In 1733 was de Telemachus van Sybrand Feitama het eerste eigentijdse profane epos in de Nederlandse literatuur van de 18de eeuw geweest. Maar hoe belangrijk en baanbrekend dit werk door zijn epopiserende versificatie uit formeel oogpunt ook was, naar de inhoud bleef het toch een bewerking uit het Frans. De eer het eerste profane epos uit de 18de eeuw geschreven te hebben, dat in alle opzichten Nederlands mag heten, komt dan ook niet aan Feitama toe, maar aan Jonkheer Willem van Haren, van wie in 1741 de Gevallen van Friso het licht zagen.
Op het bewogen en tragisch eindigende leven van deze Friese edelman behoef ik niet uitvoerig in te gaan; dat vindt men in alle naslagwerken.1 Ik kan hier dus volstaan met het aanstippen van de feiten die het meest verband houden met zijn epos en zijn verdere literaire arbeid.
Willem van Haren werd op 21 februari 1710 in Leeuwarden geboren. Door de dood van zijn vader en grootvader werd hij reeds op 18-jarige leeftijd hun opvolger als grietman en ontvanger-generaal van Het Bildt. Van jongs af was hij intiem bevriend met de Friese stadhouder Willem Karel Hendrik Friso, die in 1747 als Willem IV erfstadhouder van de gehele Republiek werd. In 1737 huwde hij, ondanks de tegenstand van het hof, met Marianne Charles, kamenier van Willem's echtgenote prinses Anna en elf jaar ouder dan hij. Het was in de eerste rustige jaren van dit huwelijk, dat de Friso geschreven werd. Niet daarmee echter vestigde hij zijn naam, maar met de Leonidas van 1742: een lierzang op de held van Thermopylae, waarmee hij een hartstochtelijk indirect beroep op zijn landgenoten deed zich aan hun eens gegeven woord te houden en Maria Theresia in de Oostenrijkse Successie-oorlog bij te staan. Het succes was overweldigend en de dichter bereikte inderdaad zijn doel: de Staten-Generaal besloten een hulpkorps te zenden. - In de daarop volgende jaren werd Willem van Haren zózeer in beslag genomen door gewichtige functies in dienst van de Republiek, dat zijn literaire arbeid beperkt bleef tot een aantal lierzangen. Aan de grondige herziening van zijn epos, die hij gewenst achtte, kwam hij niet toe. Eerst tegen het einde van 1753 vond hij gelegenheid zich opnieuw aan de Friso te gaan wijden, wat leidde tot een verbeterde en veranderde herdruk die in 1758 van de pers kwam. - Daarna ging het met de dichter snel bergafwaarts. Door een samenloop van omstandigheden, die deels buiten zijn schuld lagen maar deels ook het gevolg waren van zijn fouten en zwakheden, raakte hij in een toenemend isolement en in steeds nijpender financiële moeilijkheden. Op 4 juli 1768 maakte hij door vergif een einde aan zijn leven.
Van Haren was een man van grote en veelzijdige eruditie. Het is bij hem ondenkbaar dat hij zich - zoals Hoogvliet en Dirk Smits - tot het schrijven van een epos zou hebben gezet zonder volkomen vertrouwd te zijn met de regels en tradities van het genre. Uit zijn Voorredenen bij de beide drukken van de Friso blijkt dan ook duidelijk, dat hij er zich op heeft toegelegd daaraan in alle opzichten te voldoen. Maar behalve de voorschriften had hij óók de Télémaque voor ogen, en dat bepaalde niet minder de aard van zijn werk. Fénelon had namelijk de epiek in dienst gesteld van de didaktiek, door de ervaringen en ontmoetingen van zijn held te gebruiken als uitgangspunt voor nuttige lering, met name op moreel en politiek gebied. Zijn bewonderaars beschouwden niettemin zijn werk als een legitiem epos en zelfs als een nieuwe ontwikkeling in het genre: die - om een term van Feitama te gebruiken - tot ‘zedenverbeterend Heldendicht’. Willem van Haren behoorde tot deze bewonderaars, en zijn kijk op het epos hangt daarmee samen. Vanuit zijn eerbied voor de Télémaque ging hij in het genre mede een middel zien om te reageren en invloed te oefenen op de eigen tijd. Wat hem, blijkens zijn manier van navolgen, in Fénelon's werk het meest boeide, was het feit dat de auteur de avonturen van zijn held zó wist te doen verlopen dat zich telkens weer een gelegenheid voordeed aan de hand daarvan in verhulde vorm kritiek te oefenen op contemporaine personen en toestanden, en om aan te geven hoe deze idealiter zouden behoren te zijn. Het verlangen op analoge manier actualiteitswaarde te verlenen aan de zwerftochten van Friso heeft er ongetwijfeld veel toe bijgedragen om Van Haren zijn aanvankelijke aarzeling te doen overwinnen en hem tot het schrijven van zijn epos te brengen. Want hij had heel wat op het hart. In de regentenkringen, waarvan hij deel uitmaakte, kwam hij in aanraking met zoveel dat hem ergerde: aan verkeerde toestanden zowel als aan verkeerde mentaliteit. En hem stond zo duidelijk het ideaal voor ogen, dat hij daar tegenover zou willen stellen!
Fénelon wees Van Haren de weg om in een even attractieve als ongevaarlijke vorm tot uiting te brengen wat hem naar de keel welde. In principe ligt dezelfde drang, die hem in 1742 de Leonidas deed schrijven, ook reeds ten grondslag aan de Friso.
Van Haren's epos zag in juni 1741 het licht, in groot octavo en met het volgende titelblad:
Gevallen // van // Friso, // Koning der // Gangariden en Prasiaten. // door Jonkheer // Willem van Haren, // vignet // Te Amsterdam, // By Salomon Schouten, Boekverkooper, // in de Kalverstraat, 1741.De Franse titel voegt daar nog aan toe: ‘In XII. Boeken’.
Het boek is wat slordig, maar overigens goed gedrukt; een duidelijke letter en een ruime spatie tussen de regels maken de tekst prettig leesbaar. Opmerkelijk is, dat de versregels van tien tot tien genummerd zijn. Aan de voet van de bladzijden komen noten voor, waarin de dichter naar zijn bronnen verwijst en daaruit soms uitvoerige citaten doet. Achteraan vindt men een Bladwyzer van negen pagina's en een lijst met Druk-feilen van drie. Platen zijn er niet; zelfs het gebruikelijke frontispice ontbreekt. De enige extravagantie is, dat het titelblad werd gedrukt in rood en zwart.
- De tweede druk van 1758 werd veel luxueuser uitgegeven: in quarto,met illustraties, en met een portret van de auteur. Het titelblad van deze editie luidt:
Gevallen // van // Friso. // Koning der // Gangariden en Prasiaten. // In // tien Boeken. // vignet // Te Amsteldam, // By Dirk Onder de Linden, // Bybel en Boekverkooper, in de Kalverstraat, 1758.Ditmaal wordt het aantal Boeken vermeld, mede om te onderstrepen dat dit van XII is teruggebracht tot X.
Doordat er 40 regels op een bladzijde staan, werden de interlinies te smal, wat het effect van de bladspiegel bederft. Regelnummering en annotatie bleven gehandhaafd, maar nieuw is dat de tekst door regels wit in perikopen werd verdeeld. ‘Bladwyzer’ en ‘Druk-feilen’ vervielen. Het belangrijkste verschil met de eerste druk ligt echter in de toegevoegde verluchting. Het grote portret van de auteur - gegraveerd naar een schilderij van F. Dumesnil uit 1753 - verleent waardigheid aan de uitgave; de bijzonder fraaie vignetten van J. van der Schley - één aan het begin en één aan het eind van ieder boek - geven er een verfijnde charme aan. Ook nu is er echter geen frontispice.
Het valt op, dat het titelblad geen auteursnaam vermeldt. Dat komt omdat Van Haren de tweede druk van zijn epos wilde doen fungeren als het eerste deel van zijn verzamelde werken. De Franse titel kondigt dan ook aan: ‘Alle de Werken // van den Heere // Willem van Haren, // Gedeputeerde wegens den Adelyken Staat in de Vergadering der // Staten van Friesland, Gecommitteerde ter Vergaderinge van Hunne // Hoog Mog. de Heeren Staten Generaal der Vereenigde Nederlanden, // Grietman en Ontvanger-Generaal van het Bilt, Quartier-Schout // en Dykgraaf van Peelland, en thans Gevolmagtigde Afgezant // wegens den Staat aan het Hof van Zyne Koningklyke // Hoogheid, den Hertog van Lottharingen, Gouverneur- // Generaal der Oostenryksche Nederlanden. // Eerste deel. // Tweede druk’. Na deze nadruk op de persoon van de schrijver was herhaling van diens naam op het titelblad niet meer nodig.
Tot een tweede deel van de beoogde verzamelde werken is het overigens nooit gekomen.
In de loop van de 19de eeuw is de Friso nog tweemaal uitgegeven, beide keren als onderdeel van het gezamenlijke werk van de gebroeders Willem en Onno Zwier van Haren.
Van 1824 tot 1827 verschenen te Amsterdam bij de uitgever M. Westerman in zes deeltjes (klein octavo) de Dichterlijke Werken van Willem en Onno Zwier van Haren. De eerste drie deeltjes zijn aan het werk van Willem gewijd, en de Friso neemt er daarvan twee in beslag. Zij worden ingeleid door Jeronimo de Vries, die de uitgever van advies diende bij de beslissing over onuitgegeven stukken, maar geen bemoeienis heeft gehad met de tekst van Friso. ‘De Heer Westerman’ - zo deelt hij mee - ‘van wien alleen vorm als anderzins afhing, heeft de laatste uitgave als door den Dichter zelven nagezien en vermeerderd, onveranderd gevolgd’ (I, 15). Dat laatste moet niet al te letterlijk worden genomen. In het algemeen volgt Westerman inderdaad de tekst van 1758, maar hij veroorlooft zich kleine moderniseringen in de spelling, en een heel enkele maal ook in de verzen.
Vijftig jaar later, in 1874, zag bij A. ter Gunne te Deventer een soortgelijke uitgave het licht, ditmaal verzorgd door Johannes van Vloten: Leven en Werken van W. en O.Z. van Haren, Friesche edellui. Naar tijdsorde toegelicht. Van Vloten acht de Friso van 1741 beter dan die van 1758, maar wil zijn lezers gelegenheid bieden de beide versies met elkaar te vergelijken. Zodoende vindt men bij hem de tekst van 1741, met de varianten van 1758 aan de voet der bladzijden (blz. 7-116); de voetnoten van
de dichter, uit beide edities, worden daarachter afgedrukt (blz. 116-128). Maar aangezien de tweede Voorrede uitvoeriger en belangrijker is dan de eerste, gaat Van Vloten daarbij omgekeerd te werk: hij geeft de tekst van 1758, met de varianten van 1741 aan de voet van de bladzijden (blz. 3-6). Dat alles met modernisering van de spelling, en helaas niet altijd met voldoende nauwkeurigheid.
Volledigheidshalve vermeld ik hier nog, dat in 1785 te Parijs een Franse vertaling het licht zag: Les aventures de Friso, roi des Gangarides et des Prasiates en dix livres par M.G. de Haren, avec quelques autres pieces du même auteur. De vertaler is een zekere H. Jansen, die zich baseerde op de tweede druk van 1758. Voor zover ik weet, is aan deze uitgave nog geen serieuse aandacht besteed. Het viel echter buiten het kader van mijn onderzoek in deze lacune te voorzien.
Het is niet goed mogelijk over de Friso te spreken zonder vertrouwd te zijn met de inhoud. Zowel bij de behandeling van de secundaire literatuur als bij die van de ontstaansgeschiedenis en de bronnen krijgen wij telkens te maken met het verloop van de handeling of met de betekenis van bepaalde episoden. Vandaar dat ik in dit hoofdstuk met de deur in huis val en mijn inhouds-overzicht aan het begin plaats. Ik volg daarbij de eerste druk van 1741. De wijzigingen van 1758, hoe ingrijpend op zichzelf ook, zijn voor een goed begrip van Van Haren's epos niet van primair belang en kunnen voorlopig dus buiten beschouwing blijven.
In het exordium valt de navolging van de aanhef uit de Aeneis duidelijk te herkennen, zij het met een merkwaardige variant in de invocatio.
Bij Vergilius staat deze los van de propositio. De aanroep ‘Musa, mihi causas memora’ leidt een reeks vragen in, die op deze causae betrekking hebben. Van Haren daarentegen laat propositio en invocatio in elkaar overlopen: ‘Van de orzaak zyner vlugt, en wie Hem troost deed vinden, // Wie dat hem leerde zich aan wysheid te verbinden...’ enz...
