Carolus Vlieg was afkomstig van Haarlem, waar hij - blijkens de leeftijd van 74 jaren, die bij zijn overlijden op 10 juli 1794 wordt vermeld - geboren moet zijn in de tweede helft van 1719 of in de eerste van 1720. Zijn eigenlijke leven speelde zich echter af in Den Haag.
Nadat hij op 21 januari 1746 burger van die stad was geworden, werd hij daar op 9 augustus van hetzelfde jaar, na afgelegd examen, tot mr. apothecaris verklaard. zodat hij zich als zodanig kon vestigen. In kennelijke samenhang daarmee volgde enkele maanden later, op 30 oktober, zijn huwelijk met de 20-jarige Martina van Zanten, een dochter van de stadsdrukker Cornelis van Zanten.
Vlieg moet een goed apotheker zijn geweest, die in zijn kring aanzien genoot. Dat blijkt uit het feit, dat hij in 1761 deken van het apothekersgilde werd en deze functie meer dan dertig jaar (tot 1792) heeft bekleed. Maar ook aan het culturele leven van Den Haag nam hij actief deel. Hij behoorde tot de vijf leden-oprichters van het Dichtgenootschap ‘Kunstliefde spaart geen vlijt’ (1772) en had als bestuurder deel aan zijn werkzaamheden.2
In 1790 verloor Carolus Vlieg zijn vrouw. Vier jaar later volgde hij haar in de dood; als oorzaak daarvan wordt verval van krachten vermeld. Hij stierf in zijn woning aan het Spui en werd op 16 juli 1794, zes dagen na zijn overlijden, in de Nieuwe Kerk begraven.
Het dichterlijke oeuvre van Vlieg is weinig omvangrijk, en bestaat in hoofdzaak uit het Bijbelse epos De val van Adam en een epische Bijbel-uitbreiding De bekeering van Saulus, die hij in 1765 gezamenlijk in het licht gaf. In de opdracht van dit boek zegt hij het niet waarschijnlijk te achten, dat er nog meer dergelijk werk van hem zal volgen. Er zijn maar heel weinigen die prijs stellen op poëzie, terwijl deze voor de dichter meer een inspanning dan een ontspanning is. Bovendien brengt zijn ‘post’ - als deken van het apothekersgilde - zóveel bezigheden mee, dat hij voor beoefening van de letteren slechts ‘in den stillen nacht’ de nodige tijd en ‘opgewekte eenzaamheid’ zou kunnen vinden.
Inderdaad is Vlieg na 1765 niet meer tot het schrijven van groter werk gekomen, al bleef zijn literaire belangstelling onverminderd voortduren, zoals blijkt uit zijn betrokkenheid bij ‘Kunstliefde spaart geen vlijt’. Ook produceerde hij op kleinere schaal nog wel verzen, waarvoor hij een uitlaat vond in de Proeven van Poëtische Mengelstoffen, die dit Dichtgenootschap ieder jaar uitgaf. In de bibliotheek van het
Haagse Gemeente-archief bevinden zich twee bruiloftsdichten van zijn hand (uit 1774 en 1775).
Het titelblad van de uitgave in quarto-formaat, die de twee grote Bijbeldichten van Vlieg bevat, luidt als volgt:
De // Val van Adam, // in drie boeken; // en // De Bekeering // van // Saulus, // dichtkundig beschreeven // door // Carolus Vlieg. // vignet // In 'sGravenhaage, // Bij de Weduwe Ottho van Thol en Zoon, // M.DCC.LXV.De enige versiering van het boek is het fraaie titelvignet, dat Reinier Vinkeles speciaal daarvoor vervaardigde en dat het moment weergeeft, waarop God na de zondeval Adam ter verantwoording roept: Adam, waar zijt gij? (Genesis 3:9). - Op de verso-zijde van het titelblad wordt vermeld: ‘Uitgegeeven na Approbatie van de Wel Eerw. Classis van 'sGravenhage, gehouden den 5 der Slagtmaand 1764’. - Op blz. [93] kondigt een Franse titel met blanco verso-zijde de overgang aan naar De bekeering van Saulus.
