In de eerste paragraaf van mijn hoofdstuk over de David van Lucretia Wilhelmina van Merken1 heb ik uiteengezet, waarom ik heb moeten afzien van mijn oorspronkelijke plan de beide epen van deze dichteres als een samenhangend geheel in één hoofdstuk te bespreken. Zij vormen daarvoor te weinig een continuïteit. De Germanicus sluit niet bij de traditionele lijn aan zoals de David, maar bij de nieuwe richting van het vaderlandse epos, zoals die door Onno Zwier van Haren met De Geusen in het leven geroepen, door Adriaen van der Vliet met De Spanjaerdt binnen Rotterdam aarzelend voortgezet, en door Frans van Steenwijk met Klaudius Civilis definitief bevestigd was. Daarom was het onmogelijk de Germanicus te bespreken zonder eerst met deze voorgangers kennis te hebben gemaakt. De chronologie moest in dit geval praevaleren boven de auctoriale verbondenheid.
Maar nu zijn wij dan naar tijdsorde aan de Germanicus toegekomen. En bij de bespreking daarvan kan ik met de deur in huis vallen. Wat er in het algemeen over de dichteres en haar werk moest worden gezegd, is in het hoofdstuk over de David al aan de orde geweest.2
Het tweede epos van Lucretia Wilhelmina verscheen in 1779, bij haar vaste uitgever Pieter Meijer, onder het volgende titelblad:
Germanicus. // In zestien boeken, // door // Lucretia Wilhelmina van Winter, // geboren Van Merken. // vignet // Te Amsterdam, // By Pieter Meijer, op den Dam. // MDCCLXXIX. // Met Privilegie van de Ed. Gr. Mog. Heeren Staaten van Holland en // Westfriesland.Het boek is op precies dezelfde wijze uitgegeven als de David; alleen ontbreekt ditmaal een lijst met ‘Misstellingen en Verbeteringen’, al zijn er vrij wat drukfouten. Reinier Vinkeles ontwierp een fraai frontispice3 en zorgde tevens voor een nieuw titelvignet: een ‘verklassiekte’ variant op Van der Schley's uitbeelding van Lucretia's zinspreuk ‘La vertu pour guide’.4 Platen zijn er ditmaal niet.
In 1781 vervaardigde echter de Amsterdamse schilder Johannes (Jean) Grandjean (1755-1781) te Rome (waar hij kort daarop overleed) een zestiental grisailles naar scènes uit het epos, bij elk boek één. Na zijn dood werden zij in de loop der jaren door verschillende handen gegraveerd, totdat in 1788 de volledige serie gravures het licht zag.5 In sommige exemplaren van de Germanicus zijn deze platen achteraf ingevoegd.6
In 1787 verscheen bij Pieter Johannes Uylenbroek te Amsterdam een Franse vertaling van de Germanicus.7 In géén van de openbare Nederlandse bibliotheken bevindt zich daarvan echter een exemplaar.
Evenals in de David bevat het voorwerk, bij ontstentenis van drempeldichten, slechts één enkel stuk. Ditmaal is dat echter geen zakelijk Voorbericht in proza, maar een bewogen Opdracht in 68 gekruist rijmende alexandrijnen: ‘Toewying aan mynen echtgenoot, Nicolaas Simon van Winter’.
Deze Opdracht verdient zowel uit informatief als uit poëtisch oogpunt bijzondere aandacht en waardering. Wat de feiten betreft, wordt ons hier duidelijk hoezeer de Germanicus beschouwd moet worden als de vrucht van een innige samenwerking tussen de beide echtgenoten. Lucretia Wilhelmina moge dan de eigenlijke dichteres zijn geweest, nooit - zo getuigt zij - had zij haar moeilijke onderwerp aangedurfd en aangekund zonder de steun van haar man ‘die, om myn kunst te sterken, // My zo veel stofs vergaêrde in Rome en aan den Rhyn’. Hij was het, die zowel uit de Romeinse als uit de Germaanse ‘Aêloudheid’ alles wist bijeen te garen wat zij nodig had ten aanzien van ‘der volken oude zeden’, ‘de ligging van hun stroom- of landgebied’, ‘hun krygsgebruik of outerplegtigheden’ - en nog zoveel meer, dat hij wist te achterhalen ‘Langs wegen waar welligt nooit zangster was geweest’. Maar ook bij haar natuur- en landschapsbeschrijvingen8 - zij herinnert hier aan de tocht van Germanicus over de Alpen bij zijn terugkeer naar Italië, en aan de orkaan die bij de Eems-monding zijn vloot vernielde - had haar man haar gesteund en geleid. En uit de volgende vier regels meen ik te mogen afleiden, dat deze zelfs aan de compositie en de intrige van het epos zijn ideeën heeft bijgedragen:
Uit dankbaarheid voor dit alles wijdt Lucretia Wilhelmina niet alleen haar werk aan haar man toe, maar wil zij dat ook beschouwd zien als een monument van hun huwelijksliefde:
Deze acht regels kunnen tevens gelden als bewijs voor de dichterlijke expressiviteit van de Toewying. Lucretia Wilhelmina wist in de - naar ons moderne gevoel wat al te conventioneel-rhetorische en pathetische - dichtertaal van haar tijd op overtuigende wijze uitdrukking te geven aan de gevoelens, die haar vervulden.
