In de eerste Zang van zijn Art poétique getuigt Boileau van zijn bewondering voor de wijze, waarop François de Malherbe na de Renaissancistische uitbundigheid van de Pléiade-dichters het Franse vers geregulariseerd heeft. Hij doet dit in een beroemd geworden passage,1 waarvan vooral de beginregels bekendheid hebben verworven:
Onwillekeurig dringen deze regels zich aan de geschiedschrijver van het Nederlandse epos op, wanneer hij - na de neergang van de Bijbelse epiek in de eerste periode van de 18de eeuw - in aanraking komt met Abraham de Aartsvader van Arnold Hoogvliet. Zózeer zelfs, dat hij de verleiding niet kan weerstaan er een variant van te geven:
Zowel in de uitspraak van Boileau als in mijn variant schuilt een onbillijkheid. Boileau doet onrecht aan de grote verdiensten van Ronsard voor de Franse poëzie, en de variant verwaarloost het feit dat Vondel met Joannes de Boetgezant het Bijbels epos reeds eerder ‘in heerelyken stant’ had gebracht. Beide uitlatingen zijn echter in zoverre juist als zij een belangrijke ommekeer signaleren, de eerste in de ontwikkeling van de Franse poëzie, de tweede in die van de Nederlandse Bijbel-epiek. Malherbe legde met zijn regularisatie van het vers de grondslag voor het klassicisme; Hoogvliet opende met Abraham de Aartsvader de mogelijkheid voor een herleving van het Bijbels epos toen dit volkomen doodgelopen was.
Daarmee houdt evenwel de overeenkomst tussen de beide dichters op. De ommekeer, die zij bewerkstelligen, is van tegengestelde aard. Terwijl Malherbe het Ronsardiaanse verleden verwierp en de weg wees naar een strakkere gebondenheid, greep Hoogvliet op de Vondeliaanse traditie van dichterlijke vrijheid terug en verbrak hij daarmee de fundamentalistische kluisters van het Bijbel-epos.
In hoeverre hij dit bewust dan wel intuïtief heeft gedaan, valt niet met zekerheid uit te maken. Het laatste is echter waarschijnlijk. Er is geen enkele aanwijzing dat Hoogvliet zich zou hebben willen afzetten tegen het werk van zijn tijdgenoten. Hij ging eenvoudig zijn eigen gang. Toen hij besloot tot het schrijven van een Bijbels epos, koos hij Vergilius en Vondel tot zijn voorbeelden. De eerste had het model gegeven van een volmaakt heldendicht; de tweede was tot dusver de enige Nederlandse dichter die naar dat model een Bijbelse stof had behandeld.2 Meer dan hun
beider werk meende Hoogvliet als basis voor zijn Abraham niet nodig te hebben. Bestudering van de theorie over het epos liet hij achterwege,3 en evenmin schonk hij aandacht aan de opvattingen die zijn tijdgenoten in de voorberichten van hun epische Bijbeldichten te berde hadden gebracht. Met de Aeneis en de Joannes voor ogen werkte hij naar eigen inzicht en intuïtie voort, zonder polemische of programmatische bijgedachte.
Voor het Bijbels epos betekent de verschijning van Abraham de Aartsvader een hernieuwd begin. Alle epische en poëtische elementen, die in de loop van de eerste periode op fundamentalistische gronden waren uitgebannen,4 keren bij Hoogvliet terug: het merveilleux, de centrale idee, de dichterlijke inventio, de vrije dispositio. Alleen de biographische opzet en de tendens tot moralisatie herinneren in zijn werk aan het onmiddellijke verleden. Voor de rest gaat hij van dezelfde principes uit als Vondel in Joannes de Boetgezant.
Het succes van de Abraham stimuleerde tot een verdere ontwikkeling van het Bijbelse epos in ‘vrije’ richting. Weliswaar bleef daarnaast ook iets van de geversificeerde Bijbelhistorie zich handhaven, deels uit fundamentalistische overtuiging en deels uit poëtische onmacht bij de auteurs, maar met de suprematie, die zij omstreeks 1725 had uitgeoefend, was het voorgoed gedaan.
Zo won, dank zij Hoogvliet, de Vondeliaanse traditie het in het Bijbelse epos uiteindelijk tòch, hoezeer zij in de eerste periode uitgeschakeld had geleken. Wat Joan de Haes bij gebrek aan creatief vermogen met Judas de Verrader niet had kunnen aantonen, werd door Abraham de Aartsvader buiten kijf gesteld: de superioriteit van het Vondeliaanse type Bijbel-epos boven half-epos en geversificeerde Bijbelhistorie.
Over het leven van Hoogvliet zijn wij goed ingelicht, vooral dank zij de biographie die Jan de Kruyff (1753-1821) in 1782 aan de dichter wijdde en waarvoor hij kon beschikken over inlichtingen van diens weduwe.5 Het volgende is - aangevuld met enkele gegevens uit het N.N.B.W. (VII, 620-621) - grotendeels aan deze levensbeschrijving ontleend.
Arnold Hoogvliet werd op 3 juli 1687 in Vlaardingen geboren als zoon van de reder Johannes Hoogvliet en Katharina Paspoort, ‘beiden van deftige afkomst, en in een gelukkig huwelijk met nog zeven andere Kinderen gezegend, van welken de jongste en oudste vroegtijdig werden weggerukt’ (blz. 7). Toen hij 12 jaar was, werd hij op een notaris-kantoor geplaatst, dat hij echter reeds na enkele maanden weer verliet om - ‘'t zij op ouderlijken last, 't zij op eigen verzoek’ (blz. 8) - in Dordrecht op de Bank van Lening te worden te werk gesteld.
Gedurende zijn veeljarig verblijf in Dordrecht raakte Hoogvliet bevriend met een drietal ‘Mannen van smaak’ (blz. 9), die onder meer ook de poëzie beoefenden. Deze oudere vrienden - van wie Tielman van Bracht zich als dichter een kleine
plaats in onze literatuur heeft verworven - hebben voor zijn ontwikkeling een be slissende betekenis gehad. Gestimuleerd door hun voorbeeld en aanmoediging, ging hij ook zelf verzen schrijven, waarbij hij echter al spoedig ontdekte dat zijn gebrek aan kennis van de klassieken een ernstige belemmering vormde. ‘De Dichter begon dus, in den ouderdom van bijna twintig jaaren, zich in het Latijn te oeffenen, eerst geheel alleen, vervolgens met de hulp een's Meester's...’ (blz. 13). Ter afsluiting van deze studie besloot hij, op raad van zijn vrienden, volgens het beproefde recept van zijn tijd ‘de vertaaling van eenig stuk te onderneemen’ (blz. 14). Hij koos daarvoor de Fasti van Ovidius, en het werk daaraan boeide hem zózeer, dat hij zich voornam die in Nederlandse verzen over te brengen.
Intussen had Hoogvliet in Dordrecht een goede positie gekregen. Een verleidelijk aanbod uit Amsterdam deed hem die echter opgeven en ‘na een teder afscheid van zijne bedrukte Vrienden, in den Ouderdom van ruim 26 Jaaren’ (blz. 16) daarheen vertrekken. De zaak liep evenwel op niets uit, zodat de jonge dichter naar Vlaardingen moest terugkeren, ‘geheel zonder beroep, zonder kostwinning’ (blz. 17).
Vanuit zijn ouderlijk huis wist Hoogvliet zich geleidelijk een nieuw bestaan op te bouwen. Twintig jaar na zijn terugkeer was hij een welgesteld burger: kashouder,6 en bovendien tafelhouder in de Bank van Lening. In 1735, op 48-jarige leeftijd, trad hij in het huwelijk met Ida van der Ruit, dochter van een van zijn Dordtse vrienden, en in 1750 werd hij in de vroedschap van Vlaardingen gekozen. Hij overleed op 17 oktober 1763 ‘in het huis zijner Geboorte, van waar, na zeven dagen, het Lijk, onder geleiden der geheele Stadsregeering en van het aanzienlijkst gedeelte der Ingezetenen, plechtig werdt ten grave gebragt’ (blz. 36).
Belangrijker dan deze uiterlijke feiten is wat Jan de Kruyff ons over het dichterlijke werk van Hoogvliet weet mede te delen, in het bijzonder over de ontstaansgeschiedenis van Abraham de Aartsvader en de mislukking van een ‘Leven van Jezus’.
Na zijn terugkeer in Vlaardingen voltooide de dichter zijn vertaling van de Fasti en bereidde er de uitgave7 van voor. Ziekte van zijn vader had tot gevolg, dat hij soms onder het waken bij diens ziekbed de proeven moest corrigeren:
De zwakke Grijsaart, dit wetende, betuigde niet alleen meermaalen den Zoon zijn genoegen over deszelvs vorderingen, maar konde zelvs, op zekeren tijd, niet naalaaten, als in het vuur van den ernst, uitteroepen: Hoe aangenaam zoude het mij zijn, indien dit Stuk, in plaats van het Heidensch bijgeloof optesieren, de eer van den éénen waaren God konde bevorderen.De dood maakte die wens tot de laatste wens van een stervende. Hoogvliet achtte zich daaraan gebonden en koos dus voor zijn volgende dichtwerk een Bijbels onderwerp: het leven van Abraham.
(blz. 20)
De grondigheid en het doorzettingsvermogen, die zijn studie van het Latijn hadden gekenmerkt, bepaalden ook ditmaal zijn werk. Onafgebroken gaf hij er zijn beste krachten en al zijn vrije tijd aan, zodat hij tenslotte volkomen overwerkt raakte en - bij het begin van het tiende boek - gedwongen werd tot een periode van rust.
Maar nauwelijks voelde hij zich daartoe weer in staat, of hij nam opnieuw de pen op en schreef ‘onder een langzaamen voortgang’ de laatste boeken van zijn AbrahIam, die ‘na vereischte beschaving, in den jaare 1727 voor de eerstemaal te voorschijn kwam’8 (blz. 23).
Na deze zware taak tot een succesvol einde te hebben gebracht, voelde Hoogvliet zich bezield tot een nog veel moeilijker onderneming: het schrijven van een epos over het leven van Jezus. Hij ontwierp ‘welhaast een plan, en vertoonde hetzelve aen zijnen bijzonderen Vriend Herman ten Kate, die juist op dien tijd het bekende Werk, de Overeenstemming der Euangelisten, onder handen had’9 (blz. 24). Volgens dit plan had hij mnediis in rebus willen beginnen, en wel bij de intocht van Jezus in Jeruzalem op Palmzondag; na overleg met zijn vriend zag hij daarvan echter af en verschoof zijn begin naar de aanvang van Jezus' prediking. Ongetwijfeld heeft Ten Kate - die door zijn werk aan de Evangeliën-harmonie beter het materiaal overzag - hem overtuigd van de onmogelijkheid alle belangrijke feiten uit de drie jaren van Jezus' omwandeling op bevredigende wijze samen te persen in een verhaal-achteraf, zoals had moeten gebeuren wanneer de intocht in Jeruzalem (en dus het begin van de lijdensgeschiedenis) tot uitgangspunt van het epos was gekozen. Deze veronderstelling vindt steun in de tegelijkertijd gemaakte afspraalc dat ‘de Heer ten Kate hem van tijd tot tijd de afgedrukte bladen zijnes Werks, ter ophelderinge en schikkinge der voorvallen, zoude doen toekomen’ (blz. 25). Daaruit valt niet anders af te leiden dan dat Hoogvliet in principe aanvaard had, zich te voegen naar de volledigheid en chronologie van de Evangeliën-harmonie.