De Opdragt is in zoverre opmerkelijk, dat zij afwijkt van de usance. Volgens de traditie behoorde er onderscheid te worden gemaakt tussen de destinataire en de gewone lezer. De Opdracht aan de eerste moest in verzen geschreven zijn, terwijl daarop dan in proza een ‘Berecht aen den Leser’ volgde, waarin de auteur op meer zakelijke toon over zijn werk en bedoelingen meedeelde wat hij ter inleiding nodig achtte. Maar Carolus Vlieg deed het anders. Hij verenigde de beide onderdelen tot één betoog in proza, dat het best kan worden aangeduid als een ‘Berecht’ aan de destinataire in plaats van ‘aen den Leser’.
Op deze ietwat ongebruikelijke wijze droeg Vlieg zijn werk op aan Mr. Jan Hudde Dedel (1702-1777), ‘oud Burgemeester en thans Voorzittend Schepen van 'sGravenhaage’, die later vanaf het eerste uur zou optreden als een der beschermheren van ‘Kunstliefde spaart geen vlijt’. Eigenlijk betreft deze opdracht, gedateerd op 10 december 1764, alleen De val van Adam, want zijn ‘dichtkundige uitbreiding der Bekeering van Saulus’ had hij eerder al aan Dedel toegewijd, toen hij die ‘alleen weinigen der Kunstminneren aangebooden’ had (blz. III). Het is juist omdat de magistraat toen waardering voor 's dichters ‘genoegzaam eerste proeve’ had getoond, dat deze hem nu ook zijn Bijbel-epos wil opdragen.
Over de manier, waarop hij bij het schrijven van dit laatste te werk is gegaan, deelt Vlieg slechts mee dat hij zijn stof heeft ‘ingericht op het spoor van Vondel en Milton, die soortgelijken hebben behandeld; te weeten, mij bediend van die vrijheden, die der Dichtkunde, boven den maateloozen stijl, als schijnen aangeboren’ (blz. IV-V). Hij bedoelt daarmee niet, althans niet in de eerste plaats, dat hij iets aan Adam in ballingschap of Paradise lost te danken zou hebben; hij wil slechts zeggen, dat hij evenals zijn beide voorgangers bij de tekening van Adam vóór diens zondeval op zijn verbeelding heeft moeten afgaan. Alleen bij deze interpretatie is naar mijn mening de bespiegeling zinvol, die onmiddellijk op het citaat volgt en waarin wordt betoogd dat Adam vóór het eten van de verboden appel ‘onzen denktrant verre te bovengaande zielshoedanigheden’ (blz. VI) moet hebben gehad. Citaat en bespiegeling worden verbonden door een overweging, die Vlieg blijkbaar te vanzelfspre-
kend vond om ze onder woorden te brengen: ‘Maar al berust mijn tekening van de volmaakte Adam op fantasie, zij is in overeenstemming met wat er ondanks zijn beknoptheid uit het Bijbelverhaal valt af te leiden’.
Vervolgens verklaart de dichter, waarom hij De bekeering van Saulus aan zijn epos heeft toegevoegd:
Nadien mijn Saulus alleen onder weinige oogen gekoomen is, besloot ik dien, agter mijnen Adam (om dat de rangschikking dit scheen te vorderen) met naaukeuriger beschaaving, en eenige, doch weinige vermeerdering, te laaten volgen, en dus te zaamen uittegeeven. (blz. VI-VII)
Verder laat de auteur het oordeel over zijn werk aan Dedel en de andere lezers over; hij heeft zijn best gedaan.
Uit de Opdragt blijkt, dat Carolus Vlieg zijn dichtstuk over Saulus reeds eerder in het licht had gegeven, zij het als privé-druk in zeer beperkte oplage.3 Wij hebben hier te doen met een verbeterde en licht vermeerderde herdruk, waarbij de oorspronkelijke opdracht aan Dedel - ditmaal in verzen, in de vorm van een lange Toezang - gehandhaafd werd. Formeel is dit werkstuk geen epos, al heeft het veel met het genre gemeen. Het begint met een propositio en invocatio, bevat een episode met merveilleux chrétien (als de verheerlijkte Jezus zich gereedmaakt om op de weg naar Damascus aan Saulus te verschijnen), en eindigt - naar de op Hoogvliet's Abraham teruggaande traditie - met een ‘Besluit’. Met zijn 892 versregels is het echter te kort om als een epos in boeken te kunnen worden verdeeld. Bovendien wordt het na de merveilleuse hemelscène vlakker en krijgt het in zijn vrome langdradigheid meer het karakter van een Bijbelzang. Maar ook in het eerste deel valt er van verbeeldingskracht of bezieling weinig te merken. De dichter vervult, consciëntieus en verstandelijk, de taak die hij zichzelf heeft opgelegd. Een neiging tot gekunstelde ‘dichterlijkheid’ is hem daarbij niet vreemd, zoals in de aanhef van zijn narratio wanneer hij vertellen gaat over Saulus' rol bij de steniging van Stefanus (Handelingen 7:58 en 8:1):
De verhouding tussen De bekeering van Saulus en De val van Adam herinnert aan die tussen De gestrafte Hoogmoedt en De Godvrucht op den troon bij Jan Maan.4 Alleen is de aansluiting bij de vormgeving van het epos in Vlieg's eerste werk uitgesprokener dan bij Maan het geval was.
