terug  begin  verderprepost
[p. 592]

Hoofdstuk XXVIII
Resumé van de derde periode

§ 1. Inleidende opmerkingen

Na de opbloei van de tweede periode maakt de ontwikkeling van het Nederlandse epos in de derde periode op het eerste gezicht een teleurstellende indruk. Hoogtepunten als Abraham de Aartsvader en de Gevallen van Friso zijn er niet meer; er valt slechts een weinig genuanceerd voortsukkelen waar te nemen op lager niveau. Bij nader toezien blijkt deze indruk echter te eenzijdig door de hoogtepunten uit de tweede periode bepaald om helemaal juist te zijn. Wanneer wij die als uitzonderingen beschouwen en onze vergelijking vooral op de overige epen uit dat tijdvak baseren, kan het gemiddelde peil ongeveer stationair worden genoemd en is er zelfs eerder een kleine vooruitgang op poëtisch-technisch gebied merkbaar dan een terugval. Bovendien is er van verminderende belangstelling voor het genre geen sprake; het aantal verschijnende epen is integendeel groter dan ooit. Daarbij valt het op, dat deze nog altijd voor het overgrote deel aan Bijbelse stof zijn gewijd. Onder de tien oorspronkelijke epen, die in deze periode het licht zagen, is er slechts één met een profaan onderwerp. - Overigens nemen deze nadere beschouwingen natuurlijk niet weg, dat inderdaad hoogtepunten ontbreken.

In deze periode treedt voor het eerst ook de vrouw als auteur van heldendichten op. De eer op dit punt baanbreekster te zijn geweest, komt toe aan Margareta Geertruid van der Werken met haar Willem de IV. Dat dit werk tevens het énige profane epos uit zijn tijdvak was, kan niet in verband met haar vrouw-zijn worden gebracht; het is een door haar orangisme bepaald ‘toeval’.

In de voorgaande hoofdstukken heb ik tweemaal de chronologische volgorde doorbroken door een epos te bespreken dat feitelijk tot de volgende periode behoort: de Debora van Anna van der Horst (1769) en de Zoografia van Jan Lagendaal (1773). In beide gevallen waren de voordelen daarvan groter dan de nadelen. De Debora is interessanter in de ontwikkeling van de schrijfster dan in die van het genre; daarom kon dit werk het best besproken worden in samenhang met De gevallen van Ruth. Voor de Zoografia geldt iets dergelijks. Dit is een zó vreemdsoortig en ‘verziekt’ werk, dat het buiten de ontwikkelingsgang van het eigenlijke epos valt. Er was daarom niets tegen, het los te maken uit zijn historische context en te bespreken in samenhang met de Hiöb, dat in mindere mate gelijksoortige eigenaardigheden vertoont en dus als het ware voorbereidt op het vervolg van de ziektegeschiedenis. - In mijn overzicht van de vierde periode zal ik op de Debora en de Zoografia terugkomen, voor zover dit nodig is om hun chronologische positie nader te bepalen; in dit resumé blijven zij verder buiten beschouwing.

§ 2. Het Bijbelse epos

Aan het einde van de tweede periode was het nog onzeker, hoe het Bijbel-epos zich verder ontwikkelen zou. Het aarzelde als het ware tussen de nieuwe - maar in

[p. 593]

wezen Vondeliaanse - richting, die Hoogvliet met Abraham de Aartsvader gewezen had, en het utilistisch fundamentalisme dat in het eerste kwart van de eeuw dominant was geworden.1 In 1766 is dit pleit definitief ten gunste van Hoogvliet beslist, zij het op een minder nadrukkelijke wijze dan men zou hebben verwacht. Eigenlijk is het meer zó, dat het fundamentalisme verloren dan dat Hoogvliet gewonnen heeft. Ofschoon deze wel degelijk zijn navolgers had, ontstond er toch geen min of meer algemene Hoogvlietiaanse school. Men richtte zich niet zozeer naar zijn voorbeeld als wel naar zijn uitgangspunt: het beginsel van dichterlijke vrijheid óók ten aanzien van gewijde stof. Binnen dit beginsel was het echter mogelijk op belangrijke punten van hem af te wijken. Een kort overzicht van de betrokken epen doet dit alles duidelijker uitkomen.

Tussen 1744 en 1766 zagen de volgende oorspronkelijke Bijbel-epen het licht:

1748: Gideon door Frans van Steenwijk;
1752?: Jakob den Aartsvader door Frederik Duim;
1753: Het leven van Jozef (onvoltooid) door Hendrik Snakenburg;
1753: De Godvrucht op den troon (Daniël in de leeuwenkuil) door Jan Maan;
1762: De lydende en verheerlykte Heiland door Jacobus Jordaan;
1764: De gevallen van Ruth door Anna van der Horst;
1765: Salomon, koning van Israël door Willem Hendrik Sels;
1765: De val van Adam door Carolus Vlieg;
1766: Hiöb, de geestelyke Palmboom door Jan Lagendaal.