‘De Dichter dan ging, volgens dit nieuwe plan, met moed aan 't werk, en maakte in weinig tijds aanzienelijke vorderingen’ (blz. 25). Maar tenslotte liep hij vast op de onverzoenbaarheid van dichterlijke vrijheid en Bijbelse waarheid. De Kruyff geeft het dilemma uitstekend weer:
De waarheid der Geschiedenisse vorderde een nauwkeurig en wel aan een geschakeld verhaal der gewigtigste bijzonderheden: De Poëzij, schuw van allen dwang, en voor het verlies haarer bevalligheden beducht, weigerde zich naar die stijve orde te plooien, en de goede smaak van Hoogvliet werd geslingerd
door een' tweestrijd van plichten, die van Dichter en Historieschrijver, zonder dat zijne kunst middel zag, om den goeden smaak in de vereeniging van beiden te doen medestemmen.
(blz. 26)
In de Abraham was dit laatste, althans grotendeels, wèl aan Hoogvliet gelukt. Maar dat kwam doordat de Bijbel het leven van de Aartsvader betrekkelijk schetsmatig vertelt, zodat de dichterlijke verbeelding ruimschoots gelegenheid had voor het omkleden daarvan met uitbreidingen en aanvullingen, die kroniekmatigheid konden voorkomen. Bij het leven van Jezus lag dit anders. Daar waren de Bijbelse gegevens zó talrijk, zó gepreciseerd, en - dank zij het harmonisatie-onderzoek - zó nauwkeurig gechronologiseerd, dat er voor dichterlijke vrijheid geen plaats overbleef. Bovendien liet de eerbied voor het Goddelijke in de persoon van Jezus niet toe, dat Hem - zoals bij een menselijke figuur als Abraham aanvaardbaar was - op enigszins uitgebreide schaal daden, gezegden of gedachten werden toegeschreven, die uit de verbeelding van de dichter voortkwamen. Het gevolg van dit alles was dat Hoogvliet, bij gebrek aan dichterlijke armslag, zijn Leven van Jezus steeds meer tot een kroniek zag worden in plaats van een epos.
Het pleit voor de echtheid van zijn dichterschap, dat hij daarin niet heeft willen berusten en ‘het harde besluit’ nam
om den begonnen arbeid te staaken, het afgewerkte deel byna geheel te vernietigen, en van al zynen voorraad niets in wezen te laaten, dan eenige kleene gedenkstukken, welke, onder den naam van Euangelische Keurstoffen, in het eerste deel der Mengeldichten zyn bewaard gebleven.
(blz. 26)
In de Mengeldichten, die in 1738 te Delft werden uitgegeven door Pieter vander Kloot,10 vinden wij in de rubriek Euangelische Keurstoffen inderdaad een vijftal Bijbeldichten in alexandrijnen, die tot het mislukte epos behoord zullen hebben: Herodes Jaaifeest (de onthoofding van Johannes de Doper; 186 regels; blz. 3-10), De wondere Wynmaking (de bruiloft te Kana; 62 regels; blz. 10-12), De Zondares aan de voeten des Heilands (92 regels; blz. 13-16), 't Verwondert Betsaïda (de wonderbare spijziging; 70 regels; blz. 21-23), en Verzoeking (de verzoeking van Jezus in de woestijn; 192 regels; blz. 24-30). Het is niet goed mogelijk zich daaruit een oordeel te vormen over de aard van het grotere geheel waarvan zij deel hebben uitgemaakt. Zo weten wij niet, of Hoogvliet er voor de fragmentarische publikatie veranderingen in heeft aangebracht, met name - ter verkrijging van een afgerond geheel - aan het begin en het slot. In het algemeen kan men echter zeggen, dat deze brokstukken geen van alle het peil van de Abraham evenaren. Opvallend is vooral het ontbreken van beeldende kracht. De beschrijvingen van de pracht op Herodes' feest en de verleidelijkheid van Salome's dans komen niet van de grond. In Verzoeking vormt de bijeenkomst van de Helleraad een relatief hoogtepunt, maar meer dan een matte navolging van Vondel wordt door Hoogvliet toch niet bereikt.11 Voor het overige is de verteltrant veeleer bespiegelend dan plastisch, memorerend dan evocatief. Daardoor zijn deze fragmenten meer verwant aan de Bijbelpoëzie van b.v. Hendrik Schim
dan aan de Abraham. Soms krijgt men de indruk, dat Hoogvliet getracht heeft met ‘,verrassende’ spitsvondigheden de levendigheid van zijn werk te verhogen,12 maar dergelijke ‘vondsten’ maken van zijn betoog nog geen werkelijk verhaal. Al met al rechtvaardigen deze restanten de veronderstelling, dat het besluit ‘om den begonnen arbeid te staaken’ door de dichter terecht werd genomen.
Met de mislukking van wat zijn magnum opus had moeten worden, was de scheppende kracht van Hoogvliet feitelijk gebroken. Wel bleef hij nog poëzie schrijven, maar tot de hoogte van Abraham de Aartsvader kwam hij niet meer. In 1740 verscheen zijn bekende hofdicht Zijdebalen op de buitenplaats van zijn vriend David van Mollem, en in 1743 zijn Eerekroon voor de stede Vlaardingen. Beide werden opgenomen in het Vervolg der Mengeldichten, dat in 1753 het licht zag als laatste van Hoogvliet's publikaties.
Jan de Kruyff voegt aan zijn biographie nog een kritische bespreking van Hoogvliet's poëzie en in het bijzonder van Abraham de Aartsvader toe. Ik laat die voorlopig rusten. Zij kan beter aan de orde komen in een volgende paragraaf, samen met andere reacties op de Abraham. Voor één opmerking, die De Kruyff bij zijn evaluatie maakt, dient echter reeds hier een plaats te worden ingeruimd, omdat zij een feitelijk gegeven betreft dat tot de biographie behoort. De dichter heeft, zo deelt zijn levensbeschrijver mee,
volgens het verhaal van eenen zijner gemeenzaamste Vrinden, lang na de uitgave van den Abraham, openhartig verklaard [...], door het lezen van zeker Fransch werkjen13 volkoomen te zijn overtuigd geworden, dat zijn dichtstuk aan de regelen van het Heldendicht geheel niet beantwoordt.
(blz. 68-69)
Voor zover ik heb kunnen nagaan, zijn er in totaal veertien edities van Abraham de Aartsvader verschenen, twaalf legitieme en twee nadrukken.
De eerste uitgave zag in het begin14 van 1728 het licht bij de Rotterdamse uitgever
Jan Daniel Beman, die in 1719 reeds bij de publikatie van Hoogvliet's vertaling van Ovidius' Fasti betrokken was geweest.15 Het titelblad luidt:
Abraham, // de // Aartsvader, // in XII Boeken, // door // Arnold Hoogvliet. // vignet // Te Rotterdam, // By Jan Daniel Beman. // MDCCXXVIII.
Het boek is een fraaie uitgave in quarto, met een allegorisch frontispice van Jan Wandelaar die er zelf in een vers ‘Op de Tytelprent’ de verklaring van gaf. De enige andere illustratie is een mooie gravure met het wapen van Mr. Johan van der Heim (burgemeester van Schiedam en hoogbaljuw van Vlaardingen en Vlaardingerambacht), die boven de Opdraght staat waarmee de dichter zijn werk aan deze magistraat toewijdde.
Na de Opdraght en het Voorberecht van Hoogvliet volgen zes drempeldichten, waarvan de auteurs allen tot zijn onmiddellijke vriendenkring behoorden: een bewijs dat hij met zijn Feestdagen nog geen algemene bekendheid had verworven. Voorop gaat een Latijns vers van Joannes van Dam, van 1716 tot 1720 praeceptor aan de Latijnse school te Dordrecht en nadien conrector in Delft (vanwaar hij in 1731 in diezelfde functie naar Dordrecht zou terugkeren). De reeks Nederlandse lofdichten wordt geopend door de Rotterdammer Kornelis Boon (1680-1750), een ambitieuse maar weinig talentvolle poeta minor, die zich naar zijn kleine heerlijkheid ‘Engelant’, in het Land van Putten, Boon van Engelant noemde.16 Dan komt de looiersfamilie Schim uit Maassluis aan het woord: eerst vader Pieter, vervolgens zijn zoon Jacob, en tenslotte Hendrik (1695-1742) die zich tot de voornaamste Bijbeldichter na Laurens Bake aan het ontwikkelen was. Het laatste van de drempeldichten is niet afkomstig van één persoon, maar van een groep jonge Rotterdamse dichters en letter-lievenden, die zich verenigd hadden in het kunstgenootschap Natura et Arte en hun vers met die naam ondertekenden.
Dit kunstgenootschap was in 1726 gesticht door Willem van der Pot en diens broeder Kornelis, die echter reeds in 1728 overleed. Leden waren verder Willem Suderman, Frans de Haes, Nikolaes Versteeg, en al spoedig ook Dirk Smits en Adriaen van der Vliet.17 De vier laatstgenoemden hebben ieder een epos op hun naam staan, waaraan wij aandacht zullen hebben te besteden.
Daarna volgen de twaalf boeken van de Abraham, elk voorafgegaan door een tien-regelig argumentum. Hier en daar is een noot toegevoegd, ter toelichting of ter verwijzing naar wetenschappelijke achtergronds-literatuur.
Het epos van Hoogvliet moet al dadelijk opgang hebben gemaakt. Reeds het volgende jaar bleek een herdruk nodig. Blijkens het vrij grote aantal ‘Druk-feilen’, dat op een ingevoegd blad tussen voorwerk en tekst ter verbetering wordt vermeld, is deze uitgave met enige haast gereed gemaakt. Zij is geheel conform aan de eerste druk. Alleen maakte Pieter Schim van de gelegenheid gebruik om zijn drempeldicht uit te breiden met een nieuwe aanvangs-strofe.
Beman's uitgaven van de Abraham waren niet beschermd door een Privilegie. Daarvan maakte de Haarlemse boekverkoper Marshoorn gebruik om het werk na te drukken en zijn piraat-editie als ‘de derde druk’ op de markt te brengen. Het titelblad van deze uitgave, waarvan mij slechts één exemplaar bekend is,18 luidt:
Abraham, // de // Aartsvader, // in XII Boeken, // door // Arnold Hoogvliet. // De derde druk. // vignet // Te Haarlem, // By Johannes Marshoorn. // MDCCXXXIV.
Het boekje is veel bescheidener uitgegeven dan de edities van Beman. Het heeft een octavo-formaat, is met een betrekkelijk kleine letter gedrukt, en mist zowel het frontispice als het wapen van Van der Heim. Verder vindt men er echter alles in terug wat de beide voorafgaande drukken bevatten. Zelfs iets meer! ‘Ter Bladvullinge’ is na het slot van de Abraham nog het lofdicht opgenomen, dat Hoogvliet in 1719 had geschreven voor de tweede druk van een Uitbreidinge van Salomons Hoogliet, en Davids XLV. Harpgezang door zijn vriend Tielman van Bracht.19
Begrijpelijkerwijze waren Hoogvliet en Beman verontwaardigd over de handelwijze van Marshoorn, en namen zij maatregelen om herhaling te voorkomen. Een beschermend Privilegie werd aangevraagd,20 en bovendien besloten zij tot de uitgave van een eigen derde druk, die door Hoogvliet grondig herzien was en daardoor de Haarlemse editie als onecht zou ontmaskeren. Deze verscheen in 1736, met het volgende titelblad:
Abraham, // de // Aartsvader, // in XII Boeken, // door // Arnold Hoogvliet. // De derde druk // Veelszins verbetert. // Met Privilegie der Ed: Gr. Mog. Heeren Staten van Holl. en Westvriesl. // vignet // Te Rotterdam, // By Jan Daniel Beman, // MDCCXXXVI.