Het epos handelt over de verschillende expedities, die Germanicus van 15 tot 17 n.Chr. tegen de Germanen ondernam om het gebied tussen Rijn en Elbe weer onder Romeins gezag te brengen. Dat was namelijk verloren gegaan, toen de Cheruskische hoofdman Arminius in 9 n.Chr. drie legioenen onder de stadhouder Varus in het Teutoburger woud overvallen en vernietigd had, waarbij hem zelfs twee van de legioen-adelaars in handen waren gevallen. Germanicus slaagde erin, Arminius verschillende malen te verslaan, aan het verstrooide gebeente van de gevallenen in het Teutoburger woud de laatste eer te bewijzen, en opnieuw tot de Elbe door te dringen. Voordat het herwonnen gebied echter werkelijk gepacificeerd was, werd hij door keizer Tiberius - die jaloers was op zijn succes en populariteit - naar Rome teruggeroepen, zogenaamd voor een triomftocht ter ere van zijn overwinningen. Mede daardoor hadden deze dan ook geen blijvend resultaat. Zodra de Romeinse troepen zich teruggetrokken hadden, kwamen de Germaanse stammen opnieuw in beroering, en van werkelijk gezag over het gebied tussen Rijn en Elbe was geen sprake. - Overeenkomstig de traditie van het heldendicht laat Lucretia Wilhelmina dit laatste aspect echter buiten beschouwing. Zij beperkt zich tot de overwinningen van Germanicus, met de triomftocht in Rome als bekroning van diens glorie.
Haar voornaamste bron waren de eerste twee boeken van de Annales, waarin Tacitus uitvoerig over de krijgsverrichtingen van Germanicus in Germanië vertelt. Daarnaast heeft zij veelvuldig gebruik gemaakt van diens Germania voor bijzonderheden over de woonplaats, de aard en de gebruiken van de verschillende Germaanse stammen. Anders dan voor Frans van Steenwijk kon het eerste deel van Wagenaar's Vaderlandsche Historie voor haar de oorspronkelijke bron niet vervangen of aanvullen. Het verblijf en de activiteit van Germanicus aan de beneden-Rijn worden daarin wel vermeld, maar zó beknopt dat er als uitgangspunt voor een epos niets mee te beginnen viel. Wagenaar beschouwde de expedities van Germanicus niet als vader-
landse geschiedenis en volstaat daarom voor de gebeurtenissen uit de jaren 15 tot 17 met enkele terloopse opmerkingen betreffende details.
Ook aan Strabo heeft Lucretia Wilhelmina een en ander te danken. In het zevende boek (capita 291 en 292) van zijn Geographica vermeldt deze, in verband met de veldtochten van Germanicus, allerlei namen van vooraanstaande Germanen, die bij Tacitus anoniem zijn gebleven. Daartoe behoort ook die van Arminius' vrouw Thusnelda, die in Romeinse gevangenschap raakte en in de triomf van Germanicus moest meelopen.
De meer secundaire bronnen, waarvan de dichteres gebruik heeft gemaakt en die zij - blijkens de Toewying - grotendeels aan de studiezin van haar man te danken had, zijn uiteraard veel moeilijker te achterhalen. Het zou een uitgebreide studie vergen, na te gaan waar alle historische en geographische bijzonderheden op berusten, waarvan zij gewag maakt - vooral ook omdat haar epos een verbeeldingswerk is en Dichtung und Wahrheit dus telkens ongemerkt in elkaar overgaan.12 In het kader van deze studie had het geen zin een dergelijk onderzoek op te zetten, zodat ik mij beperk tot de vermelding van twee bronnen die zich zonder nasporing lieten ontdekken.
In boek IV beschrijft de dichteres het stroom-verloop van Rijn en Waal na hun splitsing (blz. 117-118). Deze beschrijving berust op het desbetreffende deel van de tabula Peutingeriana, want zij noemt namen die alleen vandaar bekend zijn. Deze kaart was voor het eerst uitgegeven in 1753.
In Lucretia's bundel Het nut der tegenspoeden, brieven, en andere gedichten (1762) komt een ‘heldenbrief’ voor van Leife aan zynen vader Erik, eersten bevolker van Groenland (blz. 77-102), die berust op een Oudgermaans gegeven. Jan de Vries heeft een onderzoek naar de herkomst daarvan ingesteld, waaruit blijkt dat de schrijfster bekend moet zijn geweest met de Introduction à l'histoire du Danemark (1755) en de Monuments de la mythologie et de la poésie des Celtes, et particulièrement des anciens Scandinaves (1756) van de Zwitserse geleerde Paul Henri Mallet, die ‘een zeer volledig beeld der Germaansche oudheid (geeft) en een groot aantal Oudnoorsche mythen, gedichten en overleveringen bekend (maakt)’.13 Het is ongetwijfeld mede daaraan, dat de dichteres de kennis van de Germaanse goden heeft ontleend, waarvan zij in haar epos blijk geeft. Ook Mallet is echter dupe geweest van de verwarring tussen Germaanse en Keltische oudheid, waarmee wij in Van Steenwijk's Klaudius Civilis reeds in aanraking zijn gekomen.14 Vandaar dat Lucretia Wilhelmina de Keltische god Theutates als oppergod van de Germanen noemt, en dat wij bij haar dezelfde driedeling van de Germaanse priesterschap in druïden, barden en eubagen terugvinden als bij Van Steenwijk.15
De brief van Leife aan Erik verscheen zes jaar vóór het huwelijk van Lucretia Wilhelmina met Van Winter. Ik zie daarin een aanwijzing, dat de laatste ook toen reeds zijn meerdere eruditie tot haar beschikking stelde. De innige samenwerking bij het ontstaan van de Germanicus moet de bekroning geweest zijn van een wederzijdse belangstelling in elkaars werk, die reeds in de jaren van vriendschap vóór hun huwelijk was ontstaan.