Bij dit overzicht van de inhoud is het er mij in de eerste plaats om te doen, aan het licht te brengen, in hoeverre Carolus Vlieg invloed van Vondel en Milton heeft ondergaan en door welke eigen vondsten zijn werk wordt gekenmerkt.
Eerste boek (exordium) (50 regels; blz. 1-4): Naar het voorbeeld van Hoogvliet begint Vlieg zijn epos met een verwijzing naar zijn vroeger werk. Weleer heeft hij gezongen van Paulus, maar ‘Thans treedt mijn zangerin // Naar de eerstelingen van de kuische huwlijksmin’. Zij wil graag het Paradijs zien, en de dichter nodigt haar uit tot een gezamenlijke tocht daarheen: ‘Koom Waarde! hand aan hand, gij, die mijn ziel bekoort, // Spoên wij, al zingende, ons naar deezen zaalgen oord’ (blz. 2). Daar zullen zij ‘de eerste Wereldheer’ zien en getuigen zijn van diens val. - De invocatio is gericht tot de ‘Volmaakte Godheid’, die vanuit Zijn hemel ook naar de onvolmaaktheid van menselijke liederen wil luisteren, ‘Wanneer de Godsdienst leent haar sierkleed aan de kunst’ (blz. 3). Deze zekerheid ‘geeft mijn zangster moed, om uit den troon te wachten // Een' rijken invloed van verhevene gedachten’ (blz. 4). En inderdaad: reeds ervaart de dichter, dat zijn gebed wordt verhoord.
Het is duidelijk, dat Vlieg geprobeerd heeft zijn traditionele aanhef zo ongemeen mogelijk te formuleren. De neiging tot maniërisme, die wij in De bekeering van Saulus hebben opgemerkt, doet zich ook hier gelden, met name in de uitnodiging aan de Muze tot een gezamenlijke tocht naar het Paradijs.
Eerste boek (narratio) (494 regels; blz. 4-28): Aan het einde van de derde omgang van de zon om de aarde schept God Adam. De dichter beschrijft ‘Adams verwondering bij het zien van het geschapene’ (marginale samenvatting op blz. 6). Hij ziet het licht, de zon, de bomen, het gras. En daar blijft het niet bij. God schenkt hem ook Eva: ‘Het leevend marmer maakt zijn' geest meer opgetoogen, // Terwijl het vuur der min reeds glinstert in zijne oogen’ (blz. 8). Onder een cederboom brengt het eerste mensenpaar ‘op dons van roozen’ (blz. 15) zijn eerste huwelijksnacht door. De volgende morgen daalt God opnieuw op aarde neer, om Adam en Eva naar de lusthof te leiden die Hij voor hen bestemd heeft: het aardse Paradijs.
In dit gedeelte heeft Vlieg zich duidelijk laten inspireren door het verhaal, dat Adam in Paradise lost (VIII, 250-520) aan Rafaël doet over zijn eerste levenservaringen. De verrukte bewondering bij de ontdekking van de wereld om zich heen, en later opnieuw bij die van Eva, de zoetheid van de eerste huwelijksnacht, de eerste aanblik van het Paradijs - het gaat alles min of meer op Milton terug, al heeft Vlieg sterk bekort en komt hij niet verder dan een rationele benadering, die ondanks een uiterlijke poëticiteit (b.v. ‘het leevend marmer’ voor: Eva) in wezen niet dichterlijk is. Op één punt wijkt hij van zijn voorbeeld af. Terwijl Adam bij Milton vóór de schepping van Eva door God in het Paradijs wordt geplaatst, gebeurt dit bij Vlieg eerst daarna.
