In hetzelfde jaar 1767, waarin de David van Lucretia Wilhelmina van Merken het licht zag, verscheen ook - zestig jaar na zijn dood - Het leven en de dood van Jesus Christus van de Duinkerkse dichter Michiel de Swaen. Ik heb even geaarzeld over de vraag, of dit werk wel voor bespreking in de geschiedenis van het Nederlandse epos in aanmerking komt. Niet alleen is het naar vorm en structuur geen epos, maar het is ook niet geschreven omwille van de fabula. De vertellende gedeelten zijn ondergeschikt aan de contemplatie, waarom het de dichter uiteindelijk te doen is. Hij beoogt geen epiek, maar religieuse beleving: devotie.
Toch heb ik tenslotte gemeend dit merkwaardige dichtstuk niet onbesproken te mogen laten. Want al is het verhaal van Jezus' leven en sterven daarin feitelijk middel tot doel, als zodanig neemt het een belangrijke plaats in. Bovendien heeft de dichter zijn best gedaan het zo volledig mogelijk te vertellen, ook al stipt hij de gedeelten, die zich weinig of niet voor contemplatie lenen, slechts vluchtig aan. Men zou dan ook kunnen zeggen dat er in zijn dichtstuk een epos is ingebouwd, of liever: dat het een epos tot onderbouw heeft. Geen epos in de formele zin van het woord, overeenkomstig de regels van het genre; maar wel een verhaal dat evenzeer als verschijningsvorm van het Bijbelse epos kan worden beschouwd als de half-epen en fundamentalistische of moraliserende Bijbel-bewerkingen, die hierboven aan de orde zijn geweest. Er is bij Michiel de Swaen zelfs meer aansluiting bij het officiële epos merkbaar dan in het merendeel van de laatstgenoemde werken. Het zou daarom in het kader van deze studie niet gerechtvaardigd zijn, zonder meer aan Het leven en de dood van Jesus Christus voorbij te gaan.
Overigens verwachte men hier geen bespreking van het dichtstuk in al zijn aspecten. Het is mij tenslotte te doen om het epische karakter van zijn onderbouw. Ik heb dus gemeend voor het werk als geheel te kunnen volstaan met een algemene karakteristiek, die tevens doet uitkomen hoe de vertellende gedeelten in het grotere verband functioneren.
De beschikbare gegevens over Michiel de Swaen zijn zorgvuldig bijeengebracht door V. Celen in de Inleiding op zijn uitgave van al diens bewaard gebleven oorspronkelijke werk.1
De dichter werd op 20 januari 1654 in Duinkerken geboren als zoon van de meester-kleermaker Pieter de Swaen en Catharina Sint Legier. Welk onderwijs hij genoten
heeft, staat niet vast; de mening dat hij het Duinkerkse Jezuieten-college zou hebben doorlopen, wordt niet algemeen aanvaard. Hij vestigde zich als heelmeester in zijn vaderstad en bleef in deze functie werkzaam tot zijn dood op 3 mei 1707. Uit allerlei aanwijzingen blijkt, dat hij bij zijn stadgenoten in aanzien stond en een zekere welstand genoot. Van 1688 tot 1692 had hij als ‘Raedt’ een plaats in het stadsbestuur.
De Swaen heeft een belangrijke rol gespeeld in de Duinkerkse rederijkerskamer De Carssouwieren onder de zinspreuk ‘Verblijdt u in den tijdt’, waarvan hij twintig jaar Prins is geweest en die onder zijn leiding een grote bloei heeft gekend. Maar ondanks al zijn activiteit voor deze Kamer stond het meest eigenlijke deel van zijn dichterschap daar toch buiten en boven.
Opmerkelijk genoeg heeft de dichter, om welke reden dan ook, het uitgeven van zijn dichtwerk steeds zoveel mogelijk vermeden; slechts een enkel toneelstuk heeft tijdens zijn leven met zijn toestemming het licht gezien. Vermoedelijk heeft dit tot gevolg gehad, dat er vrij wat van zijn oeuvre verloren is gegaan. Wat wij daarvan kennen, berust op handschriften en merendeels posthume drukken. De editie van Celen is de eerste verzamel-uitgave van dit alles. Behalve Het leven en de dood van Jesus Christus omvat zij nog: een vijftal toneelstukken2 met het fragment van een zesde; de proza-verhandeling Neder-duitsche Digtkonde of Rym-konst; een groot aantal poëmen van mindere omvang en wisselende qualiteit, die door E. Rombauts raak zijn getypeerd als ‘lyrische, lyrisch-didactische en gelegenheidsgedichten’.3
Het leven en de dood van Jesus Christus is ongetwijfeld niet alleen het omvangrijkste, maar ook het belangrijkste werk van de dichter. Toen hij het in 1694 voltooide, was hij er twintig jaar mee bezig geweest.4 Maar tot uitgave daarvan heeft hij nooit kunnen besluiten.