Het merkwaardige is echter niet deze verbinding, maar de motivering voor de aanroep: ‘gy weet die dingen’, en de combinatie daarvan met de bede ‘schryf my voor’. Dat herinnert namelijk zó sterk aan de invocatie van Milton tot de Heilige Geest in de aanhef van Paradise lost, dat toevallige overeenkomst mij vrijwel uitgesloten lijkt: ‘Instruct me, for thou knowest’ (I, 19).2
Dan begint de narratio, waarbij de dichter zijn lezers op de meest abrupte manier in medias res voert.3 De jonge erfprins van het rijk der Gangariden en Prasiaten (in oostelijk India) is met een klein getal getrouwen op de vlucht. De verrader Agrammes heeft zich van de kroon meester gemaakt en koning Stavo vermoord. Ternauwernood heeft de erfprins, Friso, die nu dus rechtens koning is, aan het daarop volgende bloedbad kunnen ontkomen. Op zijn vlucht naar de kust komt hij in een dicht dennenbos bij een hut, waar een eenzame grijsaard woont. Het is de broer van zijn vader: zijn oom Teuphis, die na een veel-bewogen leven in hoogheid het slachtoffer is geworden van verraad en lichtgelovigheid, en door de vlucht zijn leven heeft moeten redden. Ieder houdt hem voor dood. Maar in zijn ongeluk heeft hij zijn ware geluk gevonden. Hij heeft de leer van Zoroaster [= Zarathoestra] leren kennen en leeft nu in het geloof aan het zinvolle bestuur van één Almachtige God. - Teuphis herkent zijn neef, maar wordt omgekeerd noch door hem noch door diens metgezellen herkend; hij laat zich door hen Leonaat noemen. Op zijn raad besluiten de vluchtelingen uit te wijken naar het eiland Taprobana [= Ceylon], waar een edele vorst regeert van wie hulp verwacht mag worden. Er ligt juist een schip zeilree, waarmee zij zich aan de vervolging van Agrammes kunnen onttrekken. - De persoonlijkheid en de wijze bedachtzaamheid van Teuphis boezemen Friso zóveel vertrouwen in, dat hij dankbaar diens aanbod accepteert hen naar Taprobana te vergezellen.
Op deze manier laat Van Haren zijn held de Mentor vinden, die hem op al zijn zwerftochten zal begeleiden. De ontmoeting bij de hut in het bos is nagevolgd naar Henriade I, 193-292, waar Hendrik IV op het eiland Jersey een profetische grijsaard aantreft.
Tijdens hun zeereis zet Teuphis aan Friso de leer van Zoroaster uiteen. De jonge koning aanvaardt met vreugde en overtuiging dit nieuwe geloof. - Op Taprobana aangekomen, ontdekken de vluchtelingen - zowel door toeval als door dapperheid - een samenzwering tegen de edele oude koning Charsis; de volgende nacht zou de hoofdstad worden overvallen en Charsis vermoord. Friso kan nu echter bijtijds de koning waarschuwen, die de nodige maatregelen treft.
Als de avond gevallen is, hebben de oude Charsis en de oude Teuphis een vertrouwelijk onderhoud. In zijn argumentum geeft Van Haren de inhoud daarvan als volgt weer: ‘Charsis, die Teuphis wel meer had gezien, maar die hem, door langheid van tyd, en een valsch gerugt van zynen dood, niet wederom zich konde te binnen brengen, verzoekt hem te verhalen zo wel wie hy is, als om wat reden de jonge Vorst Friso uit zo groote en magtige Ryken heeft moeten vlugten: het welk de Wysgeer omstandiglyk doed.’
Hier wordt dus - zij het ditmaal niet aan een maaltijd - de voorgeschiedenis verteld, die het begin mediis in rebus verklaart. Overigens neemt de achtergrond van Friso's vlucht slechts een klein deel (reg. 721-788) van Teuphis' verhaal in beslag. Het overgrote deel daarvan (reg. 81-702) betreft de lotgevallen van de wijsgeer zelf. Er is echter wel nauw verband tussen diens ervaringen en de latere rampspoed van Friso.
De volgende dag vindt de slag tegen de opstandelingen plaats. Friso aan wie Charsis de leiding heeft toevertrouwd, behaalt een grote overwinning en doodt zelfs in een tweegevecht de vijandelijke aanvoerder. Daarentegen betoont de zoon van Charsis, kroonprins Cosroës, verwijfd en door vleiers bedorven als hij is, zich onbekwaam en lafhartig. Het bericht omtrent de houding van zijn zoon doet de oude koning zóveel verdriet, dat hij sterft nog vóór zijn overwinnende leger in de hoofdstad is teruggekeerd.
Cosroës is nu dus koning. Van hem moet Friso verkrijgen wat Charsis hem beloofd had: een vloot om naar zijn land terug te keren en Agrammes van de onrechtmatig verkregen troon te verjagen. Maar Cosroës is ijdel en zwak, diens vrouw Pasiphaë heerszuchtig en trots; bovendien is zij jaloers op de roem van Friso, waardoor de lafheid van haar man des te sterker uitkomt. Beiden laten zich dan ook gemakkelijk door afgezanten van Agrammes ompraten en omkopen. Opnieuw dreigt er voor Friso gevaar door verraad. Maar een oude raadsman van Charsis waarschuwt hem tijdig. Bovendien breekt er oproer uit in de stad, en slechts aan de vastberaden kalmte van Teuphis is het te danken dat de rust wordt hersteld. Uit dankbaarheid eist het volk, dat de belofte van Charsis aan Friso zal worden nagekomen. De vloot wordt in gereedheid gebracht om hem naar het rijk van koning Porus te brengen, aan de Westkust van India. Deze is namelijk de vader van Friso's moeder, en van hem verwacht de jonge vorst dus hulp voor het terugwinnen van zijn rijk.
Friso weet nog niet, dat Alexander de Grote tot in India is doorgedrongen en Porus heeft verslagen. Wel is deze als vazal koning gebleven en heeft hij zelfs even gehoopt met Alexander's hulp wraak te kunnen nemen op de moordenaar van zijn schoonzoon, maar het leger van Alexander weigerde nòg verder naar het Oosten te trekken en dwong deze tot terugkeer naar Perzië. - Onbewust van dit alles is Friso op weg naar zijn grootvader. Een hevige storm slaat echter zijn vloot uit haar koers en doet ze ontredderd aan de Zuidoost-kust van Perzië belanden. Daar wordt hij met de zijnen op de meest welwillende wijze ontvangen door Vorst Orsines, die het heil van zijn onderdanen boven eigen grootheid stelt. Er wordt besloten van diens gastvrijheid gebruik te maken, tot er nadere berichten zijn omtrent Alexander de Grote en Porus. Een van Friso's volgelingen, Ascon, krijgt opdracht naar India te gaan om zich van de toestand daar op de hoogte te stellen.
Friso vat liefde op voor Atosse, de dochter van Orsines. Deze laatste, die de deugd en dapperheid van de jonge balling heeft onderkend, verzet zich daar niet tegen: deugd is meer waard dan een koninkrijk. Als dan nog Friso met een leger van Orsines
een opstand heeft onderdrukt, wordt het huwelijk volgens Perzische ritus gesloten.
Maar ook hier wordt Friso geen rust gegund. Alexander de Grote komt naar de stad van Orsines. Voor Van Haren is hij het type van de door weelde, vleierij en losbandigheid volkomen ontaarde vorst: een onberekenbare tyran. Door eerbiedsbetuiging en door het aanbieden van grote geschenken aan hem en zijn volgelingen poogt Orsines hem gunstig te stemmen, wat aanvankelijk succes heeft. Maar bij het aanbieden van de geschenken had de rechtschapen Orsines zeer nadrukkelijk Alexander's schandknaap en gunsteling Bagoas uitgesloten. Uit woede daarover weet deze door allerlei leugens en verdachtmakingen Alexander zó ver te krijgen dat hij Orsines laat doden. Eenzelfde lot dreigt Friso en Atosse, maar zij worden tijdig gewaarschuwd en besluiten dan om samen met de eveneens bedreigde Proculus te vluchten. Proculus is een Romein, door de Senaat van zijn stad als waarnemer en verspieder naar het Oosten gezonden. ‘Hy raad den Koning en Atosse hem te volgen naar Romen; om daar in rust te leven tot dat men hore welk een keer de staat van het Oosten, en de magt van Alexander neemen zullen. Zy vertrekken van stonden aan’ (argumentum, blz. 229).
Via Arabië en Sidon wordt Rome bereikt. Daar heersen nog onverzwakt en onbedorven de oorspronkelijke Vrijheid en Deugd. Friso raakt daarvan diep onder de indruk. Met behulp van Proculus weet hij de steun te verwerven van de oude Papirius, die kort daarop als dictator wordt aangewezen voor de strijd tegen de Samnieten. Friso krijgt toestemming aan de krijgstocht deel te nemen. In het leger aangekomen, draagt Papirius het opperbevel voor drie dagen over aan de magister equitum Fabius, met verbod om in die tijd slag te leveren: ‘Ik ga ten offer naar den Tempel van Jupyn, // En zal ten derden dag strydvaardig met U zyn’ (reg. 643-644; blz. 309). Tijdens Papirius' afwezigheid doet zich echter zulk een ongedachte kans voor om de Samnieten vernietigend te verslaan, dat Fabius daarvan - in overleg met de krijgsraad - ondanks het uitdrukkelijke verbod gebruik maakt, al weet hij daarmee zijn leven te verbeuren: ‘Ik zal de dood om Rome's heil niet myden’ (reg. 698; blz. 312). - De overval op de Samnieten wordt een volkomen overwinning, waartoe ook Friso het zijne bijdraagt. Bij zijn terugkeer eist Papirius echter meedogenloos de dood van Fabius wegens ongehoorzaamheid. Het leger dreigt te gaan muiten om de terechtstelling te verhinderen - wat Papirius nog vastberadener aan het recht doet vasthouden. Evenals bij het oproer tegen Cosroës in boek IV is het weer de wijsheid van Teuphis die uitkomst brengt: hij stelt voor, Fabius slechts gevangen te nemen en de Senaat over zijn verder lot te laten beslissen. Papirius aanvaardt dit, en zo komt alles in orde. De Senaat stelt de overwinnaar van de Samnieten onmiddellijk in vrijheid, en de beide legeraanvoerders verzoenen zich.
Hier maakt Van Haren bijzonder handig gebruik van een beroemde episode uit de Tweede Samnieten-oorlog (327-304 v. Chr.), zoals deze door Livius wordt beschreven (VIII, 30 vv.)
De door Friso naar India gezonden Ascon (zie boek V) heeft met moeite het spoor van zijn meester gevonden en komt in Rome aan. Hij brengt belangrijk nieuws. Koning Porus is gestorven, zodat Friso niets meer van zijn grootvader te verwachten
heeft. Maar ook Alexander de Grote is dood: tussen zijn bevelhebbers woedt de diadochenstrijd. Eén van hen, Ptolemaeus - dezelfde die na de moord op Orsines Friso en Atosse gewaarschuwd had voor de plannen van Alexander (zie boek VII) - is nu de machthebber van Egypte en nodigt de jonge koning uit ‘om aldaar by hem te komen tot dat men iets voor hem zoude kunnen ondernemen’ (argumentum, blz. 326). Maar Ascon heeft nog meer nieuws. Door een toeval heeft hij ontdekt, dat Friso's moeder Melite met haar twee jongste zoons in Gades [= Cadix] verblijft, waar zij na allerlei avonturen terecht is gekomen. - Onmiddellijk maakt Friso zich tot vertrek gereed. Hij zal eerst naar Gades gaan om zijn moeder te halen, en vervolgens naar Egypte om Ptolemaeus hulp te vragen voor terugkeer naar zijn vaderland. De Romeinen stellen drie schepen, bemand met hun beste zeelieden, tot zijn beschikking. En zo verlaat Friso de stad, waar hij een ideale vorm van staatsbestuur had leren kennen. Onderweg maakt Teuphis - die voor Friso nog altijd Leonaat is - zich aan zijn neef bekend. Het heeft geen zin langer zijn incognito te bewaren; Melite zal hem straks immers als haar zwager herkennen.
Behouden komt de kleine vloot in Gades aan, waar Friso zijn moeder en broers (Saxo en Bruno) terugvindt. ‘Melite verhaald wat haar, zederd den brand van de Koninklyke Stad Gange, zederd den dood van Stavo, en zederd de vlugt van den Prins is wedervaren; en door welke eene reeks van gevallen zy genoodzaakt wierd zich naar Gades te begeven’ (argumentum, blz. 367). Dan vertrekt men gezamenlijk naar Egypte. Een zware storm doet echter de schepen de Straat van Hercules [= de Straat van Gibraltar] missen, en drijft ze de onbekende Atlantische Oceaan in, eerst naar het Westen, dan naar het Noorden. Na grote gevaren wordt tenslotte het eiland Vectis [= Wight] bereikt. Dat blijkt onbewoond, afgezien van een vluchteling uit Albion: Argentorix. Deze vraagt Friso om bescherming tegen Cunobellinus, de tyrannieke onderdrukker van Albion. Tevens raadt hij hem aan, zich niet met deze dwingeland in te laten, maar ‘naar het Gewest der Alanen te stevenen, Volkeren van een deugdzamen imborst’ (argumentum, blz. 368). Friso en Teuphis aanvaarden dit advies. Er wordt weer zee gekozen en koers gezet naar het Noord-Oosten.
De episode van Argentorix is een even functionele als knappe navolging van Aeneis III, 588-691, waar Aeneas de door Ulysses in het hol van Polyphemus vergeten Achaemenides aantreft en redt.