De Germanicus telt, evenals de Klaudius Civilis van Frans van Steenwijk, het ongewone aantal van zestien boeken. Ik geloof, dat dit geen toeval is. Naar mijn mening heeft Lucretia Wilhelmina met deze uiterlijke gelijkvormigheid duidelijk willen maken, dat haar epos inderdaad bedoeld was als tegenhanger bij dat van haar voorganger. De nauwe overeenkomst in behandelde stof - de strijd tussen Germanen en Romeinen aan de beneden-Rijn in de eerste eeuw na Christus - deed een zekere samenhang wel vermoeden, maar bood op zichzelf geen zekerheid dat deze niet accidenteel was. Nu daar het gelijke aantal van zestien boeken bijkwam, werd die mogelijkheid echter praktisch uitgesloten; zóveel parallellie kon alleen maar opzettelijk zijn.
De Germanicus is dus bedoeld als pendant van de Klaudius Civilis. Maar dan in de contrasterende zin van: tegenstuk, voorstelling van het omgekeerde. Bij Van Steenwijk was een Germaan de held en werden de Romeinen voorgesteld als meedogenloze onderdrukkers; Lucretia Wilhelmina daarentegen verheerlijkte een Romein en tekende de Germanen als muitzieke woestelingen.
De tegenstelling is niet absoluut. Het gaat in de beide epen om een andere oorlog en om andere personen. Bovendien wisten de lezers, dat ook Lucretia Wilhelmina in Claudius Civilis wel degelijk een held zag; dat had zij al in 1762 duidelijk doen blijken door de publikatie van haar [Brief van] Claudius Civilis aan Julius Briganticus.16
Maar Van Steenwijk had in zijn werk een volkomen negatief beeld getekend van de verhouding tussen Batavieren en Romeinen. Volgens het verhaal over de voorgeschiedenis van de opstand, dat hij Civilis in de eerste Zang aan Brinio en Volkaart laat doen,17 werd het vrije bondgenootschap, dat de Batavieren met Julius Caesar hadden gesloten, al door Augustus geschonden. Deze legde garnizoenen op hun eiland, en misbruikte dat als basis voor krijgstochten naar het Noorden om de Germaanse stammen tot aan de Elbe te onderwerpen. En toen die stammen er eindelijk in geslaagd waren zich weer vrij te vechten, werd dit misbruik onder Tiberius nog eens herhaald:
Evenmin als in de voorafgaande regels Arminius en het Teutoburger woud met name werden genoemd, evenmin is dat in de geciteerde verzen het geval met Germanicus. Maar voor wie de oude geschiedenis van deze streken ook maar enigszins kende, kon er geen twijfel aan bestaan op welke feiten in deze passage werd gedoeld. Zoals Van Steenwijk de voorgeschiedenis van de opstand door Civilis liet vertellen, waren de
Romeinen altijd alléén maar vijanden en onderdrukkers van de Batavieren geweest, van Augustus tot Vitellius, en met inbegrip van Germanicus!
Het is deze voorstelling, waartegen Lucretia Wilhelmina zózeer in verzet kwam, dat zij er met een tegen-epos op reageerde. Zoals bij Van Steenwijk de verhouding tussen Romeinen en Batavieren werd getekend, zo was het naar haar diepe overtuiging nièt geweest! Die overtuiging had al ten grondslag gelegen aan haar Brief van Claudius Civilis aan Julius Briganticus. In die brief werd óók de voorgeschiedenis van de opstand verteld, maar vanuit een ander gezichtspunt! Natuurlijk waren in Civilis' tijd de Romeinen onderdrukkers van de Batavieren geworden; dat erkende zelfs Tacitus in zijn Historiae. De opstand was dus gerechtvaardigd en Civilis een held. Maar de onderdrukking was pas begonnen onder keizer Caligula! Voordien had er een wederzijdse verbondenheid en vriendschap bestaan, die voor beide partijen voordeel bracht. ‘Elk weet hoe dat Gebied [= het Roomsch Bewint] de Batavieren eerde’, laat de dichteres haar held aan zijn neef schrijven. En de grootste zowel als de edelste van alle Romeinen uit die vriendschap-tijd was Germanicus geweest! Als Civilis in de brief zijn neef herinnert aan de schandelijke terechtstelling van zijn broer Julius door de Romeinen, dan vindt hij voor die broer geen groter lof dan een vergelijking met Germanicus:
Claudius Civilis was een held geweest, en Frans van Steenwijk had er goed aan gedaan hem als zodanig te eren. Maar daarbij had hij schromelijk te kort gedaan aan wat het bondgenootschap met de Romeinen oorspronkelijk voor de Batavieren geweest was, en nog veel méér aan Germanicus: die nièt hun onderdrukker maar hun vriend was geweest, en zeker nièt minder een held dan Civilis! Dat is de boodschap, die Lucretia Wilhelmina met haar epos naast en tegenover de Klaudius Civilis stelt.