Zo kwam het, dat De Swaen's magnum opus eerst 73 jaar na de voltooiing voor de eerste maal het licht heeft gezien - dank zij het feit dat de Brugse boekdrukker Joseph van Praet van de toenmalige eigenares de beschikking had gekregen over het handschrift (dat inmiddels verloren is geraakt). Zijn uitgave bestaat uit twee delen, die met hetzelfde jaartal en dus vermoedelijk gelijktijdig op de markt kwamen. Het titelblad van het eerste deel luidt:
Het // leven // en de // dood // van onsen // Saligmaker // Jesus Christus. // Rym-konstig beschreven door M. De Swaen, // in syn leven Prince der Reden-ryke // Gilde tot Duynkerke. // Eerste deel. // vignet // Tot Brugge, // By Joseph van Praet, drucker 's Lands // van den Vryen, op de Kuypersplaets. // M.DCC.LXVII.Het titelblad van deel II is geheel conform; alleen wordt daar vermeld: ‘Tweede deel’ - De twee-deling is afkomstig van de dichter zelf; in de eerste helft van zijn werk behandelt hij ‘het leven’, in de tweede ‘de dood’ van Christus.
Celen heeft de uitgave van Van Praet in zijn editie van De Swaen's werk diplo-
matisch herdrukt; zij beslaat daarin de delen III en IV. Voor mijn bespreking heb ik van deze moderne her-uitgave gebruik gemaakt; bij citaten verwijs ik dan ook steeds naar de vindplaats in Celen's editie.
Het eerste deel van De Swaen's dichtstuk omvat 33, het tweede - opnieuw nummerend vanaf I - 27 Gesangen, die telkens worden besloten met of uitmonden in een Toesang. Het geheel wordt gevormd door de iuxta-positie van deze 60 onderdelen, die formeel elk op zichzelf staan, maar innerlijk met elkaar verbonden zijn door de figuur van Christus en uiterlijk door hun gelijksoortige structuur. De Gesangen zijn geschreven in voortreffelijke alexandrijnen en hebben een omvang, die variëert van ongeveer 150 tot 250 versregels. De Toesangen - in trochaeïsche of jambische viervoeters - dragen een lyrisch karakter en blijven meestal beperkt tot enige tientallen regels.5
Zoals de Gesangen binnen bepaalde grenzen variëren in omvang, zo doen zij dat ook naar inhoud en opbouw. In de meeste gevallen houdt de dichter zich echter zoveel mogelijk steeds weer aan hetzelfde patroon: hij begint met de beschrijving van een episode of belangrijk moment uit het leven van Christus, om daarna over te gaan tot de contemplatieve en emotionele verwerking daarvan.
Dit patroon, waarbij de uitbeelding van het gebeuren uitgangspunt en stimulans is voor de daarop gerichte devotie, herinnert aan de kruiswegstaties in een R.K. kerk. En ik acht het niet onwaarschijnlijk dat De Swaen de opzet van zijn werk, al dan niet bewust, inderdaad aan deze staties te danken heeft. Zoals hij gewoon was langs de staties in zijn kerk de kruisgang van Jezus mee-belevend te herdenken, zo wilde hij dat in zijn dichtstuk het gehele leven van Christus doen, van de annunciatie tot de hemelvaart. Vanuit deze veronderstelling wordt de eigenaardige opbouw van zijn werk begrijpelijk: een opeenvolging van afzonderlijke momenten in plaats van een doorlopende geschiedenis.