Aan de Noordelijke mond van de Vlie-stroom4 worden Friso en de zijnen door de Alanen goed ontvangen. Zij horen, dat het land geteisterd wordt door een vurige draak, die van tijd tot tijd uit een rokende poel opduikt. Dat is een straf voor de belediging door hun laatste - van eer en deugd ontaarde - koning de goden aangedaan. Wie het volk van deze plaag verlost, zal daarvoor met de kroon worden beloond. Teuphis en Friso, die niet aan bovennatuurlijke wezens geloven, besluiten de volgende dag de rokende kolk te gaan onderzoeken. Maar gedurende de nacht verschijnt in de droom een Engel aan Friso ‘en moedigd hem aan om het wangedrogt te bestryden: Verzekerende hem zyner hulp, en des Goddelyken bystands’ (argumentum, blz. 413). Ook Teuphis heeft een dergelijke droom gehad, zodat hij geen bezwaar maakt. Met getrokken zwaard daalt Friso in de rokende poel af. Achter de
rook vindt hij echter geen draak, maar de Engel uit zijn droom, die hem meedeelt dat de draak door zijn moed reeds is overwonnen - voor zover er een draak was. Immers:
Maar nu staat Oromasdes,5 zo vervolgt de Engel, aan Friso een grote gunst toe: de hel te zien, als hij daar de moed toe heeft. ‘De Prins neemt dezen tocht met vreugde aan, en zy treden straks dieper naar beneden. De Engel opent de Deuren der Helle met zynen staf’ (argumentum, blz. 414).
Op hun tocht door de hel verklaart de Engel aan Friso het lot van de schimmen die zij ontmoeten; hun straf hangt samen met de zonde waaraan zij in hun aardse leven het meest gebonden waren. Achtereenvolgens vertonen zich: vadsigen; gierigaards; ouders die hun kinderen niet goed hebben opgevoed; leugenaars; vleiers; wellustigen;6 ondankbaren; beelden-dienaars; en vele anderen. - Tenslotte komen Friso en de Engel bij de rechterstoel van Arimanius.7 Aan de ene zijde van zijn troon staat de Dood, aan de andere het Verwijt. Friso is er getuige van, hoe vier vorsten, met wie hij te maken heeft gehad en die juist gestorven zijn, hun oordeel ontvangen. De eerste is Agrammes, de moordenaar van zijn vader Stavo en de usurpator van zijn rijk. Dan volgen Cosroës en Pasiphaë, die zich in Taprobana zo schandelijk tegenover hem gedragen hadden. En tenslotte wordt Cunobellinus berecht, de tyran van Albion. Alle vier hebben zij het gewone einde van geweldenaars gevonden: zij zijn vermoord, zoals zij zelf hebben gemoord. Naarmate zij door Arimanius schuldig worden bevonden, schiet Verwijt hun een aantal pijlen in het hart, variërend van één tot vijf. Eeuwige wroeging is voor allen de straf, maar niet voor allen even fel, want - zo heeft de Engel aan Friso uitgelegd -: ‘De Hoogste God // Straft meer en minder kwaad niet met het zelve Lot’ (reg. 49-50; blz. 454). De zwaarste straf valt aan Cunobellinus ten deel. - Na het bijwonen van deze rechtspraak keren Friso en de Engel terug. Onderweg ontmoeten zij weer nieuwe schimmen, aan wie Friso ziet wat de straf is voor hen die doden in een lichtvaardig duel, en voor degenen die de pijnbank hebben ingesteld of gehandhaafd. Dan neemt de Engel afscheid en Friso treedt weer in het daglicht. Uitgelaten van blijdschap begroeten de Alanen hem en roepen hem tot koning uit. Friso voert de leer van Zoroaster in, en stelt als grondregel voor zijn nieuwe rijk: ‘.. Bemint voor alle dingen // 't Gemeenebest, en zyt doorlugte Stervelingen! // Voor ons maakt Eendragt magt, en Tweedragt ondergang!’ (reg. 1015-1017; blz. 498). Ter ere van zijn vader sticht hij een stad, die ‘Stavo-ren’ zal heten, en - zoals de laatste regel van het epos luidt -: ‘En nam bezit van 't Land, en gaf het zynen Naam’.
Er is in de loop van de 18de en 19de eeuw vrij wat over de Friso geschreven, bewonderend zowel als kritisch. Het zou zeker de moeite lonen, de waarderingsgeschiedenis van het epos na te gaan, en vast te stellen hoe de uiteenlopende beoordelingen moeten worden verklaard. Dat onderzoek valt echter buiten het kader van de taak, die ik mij heb gesteld. Ik beperk mij daarom tot een korte bespreking van de publikaties uit de 20ste eeuw, waarop de gangbare opvatting omtrent de Friso in hoofdzaak berust.
De eerste daarvan is het uitvoerige artikel van J. Koopmans in het tijdschrift De Beweging van 1907: Willem van Haren's ‘Friso’.8 Het is een soortgelijk stuk als zijn beschouwing over Abraham de Aartsvader, die elf jaar later geschreven werd, en waarmee wij in een vorig hoofdstuk reeds kennis hebben gemaakt.9 In het algemeen heeft het dan ook dezelfde verdiensten en geldt eveneens hetzelfde bezwaar. Ook hier is Koopmans er voortreffelijk in geslaagd, de sfeer en de geest te tekenen waaruit het besproken werk is voortgekomen. Opnieuw worden wij getroffen door de boeiende manier waarop hij dit, al interpreterend en bespiegelend, voor de moderne lezer belangwekkend weet te maken. Alleen moest hij in het geval van de Friso, waarvan de stof Van Haren's eigen vinding is, meer ruimte en aandacht aan de paraphrase besteden dan bij de Abraham, waar de loop van het verhaal in grote lijnen bekend mocht worden geacht. Het typeert zijn trant van schrijven, dat dit eerder een voordan een nadeel blijkt. - Anderzijds is er ook dezelfde beperking als bij het artikel over de Abraham. Veel verder dan het overdragen van zijn begripvolle bewondering op zijn lezers gaat Koopmans tenslotte niet; zijn stuk is veeleer een essay dan een wetenschappelijke studie.
Als kerngedachte van het epos geeft Koopmans aan, dat Friso door zijn ervaring moet leren hoe onzeker het leven is:
En daarom stijgt en wentelt in dit Boek het rad der Fortuin. En daarom streelt, nu eens, Friso, het uitzicht op 't herstel van de voorvaderlike troon, en dan weer drijft het wrede Lot hem over onzekere zeeën naar onbestemde kusten. - Het toeval regeert de Mensch. (blz. 156)
Bij al zijn bewondering voor de Friso als ‘openbaring van een voorname en diep wijsgerige geest’ is Koopmans niet blind voor tekortkomingen in de poëtische vormgeving: ‘Als kunstprodukt echter staat Van Harens werk zwakker’ (blz. 181).
Verreweg de belangrijkste van de hier besproken studies is het proefschrift van H.J.L. van Haselen: Willem van Haren's ‘Gevallen van Friso, koning der Gangariden en Prasiaten’.10 Op bijzonder degelijke wijze heeft de schrijver alle gegevens bijeengebracht, die voor een goed begrip van dit epos betekenis kunnen hebben. Daarbij
komt hij tot een negatief oordeel over de literaire waarde: ‘vast staat wel dat, indien Van Haren niets anders had geschreven dan de Friso, onze tijd aarzelen zou hem een dichter te noemen’ (blz. 61). Volgens hem ligt het belang, dat Van Haren's epos heeft, dan ook voornamelijk in het feit dat het een spiegel van diens geestelijk leven biedt. In overeenstemming daarmee valt in zijn studie de meeste nadruk op de laatste drie hoofdstukken: ‘De Friso als spiegel van 's dichters staatkundige denkwijze’; ‘De Friso als spiegel van 's dichters wijsgerige, ethies-religieuze denkwijze’; en ‘De Friso als spiegel van 's dichters geestelijke ontwikkeling’.
Ik heb veel waardering voor het boek van Van Haselen, waarin ik heel wat waardevol materiaal heb gevonden. Maar anderzijds heb ik ook ernstige bezwaren. In de eerste plaats betreffen die het feit, dat Van Haselen onbillijk is in zijn ongunstig oordeel over de Friso als epos. Bij zijn karakteristiek gaat hij niet in op wat de dichter bereikt heeft, maar bepaalt hij zich tot het opsommen van de tekortkomingen. Voor een deel zijn de bezwaren, die hij vermeldt, niet ongefundeerd, maar zij worden te absoluut gesteld. Bovendien rijzen er meer dan eens vragen. Zo rekent Van Haselen het Van Haren als een fout aan, dat hij van Friso ‘zulk een brave Hendrik’ heeft gemaakt (blz. 51). Maar is dit dan niet in overeenstemming met de regel, zoals die door Tasso en de doctrine classique werd gesteld,11 dat een epische held volmaakt moet zijn? Even verder wordt opgemerkt, dat Friso ‘niet het middelpunt der belangstelling is en maar zelden bewondering wekt’ (blz. 51). Dat is een persoonlijke opvatting, waar ik slechts tegenover kan stellen dat ik ze niet deel. En hetzelfde geldt voor ‘de lachwekkende deftigheid die voor de dichter epiese verhevenheid was’, waarvan Van Haselen enkele voorbeelden geeft (blz. 56). - Eerlijkheidshalve vermeld ik hier ook een juiste opmerking over de Friso. Tegenover de mening van Koopmans dat de grondgedachte van het epos zou zijn: ‘Het toeval regeert de Mensch’, stelt Van Haselen terecht dat Van Haren ‘op menige plaats het Teuphis (laat) uitspreken, dat al het wedervaren van Friso en de zijnen hun door Oromasdes [= God] beschoren is’ (blz. 49), zodat er een planmatige ontwikkeling in de structuur van het epos valt aan te wijzen.
Bezwaar heb ik ook tegen de wijze, waarop Van Haselen bij zijn bespreking van Van Haren's denkbeelden de dichter met Teuphis identificeert. Natuurlijk is deze laatste een spreekbuis van de auteur, maar dit houdt niet in dat zij samenvallen. Van Haren blijft er zich voortdurend van bewust, dat Teuphis in een geheel andere wereld leeft dan hij. De oom van Friso kan slechts in algemene zin drager zijn van de principes die de dichter aanhangt - niet in de bijzonderheden van uitwerking of toepassing. Dat zou hem historisch ongeloofwaardig maken, en dus in strijd zijn met de eis van waarschijnlijkheid die voor het epos gold. Van Haselen heeft dat niet voldoende in het oog gehouden. Het duidelijkst komt dit aan het licht in zijn behandeling van Van Haren's godsdienstige opvattingen. Terecht tekent hij de leer van Zoroaster, zoals Teuphis die verkondigt, als een rationalistische religie: ‘een leven niet uit het geloof maar uit de deugd, een streven naar zelfvolmaking, tengevolge waarvan de religie in moraal opgelost wordt’ (blz. 98). Terecht ook wijst hij op de samenhang tussen die leer en de ideeën van de Deïsten uit Van Haren's tijd. Maar hij gaat over de schreef, wanneer hij constateert: ‘Dit is dus de “redelyke godsdienst” van Teuphis of eigenlik van Van Haren’ (blz. 88), en - kennelijk met het oog op dit laatste - opmerkt dat daarin geen plaats is voor zondebesef en nauwelijks voor gebed (blz. 101). Natúúrlijk ontbreekt in de leer van Teuphis het zondebesef! Van Haren had hem in de tijd van Alexander de Grote toch niet tot Christen kunnen
maken! De dichter kon zijn wijsgeer slechts een geloof doen belijden, dat in moreel opzicht zoveel mogelijk met het zijne overeenkwam, meer niet. Doordat Van Haselen dit niet heeft onderkend, komt hij in strijd met de feiten. Uit Van Haren's latere werk blijkt helemaal niet, dat hij zulk een geprononceerde Deïst zou zijn geweest. Aan het slot van zijn hoofdstuk ziet Van Haselen zich dan ook genoodzaakt de vraag te stellen: ‘is Van Haren op later leeftijd gaan twijfelen aan de waarheid der nieuwe theorieën?’ Moeten wij ‘een kentering in zijn gevoelsleven’ veronderstellen? (blz. 109). De zaak ligt veel eenvoudiger. De leer van Teuphis is een constructie ad hoc en géén geloofsbelijdenis van de auteur.
Mijn bedenkingen zijn nogal belastend voor de conclusies van Van Haselen. Maar zij doen geen afbreuk aan de waarde van de vele feitelijke gegevens, die bij over de Friso verschaft. Daardoor blijft zijn boek een aanwinst.
Koopmans reageerde op Van Haselen's proefschrift met een artikel in De Nieuwe Taalgids.12 Men zou verwachten dat dit een bespreking van het boek was, maar zulks blijkt niet het geval. Afgezien van een tweetal alinea's, waarin de dissertatie met grote waardering wordt vermeld, is dit tweede artikel niets anders dan een herdruk van het eerste in ietwat verkorte vorm.13 Op de inhoud van het proefschrift gaat Koopmans niet in, óók niet op de punten waar Van Haselen met hem van mening verschilt.
In 1927 verscheen het proefschrift van H.J. Minderhoud over de invloed van de Henriade in de Nederlandse letterkunde.14 Daarin is een afzonderlijk hoofdstuk aan de Friso gewijd. Minderhoud wijst er terecht op, dat de omzwervingen van de held sterk aan de Télémaque herinneren, maar dat de geest van het epos die van Voltaire is. En hij voegt daaraan toe: ‘Aussi ne s'étonnera-t-on pas de trouver force passages où Van Haren imite Voltaire’ (blz. 90).
