houbraken vervallen was. Maar dit alles nam niet weg, dat hij - terecht - De Kruisheld als anti-Vondeliaans bleef zien. Bij een zo duidelijke aantasting van de Vondel-traditie kon hij niet blijven zwijgen. Er moest een antwoord op komen, waaruit overtuigend bleek dat Vondel gelijk had en De Kruisheld geen navolging verdiende.
In de sfeer van de Poéten-oorlog had het voor de hand gelegen, dat Joan de Haes zijn weerwoord gegeven zou hebben in de vorm van een verontwaardigd en schamper hekeldicht. Dat deed hij echter niet. In plaats van een rechtstreekse aanval koos hij de indirecte vorm van een tegen-demonstratie. Bij het kiezen van deze vorm zal niet alleen de overweging hebben voorgezeten dat het effect groter zou zijn, omdat voor- beelden meer trekken dan leringen. De Haes' vriendschap met Jan van Hoogstraten is stellig mede een belangrijke, misschien zelfs de doorslaggevende factor geweest. De Kruisheld stond nu eenmaal op Hoogstraten's naam, zodat een aanval op het gedicht onvermijdelijk als een aanval op hèm zou worden opgevat. En daar lag de moeilijkheid! De Kruisheld was anti-Vondeliaans, maar Hoogstraten was dat niet. De Haes zal het zijn vriend dan ook niet hebben willen aandoen, hem aan te vallen op een punt waaromtrent zij in wezen niet tegenover elkaar stonden. Maar dan kon de anti-Vondeliaanse tendens van De Kruisheld slechts bestreden worden door de superioriteit van de Vondel-traditie met een eigen dichtwerk in het licht te stellen en de conclusie aan de lezers over te laten.
Ik herhaal dat het bovenstaande niet meer is dan een hypothese. Maar zij laat zich gemakkelijk verenigen met de feitelijke gegevens waarover wij beschikken. En bovendien helpt zij de excessieve Vondel-navolging verklaren, die Judas de Verrader kenmerkt en die er Van Galen toe bracht op te merken dat deze ‘de indruk (wekt) op z'n eentje een aparte fase in de Vondeltraditie te vertegenwoordigen’.22
- Een volgende vraag is, hoe Joan de Haes ertoe kwam juist het verraad van Judas als onderwerp voor zijn tegen-demonstratie te kiezen. Ook daarop valt slechts een hypothetisch antwoord te geven, maar ook ditmaal zijn er naar mijn mening toch wel enkele aanwijzingen. Als voornaamste daarvan zie ik de samenhang met Vondel's Joannes de Boetgezant. Aan het begin van zijn vierde boek laat Vondel Lucifer aan de Helleraad uiteenzetten, hoe God bezig is door Johannes en Jezus de macht van het Kwaad te bestrijden. Daarom moeten die beiden worden uitgeschakeld: ‘Het is nu waeckens tijt. 't zy afgezant, of heer, // Zy zwoeren ons bederf: men ga hun bey te keer. // Joannes moet'er eerst, en dan de meester kleven’.23 In de laatste drie
boeken van Vondel's epos wordt dan uitgebeeld, hoe Lucifer de eerste helft van zijn plan volvoert en de dood van Johannes weet te bewerkstelligen. Het tweede deel van dit plan wordt verder, althans als onderdeel van de handeling, buiten beschouwing gelaten. En daar knoopt Joan de Haes nu juist bij aan. In het eerste boek van de Judas is de Helleraad opnieuw bijeen en ontvouwt ‘de grootvorst van den nacht’ - zoals ook Vondel in Joannes IV, vs. 6, Lucifer had genoemd - zijn verdere voornemens. Johannes is inmiddels uit de weg geruimd:
Evenals bij Vondel wordt vervolgens in drie boeken de volvoering van dit plan uitgebeeld. De Judas is niet enkel een navolging, maar ook een vervolg van de Joannes.24 Joan de Haes wilde niet alleen maar imiteren; het was er hem om te doen, te bewijzen dat het werk van Vondel in diens geest en trant kon worden vóórtgezet. Dat hij daarin niet slaagde, omdat hij vooral compositorisch niet opgewassen bleek tegen de taak die hij zichzelf gesteld had, doet aan deze bedoeling niet af. Er wordt door verklaard, waarom hij zich op Judas als instrument van Lucifer concentreerde, zoals Vondel het gedaan had op Herodes.
Ongetwijfeld heeft een persoonlijke factor de aantrekkelijkheid van dit onderwerp voor de dichter nog vergroot. In zijn tijd werd het verraad van Judas uitsluitend verklaard uit diens geldzucht. Als motto voor zijn dichtwerk koos hij dan ook een uitspraak van Cicero over de macht van het geld: ‘Niets is z6 heilig dat het niet ontwijd, niets zó sterk dat het niet overwonnen worden kan door het geld’.25 Vanuit dit gezichtspunt zijn al degenen, die om geld of goed tot schanddaden komen, nauw met Judas verbonden: ‘Dat zyn al Judassen, die om een vuil genot // Hun' Heilant na zyn doot verraden en hun' Godt’. In de lange rij van dergelijke Judassen noemt De Haes met nadruk ook hèn die ‘weezen op 't gebeent, gelyk griffoenen plukken’ en ‘tegens recht en reên // D'onnooslen pogen op de harssepan te treên.’26 Daarmee doelt hij zonder twijfel op de bloedverwanten, die na de dood van zijn vrouw de erfenis van zijn vijf maanden oude zoontje hadden aangevochten.27 De dichter wist uit bittere ervaring waartoe geldzucht de mensen kan brengen. En hij heeft de kans, die het verraad van Judas hem bood, dankbaar aangegrepen om deze ondeugd aan de kaak te stellen en af te straffen.
Na al deze beschouwingen en veronderstellingen dienen wij ons nu met het epos zelf te gaan bezighouden. Wat is dit ‘vervolg op de Joannes’ onder de handen van Joan de Haes geworden, en op welke manier wordt het ons in het voorwerk aangeboden?
Verreweg het belangrijkste stuk uit het voorwerk is de uiteenzetting onder het
opschrift ‘Joan de Haes aen den Lezer’. Zonder zijn tegenstander te noemen stelt de dichter hier tegenover de fundamentalistische opvatting van Houbraken de Vondeliaanse, waarmee hij zich vereenzelvigd heeft. ‘Om alle steenen van aenstoot uit den wegh te ruimen’, wil hij het bij voorbaat voor zijn lezers aannemelijk maken, ‘dat wy deze heilige geschiedenis van Judas den Verrader breeder uitgebeeldt hebben, dan ze in de gewyde bladen beschreven is’. Dat is geen ontheiliging. ‘Want men moet weten, dat'er een groot onderscheit is in het ontvouwen eener geschiedenis op een historische, of op een poëtische wyze’. Bij het eerste kan men volstaan met ‘een getrou en onbewimpelt verhael van gebeurde zaken’, maar voor het laatste is dit niet genoeg. Dan moet de verbeelding van de dichter zijn stof ‘bekleeden en verfraeien’. In dit verbeeldings-spel ligt het wezen van de poëzie: ‘Daer van ontleent zy al hare aenvalligheit, daer van haren luister; die [= de gebloemde sieraden welke de dichter toevoegt] zyn hare ziel, die haer leven’. Bij gewijde stof dienen overigens beperkingen in acht genomen te worden. Daar gelden de ‘gulde regels’, die Vondel indertijd van Vossius geleerd had en die De Haes hier letterlijk citeert zoals ze in de Opdracht van diens Gebroeders28 staan: ‘'t Geen Godts boek zeit, nootzakelyk; 't geen het niet zeit, spaerzaem; 't geen hier tegens strydt, geensins te zeggen’.
‘Op dezen voet dan, en gesterkt door den voorgang der uitstekentste dichteren’ - aldus Joan de Haes -, heeft hij niet geschroomd in zijn Judas episoden op te nemen die niet op de Bijbel berusten. Hij noemt er enkele, maar voegt daaraan toe nooit ‘Heidensche Fabelen met de heilige geheimenissen van den Christelyken Godtsdienst’ te hebben vermengd. In hoeverre hij in zijn opzet geslaagd is, ‘moet de Christelyke Lezer oordeelen, die mynen arbeit ten goede gelieve te nemen, en tot een stichtzame bespiegeling te gebruiken..’
Joan de Haes geeft hier een uitstekende samenvatting van Vondel's ideeën omtrent de vrijheid van de dichter tegenover zijn stof, ook als die aan de Bijbel ontleend is. Vondel zou ze bijna zelf geschreven kunnen hebben. In zekere zin hééft hij dat trouwens ook. Want De Haes volgt in zijn voorbericht nauwkeurig het ‘Aen den Lezer’ na, dat aan Joannes de Boetgezant is toegevoegd en waarin Vondel eveneens zijn lezers geruststelt ten aanzien van niet-Bijbelse episoden in zijn Bijbelse epos.29 Vrijwel alle kernwoorden van deze uiteenzetting vinden wij hier onveranderd terug. Alleen heeft Joan de Haes de vergelijking met het werk van een schilder weggelaten. In plaats daarvan heeft hij reminiscensen verwerkt aan de opdrachten en voorberichten bij Vondel's tragedies, en daarbij vooral nadruk gelegd op de ‘gulde regels’ van Vossius.
Op het ‘Aen den Lezer’ volgen niet minder dan zeven drempeldichten. Het lijkt wel, of Joan de Haes al zijn vrienden gemobiliseerd heeft om door een bijdrage meerdere luister te verlenen aan zijn demonstratie voor de superioriteit van de Vondel-traditie. De eerste drie lofdichten zijn in het Latijn gesteld en werden geschreven door de secretaris van Amsterdam Joan de Witt, door de reeds vermaarde David van Hoogstraten, en door De Haes' neef Cornelis van Arckel die Remonstrants predikant was in Rotterdam.30 Daarna volgen vier Nederlandse verzen, respectieve-
lijk van: de Dordtse jurist François van Bokhoven, Jan van Hoogstraten, Jan Suderman (de grote huisvriend van de dichter), en een zekere H.M., die overigens slechts een vrije en uitbreidende vertaling geeft van het Latijnse vers dat Cornelis van Arckel had bijgedragen.