Opmerkelijk is dat God, naar de voorstelling van Vlieg, het Paradijs slechts als een tijdelijke verblijfplaats voor Adam en Eva bedoelt; wanneer zij na een lang leven oud worden, wacht hen nog groter heerlijkheid:
Die ‘erfenis’ is het nieuwe Jeruzalem, waarvoor het aardse Paradijs onderdoet als ‘De maan, voor 't vuur der zon, in rijken luister zwicht’ (blz. 19).
Dan volgt het verbod om te eten van de boom der kennis van goed en van kwaad. Nadat zowel Adam als Eva uitvoerig beloofd hebben zich daaraan te zullen houden, vaart God weer ten hemel. De eerste mensen maken een wandeling door de weelde van hun lusthof, en ‘Houden het middagmaal aan den oever van den Euphraat’ (marginale samenvatting op blz. 26) op een heuvel ‘Van waar ze als met één oog, den omtrek van gansch Eden, // Beschouwen...’ (blz. 26). Om hen heen zijn de dieren zonder vrees en zonder bloeddorst: ‘zelfs de norse leeu, noch tam, // Slaapt onder 't middagmaal aan Evaas blanke voeten’ (blz. 26-27). Maar dit Paradijselijk geluk is voor Eva toch vooral geluk, omdat het slechts een voorspel is:
Noch bij Milton noch bij Vondel is iets te vinden, dat met deze voorstelling van het aardse paradijs als een voorbereiding op het hemelse Jeruzalem overeenkomt. Of zij een vinding van Vlieg is dan wel een theologische achtergrond heeft, durf ik niet uitmaken. In ieder geval verleent zij aan dit eerste boek een eigen karakter.
Tweede boek (688 regels; blz. 29-64): Boek II begint met wat in de marge van blz. 29 heet ‘Beschrijving van eenen aangenaamen morgenstond’. Terwijl Adam nog slaapt, gaat Eva - ‘onder eene heilige alleenspraak’ (marge blz. 30) - daarvan genieten door een wandeling. Bij de verboden boom ontdekt zij een slang, die zich aan de vruchten te goed doet, en reageert daar verontwaardigd op:
Tot haar verbazing antwoordt de slang haar. En dat wordt het begin van de weergave door Vlieg van het gesprek tussen Eva en de slang, tweemaal onderbroken door een ‘uitweiding des Dichters’ met een dringende waarschuwing aan de eerste. Ik beperk mij tot het signaleren van een drietal markante passages daaruit. 1. Om Eva te overtuigen dat de verboden vrucht inderdaad een wonderbaarlijke uitwerking heeft, voert de slang aan, dat hij door het eten daarvan het spraakvermogen verkregen heeft: ‘dat ik deeze ongewoone // En treflijke eigenschap in mij eerst heb ontdekt, // Bij 't smaaken deezer vrucht...’ (blz. 39). 2. Als Eva eindelijk tot eten komt, smaakt de verboden appel haar beter dan alle vruchten die zij tot dusver geproefd heeft; ‘o Hoe verrukkelijk! dit's waarlijk ongemeen! // Is dan in dit gewas al 't lieflijk ooft bij een?’ (blz. 42). 3. In onmiddellijke aansluiting op deze ervaring noemt zij haar eerdere vrees, dat het eten van deze vrucht een schadelijke uitwerking zou kunnen hebben: ‘bijgeloof’ (blz. 42).
De manier, waarop Eva met de slang in contact komt, is een niet onaardige vondst van Vlieg, waarbij men zich echter kan afvragen of de verontwaardiging van Eva wel helemaal in de Paradijs-situatie past. Uit het verdere verloop van zijn episode blijkt, dat hij de analoge passages bij Vondel en Milton voor ogen heeft gehad, zonder zich strak aan hun voorbeeld te binden. Het meest heeft hij aan Paradise lost te danken: de verzekering van de slang dat hij dank zij de appel kan spreken (IX, 598-601); de smaak van de verboden vrucht boven die van alle andere ooft (IX, 787-790). Maar Eva's kenschets van haar vroegere vrees voor Gods verbod als ‘bijgeloof’ gaat vrijwel zeker terug op Adam in ballingschap (vs. 1136, 1244).