Bij dit verschil in interpretatie van de historie vertegenwoordigde de dichteres de traditionele opvatting onder haar tijdgenoten. In zijn monumentale studie over de vaderlandse geschied-uitbeelding tussen 1500 en 1800 wijst Van de Waal er in dit verband op, dat Claudius Civilis hier te lande weliswaar evenzeer een patriottisch symbool was als Varus' overwinnaar Arminius in Duitsland, maar op een geheel andere wijze. Terwijl de laatste ‘als Romeinendooder werd voorgesteld’ en vereerd om zijn strijd voor algehele onafhankelijkheid, werd het Civilis als roem aangerekend dat hij het bondgenootschap met de Romeinen niet verbroken maar hersteld had: op de oude voet van gelijkheid, zonder verdere onderdrukking. Wat de Batavieren van de overige Germanen onderscheidde en boven hen stelde, was immers hun vriendschappelijke samenwerking met de Romeinen, hun aandeel in de Romeinse cultuur. ‘Hier de machtigste en voorbeeldigste beschaving, die de wereld ooit had gekend, daar een klein, onbeschaafd maar onbedorven volk, welks moed den bondgenoot onder meer Brittanie veroverde en welks trouw diens keizers mocht beschermen’. De opstand van Civilis had deze gelukkige situatie, toen zij door de hebzucht van Romeinse bestuurders in onderdrukking was ontaard, opnieuw tot werkelijkheid gemaakt. Niet meer en niet minder.19
Tegen deze achtergrond gezien, is het duidelijk dat Frans van Steenwijk in de Klaudius Civilis zijn held eigenlijk meer naar Duitse dan naar traditioneel-Nederlandse opvatting had uitgebeeld. Ik geloof overigens niet, dat wij daarbij aan Duitse beïnvloeding moeten denken. Het lijkt mij waarschijnlijker, dat de ‘eenzijdigheid’ van zijn werk moet worden verklaard uit de epopiserende opzet, waardoor een polariserende voorstelling van de verhouding tussen Batavieren en Romeinen in de hand werd gewerkt. En ik heb de indruk, dat Van Steenwijk er zich van bewust is geweest zodoende af te wijken van de gangbare opvatting. Daaraan zou ik de voorzichtigheid willen toeschrijven, die er hem toe bracht in Civilis' verhaal over de voorgeschiedenis van de opstand de namen van Varus, Arminius en Germanicus achterwege te laten, het Teutoburger woud niet te noemen, en vaag te blijven over Civilis' uiteindelijke bedoeling: algehele onafhankelijkheid dan wel herstel van het oorspronkelijke vrije bondgenootschap. De reactie van Lucretia Wilhelmina bewijst, dat er inderdaad aanleiding was voor een dergelijke terughoudendheid.
In dit verband dient ook het verwijt te worden vermeld, dat de Amsterdamse hoogleraar (toen nog lector in Leiden) N.G. van Kampen ruim veertig jaar later de dichteres van Germanicus deed. Hij nam het haar bijzonder kwalijk, dat zij ‘de strooptogten van Germanicus met zijne Romeinen in het land der vrije Duitschers, onze Voorvaders,20 te land en ter zee’ had verheerlijkt.21
Van Kampen heeft geen idee meer van de hierboven geschetste opvatting omtrent de verhouding tussen Batavieren en Romeinen, zoals die gedurende de 17de en 18de eeuw in de Republiek had gedomineerd. Hij oordeelt vanuit een Duits-romantisch standpunt en komt daardoor tot grove onbillijkheid.
Op gevaar af enigermate in herhaling te vervallen, meen ik er goed aan te doen tegenover Van Kampen's beschuldiging het standpunt van de dichteres nog eens duidelijk uiteen te zetten. De onvaderlandslievendheid van de Germanicus is namelijk een hardnekkig misverstand gebleken, dat er mede toe heeft bijgedragen dit epos volkomen ten onrechte in discrediet te brengen.
Er is natuurlijk geen sprake van, dat Lucretia Wilhelmina de Duitsers - Van Kampen bedoelt: de Germanen - in hun algemeenheid zou hebben beschouwd als ‘onze Voorvaders’. Dat waren voor haar enkel de Batavieren, en met hen had Germanicus geen oorlog gevoerd. Bij diens krijgstochten waren zij integendeel zijn trouwe bondgenoten geweest, en hun vorst Chariovalda had bij de overtocht over de Wezer in zijn dienst zelfs de dood gevonden.22 In het epos wordt Germanicus dan ook nadrukkelijk getekend als ‘de vriend der Batavieren’, zoals de schrijfster hem in haar Toewying noemt.
En wat de ‘vrije Duitschers’ betreft: anders dan Van Kampen zag Lucretia Wilhelmina de strijd van Arminius tegen de Romeinen niet als het heroisch verzet van vrijheidlievende Germanen tegen de onderdrukking door vreemde overheersers. Hoe zij - vanuit de Nederlandse traditie - de situatie interpreteerde, blijkt duidelijk genoeg uit haar epos om elk misverstand uit te sluiten. Haar visie is als volgt:
Germanicus' vader Drusus (38-9 v.Chr.) had de Noordgrens van het Romeinse rijk van de Rijn naar de Elbe verschoven. Dat betekende voor de Germanen in dit gebied geen onderdrukking, maar een zegenrijke pacificatie. Er kwam een einde aan
de voortdurende stammen-oorlogen, die elk begin van ontwikkeling en beschaving in de weg stonden. Veiligheid en rechtszekerheid deden de welvaart toenemen; de verworvenheden van de Romeinse cultuur kwamen de nieuwe rijksgenoten ten goede. Vele Germaanse vorsten en stammen zagen dat in en steunden het bondgenootschap met de Romeinen. Maar er waren anderen, die daarvoor te kortzichtig waren en uit misplaatste vrijheidszin de voorkeur gaven aan de oude chaos boven de nieuwe orde. De leiding daarbij hadden de Cherusken onder hun ontembare aanvoerder Arminius die - gesteund door de Germaanse priesters en ‘boschnonnen’ - telkens weer nieuw leven aan het verzet tegen de Romeinen wist in te blazen. - In het epos worden deze twee standpunten scherp tegenover elkaar gesteld in de personen van Arminius en zijn broer Flavius23 die de kant van de Romeinen gekozen had, en met name in het - historische (vgl. Annales II, 9)! - gesprek dat deze beiden over de Wezer heen met elkaar voeren. De dichteres laat daarin Arminius zijn broer oproepen tot deelname aan de strijd om de vrijheid; maar deze antwoordt: ‘Waar is de vryheid des Germaans toch in gelegen? // Elk hunner meet die af naar 't punt van zynen degen’. Die vrijheid is niet meer dan bandeloosheid ‘In drank of dobbelspel, of onbesuisden stryd’ (blz. 268). Daarom kiest hij voor ‘de waare vryheid’ van de Romeinen: die van recht, discipline en vrede. - Diezelfde overtuiging ligt ook ten grondslag aan het lied, dat Lucretia Wilhelmina haar held na zijn - schijnbaar - definitieve overwinning op Arminius door de Germaanse vrouwen laat toezingen:
- In de ogen van de dichteres herstelde Germanicus de pax romana in onbeschaafd gebied ‘Tot wezenlyk geluk van de overwonnelingen’, zoals zij het in haar Toewying uitdrukt. En het was de roem der Batavieren, dat zij hem daarbij behulpzaam waren.