Natuurlijk bracht deze overdracht naar de poëzie in allerlei opzichten verandering in het karakter van de ‘statie’. Zo viel nu de beschouwer met de uitbeelder samen, wat zowel de bewogenheid van de voorstelling als die van de reflectie ten goede kwam. Bovendien behoefden de ‘staties’ niet altijd concreet meer te zijn in de zin van: plastisch uitbeeldbaar; in verbale vorm konden ook abstracte momenten of aspecten worden geëvoceerd, en De Swaen heeft daar meermalen gebruik van gemaakt.6 Het belangrijkste verschilpunt is echter, dat zijn staties-in-woorden - anders dan die in lijn en kleur - niet op één moment gefixeerd zijn, maar het gebeuren in zijn opeenvolgende fasen kunnen volgen en weergeven. Doordat de bezinning zich bij deze fasering aansluit, wordt de grens tussen beeld en reflectie minder scherp en treedt er een soort wisselspel op. Het begin van de episode geeft aanleiding tot een eerste emotionele reactie of reflectie, die echter wordt afgebroken als een nieuwe
ontwikkeling in het gebeuren de aandacht trekt en uitgangspunt wordt voor een andere bespiegeling - die dan op haar beurt moet wijken voor de beschrijving van een latere fase, en zo verder tot de gehele episode zowel verteld als verwerkt is.
Maar al leidde op deze manier de overdracht van de statie naar de poëzie tot allerlei modificaties, het beginsel bleef daarbij onaangetast. Op zichzelf was de transplantatie een succes. Op het eerste gezicht doet het dan ook wat vreemd aan, dat er ook Gesangen zijn, waarin het statie-karakter niet meer dan een ondergeschikte rol speelt of zelfs geheel ontbreekt. Blijkbaar heeft de dichter toch geen kans gezien, in alle onderdelen van zijn werk aan zijn eigenlijke opzet vast te houden. Wij gaan dat echter begrijpen, wanneer wij bedenken dat hij zich voorgenomen had het gehèle leven van Jezus te behandelen. En dat leende zich niet over de hele linie voor staties. Het zijn immers bij uitstek de geboorte en de kruisiging, met alles wat daar omheen ligt, die voor deze even gedetailleerde als emotionele vorm van retrospectief meebeleven in aanmerking komen. Het tussen-liggende deel van de Evangelische geschiedenis - de tijd van Jezus' omwandeling en prediking - biedt daartoe niet genoeg mogelijkheden, doordat er te weinig spectaculaire of aangrijpende momenten zijn die voor uitbeelding als ‘statie’ in aanmerking zouden kunnen komen. In de Gesangen, die hij wijdt aan dit middendeel van zijn stof, zien wij De Swaen dan ook op een andere manier te werk gaan. Hij vertelt veel meer cursorisch en samenvattend. Vaak volstaat hij voor een hele reeks van feiten met een summiere aanduiding - eerder memorerend dan vertellend - om dan uitvoerig stil te blijven staan bij een episode die hem sterk aanspreekt, zoals het stillen van de storm op zee (deel I, Gesang XXI) of de opwekking van de jongeling uit Naïn (deel I, Gesang XXII); in zulke gevallen keert ook het statie-karakter terug. Maar er zijn ook Gesangen, waarin het cursorisch-memorerend vertellen tot het einde toe doorloopt, zoals in de Gesangen XXVII (‘Op verscheyde Leeringen, en wondere Werken van den Saligmaker’) en XXXI (‘Op het gene Christus geleert en gedaen heeft den Maendag, Dynsdag en Woensdag voor syn Lyden’), beide uit deel I. Ook dan blijven echter de persoonlijke betrokkenheid en de devotie van de dichter doorklinken in de manier waarop hij over Jezus spreekt: ‘myn lieven Minne-vorst’, ‘myn Uytverkoren’; ‘myn Jesus’; ‘myn Vrede-vorst’.7
Kenmerkend voor Het leven en de dood van Jesus Christus zijn vooral: het onvoorwaardelijk geloof van de dichter, de hartstocht waarmee hij zich verdiept in de mysteries van Menswording en Passie, de felheid van zijn zonde-besef en zijn berouw, zijn mystiek-extatische liefdesband met Jezus. Volgens de deskundigen wortelt dit alles in een Franciscaanse spiritualiteit, waarmee hij door de omgang met zijn Capucijnse vrienden vertrouwd zou zijn geraakt. Maar het is niet de herkomst, die hier van betekenis is; het gaat om de gedrevenheid, waarmee hij deze gevoelens tot uitdrukking bracht.