Dan volgt de verleiding van Adam door Eva. Als het tot de eerste doordringt wat er gebeurd is en wat Eva van hem vraagt, wijst hij haar in eerste instantie verontwaardigd en ontsteld terug: ‘Hebt ge mij geliefkoost en gekust // Verleiderin! om mij allengskens te bereiden, // Om, onzen Heer ten hoon, mij 't helspoor in te leiden’ (blz. 45). Maar wanneer zij dit als ontrouw opvat en hem verlaten wil, krabbelt hij haastig terug en doet wat zij van hem verlangt.
Onmiddellijk na de val van Adam wordt ‘des Dichters zangster’ naar de hemel gevoerd, waar zij getuige is van een zó grote ontsteltenis om die val, dat het lijkt ‘Of in dien oogenblik het zalig leven quijnt’ (blz. 51). De Hemelraad der Heilige Drieeenheid komt bijeen om zich te beraden. Tegenover de toorn van de Vader stelt de Zoon, dat het eeuwig Raadsbesluit onwrikbaar is. Getrouw aan Zijn woord zal Hij mens worden om de straf te dragen, die Adam en Eva over de mensheid gebracht hebben. De Heilige Geest belooft daarbij Zijn medewerking. Tenslotte hecht de Vader Zijn zegel ‘aan den voorslag van mijn' Zoon’ (blz. 57), al zal Hij wel Zijn toorn aan Adam en Eva doen blijken.
Teruggekeerd naar de aarde, vindt ‘mijn zangster’ daar Adam ‘gedekt met vijgenblaên’ (blz. 58), vol zelfverwijt, berouw en angst. Als Eva hem nadert, roept hij uit: ‘...Hemel! daar komt de oorzaak van mijn' val...’ (blz. 60). Maar door blik-
sems en donderslagen kondigt de nadering van God zich aan. De gezamenlijke angst drijft hen naar elkaar.
Derde boek (544 regels; blz. 65-92): God is neergedaald en roept Adam: ‘'t Gezicht van Adam staat op 't Gods geluit verwilderd, // En Eva schijnd de dood, naar 't leven afgeschilderd’ (blz. 66). God houdt hun voor, hoe Hij de opstandige engelen uit de hemel gestoten heeft in de vlammende poel ‘Die vuur en zwavel braakt, daar 't loeit in eeuwigheid’ (blz. 69). Zijn zij nu ook opstandig geworden? Als Adam zich verontschuldigt door zich te beroepen op zijn liefde voor Eva, wijst God hem streng terecht:
Wanneer Eva op haar beurt de voornaamste schuld doorschuift naar de slang, komt deze naderbij schuifelen. En dan volgt Gods vonnis over de slang, de vrouw en de man (Genesis 3:14-19), dat ik hier niet behoef te herhalen. Ik beperk mij tot het signaleren van enkele opmerkelijkheden in de weergave daarvan door Vlieg. 1. Bij hem richt God zich niet tot de slang, maar ‘tot den Duivel’ (marge blz. 76) die in het slangelijf gevaren is en dat na het aanhoren van zijn vonnis verlaat om terug te keren naar de hel. 2. Eva wordt onder de heerschappij gesteld van de man, die zij verleid heeft:
3. Adam zal na een moeizaam leven tot het stof vergaan, waaruit hij is voortgekomen. Maar Vlieg voegt daaraan een belofte toe, die in het Bijbelverhaal ontbreekt. Bij het einde der wereld zal God uit Adam's stof ‘een zalig voorwerp van verwondring’ tevoorschijn brengen om eeuwig Zijn lof te zingen (blz. 86).
De merkwaardigste toevoeging van Vlieg is echter, dat God aan Adam en Eva opdracht geeft Hem nog in het Paradijs een zoenoffer te brengen:
Dat offer heeft tevens symbolische betekenis:
Na deze opdracht vaart God weer ten hemel. Adam en Eva geven - Christologisch gesterkt - daaraan gehoor:
Het offer en het berouw missen hun uitwerking niet. God daalt opnieuw neer, niet meer in toorn, ‘maar met een gunstrijk oog’ (blz. 89). Uit de vachten van de geofferde lammeren vervaardigt Hij klederen voor Adam en Eva. Ook die klederen hebben een symbolische betekenis; zij beduiden
Daarna loopt het epos snel ten einde. De marginale samenvattingen geven genoegzaam aan, hoe dit gebeurt: ‘God roept de Engelen, om Adam en Eva uit den hof te drijven, en den weg naar den levensboom te bewaaken’ (blz. 90); ‘God vaart ten Hemel. - De Engelen drijvenze uit’ (blz. 91).