De aankondiging ‘Veelszins verbetert’ is volkomen gerechtvaardigd. Van het eerste tot het laatste Boek heeft Hoogvliet in de tekst van zijn epos tal van kleine wijzigingen aangebracht, die in het algemeen inderdaad verbeteringen zijn. In het bijzonder werkt hij formuleringen weg, die tweevoudig zouden kunnen worden opgevat en daardoor aanleiding geven tot misverstand. Ook in theologicis drukt hij zich meermalen voorzichtiger of nauwkeuriger uit. De pronominale aanduiding wordt meer in overeenstemming gebracht met de moderne opvattingen, in het bijzonder
die van Lambert ten Kate. En tenslotte worden een aantal regels, die bij nader inzien door een wat al te gemeenzaam woordgebruik uit de verheven toon van het epos vielen, ‘hooghdravender’ gemaakt.21 Dit alles leidt echter nergens tot wezenlijke veranderingen; de meest ingrijpende wijziging is het aanbrengen (op blz. 50) van een toelichtende noot.22
In de volgende drukken is deze herziene tekst gehandhaafd, al wordt een heel enkele maal nog wel eens een nieuwe wijziging aangebracht.
De vierde druk is door Beman kennelijk bedoeld als onderstreping van Hoogvliet's blijvend succes. De befaamde toneelspeler-graveur Jan Punt (1711-1779) kreeg opdracht bij elk van de twaalf boeken een plaat te leveren, het portret van Hoogvliet door de schilder Dionijs van Nijmegen werd gegraveerd, en enkele bekende auteurs werden aangezocht voor deze nieuwe uitgave een lofdicht te schrijven.
Het bijzondere karakter van deze druk blijkt overigens niet uit het titelblad. Dat vermeldt simpelweg:
Abraham, // de // Aartsvader, // in XII Boeken, // door // Arnold Hoogvliet. // De vierde druk. // Met Privilegie der Ed: Gr. Mog. Heeren Staten van Holl. en Westvriesl. // vignet // Te Rotterdam, // By Jan Daniel Beman, // MDCCXLIV.Wellicht moet deze terughoudendheid worden toegeschreven aan moeilijkheden met het gereedkomen van de platen. Hoewel het titelblad 1744 als jaar van uitgave vermeldt, is de gravure van Hoogvliet's portret gedateerd op 1745, en wordt bij niet minder dan vijf van Punt's platen eveneens 1745 als jaar van vervaardiging aangegeven (de overige zijn gedateerd op 1743 en 1744). Ik durf niet uitmaken, hoe deze incongruentie moet worden verklaard. Heeft Beman niet op de platen willen wachten en in arren moede besloten zijn vierde druk voorlopig dan maar zonder deze uit te geven? Dat zou het titelblad kunnen verklaren; de platen zouden dan achteraf in de nog onverkochte exemplaren zijn aangebracht. Waarschijnlijker is volgens mij echter, dat Beman wal op de illustraties heeft gewacht en dat de vierde druk in werkelijkheid eerst in de loop van 1745 op de markt is gekomen; het jaartal op het titelblad zou dan toegeschreven moeten worden aan een verzuim om de te vroeg berekende verschijningsdatum achteraf te rectificeren. Deze veronderstelling wordt gesteund door het feit dat op blz. 323 van de Nagelaten dichtwerken van Sybrand Feitama (1764) diens lofdicht voor de Abraham voorzien is van het onderschrift ‘Gedicht 1735, en voor 't gemelde Dichtwerk gedrukt in 1745’. Uit het opschrift blijkt tevens, dat het vers oorspronkelijk bedoeld was geweest voor de derde druk, waarin het echter geen plaats kreeg.
Wat de drempeldichten betreft, bleven de zes oorspronkelijke gehandhaafd, maar werden er zes nieuwe aan toegevoegd. De auteurs daarvan waren: Pieter Langendijk, Sybrand Feitama, Dirk Smits, Willem van der Pot, Nikolaes Versteeg en Frans de Haes. Het valt op, dat de beide eersten gevierde dichters ‘van buiten’ zijn, terwijl
de drie laatsten tot de vriendenkring van Natura et Arte behoren. Dirk Smits - die in 1737 met zijn epos Israëls Baälfegorsdienst de aandacht getrokken had en sindsdien het meest vooraanstaande lid van Natura et Arte was - kan als schakel tussen de twee groepen worden gezien.
De geïllustreerde uitgave vond blijkbaar gretig aftrek. Reeds in 1746 verscheen er een nieuwe editie van, geheel conform aan de vorige.
Begrijpelijkerwijze liet de zesde druk daarna wat langer op zich wachten. Het enige, dat deze van zijn voorganger onderscheidt, is een nieuw vignet op het titelblad. Beman heeft dat van F. van Bleyswyck vervangen door een fraaiere en meer moderne compositie van Simon Fokke (1712-1784).
Dit is de laatste druk, die tijdens Hoogvliet's leven verscheen, geheel conform aan de vorige, afgezien van het uitgevers-adres dat thans luidt: ‘By Jan Daniel Beman en Zoon’. De ouder wordende Jan Daniel heeft zijn zoon Hendrik in de leiding van zijn zaak opgenomen.
Wellicht gestimuleerd door de rouw om Hoogvliet's dood, was de zevende druk reeds na vier jaren uitverkocht. ‘De agste druk’ is geheel gelijk aan de vorige.
Daarna liet de negende druk tien jaar op zich wachten. Inmiddels was Jan Daniel Beman vermoedelijk gestorven, want het titelblad vermeldt nu als uitgevers-adres: ‘By Hendrik Beman’. Merkwaardigerwijze wordt er ditmaal géén melding gemaakt van een Privilegie, wat des te bevreemdender is, omdat dit vier jaar later bij de tiende druk weer wèl gebeurt. Moeten wij aan een omissie van Hendrik Beman denken, of was intussen het lopende Privilegie verjaard en een nieuw niet tijdig genoeg aangevraagd?
De tiende druk is weer in alle opzichten conform aan de Beman-traditie. Ook - behoudens kleine typographische verschillen - het titelblad:
Abraham, // de // Aartsvader, // in XII Boeken; // door // Arnold Hoogvliet. // De tiende druk. // Met Privilegie der Ed: Gr: Mog: Heeren Staten van Hollant en Westvrieslant. // vignet // Te Rotterdam, // By Hendrik Beman, // MDCCLXXX.
De eerstvolgende uitgave is een Zuid-Nederlandse nadruk, waarvan mij slechts één exemplaar bekend is.23 Het titelblad is naar dat van de Beman-edities gecopieerd en luidt als volgt:
Abraham, // de // Aartsvader. // In XII Boeken, // door // Arnold Hoogvliet. // Den negensten druk. // vignet (dat van Simon Fokke voor Beman, maar in spiegelbeeld) // Zyn te koop tot Brugge, // By J. Bogaert, Boekdrukker en Boekverkooper, // in Sint Jacobs-straet.
Het jaar van verschijning wordt niet vermeld, maar komt wèl op het frontispice voor. Het is dat van Jan Wandelaar voor de eerste uitgave van de Abraham, en in alle drukken van Beman gehandhaafd. De onhandige copie (nièt in spiegelbeeld) werd blijkens het onderschrift ‘gegraveert door J.L. Waiters in Brugge’. Maar terwijl het frontispice in de edities van Beman nooit het jaar van uitgave aangeeft, doet de Brugse copie dit wel: ‘Tot Brugge // By Joseph Bogaert // MDCCLXXXVIII’.
Het doet vreemd aan, dat deze nadruk zich in 1788 aankondigt als negende druk, terwijl in Rotterdam al acht jaar tevoren de tiende verschenen was. Maar wellicht was Bogaert daarvan niet op de hoogte en berustte zijn uitgave op een exemplaar van de Abraham dat hij (kort tevoren) bij toeval in handen gekregen had. Dat zou dan zowel een achtste als een negende druk geweest kunnen zijn. In het eerste geval zou hij zijn editie voor een nieuwe druk hebben willen doen doorgaan. Veel waarschijnlijker acht ik het echter, dat hij zich baseerde op de negende druk van Hendrik Beman uit 1776. De formule op zijn titelblad ‘Zyn te koop tot Brugge by... ’ maakt - evenals het gecopieerde vignet - de indruk te willen suggereren, dat het hier zou gaan om een Zuid-Nederlands verkoop-adres voor de negende druk uit Rotterdam; als die indruk juist is, ging Bogaert ongetwijfeld van deze druk uit. Is het toeval dat op het titelblad dáárvan de vermelding van het Privilegie ontbreekt, of heeft dit mede een rol gespeeld? De vraag dringt zich onwillekeurig op, al viel Bogaert buiten de jurisdictie van de Staten van Holland en West-Friesland.
Buiten het titelblad is de fictie van een verkoop-adres (àls zij inderdaad bedoeld werd) niet gehandhaafd. Wij zagen reeds, dat het frontispice Bogaert als uitgever vermeldt. Bovendien werd het voorwerk ingrijpend gewijzigd. De Opdraght van Hoogvliet aan Johan van der Heim is weggelaten. Van de twaalf drempeldichten zijn er slechts vier behouden: die van Joannes van Dam, Kornelis Boon van Engelant, Dirk Smits en Frans de Haes. In plaats van de overige werden er twee lofdichten van Zuid-Nederlanders opgenomen: Fournier-Negre en Pieter Alleweireld. De eerste, die zich ‘Schilder’ noemt, zal wel geïdentificeerd mogen worden met de schilderdichter Karel Lodewijk Fournier (1730-1803).24 Alleweireld heb ik niet kunnen terugvinden; misschien was hij de vader van de Brugse medicus Joseph Bruno Alleweirelt (1778-1850), die in de Biographie nationale de Belgique vermeld wordt.
Het boek is, evenals de edities van Beman, in quarto-formaat uitgegeven, maar minder royaal; in plaats van 26 werden per bladzijde 30 regels van Hoogvliet's tekst afgedrukt.
De elfde druk is de eerste officiële editie, waar de naam Beman niet meer op het titelblad voorkomt. Het vignet van deze uitgever is echter gehandhaafd, terwijl ook het frontispice van Jan Wandelaar (met nog altijd de naam van Jan Daniel Beman als boekverkoper) opnieuw is afgedrukt. Het titelblad luidt thans:
Abraham, // de // Aartsvader. // In XII Boeken, // door // Arnold Hoogvliet. // Elfde druk. // vignet (van Simon Fokke voor Beman) // Te Amsteldam, by // Martinus de Bruyn, // In de Warmoesstraat, het zesde Huis van de Vischsteeg, Noordzyde. // MDCCXCII. // Met Privilegie der Ed. Gr. Mog. Heeren Staaten van Holland en Westvriesland.
Boven de Opdraght van Hoogvliet vindt men het wapen van Van der Heim terug, zoals dat in alle Beman-edities voorkomt. Maar aan de drempeldichten is een dertiende toegevoegd: ‘Bij den elfden druk van Arnold Hoogvliets dichtwerk, Abraham, den Aartsvader’, gesigneerd door de Amsterdamse poeta minor Jan Jordens en gedateerd: ‘Amsterdam, den 31sten van loumaand, 1792’.
Dit alles maakt het waarschijnlijk, dat deze druk nog door Hendrik Beman werd voorbereid, maar dat hij de uitgave vanwege dood, ziekte of anderszins niet heeft kunnen voltooien. Martinus de Bruyn nam toen het werk (met inbegrip van het Privilegie) over en trachtte door toevoeging van Jordens' drempeldicht het Amsterdamse karakter van de nieuwe editie nog wat te accentueren.