In wezen was Michiel de Swaen een typische minor poet. Hij bezat een uitgesproken dichterlijke aanleg en beschikte over een gemakkelijke versvaardigheid. Maar zijn dichterschap droeg eerder een sensitief dan een creatief karakter. Grootse verbeeldingen en verrassende poëtische vondsten zal men in zijn werk tevergeefs zoeken: daarvoor ontbrak hem de nodige inventiviteit. Hij was bij wijze van spreken voorbestemd om een goed poëet, maar niet om een groot dichter te zijn. Dat is hij ook niet geworden. Daar staat evenwel tegenover dat in Het leven en de dood van Jesus Christus de religieuse gedrevenheid, waarover ik sprak, zijn poëzie meermalen zó ver
boven haar natuurlijke peil opstuwt, dat hij wel degelijk in de buurt daarvan komt. Vooral in het tweede deel, waar bij de beschrijving en overdenking van Jezus' lijden de emoties het hoogst oplopen, bereikt hij een reeks hoogtepunten die tot de beste geloofspoëzie uit de Nederlandse letterkunde van de 17de en 18de eeuw behoren. Maar hoogtepunten zijn eo ipso uitzonderingen. Daarnaast staan de vele mattere en - met name in de Gesangen over de periode tussen Geboorte en Lijden - ook wel eens min of meer plichtmatige gedeelten, al moet daar dadelijk aan worden toegevoegd dat ook die laatste nooit tot rijmelarij vervallen. Als men daarbij de nodige nuanceringen incalculeert, zou men kunnen zeggen dat De Swaen buiten de hoogtepunten zijn eigenlijke peil terugvindt en dat heel redelijk weet te handhaven.
In zijn pioniers-studie over De Swaen heeft Maurits Sabbe erop gewezen ‘hoe nauw niet alleen katholieke zeventiende-eeuwsche moralisten, maar ook protestantsche piëtisten als Cats en Luiken met den Duinkerkschen dichter verwant zijn’.8 Dat is trouwens niet zo vreemd. Ondanks de fundamentele verschilpunten, die hen gescheiden houden, stoelen Reformatorische en Rooms-Katholieke Christenen tenslotte op dezelfde wortel des geloofs. Het ligt dus voor de hand dat er verwantschap aan het licht treedt, wanneer het om persoonlijke geloofsbeleving gaat en niet in de eerste plaats om de leer. Vooral bij de bezinning op het lijden van Christus kan ten aanzien van bepaalde punten de overeenkomst soms opmerkelijk groot zijn, zowel wat de toon als de motieven betreft. Ik geef daarvan een typisch voorbeeld met betrekking tot De Swaen en de Bijbelse epiek uit het Noorden.
In zijn Bijbels epos De lydende en verheerlykte Heiland9 behandelt Jacobus Jordaan dezelfde stof als De Swaen in het tweede deel van zijn dichtstuk. Ook verder zijn de beide werken goed met elkaar vergelijkbaar. Wel is bij Jordaan de epische opzet primair, maar de mystiek-piëtistische inslag en het getuigende karakter van zijn uitwerking leiden tot zóveel reflectie en emotie, dat desondanks het resultaat vaak sterk aan de behandelingswijze van De Swaen herinnert. Welnu: bij mijn bespreking van dit epos heb ik aangegeven, hoe de dichter de kruiswonde in Jezus' zijde mystiek-bespiegelend voorstelt als een toevluchtsoord voor wie in nood verkeren: een veilige kloof in de steenrots voor de vluchtende duif.10 Men vergelijke daarmee de wijze, waarop De Swaen in Gesang XXII van zijn tweede deel (‘Op Jesus doorboorde Zyde, en Afdoeninge van het Kruys’) over deze wonde in vervoering raakt. Hij wenst, evenals de lans die Jezus' zijde doorboorde, in Hem te kunnen doordringen om voor altijd intrek te nemen in Zijn hart en met Hem te versmelten tot één:
Het is anders dan bij Jordaan, vooral in de bruidsmystiek van de eerste drie regels (op grond van Hooglied 6:1 en 3). Maar de verwantschap is onmiskenbaar, en zelfs ‘de spleet der steen-rots’ ontbreekt niet.
De Swaen heeft in een afzonderlijke Opdracht van 160 alexandrijnen zijn werk toegewijd Aen de Alderheyligste Dryvuldige Eenigheyt, en den Twee-wezentlyken Persoon Jesus Christus, Godt ende Mensch, d.w.z. aan God en aan Christus. De tweeledigheid is echter niet wezenlijk, want God en Christus zijn één - maar de eerste kan slechts in en door de laatste worden gekend. Als de dichter ‘dit werk van myn gedachten’ neerlegt voor de voeten van Jezus, doet hij dat dan ook met de bede om Diens bemiddeling voor overdracht aan de Vader, die hij niet zelf bereiken kan:
De gelovige eerbied en de kinderlijke eenvoud, waarmee De Swaen over het mysterie van de Drie-eenheid en de Openbaring in Christus spreekt, maken de Opdracht tot een treffend gedicht op zichzelf. Ik beperk mij hier echter tot het citeren van de twee fragmenten, waarin onder woorden wordt gebracht wat de dichter met zijn grote werk beoogd heeft en nog altijd beoogt. Het valt op, dat hij daarbij uitgaat van dezelfde onderscheiding tussen ‘het leven’ en ‘de dood’ van Christus als in de titel en de tweedeling van zijn dichtstuk.