Veel aandacht behoeven wij aan deze lofdichten niet te besteden. Zij zijn in alle opzichten conventioneel, en dragen slechts door aantal en omvang tot het aanzien van de uitgave bij. Maar er is èèn merkwaardigheid, die vermelding verdient. De bewerking van Van Arckel's Latijnse gedicht door H.M. vinden wij in de Gedichten 1720 - waar de lofdichten op de Judas opgenomen zijn in de rubriek ‘Toezangen aen Joan de Haes’31 - op blz. 711-712 terug met de ondertekening J.D.H., wat moeilijk iets anders kan betekenen dan: Joan de Haes. Naar ik meen, is daarvoor slechts èèn verklaring mogelijk. Het was inderdaad de dichter zelf, die het vers van Van Arckel in het Nederlands had bewerkt, maar begrijpelijkerwijs vond hij het niet passend onder een van de lofdichten, ook al was het een vertaling, zijn eigen naam te zetten. Daarom verborg hij zich achter de initialen H.M. In de uitgave van de Gedichten was het vers echter min of meer van de Judas losgemaakt, zodat De Haes het niet bezwaarlijk meer achtte voor zijn auteurschap uit te komen.
Maar wat stond er dan in het gedicht van Van Arckel, dat De Haes belangrijk genoeg vond om het door een Nederlandse bewerking toegankelijk te maken voor de lezers van Judas de Verrader die geen Latijn kenden? Het antwoord behoeft nauwelijks hypothetisch te worden genoemd. Van Arckel had in zijn vers verband gelegd tussen het verraad van Judas en dat van ‘een andere Judas’ die zich - eveneens uit geldzucht - aan de erfenis van De Haes' moederloze zoontje vergrepen had.32 Wie zou, zo vroeg hij, beter de wandaad van de eerste Judas kunnen uitbeelden dan het onnozele kind dat het slachtoffer van die andere Judas geworden was? Het is een wat verwrongen voorstelling van zaken, want Judas de Verrader werd niet door dat kind geschreven maar door diens vader. De bedoeling was echter duidelijk, en zij moet Joan de Haes uit het hart gegrepen geweest zijn. Tegen dèze achtergrond moesten àlle lezers van de Judas zijn werk kunnen zien, ook als zij het Latijn niet beheersten! Vandaar zijn bewerking, waarin hij overigens de anomalie van het Latijn wat verzachtte door toe te voegen dat de tong van het onnozele kind ‘gelyk van hooger hant ontbonden’ was, d.w.z. dat als het ware God het door zijn vader had doen spreken. Maar dat veranderde niets aan de strekking. Ook de bewerking loopt uit op de vraag, wie het best ‘het schelmstuk’ van Judas zou kunnen uitbeelden. En het antwoord luidt:
Er wordt nogmaals door bevestigd, dat de familietwist om de erfenis van zijn zoontje inderdaad een factor is geweest, die De Haes tot de keuze van het onderwerp voor zijn epos heeft gebracht.33
Joan de Haes zet zijn werk in met een propositio van 8 en een invocatio van 30 regels. In de propositio is aansluiting bij Vondel door het grote verschil tussen Judas en Johannes nauwelijks mogelijk. Wij vinden dan ook alleen enige overeenkomst in De Haes' eerste regel: ‘Ik voel myn' geest belust om Judas val te zingen’, waarin een echo naklinkt van Vondel's zevende: ‘Het lustme van den helt te zingen, die...’. - Bij de invocatio richt De Haes zich niet zoals Vondel tot de Engelenkoren, maar tot God en tot Christus.34 Formeel heeft Van Galen dan ook gelijk, wanneer hij ze ‘tweevoudig’ noemt.35 Maar de aanroep tot Christus eindigt met een bede om de steun van de Heilige Geest. Dat wijst erop, dat wij geen scherpe scheiding mogen trekken tussen de onderdelen van de invocatio. Joan de Haes richt zich daarin tot God als de Drie-eenheid van Vader, Zoon en Heilige Geest. Opmerkelijker is voor mijn gevoel dan ook, dat hij kans ziet in zijn bede om de Geest indirect toch weer naar Vondel's Joannes te verwijzen, door te herinneren aan de episode van Jezus' doop in de Jordaan.36 De aanspraak tot Christus eindigt namelijk aldus:
Zonder inleidende descriptio loci begint daarna onmiddellijk de narratio. In de kring van zijn Helleraad haalt ‘de grootvorst van den nacht’ nogmaals zijn oude wrok tegen God op. Dat brengt hem in een toestand van razernij, ‘Waer voor zyn geesten zelfs staen sidderen en schrikken’ (blz. 5). En dan neemt hij het woord: ‘Toen bromde hy aldus, gelyk een klok, en sprak..’.37 In zijn rede geeft hij uiting aan de frustratie om zijn machteloosheid tegenover Christus: ‘Zal ik een' eenigen zoo vele jaren lang // Bevechten zonder hem te krygen in bedwang?’ (blz. 5). Tot nu toe is het hem slechts gelukt Johannes de Doper ten onder te brengen. Maar nu moet, koste wat het kost, op de knecht ook de meester volgen! En hij heeft daarvoor reeds een plan: ‘'k Zal door Iskariot dit groote werk besteken. // De gretige inborst is van Judas my bekent, // Die licht zyn handen om den glans van 't zilver schendt’ (blz. 7-8). Na deze aankondiging verlaat hij de hel en begeeft zich naar de aarde, op weg naar Judas.
Hij treft Judas slapende aan en maakt daarvan, uitgelaten van vreugde, gebruik:
Als Judas, ‘dien 't zweet was uitgebroken // Van 't slangengift’, wakker schrikt, neemt hij het besluit Jezus voor geld te verraden.
Intussen is de morgen van het Paasfeest aangebroken.39 Op bevel van Kajafas komt het Sanhedrin bijeen, en evenals daarstraks Lucifer in de Helleraad houdt de hogepriester de zijnen voor, dat het nu eindelijk tijd is een einde te maken aan het optreden van Jezus. De leden van het Sanhedrin zijn het allen met hem eens, op één na: ‘Een eenigh Raet alleen van tienmael zeven Raden’ (blz. 13) tekent protest aan. Dat is Nikodemus, de leerling en geheime vriend van Jezus. Moedig durft hij het uitspreken, dat Jezus de Zoon van God is: ‘Wat braekt men tegens hem dan bittre lastergal?’ (blz. 16). Maar met geschimp en gehoon wordt hij tot zwijgen gebracht. Zonder verder acht op hem te slaan, gaat het Sanhedrin twisten over de vraag wannéér Jezus moet worden gegrepen, op het Paasfeest of daarna.
Dan komt Judas ‘in 't hof van Kaïfas gestoven’ (blz. 17). Driemaal heeft hij geaarzeld, eer hij ertoe komen kon de drempel te overschrijden; driemaal heeft zijn geweten hem gedrongen tot terugtreden. Maar tenslotte heeft de geldzucht het van zijn geweten gewonnen en is hij naar binnen gegaan. Daar wordt hij verbaasd, maar ‘beleeft gegroet en minnelyk ontfangen’ (blz. 18). Dan doet hij zijn verraders-voorstel, dat door de Raadsleden enthousiast wordt aanvaard: ‘Van blyschap juicht hun hart, van blyschap springt het op’ (blz. 19). De dertig zilverlingen worden hem onmiddellijk uitbetaald.
Het boek eindigt met een ‘aanspraak’ tot Judas, die met zijn bloedgeld het Sanhedrin verlaat: ‘Ga, Judas, ga vry heen met dezen schat belaên. // Maer och! hoe wil die last eerlang 't geweten drukken..’ (blz. 20). Het wordt een lange peroratie van ruim 60 regels, die geleidelijk overgaat in een hekeling van de geldzucht en de geldzuchtigen in het algemeen, met nadrukkelijk inbegrip van hen die ‘weezen op 't gebeent, gelyk griffoenen, plukken’.40
Voor zover mogelijk volgt Joan de Haes in dit boek nauwkeurig de opzet van het eerste gedeelte uit boek IV van Joannes de Boetgezant (vs. 1-183; WB IX, blz. 738-744). Vondel beschrijft daar achtereenvolgens: Lucifer's verontrusting, zijn rede tot de Helleraad, de uitzending van zijn dienaars naar de aarde, de verschijning van Apollion aan Kajafas en Herodes om hen ‘op te rockenen’, het begin van Herodes' verraad tegenover Johannes. Maar niet alleen de grote lijn werd door De Haes aan Vondel ontleend. Telkens komen wij voorstellingen, woorden of uitdrukkingen, soms zelfs gehele regels tegen, die vrijwel letterlijk van hem zijn overgenomen. Van Galen heeft van al deze imitaties, ontleningen en reminiscensen - niet alleen uit de Joannes, maar ook uit Adam in ballingschap en Lucifer - met veel zorg een lijst opgesteld, zodat het geen zin heeft die hier nog eens te herhalen. Wie er belangstelling voor heeft, kan bij hem terecht.41 Curiositeitshalve vermeld ik hier alleen het feit,
dat de frustratie van Satan vanwege zijn machteloosheid tegenover Jezus geen imitatie van de Joannes is, maar van de Aeneis. De Haes laat Satan reageren zoals Juno dat daar doet in boek I (vs. 34-49) en opnieuw in boek VII (vs. 286-322). Hij richt zich daarbij echter niet naar het Latijn, maar naar de versvertaling van Vondel, zoals duidelijk uit de ontleningen blijkt.42
In Jeruzalem viert Jezus met Zijn discipelen - ‘Daer Judas onbeschaemt nu weêr was by gekomen’ (blz. 24) - het Pascha. Aan de maaltijd stelt Hij het Heilig Avondmaal in, en wijst Judas aan als degene die Hem verraden zal. Daarna gaat Hij met de overige discipelen naar de Olijfberg, om Zich op Zijn lijden voor te bereiden in de hof van Gethsemané.