In een acht-regelig Besluit vat de dichter tenslotte nog eens samen wat zijn werk inhoudt. In drie boeken heeft hij de drie grote momenten van Adam's leven uitgebeeld: zijn bloei, zijn val, zijn straf en verzoening. De laatste regel wijst er nadrukkelijk op, dat God - al werd Adam door gewapende Cherubijnen uit het Paradijs verdreven - ‘Den vreê hem aanbood, in den dood van zijnen Zoon’ (blz. 92). - Verder verdient het opmerking, dat dit Besluit niet volgens de Hoogvlietiaanse traditie een dankgebed aan God en daarmee de tegenhanger van de invocatio is, maar enkel een recapitulatie van de inhoud geeft.
In dit derde boek is niets te vinden, dat herinnert aan de Adam in ballingschap. Daarentegen valt er wel een enkele reminiscens aan Paradise lost in te ontdekken.8 En misschien heeft ook het mededogen, waarmee God bij Milton de eerste zondaars bestraft, zijn invloed op de versie van Vlieg doen gelden. Maar als dit zo is, dan alleen naar de geest en niet naar de beschreven feiten. Bij Vlieg is het niet de Zoon en toekomstige Verlosser, die Adam en Eva hun straf gaat aanzeggen om in Zijn persoon gerechtigheid te temperen door genade (P.L.X, 77-78). En omgekeerd is er bij Milton geen sprake van een slacht- en zoenoffer in het Paradijs. Dat laatste is opnieuw een motief, dat ik nergens elders ben tegengekomen en waarvan ik niet durf uitmaken, of het een eigen vinding van Vlieg is dan wel diens verwerking van een bestaande theologische opvatting. In ieder geval echter heeft De val van Adam met Paradise lost gemeen, dat het niet eindigt in uitzichtloosheid, maar in hoop. ‘And Providence their guide’ zegt Milton van de verdreven Adam en Eva,9 en Vlieg noemt hen ‘Bezield met waaren troost, bezwangerd met gedachten // Van een hersteld geluk’.
Al is De val van Adam bepaald geen meesterwerk, toch verdient dit dichtstuk van Carolus Vlieg om verschillende redenen meer aandacht dan het tot dusverre gekregen heeft.
Het is het eerste oorspronkelijke epos in onze literatuur, dat invloed heeft ondergaan van Paradise lost, en tevens het eerste Bijbel-epos dat stof behandelt uit de Bijbelse oertijd vóór de aartsvaders. Dat laatste was bij Vlieg overigens een toevallige omstandigheid, die met zijn Miltoniaanse onderwerp gegeven was, en houdt géén verband met de tendens die zich in zijn tijd deed gelden in de Züricher kring van Johann Jakob Bodmer, om voor andere figuren uit de Bijbelse oertijd te doen wat Milton voor Adam gedaan had.10 Als Vlieg werk van deze groep gekend heeft, zal dat trouwens alleen Der Tod Abels van Salomon Geßner zijn geweest, waarvan in 1761 zowel de Franse als een Nederlandse vertaling in Den Haag het licht hadden gezien.11 Maar indien de Haagse apotheker die onder ogen heeft gehad, valt daarvan in zijn eigen epos geen spoor te ontdekken. Hij ging uitsluitend van Milton uit. In welke taal hij Paradise lost gelezen had, laat zich echter niet vaststellen: in het oorspronkelijke Engels, in een van de twee Nederlandse vertalingen of in de Franse proza-bewerking?12
Behalve Paradise lost heeft ook Vondel's tragedie Adam in ballingschap het epos van Vlieg beïnvloed, zij het in mindere mate. Maar voor beide werken geldt, dat hun inspirerende werking beperkt bleef tot de keuze van het onderwerp en de aanwending van enkele belangrijke motieven bij de uitbouw daarvan. Naar zijn vormgeving staat De val van Adam stevig in de traditie van het 18de-eeuwse Bijbel-epos naar het model van Abraham de Aartsvader. In de vorige paragraaf is gebleken, dat Vlieg het voorbeeld van Hoogvliet volgde in de aanhef van zijn propositio en in zijn Besluit. Sprekender nog kwam de aansluiting naar voren in zijn poging tot handhaving van de Hoogvlietiaanse Hemelraad, met tegemoetkoming aan de theologische bezwaren die daartegen waren ingebracht.13 Verder moet het ongetwijfeld aan de voorgang van Hoogvliet worden toegeschreven, dat Vlieg daartegenover géén Helleraad heeft geplaatst en dat het optreden van Satan bij hem strikt beperkt blijft tot wat daarover in Genesis 3 wordt verteld;14 op dit punt heeft hij zich noch door de verbeeldingen van Milton noch door die van Vondel laten leiden.