De bezinning op het leven van Jezus moet in hem wakker houden wat hij aanduidt als ‘minne-rouw’: het samengaan van dankbare liefde met berouw over zijn zonden:
Bij de reflectie op de dood van Christus gaat het nadrukkelijk om de verzoening: het wegwassen van alle schuld uit zijn hart:
Het eerste deel van De Swaen's werk begint met een Gesang ‘Tot inleydinge’. Maar deze inleiding heeft niet enkel, zoals men zou kunnen verwachten, betrekking op dat eerste deel. Zij is bedoeld als exordium en inzet van het gehèle dichtstuk dat volgen gaat, tot de Hemelvaart toe. Ik gebruik met opzet het woord exordium, dat in het kader van deze studie een epische connotatie heeft. De dichter heeft namelijk zeer nadrukkelijk aan zijn ‘inleydinge’ een vorm gegeven, die overeenkomt met het begin van een epos.11
Hij begint met een propositio, geheel volgens de Vergiliaanse traditie - met inbegrip van de verwijzing naar vorig werk, die aan het ‘Arma virumque cano’ voorafgaat en in de 17de eeuw authentiek werd geacht:
Zelfs de regel dat de held niet met name genoemd, maar slechts door omschrijving aangeduid dient te worden, is hier zorgvuldig in acht genomen.
Daarna volgt een invocatio tot de Heilige Geest, eveneens in aansluiting bij de traditie, zij het ditmaal - blijkens de omvang - meer die van Renaissance en klassicisme dan van de Oudheid.
Na zijn exordium gaat de dichter - nog altijd in de trant van het epos - over tot de narratio. En deze begint met een hemel-scène, waarin wordt uitgebeeld hoe het Goddelijke besluit valt de beloofde komst van Jezus in het vlees niet langer uit te stellen. Al vanaf de zondeval duurt voor Gods troon het pleidooi van Genade tegen Rechtvaardigheid om verzoening voor de schuld van de mens. God heeft die steeds weer toegezegd, maar nog altijd blijft zij uit. Ook nu richt Genade haar smeekbede tot Hem: ‘Voldoet nu aen uw woord, ô goedertieren Heer, // Ontferm u dog, en send den Saligmaker nêer’ (M.d.S. III, 22). En ditmaal vindt zij gehoor. De Liefde doordringt het ongeschapen Woord aan de rechterhand van de Vader: Christus. Afdalend van de troon kondigt Hij aan, dat het ogenblik nu daar is; nog diezelfde nacht zal Hij neerdalen in de schoot van Maria. Terwijl Gabriël uitgezonden wordt om haar dit mee te delen, buigen de Engelen zich aanbiddend neer en maakt Michaël zich tot tolk van hun verering in een vurige lofprijzing.
Daarmee breekt het ‘epos’ abrupt af. Als de dichter in dezelfde trant had willen doorgaan, had er nu de beschrijving moeten volgen van Gabriël's tocht naar de aarde en zijn verschijning aan Maria. In plaats daarvan rondt hij echter zijn eerste Gesang af met een opwekking tot zijn ‘Sangeres’ om zich aan te sluiten bij het eerbetoon van de Engelen in de hemel. En dat doet zij dan in de Toesang.
Gezien De Swaen's vertrouwdheid met het werk van Vondel, mogen wij aannemen dat hij de gedachte om zijn narratio te beginnen met een hemel-scène, die de metaphysische achtergrond vormt voor het gebeuren op aarde, te danken heeft aan diens Joannes de Boetgezant. Ook daar valt in de eerste episode een Goddelijk besluit en wordt Gabriël ter uitvoering daarvan naar de sterfelijke wereld gezonden.12 Meer dan de idee heeft de Duinkerker dichter echter niet overgenomen; in de uitwerking gaat hij met het pleidooi van Genade en de reactie daarop van de door Liefde bevlogen Zoon een geheel eigen weg.