Dat laatste is een overdrijving. Er komt in de Friso slechts één duidelijke ontlening aan de Henriade voor: de ontmoeting van Friso met Teuphis, die ik hierboven als zodanig gesignaleerd heb.15 Voor de rest is er slechts sprake van min of meer vage overeenkomsten, waarvan er enkele misschien door Van Haren als parallel werden bedoeld, maar die in geen geval berusten op overname van verhaal- of structuurmotieven.
Uiteraard komt de Friso ook aan de orde in de dissertatie van H.G. Martin over de invloed van Fénelon in Nederland.16 Evenals het vorige steunt ook dit proefschrift sterk op de conclusies van Van Haselen. Martin neemt zelfs onveranderd de ‘doorlopende vergelijking van overeenkomstige motieven’ in de Télémaque en de Friso over, die deze had opgesteld.17 Hij voegt daaraan overigens toe: ‘Mais il y a plus de
ressemblances que les seize points cités: toute la trame des deux oeuvres est la même’ (blz. 73). Dat is inderdaad het geval, al moeten wij daarbij vooral niet denken aan slaafse navolging. Van Haren is er verrassend goed in geslaagd, origineel te zijn in de hantering van ontleende motieven. De opzet van de Friso mag beschouwd worden als een overtuigend voorbeeld van creatieve imitatio, waarbij de dichter naar Vossius' voorschrift wist te bereiken dat ‘wat wij ontlenen door zijn nieuwe voorkomen niet meer als een ontlening wordt beschouwd, maar wordt erkend als het onze’.18
Bij alle overeenkomst ziet Martin echter ook een kenmerkend verschil tussen de beide werken; Van Haren ‘veut faire plus qu'instruire un jeune prince; ses observations sont plus profondes que celles de Fénelon’ (blz. 73). Wat hij daarmee bedoelt, geeft Martin aan met een gemutileerd citaat uit Kalff: ‘hij is een voorganger van zijn volk op den weg naar het betere en hoogere’.19 Dat stemt overeen met wat ik in de eerste paragraaf van dit hoofdstuk heb opgemerkt.
In de Voorreden bij de tweede druk van de Friso doet Van Haren enkele mededelingen over het ontstaan van zijn epos. In de zomer van 1738 had hij ‘met een gezelschap van zommige geleerde Lieden’ op een buitengoed gelogeerd. Er werd veel over poëzie gediscussieerd, ‘en by die gelegenheid wierd eenmaal voorgesteld, of het wel mogelyk en met de Regels der waarschynlykheid en der Digtkunst overeenkomstig zoude zyn, om Friso uit Indië naar de Oevers van den Vliestroom te geleiden’. Dat werd toen betwijfeld, óók door de dichter. Maar bij nader inzien veranderde deze van gedachten en zette zich, ‘met meer moed dan hoop’, aan het werk.
In dit eerste jaar na zijn huwelijk woonde Willem van Haren op de stins van St. Anna-Parochie. De bewuste logeerpartij is dan ook kennelijk een Friese aangelegenheid geweest. Bij het gezelschap van ‘geleerde Lieden’ zullen wij wel in de eerste plaats aan hoogleraren uit Franeker moeten denken. Dat men in deze kring vertrouwd was met de legende van Friso, ligt voor de hand. Welke vorm deze legende in de Friese kronieken heeft, zal bij de bespreking van Van Haren's bronnen aan de orde komen.
Toen de dichter eenmaal begonnen was, vlotte het werk boven verwachting. Reeds na een jaar was het in eerste instantie voltooid: in tien boeken, ongetwijfeld op voorgang van de Henriade. En zo overtuigend, ‘dat het door dezelve Geletterden, die het twee Jaaren20 te vooren als byna onmogelyk hadden aangezien, waardig wierd ge-oordeeld om onder het oog van eenen Aristarchus te verschynen’.
Het contact met de ‘geleerde Lieden’ van de logeerpartij uit 1738 bestond dus nog altijd, wat erop wijst dat wij aan een min of meer vaste vriendenkring hebben te denken. Aan deze vrienden heeft Van Haren de oer-versie van zijn epos blijkbaar voorgelezen of voorgelegd.
De dichter schijnt allereerst Petrus Burmannus Secundus (1713-1778) als aristarch te hebben aangezocht. Deze was sedert 1735 hoogleraar in de welsprekendheid en de geschiedenis in Franeker, vanwaar hij in 1742 naar het Amsterdamse Athenaeum vertrok.21 Het ligt voor de hand aan te nemen, dat hij aan de logeerpartij van 1738 had deelgenomen en zodoende van het begin af bij het ontstaan van de Friso betrokken was geweest. Burmannus achtte zichzelf echter niet de aangewezen man voor het beoordelen van Nederlandse poëzie. Daarom bracht hij Van Haren in kennis met Balthazar Huydecoper (1695-1778), ‘toneelschrijver en dichter, taalkundige en historicus, wiens reputatie van “begenadigd” criticus langzamerhand tot in de gehele Republiek was doorgedrongen’.22 Huydecoper aanvaardde het verzoek om kritische medewerking en zette zich onmiddellijk vol ijver aan het werk.
De remarques - het woord is van hemzelf - die Huydecoper bij de oerversie van de Friso maakte ‘beslaan meer dan een honderdtal vrij compres beschreven half-folio bladzijden’. Zij bevinden zich op de Provinciale Bibliotheek te Leeuwarden, en behalve die op Boek XII23 werden zij nooit uitgegeven.24 Wel werden zij meermalen geraadpleegd, uiteraard ook door Van Haselen, die er overigens geen systematisch gebruik van heeft gemaakt. Als zijn conclusie deelt hij mee, dat Van Haren ‘op enkele uitzonderingen na, Huydecoper's aanmerkingen, gewoonlik ongewijzigd, gevolgd (heeft)’.25 Een stelselmatig onderzoek van deze gehele materie zou ongetwijfeld tot interessante resultaten leiden. Vooral ook, omdat de remarques niet uitsluitend van taalkundige aard zijn, maar eveneens op de inhoud en de structuur van het epos betrekking hebben.
Dank zij Henri A. Ett beschikken wij echter wel over een uitgave van de briefwisseling die de toezending en ontvangst van Huydecoper's aanmerkingen begeleid heeft. Niet alle brieven zijn bewaard gebleven, maar wat over is, werd door hem afgedrukt in het Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde van 1950.26 Wij kunnen ons daaruit een vrij volledig beeld vormen omtrent de gang van zaken. Op het tweede plan was ook Burmannus bij het kritisch overleg betrokken, maar omvang en aard van zijn inbreng vallen moeilijk te bepalen. Zowel Van Haselen als Ett zijn van mening, dat het effect gering is geweest.27
Op 21 september 1739 had Huydecoper zijn aanmerkingen op de eerste vijf boeken klaar; op 26 november die op boek VI; op 14 december die op de rest. Daarmee was de taak volbracht, die hij op zich genomen had. Als zijn slotconclusie deelt hij Van Haren mee ‘dat my het Zesde, 't begin of eerste helft van 't Zevende, en het Tiende Boek minder dan de anderen voldaan hebben’. Het laatste zelfs zo weinig, dat hij ‘een geheel ander ontwerp’ daarvoor gemaakt heeft en dit ter vrije beschikking aan zijn correspondent toezendt (Ett, blz. 278-279).
Van Haren antwoordt, er zich van bewust te zijn geweest ‘dat het 6de en 10de Boek de andere niet evenaarden. Het sesde Boek ben ik zelv altijd zo bang voor geweest, als voor vuur, omdat ik niet houde van beschrijvingen van minnerijen’.28 Hij heeft het nu echter geheel veranderd en wil dat ook met het tiende boek doen. Zou Huydecoper de verbeterde versie nog eens kritisch willen bekijken? (Ett, blz. 279). Deze verklaart zich daartoe bereid, en zo vindt dus ook de correspondentie voortgang. Van Haren gaat in zijn laatste boeken steeds ingrijpender veranderingen aanbrengen, die hij alle ter beoordeling aan Huydecoper voorlegt. Op 16 mei 1740 schrijft hij ‘dat ik met de twee laatste Boeken van mijn werk nog niet verr' gevorderd ben; want de oude zijn verbrand en ik hoop dezelve naar UWEdGestr: smaak beeter wederom te zullen zamenstellen’ (Ett, 285). Daarbij dijde echter de omvang uit: op 19 juni is er al sprake van elf boeken, op 10 februari 1741 van twaalf. Huydecoper vindt dat niet erg; hij is zelfs blij ‘dat 'er het Twalefde Boek is bygekomen, zynde, myns oordeels, dat in deze gelegenheid, het voegelykste29 getal’ (Ett, blz. 292). Op 6 april kan hij Van Haren meedelen te zijn klaar gekomen met de bestudering van de laatste helft van het Twaalfde Boek: ‘De Remarques zyn boven myne verwachting uitgedeegen, doch myn yver is van Boek tot Boek aangegroeid, naar maate dat UwHoogEds geest zich in zyne vlucht meer en meer verhief’ (Ett, blz. 302).
Twee maanden later kwam de Friso van de pers. Van Haren had de laatste fasen van het drukken verhaast, al moesten daardoor de geprojecteerde vignetten vervallen omdat zij nog niet klaar waren. Maar hij was nu Gedeputeerde van Friesland ter Staten-Generaal, en in de bewogen begintijd van de Oostenrijkse Successie-oorlog bracht dit meer werk mee dan met letterkundige bezigheden te verenigen viel. Hoewel hij nog lang niet tevreden was met het eind-resultaat van de Friso, meende hij daarom voorlopig van verder schaven aan de tekst te moeten afzien. Op 10 februari 1741 schreef hij aan Huydecoper:
Wijders zal ik de rest van mijn levenstijd emploijeeren om dit werk te beschaven, te verbeteren, en tot zekeren trap van perfectie te brengen; afziende van alle andere werken. 'T is wel waar dat ik nog wat had kunnen wagten met de Drukpers, en dat ik nu bereids, tot mijn groot leed wezen veele fouten in het afgedrukte bemerk; dog om redenen, die ik tot nog toe niet kan melden, en die egter voor mij van het hoogste gewigt zijn, heb ik zulks moeten verhaasten, en zal ik zelf nu Schouten30 aandringen om spoed te maken.
(Ett, blz. 291)
Inmiddels waren de eerste vijf boeken van de Friso reeds in het Latijn vertaald, en wel door de conrector van de Latijnse school in Leiden, Gerhard Schroder (1708-1762). Deze ambitieuse man maakte van zijn verblijf in Leiden gebruik om zich opnieuw als student aan de Universiteit te laten inschrijven en een doctorsgraad in de rechten te verwerven, op grond waarvan hij in 1744 tot hoogleraar in Harderwijk zou worden benoemd. Het manuscript van zijn vertaling - waarvan het derde boek is zoek geraakt - bevindt zich op de Provinciale Bibliotheek te Leeuwarden en staat daar op 1740 gedateerd.31 Schroder heeft dus blijkbaar vertaald naar
de afgedrukte vellen van de eerste boeken, vóórdat de uitgave voltooid was. Hoe hij die in handen gekregen heeft, is mij niet bekend. Overigens schijnt hij zijn werk niet zonder overwegingen van eigenbelang te hebben ondernomen; hij hoopte op protectie door Van Haren.32 Typerend voor hem lijkt ook de nadrukkelijke mededeling, dat zijn vertaling met de hulp van niemand minder dan Tiberius Hemsterhuis - de beroemde Graecus en vader van de nog beroemder Franciscus - nagezien en verbeterd was. Hemsterhuis kwam eerst in 1740 als hoogleraar in het Grieks en de vaderlandse geschiedenis van Franeker naar Leiden. Veel gelegenheid voor samenwerking met hem kan Schroder dus niet hebben gehad. Heeft hij de waarheid misschien een beetje aangedikt door het voor te stellen alsof Hemsterhuis zijn oog over de gehéle vertaling had laten gaan?
Hoe dit ook zij, verder dan de eerste vijf boeken is Schroder nooit gekomen. En die vijf werden nooit gedrukt.
Voor zover ik weet, heeft alleen de Boekzaal der geleerde Waerelt een bespreking aan de eerste druk van Friso gewijd.33 In het nummer van maart 1742 wordt de verschijning aangekondigd en - aan de hand van de argumenten en van citaten uit de tekst - een uitgebreid overzicht van de inhoud gegeven. De (anonieme) recensent onthoudt zich echter van elke evaluatie. Alleen wijst hij er aan het slot van zijn artikel op, dat een heldendicht ‘van een goedt uitwerksel ten opzichte van de zeden’ behoort te zijn, en dat de Friso daaraan ten volle voldoet:
deze hoedanigheit heeft dit Gedicht in den hoogsten trap, en is daarom zeer bequaam om de gemoederen aan te zetten tot het goedt, en af te schrikken van het quaadt. (blz. 289).
Doordat Willem van Haren in de noten van de Friso telkens naar zijn bronnen verwijst, hebben wij een vrij volledige voorstelling van zijn uitgangspunten voor de verschillende componenten van zijn epos. Die componenten laten zich als volgt aanduiden: de legende van Friso; de leer van Zoroaster; Alexander de Grote; Rome en de Tweede Samnieten-oorlog. Aan de hand daarvan kunnen de bronnen overzichtelijk worden gegroepeerd.