In het begin van 1840 verzocht de Nijmeegse boekhandelaar Thieme aan de theoloog en dichter Bernard ter Haar (1806-1880), toentertijd predikant te Leiden, voor hem een nieuwe uitgave van Abraham de Aartsvader te verzorgen. Deze stemde daarin toe, onder beding dat hij Hoogvliet's epos niet zou moderniseren, maar ‘slechts in zóó verre de beschavende hand aan zijn werk zou leggen, dat ik hetzelve van de grofste overtredingen tegen den goeden smaak zou trachten te zuiveren; zoo dit namelijk door de verandering van enkele woorden of regels zou kunnen geschieden’ (Voorberigt, blz. III). Op deze basis verscheen in de loop van 1841 in quarto Ter Haar's editie, waarvan het titelblad als volgt kan worden weergegeven:
Abraham // de Aartsvader // van // Arnold Hoogvliet. // Nieuwe uitgave. // lithographie van J.W. Kaiser, voorstellende de geknielde Abraham na het ontvangen van de Goddelijke opdracht Isaäk te offeren, met onderschrift: ‘Onnoozele Izaäk! 't geldt U! ... 't geldt U, mijn zoon! X.de B.k’25 // Te Nijmegen, bij J J.F. Thieme. // 1841.
Ter Haar liet het voorwerk volledig vervallen. In plaats daarvan gaf hij een Levensschets des dichters, grotendeels ontleend aan de biographie van Jan de Kruyff, en een Letterkundige geschiedenis van ‘den Abraham, den Aartsvader’ Daarna volgt het eigenlijke epos, met weglating van de argumenta, de marginale inhouds-samenvattingen en de noten. Het geheel wordt besloten met een reeks Aanteekeningen (blz. 273-314), ‘waarin ik’ - aldus Ter Haar - ‘de Kritiek op de bijzondere deelen kon toepassen, en zoo wel van de aanmerkingen van vroegere Beoordeelaars, als van eenige door mij beproefde, in het oog vallende veranderingen het noodige verslag kon doen’ (Voorberigt, blz. V).
In de tekst van Hoogvliet bracht Ter Haar ingrijpende wijzigingen aan. Tj.W.R.
de Haan heeft naar de aard daarvan een onderzoek ingesteld.26 Het resultaat - dat met tal van voorbeelden wordt geadstrueerd - vat hij aldus samen:
Zo is Ter Haar er op uit, de botsing tussen vers- en zinsaksent zo veel mogelijk ongedaan te maken. [...] [Wat de caesuur betreft, blijkt] dat Ter Haar de verssnede van Hoogvliet meer dan eens naar het midden heeft verlegd. De soms krasse ‘overlopen’ liet Ter Haar evenwel grotendeels bestaan [...] De volkstaal is door Ter Haar zoveel mogelijk weggewerkt: arent wordt adelaar, nu wordt thans - ja, hij maakt bezwaar tegen het werkwoord kijken. Ook de ‘tale Kanaäns’ en de ietwat mystieke termen kunnen Ter Haar niet geheelen-al bevallen. In het bijzonder stoot hij zich aan het door de Statenbijbel gesanktioneerde, al te biologische ‘uit zijnen zade’, dat steevast op ‘genade’ rijmt. Hij heeft deze wending zo goed als altijd vervangen. Meer te prijzen is zijn behoedzame reaktie tegen onnatuurlijke renaissance-effekten. - Ten slotte nog dit: Hoogvliet noemt de dingen des geslachtelijken levens bij de naam; Ter Haar zegt zo iets liever langs een omweg en bedektelijk.27
Ik behoef hieraan niets toe te voegen. Het is duidelijk, dat de door Ter Haar uitgegeven Abraham niet zonder meer als een twaalfde druk van Hoogvliet's epos kan worden beschouwd.
Het is niet goed mogelijk op het Voorberecht van Hoogvliet en de door hem gebruikte bronnen in te gaan, alvorens ons vertrouwd te hebben gemaakt met opzet en gang van zijn epos. Ik geef daarom eerst een overzicht van de inhoud.28
Hoogvliet's uitgangspunt was de geschiedenis van Abraham's leven, zoals hij die vond in Genesis 11-25. Naar het voorbeeld van Vergilius laat hij zijn werk echter mediis in rebus beginnen, en wel op het moment dat Abraham uit Kanaän naar Egypte getrokken is ‘om daar als vreemdeling te verkeren, dewijl de honger zwaar was in dat land [= Kanaän]’ (Genesis 12:10b). Daar beleeft de Aartsvader het avontuur van de schaking van zijn schone vrouw en half-zuster Sarai door de Farao.
Genesis doet deze gebeurtenis betrekkelijk kort af, in slechts tien Bijbel-verzen (12: 11-20). Hoogvliet echter werkt ze breed uit, tot een episode die de eerste drie boeken van zijn epos in beslag neemt.
Nadat hij - naar het vermeende voorbeeld van Vergilius - zijn vroegere werk (de vertaling van de Fasti) vermeld heeft, gaat de dichter over tot zijn eigenlijke propositio:
Op de propositio had onmiddellijk de invocatio behoren te volgen. Maar evenals Jan van Hoogstraten in De Kruisheld30 en wellicht door diens voorbeeld misleid, last Hoogvliet daartussen een uitweiding in, zoals die niet in een exordiunm thuis hoort. In een aanspraak tot ‘de Godgeleerde Schryvers’ erkent hij zijn verplichtingen aan het wetenschappelijk Bijbel-onderzoek dat zij verricht hebben, en vervolgens wijst hij in een tweede allocutie ongelovigen als lezers van zijn werk af: ‘'k Zing niet voor u: ik zing alleen voor Abrams kinderen’ (blz. 3). - Daarna keert hij tot de orde van het epos terug met een lange aanroep tot God om bezieling en hulp bij zijn onderneming.
Na een descriptio loci van Egypte tekent de dichter ons, hoe Abram - dankbaar ontkomen te zijn aan de honger in Kanaän - in de nabijheid van Memphis zijn herderskamp opslaat. Met zijn vrouw Sara31 heeft hij afgesproken dat zij voor zijn zuster zal doorgaan, ter voorkoming van moeilijkheden met de Egyptenaren vanwege haar schoonheid.32 Als Sara door een onheilspellende droom verontrust wordt, troost hij haar door de voordelen van deze list nog eens te onderstrepen:
Maar het loopt anders dan Abram verwacht had. Niet een gewone Egyptenaar komt naar de hand van Sara dingen; de Farao zelf, Apochis, begeert haar. Deze laat haar schaken en onder de hoede van de koningin-moeder Hoffra stellen. Aan de leden van zijn Raad deelt hij zijn besluit mee: na de zeven dagen van ‘'t feest van Isis, dat de onthouding streng gebiedt’ (blz. 20), zal hij haar huwen. Een luisterrijke bruiloft wordt voorbereid. Abram wordt als aanstaande zwager van de Farao met geschenken overstelpt. Hij roept ‘de Godtheit te hulp, Die hem doet berusten in zyn Albestier’ (marginale samenvatting op blz. 25).
In Gods Hemelse Stad komt de Hemelraad bijeen, om middelen te beramen ter voorkoming van de ontheiliging van Sara, die voorbestemd is de stammoeder van Christus te zijn. Besloten wordt aan Farao ‘het geheim van Saraas echtverbont’ te ontdekken en ‘het driftigh en wellustigh lichaam (te) slaan met harde plagen’ (blz. 36), totdat hij zich aan Gods wil onderwerpt en Sara ongerept aan Abram teruggeeft. - Onderwijl wordt in Memphis het feest van Isis uitbundig gevierd. Sara, ‘die in 't groot en vorstlyk huis // Hoort al het woest geschreeu, en 't juichend feestgedruis’ (blz. 45), richt wanhopig haar jammerklachten tot God. De koningin-moeder, die haar komt meedelen dat het huwelijk wegens ziekte van Farao drie dagen is uitgesteld, vangt haar woorden op ‘daar zy voor de slaapzaal stont’ (blz. 47), en begrijpt wat er aan de hand is. Als de ziekte van haar zoon aanhoudt, ook diens hovelingen daardoor worden aangetast, en nòch de artsen met hun medicijnen nòch de priesters met hun offers de plaag kunnen doen eindigen, gaat zij in de nacht naar Farao's kamer en onthult hem Sara's geheim:
Dàt, zo betoogt zij, is ‘De misdaat, die de plaagh op uwen hals verwekt’. Verschrikt, toornig en verdrietig aanvaardt Farao het onvermijdelijke: hij belooft dat hij Sara aan Abram zal teruggeven.
Dadelijk na zijn belofte valt Farao in een diepe en genezende slaap. De volgende morgen ontbiedt hij Abram. Op het verwijt omtrent de status van Sara onwaarheid te hebben gesproken, antwoordt deze: ‘'k Heb niet gelogen; maar der waarheit iets verzwegen, // Uit vrees voor lyfsgevaar: dit sprak geen wet ooit tegen’ (blz. 59). Sara is inderdaad zijn zuster: een dochter van zijn vader bij een andere moeder.33 - Farao raakt onder de indruk van Abram's statige waardigheid, en vraagt hem om zijn levensverhaal. Onder het wachten op Sara voldoet de Aartsvader aan dit verzoek. Hij vertelt van zijn geboorte in Ur der Chaldeeën, waar hij door zijn vader Therah werd opgevoed in het geloof aan de Vuurgod; over de pogingen van ‘Sem den
outvaâr’ (de zoon van Noach) hem tot het ware geloof te brengen; over zijn twijfelingen; over de verschijning van God, die daaraan een einde maakte en hem met al de zijnen uit Haran naar Kanaän deed trekken (Genesis 12:1-5); over de tweede verschijning van God die hem beloofde ‘ik zal dit lant aan uwen zade geven’ (blz. 69); en over zijn verdere omzwervingen tot de komst in Egypte. - Dan wordt Sara binnengeleid en aan Abram teruggegeven. Deze zegent Farao en profeteert dat een- maal Egypte van de honger gered zal worden door ‘myn' Naneef’ (Jozef),
Begeleid door de mannen van Farao, keert het herenigd paar naar het herderskamp terug,
Boek IV (612 regels; blz. 78-102)
Voorzichtigheidshalve verlaat Abram kort daarop Egypte en slaat zijn tenten weer op in Kanaän, bij Bethel. Uitvoerig beschrijft de dichter het vreedzaam herdersleven dat de Aartsvader leidt, door God gezegend met niet aflatende voorspoed:
Er ontstaat echter twist tussen de herders van Abram en die van zijn neef Loth over de beste weideplaatsen n waterputten (Genesis 13). Voortreffelijk tekent Hoogvliet, hoe die twist uitgroeit tot een handgemeen (blz. 88). Loth kiest partij voor zijn herders, maar Abram brengt hem ‘door zyne redenering tot bedaren, en stelt hem de scheiding voor, met den voorkeur der weiden’ (marginale samenvatting op blz. 91). Loth laat dan zijn oog vallen op de Jordaan-vlakte, die ‘Den lusthof was gelyk, weleer door Godt geplant, // Het zaligh Paradys, besproeit van vier rivieren’34 (blz. 92). Abram aanvaardt dit en trekt zelf naar het Westen, waar hij zich bij Hebron vestigt. Loth's keuze richt zich al spoedig tegen hem. De vorsten van de vijf steden uit de Jordaan-vallei (Sodom, Gomorra, Adama, Zeboïm en Zoar) komen in verzet tegen hun leenheer, koning Kedor Laömer van Elam. Met behulp van zijn bondgenoten weet deze hen echter vernietigend te verslaan, waarna de overwinnaars de steden leegroven en de inwoners in slavernij wegvoeren- Onder hen óók Loth! Een vluchteling komt aan Abram melden:
Onmiddellijk besluit Abram tot een poging zijn neef te bevrijden Hij wapent zijn mannen, achtervolgt en verslaat Kedor Laömer, en keert triomfantelijk terug met
alle gevangenen, alle buitgemaakte kudden en alle geroofde goederen. Hoewel dit alles hem nu rechtens toekomt, behoudt hij daarvan niets voor zichzelf, maar laat de gevangenen vrij en geeft de bezittingen terug. Uitbundig wordt hij als held en bevrijder gevierd. Zelfs Melchizedek, de priesterkoning van Salem (Jeruzalem), komt hem eer bewijzen. - In de Bijbel wordt de krijgstocht van Abram met slechts enkele woorden afgedaan (Genesis 14:14-16), maar Hoogvliet werkt die uit tot een levendig en kleurig verhaal, vol boeiende details (blz. 106-121). Hij hecht aan deze episode zelfs voldoende gewicht om ze te doen voorafgaan door een nieuwe invocatio:
God heeft Abram herhaaldelijk een erfgenaam en een talrijk nageslacht belrofd. Maar de vervulling blijft uit: Sara is onvruchtbaar. In haar frustratie komt zij er tenslotte toe, Abram te vragenvoor haar een zoon te verwekken bij haar slavin, ‘De blanke Hagar, die wy in Egipte kochten’ (blz. 131). De Aartsvader weigert; hij vertrouwt op de belofte die God nog onlangs in een nieuwe verschijning bevestigd heeft (Genesis 15). Maar dan houdt Sara hem voor dat God nièt gezegd heeft ‘dat gy dat beloofde kint, // Het zaat, 't welk naar zyn woort dit Kanaän zal erven, // Zult uit uw Sara, uwe onvruchtbre vrou, verwerven’ (blz. 136). Daarom is wat zij voorstelt, geen ongeloof aan de Goddelijke belofte: ‘Godt werkt door middlen, en die moet de mensch gebruiken’ (blz. 138). Tenslotte geeft Abram toe, en kort daarop is Hagar zwanger. Daardoor voelt zij zich echter verheven boven Sara, wat tot een conflict en uiteindelijk tot de vlucht van Hagar leidt. - In de hemel richt God Zich echter tot de Zoon35 en zet Hem uiteen, waarom die vlucht verhinderd moet worden. Volgens het eeuwig Heilsplan moet de zoon van Hagar evenals straks de zoon van Sara in de tent van Abram geboren worden. Want die twee zijn voor alle eeuwen tot een zinnebeeld bestemd: de eerste van ‘Abrams vleeslyk zaat’ onder het Oude Verbond, de tweede van ‘Abrams geestlyk zaat’ onder het Nieuwe (blz. 144). Daarom krijgt de Engel des Verbonds, die Gods Zoon is, de opdracht:
En zo gebeurt. Hagar keert naar de tent van Abram terug, onderwerpt zich aan Sara, en baart een zoon die naar het woord van de Engel de naam Ismaël krijgt. Sara beschouwt hem als de vervulling van Gods belofte, maar Abram kan daar niet toe komen: ‘Hy vindt den zoon van Godts belofte nogh te wachten’ (blz. 149).