Van de negen auteurs is alleen Frederik Duim een uitgesproken tegenstander van Hoogvliet; in zijn Berecht wijst hij - zij het met de woorden van een ander - diens beginsel van dichterlijke vrijheid met nadruk af. Uit dit Berecht blijkt echter tevens, dat hij oorspronkelijk het voorbeeld van de Abraham had willen volgen en zich eerst achteraf door ‘eenige Theologische Kenners, en Liefhebbers der Poeëzye’ tot het fundamentalisme had laten bekeren.2 En in de praktijk van zijn werk veroorlooft hij zich een grotere mate van vrijheid tegenover zijn stof dan feitelijk te verenigen valt met het uitgangspunt dat hij had aanvaard.3 Hij blijkt zich minder aan de invloed van Hoogvliet te hebben kunnen onttrekken dan hij zelf meende.

Een geval op zichzelf vormt de Gideon. Op het punt van de dichterlijke vrijheid staat Frans van Steenwijk helemaal aan de kant van Hoogvliet. Voor het overige wijst hij echter de Abraham als model af om zich te richten naar het voorbeeld van de Henriade, en in het bijzonder naar de manier waarop Voltaire daarin gebruik had gemaakt van het merveilleux allégorique.4

Voor zover wij ons uit het onvoltooide en door Frans de Haes bewerkte Leven van Jozef een voorstelling kunnen maken van Snakenburg's bedoelingen, beoogde deze aanvankelijk een merveilleuse inslag in zijn epos, al zag hij daarvan af, toen dit te ingewikkeld werd.5 Ook het begin mediis in rebus wijst op een niet-fundamentalistisch uitgangspunt. In principe behoorde Snakenburg dus tot de richting van Hoogvliet. Maar hij heeft zich niet aan diens voorbeeld geconformeerd! Hij baseert namelijk zijn merveilleux op het ingrijpen van duivelse geesten, terwijl Hoogvliet op

[p. 594]

theologische gronden stelselmatig alle episoden met Satan of een Helleraad vermeed.6

Iets dergelijks is ook het geval in De lydende en verheerlykte Heiland, het passieepos van Jacobus Jordaan. De auteur laat zijn werk wel beginnen met een merveilleuse episode, maar daarin gaat het om een samenkomst van de Helleraad.7

In De gevallen van Ruth doet zich nogmaals hetzelfde verschijnsel voor. Er zijn in dit eerste werk van Anna van der Horst duidelijke sporen van beïnvloeding door Abraham de Aartsvader, maar desondanks ontbreekt daarin de Helleraad niet.8

Carolus Vlieg richtte zich in De val van Adam naar Milton en Vondel. Impliciet koos hij daarmee voor het standpunt van Hoogvliet. Bovendien trachtte hij diens voorstelling van de Hemelraad te redden door een variant, die minder theologische weerstand opriep.9

De Hiöb van Jan Lagendaal is voor de ene helft een geversificeerde Bijbelhistorie, voor de andere een Bijbel-berijming.10 Op grond daarvan zou men dit werk fundamentalistisch kunnen noemen. Maar bij deze auteur loopt alles door elkaar. Zijn uitbreiding van de Bijbelse feiten gaat zó ver, dat zij nauwelijks van vrije verbeelding te onderscheiden valt. En zijn weergave van hemel en hel berust duidelijk op de tradities van het merveilleux chrétien. Anders gezegd: het fundamentalisme heeft bij Lagendaal een Hoogvlietiaanse inslag gekregen.

Daarmee blijven er slechts twee epen over, die in de volle zin van het woord naar het voorbeeld van de Abraham werden geschreven: De Godvrucht op den troon van Jan Maan en de Salomon van W.H. Sels. Kenmerkend is, dat in deze beide werken Satan en zijn Helleraad evenzeer ontbreken als bij Hoogvliet.11 Maar merkwaardigerwijze ontbreekt in beide gevallen óók het begin mediis in rebus, terwijl dat juist tot de meest karakteristieke trekken van de Abraham behoort.