De legende van Friso is in beginsel gebaseerd op Friese kronieken uit de 16de en het begin van de 17de eeuw. De aard en de achtergronden daarvan vindt men behandeld in de studie van E.H. Waterbolk over de oudere Friese geschiedschrijving;34 ook de beschikbare gegevens over de auteurs en de uitgaven zijn daar in overzich-
telijke vorm bijeengebracht.35 Van Haren verwijst naar verschillende van deze werken en had er een zestal in zijn bezit.36
Het verloop van de aankomst-verhalen - de term is van Waterbolk - is niet bij alle auteurs gelijkluidend, maar komt in het algemeen ongeveer op het volgende neer. Een deel van de bevolking uit een land in India wordt wegens gebrek aan voldoende bestaansmiddelen bij loting aangewezen om elders een woonplaats te gaan zoeken. De emigranten staan onder leiding van drie broers: Friso, Saxo en Bruno. Zij treden in dienst van Alexander de Grote, maar kunnen zich na diens dood niet in het hun toegewezen gebied handhaven en keren naar hun vaderland terug. Door toedoen van de tyran Agrammes (die vreest voor zijn kroon) moeten zij echter opnieuw vertrekken. Om Afrika heenvarend, komen zij tenslotte in de Noordzee terecht en vestigen zich aan de oevers van de Vlie-stroom. In verband met het ontbreken van voldoende weide-plaatsen voor allen trekken Saxo en Bruno later verder; de eerste wordt de grondlegger van Saksen, de tweede van Brunswijk. Friso blijft op de plaats van aankomst en geeft aan dit gebied zijn naam: Friesland.
In haar meest uitgewerkte vorm vindt men de legende van Friso bij Suffridus Petrus (1527-1597), Leeuwarder van geboorte, classicus en historicus, hoogleraar in Erfurt en later in Keulen, landsgeschiedschrijver van Friesland. In een nieuwjaarsgedicht voor de Friese Staten geeft hij zelfs een levensbeschrijving van ‘de stichter der Friezen’.37 Deze zou niet alleen met zijn broers, maar ook met zijn vader Adel de wijk genomen hebben - en wel naar Griekenland, waar hij in Athene de lessen van Plato volgde. Later trad hij in dienst van Philippus van Macedonië, en na diens dood van Alexander de Grote, met wie hij naar Azië en India terugkeerde. In Macedonië zou hij gehuwd zijn met Hylla, kleindochter van Alexander's legeraanvoerder Lysimachus, die hem zeven zonen en één dochter schonk. En zo verder, totdat Friso zich vestigde in het hart van zijn nieuwe rijk, op de plaats waar nu Bremen ligt.
De grote bestrijder van de legende was Ubbo Emmius (1547-1625), classicus en historicus evenals Suffridus, rector van de Latijnse school in Norden en Groningen, eerste rector magnificus van de Groningse universiteit. In een strijdschrift tegen Suffridus Petrus en diens leerling Furmerius38 maakt hij de vita Frisonis belachelijk door te wijzen op de vele onwaarschijnlijkheden en historische onmogelijkheden in het verhaal.39 Bovendien signaleert hij de tegenspraak tussen de gegevens in Suffridus' nieuwjaarsgedicht en die in zijn grote geschiedwerk De Frisiorum antiquitate et origine libri tres (Keulen 1590).40
Willem van Haren is het volkomen met Emmius eens. ‘Wy twyffelen niet of het zoude aan elk voorkomen, dat de genoemde overleveringen zodanig tegen alle waarschynlykheid strydende zyn, dat niemand, die eenige kennis van de Oudheid heeft,
dezelve met de geringste aandagt zoude willen verwaardigen’, schrijft hij in zijn Voorreden van 1741. En in een noot citeert hij daarbij een groot fragment uit het strijdschrift van Emmius tegen Suffridus Petrus. Noch in dit citaat noch in de Voorreden komt de naam van deze laatste voor, zodat slechts uit de inhoud van het geciteerde blijkt dat Van Haren in het bijzonder aan hem heeft gedacht. Dat wordt overigens bevestigd door de wens, die hij enkele bladzijden verder uitspreekt, dat als echtgenote van Friso ‘Atosse beter zal behagen dan eene Hilla’.
Van Haren gaat dan ook eclectisch te werk en neemt uit de overlevering slechts over wat hij bruikbaar acht. Op negen punten - zo verklaart hij - stemt zijn epos met de kronieken overeen:
1. Dat Friso uit Indië is geboortig geweest: 2. Van Koninklyken Staat: 3. Verdreeven door den Verrader Agrammes: 4. In zyne eerste jeugd: 5. Dat Hy, uit Indië, door Asie, de Middelandsche Zee, en den Straat van Hercules gevlugt, den Vliestroom is ingezeild: Immers volgens Furmerius:41 6. Dat Friesland haren naam van dezen Friso heeft ontvangen, en behouden: 7. Ten tyde van Alexander den Groten: 8. Dat Friso een Prins is geweest van uitmuntende hoedanigheden: 9. En den Persiaanschen Gods-dienst toegedaan.42Bij het laatste punt voegt hij in een noot een citaat toe uit de Chronique ofte historische geschiedenisse van Vrieslant (Franeker 1622) van Pierius Winsemius (1586-1644). De kern daarvan is, dat Friso ‘in 't jaer voor die gheboorte onses Heeren Jesu Christi 245 binnen Stavoren gestorven (is), alwaer ook op de Persische wyse (zo Furmerius schryft) zyn uitvaert gehouden is’. De Perzische leer, die Friso bij Van Haren aanhangt en die zulk een belangrijke plaats in het epos inneemt, wordt dus door twee kroniekschrijvers gestaafd! Vermoedelijk is de vluchtige mededeling van Winsemius het uitgangspunt geweest voor de brede verbeelding van de dichter op dit punt.
Wellicht is Van Haren ook door Winsemius op het idee gebracht de Samnietenoorlogen en de geschiedenis van Papirius en Fabius in zijn epos te betrekken. Op fol. 7 van diens Chronique leest men namelijk, dat de aankomst van Friso in Friesland plaats vond in 313 vóór Christus, ‘ten tyde als binnen Romen Burghemeysteren waren, L. Papyrius Cursor, ende Q. Publilius Philo onder wiens regeringe die Dictator Fabius die Samnitische Oorlogen geluckelijck gevoert heeft’.
Verder beroept Van Haren zich in een brief van 19 juni 1740 aan Huydecoper op de kronieken om de rokende poel en de vurige draak uit het elfde boek te rechtvaardigen. In een P.S. schrijft hij daar:
de kolk in het iste ontwerp van het ii Boek als mede het monster gaan niet tegen de poëtische waarschijnlijkheid, dewijl de Friesche Chronijken daar gewag van makend; zijnde de plaats een half uur van Stavoren, en genaamd het rode klif.43De Croniicke van Scharlensis-Vlitarp-Andreas Cornelius (Leeuwarden 1597) vermeldt inderdaad op fol. 4:
Midtsomer int voors. iaer van vieren [= 4 n. Chr.] ontsprong opt Suydwest van den Berch, diemen het Roode Clif noemt, omtrent thien treden daer van, een vyerige vlamme drie daghen duerende wter aerden. Ende den vierden dach daer nae quam daer eenen grooten Draeck wt vlien, die sich seer hoogh inder lucht verhief, tot een verschrickinge van velen. Ende na dat hy omtrent een halve ure sich soo hooch in-der Lucht vertoont hadde, is hy weder neder gedaelt, vliende in der aerden, daer hy wt ghecomen was, ende is daer nae noyt weder ghesien.44Ook hier hebben de kronieken de dichter een motief aan de hand gedaan.
Tenslotte moeten nog de broers van Friso worden vermeld. Ook in het epos komen Saxo en Bruno voor, zij het als kinderen en geheel terzijde van het handelingsverloop.
Voor de ‘Persiaansche Godsdienst’ van Teuphis en Friso verwijst Van Haren in zijn Voorreden van 1741 naar de Verhandeling van T. Hyde ‘in zyne berugte [ = befaamde] geschiedenis van den Godsdienst der oude Persianen’. Bedoeld wordt de Engelse oriëntalist Thomas Hyde (1636-1703), hoogleraar in Oxford, die de aandacht getrokken had met zijn werk: Historia Religionis veterum Persarum, necnon eorum Magorum liber Sad-der, Zoroastris praecepta, seu religionis canones continens, e persico latine versus, cum appendice (Oxford 1700).
Achteraf is gebleken, dat Hyde - ‘privé des documents les plus essentiels, entre autres des livres sacrés des anciens Perses, que l'Europe ne possédait pas encore’45 - een onjuiste voorstelling van zaken geeft. Maar in de eerste helft van de 18de eeuw werd daaraan onvoorwaardelijk geloof gehecht. - Wat Van Haren in Hyde's boek het meest getroffen moet hebben, is het fundamentele monotheïsme van de oude Perzen, waardoor hun geloof sterke overeenkomst vertoont met het Oud-Testamentische Judaïsme. Dat bood hem de mogelijkheid, Friso in vóór-Christelijke tijd een godsdienst te doen belijden die, met name op zedelijk gebied, aan het eigentijdse rationele Christendom verwant was. Het onderkennen en benutten van die mogelijkheid is een van Van Haren's meest gelukkige vondsten geweest, zo niet de meest gelukkige in absolute zin. Niet alleen omzeilde hij daarmee de bezwaren van zowel merveilleux chrétien als merveilleux païen, maar bovendien bracht hij de morele strekking van zijn epos veel dichter bij de lezers dan anders mogelijk zou zijn geweest.
Geen wonder dus, dat Van Haren telkens weer de nadruk legt op de Zoroastrische werkelijkheid achter zijn verhaal door te verwijzen naar Hyde. Hij verzint niet in het wilde weg, maar tekent een situatie die historisch mogelijk zou zijn geweest en daardoor aan geloofwaardigheid wint. In de tweede druk van 1758 heeft hij deze annotatie nog uitgebreid en citaten toegevoegd, zowel in het oorspronkelijke Latijn als in Nederlandse vertaling. Uit een van die citaten laat ik, bij wijze van kennismaking, de kern volgen:
Want zy [ = de Persiaansche Priesters] bidden God, den Almagtigen Schepper van Hemel en Aarde, op het allerootmoedigste aan; vliedende het kwade met een zeer bevreesd en angstig geweten, en het goede in tegendeel doende en vlytig betrachtende, met zulk een uitmuntende Godsvrugt en diepe vreze voor
den Allerhoogsten, datze in dezen dele vele andere volken der wereld overtreffen. Ja, men moet van hen in het byzonder opmerken, dat het de kerk en het volk der Persen alleen, ja dat zy de enigste in de gehele wereld, (behalven het geheiligde volk der Israëliten en Joden) geweest zyn, die geduriglyk en standvastiglyk, van hunnen eersten oorsprong af, dat is van hun begin en zelf van den Zondvloed tot op den tegenwoordigen tyd, de kennis en dienst van den waren God altoos, zonder afbreking van tyd, bewaard hebben, en nog blyven behouden. En schoon zy hunnen waren Godsdienst met een uiterlyk zoort van dienst aan de Maan, Sterren en het Vuur, besmet, en dus met veele bygelovige en zondige Beuzelingen den zuiveren dienst Gods, (als de Tarw met het Onkruid) vermengd hebben; zoo is dit egter maar geschied door de verleiding van hun dwalend geweten; zonder de vreze en eere Gods uit te sluiten; dewyl zy intusschen van alle Eeuwen af de ware en wezenlyke Godsvrugt bewaard en gehandhaafd hebben.46
Van Haren's voornaamste bron voor de geschiedenis van Alexander de Grote is het werk van Quintus Curtius Rufus geweest: De rebus gestis Alexandri Magni. De dichter verwijst er in zijn noten herhaaldelijk naar, en drukt zelfs na zijn Voorreden een gedeelte uit lib. X, cap. 1, af (in het Latijn en in het Nederlands) ‘tot ophelderinge van het Zevende Boek van dit Werk’. Dat Zevende Boek handelt namelijk over de moord op Orsines door Alexander's gunsteling Bagoas, en Van Haren wilde doen uitkomen hoe nauwkeurig hij zich in zijn fictie aan de historische werkelijkheid heeft gehouden.
Maar Curtius was slechts één van de vele auteurs uit de Oudheid, die de dichter kende en waarvan hij voor de Indische, Perzische en Grieks-Macedonische achtergronden van de Friso gebruik maakte. Van Haselen heeft ze in zijn proefschrift zorgvuldig bijeengezocht en komt tot de conclusie:
Hij kent zijn schrijvers, en deze vormen een eerbiedwaardige rij: Plutarchus, Justinus, Plinius, Strabo, Curtius, Athenaeus, Herodotus, Aelianus, Thucydides, Arrianus, Diodorus Siculus, die alle heeft hij gebruikt en zij waren - op Strabo, Athenaeus en Arrianus na - ook alle in zijn bibliotheek.47
Terecht wijst Van Haselen erop, dat Van Haren vaak historische bijzonderheden geeft die voor de Friso als zodanig geen enkele betekenis hebben. Hij acht dit tekenend, ‘omdat zich daarin maar al te zeer de geleerde in plaats van de kunstenaar openbaart’.48
In dit verband dient tenslotte nog de moeite te worden vermeld, die Van Haren zich geeft om de geographie van zijn epos authentiek te maken. Daartoe baseert hij zich op de beroemde kaarten van Ptolemaeus (tweede eeuw na Chr.), waarnaar hij vele malen verwijst.