Tot zover heeft Joan de Haes het Bijbelverhaal gevolgd met een nauwgezetheid, waartegen zelfs Houbraken niets zou hebben kunnen inbrengen. Maar bij de ingang van Gethsemané wordt dit anders. De dichter laat zich door religieuse ontroering meeslepen en vertelt verder met een lyrisch-elegische inslag die buiten de toon van het epos valt. Hij wekt zijn ziel op, Jezus te volgen ‘in 't droef Gethsemané’, waar de schuld uit de hof van Eden wordt geboet: ‘Hier wordt het Paradys voor ons op nieu ontsloten, // Waer uit het hoog gerecht onze ouders hadt gestooten’ (blz. 32). In diezelfde toon wordt beschreven, hoe Jezus reeds het lijden beleeft dat Hem wacht:
Totdat het Jezus te veel wordt: ‘Och! och! hy zygt in 't stof, en krimpt, gelyk een worm. // De bittre voorsmaek van dien bittersten der koppen // Verkeert van top tot teen zyn zweet in roode droppen’ (blz. 35).
Maar dan grijpt God in. Uitvoerig beschrijft De Haes - naar hoofdstuk 4 van De Openbaring van Johannes - het hemelse paleis, vanwaar de Vader neerziet ‘op zyn' troosteloozen Zoon’ (blz. 36). Op Gods bevel komt de Hemelraad bijeen om te luisteren naar Zijn wil en mede getuige te zijn van het lijden in Gethsemané. Dan krijgt Gabriël opdracht, Jezus te gaan vertroosten en Hem de lijdens-beker te brengen: ‘dezen kelk van my zelf ingeschonken, // Den bittren kelk, tot heil van 't sterfelyk geslacht’ (blz. 40-41). De Aartsengel maakt zich gereed, ‘zwaeit van ronde in ronde’ (blz. 42) naar de aarde omlaag, en strijkt neer in Gethsemané. Hij heft Jezus op, kust en troost Hem, bemoedigt Hem om de ‘kruiskelk’ te aanvaarden die hij Hem tenslotte aanbiedt. Na een laatste ‘hartekus’ vliegt hij dan weer naar boven, sneller dan een bliksem, ‘En 't gansche Olyvendal scheen van dien glans te branden’ (blz. 46).
In het eerste deel van boek II volgt Joan de Haes voor zijn beschrijving van het Laatste Avondmaal geen andere bronnen dan de Bijbel. Bij de episode in de hof van Gethsemané richt hij zich echter opnieuw naar het voorbeeld van Vondel. Zoals Van Galen heeft aangetoond,43 vinden wij daarin diens Gethsemani of Engeletroost (WB V, 827-830) vrijwel onveranderd terug. Niet alleen het gebeuren is identiek, maar ook de woorden en uitdrukkingen zijn voor een groot deel dezelfde. Alleen is bij De Haes de tóón anders dan bij Vondel: lyrischer, elegischer. Ik meen, dat wij daarin reminiscensen horen doorklinken aan de passie-verzen van voorgangers als De Decker, Dullaert, Vollenhove, Luyken - het meest misschien aan Goede Vrydag van de eerste. In ieder geval is het aan die elegische toon - ook al valt hij eigenlijk buiten de sfeer van het epos - te danken, dat De Haes hier ondanks al zijn onzelfstandigheid voor zijn doen een dichterlijk hoogtepunt bereikt.
Halverwege Gethsemani lezen wij bij Vondel: ‘Den Vader komt dit moortgeschrey [= doods-gejammer] ter ooren, // En zent ten troost, uit 's hemels hoogsten troon, // Een' Engel neêr aen zijnen eerstgeboren // En eenigen en troosteloozen Zoon’ (vs. 45-48). Joan de Haes werkt dit breed uit, in een afzonderlijke episode. Maar ook deze is weer navolging van Vondel. De samenkomst van de Hemelraad, de uitzending van Gabriël en diens neervlucht naar de aarde zijn volledig aan Joannes de Boetgezant ontleend, voor de Hemelraad aan boek III, voor de missie van Gabriël aan boek I. Ook hier worden met de feiten tal van woorden en uitdrukkingen vrijwel letterlijk overgenomen, tot gehele regels toe.44 - Als Gabriël bij Jezus in de hof gekomen is, keert De Haes naar het voorbeeld van Gethsemani terug. De vertroosting door de Engel en de aanbieding van de ‘kruiskelk’ zijn weer daaraan ontleend, evenals Gabriël's bliksemend verdwijnen na een laatste kus.
Als Jezus na het vertrek van Gabriël alleen is achtergebleven, beziet Hij de voorstellingen, ‘vol kunst door Cherubynen // Op dezen kop, een stuk van eeuwigh diamant, // Rontom gesneden en volwrocht met eige hant’ (blz. 47). Hij ziet er Zichzelf het kruis dragen en Zichzelf met Zijn door de zwepen geteisterd lichaam aan het kruis hangen, ‘Gelastert en beschimpt van Onjoôn en van Joôn, // Tot dat Jeruzalem den dootkreet hem hoort geven, // Waer van de hemel schudt, en aerde en afgront beven’ (blz. 48). Daarna gaat Zijn blik over de voorstelling van de dood
der eerste Christen-martelaren: Stefanus, Jacobus, en zo verder tot Petrus en Paulus. Maar:
Van hieraf volgt De Haes weer getrouw de opeenvolging der gebeurtenissen uit het Bijbelverhaal: de gevangenneming, de zwaardslag van Petrus, de ondervraging in het huis van Kajafas, de verloochening door Petrus, de vóórgeleiding voor Pilatus, de doorzending naar Herodes en de terugkeer naar Pilatus, de Ecce homo-episode, het steeds sterker wordend geroep van ‘Kruis hem’, het zwichten van Pilatus voor de woede van het volk zodat hij Jezus overgeeft om gekruisigd te worden.
Als Judas dit hoort, krijgt hij berouw over zijn verraad. Hij werpt het bloedgeld voor de voeten van het Sanhedrin neer, en vlucht uit de stad: ‘Hy vlucht voor zyne schim: hy vliedt, en waer hy vliedt, // Hem dunkt dat hy zyn' Heer en meester voor zich ziet’ (blz. 67). In razende angst en wanhoop besluit hij een eind aan zijn leven te maken. Zoekend naar het beste middel daartoe, vindt hij ‘in 't bosch een' vygenboom’ die hem geschikt voorkomt:
Zijn ‘godtverzworen ziel’ vaart naar de hel, ‘En laet het zielloos lyf van aerde en graf versteken’ (blz. 70).
De voorstellingen op de kruiskelk, die Jezus van Gabriël ontvangen heeft, zijn een eigen imitatie door De Haes van die op het schild van Aeneas aan het slot van Aeneis VIII; ook daar gaat het om de uitbeelding van gebeurtenissen in de toekomst. Maar in de uitwerking steunt De Haes herhaaldelijk op passages uit het tweede boek van Vondel's Heerlyckheit der Kercke.45 - Ook in zijn weergave van het Lijdens-verhaal volgens de Evangeliën verwerkt hij telkens grote of kleine elementen, die hij aan werken van Vondel heeft ontleend. Zo bij de verloochening door Petrus aan Peter en Pauwels, bij de rechtspleging vöör Pilatus aan Ecce homo (WB V, 831-833), bij het berouw van Judas aan Adanm in ballingschap en Lucifer. Van Galen heeft dit alles precies uitgezocht en ik kan voor verdere bijzonderheden dus naar hem verwijzen. Zijn conclusie luidt, dat wij telkens te doen hebben met ‘een mengsel van uit de bijbel geputte en in de bijbel her en der verspreide gegevens en uit werken van Vondel gehaalde elementen’.46
Het verhaal wordt meermalen onderbroken door ‘aanspraken’ en bespiegelingen, zoals die ook in Vondel's Joannes op bewogen momenten voorkomen als bewijs van een persoonlijke betrokkenheid bij de dichter. Maar evenals bij de uitbeelding van Jezus' proleptisch lijden in Gethsemané (boek II) is de tóón van Joan de Haes in dergelijke passages elegischer dan die van Vondel.
Het zwakste punt van Judas de Verrader is ongetwijfeld de compositie. Joan de Haes heeft bij de opzet van zijn gedicht op twee gedachten gehinkt. Enerzijds - en naar ik meen: primair - wilde hij een vervolg op Joannes de Boetgezant geven door uit te beelden, hoe Satan nà de dood van de dienaar ook die van de meester wist te bewerkstelligen.47 De persoon van Judas is slechts het middel waarvan Satan gebruik maakt en dus betrekkelijk irrelevant; het grote motief, waar het om gaat, is het lijden en sterven van Jezus. Er zijn in de Judas aanwijzingen, dat dit De Haes inderdaad als hoofdmotief voor ogen heeft gestaan. In boek I besluit Satan tot de ondergang van Jezus en eerst secundair tot het verleiden van Judas als middel daartoe. In de beide volgende boeken staat Jezus centraal en wordt Hij stap voor stap op Zijn lijdensweg gevolgd, terwijl Judas - behalve aan het slot - slechts incidenteel optreedt op de momenten dat hij ook in het Bijbelverhaal voorkomt. De conceptie van de lijdensgeschiedenis als hoofdmotief maakt het ook begrijpelijk, dat De Haes in zijn voorbericht spreekt over ‘deze heilige geschiedenis van Judas den Verrader’ en als voorbeelden van dichterlijke uitbreiding ‘dezer heilige geschiedenis’ drie episoden noemt die geheel buiten Judas staan: de verdediging van Jezus door Nikodemus in het Sanhedrin, de Engelentroost in Gethsemané en ‘het beschryven van den Drinkbeker’. Vooral dit laatste wijst er m.i. op dat ‘heilige’ hier niet kan worden opgevat als een synoniem voor ‘Bijbelse’.
Anderzijds echter wilde De Haes óók de aandacht vestigen op de figuur van Judas, om aan diens verraad te demonstreren dat de geldzucht de mens brengt tot àlle, zelfs het uiterste kwaad. Hij wilde zijn lezers Judas doen zien als de verpersoonlijking van hebzucht en gierigheid, als waarschuwend voorbeeld voor allen die neiging hadden zich over te geven aan de macht van het goud. Persoonlijke ervaringen hebben daarbij een rol gespeeld,48 maar dat doet in dit verband niet ter zake. Waar het om gaat, is dat Joan de Haes aan de geldzucht van Judas - een bijkomstig motief in de lijdensgeschiedenis - een zó voorname plaats heèft toegekend, dat het eindpunt van zijn gedicht erdoor wordt bepaald. Als hij verteld heeft hoe die geldzucht haar bestraffing vond in de wanhoop en zelfmoord van Judas, acht hij zijn taak volbracht en laat hij de lijdensgeschiedenis verder rusten.