 

De vrijheid van de dichter tegenover zijn stof, die op voorgang van Hoogvliet door de Bijbel-epici was herwonnen, ging echter gepaard met een minder gelukkig nevenverschijnsel. Bij veel van de betrokken auteurs kwam de neiging op, zich nu ook vrij te gaan voelen in de epische vormgeving en op verschillende punten zonder noodzaak af te wijken van de regels voor het genre. Dat leidde tot een langzame, maar gestadig toenemende vervlakking en desintegratie. Het meest frequent doen zich deze afwijkingen voor in het exordium en bij het loslaten van een begin mediis in rebus. Een onregelmatige aanhef treffen wij aan bij Duim, Snakenburg, Sels en Lagendaal, terwijl bij Jan Maan de beoogde regelmaat wordt verstoord door een structurele onachtzaamheid.12 Van Steenwijk, Maan, Jordaan, Sels, Vlieg en Lagendaal vertellen hun verhaal ab ovo; alleen bij Vlieg is daarvoor enige rechtvaardiging te vinden in de stof die hij behandelt.13 Afgezien van dit laatste geval betekenen alle gesignaleerde onregelmatigheden verlies voor de epen, waarin zij voorkomen. Zij berusten niet op dichterlijke noodzaak, maar op gewichtig-doenerij en/of gemakzucht.

[p. 595]

Een aparte vermelding verdienen Van Steenwijk's Gideon en Vlieg's De val van Adam, omdat in elk van deze beide epen een beroemd buitenlands voorbeeld voor het eerst navolging vindt in de Nederlandse Bijbel-epiek: de Henriade in de Gideon, en Paradise lost in De val van Adam. In het eerste geval betreft de navolging met name de allegorisering van het merveilleux zoals Voltaire die had toegepast; in het tweede gaat het om de keuze van de stof en de ontlening van een aantal Miltoniaanse motieven. Beide pogingen vertonen interessante aspecten, maar moeten uiteindelijk toch als mislukt worden beschouwd. Frans van Steenwijk heeft het verschil tussen een profaan en een Bijbels epos ernstig onderschat,14 terwijl Carolus Vlieg te weinig dichter was om zijn - op zichzelf opmerkelijke - concept poëtisch te kunnen realiseren.15

 

Het peil van de onderhavige Bijbel-epen is niet hoog. Stuk voor stuk vertonen zij ernstige tekortkomingen en het poëtisch gehalte ligt in het algemeen nog lager dan het structurele. Vak- en vers-technisch is de Gideon het sterkst, maar Van Steenwijk heeft te weinig persoonlijke betrokkenheid bij zijn werk om daarmee de lezer werkelijk te boeien. Daarentegen doen het lijdens-epos van Jordaan en vooral Jan Maan's Godvrucht op den troon deze door hun bewogenheid en levendigheid veel van zijn bezwaren vergeten. In De lydende en verheerlykte Heiland staat de lyrische geloofs- en bekeringsdrift de epische ontwikkeling in de weg. Wat Maan betreft, ben ik echter geneigd zijn epos over Daniël in de leeuwenkuil te beschouwen als de meest aantrekkelijke vertegenwoordiger van het genre in de derde periode.

Ook De gevallen van Ruth hebben iets aantrekkelijks, dank zij de argeloze zelfidentificatie van Anna van der Horst met haar heldin. En Carolus Vlieg maakt in De val van Adam indruk met zijn originele interpretatie van de achtergronden uit het Paradijsverhaal. Maar in beide gevallen staat er te veel zwaks tegenover deze positieve aspecten dan dat deze doorslaggevend zouden kunnen zijn.

§ 3. Het profane epos

Tegenover de veelheid aan Bijbel-epen staat in deze periode slechts één enkel epos dat aan profane stof is gewijd: Willem de IV. van Margareta Geertruid van der Werken (1756). Dat is te weinig om ons in staat te stellen de vraag te beantwoorden, die aan het einde van de tweede periode opkwam: of het profane epos de vingerwijzingen naar de behandeling van contemporaine of recente nationale stof zou gaan volgen, die door Rotgans' Wilhem de Derde en Voltaire's Henriade gegeven waren.16 Weliswaar is het epos van de 21-jarige dichteres een navolging van Rotgans, maar haar werk staat te geïsoleerd en draagt een te uitgesproken epigonistisch karakter om te mogen worden gezien als ‘het inslaan van een richting’. Hoogstens kan er van worden gezegd, dat het de vingerwijzing nog wat nadrukkelijker maakt.

Verder zijn wij ook hier getuige van een tendens tot desintegratie van het epos, door de luchthartigheid waarmee de schrijfster met de traditie en de regels van het genre omspringt, in het bijzonder bij de toevoeging van een ‘proloog’ aan haar werk.17

[p. 596]

§ 4. De vertalingen

Tenslotte zijn er dan nog de vier vertalingen, die het beeld van de derde periode completeren:

1744: Henrik de Vierde door Govert Klinkhamer;
1747: Nederduytsche Overzettinge van de Aeneis door Franciscus Cockelet;
1753: Henrik de Groote door Sybrand Feitama;
1761: De dood van Abel door H. Backhuyzen.