Met de hemel-scène heeft De Swaen gebruik gemaakt van het epische merveilleux chrétien. Maar niet in de vorm van een indrukwekkende verbeelding. Hij doet geen enkele poging tot directe beschrijving; hij volstaat met het doen horen van de drie stemmen, waarin zich het gebeuren voltrekt: de aandrang van Genade, het besluit van de Zoon, de aanbidding van de Engelen. Het suggestieve effect wordt door deze terughouding echter eerder vermeerderd dan verminderd.
In de twee volgende Gesangen sluit De Swaen nog enkele malen terloops bij zijn ‘Prolog im Himmel’ aan. Maar in Gesang IV (‘Op de Boodschap, door den Engel Gabriël, gedaen aen de H. Maget’) wordt dan deze merveilleuse episode definitief afgesloten. De dichter begint met een beschrijving van de Engel, zoals deze in Nazareth aan Maria verschijnt:13 een beschrijving die ongetwijfeld beïnvloed is door schilderingen van de annunciatie die hij kende. Maar ondanks deze detaillering kan hier niet van merveilleux worden gesproken: de verschijning van Gabriël berust op de Bijbel en niet op de verbeelding van de dichter. De afsluiting, waarop ik doelde, treffen wij dan ook eerst aan het einde van het Gesang aan. Dan is door het toestemmende antwoord van Maria op de boodschap van Gabriël de Menswording een feit geworden: de Zoon ‘Is desen nacht ontfaen in eene Magets schoot’ (M.d.S. III, 42). En nu stelt de dichter zich voor, hoe Lucifer gereageerd moet hebben op deze gebeurtenis, die het einde betekent van zijn heerschappij:
Het merkwaardige is, dat De Swaen dit beeld van de hel niet geeft als onderdeel van zijn verhaal, maar van zijn reflectie. Zich bezinnend op de betekenis van de Ontvangenis, betrekt hij daarbij ook de reactie van Lucifer: ‘'k Verbeelde my, dat hy...’. In de context van dankbare reflectie op een Heilsfeit doet deze evocatie van de hel enigszins vreemd aan, te meer omdat het Gesang daarmee besloten wordt. Ik meen dan ook dat wij deze evocatie meer moeten beschouwen als tegenhanger van de hemel-scène in Gesang I dan als werkelijk onderdeel van de bezinning op de annunciatie. In Vondel's Joannes staat tegenover de Hemel- een Helleraad; is het te ver gezocht, te veronderstellen dat De Swaen op grond daarvan gemeend heeft zijn ‘Prolog im Himmel’ niet zonder tegenhanger te mogen of te moeten laten? Ik meen van niet; vandaar dat ik hierboven sprak over afsluiting van de merveilleuse episode.
In de 56 nog volgende Gesangen van het dichtstuk komt verder geen merveilleux meer voor.
De nauwe aansluiting van de dichter bij het epos in zijn ‘inleydinge’, terwijl uit de aansluitende Gesangen duidelijk blijkt dat hij geen epos bedoelt, werkt aanvankelijk enigszins verwarrend. Maar al spoedig gaan wij begrijpen, hoe De Swaen zich in zijn werkwijze tot het epos verhoudt. Hij maakt in de vertellende gedeelten van zijn dichtstuk slechts gebruik van elementen uit de epische traditie, wanneer hij behoefte heeft aan een structurele ruggesteun. Voor de rest gaat hij zijn eigen weg.
In grote lijnen laat de manier, waarop de dichter vertelde, zich als volgt weergeven.15
Hij begon, alsof hij een epos ging schrijven. Dat verschafte hem niet alleen het voordeel van een goed begin (het exordium), maar ook de mogelijkheid nadrukkelijk de metaphysische achtergrond van zijn stof naar voren te brengen (het merveilleux). Zodra hij op deze manier op gang was gekomen, liet hij echter het epische model los, om over te gaan op zijn eigen vormgeving in staties. Dat bracht tevens een verandering in de vertel-trant mee: een verschuiving van mee-delen naar mee-beleven. Deze overgang voltrekt zich geleidelijk in de Gesangen II tot IV van het eerste deel, en is na de afsluiting van het merveilleux met de helle-scène voltooid. Het verschil manifesteert zich het duidelijkst in het feit, dat de dichter het praesens ging gebruiken in plaats van de verleden tijd. Hij probeerde daarmee het gebeuren weer te geven alsof hij er persoonlijk bij tegenwoordig en betrokken was, al brak - maar dat komt de authenticiteit ten goede - onder het vertellen af en toe in een verledentijdsvorm het besef van de reële afstandelijkheid toch even door. In dit verband verdient het opmerking, dat ook in de gedeelten over de prediking van Jezus, waar het ‘statie’-karakter veel zwakker is, het praesens zoveel mogelijk gehandhaafd blijft. Wel zijn daar, met name in de verbindende passages tussen feit en feit, de verleden-tijdsvormen frequenter, maar in principe blijft de vertel-trant uitgaan van het mee-beleven. Daarentegen heb ik de indruk - verder durf ik niet gaan - dat in de laatste Gesangen van het tweede deel (over de gebeurtenissen na de Opstanding) de afstandelijkheid weer groter wordt en min of meer overeenkomt met die van de overgangsperiode in de eerste Gesangen uit deel I. Dat zou ook niet zo vreemd zijn. Wat buiten het menselijke leven van Jezus viel, was voor de dichter niet op dezelfde manier mede-beleefbaar.
Bij deze geëngageerde manier van vertellen was het onvermijdelijk, dat De Swaen meermalen moeite had, na afhandeling van een bepaalde episode de overgang te vinden naar een volgende. In zulke gevallen greep hij, evenals voor zijn begin, op de traditie van het epos terug om hem over het dode punt heen te helpen. De passages, waarin hij dat deed, kenmerken zich door een uitgesproken aansluiting bij stijl en woordgebruik van het officiële genre. Een goed voorbeeld levert in het eerste deel de inzet van Gesang XV, waarin - na de behandeling van de aanbidding door de Wijzen uit het Oosten - een geheel nieuw punt aan de orde moet worden gesteld: ‘Op de Suyveringe van de Moeder-Maegd’. Wij herkennen in die inzet de conventie van het epos:
Als voorbeeld uit De Swaen's tweede deel citeer ik de aanhef van Gesang XXIV (‘Op Marias afscheyd van Jesus Graf, en de vernietinge van eenen begraven Godt’). Ook hier moet na een aangrijpend moment, de begrafenis van Jezus, een nieuwe aanloop worden gemaakt:
De herkenbaarheid van dit aanleunen tegen het epos is een gevolg van het feit, dat de eigen stijl van de dichter anders is. Hij moet niets hebben van een ongemene - laat staan: maniëristische - uitdrukkingswijze. Steeds probeert hij zo direct, eenvoudig en duidelijk mogelijk onder woorden te brengen wat hij te zeggen heeft. Zelfs in zijn meest pathetische beschrijvingen en extatische gevoels-momenten blijft hij aan dat beginsel vasthouden. Daardoor hebben zijn verzen een zó specifiek karakter, dat een andersoortige inslag dadelijk opvalt.
De aard van deze stijl is geheel in overeenstemming met de opvatting, die De Swaen in zijn Neder-duitsche Digtkonde voorstaat. In de Voor-reden van dit werk verklaart hij: ‘en wat de klaerheydt belangt, de verssen moeten daer in soo uijt schijnen, dat 'et onmogelijk zij den zin niet te verstaen’. Op dat punt schiet Vondel naar zijn mening tekort: ‘ende is 'er iet in Van Vondels, dat duijster schijnt, of voor duijster mag gerékent worden, men moet dat om zijn hoogdraventheyd verontschuldigen, alhoewel hij daer in niet te prijsen is, noch min naer te volgen’ (M.d.S. II, 203).
Om een enigszins volledige indruk te kunnen geven van de vertellende gedeelten uit De Swaen's werk heb ik tenminste drie proeven nodig. Er is namelijk niet alleen een groot verschil tussen zijn verteltrant in de memorerende en in de evocatieve passages, maar bovendien vertonen deze laatste onderling te veel verscheidenheid naar gelang van de emoties, die een bepaalde ‘statie’ bij de dichter oproept, om niet enigermate te moeten worden gedifferentieerd.
I. De eerste proeve betreft de uitbeelding van een ‘statie’ en is ontleend aan deel I, Gesang IX (‘Op Marias komste te Bethlehem’). Ondanks de gevorderde zwangerschap van Maria kunnen Jozef en zij geen onderdak vinden in de overvolle stad:
Wij hebben hier een duidelijk voorbeeld van de manier, waarop de dichter een statie tekent. Zó intens en tot in de kleinste bijzonderheden roept hij zich het gebeuren voor de geest, dat hij er als het ware deel aan krijgt. Vol deernis, verontwaardiging en vertedering is hij met Maria en Jozef in Bethlehem, dat onwillekeurig voor hem het beeld aanneemt van zijn eigen stad.