Dat is de grote inconsistentie in de structuur van de Judas. Het eigenlijke hoofdmotief wordt door een secundair motief verdrongen. Na de strijd van Satan tegen Jezus als centrale factor aan de orde te hebben gesteld, had De Haes het verhaal daarvan moeten voortzetten tot het einde toe. Zoals Vondel in de Joannes zowel de schijn-overwinning van Satan (de onthoofding van Johannes) als de werkelijke triomf van diens slachtoffer (Johannes in het Voorgeborchte) uitgebeeld en daarmee zijn onderwerp definitief afgerond had, zo had Joan de Haes het in zijn ‘vervolg op de Joannes’ óók moeten doen! Hij had de lijdensgeschiedenis moeten voortzetten tot de schijnbare overwinning van Satan in de kruisiging en de uiteindelijke triomf van Jezus in de opstanding. Dan pas zouden de breed-uitgewerkte episoden van Satan's overleg in de Helleraad en - vooral - van Jezus' doodsangst in Gethsemané tot hun recht hebben kunnen komen tegen de metaphysische achtergrond, waarin zij thuis horen en waaraan zij hun zin ontlenen. Zoals het nu is, blijven zij, structureel gezien, in de lucht hangen, doordat zij geen rechtvaardiging vinden binnen het kader van het dichtwerk waarin zij voorkomen. De dichter laat het aan zijn lezers over, die rechtvaardiging uit hun eigen kennis van de lijdensgeschiedenis toe te voegen. Erger
nog: hij leidt hun aandacht in een geheel andere richting. In plaats van Jezus aan het kruis toont hij hun de verhangen Judas aan de vijgeboom.
- Een ander ernstig bezwaar tegen de Judas is het volstrekt ontbreken van dichterlijke originaliteit. Dat Joan de Haes in dit werk veelvuldig Vondel - en uitsluitend Vondel - imiteert, is op zichzelf niet onaanvaardbaar. Hij wilde immers tegenover De Kruisheld de superioriteit van de Vondeliaanse epos-traditie bewijzen. Maar wat hij doet, kan onmogelijk nog als legitieme imitatio worden beschouwd. Navolgen komt bij hem praktisch neer op naschrijven. Voor zover zij niet rechtstreeks op de Bijbel berusten, zijn alle belangrijke elementen uit de Judas aan Vondel ontleend, met inbegrip van de details en meestal ook van het woordgebruik. De Haes is zózeer met diens werk vertrouwd, dat het hem geen enkele moeite kost daaruit telkens weer precies datgene op te diepen, wat hij nodig heeft om van zijn gedicht een Vondelmozaiek te maken. Daarbij neemt hij overigens ook wel eens iets over, dat in zijn mozaiek minder goed past. Zo is in boek I de toespraak van Satan tot de Helleraad feitelijk overbodig, omdat hij niet - zoals in het vierde boek van Vondel's Joannes wèl het geval is - een opdracht aan zijn onderhorigen te geven heeft; na afloop gaat hij zèlf Judas verleiden, wat hij ook had kunnen doen zonder er de Helleraad bij te betrekken. Een ander voorbeeld vinden wij in boek II, waar de episode van Gethsemané véél te lang onderbroken wordt door de beschrijving van Gabriël's uitzending en neervlucht; de uitvoerigheid van die beschrijving was in de Joannes als inzet van de narratio functioneel, maar werkt als tussenspel in de episode van Gethsemané storend. Ook hier blijkt weer, dat Joan de Haes weinig gevoel had voor een consequente en evenwichtige structuur van zijn werk.
Het zou niet juist zijn De Haes' ontleningen plagiaat te noemen. Daarvoor ging hij te openlijk te werk en was het te duidelijk zijn bedoeling, dat de Vondeliaanse herkomst van zijn ‘gebloemde sieraden’ werd onderkend. Maar door zijn excessiviteit kwam hij toch wel hèèl dicht bij - zo niet over - de grens van wat op dit punt nog aanvaardbaar was. Het is dan ook niet verwonderlijk, dat zijn literaire vijand Jakob Zeeus hem vrijwel onmiddellijk daarop aanviel. Tegen het einde van 1714 - dus kort na verschijning van de Judas - bereidde Zeeus de tweede druk (1715) voor van zijn hekeldicht De wolf in 't schaepsvel, dat in 1711 voor de eerste maal uitgegeven was. In het Aen den Lezer voor deze her-uitgave doelt hij een paar maal - overigens zonder namen te noemen - op zijn polemiek met Joan de Haes en diens vrienden. In dat verband merkt hij smalend op:
Wat kan 't my hinderen in den schilt gevaren te worden van menschen, die zich (och arm!) met de pluimen der Agrippynsche zwaen zoo onbeschaemt weten te verfraeien, dat zy schynen vergeten, of liever niet gelet te hebben, hoe ons bevolen wordt dat, indien wy eenige bloemen op den Nederlantschen Helikon plukken willen, wy ons zulx te gedragen hebben, dat het de boeren niet merken, nochte voor den Geleerden al te sterk doorschyne?49
Zeeus camoufleert het persoonlijke van zijn aanval achter het meervoud ‘menschen’. Maar op de grens van 171450 en 1715 was het iedere ingewijde duidelijk, dat hij aan de pas-verschenen Judas dacht. En zijn uitval kwam hard aan! Want hij had gelijk
met zijn opmerking, dat Joan de Haes aan Vondel ontleende op een manier die deze zelf in zijn Aenleidinge ter Nederduitsche dichtkunste uitdrukkelijk afgewezen had.51
- Over het vers van Joan de Haes valt niet zo heel veel te zeggen. Hij schrijft in rustige, regelmatige, moeiteloos leesbare alexandrijnen, die door Van Galen goed worden getypeerd met de term ‘gladheid zonder fanatisme’.52 In overeenstemming met de bedoeling ‘om zoo wel ongeletterden als geletterden te stichten’ - zoals hij het in zijn ‘Aen den Lezer’ uitdrukt - legt hij zich toe op een natuurlijk en eenvoudig taalgebruik zowel wat zinsbouw als woordkeus betreft. Wellicht hangt de elegische toon, die wij in geëmotioneerde passages hebben opgemerkt, met dit streven naar gemakkelijke verstaanbaarheid samen. Toch is de dichter niet helemaal aan de verlokking van de rhetoriek ontkomen. Het sterkst doet deze zich gelden in zijn voorliefde voor de repetitio: het accentueren van een bepaalde gedachte door woordelijke of paraphraserende herhaling van zinsdelen, vaak gecombineerd met variërende aspecten van het kernmotief. Het meest sprekende voorbeeld vindt men aan het slot van boek I, waar aan Judas wordt voorgehouden dat het door hem ontvangen bloedgeld zijn naam vervloekt zal doen blijven,
En zo gaat het 24 regels lang door (blz. 21-22)!
- Het is duidelijk, tot welke conclusie dit alles leidt. Joan de Haes was een dichter van uiterst beperkte capaciteit, en Judas de Verrader is een uiterst aanvechtbaar dichtwerk. Eerlijkheidshalve dient daaraan echter te worden toegevoegd, dat de zwakheid van de Judas pas blijkt, wanneer men er mèèr dan vluchtige aandacht aan besteedt. Bij een cursorische kennismaking maakt het werk een veel gunstiger indruk. Het laat zich prettig en gemakkelijk lezen, boeit door de veelheid van wisselende taferelen, treft soms door een meeslepende beschrijving. Dat komt door de vaardigheid, waarmee Joan de Haes zijn Vondeliaanse ontleningen heeft weten te groeperen tot een - althans op het eerste gezicht - goed samenhangend en sluitend geheel. Voor zover er bij hem van ‘talent’ gesproken kan worden, ligt dit in zijn vermogen een mozaiek- of applicatie-werk samen te stellen uit de poëzie van anderen. Als dit vermogen gepaard was gegaan met wat meer gevoel voor compositie, zou men het een soort secundaire creativiteit kunnen noemen. Zoals het nu is, kan men slechts constateren, dat de Judas ondanks zijn stuntelige structuur in leesbaarheid en dichterlijkheid De Kruisheld van Hoogstraten overtreft, maar dat dit meer aan Vondel te danken is dan aan Joan de Haes.
Volgens Van Galen is Judas de Verrader gèèn epos en was het ook niet als zodanig bedoeld. Voor hem staat het vast:
bij het schrijven van laatstgenoemd gedicht was De Haes niet van plan, een werk te schrijven dat aan de eposwetten voldeed. Doordat hij echter iets wilde maken in de geest van Joannes de Boetgezant, een werk dat daar wel aan voldeed, kwam er toevallig een aantal eposstofelementen in zijn werk terecht.53
Elders vat hij dit samen in de paradoxale formulering: ‘Hij volgde Vondels heldendicht na, zonder het als epos na te volgen’.54
Ter argumentatie wijst Van Galen erop, dat Joan de Haes als erudiet man ongetwijfeld vertrouwd was met de regels die voor het epos golden, maar er in geen enkel opzicht rekening mee heeft gehouden. De figuur van Judas is ondenkbaar als hoofdpersoon van een epos, omdat die hoofdpersoon een deugdheld behoorde te zijn. De wijze waarop de dichter zijn stof behandelt en interpreteert, is - ondanks ‘de grootse behandeling van het merveilleux’55 - te moraliserend om verheven te kunnen heten: ‘De Haes wil de geldzucht en de onboetvaardigheid aan de kaak stellen. Dat is de grondgedachte van zijn werk’.56 De indeling in drie boeken werd niet beïnvloed door die van de Joannes in zes. Het verhaal wordt ab ovo verteld. Op grond van dit alles kan de Judas genologisch het best worden gekarakteriseerd als ‘dichterlijke levensbeschrijving van een bijbelse persoon’.