Dertien jaar later, als Abram 99 jaar oud is, stelt God de besnijdenis als ‘plechtigh zegel van 't genadigh heilverbont’ (blz. 152) in. Tegelijkertijd verandert Hij de namen van Abram en Sarai in: Abraham en Sara.36 - Inmiddels is de verdorvenheid van de steden in de Jordaan-vallei ten top gestegen en ‘liep de zonde naakt langs Sodoms breede straten’ (blz. 156). De Hemelraad besluit tot een laatste onderzoek, alvorens tot straffen over te gaan. God zelf daalt daarvoor neer op aarde:
En dan volgen de gebeurtenissen uit Genesis 18 en 19: het bezoek van de ‘drie mannen’ aan Abraham; het ongeloof van Sara, als haar binnen het jaar een zoon wordt beloofd; het moment dat God Zich aan Abraham bekend maakt en hem de bestraffing van Sodom en Gomorra aanzegt; het pleidooi van de Aartsvader, die weet te bereiken dat de steden gespaard zullen worden als daarin tien rechtvaardigen worden aangetroffen; de ontvangst van de twee Engelen door Loth in zijn huis te Sodom; de aanval van de Sodomieten op dat huis om zich van de ‘Twee jongelingen, schoon van aangezicht en leden’ (blz. 164) meester te maken voor hun homosexuele praktijken; de redding van Loth en zijn dochters in Zoar, dat om hunnentwil gespaard zal blijven; het verboden omzien van Loth's vrouw, waardoor zij in een zoutpilaar verandert; de ondergang van Sodom, Gomorra, Zeboim en Adama in een regen van zwavel en vuur, gevolgd door het openscheuren van de aarde en het opwellen van een onderaardse waterkolk. - De Bijbel is uiterst sober over dit strafgericht (Genesis 19:24-25), maar Hoogvliet weet de schaarse gegevens uit te werken tot een indrukwekkende episode (blz. 169-174), die tot de best geslaagde gedeelten van zijn werk behoort. - Als Abraham in de vroege morgen terugkeert naar de plaats waar hij voor Sodom met God gepleit had, dan ziet hij
God had er géén tien rechtvaardigen gevonden.
Na de verwoesting van de Jordaan-vallei trekt Abraham naar het Zuiden en slaat zijn tenten in de vlakte van Gerar op. En dan herhaalt zich het Egyptische avontuur. Opnieuw laat de Aartsvader Sara voor zijn zuster doorgaan, opnieuw wekt haar schoonheid de begeerte van de koning en laat deze haar schaken, opnieuw wordt zij door Gods ingrijpen gered. Wij kunnen slechts bewondering hebben voor de wijze, waarop Hoogvliet erin geslaagd is daarvan, op grond van de weinige Bijbelse gegevens (Genesis 20), een heel ander verhaal te maken dan in zijn eerste drie boeken. Ditmaal komt de Hemelraad niet bijeen, maar grijpt ‘Godts Voorzienigheit’ rechtstreeks in. Koning Abimelech en alle mannen van zijn hofhouding worden geslagen met impotentie, de vrouwen met onmacht om te baren en te zogen. Na acht dagen openbaart God in een droom aan de koning wat de oorzaak is van de plaag, en deze haast zich Sara aan Abraham terug te geven. - En nu wordt eindelijk de belofte
vervuld: ondanks haar 90 jaren baart Sara een zoon, die Isaäk wordt genoemd. Het herderskamp is uitgelaten van vreugde, en ter illustratie daarvan legt Hoogvliet aan de herder Elihu een ‘Herdersgezang op de geboorte’ (marginale aanduiding op blz. 193) in de mond, geheel in de trant van de eigentijdse pastorale poëzie bij dergelijke gelegenheden. - Op het speenmaal37 van Isaäk herhaalt zich echter opnieuw een stuk verleden- Zoals Hagar in eerbied was tekort geschoten tegenover Sara, zo doet nu Ismaël het tegenover Isaäk: hij bespot hem. Sara vat dit zó hoog op, dat zij van Abraham eist: ‘Dryf deze dienstmaagt uit met haren dartlen zoon’ (blz. 198). En God vraagt hetzelfde van hem; ditmaal komt Hagar's heengaan met Zijn plan overeen. ‘Nu moet de liefde van myn' grooten Vader zwichten // Voor zyn gehoorzaamheit aan Godt, en godtsdienstplichten’ (blz. 199). - Tenslotte volgt dan nog de episode van het verbond tussen Abimelech en Abraham, die er wat los bijhangt, maar niet achterwege mocht blijven omdat Genesis 21 (vs. 22-32) er omstandig over vertelt.
Dit boek is een eigen vinding van Hoogvliet en berust niet rechtstreeks op Bijbelse feiten. Uitgaande van de mededeling in Genesis 21:33-34, dat Abraham langdurig in Berseba bleef wonen, vertelt de dichter uitvoerig over de godsdienstige opvoeding die de Aartsvader daar aan Isaäk geeft. Alles wat hij over ‘de geschiedenissen der eerste Waerelt’ (marginale samenvatting op blz. 205) van oud-vader Sem heeft gehoord, en alles wat hij zelf in zijn omgang met God ondervonden en geleerd heeft, geeft Abraham aan zijn zoon door.38 Daarbij vat Hoogvliet de feiten in oratio obliqua samen, maar de bezinnende beschouwingen legt hij rechtstreeks in Abraham's mond. Een belangrijke plaats neemt onder die laatste de catechese over God en Zijn eigenschappen in. De diepe geloofsovertuiging van de dichter klinkt in dit alles zó duidelijk door, dat over het algemeen de bezieling behouden en het betoog poëzie blijft.
- In de hemel verschijnt God in Zijn Vrederaat en doet mededeling van Zijn besluit, Abraham en Isaäk te maken tot een eeuwig symbool van de Heilsgeschiedenis:
Boek X (556 regels; blz. 224-246)
Hier bereikt Hoogvliet het hoogtepunt van zijn epos: de geschiedenis van Abraham's offer op de Moria (Genesis 22). Het verloop daarvan is te bekend dan dat ik het behoef te herhalen. Ik volsta met te vermelden, dat de dichter erin slaagt, de zakelijke gegevens van de Bijbeltekst uit te werken tot een grootse episode, vol spanning en pathetiek. De wijze, waarop hij uitdrukking weet te geven aan de simultaneïteit van Abraham's wanhoop, geloof en gehoorzaamheid, is veelszins meesterlijk. Hetzelfde geldt voor de even liefdevolle als voorzichtige manier, waarop de Aartsvader gedurende de driedaagse tocht naar de Moria zijn zoon voorbereidt op de offerdood. De vrome gelatenheid, waarmee Isaäk zijn lot aanvaardt, volgt uit de godsdienstlessen in het vorige boek, die daardoor een onverwachte functionaliteit krijgen. - Als Abraham op de berg het offer-altaar bouwt, dalen God en de Hemelingen tot achter de wolken neer om van nabij getuige te zijn van deze opperste geloofsdaad:39
Het is ‘de groote Goël’ zelf - God de Zoon - die op het laatste ogenblik het offer verhindert.40 En dan wordt aan Abraham in een visioen de toekomst van zijn geslacht getoond tot aan de offerdood van Christus - ‘het Tegenbeelt zyns Izaks’ (blz. 243) -, Diens opstanding en hemelvaart. - Het boek sluit met een weidse allegorie van de (zedelijke) triumftocht op de zegekoets van het Heilgeloof, bij de terugkeer van Abraham en Isaäk naar Berseba.
Sara sterft en wordt begraven in de spelonk van Machpela. - Abraham zendt zijn huisbezorger Eliëser naar Haran in Mesopotamië, om daar onder zijn achtergebleven verwanten een vrouw voor Isaäk te zoeken; hij wenst voor zijn zoon geen dochter uit ‘'t Afgodisch nageslacht van den vervloekten Cham: // (Men wacht den Heilvorst uit geen' goddeloozen stam.)‘ (blz. 257). - Zelf besluit hij tot een nieuw huwelijk met Ketura. Wanneer Eliëser met Rebekka uit Haran terugkeert, wordt dan ook een dubbele bruiloft gevierd:
Boek XII (narratio) (464 regels; blz. 268-286)
Terwijl Ketura zes zonen aan Abraham schenkt, blijft Rebekka onvruchtbaar. Eerst na 20 jaar geeft zij geboorte aan een tweeling: Esau en Jakob. Abraham ziet hen nog opgroeien, en herkent met profetische blik in Jakob de kleinzoon ‘die na dezen // Zal d'Erfgenaam van Godts verbontbeloften wezen‘ (blz. 273). - Maar hij weet nu ook zijn levenseinde nabij. Hij treft zijn laatste maatregelen en wacht op de dood. Zijn vrome sterven wordt door Hoogvliet omstandig beschreven als een voorbeeld van euthanasia.41
Naar het voorbeeld van de Aeneis had er op de dood van Abraham niets meer behoren te volgen. Maar Hoogvliet richt zich hier naar dat van zijn geliefde dichter Ovidius en sluit zijn werk af met een Christelijke variant op diens ‘Iamque opus exegi’ aan het slot van de Metamnorphoses:
Daarop laat hij een ‘Vergelyk van dit werk met oude dichtstukken’ (marginale samenvatting op blz. 287) volgen. Homerus zong van strijdbare helden, Vergilius van ‘Eneäs, den Trojaan’ die zijn vader uit het brandende Ilium redde:
De ‘Helt van Sulmo’ (Ovidius) zong ‘van zyn goden en hun vormveranderingen: // Al schrandre fablen en geleerde beuzelingen:’
Hoogvliet is er zich diep van bewust, dat - om met Vondel te spreken - ‘de Zonne des heyligen Geestes alle Heydensche sterren met haren glans uyt doet’.43 En hij weet óók, dat hij zijn werk niet in eigen kracht had kunnen volbrengen. Daarom richt hij zich tot God:
Het ‘Besluit’ van Hoogvliet vertoont een sterke verwantschap met dat van Dirk Smout in zijn Evangeliën-harmonie.44 Maar ik geloof niet aan beïnvloeding. De Vlaardinger dichter kende Ovidius te goed om een ander uitgangspunt nodig te hebben.