De Germanicus is zó rijk aan uitweidingen en neven-episoden, dat er in een inhouds-overzicht geen sprake kan zijn van volledigheid. Ik moet mij beperken tot het aangeven van de grote lijnen. Voor zover het gaat om belangrijke eigen vindingen van de dichteres, heb ik dat doen uitkomen door cursivering.
Boek I (742 regels; blz. 1-34): Met heel veel moeite slaagt Germanicus erin, een einde te maken aan een gevaarlijke muiterij van de legioenen aan de Rijn. Om hun schuld te kunnen boeten, vragen de soldaten om oorlog tegen de Germanen.
Boek II (620 regels; blz. 35-63): Vanuit Castra Vetera rukt Germanicus het gebied van de Marsen aan de Lippe binnen. Zij worden volkomen overrompeld tijdens een bruiloftsfeest. - In Maguntia (Mainz) hoort de veldheer van zijn vriend Titus, hoe de eerste jaren van Tiberius' regering verlopen zijn.
Boek III (668 regels, blz. 64-94): Uit Maguntia doen de Romeinen een inval in het land van de Chatten, wier hoofdstad Mattium wordt veroverd en verwoest. -
Flavius, de broer van Arminius, vertelt Germanicus over de aanval op de legioenen van Varus in het Teutoburger woud, en over de familievete die daarmee samenhangt: de vijandschap tussen Arminius en zijn schoonvader Segestes om de ontvoering van diens dochter Thusnelda. - De zoon van deze Segestes komt de hulp van Germanicus inroepen voor zijn vader; deze heeft zijn dochter terug-geroofd, maar wordt nu door Arminius belegerd en verkeert in uiterste nood.
Boek IV (634 regels; blz. 95-123): Germanicus ontzet Segestes, waarbij Thusnelda hem in handen valt. Arminius roept overal de Germanen op tot verzet en wraak. Om hem in de rug aan te vallen trekt Germanicus met een vloot langs de Rijn en over het Flevo-meer naar de monding van de Eems, waar hij zich verenigt met de troepen die overland daarheen waren gezonden.
Boek V (494 regels; blz. 124-146): In een gevecht met de Bructeren wordt één van de twee verloren gegane adelaars van Varus heroverd. Germanicus trekt naar de plaats van diens nederlaag in het Teutoburger woud. Aan het verstrooid liggende gebeente van de gevallenen wordt door zuivering en begraving de laatste eer bewezen. Dan rukt het verbitterde leger tegen Arminius op.
Boek VI (432 regels; blz. 147-168): Het komt tot een uiterst gevaarlijke slag, die feitelijk onbeslist blijft al kunnen de Romeinen het veld behouden. - Germanicus keert naar de Eems-monding terug.24 Evenals voor de heenreis wordt het leger in tweeën gesplitst. De ene helft wordt - onder de legaat Caecina - overland naar de Rijn gezonden, terwijl Germanicus zelf de andere helft met de vloot zal terugvoeren. Alvorens zich in te schepen sluit hij nog een vredesverdrag met ‘de Chauchen, die aan 's Wezers boorden woonen’ (blz. 161).
Boek VII (690 regels; blz. 169-200): Om zijn schepen voor de ondiepten bij de Eems te verlichten, stuurt Germanicus twee legioenen overland naar de monding van de Hunze, waar hij ze zal oppikken. Een stormvloed, die de lage kust overstroomt, doet deze troepen zware verliezen lijden. De vloot zelf doorstaat, dank zij de zeemanschap van de Bataafse bemanningen, vrij goed deze storm. - Nabij Arenacum25 is Germanicus enige tijd de gast van de vorst der Batavieren. - Inmiddels heeft zich in Oppidum Ubiorum (Keulen) het gerucht verbreid dat het leger van Caecina door Arminius vernietigd is. In paniek wil men de brug over de Rijn vernielen om te voorkomen dat de Germanen daarvan gebruik zullen maken. Agrippina verhindert dat door persoonlijk een bruggehoofd aan de Oostelijke oever te bezetten. Dat redt
het zwaar geteisterde, maar niet vernietigde leger van Caecina die zich nu over de rivier in veiligheid kan stellen. - Nieuw alarm: ‘Germanicus vergaan! de gantsche vloot verloren!’ (blz. 200).
Boek VIII (520 regels; blz. 201-224): Ook dit blijkt een loos gerucht; Germanicus, die zijn vloot bij het eiland der Batavieren heeft achtergelaten, keert veilig terug. Caecina doet hem verslag van zijn hachelijke tocht overland van de Eems naar de Rijn. - De Chaucen vragen om hulp; Arminius valt hen aan vanwege het verdrag, dat zij met Germanicus gesloten hebben.
Boek IX (610 regels; blz. 225-252): Germanicus besluit hen te hulp te komen en de Germanen van Arminius overzee aan te vallen. Overal worden er schepen gebouwd voor een grote vloot. Onderwijl worden twee invallen gedaan in het gebied van de Chatten om daar de rust te herstellen. Liefdes-idylle tussen Flavius en Nantilde, een van de daarbij gevangen genomen Germaanse vrouwen.