Ik begin mijn bespreking van Van Galen's opvatting bij het laatste punt. De kenschets van Judas de Verrader als ‘dichterlijke levensbeschrijving van een bijbelse persoon’ is in strijd met de inhoud van het werk. Er is geen sprake van, dat daarin het leven van Judas zou worden behandeld; het gaat slechts om èèn enkel feit: zijn verraad (met zijn dood als gevolg). Blijkbaar is Van Galen zich dit bezwaar wel bewust geweest. Alvorens tot de bewuste benaming te concluderen, geeft hij er tenminste een omschrijving van, die zo goed mogelijk de tegenwerping ondervangt: ‘Indien de schrijver met een zekere vrijheid de bijbeltekst heeft behandeld dan zou ik willen spreken van een dichterlijke beschrijving van het leven van een bijbelse persoon of een episode daaruit’.57 Ik heb de woorden gecursiveerd, waarop het hier aankomt. Zij accentueren echter slechts de onjuistheid van Van Galen's karakteristiek. De weergave van een bepaalde episode uit iemands leven is iets geheel anders dan een levensbeschrijving, en mag daarmee niet onder èèn noemer worden gebracht. Het verhaal van zijn verraad is evenmin een biographie van Judas als dat van het avontuur met Dido er een van Aeneas is.
Het tweede punt hangt daar nauw mee samen. In tegenstelling tot wat Van Galen meent, vertelt De Haes zijn verhaal nièt ab ovo. Dat zou slechts het geval geweest zijn, als de dichter aan de episode van het verraad alles had doen voorafgegaan wat er omtrent de voorgeschiedenis van Judas bekend is. Nu is de Bijbel wel uiterst karig in zijn mededelingen daarover, maar hij biedt toch enkele aanknopingspunten. Tot de twaalf discipelen, die Jezus Zich kiest en aan wie Hij macht geeft om onreine geesten te verdrijven en ziekten te genezen, behoort ook Judas (Matth. 10:1-4). Hij wordt beheerder van de gemeenschappelijke beurs en ontpopt zich daarbij als een dief (Joh. 12:6). Dat zijn toch wel gegevens, waarmee een verteller-ab ovo iets had kunnen doen. Maar Joan de Haes gaat er volkomen aan voorbij; hij laat Satan in diens toespraak wel ‘de gretige inborst’ van Judas vermelden, maar niet het feit dat deze reeds onbetrouwbaar en diefachtig was gebleken. Hij begint mediis in rebus, op
het cruciale moment: ‘En de satan voer in Judas die toegenaamd was Iskariot, zijnde uit het getal der twaalve’ (Lucas 22:3).
Daarmee komen wij toe aan Van Galen's belangrijkste argument: een epos kan geen slechte held hebben en daarom is Judas de Verrader geen epos. Zoals ik heb trachten aan te tonen, kan men Judas echter niet zonder meer als hoofdpersoon van De Haes' gedicht beschouwen. Primair is tenslotte het metaphysische motief van Satan's strijd tegen bet Heilsbestel van God, met de lijdensgeschiedenis van Jezus als centraal gebeuren. Judas is slechts hoofdfiguur in het secundaire aspect van deze ‘heilige geschiedenis’. De breuk met de traditie van het epos is minder groot dan zij lijkt.
Intussen neemt dit niet weg dat Joan de Haes met de titel, die hij aan zijn werk gaf, en met de abrupte wijze, waarop hij de lijdensgeschiedenis afbreekt op het moment van Judas' zelfmoord (waardoor het passie-verhaal formeel ondergeschikt wordt gemaakt aan het Judas-motief), inderdaad is ingegaan tegen een van de dominerende conventies betreffende het epos. Maar hij kon zich daarbij beroepen op Renè le Bossu, die in zijn Traitè du poëme èpique (1675) verdedigd had dat de epische held wel degelijk slecht mag zijn, omdat het epos ook met een verwerpelijke held aan zijn moreel-opvoedende taak kan voldoen: het moet immers niet alleen aansporen tot deugd, maar ook afschrikken van het kwaad.58 Bij een man van De Haes' belezenheid mogen wij aannemen, dat hij Le Bossu's Traité - die in de Nederlanden vrij wat bekendheid genoot - bestudeerd had en zich dus ten aanzien van zijn titelheld theoretisch gedekt kon weten.
Maar ook afgezien van Le Bossu's opvatting behoefde Joan de Haes in zijn ‘slechte held’ gèèn afwijking te zien van het voorbeeld, dat Vondel met Joannes de Boetgezant gegeven had. Ook dààr werd immers op allerlei punten afgeweken van de theoretische voorschriften; Vondel hield er zich slechts aan, voor zover zij geen belemmering vormden voor een adaequate uitbeelding van zijn Bijbelse stof, en aanvaardde de consequentie dat daardoor zijn werk uit formeel oogpunt geen epos mocht heten. Voor de Nederlanden was dit iets nieuws, maar in Frankrijk had zich reeds eerder een soortgelijke ontwikkeling voorgedaan en was nààst het officiële epos een Bijbelse variant ontstaan, die niet tot het genre gerekend werd en geen algemeen- aanvaarde genologische naam had,59 maar desondanks steeds weer beoefenaars vond. Kenmerkend voor deze Bijbelse variant was de vrijheid van de dichter om naar eigen inzicht al dan niet van epische vorm-elementen en conventies gebruik te maken; anders dan de auteur van een authentiek epos was hij daaraan echter niet gebonden.60
Joan de Haes heeft in Vondel's Joannes deze vrije variant, die hem ongetwijfeld ook uit de Franse letterkunde bekend zal zijn geweest, herkend. En naar dat voorbeeld heeft hij zich gericht. Hij volgde Vondel's Bijbelse heldendicht na, d.w.z. een heldendicht zonder gebondenheid aan de voorschriften van het genre. Daarbij ging hij echter verder dan zijn voorganger. Vondel week van de regels af waar zijn Bijbelse stof dit noodzakelijk maakte, maar handhaafde de grote principes van het Tassoniaans- Renaissancistische epos: de deugdheld, het merveilleux chrètien, de eenheid van handeling. Joan de Haes daarentegen ging er van uit, dat de dichter bij het bewerken van Bijbelstof met geen ènkele traditie of conventie van het epos rekening behoefde te houden, en gebruik kon maken van epische vorm-elementen zonder
daaraan consequenties te verbinden ten aanzien van zijn werk als geheel. Althans, dat is de conclusie waartoe analyse van de Judas leidt. Hij had er kennelijk geen bezwaar tegen, dat daarin een ‘slechte held’ op de voorgrond trad, en dat de eenheid van handeling verbroken werd doordat het lijden van Jezus en de geldzucht van Judas elkaar wederzijds als hoofdmotief verdringen.61
Judas de Verrader is dus wel degelijk bedoeld als een Bijbels epos in Vondeliaanse trant. Joan de Haes heeft dit op zijn titelblad trouwens duidelijk te verstaan gegeven. ‘Judas de Verrader, Begrepen in drie boeken’ loopt volkomen parallel aan: ‘Joannes de Boetgezant, Begrepen in zes boecken’. Ik twijfel er dan ook niet aan, of het getal der boeken moet bij deze parallellie worden betrokken. Vergilius halveerde de 24 boeken van Homerus tot twaalf, Vondel de 12 van Vergilius tot zes, De Haes de 6 van Vondel tot drie.
Slechts op èèn punt kan ik Van Galen's bezwaren tegen de Judas als Bijbels epos onderschrijven. Door de moraliserende nadruk, die hij op de hekeling van de geldzucht en de straf van Judas legt, heeft Joan de Haes in zijn werk een element gebracht dat niet bij het genre past. Op dit punt valt er bij hem een tendens naar het ‘half-epos’ waar te nemen.
Omtrent de voorgeschiedenis van Joan de Haes' tweede Bijbelse epos zijn wij verrassend goed ingelicht. In het ‘Aen den Lezer’ van Jonas de Boetgezant zet hij uitvoerig uiteen, hoe hij tot het schrijven van dit werk is gekomen en van welke bron hij gebruik heeft gemaakt.
‘Toen in den voorleden winter62 myn dichtyver blaekte’, - zo vertelt hij - kreeg hij toevallig een ‘boeksken’ van de Franse bisschop Antoni [= Antoine] Godeau in handen: Tableaux de [la] Penitence, dat veel indruk op hem maakte. In het bijzonder trof hem ‘het Tafereel van koning Manasse’,63 zodat hij overging tot ‘'t uitbreiden van het gebet, door dezen vorst in zyne gevangenis tot den Koning der koningen uitgestort, in Nederduitsche vaerzen’. Toen kort daarop door de Overheid een
Dank-, Vasten- en Bededag werd uitgeschreven, besloot hij ‘by dat Gebet eene korte voorafspraek te voegen en het een en 't ander op dien hoogen dagh in 't licht te brengen’, tot stichting van zijn landgenoten. De uitgave vond inderdaad plaats64 en had genoeg succes om bij de dichter het plan te doen opkomen ‘eenigh boetgedicht van langer adem op te slaen’. Naar een geschikte stof behoefde hij niet te zoeken; die lag voor het grijpen in een van Godeau's andere Tableaux, het Tafereel van de bekering der Ninivieten door Jona. Middel- en hoogtepunt van dit Tableau was
de predikaetsi van den Profeet Jonas, die ik door den Franschen Bisschop met zoo groot een kracht van welsprekentheit vond uitgebreidt65, dat ik besloot niet alleen die predikaetsi, maer de geheele histori van dien Profeet in vaerzen te begrypen.Bewondering voor de fictieve predikatie bij Godeau bracht er Joan de Haes dus toe, deze te plaatsen in het kader van een volledige geschiedenis van Jona, zoals die in de Bijbel verteld wordt. Daartoe droeg trouwens ook het voorbeeld van Hugo de Groot krachtig bij:
In welk besluit ik te meer gesterkt werd door den voorgang van den Fenix der geleerden Huig de Groot, wien voorheen ook lustte zyn doorluchtigh vernuft te werk te stellen aen het uitbreiden van deze histori in Latynse vaerzen, van welke uitbreiding my ook niet te verzwygen staet dat ik my op sommige plaetsen gedient heb: want daer aen is een edelaerdigh man te kennen, dat hy belydt, waer mede hy zyn voordeel gedaen hebbe.Behalve aan het desbetreffende Tableau van Godeau is Joan de Haes dus ook schatplichtig aan de Historia Ionae van Grotius. ‘Met deze hulpmiddelen dan verzien sloeg ik het werk aen en voltoide het zelve’.