Zoals Curtius de belangrijkste bron was voor het Alexandreïsche gedeelte van de Friso, zo is Livius dat voor het Romeinse geweest. Van Haren steunt voornamelijk op diens Rerum Romanarum ab urbe condita libri. ‘Daarenboven echter heeft hij de minder bekende Florus en Dionysius Halicarnassensis geraadpleegd’,49 de laatste kennelijk in Latijnse vertaling.
De eerste druk van de Friso heeft geen Opdracht en geen drempeldichten. Het voorwerk omvat enkel de Voorreden en het fragment uit Curtius over de moord op Orsines, dat in de vorige paragraaf reeds besproken is.
De Voorreden maakt, althans voor wat het eerste gedeelte betreft, de indruk vrij haastig en slordig geschreven te zijn.50 Van Haren valt met de deur in huis:
Om twee redenen hebben wy ons verpligt gevonden den Lezer met eene Voorreden op te houden.
Eerstelyk: Op dat men niet verwagte dat dit Werk eene volkomene navolginge zy van het gene door de Friesche Geschiedenis- of Chronyk-Schryvers, nopens den Perzoon, Vaderland, Geslacht, en Godsdienst van Friso word gemeld.
Wat er in de tweede alinea staat, is verwarrend en onjuist. Van Haren's eerste punt omvat heel wat méér dan enkel de verhouding van zijn werk tot de kronieken. Er worden daarin nog een viertal andere zaken aan de orde gesteld, die eveneens betrekking hebben op het concept van zijn epos.
Op wat er over de Friso en de kronieken gezegd wordt, behoef ik niet meer in te gaan; dat is in het eerste gedeelte van de vorige paragraaf uitvoerig aan de orde geweest. Slechts de zin, waarin Van Haren naar de poëtica verwijst, verdient een ogenblik onze aandacht. Na te hebben opgemerkt dat de ‘genoemde overleveringen’ met elke waarschijnlijkheid in strijd zijn, laat hij daarop volgen:
Nogtans hebben wy den Regel, die van de Dichtkunst eischt, dat dezelve zich eenigermaten daar aan binde, gansch niet versmaad, nog te buiten gegaan; maar de Fabels gevolgd, zoo verre als wy oordeelden dat dezelve, of tot nut, of tot vermaak, konden strekken.Volgens de regels behoorde een epos geen puur verzinsel te zijn, maar moest het berusten op een (kleine) basis van historie of overlevering, die de geloofwaardigheid van de fictie versterkte.51 Van Haren heeft dan ook - zo verklaart hij - de legende ondanks haar onwaarschijnlijkheid toch zoveel mogelijk gevolgd. Welk criterium hij daarbij heeft aangelegd, zegt hij er niet bij. Uit zijn praktijk valt echter op te maken,
dat hij geschrapt heeft wat historisch onmogelijk was of al te ongeloofwaardig aandeed (zoals de zeereis om Afrika heen). Zo kwam hij tot de negen punten van overeenkomst met de kronieken, die wij reeds kennen.
Vervolgens worden kort een drietal punten aangestipt, waaraan ik voorbijga. Maar dan entameert Van Haren een onderwerp, waarop hij weer even omstandig ingaat als op de verhouding tussen zijn epos en de kronieken. Dat onderwerp betreft de Romeinse Republiek. Wat hij daarover te zeggen heeft, is onduidelijk geformuleerd, maar ik meen de bedoeling als volgt te mogen samenvatten: ‘In het achtste en negende Boek heb ik de republiek als ideale staatsvorm getekend, en voor de tijd van mijn verhaal is dit juist. De enige republiek, die men toen kende, was die van Rome, en daarvan was niets dan goeds te zeggen. Ik zou anders te werk hebben moeten gaan, als er in die tijd nog een andere republiek had bestaan, die het tegendeel was van de Romeinse: een republiek waar eigenbaat regeerde, onkunde, jaloezie nepotisme. In dat geval had ik een domper moeten zetten op de lof van de republikeinse staatsvorm, zoals die in mijn epos verkondigd wordt’.
Het is duidelijk, dat Van Haren de misstanden in de Republiek der Verenigde Nederlanden op het oog heeft en die met bitterheid stelt tegenover de luister van het Romeinse Gemenebest. Die luister - zo gaat hij dan verder - hadden de Romeinen te danken aan het feit dat zij voortdurend oorlog moesten voeren en daardoor werden belet ‘zich der wellust en lafhartigheid over te geven’. Toen voor hen een blijvende vrede kwam, gingen zij aan de longae Pacis mala (de kwalen van een langdurige vrede) ten onder.52 En wéér is de implicatie duidelijk: als de Nederlanden aan eenzelfde lot willen ontkomen, caveant consules!
- Na dit alles komt de dichter eindelijk toe aan ‘de tweede reden’ voor het schrijven van een voorrede. Hij heeft een ereschuld af te doen en grijpt naar de pen,
om dat wy aan de gehele Waereld wilden bekend maken de verpligtinge dewelke wy hebben aan den Heere Balthasar Huidecoper, Schepen der Stad Amsterdam, Bailluw en Dykgraaf van Texel, door zyne Schriften by alle Geleerden bekend, en te veel ge-agt dan dat onze geringe lof-tuitingen hem eenigen luister zouden kunnen byzetten: hoe zeer de moeite, die hy genomen heeft, om ons de gebreken van dit werk aan te wyzen, dezelve hebben verdiend.De bemoeienissen van Huydecoper zijn het werk zéér ten goede gekomen, maar volmaakt is dit desondanks niet geworden. Ondanks alle inspanning van revisor en auteur kan men er nog heel wat tekortkomingen in ontdekken, zowel van taalkundige als van structurele aard. Als die fouten het onmogelijk maken zijn epos tot de poëzie te rekenen, dan is de dichter ‘gestruikeld op een pad waar op aan veele doorluchtige Verstanden zulks is overgekomen’.
Het besef nog slechts voorlopig werk te hebben geleverd, blijkt ook uit Van Haren's brief van 10 februari 1741 aan Huydecoper.53
Voor een kritische bespreking van de Friso kunnen wij niet beter doen dan uitgaan van de onderscheiding, die Van Haren in het tweede deel van de Voorreden maakte tussen het taalkundige en het structurele aspect van zijn werk. Alleen dient dan het laatste voorop te gaan.
In het algemeen kan het concept, dat aan het epos ten grondslag ligt, niet anders dan voortreffelijk worden genoemd. De dichter is erin geslaagd, de zwerftocht van Friso over de halve aardbodem tot een goed samenhangend en redelijk overtuigend geheel te maken. De omstandigheden, die de held tegen zijn zin steeds verder van zijn vaderland wegvoeren, komen telkens logisch uit het verhaal voort en laten hem inderdaad geen andere keus. Zijn avonturen zijn vaak verrassend origineel, vooral wanneer zij verband houden met historische gebeurtenissen of personen. Bij dit alles speelt het toeval een belangrijke rol, maar het is een ‘toeval’ dat beheerst wordt door een Hogere Macht. Friso wordt van Hogerhand naar zijn nieuwe bestemming geleid en door zijn ondervindingen voorbereid op de taak die hem aan de oevers van de Vlie-stroom wacht.
Dat laatste zou men de centrale idee van de Friso kunnen noemen. Van Haren heeft er echter zó weinig nadruk op gelegd, dat zij nauwelijks als zodanig functioneert. Het is niet zo vreemd, dat Koopmans er ten gunste van het toeval overheen las.54 In plaats van de Godheid reeds aan het begin van zijn epos aan te wijzen als de Macht, die de lotsbestemming van Friso bepaalt, stelt de dichter het teleologische aspect van diens omzwervingen eerst in het tiende boek aan de orde! Daar houdt Teuphis, op een moment van uiterste nood, in een ernstig betoog aan zijn tochtgenoten voor, dat al hun tegenspoed wel eens voor de Godheid het middel zou kunnen zijn om hen naar een nieuwe bestemming in een onbekend land te voeren.55 Het is tevens de énige maal, dat deze gedachte onder woorden wordt gebracht. Blijkbaar vond Van Haren de feiten voldoende voor zichzelf spreken om herhaling of uitbreiding van dit motief overbodig te maken.
Structureel is deze situatie niet bevredigend, maar zij volgt uit de compositorische opzet van de Friso. Het ingrijpen van God is een metaphysisch element, en de traditie van het epos bracht nu eenmaal mee dat het bovennatuurlijke alleen gestalte kon krijgen in de vorm van het merveilleux. Welnu, in de eerste tien boeken van Van Haren's heldendicht ontbreekt het merveilleux volledig, zodat daar geen gelegenheid was de bovenzinnelijke achtergrond van de gebeurtenissen uit te beelden. Ook Teuphis kan in het tiende boek tenslotte slechts op het aardse vlak een persoonlijke overtuiging uitspreken. - In de laatste twee boeken heeft het Wonderbaarlijke echter wèl een plaats, en men had mogen verwachten dat de dichter daarvan gebruik zou hebben gemaakt om de onderbelichting van zijn centrale idee zoveel mogelijk te compenseren. Op zijn minst had de Engel, die in deze boeken aan Friso verschijnt, de menselijke uitspraak van Teuphis over het werken van Gods Wil metaphysisch moeten bevestigen. Dat dit niet gebeurt, moet uit episch oogpunt een compositiefout worden genoemd.56
In verband met het bovenstaande dringt zich de vraag op, waaròm Van Haren in de eerste tien boeken van de Friso zo zorgvuldig het merveilleux vermeden heeft, om in de laatste twee daar toch weer toe terug te keren. Het is een tweeledige vraag, die ook het best in twee gedeelten kan worden beantwoord. In beide gevallen vinden wij de sleutel daartoe in een uitspraak van de dichter zelf.
a. In de Voorreden van 1758 wijst deze erop, dat het invoeren van de leer van Zoroaster in zijn epos het hem mogelijk maakte
om de Heidensche Godheden, tot walgens toe, in de Digtkunst, ten Toneele gebragt, te ontgaan; en om den waaren Godsdienst niet te mengen in vercieringen, noch te eevenaaren met Herssen-Schimmen.57Anders gezegd: ‘om de afgezaagde mythologie te vermijden, en niet te vervallen tot een ontoelaatbaar merveilleux chrétien of een analogie daarvan naar eigen verzinsel’.
In het voetspoor van Boileau verwierp Van Haren het merveilleux chrétien, maar anders dan deze voelde hij ook niets voor de godenpraal van een merveilleux païen, ongeacht de signatuur. Dat alles ging voor hem aan het wezenlijke van de godsdienst voorbij. Maar in de leer van Zoroaster had hij een religie naar zijn hart gevonden: monotheïstisch, redelijk, diep-moreel, Christelijk avant la lettre voor zover dit buiten Christus mogelijk was. Op de basis daarvan begon hij zijn epos te schrijven. Merveilleux was er niet bij nodig. Integendeel, dat kon er alleen afbreuk aan doen.
b. Gaandeweg moet Van Haren echter tot de conclusie gekomen zijn, dat op deze manier zijn werk meer het karakter kreeg van een reisverslag dan van een epos. Om het daarboven uit te heffen had hij behoefte aan de climax van een uitzonderlijke gebeurtenis: iets Wonderbaarlijks. Dat behoefde hem niet zonder meer in conflict te brengen met zijn principes. Wat hij afwees, was een merveilleux, waarbij de dichter de mysteries van God en Zijn Raadsbesluiten hanteerde of hij daar meester over was. Tegen een milde vorm van merveilleus gebeuren had hij geen bezwaar; dat kon worden aanvaard als onderdeel van het genre. Vandaar dat hij een schets maakte voor de afsluiting van zijn epos met de draak, de Geleide-engel en het bezoek van Friso aan de hel. In zijn brief van 19 juni 1740 legde hij zijn ontwerp aan Huydecoper voor, zij het met enige aarzeling. Enerzijds is dit slot - zo schrijft hij - wel ‘het gevoegelijkst ontwerp voor een heldendigt’, maar anderzijds is het de vraag
of deze verschijning en dit merveilleuse hier zal kunnen uitblinken na dat in hel voorgaande van 't werk niets diergelijks te vinden is geweest. Gewis niet zo de Engel geene bondige reden gaf warom hij nooit voorhenen had mogen verschijnen. Dog dit zijnde zou het dan niet passen? Ik geloof egter alleen in het laatste Boek en nergens anders, of men had zo moeten beginnen en voleinden.58
Met andere woorden: ‘Is na tien boeken zonder merveilleux een merveilleus slot nog aanvaardbaar? In ieder geval zou er (door de Engel) een overtuigende verklaring moeten worden gegeven voor het verschil. Maar dàn zou een eenmalige uitzondering op de regel er naar mijn mening mee door kunnen’.
Het directe antwoord van Huydecoper op deze brief is niet bewaard gebleven. Maar kennelijk had hij geen ernstige bezwaren, want Van Haren heeft zijn voornemen inderdaad ten uitvoer gebracht. Alleen is de ‘bondige reden’ van de Engel ‘warom hij nooit voorhenen had mogen verschijnen’ daarbij komen te vervallen. Dat is jammer, want de overgang wordt zodoende onnodig abrupt. Of bleek het te moeilijk een overtuigende reden te bedenken?