Boek X (700 regels; blz. 253-284): De vloot vaart uit. Germanicus bereikt veilig de Eems-mond, en voert zijn leger vandaar naar de Wezer. Aan de overkant staan de Germanen. Gesprek over het water heen tussen de broeders Arminius en Flavius. Poging van de Germanen de door de Romeinen gebouwde brug te vernielen door brandende vlotten. Bij het forceren van de overtocht door Germanicus sneuvelt de vorst van de Batavieren, Cariovalda.
Boek XI (522 regels; blz. 285-308): In een grote slag op het Istidavisch veld worden de Germanen vernietigend verslagen. Vlucht van de gewonde Arminius. Maar hij geeft het niet op en verzamelt een nieuwe strijdmacht.
Boek XII (654 regels; blz. 309-338): Het komt tot een nieuwe slag, waarin de Germanen opnieuw verslagen worden, al weet Arminius een ogenblik de Romeinse legerplaats binnen te dringen. De stammen ten Westen van de Elbe onderwerpen zich of vluchten over de rivier. - Germanicus' beschermgeest verschijnt aan de held, draagt hem op niet verder te trekken, en voorspelt hem (een deel van) de toekomst. Terugkeer naar de Wezer. De helft van het leger wordt overland naar de Rijn gezonden, de andere helft onder Germanicus trekt naar de Eems en gaat aan boord van de vloot.
Boek XIII (682 regels; blz. 339-370): Op de terugweg wordt de vloot overvallen door een orkaan, die een verschrikkelijke tol eist aan schepen en levens. Germanicus blijft gespaard en doet, aan land gekomen, wat mogelijk is om te redden wat er nog te redden valt. - ‘Op 't hooren van den ramp aan Romes vloot weêrvaaren’ (blz. 362) vatten de aanhangers van Arminius moed en beramen een nieuwe aanval. Omdat deze zelf gewond is, wordt hij als aanvoerder vervangen door Arpus, de vorst van de Chatten. - Germanicus keert terug naar Castra Vetera.
Boek XIV (684 regels; blz. 371-402): De Germaanse opperpriester Libys weet Maguntia binnen te komen. Met de daar gevangen Germaanse vorsten bereidt hij een samenzwering voor, om zich van binnen-uit meester te maken van de stad; Arpus zal met zijn leger in de buurt zijn om hulp te bieden. - Germanicus wordt gewaarschuwd voor aanvals-plannen van Arpus, versterkt Castra Vetera en trekt naar het bedreigde Maguntia. - Daar is de samenzwering echter al ontdekt en opgerold, vooral dank zij Nantilde, de geliefde van Flavius.
Boek XV (604 regels; blz. 403-430): Vanuit ‘'t Ubisch oord’26 (blz. 403) - waar hij vanwege de gelukkige afloop in Maguntia zijn reis daarheen had kunnen onderbreken - trekt Germanicus op expeditie in het land van de Marsen. Vrienden onder de Germanen hebben hem meegedeeld, dat de laatste van Varus' verloren adelaars daar verborgen is; deze wordt inderdaad terug-gevonden. - Huwelijk van Flavius en Nantilde. - De troepen van Arpus worden verslagen, hijzelf sneuvelt. Voor het ogenblik is de weerstand van de Germanen volledig gebroken. - Tiberius roept Germanicus naar Rome terug voor een triomf. Voorbereidingen voor het vertrek.
Boek XVI (958 regels; blz. 431-474): Germanicus verlaat de Germaanse gewesten. Beschrijving van zijn route, met de overtocht over de Alpen als hoogtepunt. Aankomst in Rome en uitvoerige uitbeelding van de triomftocht.
In het algemeen is de overeenkomst in compositie en bewerkings-wijze tussen de Germanicus en de David groot. Ook in haar profane epos houdt de dichteres zich met grote nauwkeurigheid aan de overgeleverde feiten, maar veroorlooft zij zich allerlei samenhangen en motiveringen die haar bronnen niet vermelden, om de consistentie van haar verhaal te versterken en de adeldom van haar held beter te doen uitkomen. Doordat zij nu niet geremd wordt door de noodzaak van Bijbelgetrouwheid, gaat zij ditmaal echter gemakkelijker en vaker tot dergelijke toevoegingen over, ook wanneer deze meer de couleur locale dan het eigenlijke verhaal ten goede komen.
Een punt van overeenkomst tussen haar beide epen is ook het ontbreken van merveilleux. Eigenlijk zouden wij dit niet hebben verwacht. Uit het Voorbericht van de David blijkt, dat Lucretia Wilhelmina verzinsels omtrent het Bovennatuurlijke ontoelaatbaar achtte in een gewijde historie.27 De implicatie is, dat zij er geen bezwaar tegen had bij de behandeling van profane stof. Toch laat zij ook in de Germanicus de tekening van een merveilleuse achtergrond volkomen achterwege. Naar ik vermoed, dienen wij de reden daarvoor te zoeken in het verschil tussen theorie en praktijk. Want al had de dichteres geen principiële bezwaren tegen merveilleux in haar tweede epos, van welke aard had dit dan moeten zijn? Chrétien? Maar hoe kon dit op overtuigende wijze worden gerealiseerd bij gebeurtenissen, die zowel buiten de Christelijke als de Joodse historie en denkwereld vielen? Païen? Maar hoe kon een Christelijk auteur de heidense mythologie serieus nemen zonder tekort te doen aan zijn geloof? Allégorique? Maar welke achtergrond moest dan de symboliek hebben? Hoe dit zij, in ieder geval heeft Lucretia Wilhelmina haar probleem in de Germanicus op dezelfde wijze opgelost als in de David. Zoals zij daar toch ièts uit de sfeer van het Wonderbaarlijke had trachten te behouden door althans de traditioneel-epische toekomst-voorspelling te handhaven,28 zo deed zij dat nu weer. Zoals Abraham aan David verscheen, verschijnt de Beschermgeest van Germanicus aan de held om hem aanwijzingen te geven en hem gerust te stellen omtrent zijn verder lot. Alleen wordt ditmaal in het midden gelaten, of de verschijning een droom is dan wel een realiteit.