Cockelet's proza-vertaling van de Aeneis is niet meer dan een toevallige verschijning, die geheel buiten de ontwikkelingsgeschiedenis van het epos staat. De Antwerpse priester-leraar bedoelde zijn werk als studieboek en niet als literatuur al zocht hij af en toe steun bij de Aeneis-in-proza. van Vondel.18

Ook de vertaling van Geßner's Der Tod Abels door de Haagse uitgever Backhuyzen kan nauwelijks tot de historie van het genre worden gerekend. Het boekje heeft enige curiositeitswaarde als vroegste respons op de opkomst van het empfindsame Bijbelepos in Zwitserland en Duitsland. Maar het bleef te onopgemerkt om betekenis te hebben. Bovendien was het geen rechtstreekse respons, maar slechts de haastige vertaling van een Franse bewerking die aan de smaak van het Franse publiek was aangepast.19

Daarentegen staan de twee vertalingen van de Henriade voluit in de geschiedenis van het Nederlandse epos als blijken van de algemene bewondering voor het heldendicht van Voltaire. Zij komen - en dat geldt vooral voor de vertaling van Feitama - te laat om die nog te (helpen) wekken, maar getuigen er daardoor des te nadrukkelijker van. Het werk van Klinkhamer moet ondanks enkele interessante aspecten een mislukking worden genoemd vanwege diens onvoldoende kennis van het Frans en ontoereikend dichterschap.20 Dat van Feitama kan nauwelijks meer een vertaling worden genoemd; het is veeleer een bewerking: een verbeterende transpositie van de Franse tekst in Nederlands heldendicht. De betekenis van Henrik de Groote ligt dan ook vooral in het feit, dat daarmee na de Telemachus opnieuw een voorbeeld gegeven werd van wat een Nederlands profaan epos zou kunnen en moeten zijn.21

Intussen blijkt H.J. Minderhoud de invloed van de Henriade op het Nederlandse epos evenals voor de tweede ook voor de derde periode sterk te hebben overschat.22 Afgezien van de Gideon, heb ik er alleen in M.G. van der Werken's Willem de IV. en in Sels' Salomon, koning van Israël mogelijke sporen van aangetroffen.23 Zal de vierde periode Minderhoud alsnog gedeeltelijk gelijk geven?

§ 5. Vragen voor de toekomst

Ook ditmaal roept de terugblik op het verleden vragen op ten aanzien van de verdere ontwikkeling. Dat geldt zowel voor het Bijbelse als voor het profane epos.

Wat het Bijbel-epos betreft, gaat het er vooral om, of de onverschilligheid voor tradities en voorschriften, die reeds tot een begin van verval had geleid, zich al dan niet verder zal voortzetten; daarmee staat uiteraard de toekomst van dit subgenre op

[p. 597]

het spel. In de tweede plaats dringt zich de vraag op, of en in hoeverre de nieuwe (over)gevoeligheid daarin een min of meer dominerende rol zal gaan spelen. Ik denk hier niet alleen aan de Duitse Empfindsamkeit, maar ook aan de (mystiek-)piëtistische gevoelstoon, zoals wij die bij Jordaan en ook enigszins bij Anna van der Horst hebben leren kennen.

Voor het profane epos geldt nog altijd dezelfde vraag als aan het einde van de tweede periode: zal dit ooit tot werkelijke ontwikkeling komen, en zo ja, waar zal het dan een terrein vinden waarop het zich kan ontplooien? Intussen kon de bewondering voor Feitama's bewerking van de Henriade niet anders dan kracht bijzetten aan Voltaire's vingerwijzing naar de recente nationale historie als bron van inspiratie.

1Zie boven, blz. 405-407.
2Zie boven, blz. 457.
3Zie boven, blz. 460.
4Zie boven, blz. 447-448.
5Zie boven, blz. 465.
6Zie boven, blz. 243-244.
7Zie boven, blz. 513-516.
8Zie boven, blz. 543 (nawoord bij de Eerste Zang) en 545-546 (Vierde en Vijfde Zang).
9Zie boven, blz. 566.
10Zie boven, blz. 573.
11Zie boven, blz. 473 en 527.
12Zie boven, blz. 472-473.
13Zie boven, blz. 569-570.
14Zie boven, blz. 454.
15Zie boven, blz. 570.

16Zie boven, blz. 408.
17Zie boven, blz. 493-494.
18Zie boven, blz. 433-435.
19Zie boven, blz. 505-506.
20Zie boven, blz. 420.
21Zie boven, blz. 428.
22H.J. Minderhoud, La Henriade dans la littérature hollandaise, diss. Utrecht (Parijs 1927), blz. 2 en 11.
23Zie boven, blz. 485 en 528-529.

prepostterug  begin  verder