De bedoeling van deze ‘stichtzame arbeit’ is, zijn landgenoten een waarschuwing voor te houden. Elders in Europa - Joan de Haes denkt blijkbaar aan Frankrijk, dat ernstig te lijden had onder de terugslag van de eindeloze oorlogen die Lodewijk XIV gevoerd had - woedt de opgeheven hand van Gods wraak. Maar ook in de Republiek is er véél, dat eenzelfde wraak als het ware over zich afroept. Het is hoog tijd voor bezinning en berouw, voor het opgeven van de dwaze zelfverzekerdheid
als waren wy de roede der goddelyke Wrake heelenal ontwassen, die wy zeker niet minder getergt en verdient hebben, dan onze nageburen, die zoo deerlyk onder de strenge slagen der zelve zuchtende, gevoelen, hoe schrikkelyk het zy te vallen in de handen des levendigen Godts.
Daarom transponeert de dichter de prediking van Jona naar eigen tijd en eigen land: ‘Wilt u by tyts beraên, // Nogh veertigh dagen, dan zal Nederlant vergaen’.
Het Franse boekje, dat uitgangspunt en voornaamste bron voor het tweede epos
van De Haes is geweest, was in 1654 voor het eerst verschenen.66 Het bevat een verzameling van 22 - aan de gewijde geschiedenis ontleende - gevallen van berouw en boete, die aan de hand van een plaat in verhalend proza worden toegelicht en ‘uitgebreid’ door Antoine Godeau (1605-1672), bisschop van Grasse en later van Vence. De beide taferelen die door Joan de Haes werden bewerkt - het gebed van Manasse en de bekering der Ninivieten - komen daarin als vijfde en zesde voor.
Er kan geen twijfel aan bestaan, dat De Haes bij het schrijven van de Jonas de Franse tekst van de Tableaux vóór zich had. Maar kende hij ook de Nederlandse vertaling door F.v.H., en zo ja, heeft hij daarvan dan wel eens gebruik gemaakt bij het zoeken naar een goed aequivalent voor een uitdrukking die zich niet zo gemakkelijk in het Nederlands liet overbrengen?
De bewuste vertaling was, onder de titel Tafereelen van Boete, in 1670 ‘Tot Loven’ verschenen.67 Dit laatste is een schuil-adres, dat echter nauwelijks ernstig genomen lijkt te willen worden. Het kost geen moeite, vast te stellen dat het boekje in Utrecht uitgegeven werd. Het is opgedragen aan de Utrechtse jonker Everard Meyster, die vanwege zijn R.K. geloof geen ambten bekleden kon en daarom zijn fortuin en tijd, behalve aan allerlei publikaties, besteedde aan de aanleg van lusthoven - waarvan Nimmerdor bij Amersfoort de meeste bekendheid kreeg -, alsmede aan de extra-vagantie een zware zwerfsteen binnen Amersfoort te doen slepen: de Amersfoortse kei. De opdracht werd te Utrecht geschreven door Johannes van Eede, wiens naam verwijst naar een drukkers-familie uit deze stad.
Enige onzekerheid bieden de initialen van de vertaler. Wie was F.v.H? Volgens A. de Kempenaer zou hij F. van Heussen geweest zijn,68 maar diens voorganger J.I. van Doorninck denkt aan François van Hoogstraten.69 De mening van De Kempenaer is in zoverre verrassend, dat zeven jaar vóór de verschijning van diens boek A.G. van Hamel in een artikel over François van Hoogstraten deze zonder aarzeling als vertaler had genoemd.70 Als deze toeschrijving juist is, opent zij een onverwacht perspectief naar de vriendenkring van Joan de Haes: François van Hoogstraten was namelijk de vader van Joan's grote vriend David. Op zichzelf is het ook niet onwaarschijnlijk, dat deze François de vertaling van een Rooms boek ondernomen zou hebben; hij had sterke Katholieke sympathieën en zou volgens Van Hamel omstreeks
1660 zelfs tot de R.K. kerk zijn overgegaan.71 En als hij inderdaad de vertaler van Godeau's Tableaux is geweest, ligt het voor de hand aan te nemen dat De Haes zowel de Franse als de Nederlandse tekst door toedoen van David uit het nagelaten boekenbezit van diens vader in handen gekregen heeft. Wanneer zou blijken dat de dichter voor zijn Jonas óók van de vertaling gebruik gemaakt heeft, zou dit daarom als een sterke aanwijzing voor de identiteit van F.v.H. en François van Hoogstraten mogen worden beschouwd.
Ik heb dus geprobeerd vast te stellen, of er in de Jonas sporen van de Nederlandse Tafereelen van Boete te ontdekken vallen. Het bleek niet zo eenvoudig daaromtrent tot zekerheid te komen. Zowel F.v.H. als Joan de Haes houden zich nauwkeurig aan de Franse tekst, zodat overeenkomsten in het woordgebruik niet op ontlening van de laatste aan de eerste behoeven te wijzen. Ik heb echter een viertal plaatsen aangetroffen, waar de beide Nederlandse teksten overeenstemmen in een weergave van het Frans die niet onmiddellijk voor de hand ligt.
In de Tableaux (blz. 85) wordt er van vleiende hovelingen gezegd dat zij ‘prostituënt leur dignitè’. F.v.H. gaf dit in de Tafereelen (blz. 112) weer met ‘die hunne waerdigheit met voeten treden’. De Jonas (blz. 45) heeft eveneens: ‘die hunne waerdigheden // (Onkundigh wat hunn' plicht betaem') met voeten treden’".
De priesters heten in de Tableaux (blz. 86) ‘un Ardent pour les [= les peuples] conduire dans le precipice’. Tafereelen (blz. 113): ‘een Dwaellicht, om hun in de gracht te geleiden’. Jonas (blz. 49): ‘Een dwaellicht, een kompas, om die verblinde volken // Te leiden in de gracht en 's afgronts diepste kolken’.
Aan diezelfde priesters wordt in de Tableaux (blz. 86) voorgehouden: ‘que vous serez envelopez dans la calamitè de Ninive’. Tafereelen (blz. 114): ‘dat gy sult gedompelt worden in het ongeluk van Ninive’. Jonas (blz. 53): [de straf die] ‘U nadert, over hals en hooft zal overrompelen // En met dit Ninivè in eeuwigh onheil dompelen’.
In de Tableaux (blz. 87-88) wordt aan het volk gevraagd: [Qu' y a t-il] ‘dans les amitiez, que dèguisemens? dans les conversations, que mèdisances?’ Tafereelen (blz. 115): [Wat is'er] ‘in de vrientschappen anders, dan huichelaryen? in de ommegangen anders, dan achterklap?’ Jonas (Blz.59): [Wat vindt hy,] ‘die op uw vrientschap bout, // Dan huichlaryen in uw dagelyksch verkeeren, // En vuilen achterklap om zynen naem t'onteeren?’
Met elkaar sluiten deze vier plaatsen naar mijn mening de mogelijkheid tot twijfel aan samenhang tussen de beide vertalingen uit. En als wij eenmaal samenhang aannemen, dan laten die vier gevallen zich gemakkelijk vermeerderen met vele andere, waar de ontlening minder apert is, maar op zijn minst toch waarschijnlijk.
Conclusie: Joan de Haes heeft niet alleen de Franse tekst van de Tableaux gebruikt, maar ook de Nederlandse vertaling herhaaldelijk geraadpleegd. Dat hij de Tafereelen van Boete tot zijn beschikking had, steunt de opvatting dat François van Hoogstraten er de vertaler van is geweest.
De volledige titel van Hugo de Groot's poëtische bewerking van het Jona-verhaal
luidt: Historia lonae Paraphrastico Carmnine.72 In 272 hexameters geeft hij daarin de inhoud van het Bijbelboek enigszins uitbreidend weer, zonder echter - zoals Godeau - een uitgewerkte predikatie van Jona toe te voegen. Het gedicht is geen meesterwerk; zijn voornaamste verdienste is, dat het telkens even verrast door een gelukkiggevonden detail of een treffende opmerking, waarmee Grotius de Bijbelse feiten aanvult en verlevendigt. Het is dan ook dáárvan, dat Joan de Haes herhaaldelijk een dankbaar gebruik maakt door ze in zijn eigen bewerking over te nemen.73
Verder is ook de subtitel van de Jonas aan Hugo de Groot ontleend. ‘Poëtische uitbreiding’ is niets anders dan een vertaling van ‘Paraphrasticum carmen’, al zijn nomen en adiectivum in plaats en functie verwisseld.
De presentatie van Jonas de Boetgezant wijkt nogal af van wat wij tot dusver bij de Bijbelse epiek hebben aangetroffen. Na het voorwerk volgen eerst drie vrij omvangrijke citaten uit de geleerden-literatuur, die blijkbaar moeten onderstrepen hoeveel betekenis er de eeuwen dóór aan de geschiedenis van Jona is gehecht. Tezamen met de toelichtende Aenmerkingen aan het slot van het boekje vormen zij als het ware een wetenschappelijke omlijsting van het gedicht, bedoeld om dit in al zijn details en aspecten zo volledig mogelijk voor de lezer toegankelijk te maken.
De Jonas zelf wordt ingezet met een afzonderlijke ‘Inleiding’ in verzen, die zorgvuldig gescheiden wordt gehouden van de ‘Poëtische uitbreiding’ van het Bijbelboek. Deze laatste volgt nauwgezet van Bijbelvers tot Bijbelvers het verloop van de historie. Om dit voor de lezer zichtbaar te maken, laat de dichter zijn bewerking uitsluitend op de rechter-bladzijden afdrukken, terwijl op de linker-pagina's de corresponderende Bijbeltekst (naar de Statenvertaling) is opgenomen. Het verschil in omvang tussen de ‘uitbreiding’ en het origineel wordt opgevangen door stukken ‘wit’ tussen de opeenvolgende Bijbelverzen of onderdelen van verzen. Het meest uitgesproken geval vindt men bij de boetpredikatie van Jona. In Jona 3:4b staat daarover alleen: ‘en hy [Jona] predikte en zeide: Nogh veertigh dagen, dan zal Ninive worden omgekeert’. Joan de Haes voegt hier echter de uitgewerkte rede in, die hij bij Godeau gevonden had. Daarvoor heeft hij ruim 16 bladzijden nodig, wat eigenlijk zou hebben moeten meebrengen dat de 16 corresponderende linker-pagina's onbedrukt waren gebleven. Vermoedelijk om aesthetische redenen hebben de dichter en/of zijn uitgever dit echter vermeden. De oplossing werd gevonden in het herhalen, op élk van de 16 betrokken linker-bladzijden, van de Bijbelse grondtekst, zij het - om onnaspeurlijke redenen - met omzetting van de beide laatste woorden: ‘En hy predikte en zeide: Nogh veertigli dagen, dan zal Ninive omgekeert worden’. Het resultaat is verrassend effectief. De lezer wordt er voortdurend aan herinnerd dat Jona's oproep tot berouw een dreigende waarschuwing is.