Intussen heeft Vlieg toch niet in alle opzichten Hoogvliet gevolgd. Hij wijkt van twee epische voorschriften af, waaraan de laatste zich wèl gehouden had: de volmaaktheid van de held en het begin mediis in rebus. Ik meen dat wij dit in zijn geval niet moeten toeschrijven aan de toenemende onverschilligheid voor de regels, waarvan wij al meerdere malen getuige zijn geweest, maar moeten zien als consequentie van de behandelde Bijbelstof. Wat de held betreft, was trouwens in het Bijbelse epos diens volmaaktheid al lang gerelativeerd of zelfs helemaal losgelaten; niet alleen David, Salomo, Petrus en Paulus waren ondanks hun zwakke momenten bezongen, maar ook Jona en zelfs Judas. En het begin ab ovo zal wel verklaard moeten worden uit de wens van de auteur om de tegenstelling tussen de situatie vóór en nà de
zondeval zo scherp mogelijk te doen uitkomen; waarschijnlijk vreesde hij, dat een verhaal-achteraf aan de directheid van het contrast afbreuk zou hebben gedaan. Wellicht ook zag hij niet goed, wie dat verhaal dan had moeten vertellen, en aan wie, en op welk moment; Milton had daarvoor een geniale oplossing gevonden,15 maar de opzet van Vlieg was te kleinschalig om voor een analoge verbeelding plaats te bieden.
Bijzonder opmerkelijk is de wijze, waarop de Haagse dichter - ondanks zijn onmiskenbare schatplichtigheid aan Milton en Vondel - door zijn interpretatie van de Bijbelse feiten toch een eigen en in zekere zin nieuwe inhoud aan het Paradijsverhaal heeft weten te geven. Bij hem is de hof van Eden voor Adam en Eva slechts een tijdelijk verblijf, waaruit zij te bestemder tijd zullen overgaan naar het eeuwige Paradijs in de hemel. Dat maakt na hun zondeval een (betrekkelijk) blij-einde mogelijk: zij hebben wel een tijdelijke geluksstaat verloren, maar behouden hun kans op de eeuwige! Ook het zoenoffer in het Paradijs is een ongebruikelijke voorstelling van zaken! Mogelijkerwijs heeft Vlieg het brengen daarvan afgeleid uit het feit, dat God in Genesis 3:21 voor Adam en Eva rokken van vellen maakt: hoe zouden er anders in het Paradijs ‘vellen’ geweest kunnen zijn?16 De classis van Den Haag had blijkens haar approbatie kennelijk geen bezwaar tegen deze interpretaties. Hoe men daarover uit theologisch oogpunt overigens ook moge denken, als literair concept vormen zij een goed-sluitend en logisch geheel, dat zowel van vindingrijkheid als van verbeeldingskracht getuigt.
Maar het zwakke punt van Vlieg is zijn dichterschap. Hij mist het vermogen om op enigszins adaequate wijze poëtisch onder woorden te brengen wat hij in gedachten heeft. Als men De val van Adam vergelijkt met De bekeering van Saulus, is hij in versvaardigheid wel een heel stuk vooruitgegaan, maar toch niet genoeg om het peil van werkelijke poëzie te bereiken. Daarvoor blijft hij ook in zijn epos te verstandelijk bij het vertellen en te conventioneel in zijn beschrijvingen. Bovendien vervalt hij ook hier nog meermalen tot de gekunstelde artisticiteit, die in De bekeering van Saulus viel op te merken. De sporadische verrassing van een enkele gelukkige versregel kan tegen dit alles niet opwegen. Er is geen andere conclusie mogelijk dan dat Carolus Vlieg er niet in is geslaagd het opmerkelijke concept van zijn epos in de uitwerking en versificatie daarvan waar te maken.
Het gevolg is dat De val van Adam, ondanks een heel behoorlijke structuur, in poëtisch opzicht niet of nauwelijks uitkomt boven het grauwe gemiddelde van de vele plichtmatige Bijbel-epen uit de 18de eeuw. Dat is jammer, omdat er in dit geval méér mogelijk zou zijn geweest.