Bij al deze overeenkomst is het des te opvallender, dat de Germanicus van de David verschilt door het ontbreken van een begin mediis in rebus. Het epos ontwikkelt zich
in de chronologische volgorde van een kroniek, vanaf het ogenblik dat Germanicus zich bij de legioenen aan de Rijn voegt tot dat van zijn triomf in Rome. Overigens lijkt het mij niet uitgesloten, dat de dichteres zelf dit anders zag. In boek II laat zij namelijk het verhaal doen van wat er in Rome gebeurd is bij en na de dood van Augustus, en in boek III dat van de omstandigheden die tot de Romeinse nederlaag in het Teutoburger woud hebben geleid. Dat is dus tweemaal het verslag-achteraf van een stuk voorgeschiedenis.29 Als men bedenkt, dat daarin telkens een aspect naar voren komt waardoor het verloop van het epos in sterke mate wordt bepaald - enerzijds de jaloezie en onbetrouwbaarheid van Tiberius, anderzijds de noodzaak om de smaad van Varus' nederlaag uit te wissen -, kan men zich voorstellen dat de schrijfster daarin het eigenlijke begin van haar fabula heeft gezien en dus meende met de komst van Germanicus aan de Rijn haar verhaal niet ab ovo in te zetten. Als dit juist is, vergiste zij zich echter. In een epos behoort het begin mediis in rebus betrekking te hebben op de hoofdhandeling, en dat is in de Germanicus niet het geval.
1. Evenals in de David is ook in de Germanicus de propositio duidelijk geïnspireerd op die van de Henriade. De dichteres is er hier zelfs in geslaagd Voltaire te evenaren in de bondigheid van haar karakteriserende formuleringen:
Anders dan in de David is er echter wèl een invocatio, zij het dat de schrijfster geen Goddelijke macht aanroept om bijstand bij haar werk, maar een allegorische personificatie: Aêloudheidkunde. Ook daarin valt de invloed van Voltaire te herkennen, die in de aanhef van zijn epos eveneens een personificatie om hulp had gesmeekt: Vérité. Wellicht voelde Lucretia Wilhelmina zich niet gerechtigd God te betrekken bij haar behandeling van een profane stof. - In hoeverre het toeval is, dat haar exordium in het aantal regels en de verdeling daarvan over propositio en invocatio (resp. 6 en 14) precies overeenkomt met dat van Voltaire, valt moeilijk uit te maken.
2. Als in boek III Flavius aan Germanicus over de slag in het Teutoburger woud vertelt, legt hij zozéér de nadruk op de ontvoering van Thusnelda door Arminius als achtergrond daarvan, dat de lezer onwillekeurig herinnerd wordt aan de ontvoering van Helena als oorzaak voor de ondergang van Troje. Ik meen - ook in verband met punt 4 - dat de dichteres deze suggestie bewust heeft nagestreefd. Als dat inderdaad zo is, verdient zij bewondering voor het even ongeforceerde als overtuigende resultaat.
3. In boek VII is Germanicus gast van de vorst der Batavieren. Deze toont hem het grafteken voor Bato, en vertelt hem uitvoerig het verhaal van diens lotgevallen (blz. 184-192), geheel overeenkomstig het verloop daarvan in de tragedie van Hooft!
4. Wanneer in boek X Germanicus afscheid neemt van Agrippina om zich naar de vloot te begeven, maakt Lucretia Wilhelmina daarvan een fraaie - en weer vol-
strekt ongeforceerde - navolging van het afscheid tussen Hector en Andromache in Ilias VI.
5. Vooral in de latere boeken last de dichteres, ter afwisseling van de hoofdhandeling, nogal eens neven-episoden van eigen vinding in, die zij overigens zoveel mogelijk koppelt aan historisch overgeleverde namen. Verreweg de belangrijkste van deze episoden is de liefdesgeschiedenis van Flavius en Nantilde, waarmee de - voor zover ik kon nagaan - eveneens verdichte geschiedenis van de Germaanse samenzwering in Maguntia onverbreeklijk verweven is. Om ook deze kant van Lucretia Wilhelmina's epos tot zijn recht te doen komen, laat ik hier een samenvatting van deze historie volgen.