Om de parallellie met het Bijbelboek nog méér te onderstrepen, volgt De Haes ook de indeling daarvan in vier hoofdstukken, met vermijding van de epische benamingen ‘boek’ of ‘zang’ voor de vier gedeelten, waarin zijn gedicht zodoende uiteenvalt. Weliswaar staat de aanduiding ‘Het eerste, tweede enz. hooftstuk’ slechts boven de Bijbeltekst op de linker-bladzijden, maar de lezer betrekt ze onwillekeurig mede op de corresponderende ‘Poëtische uitbreiding’ daarnaast. Dat dit ook de bedoeling van de dichter is, blijkt uit het feit dat de ‘kop’ boven de rechter-blad-
zijden met de vers-tekst eveneens de indeling in hoofdstukken vermeldt.
Het is de éérste maal, dat in de Nederlandse literatuur de Bijbelse epiek zich op deze wijze naar de Bijbel-hoofdstukken richt. Op zichzelf was het verschijnsel echter niet nieuw. R.A. Sayce wijst op enkele gevallen in de Franse Bijbel-epiek van de 17de eeuw.74 Hoewel het dus niet helemaal uitgesloten kan worden geacht dat Joan de Haes door een Franse voorganger be74 R.A. Sayce, The French biblical epic in the seventeenth century (Oxford 1955), blz. 200: ‘The strictest fundamentalists do not divide their poems at all (like Sainte-Garde Bernouin); or they may follow the chapters of the Bible (like Saint-Peres and Le Cordier), which tends to destroy any literary unity’.nvloed werd, acht ik dit toch niet waarschijnlijk. Daarvoor is zijn manier van doen te gemakkelijk verklaarbaar uit zijn opzet, waarbij de boetpredikatie van Jona (naar Godeau) centraal stond en de rest van het verhaal (naar de Bijbel en de uitbreiding van Grotius) daar min of meer secundair omheen werd gegroepeerd. De Haes' aansluiting bij de Bijbel-hoofdstukken berust niet - zoals bij de betrokken Franse auteurs - op de fundamentalistische overtuiging dat het niet anders mócht, maar is een beslissing ad hoc: een incidentele keuze voor de manier van doen, die in dit bijzondere geval naar zijn mening de meest geëigende was.
Merkwaardig genoeg verscheen er in hetzelfde jaar 1723 nog een tweede Bijbelepos dat zijn stof niet in boeken of zangen, maar in hoofdstukken verdeelt: Het leven van den Heiland Jesus Christus door Dirk Smout. Daar ligt de zaak echter anders, omdat de samenstelling van deze hoofdstukken niet op die van de Bijbel berust.75
Het voorwerk bevat allereerst de belangrijke uiteenzetting Joan de Haes aen den Lezer, waarvan de inhoud hierboven reeds besproken werd. Daarna volgt een lofdicht van Hubert Kornelisz. Poot, die sedert enkele jaren met De Haes in vriendschappelijke relatie stond.76 Het briefje, waarmee Poot op 13 mei 1722 zijn vers - tezamen met een hem ter kennismaking toevertrouwd afschrift van de Jonas - vanuit Abtswoude aan de dichter zond, is bewaard gebleven.77 In het gedicht is iets terug te vinden van de losse bevalligheid, die Poot's poëzie kenmerkt, maar inhoudelijk heeft het weinig om het lijf. - Het valt op, dat geen andere vrienden van de dichter met een drempeldicht blijk hebben gegeven van hun belangstelling in diens jongste werk. Wellicht zijn hun bijdragen op de een of andere manier zoek geraakt als gevolg van De Haes' ziekte en dood, juist toen de kopy van de Jonas ter perse was of ging.
De drie citaten uit de geleerden-literatuur zijn ontleend aan: het negende boek van de Antiquitates Judaicae van Flavius Josephus (in de vertaling van Willem Sewel), het eerste boek van de Chronicorum libri duo van de Christelijke geschiedschrijver Sulpicius Severus ± 400 (in de vertaling van Pieter Rabus), en het 170ste hoofdstuk uit de Demonstratio evangelica (1672) van de Franse priester-geleerde Pierre Daniel Huet (blijkbaar in een eigen vertaling). De citaten vullen elkaar in zoverre aan, dat in het stuk van Flavius Josephus de nadruk valt op het verblijf van Jona in de buik van de vis en in dat van Sulpicius Severus op de bekering van de Ninivieten, terwijl Huet wijst op de betekenis van de profeet als praefiguratie van Christus (vgl. Matth. 12:40). Men zou dus kunnen zeggen, dat zij gezamenlijk de aandacht vestigen
op de drie voornaamste aspecten van het Jona-verhaal. - In zekere zin mag men bij deze citaten als vierde ook nog de aanhaling uit Vondel's Joannes de Boetgezant (II, vs. 453-474; WB IX, blz. 718) rekenen, die De Haes onmiddellijk op zijn gedicht laat volgen, nog vóór de ‘Aenmerkingen’. Maar kennelijk wilde hij toch verschil maken tussen de beschouwingen van geleerden en de reactie van een dichter. De eerste doet hij aan zijn werk voorafgaan om het belang van zijn onderwerp te adstrueren; de laatste laat hij daarop volgen als een toegift, die min of meer het karakter heeft van een poëtische samenvatting.
De Aenmerkingen over de Uitbreiding van Jonas Histori beslaan 30 bladzijden, met nog een Byvoegsel van twee pagina's. Het element van overbodig geleerdheidsvertoon, dat kenmerkend is voor de annotaties uit De Haes' tijd en waarmee wij in de ‘Kantteekeningen’ van Arnold Houbraken bij De Kruisheld reeds in aanraking gekomen zijn,78 is ook hier niet afwezig, maar doet zich toch niet al te hinderlijk gelden. In het algemeen zijn de aantekeningen van De Haes functioneel; het geleerdheidsvertoon zit meer in alles wat hij bij zijn ‘aenmnerkingen’ betrekt dan in het feit dat hij meent er bij een bepaalde plaats een te moeten maken. Ik illustreer dit aan twee voorbeelden.
In Jona 1:5a wordt verteld hoe de zeelieden van het schip, dat door God vanwege Jona's ongehoorzaamheid met een zware storm geteisterd wordt, in hun nood ‘riepen een iegelyk tot zynen Godt’. Hugo de Groot had dit in zijn Historia Ionae uitgewerkt door de namen te noemen van de verschillende godheden tot wie zij zich al naar gelang van hun landaard wendden. Joan de Haes neemt dit van hem over, maar verandert de naam Dercetin in Dagon en voegt ‘Heleens gebroeders, // De Tweelingstarren’ toe (blz. 11). In de ‘Aenmerkingen’ (blz. 97) merkt hij op, dat Dercetis een van de Griekse namen voor Dagon is, in wie hij overigens geen mannelijke god ziet, maar een Syrisch-Chaldeeuws aequivalent van Venus. Even verder (blz. 98-101) zet hij uiteen dat met ‘Heleens gebroeders’ bedoeld worden Kastor en Pollux, beschermers van de zeelieden, en hij rechtvaardigt zijn toevoeging van deze namen met de opmerking dat zij bij De Groot ontbreken ‘tot myn verwondering, aengezien zy inzonderheit op zee in den noodt wierden aengeroepen, gelyk boven aengetoont is’.
In het Bijbelboek eindigt het eerste hoofdstuk niet met het in-zee-werpen van Jona, maar met vers 17, waarin God ‘eenen grooten visch (beschikte) om Jonas in te slokken’. De Haes vindt, dat dit beter het begin kan vormen van hoofdstuk II, omdat dit in zijn geheel gewijd is aan het verblijf van de profeet ‘in het ingewant van den visch’. In zijn bewerking wijkt hij op dit éne punt dan ook van de Bijbelse indeling in hoofdstukken af. Hij verdedigt dit in de ‘Aenmerkingen’ (blz. 104) als volgt:
In onze Nederduitsche overzetting is dit eerste vaers het laetste van 't eerste Hooftstuk, maer myns oordeels, voegt het hier beter aen het hooft van dit tweede, gelyk het ook aldus in de Latynsche en andere overzettingen des Bybels meer op deze plaets gelezen wordt.
De ‘Inleiding’ (56 regels; blz. 1-3)
De ‘Inleiding’ is in beginsel opgezet naar het voorbeeld van het exordium bij een epos. Zij bevat een propositio en een invocatio, maar beide zijn - ongetwijfeld omdat zij anders niet als een zelfstandig deel van het gedicht gepresenteerd hadden kunnen worden - uitgedijd tot een omvang die met de epische traditie niet overeenkomt.
De propositio telt 24 regels. De inzet doet duidelijk uitkomen, dat De Haes ener-
zijds wel Joannes de Boetgezant van Vondel voor ogen heeft, maar zich anderzijds toch een ander doel stelt dan deze:
De aanhef ‘Het lust’ en de vermelding van ‘myn zangheldin’ verwijzen naar Vondel.79 Maar De Haes heeft eerder een moraliserende dan een epische bedoeling. Voor hem is de geschiedenis van Jona secundair: een uitgangspunt om zèlf ‘de boetbazuin te steken’, terwijl hij ‘Jonas volgt’. In verband daarmee vervalt voor hem blijkbaar ook de regel dat de propositio de held slechts aanduidender wijs mag vermelden en niet diens hele geschiedenis dient te onthullen. In de 22½ regels na de geciteerde inzet geeft hij tenminste een vrijwel volledige samenvatting van de stof die hij gaat behandelen.