In zijn Voorberecht zet Hoogvliet uiteen, hoe hij zijn taak als Bijbel-epicus heeft opgevat, en noemt hij tevens enkele van zijn bronnen. De annotatie bij het eigenlijke werk vult deze opgave aan en kan dus beschouwd worden als een voortzetting daarvan. In overeenstemming hiermee bespreek ik beide in samenhang met elkaar.
De dichter begint met zijn held voor te stellen als de grootste van alle groten, die hij zou kunnen bezingen. Want Abraham is ‘voorzeker de gezegentste en roemruchtighste Personaadje (men zonder met allen eerbiedt uit den Heilant der waerelt, den Heere Jesus Kristus) die de eeuwen immer zagen’. Zijn grootheid blijkt uit het feit dat niet alleen de Bijbelse auteurs hem vermelden, maar ook profane geschiedschrijvers van hem gewagen, zij het ‘hier en daar met fabelachtige vertellingen en omstandigheden bezwalkt’.
Hoezeer echter de geschiedenis van Abraham ‘met een wolk van heilige en onheilige getuigen omringt is’, er blijft toch nog veel onzeker of onduidelijk:
waarom wy, in 't behandelen dezer stoffe, met de Godtgeleerden, niet zelden met de waarschynlykheit hebben moeten raatplegen, en voorzichtiglyk gissen: twee vryheden, die de geleerde Uitleggers der heilige bladen zich toe-eigenende, niemant met recht den Dichter kan weigeren; want dien staat het, naar den aart en eigenschap zyner kunste, met den Teekenaar en Schilder, vry, zyn tafereel, naar de vinding van zyn' geest, met lyst- en loof- en bywerk op te schikken; door aangename vergezichten en verschieten ruimte in zyn stuk te
schilderen, en zelfs, als hy in heilige stoffe de Waarheit in het licht en op den voorgront houdt, dagh en schadu zoodanigh te leggen als de ordening van zyn konststuk vereischt.Wij herkennen in deze uiteenzetting dadelijk Vondel's principe van het recht op dichterlijke vrijheid, óók ten aanzien van Bijbelstof. En de uitvoerige vergelijking tussen dichter en schilder rechtvaardigt het vermoeden, dat Hoogvliet's betoog goeddeels berust op Vondel's ‘Aan den Lezer’ aan het slot van Joannes de Boelgezant, waar dezelfde parallel wordt getrokken.45 Nieuw is echter het beroep op het voorbeeld van de Godgeleerden, dat Hoogvliet daaraan vooraf doet gaan en dat in zijn argumentatie een sterk punt vormt: de dichter is met zijn ‘voorzichtiglyk gissen’ in het meest onverdachte gezelschap! Hoogvliet's verwijzingen naar zijn bronnen zijn zeker niet in de laatste plaats bedoeld om daaraan telkens weer te herinneren.
Uit de slot-alinea van het Voorberecht blijkt, dat Hoogvliet er zich van bewust was, niet volgens de contemporaine kunstopvattingen te werk te zijn gegaan. Hij hoopt, dat zijn ‘oordeel- en dichtkundigen Lezer’ zich zal weten vrij te houden van
dat knibbelzuchtigh vooroordeel, waardoor men alles, wat nieu is, fluks verwerpe, zoodra men 't niet evenredigh overeenkomstigh bevindt met deze of gene willekeurige wet, door uitheemschen46 opgeworpen, en onze vrye kunst als een lastigh juk op den halze gelegt. ik heb de waarheit niet naar vreemde wetten willen buigen, of naar myn hant stellen gelyk de Schilder zyn Leêman47; maar dezelve in zyn natuurlyken stant bewaart, en myne Geschiedenis, waarin we byna ten midden invallen, haren eigen loop gelaten.Als ik deze passage goed begrijp, doelt de dichter op de regels van het Frans-klassicisme, die weliswaar in de eerste plaats op de tragedie waren gericht, maar ook in meer algemene zin als normatief golden. Wat hij zeggen wil, is dat hij niet, overeenkomstig die regels, de historiciteit ondergeschikt heeft gemaakt aan de waarschijnlijkheid door het aanbrengen van veranderingen in de behandelde stof.48 Hij heeft de waarheid géén geweld aangedaan en de geschiedenis van Abraham ‘haren eigen loop gelaten’. Met andere woorden: de dichterlijke vrijheden, die hij zich veroorloofd heeft, tasten de Bijbel-getrouwheid van zijn werk niet aan.
Ter illustratie van die vrijheden geeft de dichter twee sprekende voorbeelden, waarbij hij tevens zijn ‘bronnen’ aanduidt.
A. Zijn eerste voorbeeld betreft de schaking van Sara door Farao in Boek I-III. Uit het Bijbelverhaal blijkt dat Farao niet onmiddellijk gemeenschap met Sara zocht, maar ‘dat'er een tusschentyt en uitstel van 't huwelyk, en de reden waarom dien gedwongen echt niet werd voltrokken, ongemelt blyft’. Tal van Bijbel-onderzoekers hebben naar de verklaring voor dit uitstel gezocht:
Hoogvliet erkent dus op dit punt van Goeree te zijn afgeweken en een - bijzonder gelukkige! - eigen vinding als verklaring te hebben ingelast. Indirect geeft hij daarmee tevens te kennen, van Goeree's werk gebruik te hebben gemaakt.49 Bij nader onderzoek blijkt, dat dit na de Bijbel zelfs zijn voornáámste bron is geweest en dat de Abraham er diepgaand door werd beïnvloed.
Wij zijn de fenomenale polyhistor Willem Goeree (1635-1711) terloops al tegengekomen als een van de auteurs, naar wie Arnold Houbraken in zijn annotatie bij De Kruisheld van Jan van Hoogstraten verwijst.50 Hier gaat het om zijn Mozaize Historie der Hebreeuwse Kerke,51 die in vier folianten zogenaamd anoniem (‘Door een Liefhebber der Joodse Oudheeden’) verscheen; de anonimiteit wordt echter doorbroken door de mededeling onder het vignet: ‘Gedrukt voor den Autheur, en worden te Koop gevonden // Tot Amsterdam // By desselfs Zonen, Willem en David Goeree, op de // Louwrier-Gragt, tussen de Konijne en Haase-Straat, in 't Jaar 1700’. De ‘doorgeleerde’ schrijver heeft daarin alles bijeengebracht wat er naar aanleiding van de Mozaïsche boeken was of kon worden opgemerkt, en daaraan zijn kritische beschouwingen vastgeknoopt.
Voortdurend is merkbaar, dat Hoogvliet dit standaardwerk heeft geraadpleegd. Ik geef een drietal voorbeelden.
| 1. | Hoewel dit door sommigen ontkend wordt, meent Goeree met vele anderen ‘Dat Abraham tot aan zijn Mannelijke Ouderdom, met den valszen Godsdienst is behebd geweest’ (1,33). - In zijn derde Boek laat Hoogvliet dit door de Aartsvader als een feit aan Farao vertellen.52 |
| 2. | In mijn inhouds-overzicht van het vijfde Boek heb ik gezegd, dat Hoogvliet de krijgstocht van Abraham tegen Kedor Laömer tot een levendig en kleurig verhaal uitwerkt.53 Het uitgangspunt voor deze uitbreiding werd hem echter aan de hand gedaan door Goeree, die over de nederlaag van de Elamitische koning opmerkt: ‘Waar uyt het ons dan niet swaar kan vallen, bedenklijk te houden; Dat mogelijk deze Vyanden, in den Nagt vermoeyd van hun dagelijkze arbeyd, en aantogt, by menigte zig zullen te slaape geleyd hebben; andere in den Wyn verzopen, en met zorgeloosheyd bedwelmd; gants ongereed, en alzoo veel te swak, om d'aanvallende Troepen aan alle zyden wederstand te bieden...’ (I, 107). Vooral de suggestie van dronkenschap is door Hoogvliet dankbaar aangegrepen en benut. |
| 3. | In Hoogvliet's beroemde beschrijving van de ondergang van Sodom en Gomorra (boek VII) zijn duidelijk details verwerkt, die ontleend zijn aan de indrukwekkende uitslaande plaat van deze ondergang in Goeree's boek, alsmede aan diens toelichting daarbij. Zo valt op, dat er in Genesis 19:24-25 niet over vernietigend water gesproken wordt. Bij Goeree gebeurt dit echter wèl: hij vermeldt het tomeloze |
| geweld van het water ‘tot dat de gantze Opstal deezer Vlakte [...] in den Afgrond Verzonk, en met dat Vloek-Water overstulpt wierd; gelijkze noch is tot op huyden deezen Dag’ (I, 302). Ook bij Hoogvliet heeft het water zijn aandeel in de algehele vernietiging.54 |
Niet altijd volgt de dichter zo gedwee zijn bron. Wanneer b.v. Goeree instemt met Calvijn die Abraham's verzwijgen van zijn huwelijk met Sara veroordeelt als gebrek aan geloof in God (I, 72), neemt Hoogvliet dat niet over. Het zou afbreuk hebben gedaan aan de grootheid van zijn held, en bovendien is deze veroordeling niet Bijbels gefundeerd.55 Een tweede voorbeeld van afwijking is de reeds besproken inlassing van het Isis-feest als reden voor het uitstel van Farao's huwelijk met Sara.
Bij dat laatste dient echter te worden opgemerkt, dat de beschrijving van dit feest desondanks toch weer op gegevens van Goeree berust. In zijn tweede deel, dat handelt over het verblijf en de onderdrukking van de Israëlieten in Egypte, behandelt deze uitvoerig verschillende aspecten van ‘Egyptize Zaaken tot die der H. Historie betragt’ (II, 414-804). Onder die ‘Zaaken’ neemt de godsdienst een belangrijke plaats in, en daarbij komt uiteraard ook de geschiedenis van Isis en Osiris ter sprake. Het Isis-feest wordt omstandig beschreven, met o.m. een citaat van bijna dertig regels over de Apis-dienst ‘gelijk de Tooneel-Spél-Digter deeze Staat [= stoet, processie] niet onzinrijk heeft afgeschilderd’ (II, 572). Dat citaat blijkt ontleend te zijn aan het tweede bedrijf van Vondel's Joseph in Egypten, waar Potiphar door een levendige beschrijving Jozefs belangstelling voor het Apis-feest tracht te wekken.56 - Bij Hoogvliet (blz. 39-42 en 43-44 in Boek II) vinden wij talloze details uit Goeree en zelfs een enkele reminiscens aan Vondel57 terug.
Tenslotte vermeld ik nog, dat de opsomming van ‘onheilige getuigen’ over Abraham aan het begin van het Voorberecht eveneens goeddeels aan Goeree (I, 438) is ontleend, al doet Hoogvliet een keuze uit de genoemde namen en voegt hij er van elders enkele andere aan toe.
B. Een andere autoriteit noemt de dichter in verband met zijn verbeelding van de Hemelraad in Boek II. Hij beschrijft daar die Raad als een vergadering van Gods Eigenschappen. In zijn Voorberecht zegt hij, niet te verwachten dat deze verbeelding zijn lezers
tot een kwaat denkbeelt zal trekken, gelyk zeker Godtgeleerde my zeide te vreezen; alsof de persoonlyke verbeeldinge [= personificatie] van ydere Eigenschap van het allervolmaakste Opperwezen een deelbaar denkbeelt, tegen deszelfs zuivere Eenvouwigheit58, den Lezer inboezemen zoude: hier voor meene ik alle mogelyke zorge gedragen te hebben: voor 't onverstant kan men zich niet wapenen..
Hoogvliet meent slechts gedaan te hebben wat de Bijbel ook doet. Herhaaldelijk worden daar, ter tegemoetkoming aan ons menselijk onbegrip, bepaalde aspecten van Gods ondeelbaar Wezen ‘als onder de zinnebeelden van menschelyke leden, ja hertstoghten voorgestelt’ - met name in de poëtische boeken, ‘alsof de H: Geest zelf hiertoe meer vryheit aan de Dichtkunst vergunde’. Ook Johannes Vollenhove (1631-1708) maakte in een der strofen van zijn Kruistriomf van die vrijheid gebruik,59 waarbij hij ‘de gedachten van den schrandren Kaspar van Baarle, in zyne redenvoeringe over de kribbe van Christus, op het spoor volgt’. Uit dit laatste valt af te leiden dat niet Vollenhove, maar Barlaeus de eigenlijke autoriteit is, op wie Hoogvliet zich beroept.
Het gaat hier om de Homilia in Praesepe sive Nativitatem Domini & Servatoris nostri Iesv Christi, die Barlaeus op 27 december 1636 in het Amsterdamse Athenaeum Illustre had uitgesproken en die in 1637 te Amsterdam bij Johannes Blaeu het licht zag. Op blz. 19 daarvan wordt de controversia tussen Gerechtigheid en Genade geschetst, in verband met de zondeval van de mens. Barlaeus voert beide sprekende in, met - soms licht geadapteerde - Bijbelteksten- Tenslotte treedt (Gods) Wijsheid bemiddelend op, ‘& ita de rerum summa statuit: ut & justitiae divinae satisfieret, nec minus se explicaret misericordia’ (en besliste zodanig over het geschilpunt, dat aan de Goddelijke gerechtigheid werd voldaan en de deernis evenzeer tot uitdrukking kwam), uiteraard in het plaatsvervangend lijden van Christus. Terecht kon Hoogvliet daarin een rechtvaardiging voor zijn voorstelling van de Hemelraad zien.60
Niet alle achtergrondsliteratuur, waarnaar Hoogvliet in zijn noten verwijst, heeft hij zelf onder ogen gehad. Meermalen vermeldt hij namen en titels uit de tweede hand, al is het niet altijd mogelijk met zekerheid uit te maken, waar dit het geval is. Enig houvast bieden de incidentele verwijzingen naar de betrokken bladzijden in een bepaalde bron; als de dichter zo expliciet is, mogen wij aannemen dat hij die inderdaad geraadpleegd heeft. Ook de formulering van zijn noten geeft soms een indicatie. Op deze en dergelijke gronden kom ik - met de nodige slagen om de arm - tot de volgende lijst van rechtstreekse bronnen (in de volgorde van de noten, waarin zij worden genoemd):
| a | Flavius Josephus, Van de Oudheyd der Joden tegen Apion (opgenomen in alle uitgaven van Josephus' werk) |
In het eerste Boek noemt Josephus ‘de eerste koningen van Egipte’. Hoogvliet ontleent daaraan de namen voor de Farao die Sara schaakte, diens voorgangers en diens zoon.61
| b | Amold Moonen, Abrahams roeping uit Ur der Chaldeen [...] (in Predikaatsien) ('s-Gravenhage 1715) |
| c | Flavius Josephus, Joodsche Oudheden, of Historie der Joden (Antiquitates Judaicae) |
| d | Adriaan Reland, Palestina opgeheldert, of de geleegentheid van het Joodse Land uit de Gedenkstukken der Ouden getrokken, en op vaster gronden als voorheen bewezen en aangetoond62 (Utrecht 1719) |
Dit standaardwerk, dat zich tot de archaeologische opgravingen aan het begin van de 20ste eeuw heeft gehandhaafd, is de bron geweest voor Hoogvliet's aardrijkskundige kennis van Kanaän.
| e | Jacobus Perizonius, Aegyptiacarum originum & temporum investigatio (de eerste druk is mij niet bekend; ik gebruikte een editie uit 1736) |
| f | Geerlof Suikers, Algemene Kerkelyke en Wereldlyke Geschiedenissen des bekenden Aardkloots,63 deel I (Amsterdam 1721) |
| g | Jacques Basnage de Beauval,64 Antiquités judaïques (Amsterdam 1713) |
De drie laatstgenoemde werken worden door Hoogvliet (noot op blz. 264-265) genoemd in verband met de opvatting, dat men de goden der Egyptenaren ‘van de Vaderen die voor den zontvloet leefden moet afleiden’. De dichter laat dan ook in zijn elfde Boek Abraham betogen, dat Isis en Osiris teruggaan op Eva en Adam (blz. 264). In zijn noot beroept hij zich daarvoor op een mededeling van Suikers: ‘Maar Meursius brengt, volgens de aantekening van den heere G. Suikers, de geschiedenis van Isis en Osiris op die van Adam, en Eva; waar mede overeenstemt de zeergeleerde Basnage in zyne Antiquitez Iudaïques II' tome Pag: 488’. Hoogvliet begaat hier een verwarrende onnauwkeurigheid. De Nederlandse historicus en Graecus Joannes Meursius (1579-1639) heeft nooit iets over de oud-Egyptische godsdienst gepubliceerd. Niet hij wordt dan ook door Suikers (deel I, blz. 9, noot m) als verdediger van de bewuste opvatting genoemd, maar Wormius: d.i. de Deense bisschop Christiaan Worm (1672-1737), met verwijzing naar diens De corruptis antiquitatum ebraearum apud Tacitum & Martialem vestigiis libri II (Kopenhagen 1693).
De beredeneerde waarderingsgeschiedenis van Hoogvliet's Abraham zou een boeiende studie opleveren.65 Wij zouden er daarin getuige van zijn, hoe aan het einde van de 18de en het begin van de 19de eeuw de oorspronkelijke bewondering plaats maakt voor een toenemende kritiek, die tenslotte uitmondt in de geringschatting en onverschilligheid van vandaag. Het volgen van deze ontwikkeling valt buiten het bestek van mijn studie. Ik kan er echter niet aan ontkomen, de voornaamste punten aan te geven die bij de discussie in het geding zijn, omdat ik bij mijn evaluatie van Hoogvliet's epos daarmee rekening zal dienen te houden. Ik laat hier dus een korte weergave volgen van vier beschouwingen over Abraham de Aartsvader, die ik in dit verband zowel belangrijk als karakteristiek acht. In chronologische volgorde zijn het die van Jan Macquet, Jan de Kruyff, Bernard ter Haar en Jan Koopmans.
De verhandeling van Macquet Over den Abraham den Aartsvader van Arnold Hoogvliet66 is reeds aan de orde geweest in het eerste deel van deze studie. Daar was het mij echter te doen om de theoretische opvattingen over het epos, die Macquet ten beste geeft, en liet ik zijn kritische opmerkingen over de Abraham zoveel mogelijk buiten beschouwing.67 Hier doe ik het omgekeerde, al valt een enkele herhaling niet altijd te vermijden.
Macquet begint met de vraag, of Abraham de Aartsvader ‘een Waer Heldendicht’ (blz. 147) mag worden genoemd. Om daarop het antwoord te vinden, toetst hij allereerst Hoogvliet's werk aan zijn definitie van het epos, en met name aan wat hij als de meest beslissende factor beschouwt: eenheid van handeling. Daarbij komt hij tot een positieve conclusie:
Abrahams geloof, en zijne togten op dat Geloof maken de eene daed uit van den Aertsvader. Het Geloof van Abraham is het zelfde bij Hoogvliet als de Gramschap van Achilles bij Homerus. (blz. 150)Verder stelt hij vast, dat Abraham als ‘schoon karakter’ de helden van Homerus, Vergilius en Milton overtreft: ‘Geene andere Helden zijn zoo volmaekt, zoo geschikt voor een Heldendicht’ (blz. 157).
Bij het bespreken van de afzonderlijke boeken gebruikt Macquet de tekst als leidraad voor het maken van talloze op- en aanmerkingen bij alles wat hem opvalt, belangrijk en bijkomstig door elkaar. Ik kies enkele van de meest typerende daaruit, ter illustratie van zijn opvattingen en betoogtrant.
Met de Hemelraad (boek II) weet hij niet goed raad. Als literator bewondert hij de originaliteit en de poëtische kracht van Hoogvliet's verbeelding, maar als Christen wijst hij ze af. Zo komt hij tot de ambivalente uitspraak:
Ik zoude de vinding van Hoogvliet, die hier het gemeene pad heeft durven verlaten, en zelf iet scheppen, ten hoogsten prijzen, als zeer dichtkundig, indien zij niet streedt tegen het ware van onzen Godsdienst en al te stout is. De
Hemelsche Raed van onzen Dichter geeft een al te lichaemlijk denkbeeld van de Godheid en verdeelt het eeuwig Wezen.. (blz. 226)Als de dichter zijn Raad had laten bestaan uit de Vader, de Zoon en de Heilige Geest ‘en ieder behoorlijk sprekende ingevoerd, zoude het beter met onzen Godsdienst gestrookt hebben’ (blz. 229).
Vol lof is Macquet voor de beschrijving van het Isis-feest in Boek II. Daarentegen acht hij die van de instelling der besnijdenis aan het begin van Boek VII ‘ten eenemael zwak’, mede vanwege de stof:
Deze stof is uit haer zelve laf, laeg en walglijk, en, hoe zeer door het bevel der Godheid verhoogd, geen werk voor de Dichtkunde. Hoogvliet heeft haer alleen ter loops behandeld. Ik gelove, dat hij het fraeier hadt moeten doen, of haer geheel weglaten. Een Dichter behoeft alle historiesche waerheid zoo zorgvuldig niet te behandelen. (blz. 294)
Iets dergelijks geldt voor de tweede schaking van Sara in Boek VIII, die vèer onderdoet voor Hoogvliet's weergave van de eerste: ‘En dit is geen wonder, daer de Dichter aen deze zijne kragten heeft uitgeput’ (blz. 311).
Zoude Hoogvliet deze tweede schaking van Sara niet zonder hinder hebben kunnen overslaen? Hij moest het liever gedaen hebben, dan zoo onvolmaekt.
(blz. 314)
Ook over het onderricht van Abraham aan Isaäk (Boek IX) is Macquet weinig te spreken:
Hoogvliet behandelt alles ter loops. Het zoude veel fraeier geweest zijn, als Abraham zelf het woord hadt gevoerd en zijn zoon in alles onderrigt. Dan hadt dat hoe en zeide zoo dikwerf niet behoeven te komen, het geen nu verveelt en eene lastige langdradigheid maekt, omdat de Dichter zelf spreekt, en ons verhaelt, wat Abraham zeide. (blz. 314-315)
Veel groter is de waardering voor Boek X (het offer op de Moria). Macquet heeft wel enkele bedenkingen: de klacht van Abraham is wat te lang, de reactie van Isaäk op de aankondiging van zijn offerdood te bedaard, het visioen van Abraham op de toekomst van zijn geslacht te zwak van verbeelding. Maar:
Met dit alles is dit Tiende Boek een der schoonste van den Aertsvader, en
wegens het teêr en aendoenlijk pathetiek zoo treffend, dat ik niet weet te zeggen
of het door andere Dichters is geëvenaerd. (blz. 328)
Het elfde Boek stelt enigszins teleur, maar het twaalfde (over het sterven van Abraham) brengt opnieuw een hoogtepunt:
Dit twaelfde boek is vol van een teêr schoon, dat een godvruchtig hart bijzonder treft door het verwonderlijk geloof van den Aertsvader, dat op het heerlijkst uitmunt en bekroond wordt. Geene andere Dichters eindigen zoo treffend. (blz. 338)
Samenvattend stelt Macquet vast, dat de Abraham formeel ‘een volmaekt Heldendicht’ (blz. 339) is, maar dat de uitwerking op verschillende punten teleurstelt. Behalve de bezwaren, die hierboven tot uitdrukking gekomen zijn, noemt hij nog: een teveel aan navolgingen ‘uit de oude Dichteren, vooral uit Virgilius’; een te vaak ontbreken van ‘dien kragtigen, majestueuzen stijl van het Heldendicht’; het voor-
komen van ‘vele zwakke verzen’ (blz. 340). Er valt echter niet te ontkennen ‘dat de schoonheden de gebreken opwegen’ en dat het werk van Hoogvliet zich kan handhaven naast ‘diergelijke werken onzer Nagebueren’ (blz. 341). Macquet adstrueert dit door, ter vergelijking, een korte bespreking van Paradise lost en de Henriade te doen volgen. Daarna formuleert hij zijn afsluitende conclusie als volgt:
Hoogvliet is zoo groot een scheppend vernuft niet als Milton, noch zulk een goed verzemaker als Voltaire; hij heeft groote gebreken, en zoo wel als de Engelsche en Fransche Dichters uit Homeruns en Virgilius veel nagevolgd en overgenomen. Maer hij munt uit in het Pathetiek en heeft vele ware schoonheden, die hem toebehooren. Zij treffen ons hart en verlichten ons verstand op eene nuttige en behaeglijke wijs. Wij vinden in den Aertsvader, zoo als Hoogvliet hem voordraegt, een schoon model van navolging, en wij durven zeggen dat de Regels van het Heldendicht, door de beste meesters opgesteld, beter zijn waergenomen dan in de stukken van Milton en Voltaire, waerom wij, zoo het ons voorkomt, mogen besluiten, dat ons Nederland ook iets heeft gedaen in de Heldenpoëzij, en daerin met onze Nagebueren omtrent gelijk staet. (blz. 379)
Macquet's wijze van verhandelen is typisch die van zijn tijd: hij gaat uitvoerig op onderdelen en details van de Abraham in, maar schenkt - afgezien van zijn opmerkingen over ‘de eene daed’ en het karakter van de held - geen aandacht aan de structuur van het werk.68 Zijn kritische aantekeningen zijn in het algemeen echter verrassend raak.
De bespreking van Abraham de Aartsvader, die Jan de Kruyff in zijn biographie van Hoogvliet opneemt,69 leidt tot een geheel andere conclusie. De Kruyff, sterk steunend op de kort tevoren verschenen Verhandeling over het Heldendicht van Rhijnvis Feith,70 bestrijdt de mening van Macquet omtrent eenheid van handeling in Hoogvliet's werk:
elk bedrijf [= handeling] staat genoegzaam op zich zelf, wij weeten niet, werwaards wij onzen Held nog zullen te volgen hebben, of waar het einde zal wezen zijner lotgevallen. [...] of kunnen wij een daad afgewerkt noemen, welke zich tot geen bepaald einde uitstrekt? [...] ten zij men het sterven zelf tot het hoofdonderwerp verkoozen hebbe.. (blz. 61-62)Ten gevolge van het ontbreken van eenheid in de handeling bevat de Abraham ook geen intrigue, zoals die in een heldendicht ‘volstrekt onontbeerlijk’ (blz. 68) is. Op grond van deze bevindingen meent De Kruyff dan ook ‘te moeten overhellen naar het gevoelen van hun, welke het Dichtstuk van Hoogvliet, bij mangel van de onderscheidende vereischten, voor geen heldendicht erkennen willen’ (blz. 68).
Daar staat evenwel tegenover, dat er héél veel moois in te vinden is, met name aan ‘echte poëtische schildering’ (blz. 75). Daarin ligt volgens deze criticus de kracht van Hoogvliet en het geheim van diens succes:
Of zoude het iets anders, iets minder dan zo veel vereenigd schoon, kunnen
wezen, 't welk een zo uitgebreid dichtstuk zonder éénheid, zonder knoop, evenwel zo behaagelijk, zo treffend, zo algemeen beroemd heeft gemaakt? (blz. 77)
Ook deze medaille heeft echter haar keerzijde. Er valt niet te ontkennen ‘dat Hoogvliet zijner verbeeldingskracht in dezen wel eens wat al te ruim bot heeft gevierd, en hier door het pad des gezonden oordeels is misgeloopen’, met name in zijn beschrijving van de Hemelraad ‘die, wel is waar, bij den eersten opslag de verbeelding betovert, doch bij nader onderzoek den toets der reden niet kan doorstaan’ (blz. 78).
De Kruyff heeft vooral bezwaar tegen wat hij de ‘tastbaare tegenstrijdigheid’ in Hoogvliet's voorstelling noemt: het tegelijkertijd optreden van God in Zijn Eigenschappen en als Enkelvoudig Wezen:
deeze tastbaare tegenstrijdigheid evenwel moet doorgezwolgen worden, om te kunnen begrijpen, hoe Hoogvliet, na eerst alle de Goddelijke eigenschappen, elk naar rang, haare plaats aan de Raadstafel te hebben toegeschikt, vervolgens het Opperwezen (met of zonder die eigenschappen?) aan derzelver hoofd plaatsen, en de verschillende stemmen, door ieder op haare beurt uitgebragt, kunne laaten beöordeelen en vereffenen. (blz. 79)
Zijn eind-oordeel vat De Kruyff samen in de conclusie,
dat de Abraham van Hoogvliet, schoon gebrekkig ten aanzien der regelen van het Heldendicht, en, in zijn geheel, voor beteren aanleg [= opzet, ontwerp] vatbaar, schoon tevens meer of min ontsierd door eenige weinige feilen van eenen anderen aart, bijzonderlijk zulke, welke uit eene al te levendige of niet genoeg beteugelde verbeelding heuren oorsprong hebben, echter met dit alles een zeer verdienstelijk werk is, rijk in veelerleije kunstsieraaden, en vooral uitmuntende door eene keurige verscheidenheid van meesterlijke dichttafreelen, in welke de waare poëtische schildering met alle haare schoonheden te vinden is. (blz. 82)
De oorzaak van de tekortkomingen, die hij moest aanwijzen, ziet De Kruyff in de te smalle Humanistische basis waarop Hoogvliet als autodidact was blijven staan. Uit de Abraham blijkt, dat de dichter
bij den aanvang dezes Dichtstuks, de regelen van het Heldendicht niet behoorlijk gekend, noch de werken van hun, wier voorbeeld hij zich ter navolging gesteld hadt, met den vereischten aandagt of op de rechte wijze beoeffend heeft. (blz. 91)Daaraan schrijft hij het ook toe, dat het epos over het leven van Jezus71 mislukt is.
In de Letterkundige geschiedenis van ‘den Abraham, den Aartsvader’, die Bernard ter Haar aan zijn bewerking van Hoogvliet's epos vooraf doet gaan,72 is het de auteur - zoals ook uit zijn titel blijkt - niet te doen om het uitspreken van zijn oordeel, maar om het geven van de ontstaans- en waarderingsgeschiedenis. Dat doet hij dan ook uitvoerig. Ten aanzien van de strijd over de vraag of de Abraham een heldendicht kan worden genoemd, geeft hij lange citaten uit de besprekingen van Macquet en
De Kruyff. Maar: ‘Wij kunnen dezen strijd thans als geheel verouderd beschouwen’ (blz. XXVI): niemand verdedigt nog de opvatting van Macquet. Bovendien is in de 19de eeuw de kritiek op Hoogvliet scherper geworden:
Hoe verder wij ons van des Dichters leeftijd verwijderen, hoe meer wij die blinde en overdrevene ingenomenheid, die er vroeger met zijn werk bestond, zien verdwijnen, hoe minder oogluiking voor zijne gebreken wij zullen ontmoeten. (blz. XXIX)Tenslotte is de Abraham, ‘gedurig verder van den Geest des tijds en de rigting onzer Poëzij afwijkende’ (blz. XXXIV), vrijwel in vergetelheid geraakt.
Daarmee heeft Ter Haar zijn historisch overzicht voltooid. Maar nu hij een nieuwe uitgave van Hoogvliet's werk bezorgt, meent hij daaraan enkele persoonlijke opmerkingen te moeten toevoegen.
Wat de kwestie van het genre betreft, neemt hij een soort tussen-positie in: ‘Eene poëtische levensbeschrijving zegt, naar ons gevoelen, even zeer te weinig, als een Heldendicht te veel zegt’ (blz. XXXIV-XXXV). Hoogvliet bedoelde een epos, maar vond daarvoor niet de juiste vorm:
Zoo als het Dichtstuk thans voor ons ligt, en van het tegenwoordige standpunt onzer Poëzij gezien, moeten wij het eene mislukte proeve van een Heldendicht heeten; schoon het toch altijd tot het Episch genre het digtst nadert. (blz. XXXVI)
Ter Haar heeft waardering voor de beschrijvingskunst van Hoogvliet, die volgens hem echter ‘soms heeft willen doordichten, ook dan als zijne dichtader weigerde te vloeijen’ (blz. XXXVII). Ook is de dichter vaak te uitvoerig; het is hem ‘eigendommelijk, dat hij een denkbeeld, het eenmaal aangegrepen hebbende, niet spoedig weder los laat, maar van alle mogelijke zijden beziet. Van hier zekere gerektheid, die op vele plaatsen in flaauwheid overgaat’ (blz. XXXVII).
Samenvattend komt Ter Haar tot de conclusie: ‘Verbeeldingskracht en gevoel beide waren bij hem gelukkig vereenigd. Genialiteit en kracht zal geen onbevooroordeelde hem geheel kunnen ontzeggen’. Wat hem ontbrak, waren ‘kieschheid en fijnheid van smaak, een gemis zoo algemeen aan zijnen leeftijd eigen!’ (blz. XXXVIII).
In de Aanteekeningen bij afzonderlijke passages of regels, die hij op de tekst van de Abraham laat volgen, is Ter Haar minder gematigd in zijn kritiek. Meermalen treft ons daar de hautaine geringschatting, waarmee hij ‘den verouderden Hoogvliet’ bejegent. Dat geldt vooral voor zijn bespreking van de Hemelraad:
De Hemelraad en de redevoeringen der Goddelijke Eigenschappen hebben zoo iets stuitends voor mijn gevoel, dat ik mij naauwelijks verledigen kan, iets ten voordeele des Dichters aan te voeren. (blz. 282)Weliswaar volgde Hoogvliet daarmee het voorbeeld van ‘de meestberoemde oudere en latere dichters’. Maar hij deed dit te slaafs: naar de uiterlijke vorm in plaats van naar de geest. Anders zou hij gevoeld hebben,
dat zulk een Hemelraad zoo wel met het opgeklaard Christelijk geloof, als met het gezond verstand en den goeden smaak strijdig is; en had hij dit later leeren inzien, hij zou zich getroost hebben, geheel de helft van het tweede Boek om te werken, of als een onnut en ziekelijk lid van het ligchaam af te snijden en weg te werpen. (blz. 283)
Even ongenuanceerd verwerpt Ter Haar de voorstelling, dat Jehova met twee Engelen langs de regenboog naar de aarde afdaalt:73
Zoo schoon en gep