Zo juist heb ik uit de Voorreden van 1758 geciteerd, dat Van Haren de leer van Zoroaster aanwendt als middel om de traditionele mythologie uit de Oudheid te
vermijden. Volgens Van Haselen is daar echter niet veel van terecht gekomen, en gebruikt de dichter ‘beide allerzonderlingst dooreen’. Hij meent zelfs te moeten concluderen: ‘Eigenlik speelt het klassieke godendom - in weerwil van 's dichters bedoeling - veel groter rol dan de Perziese religie’.59
Zó onhandig als Van Haselen suggereert, is Van Haren evenwel niet geweest. Er zit wel degelijk een systeem in de manier waarop hij te werk gaat. Hij gaat uit van drie verschillende soorten godsdienst. Op het hoogste niveau staat die van de Perzen, volgens de leer van Zoroaster. Aan het andere uiterste ligt het geloof van de primitieve Kelten, waartoe de dichter zowel de Alanen als de Britten rekent. Daartussen-in treft men het veelgodendom van de beschaafde wereld buiten Perzië aan. Dat laatste heeft Van Haren niet gedifferentieerd, maar globaal naar het model van de klassieke mythologie getekend. Van Haselen duidt hem dit, als een fout tegen de couleur locale, nogal euvel. De dichter houdt zich hier echter aan de epische conventie, die zowel eenheid van godsdienst als eenheid van taal veronderstelt. Eigenlijk is hij bij zijn generalisatie zelfs meer in overeenstemming met de traditie van het epos dan bij zijn historische weergave van het Parsisme of zijn vermelding van enkele Keltische godennamen.
Voor zover er in de Friso een bovennatuurlijke achtergrond is, berust deze op ‘de Persiaansche Godsdienst’. Dat is waar Van Haren op doelt, als hij in de Voorreden van 1758 zegt door het invoeren daarvan het gebruik van de klassiek-mythologische goden te hebben kunnen vermijden. Die laatsten spelen immers geen enkele actieve rol en staan zelfs buiten de realiteit van het epos. Zij komen daarin slechts voor als namen in de mond van hun aanhangers. En hetzelfde geldt voor de godheden van de Kelten.
Het uitzicht op deze systematiek wordt echter vertroebeld, doordat Van Haren de klassieke mythologie daarnaast óók in oneigenlijke zin gebruikt, als onderdeel van de episch-dichterlijke taal uit zijn tijd. In omschrijvingen als ‘Amphitrites Ryk’ en ‘Thetis wyden plas’ voor de zee, in stereotiepe uitdrukkingen als over het opsluiten of loslaten van de winden door Aeolus, in vergelijkingen, beelden en zinspelingen, is, zoals Van Haselen het formuleert, ‘in de Friso de gehele mythologie vertegenwoordigd’.60 Dat werkt op het eerste gezicht verwarrend en is de eigenlijke oorzaak van de onlustgevoelens bij Van Haselen. Maar bij aandachtige lezing blijkt gauw genoeg, dat deze ‘mythologie’ niets te maken heeft met de inhoud van het epos en slechts als stilistische ornamentiek fungeert. Er treft Van Haren dan ook geen blaam. Hoogstens kan men zeggen, dat hij het zijn lezers op dit punt wat gemakkelijker had kunnen maken. Daar staat echter tegenover dat zijn tijdgenoten, gewend als zij waren aan een mythologiserende parnastaal, hier naar alle waarschijnlijkheid nauwelijks een probleem hebben gevoeld.
Bijzondere waardering verdient de voortreffelijke liaison des épisodes in het epos, vooral wat betreft de overgangen van land naar land. Wij kunnen de reis van Friso vrijwel op de voet volgen, wat de belangstelling voor zijn avonturen ten goede komt.
Er is op deze regel echter één uitzondering. Aan het einde van het zevende boek moeten Friso en de zijnen voor Alexander de Grote uit Carmanië (aan de Golf van Oman) vluchten; zij worden daarbij geholpen door de Romeinse verspieder Proculus, die aan de kust een schip ter beschikking heeft en hun daarop plaats biedt. Aan het
begin van het achtste boek komen zij in Rome aan. De reis daarheen valt evenwel - in tegenstelling tot àlle andere reizen van Friso - buiten het verhaal. Er wordt slechts retrospectief en héél summier aangegeven, dat deze door Arabië voerde, dat er bij Sidon een hachelijk moment was, en dat vandaar de reis per schip werd voortgezet (VIII, 9-28).
Het is begrijpelijk, dat Van Haren afgezien heeft van een beschrijving van deze reis. De moeizame tocht door het Arabische schiereiland en Palestina naar Sidon zou zowel op zijn geographische en historische kennis als op zijn verbeeldingskracht een additioneel beroep hebben gedaan, waaraan hij niet zo gemakkelijk kon voldoen. Bovendien zou de tegenstelling tussen de tyrannie van Alexander en de republikeinse democratie in Rome niet zo scherp zijn uitgekomen, als een reeks tussen-liggende Arabische avonturen de aandacht al weer van de eerste had afgeleid. En misschien wilde de dichter ook voorkomen, dat zijn epos tot een épopée-fleuve zou uitdijen.
Maar hoe begrijpelijk ook, het weglaten van deze reis wordt door de lezer toch als een lacune ervaren. Het gaat hier immers niet om zo maar een tocht van Friso, maar om de reis die hem uit het Oosten naar het Westen voert en daarmee zijn lot bepaalt; de enige reis bovendien, die hij voor het grootste deel over land maakt en waarop hem andere gevaren bedreigen dan de stormen, waarover telkens zo uitvoerig verteld wordt.
Op de een of andere manier had Van Haren hier een oplossing moeten vinden, die hem veilig tussen de Scylla van het te veel en de Charybdis van het te weinig doorvoerde. Dat hij daaraan blijkbaar geen behoefte voelde, duidt op een zekere starheid in zijn dichterschap.
Er vallen in de structuur van Friso meer kleine oneffenheden aan te wijzen. Zo laat de jonge Prins zich in het eerste Boek wat al te voetstoots door Teuphis tot de leer van Zoroaster bekeren. In het tweede boek vormt het lange verhaal van Teuphis aan Charsis over zijn levensloop een episode, die niet genoegzaam voldoet aan de regel dat in een epos de episoden verband moeten houden met de hoofdhandeling. In Boek IV wordt de actie overwoekerd door vermaningen en betogen. Maar de meeste vragen en bedenkingen rijzen bij de hellevaart van Friso in de twee laatste boeken.
Die hellevaart is natuurlijk bedoeld als imitatie van Aeneas' tocht door het dodenrijk bij Vergilius. Maar Van Haren brengt een ingrijpende wijziging aan, die nergens wordt gemotiveerd. Friso bezoekt alléén de Hel en niet - zoals Aeneas - ook de verblijfplaats van de gelukzaligen. Hij ontmoet uitsluitend schimmen van veroordeelde doden, en het gericht dat hij bijwoont dient ter bepaling van de strafmaat. Waarom deze eenzijdigheid, die des te meer opvalt omdat Friso's geleide-engel naast de Hel wel degelijk ook het Hemelrijk noemt (XII, 58)? De meest waarschijnlijke verklaring lijkt mij, dat Van Haren een beschrijving van de Hemel vermeed, omdat deze een vorm van merveilleux zou hebben betekend zoals hij die om principiële redenen afwees. Maar dat neemt de anomalie niet weg.
Een ander bezwaar tegen de hellevaart is, dat zij in de geschiedenis van Friso niet (voldoende) zinvol functioneert. Aeneas ontmoet op zijn tocht door de onderwereld geliefde gestorvenen, in het bijzonder zijn vader, en mag zijn toekomstige nakomelingen aanschouwen. Noch het een noch het ander is bij Friso het geval. Weliswaar deelt de Engel hem mee: ‘Het geen gy nu zult zien, daald ge in deez Ryken neêr, // Zal in 't toekomende verstrekken tot een Leer’ (XI, 693-694), maar waarop die leer neerkomt, wordt niet goed duidelijk. Dat het kwaad in het hiernamaals gestraft wordt, of - meer in het bijzonder - dat tyrannische vorsten door eeuwige wroeging
worden gekweld? Iets dergelijks moet klaarblijkelijk worden verondersteld, maar komt niet overtuigend naar voren.
Dat laatste is mede een gevolg van de koele verstandelijkheid, waarmee de betrokken episode geschreven is. In het algemeen zijn de straffen van de verdoemden niet zonder vernuft verzonnen, soms zelfs met een vleugje humor. Maar de dichter heeft niet geprobeerd zijn held ook maar enigermate daarbij te betrekken. Friso blijft onbewogen door alle wroeging en pijn, die hij aan zich ziet voorbijtrekken. Hij kijkt geïnteresseerd rond en laat zich nader door de Engel voorlichten, als hij iets niet begrijpt. Zo verbaast het hem, dat sommige schimmen ‘byna vernoegt’ lijken, ‘En 't schynt of niets haar smart, haar lyden doed, en wroegt’ (XII, 45-46); dat kan en mag toch niet in de Hel? Van angst, ontzetting, mededogen, heeft hij geen ogenblik last.
Tegenover dergelijke inzinkingen staan in de Friso hoogtepunten, die zeker niet minder hun stempel drukken op het geheel. Een van die hoogtepunten is het verblijf van Friso aan het hof van Orsines, in het zesde en zevende boek. Van het eerste vormt het huwelijk van Friso en Atosse - volgens Perzische ritus - de climax, van het laatste de moord op Orsines door Alexander's eunuch Bagoas. Vooral de episode van de moord, met alles wat daaraan voorafgaat - de komst van Alexander, de opening van het graf van Cyrus, de wraak van Bagoas - wordt boeiend en met verrassende verve beschreven. Hetzelfde geldt voor het beroemde conflict tussen Papirius en Fabius gedurende de Tweede Samnieten-oorlog van de Romeinen, dat Van Haren in zijn achtste boek op bijzonder gelukkige wijze tot onderdeel van zijn epos heeft gemaakt. Voortreffelijk gevonden is ook het uitgangspunt voor een nieuwe ontwikkeling aan het begin van Boek IX: de aankomst in Rome van Ascon - in Boek V als waarnemer naar India gezonden en inmiddels door de lezer bijna vergeten - met zó belangrijk nieuws, dat Friso onmiddellijk besluit zich opnieuw op weg te begeven.
Tot deze hoogtepunten reken ik ook het motief van de vurige draak, die Friso in het elfde boek gaat bestrijden en die slechts bestaat omdat en zolang men hem vreest.61
Van Haren schrijft in de Friso een weinig poëtisch, vrij stroef en vaak wat onhandig geconstrueerd vers. De alexandrijnen lopen behoorlijk, maar hebben nogal eens een hortend karakter, mede als gevolg van overbetoningen of enjambementen. Men went echter vrij gauw aan deze eigenaardigheden en dan laat het epos zich niet onprettig lezen. Een goed specimen van het gemiddelde in taalgebruik en stijl levert al dadelijk het begin van de narratio in Boek I. Friso en de zijnen ontdekken op hun vlucht de schuilplaats van Teuphis:
Indrukwekkende poëzie is dit niet. In de regels 24, 27, 32 vallen stoplappen aan te wijzen; in reg. 26 treft het wegvallen van een object (‘Wanneer hen iets onverwagts hun snelheid in deê tomen’); in reg. 30 is ‘ziels-bedaren’ een ongewoon woord, waarvan de betekenis vaag blijft. - Maar aan de andere kant zijn het juist deze eigendunkelijkheden - men kan daar het gebruik van boorden in reg. 25 aan toevoegen -, die aan taal en stijl van Van Haren een persoonlijk karakter verlenen dat iets aantrekkelijks heeft.
Bij verdere lezing gaan wij er ons rekenschap van geven, dat de dichter in het algemeen met meer gemak een betoog of uiteenzetting versificeert dan een beschrijvende of vertellende episode. Ook valt ons op, dat hij er zelden in slaagt zijn Homerische vergelijkingen organisch te verwerken; meestal houden zij iets geforceerds of klopt de vergelijking niet helemaal. Tot het credit van de dichter behoort echter de wijze, waarop hij tracht in momenten van spanning vaart aan zijn stijl te verlenen. Hij doet dat door een staccato van korte, afgebeten zinnen of zinsdelen, dat inderdaad zijn effect niet mist. Zo bij de beschrijving van Friso's overval op de Ceylonese opstandelingen in het derde boek. De jonge vorst had gehoopt zijn vijanden te verrassen:
Een tweede voorbeeld ontleen ik aan het slot van Boek IV, waar Friso, na de opstand van het volk te zijnen behoeve, toestemming van Cosroës krijgt om met enkele van diens schepen te vertrekken:
Maar - de als geheel niet ongunstige indruk van dit alles wordt ernstig geschaad door een aantal constructies, die zózeer met het Nederlandse taaleigen botsen, dat het moeite kost zich voor te stellen hoe Van Haren ze niet alleen kon neerschrijven, maar ook in de verbeterde editie van 1758 handhaven! Ik laat hier de twee plaatsen volgen, die mij het meest zijn opgevallen.