De invocatio valt uiteen in 8 en 24 regels. De eerste 8 zijn inderdaad een aanroep, zoals deze in een epos op zijn plaats is. De dichter smeekt de ‘Goddelyke Geest’, die op het Pinksterfeest over de discipelen van Jezus werd uitgestort, om steun en wijsheid: ‘Bestier myn toonen, sterk in 't zingen myne stem, // Op dat ze niet bezwyk'; dan krygt myn zingen klem’ (blz. 2).
De laatste halve regel is echter tevens uitgangspunt voor een ‘aanhangsel’ van 24 regels, dat formeel met het voorgaande verbonden blijft, maar er zich inhoudelijk steeds verder van verwijdert. Als - dank zij de Geest - zijn ‘zingen klem krygt’, aldus Joan de Haes, dan zal zijn werk ‘geen gewenschte vrucht ontbeeren’. Dan zal hij er zelf door worden opgewekt tot boete en bekering. Dan zal hij er ook bij zijn landgenoten mee bereiken wat hem voor ogen staat
De invocatio is geleidelijk overgegaan in een boetpredikatie tot de Nederlanders. Met veel goede wil zou men daarin iets van een dedicatio kunnen zien. Maar ik geloof niet dat Joan de Haes het slot van zijn ‘Inleiding’ zo bedoelde. In de aanhef had hij gezegd, dat het zijn zangheldin lustte de boetbazuin te steken. Welnu, hier doèt zij dat!
In Jona 1 wordt verteld, hoe God aan Jona opdraagt de Ninivieten om hun boosheid te gaan bestraffen, en hoe deze tracht zich daaraan te onttrekken door een vlucht overzee. God treft echter zijn schip met een storm, die het met ondergang bedreigt. Om de opvarenden te redden, raadt Jona - door het lot als de oorzaak van
Gods toorn aangewezen - hen aan, hem in zee te werpen. In uiterste nood gaan de zeelieden daar inderdaad toe over, en: ‘Toen stont de zee stil van hare verbolgenheit’. Maar God ‘beschikte eenen grooten visch om Jonas in te slokken’.
Afgezien van dit laatste detail, dat hij overhevelt naar het begin van zijn tweede hoofdstuk,80 geeft Joan de Haes dit alles nauwkeurig weer, maar aangevuld met de uitbreidingen van Grotius. De voornaamste daarvan betreffen: bijzonderheden over Joppe (de stad waar Jona zich inscheept), en de namen van de goden die door de zeelieden worden aangeroepen. Daarnaast is de invloed van de Historia Ionae echter ook herhaaldelijk merkbaar in het gebruik van bepaalde uitdrukkingen of zinswendingen.81
Kenmerkend voor de werkmethode van De Haes is zijn voorliefde voor het uitbreiden van ontleende uitbreidingen. Hierboven werd al vermeld, dat hij aan de namen van de door Grotius genoemde heidense goden die van Kastor en Pollux toevoegt.82 Het meest sprekende voorbeeld is echter het volgende:
Jona 1:3a beperkt zich tot de mededeling, dat Jona zich opmaakte om van het aangezicht des Heren naar Tarsus te vluchten. Hugo de Groot breidt dit uit, door het dwaze van deze onderneming te doen uitkomen: Jona wil God ontvluchten, Die overal aanwezig is en alles vervult (‘sperans complentem numine cuncta // Effugisse Deum’; blz. 1)! Dat brengt Joan de Haes de Psalmen 24 en 139 in gedachten, waarin de alom-tegenwoordigheid van God aan de orde komt. En hij voegt ze als een eigen uitbreiding aan het uitbreidende motief van De Groot toe:
Evenals in Judas de Verrader blijkt De Haes ook hier bijzonder vaardig in dit soort applicatie-werk. De geciteerde passage is werkelijk deel van zijn gedicht geworden.
Jona 2 verhaalt, hoe de ongehoorzame profeet in de buik van de vis tot inkeer komt en zich aan God onderwerpt. Dan wordt hij gered: ‘De Heer nu sprak tot den visch: en hy spuwde Jonas uit op het drooge’.
De Haes gaat bij zijn weergave hiervan op dezelfde manier te werk als in het vorige hoofdstuk. Alleen verschaft Hugo de Groot hem ditmaal geen feitelijkheden
ter overname, maar bezinnende overwegingen en gebedsformuleringen. Die vinden wij bij hem dan ook telkens terug. Zo vraagt Grotius zich af: ‘quis credere possit // Captivam tantis animam durasse sub undis? // Duravit tamen..’ (blz. 4), en Joan de Haes vraagt het hem na: ‘Wie kan gelooven, of begrypen met gedachten, // Hoe eenigh mensch in zulk gevaer niet zou vergaen? // En echter Jonas heeft zoo lang dit doorgestaen’ (blz. 21). - Als Hugo de Groot Jona uit de buik van de vis laat erkennen: ‘Et merui ereptus superis amittere lucem // Aspectusque tuos’ (blz. 4), dan vinden wij dit precies zo bij De Haes terug: ‘'k Beken, ik heb verdient, dat my noch zon, noch licht // Beschyne, en minder nogh, de glans van uw gezicht’ (blz. 23).
Op een enkele plaats valt moeilijk uit te maken, of De Haes aan Hugo de Groot dan wel aan Godeau heeft ontleend. Zo zegt hij naar aanleiding van Jona's bidden in de buik van de vis: ‘De balg van 't ondier kan hem thans een tempel strekken’ (blz. 21). Dat correspondeert met: ‘Hoc tunc navigium misero carcerque domusque, // Hoc templum fuit’ uit de Historia Ionae (blz. 4). Maar het komt evenzeer overeen met: ‘Il fit des entrailles profondes du monstre qui l'avoit englouty, un Temple où il chanta ses [= de Dieu] lüuanges’ (blz. 81).84 De kans is echter groot, dat De Haes deze gedachte primair aan Grotius heeft ontleend. Voor de eerste twee hoofdstukken is deze namelijk zijn grote voorbeeld. Godeau's Tableau begint eerst op het moment dat Jona zijn prediking in Ninivé aanvangt, al grijpt de auteur wel eens (zoals hier) op een vroegere episode uit diens geschiedenis terug.
De naar verhouding exorbitante omvang van dit hoofdstuk - ruim 100 regels méér dan de Inleiding en de drie andere capita samen - is een direct gevolg van het feit dat Joan de Haes de boetpredikatie, die Godeau aan Jona in de mond legt, vrijwel integraal heeft overgenomen. Niet minder dan 360 regels zijn daaraan gewijd. Bovendien volgt hij Godeau's uitvoerige beschrijving van de boete-doening der Ninivieten, die het gevolg van deze prediking is, van nabij in 138 regels na. Toch laat hij ook in dit hoofdstuk de Historia Ionae niet helemaal los. Zo valt b.v. Grotius te herkennen in de regels, waar Jona ‘Stapt Assurs hooftstat in, van niemant om te treden, // Dan eer de derde zon haer daghreis staken moet’ (blz. 29).85 Hetzelfde geldt voor de beschrijving van de koning: ‘Den grooten ryksvorst zelfs, wien duizent edellingen // En duizent ridderen bestuwen en omringen, // Gelyk een lyfwacht, aen wiens zorg de veiligheit // Betrout is nacht en dagh van 's konings majesteit; // Wien zoo veel volken tol en schatting moeten geven, // Voor wiens geduchte maght zoo vele vorsten beven’ (blz. 65).86
Godeau's predikatie van Jona is een voortreffelijk staal van meeslepende welsprekendheid, en De Haes kon inderdaad niet beter doen dan ze vrijwel woordelijk overnemen.87 Eerst zet de profeet uiteen, dat hij spreekt uit naam van God, ‘De Heer der heeren, die de koningen regeert // En al de volken van het weereitront
beheert’ (blz. 33). Deze God is vertoornd op Ninivé, ‘En zeker ook te recht, want waer ik 't oog laet gaen, // Ik vind geen voorwerp, of het hitst zyn gramschap aen’ (blz. 35). De prachtige tempels getuigen niet van godsdienstzin, maar van ijdelheid, uitbuiting der armen, en schijnvroomheid. Vervolgens richt Jona zich achtereenvolgens tot de koning, de priesterschap, de overheid en het volk, om hun stuk voor stuk de verdorvenheid voor te houden die hun levenswijze kenmerkt. Elk van deze onderdelen loopt uit op de dreigende conclusie: ‘Nogh veertigh dagen, dan zal Ninive vergaen’ - een conclusie die tenslotte in de peroratie tot een grimmig hoogtepunt wordt opgevoerd.
Opmerkelijk is, dat Joan de Haes het slot van de predikatie, zoals Godeau die geeft, niet overneemt. In dat slot laat de Franse bisschop door Jona een perspectief openen naar Gods genade; de profeet eindigt met een aansporing tot boete-doening, waardoor Gods wraak zou kunnen worden afgewend.88 De Haes achtte deze aansporing kennelijk - en terecht - in strijd met het Bijbelverhaal. Zoals uit Jona 4 duidelijk blijkt, meende de profeet de ondergang van Ninivé als een onontkoombare straf aan te kondigen; vandaar dat hij zich door God bedrogen voelt, wanneer Deze op Zijn raadsbesluit terugkomt en daardoor Zijn boodschapper tot een valse profeet maakt. In het Tableau van Godeau kon deze anomalie verdoezeld blijven, omdat daar het slothoofdstuk van het Bijbelboek niet aan de orde komt. Maar Joan de Haes gaf een uitbreiding van het gehèle verhaal en kon op dit punt Godeau dus niet volgen zonder dat dit tot een tegenstrijdigheid in zijn werk zou hebben geleid. Het pleit ongetwijfeld voor hem, dat hij dit ingezien en de bewuste passage weggelaten heeft.
Voor de beschrijving van de boete-doening door de Ninivieten, uitlopend op een verheerlijking van het vasten als teken van berouw, volgt De Haes weer vol-uit Godeau. Als de koning van Ninivé zich in zak en as voor God verootmoedigt, gebeurt er volgens de Franse tekst een wonder: ‘mais, ô force admirable de l'humilité de la Penitence! aussi-tost qu'il dépose tous les ornemens de la Royauté, & qu'il ne se souvient plus d'estre Roy d'Assyrie, il commence à estre un Roy de Justice’ (blz. 90). In de Jonas vinden wij deze gedachte terug, zij het in een niet erg gelukkige formulering: