In hetzelfde jaar 1771, waarin Versteeg's Mozes praktisch de lijn van het 18de-eeuwse Bijbel-epos afsloot, verscheen de eerste vertegenwoordiger van het sub-genre dat daarvoor in de plaats zou komen: het vaderlandse epos. Toen zag namelijk ook de eerste druk van Onno Zwier van Haren's De Geusen het licht.
Zo simpel als het bovenstaande zou doen vermoeden, ligt de zaak echter niet. Door mijn wijze van formuleren heb ik op twee controversiële punten voor een bepaalde interpretatie van de beschikbare feiten en gegevens gekozen. Die punten betreffen 1. de verhouding tussen De Geusen en hun voorloper, het in 1769 in onvoltooide vorm uitgegeven dichtwerk Aan het Vaderland; 2. het genologisch karakter van De Geusen, mede in verband met de vraag hoe de dichter zelf zijn werk beschouwd wilde zien. Met een enkel woord geef ik aan, waarom het daarbij gaat.
ad 1. In de Voorreeden bij de laatste door hemzelf verzorgde editie van De Geusen - de derde druk van 1776 - zet Van Haren uiteen, hoe zijn gedicht geleidelijk-aan tot stand is gekomen. In dat verband noemt hij Aan het Vaderland ‘een ruwe schetz van dit werk’. Als wij dit naar de letter nemen, zouden De Geusen in de ontwikkelingsgeschiedenis van het Nederlandse epos niet onder het jaar 1771 aan de orde moeten komen, maar onder 1769. Immers, dan zouden zij toen reeds hun intrede in onze letterkunde hebben gedaan, weliswaar in een nog niet voltooide vorm en onder een provisoire titel, maar in wezen toch als hetzelfde werk. Er is evenwel aanleiding om te veronderstellen dat Van Haren in de Voorreeden van 1776 de ontstaansgeschiedenis van zijn gedicht gesimplificeerd heeft, en dat hij in werkelijkheid met Aan het Vaderland ondanks alle overeenkomst iets geheel anders bedoeld had dan wat De Geusen tenslotte geworden zijn. Zoals uit mijn keuze voor 1771 als verschijningsjaar van dit werk blijkt, meen ik dat deze laatste opvatting de juiste is. Om dit aannemelijk te maken, zal ik echter ook Aan het Vaderland in mijn beschouwingen moeten betrekken.
ad 2. In de traditionele, Vergiliaanse zin van het woord kunnen De Geusen onmogelijk een epos worden genoemd. Met hun strofische bouw en losse structuur doen zij veeleer denken aan een lyrisch gedicht, dat is opgebouwd uit een lange reeks lierzangen, persoonlijk en emotioneel. Daar staat echter tegenover, dat het geheel een vrij goed samenhangend verhaal vertelt, en dat hier en daar passages voorkomen die in toon en verteltrant meer episch aandoen dan lyrisch. Moet men deze epische elementen als bijkomstig beschouwen en De Geusen in de eerste plaats zien als lyriek? Of dient men het dichtstuk ondanks al zijn lyrische eigenaardigheden op te vatten als een - extreme - verschijningsvorm van het epos? Over het antwoord op dit probleem lopen de meningen uiteen. Zoals uit de eerste alinea van deze paragraaf al is gebleken, ben ik persoonlijk een overtuigd voorstander van de laatste opvatting. Mijn bespreking zal mede duidelijk moeten maken, op welke gronden deze zienswijze berust.
Over het leven van Onno Zwier van Haren behoef ik niet uitvoerig te zijn. Evenals bij zijn oudere broer Willem1 kan ik ook ditmaal voor een eerste oriëntatie verwijzen naar de algemene naslagwerken en voor nadere studie naar de bibliographie van Kalma.2 Ik beperk mij hier dus tot enkele grote lijnen, en verder tot de gebeurtenissen die directe betekenis hebben gehad voor de ontwikkeling van zijn dichterschap en het ontstaan van De Geusen.
Onno Zwier werd op 2 april 1713 in St. Anna-Parochie geboren. Na de vroege dood van zijn vader kwam hij onder de hoede van zijn oom Duco van Haren, grietman van West-Stellingwerf. Deze zorgde voor een degelijke opleiding, o.m. aan de hogescholen van Franeker en Utrecht, die de grondslag legde voor een brede eruditie, maar niet tot een academische promotie heeft geleid. Mede als gevolg van zijn intieme vriendschap met Prins Willem IV, in hun beider kindertijd ontstaan, verwierf de jonge Van Haren al spoedig een positie van aanzien en invloed. Een hoogtepunt in zijn leven vormde de verheffing van zijn vriend tot erfstadhouder in 1747; als intimus deelde hij in diens glorie.
Intussen was Onno Zwier in 1738 in het huwelijk getreden met de Haagse burgemeestersdochter Sara Adel van Huls, die hem elf kinderen schonk waarvan er één kort na de geboorte overleed. Verder had hij in 1742 van zijn oom Duco de grietenij van West-Stellingwerf geërfd, met het kasteel Lindenoord in Wolvega als bestuurszetel. Zijn eigenlijke activiteit lag echter in Den Haag, waar hij een belangrijke rol speelde in de verschillende Generaliteitscolleges.
Ook na de ontijdige dood van Willem IV in 1751 bleef Van Haren's voorspoed voortduren, dank zij de vriendschap en bescherming van de Prinses-douairière Anna van Hannover, die als ‘gouvernante’ optrad voor de minderjarige Willem V (geboren in 1748). Anna stierf echter in 1759, en reeds het jaar daarop vonden de tragische gebeurtenissen plaats, die een absolute omkeer brachten in het leven van haar protégé. Twee van zijn dochters, gesteund door haar echtgenoten - of moeten wij de volgorde omkeren? - beschuldigden Onno Zwier van poging tot bloedschande met haar. Aanvankelijk speelde deze onverkwikkelijke geschiedenis zich in de besloten kring van familie en enkele kennissen af, maar in 1761 werd zij openbaar en leidde tot een publiek schandaal van zulk een omvang, dat de beschuldigde genoodzaakt was Den Haag te verlaten en zich in vrijwillige ballingschap terug te trekken op zijn kasteel in Wolvega. Hoewel er zowel toen als later veel over deze zaak getwist en geschreven is, werd de vraag naar zijn schuld of onschuld nooit afdoende beantwoord. Tegenwoordig wordt in het algemeen aangenomen, dat de beschuldiging in zoverre een kleine kern van waarheid zal hebben bevat dat Onno Zwier ten opzichte van zijn dochters niet altijd voldoende de vereiste decentie in acht heeft genomen. Maar er kan geen twijfel aan bestaan, dat zijn vijanden de zaak op de meest kwaadaardige manier hebben opgeblazen en uitgebuit om hem politiek onmogelijk te maken en zo van alle invloed op staatszaken uit te sluiten. Van Haren is dan ook zijn gehele verdere leven overtuigd gebleven van een tegen hem gesmeed complot.
Zo begon voor hem de tijd van afzondering, die tot zijn dood heeft geduurd. Hij bracht die meestentijds in Wolvega en soms in Leeuwarden door, gedragen door de
liefde van zijn vrouw - die zich onvoorwaardelijk aan zijn kant had gesteld - en de genegenheid van zijn jongere kinderen. Voor zijn werkdrang vond hij een uitlaat in historische studie en beoefening van de poëzie, waarvoor hij tevoren nooit tijd had kunnen vinden. Men kan dan ook zeggen, dat zonder de gebeurtenissen van 1760-1761 Onno Zwier van Haren naar alle waarschijnlijkheid geen plaats in onze letterkunde zou hebben ingenomen.
Op de vruchten van deze arbeid, die tussen 1769 en 1778 werden gepubliceerd, ga ik verder niet in. Ik wijs er alleen op, dat De Geusen daaronder een centrale plaats innemen. De aanloop tot dit werk, Aan het Vaderland, verscheen in 1769 als tweede van de dichterlijke uitgaven;3 in 1771 volgde de omwerking tot De Geusen, terwijl uit de veranderingen en aanvullingen in de edities van 1772 en 1776 valt op te maken hoezeer de dichter zich ook daarna met dit geesteskind is blijven bezighouden. Gezien het feit dat hij op het titelblad van 1776 De Geusen aankondigde als ‘Proeve van een Vaderlands gedicht’, mag in dit verband ook de Verhandeling niet onvermeld blijven, die hij kort daarop voor het Zeeuws Genootschap van Wetenschappen in Vlissingen schreef4 en waarin hij zijn gedachten uiteenzette Over de nationaale of vaderlandsche gedichten.5 Daarin is heel wat te vinden, dat ons helpt begrijpen hoe hij zijn grote gedicht beschouwd wilde zien.
Men heeft gesteld, dat Van Haren minder door innerlijke aandrift tot dichten gebracht zou zijn dan door de wens op deze manier de publieke opinie te zijnen gunste te beïnvloeden.6 Met diens jongste biograaf en editeur7 ben ik echter van mening, dat hem daarmee tekort wordt gedaan. De poëzie komt - met name in De Geusen - wel degelijk in de eerste plaats uit het hart. Daarmee is niet in tegenspraak, dat er telkens uit blijkt hoe ongeneeslijk de wonde geweest is, die hem in 1760 en 1761 werd toegebracht. Ook niet, dat de publikatie van De Geusen - zoals hij in de Voorreeden van 1776 opmerkt - mede bedoeld was om tegen de verdachtmakingen van zijn vijanden ‘aan te toonen, waar in myne dagelykse beezigheeden bestonden’: in plaats van subversief te zijn, werkte hij ter ere van het land!
Twee ervaringen hebben er veel toe bijgedragen, dat de dichter altijd is blijven geloven dat hij vervolgd en bedreigd werd. In de nacht van 6 op 7 november 1769 werd er op kasteel Lindenoord ingebroken. De indringers werden verstoord; er bleek niets gestolen te zijn, maar de deur naar de echtelijke slaapkamer vertoonde sporen van een breekijzer. Het gerechtelijk onderzoek bracht geen licht in deze vreemde zaak, maar voor Onno Zwier stond het vast dat de bedoeling geweest was hem te vermoorden. - Zeven jaar later, in de nanacht van 19 op 20 oktober 1776, ontstond er brand in de boekerij van Lindenoord. Met moeite wisten de bewoners aan de vlammen te ontkomen, maar het kasteel brandde geheel uit; van de papieren van de dichter werd nauwelijks iets gered. Onvoorzichtigheid of boos opzet? Vermoedelijk het eerste, al viel dat niet te bewijzen. Maar Onno Zwier was overtuigd van het laatste.
De eerste gebeurtenis had tot gevolg, dat Aan het Vaderland vervroegd werd uitgegeven en in een andere vorm dan de bedoeling was geweest; de tweede dat de dichter met zijn gezin onderdak moest zoeken in een bescheiden buitenwoning, de Wildbaan. Daar overleed hij enkele jaren later, op 2 september 1779.
Het is onmogelijk De Geusen te bespreken zonder daarbij Aan het Vaderland te betrekken. Daarom neem ik hier ook de editie van deze voorloper op.
In sobere uitvoering en gedrukt op vrij grof papier, zag deze het licht met het volgende titelblad:
Aan het // Vaderland. // door Jonkheer // Onno Zwier van Haren // Fries edelman. // streep // Saepe audivi, Q. Maxumum [sic], P. Scipionem, praeterea civi- // tatis nostrae praeclaros viros, solitos ita dicere; cum majo- // rum imagines intuerentur, vehementissime sibi animum ad // virtutem accendi. Scilicet non ceram illam, neque figu- // ram tantam vim in sese habere; sed memoriâ rerum // gestarum eam flammam egregiis viris in pectore crescere, // neque prius sedari, quam virtus, eorum famam atque // gloriam adaequaverit8 // Te Leeuwarden, // By Abraham Ferwerda. 1769.Het boekje is uitgegeven in octavo-formaat. Vooraf gaat een ‘Aan den Leeser’, waarin o.m. uitdrukkelijk wordt gewezen op de onvoltooidheid van het werk; daarna volgt een rudimentaire ‘Inhoud van deeze Zangen’. Het gedicht zelf omvat twintig Zangen, elk bestaande uit zestien strofen van tien regels (acht of negen syllaben). Een aantal verklarende aantekeningen van beperkte omvang is aan de voet der bladzijden opgenomen.
Minder dan twee jaar later verscheen de eerste druk van De Geusen, eveneens in octavo-formaat, maar bij een andere uitgever:
De Geusen, // door Jonkheer // Onno Zwier van Haren // Fries edelman. // vignet // Te Zwolle, // By Simon Clement, 1771.Op de verso-zijde van het titelblad staat vermeld: ‘Dit Exemplaar werd aangeboden aan ... door den Autheur, de welke geene exemplaaren van dit Werk voor egt erkend, als die, welke hier ter plaatse door syne hand zyn ingeschreven, en getekend’.9 Er is geen Voorrede. Voorop gaat een ‘Historisch verhaal’ van zes bladzijden over de gebeurtenissen, die worden behandeld; een bijzondere plaats wordt daarin inge-
nomen door een lijst met namen van de betrokken Geuzen. - De versie van 1769 is grondig omgewerkt en tot afronding gebracht. De eerste Zang daaruit is weggelaten; de derde en vierde zijn bekort en samengesmolten; een praktisch geheel nieuwe Zang (III) werd toegevoegd. Verder lopen de Zangen (in verschoven nummering) ongeveer parallel, maar met ingrijpende uitbreidingen, weglatingen en tekstveranderingen. Zang XIX correspondeert met XX van Aan het Vaderland. De zangen XX tot en met XXIV zijn nieuw. - Bij deze bewerking is het principe losgelaten, dat elke zang 16 strofen moest bevatten; dit aantal is van norm tot minimum geworden. In plaats van 24 × 16 = 384 zijn er daardoor 397 strofen.
Er zijn geen noten meer aan de voet van de bladzijden. Die zijn vervangen door een lange reeks - soms korte, maar soms ook pagina's lange - ‘Ophelderingen’ achter de vers-tekst. Zij zijn verdeeld naar de Zangen, en elke opheldering heeft als kop de regel of regels uit het gedicht, waarop zij betrekking heeft. In de tekst zelf wordt er niet naar verwezen.
Op blz. [225] volgt tenslotte een lijst met 15 ‘Errata’, zowel in de verzen als in de ophelderingen.
In de loop van het volgende jaar gaf de Amsterdamse boekverkoper en uitgever Adriaan Hupkes, buiten medeweten van de dichter, in hetzelfde octavo-formaat een nadruk van de editie-1771 in het licht:
De // Geusen, // door Jonkheer // Onno Zwier van Haren. // Fries edelman. // vignet // Te Amsterdam, // By Adrianus Hupkes, Boekverkooper // op 't Rockin, in Erasmus. 1772.Hupkes verantwoordt zich voor deze uitgave in een ‘Voorbericht van den Uitgeever’. De editie van 1771 was niet in de handel; waarom niet, is onbekend. ‘Doch dit weet men dat het [= “dit Stukje”] sints met veel graagte, door verscheidene Liefhebbers der Poezy en Vaderlandsche Historie is alom gezocht geworden zonder dat het den zulken heeft mogen gebeuren een Exemplaer van 't zelve te bekomen. - Uit hoofde van de bovengemelde redenen heb ik geoordeeld myne Stad en Landgenooten geen ondienst te doen, met eene nieuwe uitgave van dit Werkje in 't licht te geeven, onder betuiginge evenwel dat myn oogmerk geensins strekkende is om die van den Heere Van Haren eenigen afbreuk te doen’.
Na dit Voorbericht volgt alles wat de editie-1771 bevatte, volledig en onveranderd, alleen afgedrukt in een wat meer compacte vorm. Het zetwerk is met zorg verricht; zelfs de Errata werden, op een enkele uitzondering na, gecorrigeerd.
Onno Zwier moet onmiddellijk na het vaststellen van de tekst voor de eerste druk begonnen zijn met het perfectioneren van zijn gedicht voor een volgende uitgave. Toen hij van de Amsterdamse nadruk hoorde, kon hij tenminste nog in hetzelfde jaar een verbeterde versie het licht doen zien, die ditmaal ook voor de handel bestemd was:10
De Geusen // door Jonkheer // Onno Zwier van Haren // Fries edelman. // non tu divinam Henriada tenta, // Sed longe sequere, & vestigia semper adora.11 // vignet // Te Zwolle // By Simon Clement. // MDCCLXXII.Uitgave en formaat zijn onveranderd gebleven, maar op de verso-zijde van het titelblad tekent de auteur nog slechts voor de echtheid van het werk en niet meer (zoals in 1771) voor aanbieding van het exemplaar aan een bepaalde persoon. - Het ‘Historisch verhaal’ is licht uitgebreid, voornamelijk met nieuwe namen van Geuzen. De tekst van het gedicht is, naar het voorbeeld van Hupkes, wat meer compact gezet, maar anders dan bij deze begint elke Zang op een nieuwe bladzijde. Het aantal strofen is van 397 uitgebreid tot 413; er zijn nog slechts vijf zangen van 16 strofen.
Nieuw is de ‘Korte Schetz van dit werk’, die tussen de tekst en de Ophelderingen is ingevoegd; zij bevat een toelichting op inhoud en vorm. Daarna volgen de ‘Ophelderingen’, naar behoefte aangepast aan de uitbreidingen in het gedicht. En ook ditmaal besluit Clement zijn uitgave - op blz. [211] - met een lijst van ‘Errata’ in de verzen en de ophelderingen; het zijn er deze keer 13.
Ook na de tweede druk bleef Van Haren veranderingen en aanvullingen in zijn gedicht aanbrengen. Het resultaat daarvan zag vier jaar later het licht, nog steeds bij Clement en nog steeds in octavo-formaat:
De Geusen. // Proeve // van een Vaderlands // gedicht; // door Jonkheer // Onno Zwier van Haren // Fries edelman. // Voorheen // Gedeputeerde te Velde wegens de Raad van Staate der Ver- // eenigde Nederlanden, Haar Hoog Mogende Minister Ple- // nipotentiaris by de Protestantsche Zwitzersche Cantons, // Ambassadeur Extraordinaar en Plenipotentiaar op de Vree- // de-Handeling tot Aaken. Commissaris Representant van // wylen Syne Hoogheid gl. ged.12 als Geautoriseerde van Haar // Hoog Mogende en de Raad van Staate, tot het regulee- // ren en uitspreeken van alle zaaken van Justitie, Finantie, // en Policie, in de Landen en Steeden door de Vreede ge- // retrocedeerd13; // thans // Grietman van West-Stellingwerf, Commissaris Generaal van // de Zwitzersche en Grisonsche14 Benden in dienst van de Staat // der Vereenigde Nederlanden, en Directeur van 't Zeeuw- // sche Genootschap der Wetenschappen te Vlissingen. // vignet // Tot Zwolle // By Simon Clement, // MDCCLXXVI.
Op de verso-zijde van het titelblad is het citaat uit Sallustius afgedrukt, dat op de frontpagina van Aan het Vaderland had gestaan, ditmaal met de toevoeging: Sall.; daaronder bleef de verklaring van echtheid (met handtekening) gehandhaafd. - Voor de eerste maal is er nu een ‘Voorreeden’, waarin de ontstaansgeschiedenis van het gedicht wordt meegedeeld.15 Dan volgt het ‘Historisch verhaal’ als inleiding tot het gedicht, dat blz. 1-158 in beslag neemt. Dit laatste is opnieuw grondig bewerkt en uitgebreid. Twee strofen uit 1772 zijn vervallen, maar het totale aantal groeide van 413 tot 460; zangen van 16 strofen komen in het geheel niet meer voor.
De ‘Ophelderingen’ worden voorafgegaan door een algemene toelichting onder de titel ‘De Geusen’ (blz. 159-163). Daarin vertelt de dichter welke twee gebeurtenissen ‘de allereerste aanleiding tot dit werk’ hebben gegeven, en herhaalt hij in verkorte vorm wat hij ook in de - thans vervallen - ‘Korte Schetz’ van 1772 had uiteengezet. - De ophelderingen zelf zijn, als gevolg van de uitbreiding van de verstekst, opnieuw in aantal toegenomen. En er is weer - op blz. [241] - een lijst van ‘Errata’; het zijn er 14 en ditmaal hebben zij uitsluitend betrekking op de verzen.
In 1785 verschenen De Geusen voor de vijfde maal - niet echter in hun oorspronkelijke vorm, maar grondig ‘beschaafd’ en gepolijst in een bewerking van Bilderdijk en Rhijnvis Feith. Deze editie, ook nu weer in octavo-formaat, bestaat uit twee delen, maar met een doorlopende paginering die als het ware uitnodigt tot samenbinden. De titel, die verwerkt is in een weinig fraai frontispice met Geuzen-motieven, vermeldt de naam van de dichter niet; hij kondigt slechts aan:
De // Geuzen // Vaderlandsch // dichtstuk. // I [resp. II] deel // Te Amsterdam // bij Elwe en Langeveld // MDCCLXXXV.In het voorwerk heeft Bilderdijk, met terugdringing van zowel Van Haren als Feith, de uitgave praktisch geheel op zijn naam gebracht. Hij draagt het boek op ‘Aan Zijn Hoogheid’ (Erfstadhouder Willem V), en hij richt een Voorrede ‘Aan mijne Landgenooten’. In die Voorrede zet hij uiteen, om wat voor werk het hier gaat en wat hij ermee gedaan heeft.
Na eerst gedeeltelijk verschenen te zijn onder de titel Aan het Vaderland, zagen ‘met zeer veel verandering’ De Geusen het licht: ‘eerst zonder, daar na met den naam van hunn' Schrijver (wijlen Jongkheer Onno Zwier van Haren)’16 (blz. XIII). De verzen waren slecht,17 maar lezers, die zich daardoor niet lieten afschrikken, ‘vonden een' waren, een' verheven', een' voortreflijken Dichtgeest in die slechte verzen besloten’. Het werk ‘(behoefde) slechts de hand eens bekwamen polijsters, om in aller oogen te schitteren’ (blz. XIV). En die po-
lijstende taak heeft Bilderdijk op zich genomen, met daadwerkelijke en raadgevende steun ‘van mijnen vriend Feith’18 (blz. XXI).
Bilderdijk kende aanvankelijk slechts Aan het Vaderland en de tweede druk van De Geusen, die hij voor de eerste en enige hield. Hij verrichtte zijn bewerking dan ook op basis van de versie uit 1772. Maar toen het afdrukken van de vers-tekst voltooid was en met dat van de ‘Ophelderingen’ begonnen zou worden, kreeg hij een exemplaar van de editie-1776 in handen! Zo goed mogelijk paste hij zich aan deze nieuwe situatie aan. In de vers-tekst kon niets meer veranderd worden. Maar Bilderdijk zag kans in het voorwerk na Van Haren's Voorrede uit 1769 ook nog die uit 1776 opgenomen te krijgen. En in de ‘Ophelderingen’ - vermeerderd met eigen aantekeningen tussen ‘texthaakjens’ - verwerkte hij zoveel doenlijk alsnog de nieuwe vondst. Naast citaten uit Aan het Vaderland nam hij daarin nu ook ‘de merkwaardigste verandeiingen en bijvoegsels van den nieuwsten Druk’ (1776) op - in beide gevallen: in een door hem verbeterde versie! - om zodoende ‘een vergelijking tusschen de drie onderscheiden Uitgaven’ mogelijk te maken.19
Aan het slot van het voorwerk nam Bilderdijk, onder de titel ‘Voorzang’, ook Zang I van Aan het Vaderland op, die in de uitgaven van De Geusen vervallen was. Hij rechtvaardigt dit met de opmerking dat hij ‘'t gemis van dit stuk [...] als een wezendlijk verlies aangemerkt’ heeft (blz. 238). Maar om Van Haren's bedoelingen geen geweld aan te doen, heeft hij het slechts opgenomen ‘bij vorme van Voorzang, van het Werk afgescheiden, en, wel als tot een geschikte Inleiding voor het zelve dienende, doch die geen deel van het Dichtstuk-zelve uitmaakt’ (blz. 239).
Behalve het gedicht zelf heeft Bilderdijk, deels bijgestaan door Feith, ook het encadrerende proza en met name de Ophelderingen aan een kritische revisie onderworpen. De nadruk viel echter uiteraard op de verzen. Deze blijken met de uiterste vrijmoedigheid verbeterd, verduidelijkt en veranderd naar de opvatting van de ‘editeur’.20 In principe kent deze zich zelfs het recht toe te verbeteren tot herschrijvens toe,21 maar meestal gaan de correcties niet zo ver en blijft de oorspronkelijke tekst
in hoofdzaak herkenbaar, hier en daar zelfs onaangetast.
- In hun nieuwe vorm hebben De Geusen uit ambachtelijk oogpunt ongetwijfeld gewonnen; zij zijn soepeler, duidelijker, gemakkelijker leesbaar geworden. Bovendien valt niet te ontkennen, dat Bilderdijk soms een gelukkige hand heeft gehad. Daar staat evenwel tegenover, dat het gedicht in zijn bewerking conventioneler is geworden, minder verrassend en minder overtuigend. Niet ten onrechte heeft men opgemerkt, dat hij het ‘niet zelden al polijstende verwaterd heeft’.22 Toch is het stellig voornamelijk dòòr en ìn deze bewerking, dat De Geusen in de eerste helft van de 19de eeuw een zekere bekendheid genoten. Een sprekend bewijs daarvoor levert Potgieter. Hoewel deze zich in 1868 in een brief aan Busken Huet bepaald geen bewonderaar van Bilderdijk's tekst-manipulaties toont,23 laat hij aan het slot van Jan, Jannetje en hun jongste kind (1842) Vader Jan als feestdronk voor het nieuwe jaar de wens kiezen: ‘Oranje in 't hart, en niemands slaaf!’ Dat is een regel uit De Geusen (Zang XXIV), maar... in de versie van Bilderdijk! In alle drie de edities van Van Haren staat: ‘Oranj' in 't hart! en niemands knegt!’
In de loop van de 19de eeuw werden De Geusen verschillende malen herdrukt, zowel in de oorspronkelijke als in bewerkte vorm.
1. De Amsterdamse uitgever Marten Westerman gaf van 1824 tot 1827 in zes deeltjes klein octavo de Dichterlijke Werken van Willem en Onno Zwier van Haren in het licht.24 De laatste drie zijn aan de poëzie van Onno Zwier gewijd. De eerste twaalf zangen van De Geusen (met bijbehorende Ophelderingen) zijn opgenomen in deel IV (1825), de laatste twaalf in deel V (1826). Westerman volgt de editie van 1776, maar veroorlooft zich kleine moderniseringen in spelling en anderszins.
2. In 1826 kwam een tweede druk van Bilderdijk's bewerking van de pers, opnieuw in twee delen, maar ditmaal met de namen van Onno Zwier en Bilderdijk (niet van Feith) op het titelblad. In een ‘Byvoegsel’ onder zijn oorspronkelijke Voorrede verklaart Bilderdijk, dat er in de nieuwe druk slechts ‘geringe veranderingen, en (zoo ik my voor laat staan) verbeteringen in de versmaat’ zijn aangebracht, alsmede ‘kleine toevoegsels in de Aanteekeningen (meest vertalingen der invlechtingen uit vreemde Schrijvers)’. - Het meest opvallend is het fraaie titel-vignet van J.C. Bendorp (1766-1849), voorstellende de Geuzen vóór Den Briel.
3. Behalve in zijn editie van de Dichterlijke Werken der beide Van Harens (zie sub 1) gaf M. Westerman De Geusen in 1830 ook nog eens afzonderlijk uit, ‘Voor de Scholen’, zoals het titelblad vermeldt. Wat hij daarmee bedoelde, blijkt uit zijn opdracht van het boek aan de hoofd-inspecteur van het middelbaar en lager onderwijs in Nederland, A. van den Ende: ‘altoos bleef er nog behoefte aan eene uitgave van het wezenlijk nationaal kunstjuweel De Geuzen, waardoor dit ook voor de mindere klasse verkrijgbaar werd, en, bij het behoud van den oorspronkelijken geest, in overeenstemming kwam met de thans ingevoerde spelling’. Ook ditmaal ging Westerman uit van Van Haren's laatste editie uit 1776, maar - overeenkomstig de opzet - overgebracht in moderne spelling.
4. In 1858 werden De Geusen, naar de druk van 1776 en toegelicht door F.C. Wieder, als nummer 59-60 opgenomen in de reeks Klassiek Letterkundig Pantheon van de Zutphense uitgever W.J. Thieme.
5. De grote uitgave van Johannes van Vloten, Leven en Werken van W. en O.Z. van Haren, Friesche edellui, die in 1874 te Deventer bij A. ter Gunne van de pers kwam,25 bevat uiteraard ook De Geusen. Van Vloten drukte ze op dezelfde manier af als Westerman in 1830 (zie sub 3): naar ‘de laatste en volledigste uitgave’ van 1776, maar overgebracht in moderne spelling. Het nieuwe bij hem is echter, dat hij daarnaast óók de volledige tekst van Aan het Vaderland opnam: de eerste en enige herdruk daarvan, waarover wij beschikken.
6. Bij H.A.M. Roelants te Schiedam tenslotte verscheen in 1875 een ‘opnieuw bewerkte volksuitgave’ van De Geusen, verzorgd door de archivaris van Leeuwarden, W. Eekhoff. Anders dan Bilderdijk koos hij de editie van 1776 tot uitgangspunt, maar overigens herhaalde hij - zonder eenzelfde vormvermogen - diens poging Van Haren's gedicht door adaptatie leesbaarder en aantrekkelijker te maken.
Omdat de laatste grote studie, die aan De Geusen werd gewijd en die min of meer representatief is voor de huidige opvattingen omtrent het gedicht, bij mijn verdere beschouwingen uiteraard herhaaldelijk ter sprake zal moeten komen, meen ik er goed aan te doen een bespreking daarvan aan die beschouwingen te doen voorafgaan. Het gaat om het proefschrift van A. Stakenburg, dat in 1943 het licht zag en in sommige opzichten (ook typographisch) de sporen draagt van de moeilijke oorlogsomstandigheden waaronder het tot stand kwam: Onno Zwier van Haren, De Geuzen, ingeleid en toegelicht.26
Het boek bestaat uit twee, vrij los naast elkaar staande gedeelten: enerzijds een studie over de auteur en zijn gedicht, anderzijds een geannoteerde editie van dit laatste.
De editie is meer bedoeld als basis voor wetenschappelijk onderzoek dan voor eigenlijke lectuur. Stakenburg heeft namelijk geprobeerd daarin de versies van 1771, 1772 en 1776 in een zodanige vorm ter beschikking van zijn lezers te stellen, dat onderlinge vergelijking mogelijk werd. Hij gaat uit van de versie-1772, die hij de beste acht, maar voegt tussen vierkante haken de nieuwe strofen uit 1776 toe, terwijl
hij tevens aangeeft welke strofen in 1771 nog niet voorkwamen27 en welke in 1776 werden geschrapt. Zodoende kan inderdaad elk van de drie versies naar de samenstelling in strofen worden gereconstrueerd. Dat is echter niet voldoende, want de dichter heeft van versie tot versie de tekst van de gehandhaafde strofen opnieuw bewerkt. Het meest talrijk en ingrijpend zijn de veranderingen, die hij in 1776 aanbracht, maar ook tussen de tekst van 1771 en 1772 zijn er verschillen. En nu is het merkwaardige, dat Stakenburg aan de door hem afgedrukte tekst van 1772 wèl een lijst toevoegt met de varianten van 1776, maar niet een met die van 1771. Daardoor is de poging om in één uitgave de drie versies van De Geusen voor de onderzoeker toegankelijk te maken, in feite mislukt: de tekst van 1771 kan uit de aangeboden gegevens niet worden gereconstrueerd.
Naar het voorbeeld van Bilderdijk heeft Stakenburg ook de - door Van Haren voor De Geusen verworpen - Eerste Zang van Aan het Vaderland opgenomen, zij het niet als deze bij wijze van Voorzang, maar in een bijlage. Op zichzelf is dit een welkome aanvulling, maar evenals bij zijn opgave van het varianten-materiaal is de editeur ook hier weer halverwege blijven steken. Voor wetenschappelijke studie van De Geusen is de beschikking over een volledige tekst van de voorloper uit 1769 onmisbaar; met alleen maar de Eerste Zang valt niets te beginnen.
De presentatie van Van Haren's Ophelderingen is op zijn zachtst gezegd voor een wetenschappelijke uitgave moeilijk aanvaardbaar. Stakenburg heeft een deel daarvan op eigen manier in zijn annotaties verwerkt; van de andere heeft hij ‘de karakteristiekste uitgekozen en voor de rest volstaan met een opgave der bronnen’ (blz. XI). Bovendien zijn de annotaties, die niet op de Ophelderingen gebaseerd zijn, in het algemeen weinig bevredigend: meermaals overbodig, in andere gevallen niet duidelijk of niet volledig genoeg, soms onjuist.
- De studie, die aan de editie voorafgaat, is gelukkiger uitgevallen. Dat is een degelijk stuk werk met veel informatie, waarbij Stakenburg breed - te breed? - heeft uitgehaald. Eerst na een typering van de 18de eeuw in het algemeen, een overzicht van Onno Zwier's leven, en een beschouwing over diens denkbeelden, komt hij toe aan zijn eigenlijke onderwerp: het gedicht. Bij zijn analyserende bespreking daarvan betrekt hij terecht ook uitvoerig Aan het Vaderland, wat het gemis van deze voorloper in het editoriale gedeelte van zijn boek nog eens onderstreept.
Het heeft geen zin hier op detailpunten uit Stakenburg's betoog in te gaan; voor zover ik daarvan gebruik heb gemaakt, komen deze in het vervolg van dit hoofdstuk vanzelf ter sprake. Ik volsta verder daarom met de weergave van zijn standpunt ten opzichte van de twee fundamentele problemen uit mijn inleidende paragraaf: de verhouding tussen Aan het Vaderland en De Geusen, en het genre waartoe die laatste behoren.
Stakenburg gelooft niet in de voorstelling van zaken, die de dichter in zijn Voorreeden van 1776 geeft, als zou Aan het Vaderland een eerste, nog tentatieve versie van De Geusen zijn geweest. Volgens hem betekende Van Haren's uitgave van De Geusen in 1771 een loslaten van diens oorspronkelijke plan. De opzet van Aan het Vaderland voorzag immers, na het gedeelte over de Geuzen, ook nog in ‘de schildering der figuur van Willem van Oranje als handhaver van de door deze en de Geuzen bevochten vrijheid’ (blz. 90). Dat laatste liet de dichter in 1771 echter ver-
vallen; hij beperkte zich tot een gedicht over de Geuzen en rondde zijn werk als zodanig af. Daardoor kregen zijn Zangen een ander karakter dan hun aanvankelijk was toegedacht:
Van een oorspronkelijk bedoeld heldendicht - naar het fragment, dat ons als ‘Aan het Vaderland’ bekend is, moeten wij oordeelen: zwak - kregen zij de vorm van een ‘samenstel’, een ‘cyclus’ van vaderlandsch-historische lierzangen... (blz. 90).Stakenburg ziet dus - en dat is een belangrijk punt in zijn betoog - in het wegvallen van Oranje als centrale figuur de eigenlijke reden, waarom Van Haren's gedicht geen epos werd: het is ‘er geen geworden tengevolge van zijn losgelaten opzet’ (blz. 148).
Op de vraag, waaròm die opzet werd losgelaten, geeft Stakenburg geen bevredigend antwoord. Hij suggereert dat de dichter, toen deze Aan het Vaderland naast zijn ontwerp legde, ‘wel inzag hoe weinig het daaraan had beantwoord. Het gedicht was onvoltooid: Oranje aan het hoofd van de Nederlandsche vrijheid was in schets gebleven’ (blz. 89). Maar juist òmdat het gedicht onvoltooid was, behoefde dat laatste geen bezwaar te zijn: in het vervolg kon Oranje immers nog altijd de plaats krijgen, die hem toekwam. Of bedoelt Stakenburg misschien - al zegt hij het dan wel èrg onduidelijk! - dat Van Haren zou hebben gemeend er niet voldoende in te zijn geslaagd, reeds in het gedeelte over de Geuzen Oranje te doen uitkomen als bezielende kracht?
Er is nog een laatste probleem, waarvoor Stakenburg een oplossing zoekt: hoe kon Onno Zwier ertoe komen, te berusten in de verdwijning van Oranje als centrale figuur uit het dichtstuk, waarvan hij naar eerste opzet het middelpunt had moeten zijn? Hij meent daarop het volgende antwoord te kunnen geven:
Dat hij [= Van Haren] Oranje terzijde schuift vindt zijn oorzaak in een nieuw dichterlijk plan: hij zal, nu noodgedwongen de Eerste Willem niet de held van zijn dichtstuk geworden is, een apart werk aan hem wijden. (blz. 92).Stakenburg doelt daarmee op het treurspel Willem de Eerste, Prins van Oranje, dat Van Haren, samen met een verbeterde versie van Agon, Sulthan van Bantam (1769), in 1773 voor het eerst publiceerde onder de gezamenlijke titel Proeve van Nederduitsche Treurspellen getrokken uit Vaderlandsche Gebeurtenissen. In de drie bedrijven van deze tragedie tekent de dichter ‘Oranje in volle actie, aan het hoofd van het geestelijk en gewapend verzet’, totdat in een van de laatste scènes achter het toneel de pistoolschoten klinken, die het einde van diens leven betekenen. Voor Stakenburg is er geen twijfel mogelijk, of dit stuk moeten worden gezien als ‘het verloren brokstuk van “Het Vaderland”, dat zich gemakkelijker leent tot een afzonderlijke behandeling dan verwerkt in een, in statu nascendi mislukt heldendicht’ (blz. 92).
De Geusen lenen zich niet voor een inhouds-overzicht, zoals ik gewoon ben dat bij mijn bespreking van oorspronkelijke epen te geven. Daarvoor wijken de 24 zangen in compositie en verteltrant te veel van de gebruikelijke gang van zaken in een narratio af. Onno Zwier van Haren gaat er namelijk van uit, dat de feiten - die hij trouwens in zijn inleidend ‘Historisch verhaal’ nog eens heeft vastgelegd - bij zijn lezers bekend zijn. Hij vertèlt ze dan ook niet, maar bezingt ze: aanduidend, eclectisch, associatief, met uitweidingen en vergelijkingen, uit een persoonlijke betrokkenheid. De Rotterdamse classicus H.J. Polak, later hoogleraar in Groningen, heeft van
deze dichttrant gezegd: ‘Van Haren schildert niet, beschrijft niet, verwijlt niet; hij noemt, - naar de eischen der classieke lyriek, zooals men die toen begreep, - één hoofdpunt, en dat zoo vluchtig mogelijk’.28 Dat moge wat te sterk zijn uitgedrukt - er komen, vooral in de latere zangen, wel degelijk passages voor, die min of meer beschrijvend mogen heten -, maar het bevat ongetwijfeld een grote kern van waarheid. Daarom heeft het weinig zin, bij een inhouds-overzicht uit te gaan van de afzonderlijke zangen. Ik kan beter de voornaamste punten en feiten vermelden, waarmee de dichter zich achtereenvolgens bezighoudt, en de verdeling in zangen ondergeschikt maken aan deze grote lijn. - Bij de hieronder volgende poging daartoe heb ik mij gebaseerd op de éérste druk van De Geusen: de versie van 1771.29
Het gedicht begint niet met een exordium of iets dat daarop lijkt. Het uitgangspunt is een fraaie vergelijking ad hoc, die echter tevens kan gelden voor de gehele inhoud van De Geusen. Zoals in Egypte de overstromingen van de Nijl een ramp lijken maar zegen brengen, zo leidde in Nederland de onderdrukking tot vrijheid en voorspoed: ‘Leer, Sterveling, altoos te hoopen, // Tot dat de tyd uw' oogen oopen, // En toon' waarom gy hebt geleên!’ (I, str. 4). - Inquisitie, rechteloosheid, executies. Protest en smeekschrift van het Verbond der Edelen (met een laudatieve strofe voor elk van de leiders30), die door Berlaymont worden uitgemaakt voor ‘Geuzen’. Averechts resultaat daarvan. Maar dan komt komt Oranje te hulp31 en doet zich Vryheid [= vrijheidszin] gelden: ‘Oranj' en Vryheid doen herschynen // De Geusen32, welke Dwinglandy // Van d' Aarde zogt te doen verdwynen // En 't wit van hare razerny’ (II, str. 10). De Westenwind drijft hun schepen naar Den Briel. Haastig zetten zij de boten uit om te landen, en de dichter noemt zoveel mogelijk namen: ‘Herdenk ô dankb're pen haar naamen, // Door hen, die uit die booten kwaamen, // Mag 't u gebeuren vry te zyn!’ (III, str. 2). Na de inname van de stad: plundering en moord op geestelijken. Lumey wil daarna verder trekken, maar Blois van Treslong en Jacob Simonsz. de Rijk weten hem over te halen tot blijven en versterken van de stad: ‘Schoon woest, is Lumei graag na Eer’ (IV, str. 14). Alva reageert woedend33; Bossu - hoewel Nederlander34 - rukt met Spaanse troepen naar Den Briel om dat te heroveren. Tegen hun discipline kunnen de verdedigers niet op: ‘Reeds ziet la Marck, in gansche hoopen, // De Geusen uit de Voorstad loopen, // Na strand, en
na de Scheepen gaan’ (VI, str. 8). Maar dan weet Rochus Meeuwszen onder het vuur van de vijand zwemmend de Nieuwlandse sluis open te hakken:
Terwijl hun vijanden vluchten, horen de Geuzen dat ook Vlissingen en Veere zich hebben vrij gemaakt.
- ‘Ver boven 't Firmament verheeven’ (VII, str. 2) regeert God het heelal. Niets ontgaat Hem. Zo ziet Hij ook Oranje, na twee mislukte pogingen (in 1568 en 1570) om de Nederlanden te bevrijden, in Dillenburg, ‘genoodzaakt af te wagten // De vrugten van Geduld en Tyd’ (VII, str. 8). En Hij geeft opdracht aan de Hoop hem te gaan bemoedigen met een droom van de gelukkige toekomst. - De Prins droomt: op een wolk zweeft hij boven een feestvierend Amsterdam, anders en veel groter dan hij het kent. De wolk laat hem in de stad neer, en in de gedaante van een deftig burger biedt de Hoop zich aan als zijn gids. De feestvreugde - zo legt deze uit - betreft het staatsie-bezoek van twee geliefde vorsten [de zojuist tot erfstadhouder verheven Willem IV en dies vrouw Prinses Anna, in 1747]. Maar hun komst laat nog even op zich wachten; onderwijl is er tijd voor een ogenblik rust ‘in 't naaste huys’ (VIII, str. 12). Dat is het huis, waar bij zijn leven burgemeester Nicolaas Witsen35 heeft gewoond en dat vol is met herinneringen aan diens roem en diens tijd. De Hoop voert de Prins door het schilderijen-kabinet en toont hem aan de hand daarvan de grootheid van de toekomstige Republiek. De meeste nadruk krijgen de portretten van hen, aan wie deze grootheid te danken is, en de climax wordt bereikt in de typering van de vijf Oranje-vorsten vóór Willem IV in de elfde Zang.36 - Inmiddels
zijn de Erfstadhouder en zijn gemalin aangekomen. De Hoop wijst haar ‘gast’ op de gedisciplineerde uitgelatenheid van de menigte, doet hem luisteren naar de toespraak van de Vorst, toont hem een historisch blijk37 van de volksliefde voor deze. Ietwat abrupt besluit zij vervolgens haar rondleiding met de conclusie die aan Willem van Oranje de strekking van zijn droom onthult:
- Ondanks het feit dat koningin Elizabeth haar havens voor de Geuzen gesloten heeft, vaart De Rijk van Den Briel naar Engeland om een nieuw beroep te doen op haar hulp, nu de kansen gekeerd lijken. Hij wordt gevangen genomen en vóór haar geleid. Zijn vurig pleidooi (acht strofen) vindt bij haar gehoor; zij stemt toe in verkapte hulp: ‘Ik kan aan u geen hulpe bieden, // Maar geen verbod zal hier geschieden // Aan iemand onder myn bewind, // Om u te volgen door de baaren, // En deel te neemen in gevaaren, // En Roem, die zig by Vryheid vind!’ (XIV, str. 15). - Bij zijn terugkeer naar Den Briel wordt De Rijk dan ook vergezeld door enkele schepen met Engelse vrijwilligers onder Sidney. Maar even buiten de Theems ontmoeten zij vluchtelingen uit Vlissingen. De stad is in grote nood: zij smeken De Rijk hulp te gaan bieden vóór het te laat is. En ondanks Lumey's bevel tot terugkeer naar Den Briel stemt deze eindelijk toe:
- Inderdaad is Vlissingen in last. Spanje kan niet dulden, dat van daaruit de Zeeuwen de handel van Antwerpen schaden: een oorlogsvloot is op komst. De Geuzen - onder Blois van Treslong en schipper Sebastiaan de Lange uit Veere - kennen echter geen aarzeling. Al hebben zij niet meer dan ‘dertien Oorlogs booten’: ‘De Spanjaarts zullen aangegrepen, // Eer iemand tellen zal de scheepen; // En wat kan scheelen het getal, // Aan elk die vast heeft voorgenomen // Om zeegepraalend weêr te komen, // Of nooyt weêrom te zien de wal!'’ (XVII, str. 10). De Spanjaarden, die met hun overmacht niet op tegenstand rekenden, worden volkomen verrast. Bijzonder levendig, hoewel vrij onsamenhangend, schetst de dichter momenten uit de zeeslag - met veel aandacht voor de onervarenheid en moed van de jonge Spaanse edelen, die met hun schepen ten onder gaan. De Lange vernietigt er twee, maar
wordt door vier vijanden omringd; hij steekt dan de lont in het kruit en vliegt met alle vijf de schepen in de lucht. Onderwijl komt De Rijk met zijn Engelse bondgenoten de zwakke vloot van de Geuzen versterken. Schipper Boudewijn Ewouts uit Vlissingen - die met zijn schip in Spaanse handen was gevallen - weet zich, met hulp van de zijnen en van andere Nederlanders aan boord, meester te maken van de oorlogsbodem waarop hij gevangen wordt gehouden. Tenslotte geven de Spanjaarden het op, waarmee ook een rijk-beladen handelsvloot in handen van de Geuzen valt. Een storm voltooit de overwinning van deze laatsten:
De storm raast ook over Veere, waar Rosemond, de vrouw van schipper Sebastiaan de Lange, onder het zorgen voor haar drie kinderen uit onrust over hem ‘met verdubbeling van schrikken, // 't Verzwaaren van het onweêr hoord’ (XXII, str. 15). Maar zij weet zich in Gods hand, ‘En als de lamp is uitgeblust, // Keerd Rosemond zig, in gebeeden, // Tot 's Hemels goedertierenheeden! // En haare slaap is ook40 gerust’ (XXII, str. 16).
Als 's morgens de storm is bedaard, worden de buitgemaakte koopvaarders gelost. En intussen grijpt de Vrijheid om zich heen. Noord-Holland kiest onder Sonoy voor het verzet, met de kreet: ‘Oranj' in 't hart! en niemands knegt!’ (XXIV, str. 10). Friesland volgt. En in Dillenburg dringt Paulus Buys er bij de Prins op aan, naar Holland te komen om leiding te geven aan de strijd.
Met de komst van Oranje is het tijdperk van de Geuzen voorbij.
Doordat de vele divagaties van de dichter daarin moesten worden verwaarloosd, geeft het bovenstaande inhouds-overzicht véél meer het beeld van een continu ver-
haal dan met de werkelijkheid overeenkomt. Ter correctie geef ik daarom van twee Zangen de inhoud meer in extenso weer.
Zang XIII. Terwijl Oranje door de Hoop wordt getroost met het visioen van 1747, breekt de morgen aan. Bemoedigd wordt de Prins wakker, zoals Daniël na zijn droom in Babylon.41 En diezelfde morgen vertrekt De Rijk naar Engeland, al heeft Elizabeth haar havens voor de Geuzen gesloten. Maar hij weet dat haar beleid opportunistisch is; hij hoopt er haar van te kunnen overtuigen, dat er met de verovering van Den Briel iets veranderd is en dat Philips II ook háár bedreigt. De Hollandse kust verdwijnt; daar is de Theems al; ginds ligt Sheerness, waar eenmaal Van Ghent roem zal behalen!42 Verder-op ziet De Rijk korenvelden; Engeland leeft in vrede en rust: ‘En Volk, en Vorst, kend hare paalen,43 // En elk, hoe ver gaat zyne macht’ (str. 9). Zeevaart en handel zijn er vroeg tot ontwikkeling gekomen. Wat een schepen overal - o, dat er eens evenveel naar Amsterdam kwamen! En daar ligt Greenwich, waar Elizabeth geboren werd. Maar dat is niet alles, wat Greenwich beroemd zal maken; daar zal het hospitaal voor oude zeelieden door de Stadhouder-koning worden gesticht! Waarom ook niet een in ons land? Maar daar zou Anna44 voor hebben gezorgd, als zij niet te vroeg gestorven was. Anna: met dankbaarheid en eerbied gedenkt de dichter haar. Na haar dood werd hij het slachtoffer van de Nijd. Deze kan echter niet voor eeuwig deren: ‘Zo ziet men alle Na-geslachten // De naam van Cicero nog achten, // In weerwil van de Moorders woed'!’45 (str. 16).
Zang XXIII. [aansluitend op de beschrijving van Rosemond in haar liefde en Godsvertrouwen]. Serafijnen in de hemel, verblijdt gij u, als gij op aarde het goede in mensen ziet, of is er daar nièts dat u verheugt? Gij hebt God de wereld zien scheppen. Maar ook de mens, met een onsterflijke ziel en begaafd met rede, is een schepping van God, en daarom uw aandacht waard! Wat is het dan onder de mensen, dat ‘meest genoegen by u wekt?’ (str. 5). Een liefdevolle moeder, die zelf haar kinderen zoogt. Hoe gelukkig is de man, aan wie God zulk een vrouw gegeven heeft - een vrouw ‘Die zagt, haar huys een Hemel maakt’ (str. 6), en op wie hij kan rekenen in tegenspoed. De dichter denkt hier ààn en spreekt tòt zijn eigen trouwe echtgenote, die echter niet op lof is gesteld:
En dat is bij Adeleid geen jeugd meer, maar ‘een lieflyk' Avondstond!’ (str. 8). Misschien dat binnenkort de Haat hen beiden ‘Door moorden doed ten grave dragen’;46 anders echter gunne steeds zijn lier ‘Een zucht aan beider ongelukken; //
Een traan aan Adeleide's deugd!’ (str. 9). - Maar terwijl 's dichters Zang-godin is afgedwaald, ging in Vlissingen de nacht voorbij en de storm liggen. De buitgemaakte Spaanse koopvaarders worden gelost. Een oude zeeman ‘die voordeesen // Wel reisde met de Portugeesen’ (str. 11) noemt de naam en herkomst van alles wat er uit de ruimen tevoorschijn komt: aloë, goud, amber, rotan, peper, kina, diamant, kokosnoten, parels, specerijen, porselein en zijde en thee uit China...
Zoals uit een brief van de dichter aan zijn vriend Ds. J.W. te Water blijkt, heeft hij zijn gegevens over de Geuzen in de eerste plaats ontleend aan ‘'s lands geschiedenisschrijveren’.47 In de ‘Ophelderingen’ wordt van hen echter alleen Hooft bij name genoemd, waaruit mag worden afgeleid dat diens Neederlandsche Histoorien de voornaamste bron voor De Geusen geweest zijn.
Overigens heeft Onno Zwier met de nodige dichterlijke vrijheid gebruik gemaakt van de gegevens, waarover hij beschikte. Hij laat daaruit weg wat niet goed bij zijn opzet past, voegt allerlei details van eigen vinding toe, veroorlooft zich veranderingen in volgorde en samenhang van de gebeurtenissen, vergroot de betekenis van bepaalde feiten ten koste van andere. Misschien het meest opvallende is, dat hij in steeds toenemende mate de krijgsverrichtingen te land buiten beschouwing laat en alleen aandacht heeft voor wat er ter zee (of in onmiddellijke samenhang daarmee) gebeurt. Verder is het hem uitsluitend te doen om daden van vaderlandsliefde en heldendom. Typerend is in dat opzicht, dat hij bij de inname van Den Briel door de Geuzen met geen woord spreekt over de rol, die veerman Jan Pietersz. Coppelstock daarbij heeft gespeeld; die rol was belangrijk, maar geen heldenfeit.
Ik behoef verder niet uitvoerig in te gaan op Van Haren's afwijkingen van de historische werkelijkheid. Stakenburg heeft die in zijn proefschrift reeds opgesomd, zodat ik daarvoor naar hem kan verwijzen.48
Voor de talloze historische gebeurtenissen uit later tijd, die in de zangen over de droom van Oranje worden aangestipt, is het niet goed mogelijk bronnen aan te wijzen. Onno Zwier kende niet alleen voortreffelijk de geschiedenis van zijn land, maar had ook heel veel gelezen. In het bijzonder treft ons zijn grote kennis van wat ik hier nu maar proleptisch onze koloniale geschiedenis noem, met inbegrip van bijzonderheden over expedities en vestigingen. Dat is trouwens in overeenstemming met wat wij weten omtrent zijn interesse voor deze materie. Behalve uit het treurspel Agon blijkt deze ook uit zijn biographie van Joannes Camphuis (1634-1695), die van 1684 tot 1691 gouverneur-generaal in Batavia was, en uit een Verhandeling over Japan ‘met betrekking tot de Hollandsche Natie en de Christelyke Godsdienst’. Bij dat alles zal ook wel zijn liefde voor reisbeschrijvingen een rol hebben gespeeld; hij bezat er niet minder dan 1200, die echter alle bij de brand van Lindenoord op 20 oktober 1776 verloren gingen.49
Ten slotte kan men tot Van Haren's bronnen ook nog de Bijbelse en de Oude Geschiedenis rekenen, die hij beide door en door kende. Hij maakt daarvan bij
voorkeur gebruik om door middel van vergelijkingen de betekenis van een persoon of gebeurtenis te onderstrepen. Zo roept hij als parallel voor de Watergeuzen, die zich met hun onbeduidende vloot op zee wagen om de Spanjaarden te gaan bestrijden, het beeld op van de eerste Brutus, uit Collatia op weg naar Rome om op te roepen tot verzet tegen koning Tarquinius Superbus (II, str. 11). En als hij beschrijft hoe schipper Boudewijn Ewoutsz., gevangen aan boord van een Spaans schip, daar de Nederlandse schepelingen door de soldaten ‘Gestaêg mishandeld zonder reên’ (XX, str. 14) ziet, dan denkt hij aan Mozes die bij zijn terugkeer uit Midian naar Gosen zijn volk door de Egyptenaren als slaven zag tergen en opdrijven (XX, str. 16). - De eruditie, die aan dergelijke vergelijkingen ten grondslag ligt, maakt ze overigens lang niet altijd gemakkelijk verstaanbaar.
In de ‘Korte Schetz van dit werk’, die de dichter in de tweede druk van De Geusen aan de ‘Ophelderingen’ deed voorafgaan, erkent hij onder invloed te hebben gestaan van de Henriade - althans naar de geest:
dog 't voorneemen is niet geweest iemand na te volgen, behalven alleen de pryswaardige yver van de Autheur van de Henriade, voor de glorie van syne Natie en Vaderland.50
Toch is het niet enkel de patriottische geest van de Henriade, die wij in De Geusen terugvinden. Van Haren heeft van Voltaire ook enkele motieven overgenomen. Zo is de episode met de toekomstdroom van Willem van Oranje onmiskenbaar een navolging van de beroemde zevende Zang uit de Henriade, waar door Saint Louis aan Hendrik IV de hel en de hemel en de toekomst worden getoond. Maar het is een vrije en uiterst originele navolging. Van Haren laat niet alleen de traditionele tocht door het dodenrijk vervallen, maar concentreert bovendien de droom op het - in zijn ogen - meest sublieme moment van de ‘toekomst’: de intocht van Willem IV als erfstadhouder in Amsterdam. De figuren van de Hoop, de Slaap en de Dromen, die ingeschakeld worden om de held te bemoedigen, zijn aan Voltaire ontleend, maar in de Henriade speelt de Hoop een veel minder actieve rol. Ook de wolk, waarop Oranje naar het Amsterdam van 1747 wordt gevoerd, gaat op de episode bij Voltaire terug, al is zij daar dan een ‘nue embrasée’ als de vurige wagen van Elia. De vorm echter, waarin aan de Prins, als onderdeel van zijn droom over de intocht, een vrijwel volledig beeld van de Nederlandse toekomst wordt getoond - de rondleiding door het schilderijen-kabinet in het huis van Witsen's zoon - is een geheel eigen en bijzonder gelukkige vondst van Onno Zwier! Weliswaar is het motief niet nieuw - het heeft zijn prototype in de schilderingen over de Trojaanse oorlog die Aeneas in Carthago, wachtend op Dido, in de tempel van Juno aantreft51 -, maar de manier, waarop het hier wordt aangewend, is ronduit meesterlijk. Het komt dan ook in de eerste plaats dáárdoor, dat deze navolging van Voltaire verrassender en boeiender is dan het origineel.
Op zijn speurtocht naar invloeden van de Henriade in de Nederlandse letterkunde heeft H.J. Minderhoud uiteraard deze ontlening niet gemist; hij vestigt er tweemaal de aandacht op, zij het met volledig voorbijgaan aan de creativiteit in de navolging.52
Bovendien veronderstelt hij ook enige samenhang tussen de passage over Rosemond in Zang XXII van De Geusen en de liefdesgeschiedenis van Gabrielle d'Estrées in Zang IX van de Henriade; in het bijzonder ziet hij in Van Haren's beschrijving van de storm over Veere een navolging van het noodweer bij Voltaire, waarin Hendrik IV ronddwaalt alvorens het kasteel van Gabrielle te bereiken.53 Dit rapprochement is echter te geforceerd om te kunnen worden aanvaard. Zelfs Minderhoud moet erkennen: ‘Seulement il ne s'agit pas d'une amourette mais d'une scène d'amour conjugal’ (blz. 105); men kan daaraan toevoegen: en nog wel in afwezigheid van de echtgenoot.
Verdere invloed van de Henriade is Minderhoud in De Geusen blijkbaar niet opgevallen. Toch kan er nog een duidelijk geval worden aangewezen, en wel in de episode van De Rijk's tocht naar Engeland om de hulp van koningin Elizabeth in te roepen. Stakenburg heeft over deze episode opgemerkt: ‘De tocht van De Rijk naar Engeland en zijn onderhoud met Elisabeth worden niet meer dan gememoreerd bij Hooft [...], doch vinden bij Van Haren in de zangen XIV en XV een uitvoerige plaats’.54 Hij laat de vraag rusten waaròm dit zo is, maar het antwoord daarop moet ongetwijfeld luiden: vanwege de parallellie met de Henriade, waar in de eerste drie zangen Hendrik IV eveneens een beroep op Elizabeth gaat doen. De bijzonderheden van de beide episodes zijn geheel verschillend, maar compositorisch verlopen zij naar hetzelfde model: de reis van de held, zijn uitvoerig pleidooi, het antwoord van Elizabeth, het toestromen van Engelse vrijwilligers (bij Voltaire onder Essex, bij Van Haren onder Sidney).
- De Henriade is niet het enige heldendicht, waarvan in De Geusen invloed merkbaar is. Stakenburg heeft opgemerkt, dat daarin ook tal van reminiscensen aan CamÅes' epos Os Lusiadas55 te vinden zijn, en komt op grond daarvan tot de conclusie: ‘Invloed van Camoëns is niet te miskennnen; Van Haren heeft de Lusiade ongetwijfeld in de Franse vertaling van Duperron de Castera (1735) gelezen’.56 Ik onderschrijf deze conclusie. Alleen ben ik er niet zo zeker van, dat Onno Zwier dit epos slechts in Franse vertaling heeft gekend. Ik acht het niet onwaarschijnlijk, dat hij (via het Spaans?) voldoende met het Portugees overweg kon om zich - al dan niet met behulp van een vertaling57 - een globale toegang tot het werk te verschaffen. In dat geval zou de strofische bouw van Os Lusiadas58 wel eens een belangrijke rol gespeeld kunnen hebben bij Van Haren's besluit bij de omwerking van zijn onvoltooide gedicht in 1771 van De Geusen een epos te maken.
Zowel in de tweede druk van 1772 als in de derde van 1776 is het aantal strofen van De Geusen vermeerderd. Deze uitbreidingen brengen echter geen enkele verandering in de opzet van het geheel en het verloop van het ‘verhaal’. Zij maken deel uit van Onno Zwier's pogingen tot verbetering van zijn gedicht in poëtisch, verstechnisch en stilistisch opzicht, en zijn dan ook voornamelijk bedoeld als ‘verçiering’ door een nadere detaillering of door vermeerdering van de parallellen met de gebeurtenissen uit de Bijbelse of Oude Geschiedenis.
In 1776 gaat Van Haren een enkele maal wat verder, zij het ook dan zonder dat er iets essentieels verandert. Stakenburg geeft een lijst van deze ‘verbeteringen’59. Daarvan verdienen vooral de toevoegingen in de zangen III en XXII onze aandacht. In Zang III heeft de dichter, na zijn opsomming van de namen der Geuzen die aan de verovering van Den Briel deelnemen, een vijftal strofen ingelast, waarin hij ingaat op de (fictieve) voorgeschiedenis van de (historische) Noord-Hollander Hendrik Thomasz.; deze werd door de rijke vader van zijn geliefde Keetje niet als schoonzoon aanvaard en had zich toen bij de Watergeuzen aangesloten in de hoop genoeg buit te verwerven om hem in een huwelijk toe doen toestemmen. In Zang XXII werden twee strofen ingevoegd met een beschrijving van de intieme gezelligheid in het huis van Rosemond, als Sebastiaan de Lange na een van zijn reizen teruggekeerd was.
Hoewel het oordeel over de toegevoegde episode van Thomasz. en Keetje in het algemeen gunstig luidt, meen ik toch dat deze uitbreiding dient te worden betreurd. Niet zozeer omdat zij te weinig functioneel is en door haar lengte tot onevenwichtigheid leidt - functionaliteit en evenwichtigheid zijn in de structuur van De Geusen nu eenmaal geen doorslaggevende factoren - als wel omdat zij strijdig is met de strekking van het gedicht. Van Haren onderscheidt bij de Geuzen nadrukkelijk twee groepen: enerzijds de woestelingen als Lumey en Roobol, die uitsluitend gedreven worden door zucht naar wraak, bloed en buit;60 anderzijds de echte verzetsstrijders als Blois van Treslong en Jacob Simonsz. de Rijk, bij wie vaderlandsliefde en vrijheidsdrang de drijfveren zijn. Met de figuur van Thomasz. wordt deze tweeheid doorbroken. Ook hij heeft zich bij de Geuzen aangesloten ter wille van de buit, en toch wordt er bij de lezer om sympathie voor hem gevraagd. Bovendien doet de opkomende sentimentaliteit zich wat al te sterk gelden in de tekening van Keetje, die niet met haar ongewenste minnaar mag omgaan en alleen kans ziet hem in de wintertijd op het ijs te ontmoeten - waarbij ‘Een zoentje beider lyden suste’ -, totdat ook aan die schaatstochten een einde wordt gemaakt. Het is niet de liefdesidylle op zichzelf die hier misplaatst is - in het heldendicht mocht deze niet ontbreken -, maar de intieme gemoedelijkheid waarmee zij verteld wordt en die hier uit de toon valt. - Datzelfde bezwaar heb ik ook tegen de twee nieuwe strofen in de Rosemond-episode van Zang XXII; zij detoneren door een te grote huiselijkheid.
Beide voorbeelden doen tevens goed uitkomen, hoe weinig organisch zulke toevoegingen tot het gedicht behoren; zij blijven herkenbaar als losse ornamenten die achteraf werden aangebracht.
Eenzelfde achteraf-heid kenmerkt ook de vele veranderingen, die Van Haren bij het voorbereiden van zijn herdrukken in de oorspronkelijke tekst van de strofen uit 1771 aanbracht. Er valt niet te ontkennen, dat hij daarmee in verstechnisch opzicht
meermalen en uit poëtisch oogpunt óók wel eens winst boekte. Maar in het algemeen betekent deze verfraaiing toch een verlies aan natuurlijkheid en duidelijkheid, waartegen deze winst niet opweegt. De dichter heeft het tè mooi willen maken; er ontstaan soms regels, die zo weinig doorzichtig zijn dat men de oude versie moet raadplegen om zekerheid te krijgen omtrent zijn bedoeling.
Ondanks de zwakke punten, die daarin voorkomen, geef ik dan ook de voorkeur aan de tekst van De Geusen uit 1771 boven die van de latere drukken. Want dáár is Onno Zwier van Haren het meest rechtstreeks creatief werkzaam geweest.61
Bij de bespreking van strofe en vers uit De Geusen moeten wij in gedachten houden, dat beide daarin zijn overgenomen uit Aan het Vaderland. Hun karakter werd dus in geen enkel opzicht bepaald door de omwerking van zijn gedicht, waartoe de dichter in 1771 besloot.
Van Haren's strofe bestaat uit tien regels van acht of negen syllaben, met het rijmschema ababccdeed. Hoe kwam hij aan deze specifieke vorm?
Bij Stakenburg vinden wij op deze vraag het volgende antwoord: ‘Van Heeckeren wees er reeds op, dat Boileau met zijn Ode op de inneming van Namen Van Haren's voorganger was’.62 De strofe van de bewuste Ode sur la prise de Namur63 is inderdaad geheel identiek aan die van De Geusen, terwijl bovendien de half-lyrische, halfepische toon van het vers verwant is aan die van Onno Zwier's zangen. Desondanks lijkt het weinig waarschijnlijk, dat de Friese dichter zó sterk van één enkel voorbeeld afhankelijk geweest is als Van Heeckeren volgens Stakenburg zou hebben beweerd. Maar dat hééft Van Heeckeren helemaal niet gedaan; wij hebben hier te doen met een onzorgvuldige weergave van zijn woorden door Stakenburg. De passage, waarop de laatste doelt, luidt in werkelijkheid als volgt:
Het gedicht [ = De Geusen] is geschreven in dezelfde maat waarin Onno Zwier zijn meeste verzen heeft gemaakt, in de zoogenaamde lyrische voetmaat, bestaande uit coupletten van tien regels, waarvan 6 met slepende rijmen en negen lettergrepen, en 4 met staande rijmen en 8 lettergrepen. Eerst door hem is deze maat bij ons regt inheemsch geworden; hij had haar afgezien van de fransche lierdichters, en wel bepaaldelijk van Boileau in zijn Ode op de inneming van Namen, Jean Baptiste Rousseau en Franck de Pompignan.64
Dat roept wel een geheel ander beeld op! Volgens Van Heeckeren heeft Van Haren zijn strofe niet aan één enkel voorbeeld ontleend, maar maakte hij gebruik van een versvorm, die bij de Franse lierdichters van zijn tijd populair was en waarmee hij in zijn lectuur dus herhaaldelijk in aanraking gekomen zal zijn. Om dit wat nader te preciseren, noemt Van Heeckeren drie contemporaine dichters, die genoeg naam en gezag hadden om het praktisch zeker te maken dat de veel-belezen Van Haren ze gekend heeft, en bij wie hij de bewuste strofe kan hebben aangetroffen: Boileau (die er slechts éénmaal gebruik van maakte, maar in een ode die algemene bekendheid verwierf); de lyricus Jean-Baptiste Rousseau (1671-1741); Jacques Le Franc, marquis de Pompignan (1709-1784) in zijn Poésies sacrées.
Er valt tegen deze zienswijze, dunkt mij, weinig in te brengen. Uit het tweede deel van deze paragraaf zal blijken, dat Onno Zwier zich bij het schrijven van zijn verzen aanvankelijk sterk naar het model van de Franse poëzie richtte. Het ligt daarom voor de hand, dat hij er ook zijn strofe aan te danken had. Overigens betekent dit niet, dat hij deze nooit in het Nederlands kan zijn tegengekomen. Ik vond ze meermalen in de Bijbelzangen van Hendrik Schim, zij het met variaties in het rijmschema. In Het nut der tegenspoeden, brieven en andere gedichten (1762) van Lucretia Wilhelmina van Merken komt zij - behalve met soortgelijke variaties - tweemaal in geheel dezelfde vorm voor als bij Van Haren: eenmaal trochaeïsch in een geboortezang (blz. 234-237), en eenmaal ook metrisch identiek in de ‘Rouwklagt, by het afsterven van myne waarde en eenige zuster Wilhelmina van Merken’ (blz. 326-331).
Belangrijker dan de conclusie omtrent de herkomst is echter het feit, dat Van Haren's strofe een uitgesproken lyrisch karakter blijkt te hebben gehad en vooral werd gebruikt bij het schrijven van oden of elegieën.
In de bespreking, die de Nieuwe Vaderlandsche Letteroefeningen (IV, deel I, blz. 85) in 1770 aan het pas-verschenen Aan het Vaderland hebben gewijd, klinkt duidelijk iets van verbijstering over de dichttrant van Onno Zwier door. De beoordelaar heeft waardering voor diens onderwerp, maar de verzen acht hij - evenals in de eerder gepubliceerde Agon - beneden alle peil:
...ieder, die des autheurs Agon gelezen, en die proeve zijner bekwaemheid ter Poëzije met deernis heeft aangezien, staet verwonderd, dat hij 't anderwerf onderwind [= waagt], om zig enigermate aen Rijm en Maet te binden; daer 't duidelijk blijkt dat dit, hoe bekwaem zijn Ed. ook anders zij, volstrekt zijne zaek niet is. Jammer is 't, dat zijn Ed. geen goede vrienden heeft, om hem recht ernstig te waerschouwen.65
Nu is het inderdaad waar, dat in de eerste dichterlijke publikaties van Onno Zwier heel wat onhandigheden en onvolkomenheden voorkomen, waaruit blijkt dat hij de poëzie ambachtelijk nog niet goed beheerste. Maar het bovenstaande citaat gaat verder dan kritiek daarop. De beoordelaar herkent in Van Haren's verzen eenvoudig niet wat hij gewoon is onder poëzie te verstaan. En dat is begrijpelijk, als wij ons de
contemporaine dichterlijke praktijk hier te lande voor ogen stellen, zoals wij die in de vorige hoofdstukken telkens weer hebben leren kennen. Zij kenmerkte zich door grote technische en vooral metrische vaardigheid, door rationele beheersing en formulering van zowel gedachten als gevoelens, door het gebruik van een conventionele dichterlijke taal en de aanwending van traditioneel loof- en sierwerk in de stijl. Maar Onno Zwier week vrijwel over de hele linie van deze ‘keurige regels der Dichtkunde’ af, met name wat de metrische perfectie en de dichterlijke formulering betreft. Van beide punten geef ik een sprekend voorbeeld (naar de versie van Aan het Vaderland, die in het citaat beoordeeld wordt).
In een aanspraak tot de Vrijheid zegt de dichter: [Gy...]
Zowel in de derde als in de vierde en vijfde regel komen metrische onregelmatigheden voor.
En wat is er voor ‘dichterlijks’ in de zegging van de volgende strofe, waar De Rijk besluit ondanks de sluiting van alle havens voor Geuzen-schepen toch naar Engeland te varen?
Afgezien van het rijm heeft deze strofe bijna de zakelijke directheid van een mededeling in proza.
In het eerste voorbeeld - dat met talloze andere vermeerderd kan worden - komt de metrische onregelmatigheid erop neer, dat Van Haren feitelijk twee vers-principes door elkaar gebruikt. In de ‘correcte’ regels hanteert hij naar Nederlandse traditie het alternerende vers, in de ‘afwijkende’ het isosyllabische naar Frans model. Hoe dit dooreenlopen van de twee principes moet worden verklaard, is niet helemaal duidelijk. Natuurlijk speelt de innige vertrouwdheid van de dichter met de Franse poëzie daarbij een belangrijke rol. Het aantal regelmatig alternerende verzen is echter te groot om de veronderstelling toe te laten, dat hij het Nederlandse principe niet zou hebben gekend of beheerst. Stakenburg zoekt voor deze dualiteit een verklaring in de meerdere of mindere betrokkenheid van Onno Zwier bij zijn onderwerp; in traditionele gedeelten zou deze zich aan het gebruikelijke alternerende vers hebben gehouden, terwijl in passages met veel handeling en vaart ‘de versmaat de onmiddellijke expressie van zijn dichterlijke emotie’ werd.66 Ik geloof niet in deze veron-
derstelling, althans niet als fundamentele verklaring. Waarschijnlijker is voor mij, dat Van Haren - beïnvloed door zijn veelvuldige lectuur van Franse poëzie - onwillekeurig ook Nederlandse verzen was gaan lezen op de manier waarop men dat Franse doet: op een gelijkmatige en vloeiende toon, rhytmisch, zonder heffingen en dalingen. Het komt mij voor, dat dit voor hem het verschil tussen de beide versprincipes voldoende verdoezeld zou kunnen hebben om aannemelijk te maken dat hij onbewust van het ene tot het andere overging. Hoe dit echter ook zij, reeds kort na de verschijning van Aan het Vaderland moet Onno Zwier tot het inzicht gekomen zijn, dat deze tweeslachtigheid niet aanvaardbaar was. Bij de verschillende bewerkingen van zijn gedicht zien wij dan ook de isosyllabische verzen (met inbegrip van die, welke zich zonder veel moeite alternerend lieten lezen) steeds meer verdwijnen om plaats te maken voor onmiskenbaar metrische. Reeds in de eerste druk van De Geusen blijkt de hierboven geciteerde passage als volgt ‘verbeterd’:
- Het tweede voorbeeld heeft amper een toelichting nodig. Er blijkt duidelijk uit, hoe Onno Zwier bij het schrijven van zijn strofen zózeer gedreven werd door wat hij zeggen wilde, dat hij (buiten het rijm) de neiging had tot verwaarlozing van het hoe. Daarmee doorbrak hij de conventie van zijn tijd om in poëzie de dichterlijke aankleding feitelijk als primair te beschouwen, en kwam zijn vers - zoals Knuvelder het uitdrukt - ‘aan de tegenpool van het oeuvre der dichtgenootschappen’ te liggen.67 Op zichzelf was dit herstel van de inhoudelijke prioriteit een gelukkige ontwikkeling, die de spontaneïteit en de zeggingskracht van het gedicht ten goede kwam. Maar ook op dit punt ging Van Haren aanvankelijk te ver, waardoor zijn vers - zoals in het voorbeeld - te dicht naderde tot proza op rijm. Hij heeft dit later zelf ingezien, en zowel in de eerste druk van De Geusen als in de latere bewerkingen is hij bezig geweest met het wegwerken van dit bezwaar.68 Niet altijd is de verbetering werkelijk bevredigend; te vaak is het merkbaar dat zij achteraf werd aangebracht, wat haar toch weer het karakter van ‘dichterlijke aankleding’ geeft. Bovendien kenmerken Van Haren's herzieningen - zoals ook in de vorige paragraaf werd opgemerkt - zich vaak door een excessief gebruik van gecompliceerde en ondoorzichtige formuleringen, dat zijn gedicht bepaald niet ten goede komt.
Overigens mogen wij bij dit alles niet uit het oog verliezen, dat het mede werd
bepaald door de opvattingen van de dichter over onze taal. Naar zijn uiteenzetting in de Verhandeling over de nationaale of vaderlandsche gedichten beschouwde hij het Nederlands van zijn tijd als een taal die nog altijd in wording was. Eerst ‘wanneer die met genoegzaam getal en klaarheid vervuld zal wezen, dan, en eerder niet, zal het tijd kunnen zijn, om die taal aan nauwe wetten te binden’. Tot zolang echter ‘kan men aan niemand weigeren, om te mogen toebrengen tot de vermeerdering, verbetering, of verzachting van die spraak’.69 En dat is waartoe ook hij in De Geusen zijn steentje trachtte bij te dragen. Wat daarin aandoet als onhandig of eigenzinnig taalgebruik, dient althans ten dele óók onder dat licht te worden bezien.
Tenslotte rest ons dan nog een nadere bespreking van de problemen, die ik in de eerste paragraaf van dit hoofdstuk heb aangestipt. Hoe werden De Geusen genologisch door Van Haren bedoeld, en hoe verhouden zij zich op dit punt tot hun voorloper Aan het Vaderland?
Het is duidelijk, dat wij bij het zoeken naar een antwoord dienen te beginnen ab ovo en dus moeten uitgaan van Aan het Vaderland. In overeenstemming daarmee is deze paragraaf dan ook gewijd aan de voorloper, terwijl in de volgende het genre van De Geusen centraal zal staan. Ter vergelijking van mijn conclusies met die van Stakenburg verwijs ik naar het slot van mijn opmerkingen over diens proefschrift in § 4 hierboven.70
Voor een groot deel ligt de problematiek van Aan het Vaderland als het ware samengepakt in het voorbericht ‘Aan den Leeser’, dat uiteenvalt in twee scherp van elkaar gescheiden gedeelten.
Het eerste deel bevat een rustig betoog, geheel volgens de traditie van dergelijke stukken. De dichter zet uiteen, hoe hij tot zijn werk werd geïnspireerd door een schilderij ‘vertoonende den Staat deeser Landen in 't jaar 1572’, dat hij in 1766 ergens in Leeuwarden ontdekt, aangekocht en tot ‘'t voornaamste verciersel van myn buytenwoning’ gemaakt had.71 Het beschouwen van de daarop - naar het leven of naar portretten - afgebeelde helden uit de begintijd van het verzet tegen Spanje had bij hem de wens doen opkomen
dat de roem en gedagtenis van die Mannen, welke de eerste voor onse Godsdienst en Vryheid goed en bloed met den Prins van Oranje hebben gewaagd, zo wel als de roem en gedagtenis van die geene die na hen, by vervolg van tyd ons gemeen Vaderland hebben vereerd, op 't voorbeeld van andere Volkeren, behoorlyk vercierd, aan de Nakomelingschap mogte overgebragt werden.Hij voelde dus behoefte aan een dichtstuk ter gedachtenis van het roemrijke vaderlandse verleden, zoals andere naties bezaten, maar Nederland niet. En zulk een dicht-
stuk zou niet alleen de helden uit de jaren van de Tachtigjarige Oorlog moeten eren, maar ook de grote mannen die na hen aan de Republiek glorie hadden gebracht.
‘Geduurende deese Somer’ (die van 1769) - zo gaat het Voorbericht verder - heeft de dichter het gewaagd een poging te ondernemen om zèlf in deze behoefte te voorzien. En blijkens het feit, dat hij omstreeks 1 november al bezig is met een ‘Aan den Leeser’ voor de uitgave van zijn eerste resultaten, heeft hij zowel voortvarend als succesvol gewerkt. Voor wat er verder nog komen moest, verwijst hij zijn lezers ‘na de ses laatste verssen van d'eerste Zang’. Daarin wordt voortzetting van de onderneming afhankelijk gesteld van de ontvangst door het publiek: ‘En zo myn zwakke toon, de ooren // Der Nederlanders kan bekooren, // Misschien dat eerlang weêr myn Lier, // Door d'Eer van 't Vaderland gedreeven, // De roem van Neêrland doê herleeven, // En met een nieuw gezang vercier!’ (Aan het Vaderland I, str. 16).
- Maar toen vond in de nacht van 6 op 7 november 1769 de inbraak op Lindenoord plaats, die door Onno Zwier beschouwd werd als een poging tot moord op hem en zijn vrouw. Daardoor werden zowel de gang van zijn leven als het werk aan zijn dichtstuk grondig verstoord. Hoè grondig, blijkt uit het tweede gedeelte van het Voorbericht, waarvoor door cursivering bijzondere aandacht wordt gevraagd:
Tot dus verre72 was ik in deeze Voorreeden met voorneemen om de twaalf eerste Zangen van dit Werk aan den Druk-pers te geeven, en de overige, aan welkers twintigste ik bezig was, te vervolgen na de tyd en wyze in 't einde van de derde Zang bepaald, en was genoegzaam reeds gevorderd tot de komst van de Prins in 't Land, wanneer ik my verplicht vind (op een ernstige beede van myn Vrouw en Kinderen, en aanmaaning van beproefde Vrienden) om my te onthouden van eenzaame wandelingen, die gewoon zyn my de beste geleegendheeden tot denken te geeven. En dewyl dit werk daar door, voor eenigen tyd (zo niet geheel) afgebrooken is, geeve ik het zo verre als het op eenige weinige Verssen na, den 6 November deses jaars zig bevond.
Dit citaat stelt ons voor vier vragen, waarop een antwoord moet worden gezocht. 1. Wat had Van Haren uit het voltooide deel van zijn werk als eerste proeve willen publiceren? 2. Wat valt uit het einde van de derde zang op te maken omtrent de wijze waarop hij zijn dichtstuk had willen voortzetten? 3. Wat wil het zeggen, dat hij op 6 november 1769 ‘genoegzaam reeds gevorderd (was) tot de komst van de Prins in 't Land’? 4. Laat zich vaststellen welke ‘weinige Verssen’ de dichter na de inbraak nog aan zijn werk toevoegde alvorens dat naar de drukker te zenden?
De laatste vraag is niet alleen verreweg de eenvoudigste, maar ook de enige die geen verband houdt met Onno Zwier's opvattingen omtrent zijn werk en de voortzetting daarvan. Ik doe dus eerst deze bijkomstigheid af, om daarna de drie resterende vragen min of meer in samenhang onder de ogen te zien.
Het antwoord op de vierde vraag luidt positief. De laatste zang van Aan het Vaderland handelt over de heldendaad van schipper Sebastiaan de Lange, die de lont in het eigen kruit stak en vier vijandelijke schepen in zijn ondergang meesleepte. In de slotstrofen stelde Van Haren deze daad als voorbeeld aan zijn tweede zoon Willem Anne, die luitenant-ter-zee was. Daaraan voegde hij nu een zinspeling op de moord-aanslag toe: ‘ô Soon, zo myn verhaaste jaaren, // Zo stadig nieuwe moordenaaren, // Uw weigeren de zoete vreugd // Van uwen Vader weer te vinden; // Laat dit Gedigt, aan uw ziel binden // De prys van Dapperheid en Deugd!’73
En dan volgen nu de drie punten, die in ons verband van meer importantie zijn.
ad 1. Wat zou het boekje hebben bevat, waarvoor Onno Zwier een voorbericht aan het schrijven was, toen zijn plannen door de inbraak op Lindenoord werden verstoord? ‘De twaalf eerste Zangen van dit werk’, zegt hij zelf. Maar een vraagteken is hier op zijn plaats. Immers, het geprojecteerde boekje zou dan wel een héél onbevredigend einde hebben gehad: midden in de episode met de droom van Oranje! Aan het slot van Zang XII uit Aan het Vaderland heeft de Hoop haar rondleiding van de Prins door het kunstkabinet in Witsen's huis precies op tijd voltooid, want het jacht van de nieuwe Erfstadhouder is in zicht! Haar laatste woorden - en de laatste van de Zang - zijn: ‘Koom, en verzel my na de haaven, // De teek'nen die de wallen gaaven, // Aankondigen de komst van 't Jacht. // Hy, die is ieders zielsverlangen // Dien 't hart van ieder gaat ontvangen, // Is reeds tot in de Stad gebracht!’ Het lijkt mij eenvoudig ondenkbaar, dat de dichter ter publikatie een fragment zou hebben gekozen dat zó vreemd mediis in rebus afbreekt! Stakenburg heeft weliswaar geprobeerd daarvoor een verklaring te geven,74 maar overtuigend is deze naar mijn mening bepaald niet! Ik twijfel er dan ook niet aan, of de oplossing moet in een geheel andere richting worden gezocht. Naar mijn veronderstelling heeft Onno Zwier bij het vermelden van ‘de twaalf eerste Zangen’ de Eerste Zang uit de editie van Aan het Vaderland niet meegerekend. Deze z.g. Eerste Zang heeft nog geen betrekking op het eigenlijke onderwerp en staat daarmee buiten het eigenlijke gedicht. Hij geeft slechts - zoals herhaaldelijk is opgemerkt - een op zichzelf staande ‘algemene inleiding’ en is dus inderdaad een soort ‘Voorzang’, zoals Bilderdijk er in zijn bewerking van De Geusen van gemaakt heeft.75
De kerngedachte van deze inleiding wordt uitgesproken in de vierde strofe: helden en wereld-veroveraars zijn slechts de onbewuste uitvoerders van Gods plannen. In de strofen daar-omheen wordt dit met voorbeelden toegelicht. Wist Alexander de Grote wat de betekenis van Alexandrië zou worden, toen hij uit het puin van Memphis die stad het bouwen? Wist Attila, toen hij Rome bedreigde en de bewoners van Noord-Italië hun toevlucht deed zoeken op de eilanden in de lagunen, dat dit zou leiden tot de opkomst van Venetië: de stad die een halt zou toeroepen aan de opmars van het Mohammedanisme naar het Westen? En toen na de ontdekking van Indië en Amerika de hele wereld in handen van Spanje kwam, leek dit land tot een onoverwinnelijke macht te zijn geworden. Maar - zo luiden de eerste vier regels van de laatste strofe -: ‘Uw welvaard, Spanje, gaat verdwynen, // De godheid blaast op uwe macht! // Ik zie een ander Volk verschynen, // Een Volk by uw hoogmoed veracht’. En daarop volgen dan de zes regels, die ik eerder in deze paragraaf al geciteerd heb76 en die de voortzetting van het dichtwerk afhankelijk stellen van de manier, waarop het publiek deze eerste proeve zal ontvangen.77
Het is niet helemaal duidelijk, of deze ‘voorzang’ bedoeld was als inleiding op het gedicht zoals dat uiteindelijk worden moest, dan wel enkel op ‘de twaalf eerste Zangen’ die Van Haren bij wijze van voor-publikatie in het licht wilde geven. De zware nadruk, waarmee in het Voorbericht naar ‘de ses laatste verssen’ van deze zang wordt verwezen in verband met de voortzetting van het werk, maakt echter naar mijn mening de tweede suppositie verreweg het waarschijnlijkst. In dat geval is ook de veronderstelling gewettigd, dat de ‘Eerste Zang’ pas achteraf geschreven werd, toen de dichter tot de uitgave van een proeve besloten had en daarvoor een inleidend vers niet onwenselijk achtte.78
Als wij hiervan uitgaan, is het volkomen aannemelijk dat Van Haren bij zijn vermelding van ‘de twaalf eerste Zangen’ het inleidend gedicht buiten beschouwing liet en de Zangen op het oog had, die in de uitgave als II tot en met XIII werden genummerd. Daarmee zou de door hem aangekondigde voor-publikatie óók het slot van de droom-episode hebben omvat en een fraai afgerond geheel zijn geweest. Zó fraai zelfs, dat aan de juistheid van de veronderstelling nauwelijks getwijfeld kan worden. Immers, dan zou de ‘proeve’ - afgezien van een ‘voorzang’ - zes zangen hebben bevat over de geschiedenis van de Geuzen met de inneming van Den Briel als hoogtepunt, en zes zangen over de droom van Oranje met de intocht van Willem IV in Amsterdam als climax. Bovendien werd zodoende precies voldaan aan de bedoeling die de dichter in zijn ‘Aan den Leeser’ had uitgesproken, dat naast de helden uit de tijd van Oranje ook de grote mannen werden geëerd, die later hun werk hadden voortgezet. De proeve zou dus inderdaad een duidelijk beeld hebben gegeven van wat het gedicht uiteindelijk worden moest.
Mijn hypothese veronderstelt een onnauwkeurigheid van Onno Zwier in het tweede deel van zijn voorbericht. Maar dit tweede deel werd geschreven in dagen van grote spanning en haast. De ‘moord-aanslag’ vond plaats in de nacht van 6 op 7 november, en nog vóór het einde van de volgende maand zag Aan het Vaderland het licht! Onder deze omstandigheden kan een dergelijke vergissing alleszins begrijpelijk worden geacht.
ad 2. Van Haren verwijst voor de manier waarop zijn gedicht zou worden voortgezet, naar het einde van de derde Zang. Blijkens de structuur van deze zang kan met dat ‘einde’ alleen maar de laatste strofe zijn bedoeld. En deze luidt als volgt:
Ik moet eerlijk bekennen, met de laatste zes regels niet goed raad te weten. Wie wordt er door de dichter opgeroepen om zèlf voor Oranje een Zang te komen bereiden? Naar de grammatische structuur zou dit Oranje moeten zijn, de laatst aangesprokene. Maar het doet vreemd aan, dat deze zou worden uitgenodigd zichzelf te bezingen. Bovendien rijst dan dadelijk de vraag, op welke penne-vrucht Onno Zwier
in de volgende regels doelt. Moeten wij aannemen, dat hij reeds vóór die tijd (in een eerste versie?) de tragedie over de dood van Willem I geschreven had, die in 1773 verscheen? - Of richt Van Haren zich tot de andere grote gestalte, die hij in zijn derde Zang heeft geëerd: de Vrijheid? Dat zou op zichzelf wel passen bij zijn manier van dichten en personifiëren. Maar de overgang van regel 4 naar 5 wordt dan àl te onhandig, terwijl ook regel 8 de Vrijheid als aangesprokene uitsluit. Nog eens: ik kom er niet uit.
Gelukkig behoeft dit geen belemmering te zijn voor het begrijpen van de verwijzing in het voorbericht. Want daarin doelt de dichter kennelijk (vooral) op de eerste vier regels van de strofe. En deze kunnen in dat verband niet anders worden geïnterpreteerd dan als dichterlijke formulering van zijn voornemen om zowel de heldendaden van de Geuzen als de verrichtingen van Oranje te gaan bezingen - wat die laatste betreft, waarschijnlijk tot en met de gewelddadige dood van de Prins; waarom zou daaraan anders zo nadrukkelijk worden herinnerd?
Voorlopig laat ik het bij het signaleren van deze passage, die min of meer beschouwd kan worden als propositio van het dichtwerk, dat Onno Zwier aan het schrijven was, toen de inbraak op Lindenoord daaraan een abrupt einde maakte.
ad 3. Na de schok van deze ervaring geloofde Van Haren niet of nauwelijks meer in de mogelijkheid, dat hij nog ooit rustig zijn gedicht zou kunnen voortzetten en afmaken. In plaats van de geprojecteerde eerste proeve gaf hij daarom àlles uit, wat hij reeds op papier had staan, om te voorkomen dat er iets in ongedrukte vorm verloren zou raken. Het onbedoelde gevolg was, dat het gepubliceerde fragment nu inderdaad mediis in rebus eindigde: midden in de zeeslag op de Westerschelde. Slechts tot zover, aan het eind van de twintigste zang, had de dichter zijn werk ‘klaar’. Maar - zo blijkt uit het tweede deel van het Voorbericht - de zangen, die onmiddellijk daarop moesten aansluiten, waren óók al in voorbereiding! In welke staat van wording zij verkeerden, wordt in het midden gelaten, en zal ook wel van zang tot zang anders zijn geweest. Maar dat is niet het punt, waarom het gaat! De belangrijke conclusie, die uit deze mededeling valt te trekken, is dat Onno Zwier reeds vóór de inbraak bezig was met het opstellen en/of uitwerken van een concept, dat zijn gedicht zou brengen ‘tot de komst van de Prins in 't Land’. Met andere woorden: precies tot het punt waarop hij in 1771 De Geusen zou afsluiten! Ongetwijfeld hebben de toen toegevoegde zangen niet in alle opzichten dezelfde inhoud en vorm als voor Aan het Vaderland was geprojecteerd - ook de reeds gepubliceerde werden immers be- en omgewerkt -, maar in principe bevatten zij wat de dichter reeds vóór de fatale nacht van 6 op 7 november in de zin had. De mening van Stakenburg, dat Van Haren in 1771 ‘het topzware “Aan het Vaderland” min of meer in evenwicht (bracht) door tegenover de uitvoerige geuzenschildering in de eerste zangen een dergelijk sluitstuk met de laatste te geven’ - wat impliceert dat het slot van De Geusen ànders is dan de voortzetting van Aan het Vaderland geweest zou zijn - is dus onjuist!79 De dichter maakte slechts het fragment af, dat hem van den beginne voor ogen had gestaan.
Uit wat ik hierboven de propositio van de dichter noemde, blijkt dat deze zich met zijn werk een tweeledig doel stelde: de verheerlijking van de Geuzen en de verheerlijking van Oranje. In de gedeelten, die hij op 6 november 1769 klaar of in bewerking
had (‘tot de komst van de Prins in 't Land’), ging het primair om de Geuzen80; het ligt dus voor de hand, dat in de voortzetting de Prins centraal had moeten staan. Tot zover zijn Stakenburg en ik het eens. Maar onze wegen scheiden zich ten aanzien van de vraag, welke gebeurtenissen daarin aan de orde zouden zijn gesteld. Stakenburg acht het waarschijnlijk, dat Van Haren nà het Geuzen-aspect nu het Oranjeaspect van het jaar 1572 zou hebben behandeld, met de tweede tocht over de Maas zijn nederlaag bij Bergen in Henegouwen en zijn aankomst in Enkhuizen als meest saillante punten.81
Maar in dat geval zou de dichter, na de geschiedenis van de Geuzen tot het einde van 1572 te hebben gebracht, in tijd weer hebben moeten terugkeren tot de eerste helft van dat jaar om nu ook die van de Prins zover te brengen. Er zouden dus nà en nààst elkaar twee geschiedenissen worden verteld, die temporeel in werkelijkheid samenvielen. Dat lijkt niet alleen onwaarschijnlijk, maar is ook in strijd met het compositorische beginsel, dat Onno Zwier in de twintig bestaande zangen van Aan het Vaderland hanteert. Hij vertelt weliswaar onvolledig en selectief, maar ten aanzien van de grote lijn houdt hij zich steeds aan de chronologische volgorde van de feiten. Ik ben er daarom van overtuigd, dat zijn gedicht na het moment van 's Prinsen komst voortgegaan zou zijn met de gebeurtenissen daarna: de vergeefse pogingen om Haarlem te redden, de verlossing van Alkmaar, het ontzet van Leiden, de mislukking van de Pacificatie van Gent, het ontstaan van de Unie van Utrecht, de afzwering van Philips II, en tenslotte: de dood van Oranje door moordenaarshand. Anders gezegd: op de periode van de Geuzen in onze vrijheidsstrijd zou die van de Prins zijn gevolgd: belangrijker en roemvoller nog dan de eerste.
Het is niet zo moeilijk zich voor te stellen, hoe Van Haren's dichtwerk er naar de vorm zou hebben uitgezien, als het overeenkomstig de hierboven aangegeven opzet voltooid was. Het zou dan hebben bestaan uit een lange reeks - gerekend naar de omvang van het gedeelte over de Geuzen: wellicht vijftig - identieke zangen van 16 tien-regelige strofen.
Veel minder gemakkelijk valt echter uit te maken, wat daarvan naar de bedoeling van de dichter het genologisch resultaat had moeten zijn: een samenstel van lierzangen dan wel een vorm van het epos. Zijn Verhandeling over de vaderlandse gedichten als genre biedt ons op dit punt geen enkele steun. Niet alleen schreef Van Haren deze achteraf, ter toelichting en rechtvaardiging van wat De Geusen in de druk van 1776 uiteindelijk geworden waren, zodat wij niet zonder meer mogen aannemen dat hij in 1769 reeds dezelfde uitgangspunten had - maar bovendien laat hij ook daar het punt, waar het bij de genologische beschouwing van zijn werk in de eerste plaats om gaat, namelijk de tegenstelling tussen lyrisch en episch, volledig buiten beschouwing. Wij kunnen bij het zoeken naar een antwoord op de bewuste vraag dus alleen afgaan op onze eigen interpretatie van de feiten die zich aan ons voordoen.
Zoals wij hebben gezien,82 veronderstelt Stakenburg, vooral op grond van het feit dat Oranje daarin de centrale figuur geweest zou zijn, dat Onno Zwier bij zijn oorspronkelijke opzet een epos op het oog had.
Naar mijn mening kan de centrale plaats van Oranje niet als doorslaggevend argument worden beschouwd. Er staat te veel tegenover, dat in een andere richting wijst. Als Van Haren inderdaad een episch gedicht bedoeld had, waarom koos hij dan een daarmee strijdige vormgeving op basis van de 16-strofige lierzang?83 Uit Aan het Vaderland valt niet anders op te maken dan dat dit - in principe - is opgebouwd uit uniforme, in zichzelf afgeronde, autonome zangen, waarin telkens een bepaald moment of aspect uit de vrijheidsstrijd tegen Spanje bezongen wordt. Weliswaar met de bedoeling dat de opeenvolging van al die momenten en aspecten een geheel zou vormen ter verheerlijking van de Geuzen en van Oranje - maar in los verband: zoals een ruiker een geheel is en toch bestaat uit afzonderlijke bloemen. En als om dit alles nog eens te onderstrepen, ging de dichter in de afzonderlijke zangen bovendien uitgesproken lyrisch te werk: niet systematisch vertellend, maar associatief, emotioneel, disparaat. Wie op deze manier een groot vaderlands dichtwerk opzet, kàn eenvoudig-weg geen epos als doel voor ogen hebben gehad.
Overigens ben ik er mij van bewust, dat er in Aan het Vaderland ook elementen voorkomen, die wèl aan het epos herinneren. In de latere zangen - over De Rijk's bezoek aan Engeland en het zeegevecht op de Westerschelde - is de manier van vertellen minder disparaat dan aanvankelijk. Ook is de zelfstandigheid van de afzonderlijke zangen daar minder uitgesproken; met name de overgang tussen de zangen XIX en XX is die van een rechtstreeks ‘vervolg’. Maar vooral: de droom van de Prins als prelude op de rol die deze later te spelen zal krijgen, is typisch een episode uit het epos. Te verwonderen valt dit trouwens niet. Want al ging Van Haren niet van het epos uit, op de achtergrond van zijn denken moet dit toch vlakbij hebben gelegen. Blijkens de Verhandeling kende hij geen andere voorbeelden van vaderlandse gedichten dan in de vorm van epen.84 Het ligt dus voor de hand, dat hij zich bij de dispositio van zijn stof op bepaalde punten (de droom) onwillekeurig naar epische modellen heeft gericht. In hoever de wat minder on-epische verteltrant van de latere zangen eveneens daaraan moet worden toegeschreven, valt minder gemakkelijk uit te maken. Hier kan ook de aard van de stof zijn invloed hebben doen gelden.
Maar al doorkruist deze epische inslag inderdaad de lyrische opzet, zodat een lichte tweeslachtigheid niet te ontkennen valt, meer dan een secundair verschijnsel is dit toch niet. Primair blijft het feit, dat Aan het Vaderland bestaat uit twintig zangen, die door hun gelijkvormigheid het karakter hebben gekregen van bouwstenen in een groter geheel, maar elk op zichzelf naar contemporaine opvattingen ‘lierzang’ moeten worden genoemd.
Daarmee is de vraag beantwoord, die wij ons hebben gesteld. Aan het Vaderland is een samenstel van lierzangen, zoals de dichter ook had bedoeld.
Toen Onno Zwier de schok van de inbraak op Lindenoord voldoende te boven was om opnieuw belangstelling te kunnen opbrengen voor zijn onvoltooid dichtstuk, week hij bij de afwerking daarvan op twee essentiële punten van zijn oorspronkelijke bedoeling af. In de eerste plaats beperkte hij zich tot het gedeelte, dat op het moment
van de inbraak reeds klaar of in bewerking was. In de tweede plaats werkte hij dit gedeelte zódanig om, dat het min of meet als een strofisch epos kon worden beschouwd.
ad 1. Het afzien van elke poging tot voortzetting van het gedicht betekende, dat de Prins van Oranje daarin niet de dominerende plaats zou innemen die hem aanvankelijk was toegedacht. In zijn plaats kwamen de Geuzen nu centraal te staan. Stakenburg heeft gezocht naar een antwoord op de vraag, waaròm Van Haren de figuur van Oranje opgaf.85 Ik volg hem daarin niet, omdat dit in ons verband van bijkomstige betekenis is. Alleen merk ik terloops op, dat Stakenburg uitsluitend denkt aan de verhouding van de dichter tot Willem V. Ik zou daarnaast de mogelijkheid willen stellen, dat de schok van de ‘moordaanslag’ Van Haren zódanig uit zijn evenwicht had gebracht, dat hem in de eerstvolgende jaren zowel de moed als het vermogen tot creatieve arbeid van grotere omvang ontbraken. Het terugvallen op remaniërend en perfectionerend werk zou geheel of gedeeltelijk ook de aanvaarding geweest kunnen zijn van verminderde geestelijke spankracht.
Hoe dit ook zij, uit de verschillen tussen Aan het Vaderland en de eerste druk van De Geusen blijkt in ieder geval duidelijk, dat de dichter niet alleen in zijn titel de consequenties uit de beperking van zijn stof heeft getrokken. De brede inleiding, die in de eerste zangen van Aan het Vaderland preludeerde op een vervolg, waarin de lof van de Prins die van de Geuzen hog zou overtreffen, is veranderd en aanzienlijk bekort. De nadruk op Oranje is goeddeels vervallen, en in plaats daarvan wordt er meer verteld over herkomst en achtergrond van de Geuzen; ter wille van dit laatste is zelfs een praktisch geheel nieuwe ‘Derde zang’ ingevoegd. Ook in de uiteindelijke vorm die de zangen kregen, w