II. Als tweede proeve geef ik een brok memorerend vertellen in zijn meest uitgesproken vorm. Het is ontleend aan deel I, Gesang XXIX (‘Behelsende Jesus vertrek naer Ephrem, en wederkomste door Jericho in Bethanien’):
De eerste 14 regels van dit citaat berusten op Lucas 9:51-56, de laatste zes op Mattheüs 20:17-19. De Bijbeltekst is er vrijwel woordelijk in terug te vinden. Bovendien is merkbaar, dat de dichter hier minder bezield schrijft dan in de voorgaande proeve. In reg. 6 is ‘den weg baenen’ een ongelukkige uitdrukking ter verkrijging van een rijmwoord; in reg. 8 werd het overbodige en weinig fraaie ‘op d'aerdsche vloer’ eveneens rimae causa toegevoegd; in reg. 17 doet de zware onderbetoning van ‘smaed’ onaangenaam aan. Maar al stelt De Swaen zich hier het beschreven moment niet met dezelfde intensiteit voor als bij de staties, hij doet dat toch met genoeg persoonlijke betrokkenheid om op te merken dat Jezus naar Zijn lijden in Jeruzalem op weg gaat ‘met een verheugd gelaet’, en dat Hij aan Zijn twee verontwaardigde discipelen ‘overloopend' bloet’ verwijt. Daardoor blijft hij ondanks kleine ongerechtigheden ook in dit memorerend vertellen levendig genoeg om te kunnen boeien.
III. Met de derde proeve keren wij terug naar de uitbeelding van een statie, maar ditmaal uit deel II, waarin het lijden van Christus centraal staat. In de minutieuse beschrijving van de lichamelijke verschijnselen bij pijn en dood, die kenmerkend is voor deze tweede reeks bezinningsmomenten, doet zich - zoals Sabbe terecht heeft opgemerkt26 - de heelmeester kennen voor wie deze verschijnselen een dagelijkse realiteit waren zonder geheim. Wanneer de eerste spijker door de hand van Jezus geslagen wordt, reageert Zijn gehele lichaam daarop:
Deze regels zijn ontleend aan deel II, Gesang XVIII (‘Op Jesus Nagelinge en oprechtinge aen het Kruys’). Verder-op in datzelfde Gesang volgt de beschrijving van de kruis-oprichting, die mijn eigenlijke proeve vormt:
In de tekening van de bedrijvigheid bij de oprichting van het kruis mogen wij de herinnering vermoeden aan een of meer schilderijen die De Swaen kende. Maar er is toch niet alleen sprake van een visuele herinnering. Ook hier denkt de dichter zich intens genoeg in de ‘statie’ in om die als een realiteit mee te beleven. Hij hóórt de aanmoedigingen van de priesters, het wenen van de vrouwen en - dat is het meest typerende! - de juichkreten van de kinderen als het eindelijk gelukt is het zware kruis rechtop te duwen en te trekken!
Zowel het uitgesproken R.K. karakter van het werk als de vertraagde verschijning en de publikatie in het afgelegen Brugge hebben ertoe bijgedragen, dat het magnum opus van Michiel de Swaen in onze literatuur terzijde is blijven staan. In de geschiedenis van het Nederlandse epos heeft het geen enkele rol gespeeld, al behoort de vertellende onderbouw als poëzie tot het beste dat er aan verschijningsvormen van het Bijbelse sub-genre valt aan te wijzen. In het algemeen trouwens heeft Het leven en de dood van Jesus Christus, ook na de her-ontdekking van zijn auteur door Sabbe, nog altijd niet de waardering gevonden, waarop het vanwege zijn literaire qualiteiten recht zou hebben.
Ten aanzien van de onderbouw dienen nog twee punten te worden onderstreept. In de eerste plaats gaat het hier om een verschijningsvorm van het Bijbelse epos, zoals wij die elders niet hebben aangetroffen. In alle andere gevallen, waarin wij deze term hebben gebruikt, had hij betrekking op het besproken werk als gehéél. Dat is hier niet het geval. Als geheel is het dichtstuk van De Swaen géén verschijningsvorm van het epos, maar veeleer van de lyriek. - In de tweede plaats moeten wij in gedachten houden, dat het werk reeds in 1694 werd voltooid. Gerekend naar de tijd van zijn ontstaan, is de onderbouw dus zowel de éérste als de meest uitzonderlijke representant van de vele Bijbeldichten na Joannes de Boetgezant, die geen eigenlijke epen zijn en er toch te veel mee gemeen hebben om niet als een verschijningsvorm daarvan te worden beschouwd.