In Boek V raakt Friso, op weg van Ceylon naar India, terecht in een verschrikkelijke storm, die hem uit de koers slaat en op de kust van Carmanië doet belanden. Terwijl alles verloren lijkt, bemoedigt Teuphis zijn scheepsgenoten door hun voor te
houden dat God ook het natuurgeweld beheerst en storm of bliksem niets vermogen tegen ‘Den Mensch, dien God gebood te laten ongetroffen’:
[‘en omdat zij de mens ontzien, die God met Zijn hand beschermt, is deze even veilig alsof hij aan land was’]
Nog verbijsterender is mijn andere geval. In het zevende boek legt Orsines aan Alexander de Grote uit, hoe Cyrus op zijn sterfbed aan zijn jongste zoon - rechtstreekse voorvader van Orsines - het bestuur over Persis had toevertrouwd:
[‘Bovendien gaf hij hem opdracht, na zijn dood zijn lijk in alle stilte naar de stad Pasargade in zijn stamland te brengen, en naar deze eenvoudige grafkamer’]
In het eerste geval kan men in het verminkte Nederlands een Latinisme herkennen (‘hem ontziende’ als een soort ablativus absolutus), in het tweede een Gallicisme (‘ordonna de transporter son corps à P.’). Maar in beide citaten is de constructie ook op andere punten zó op drift geraakt, dat de resulterende zin nauwelijks meer verstaanbaar is. Het is begrijpelijk, dat Van Haselen naar aanleiding van dergelijke plaatsen de indruk kon krijgen ‘dat het Nederlands voor Van Haren eigenlik altijd een vreemde taal is gebleven’.65
Zo ver zou ik niet willen gaan. Daarvoor zijn de extreme ontsporingen te schaars. En anders dan Van Haselen maak ik onderscheid tussen dergelijke aberraties en de - inderdaad vrij talrijke - plaatsen, waar de dichter zich alleen maar uiterst onhandig en daardoor onduidelijk uitdrukt. Ik laat er daarvan een volgen, die in dit verband door Van Haselen66 wordt geciteerd.
Friso heeft zijn hart verloren aan Atosse, en voelt behoefte daarover met een ander te spreken:
[‘De Liefde is nooit tevreden; als zij haar eerste overwinningen heeft behaald, wil zij er andere en grotere. Als het haar gelukt is macht te krijgen over het hart, probeert zij instemming van anderen te verwerven. Zij meent in macht en aanzien toe te nemen, als meerdere personen haar bestaan en aanspraken erkennen; zij gedijt in wat zij opvat als de hulp van anderen, en groeit in het pralen daarop tegenover het hart’]
Dat is vrijwel onverstaanbaar Nederlands, waarvan de paraphrase een gok blijft. Maar anders dan bij de deraillementen van daarstraks hebben wij hier in ieder geval te doen met Nederlands. Zins-constructie en woordvolgorde zijn in overeenstemming met ons taaleigen. Het manco schuilt in het woordgebruik en het beheersen van woordbetekenissen. Ik schrijf dat echter niet toe aan gebrekkige kennis van het Nederlands bij de dichter, maar aan overhaasting, onhandigheid en tekort aan dichterlijke ervaring.
Intussen dringt zich de vraag op, waarom Huydecoper in dergelijke gevallen niet heeft ingegrepen. Of heeft hij dat wel trachten te doen, maar zonder resultaat? Het antwoord daarop ligt misschien verscholen in zijn Remarques.
Zoals wij gezien hebben, heeft Van Haren de oer-versie (in tien boeken) van de Friso, zoals hij die in eerste instantie aan Huydecoper voorlegde, binnen één jaar geschreven.67 De omvang daarvan valt niet na te gaan, maar zal - gezien het uiteindelijke aantal van 9974 verzen - vermoedelijk zes- of zevenduizend regels hebben bedragen. Daaruit volgt, dat de dichter in een adembenemend tempo aan zijn epos moet hebben voortgewerkt, zonder zich tijd te gunnen voor kritische bezinning of correctie.
Deze vaart kwam de structuur van Friso ten goede, maar had een nadelige invloed op taal en vers. Snel werken was alleen mogelijk door strak vast te houden aan het oorspronkelijke concept, zonder afwijkingen die tot complicaties of tegenstrijdigheden zouden kunnen leiden. Maar het betekende tevens: continu dóórschrijven, zonder meer tijd aan formulering, woordkeus of versbouw te besteden dan strikt noodzakelijk was.
Ook bij het persklaar maken van zijn werk heeft Van Haren meer aandacht geschonken aan verbeterende uitwerking van zijn concept dan aan taalkundige of poëtische problemen. Dat blijkt zowel uit zijn correspondentie met Huydecoper als uit de uitbreiding van zijn epos met niet minder dan twee boeken.
Uit onze exploratie van de Friso is duidelijk aan het licht gekomen, hoezeer deze eenzijdige gerichtheid van de dichter het resultaat van zijn werk heeft beïnvloed. Beoordeeld naar concept en structuur is de Friso een uitstekend epos, dat veel beter in elkaar zit dan de Télémaque; de enkele bezwaren, die ertegen vallen aan te voeren, hebben geen betrekking op essentiële punten - met uitzondering van de hellevaart, maar die is dan ook een latere toevoeging. Wat taal- en dichtkundige vormgeving betreft, is de Friso echter goeddeels blijven steken in het provisorische. In de vaart van zijn schrijven heeft Van Haren zich veel te vaak beholpen met een ‘voorlopig invullen’, d.w.z. dat hij zich tevreden stelde met wat hem nog slechts in statu nascendi voor de geest zweefde: ter latere verbetering en verfijning. Zijn gebrek aan dichterlijke ervaring werkte zowel de quantiteit als de stunteligheid van deze voorlopigheden in de hand, en gebrek aan tijd maakte het onmogelijk er vóór het drukken op terug te komen.
Zoals uit zijn brief van 10 februari 1741 aan Huydecoper blijkt, was Van Haren er zich overigens heel goed van bewust, dat er nog heel wat aan zijn epos ‘te beschaven, te verbeteren’ bleef.68
Eerst aan het einde van 1753 vond Van Haren gelegenheid zich serieus met de herziening van zijn epos te gaan bezighouden. In april 1754 was hij er druk mee bezig, en volgens zijn eigen mededeling in de Voorreden van de tweede druk werd het werk in 1756 voltooid. De tijd tussen die voltooiing en de verschijning in 1758 ‘is door den Plaatsnyder en de Druk-Pers versleeten’.69
Intussen was ook vóór 1753 de Friso nooit helemaal uit de gedachten van zijn dichter geweest. Hij bleef zijn vrienden om hun oordeel en raadgevingen vragen. De omstandigheden brachten mee dat daaronder veel Frans-taligen waren, vooral toen Van Haren na de vrede van Aken, die in 1748 een einde aan de Oostenrijkse Successie-oorlog maakte, benoemd werd tot gezant van de Republiek aan het hof van de gouverneur-generaal der Oostenrijkse Nederlanden en zich metterwoon in Brussel vestigde.
Met het oog op degenen, die geen Nederlands kenden en die hij toch graag over zijn werk wilde raadplegen, was Van Haren al spoedig begonnen met de vertaling van gedeelten daaruit in het Frans. Zelfs schijnt hij in 1742 plannen te hebben gehad voor de uitgave van een volledige Franse tekst,70 maar daarvan is niets gekomen. Volgens de Voorreden van 1758 werd ‘de letterlyke Vertaaling van het geheele Werk’ pas in 1754 afgerond, waarna de dichter ‘dezelve aan den eenen en anderen Kenner, die de Hollandsche Taal niet magtig was, liet leezen’.71 Maar ook vóór die tijd waren er al vertalingen in omloop, zoals wij beneden zullen zien.72 Dat behoeft ons, gezien wat in de Provinciale Bibliotheek te Leeuwarden te vinden is, ook niet te verbazen. Van Haselen vat zijn bevindingen daaromtrent als volgt samen:
De vele nog bestaande overzettingen van de Friso in het Frans, in proza en in verzen - deels door hem zelf geschreven en daarna weer, soms zelfs herhaaldelik, veranderd, deels door een ander vervaardigd, maar door hem nagezien, gewijzigd en verbeterd - zijn de tastelike bewijzen van 's dichters eigen en van anderer moeizame arbeid, die een schat van tijd en boeken papiers verslonden heeft. De ene Franse vertaling volgde de andere op, nu eens geschreven in eigen exemplaar naast de Nederlandse tekst, dan weer op folio-papier.73
Het voorleggen van de Friso aan niet-Nederlandse adviseurs in Franse vertaling had in tweeërlei opzicht een onbedoeld gevolg. In de eerste plaats kregen zij daarvan een geflatteerd beeld. Het zwakke punt was immers de taal- en dichtkundige vormgeving, die bij vertaling alleen maar minder stuntelig en onduidelijk kon worden. En in de tweede plaats beperkten hun op- en aanmerkingen zich tot concept en structuur van het epos: het enige waarover ook in vertaling te oordelen viel. Zodoende werd Van Haren, bij het voorbereiden van zijn revisie, door de omstandigheden gestijfd in zijn toch al aanwezige neiging om meer aandacht te besteden aan de compositie dan aan de verwoording. Het gevolg daarvan is, dat hij heel wat ‘voorlopige invullingen’ van 1741 in zijn tweede druk onveranderd liet.
Uit de kring van vrienden en correspondenten, met wie de dichter overleg pleegde over zijn epos, springen twee namen naar voren: die van zijn grote vriend Pieter
Anthony de Huybert, heer van Kruiningen en Rilland, (1693-1780) en die van ‘de Heer Clement’. De eerste had ernstige bezwaren tegen enkele veranderingen die Van Haren in de tweede druk wilde aanbrengen, maar moest zich daar tenslotte toch bij neerleggen.74 De tweede is in de secundaire literatuur over de Friso anderhalve eeuw lang - sedert J.H. Halbertsma's Het geslacht der Van Haren's uit 1829 - een wat raadselachtige, niet-geïdentificeerde figuur gebleven. Het verheugt mij dat ik het raadsel nu kan oplossen, en mijn volgende paragraaf zal dan ook aan de persoon van Clément worden gewijd. Hier beperk ik mij voorlopig nog tot wat uit Van Haren's voorwerk van 1758 over hem blijkt.75
In de Voorreden bij zijn tweede druk vermeldt de dichter hem als adviseur in verband met ‘het By-Verdigtzel (Episodium) van Teuphis, vervullende genoegzaam het gansche Tweede Boek’.
Reeds in de Voorreden van 1741 had Van Haren zich over deze episode onzeker betoond. Was zij niet te lang en stond het grootste deel ervan niet te los van de hoofdhandeling? Teuphis vertelt aan Charsis niet alleen de voorgeschiedenis van Friso - het ‘verhaal-achteraf’ van het begin mediis in rebus in Boek I -, maar óók zijn eigen levensloop: de voorgeschiedenis van die voorgeschiedenis. Viel dat volgens de regels nog te verantwoorden? Van Haren's poging van 1741 om zijn episode te rechtvaardigen was weinig overtuigend geweest, en in 1758 komt hij er dan ook op terug: uitvoeriger, maar niet bewijskrachtiger. - Intussen was er in verband met deze passage een nieuw probleem gerezen. Een Franstalige correspondent had opgemerkt, dat het verhaal-achteraf door de held zèlf behoorde te worden verteld en niet door een ander.76 Daarover verontrust, vroeg de dichter het oordeel ‘van den Heer Clement, van wiens bekwaamheid en onzydigheid de Schryver reeds overtuigende bewyzen had’. Deze antwoordde hem - en Van Haren drukt dat in zijn Voorreden van 1758 integraal af - dat de regels voor het epos ‘ne sont [...] proprement que des Exemples tournés en regles. Mais qui m'oblige, moi Poëte, de suivre de point en point les Exemples, donnés par Homere?’ Daarmee betoonde Clément zich een aanhanger van de anti-klassicistische stroming in de nog altijd slepende ‘Querelle des Anciens et des Modernes’. En Van Haren kon gerustgesteld concluderen, dat hij in de episode van Teuphis dus niets ongeoorloofds had gedaan. Het kwam er maar op aan ‘te kunnen onderscheiden in hoe verre en in welke gevallen men, onder het zamenstellen van diergelyke Werken, van de algemeene Wetten mag en zelfs moet afgaan’. De implicatie is, dat zijn criticus dit blijkbaar niet had gekund.
Het valt op, dat Van Haren het niet nodig acht te vermelden, wie of wat ‘de Heer Clement’ was. Hij gaat er kennelijk van uit, dat diens naam bij zijn lezers algemeen bekend is - zoals hij ook bij voorbaat aanneemt dat diens uitspraak door hen als
beslissend zal worden aanvaard. Daaruit volgt, dat Clément toentertijd een literaire autoriteit moet zijn geweest.
Deze veronderstelling vindt steun in het feit, dat Van Haren in zijn tweede druk, in aansluiting op de Voorreden, een lange beschouwing van hem over de Friso heeft opgenomen: Idée que Mr. Clement a donné[e] de cet Ouvrage. Hij trekt daar niet minder dan 15 bladzijden van het voorwerk voor uit, verdeeld in twee kolommen, waarvan telkens de eerste het Frans van Clément bevat en de tweede een vertaling daarvan in het Nederlands: Schets en Denkbeeld door den Heere Clement, nopens dit Werk opgegeeven. Dat is een bijzonder ongebruikelijke manier van doen, maar zij bewijst hoeveel waarde de dichter aan het oordeel van Clément hechtte. Diens stuk maakt niet de indruk als inleiding voor de tweede druk geschreven te zijn; het begint zelfs zó abrupt dat men een weggelat