Bij een inval in het gebied van de Chatten (boek IX) worden de Germanen onder hun vorst Arpus verslagen. De vorstelijke ‘burcht’, waarin de vorstin met haar dochter en andere vrouwen van aanzien verblijft, valt in handen van de Romeinen. Om aan gevangenschap te ontkomen, steekt de vorstin ‘met een gloênde toorts de ruime zaal in brand, // Waarin zy met haer' stoet een wykplaats had genomen, // In hoop van allen door de vlammen om te komen’ (blz. 244). Nog net op tijd weet echter Flavius de deur open te breken. Onder de geredde vrouwen bevindt zich Nantilde, half de pleegdochter en half de gevangene van Arpus. Deze had namelijk haar vader Catumarus - de wettige vorst - van de troon gestoten; om de legitimiteit te herstellen wil hij haar nu uithuwelijken aan zijn zoon. Flavius vat onmiddellijk liefde voor haar op, en zij is bereid die te beantwoorden als hij haar kan behoeden voor het lot van ‘krygsslaavin’. Hij wendt zich daartoe tot Germanicus, die inmiddels ontdekt heeft dat Nantilde's vader een trouwe bondgenoot van zijn vader Drusus is geweest. Hij belooft dan ook de gelieven in het huwelijk te zullen verbinden na zijn terugkeer van de vloot-expeditie tegen Arminius. - Na de ramp met de vloot beramen de Germanen een aanslag op Maguntia (boek XIV). De opperpriester Libys bereidt in de stad een samenzwering voor, waarbij de gevangen Germaanse edelen betrokken zijn. Zo raakt Nantilde, die in afwachting van Germanicus' terugkeer nog steeds hun gevangenschap deelt, op de hoogte van alle plannen. Dat brengt haar in hevige tweestrijd; zij wil haar landgenoten niet verraden, maar ook niet meedoen aan hun aanslag op de stad: ‘Helaas! hoe doe ik best myn volk den dood ontkomen? // Hoe veilige ik my zelf, Maguntia en Romen?’ (blz. 380). - In het berggebied buiten de stad bewoont een geheimzinnige wijsgeer een uitgestrekt landgoed. Zijn grote kennis van de natuur stelt hem in staat als weldoend geneesheer op te treden voor de gehele omgeving, ook voor de Romeinen in Maguntia, maar hij weigert steeds zijn huis te verlaten. Deze mysterieuse figuur verzoekt nu ineens aan de Romeinse commandant ‘Nantilde in zyn verblyf op 't hoog gebergt' te spreeken’ (blz. 387). Hoe verbaasd ook, voelt deze zich te veel aan de weldoener van de Melibocus (Harz) verplicht om te kunnen weigeren. Onder geleide van een vriend stuurt hij Nantilde - die meent dat Flavius bij de ramp van de vloot omgekomen is - naar diens landhuis. En dan lossen de geheimen zich op! De vreemdeling blijkt Nantilde's vader Catumarus, die zijn dochter wilde terugzien en tevens de Romeinen waarschuwen voor een door hem vermoede aanslag op Maguntia. Dat doet bij Nantilde elke aarzeling verdwijnen om alles te vertellen wat zij van de samenzwering weet: ‘Myn dierbre vader leeft, en is een vriend van Romen’ (blz. 393). Catumarus gaat mee naar de stad om het getuigenis van zijn dochter met zijn eigen inlichtingen kracht bij te zetten. Het complot wordt opgerold, en de commandant zendt de schuldigen ter berechting naar Germanicus. Ook Nantilde gaat mee, ‘En Catumarus, die den Veldheer wenscht te spreeken, // Om hem de vryheid voor zyn dochter af te smeeken’ (blz. 402). - In boek XV volgt dan het blij-einde. Germanicus verheft Catu-
marus in de Romeinse adelstand, schenkt Nantilde de vrijheid en bevordert haar huwelijk met Flavius, die tot de overlevenden van de ramp met de vloot behoort. Kort daarop wordt dat huwelijk in het bijzijn van Germanicus met grote praal in Maguntia gesloten.30
Het verdient opmerking, dat deze merkwaardige episodische inlas verschillende elementen bevat, die in de historische roman van de 19de eeuw geliefde motieven zullen worden, zoals: de redding uit een brandend huis, de verdwenen vader, de geheimzinnige weldoener, de samenzwering. Lucretia Wilhelmina praeludeert hier op de Romantiek. De dichtbrief van Leife aan Erik, die door Jan de Vries ‘een voorjaarsbloem der Romantiek’ werd genoemd,31 is niet de enige bloem van die aard in haar werk!
De vertel- en beschrijvingskunst van de dichteres zijn in de Germanicus zó voortreffelijk, dat er eigenlijk geen inzinkingen vallen te signaleren. Hoogstens kan men opmerken dat de eerste boeken wat matter van toon zijn dan de latere, alsof de schrijfster enige tijd nodig had om goed op gang te komen: eenzelfde verschijnsel als wij ook in de David hebben waargenomen.32 Maar ook in die eerste boeken wordt de aandacht van de lezer al geboeid door de levendigheid van het verhaal, de snelle overgangen, de plasticiteit van de beschrijvingen. Vooral dat laatste is een belangrijk punt. Lucretia Wilhelmina beschikt over voldoende documentatie ten aanzien van haar stof om vrijwel overal vage algemeenheden te kunnen vermijden. Of het nu gaat om het verloop van een gevecht, om offer-plechtigheden, wichelpraktijken, de sluiting van een huwelijk, de aspecten van een landschap - zij blijkt steeds weer in staat haar lezers daarvan een concreet en gedetailleerd beeld voor ogen te stellen. In hoeverre zij de historische gegevens wel eens aanvult, bijkleurt of verkeerd interpreteert, is een kwestie van bronnen-onderzoek die ik buiten beschouwing heb gelaten.33 Het is mij hier slechts te doen om het literaire effect, dat zij zodoende weet te bereiken: meeslepend en overtuigend.
Het gemiddelde niveau ligt zó hoog, dat het niet gemakkelijk is bepaalde gedeelten als de meest geslaagde aan te wijzen. Naar mijn persoonlijke voorkeur zou ik als zodanig de volgende vier episoden willen noemen:
| a. | Germanicus' tocht naar het Teutoburger woud, de sporen van Varus' nederlaag, de laatste eer die aan het gevonden gebeente bewezen wordt (boek V, blz. 132-145). |
| b. | de beschrijving van het Elbe-landschap, zoals Germanicus dat na zijn overwinning vanaf een bergtop overziet (boek XII, blz. 331-333). |
| c. | de orkaan op zee en de ondergang van Germanicus' vloot (boek XIII, blz. 341-359). |
| d. | de overtocht over de Alpen (boek XVI, blz. 437-443). |
Bij alle bewondering voor de positieve factoren in de Germanicus mogen toch de enkele zwakkere punten niet onvermeld blijven. Enerzijds berusten deze op een teveel, anderzijds op een tekort.
Het teveel hangt samen met de neiging van de dichteres haar oudheidkundige kennis zo volledig mogelijk in haar epos te verwerken. Dat brengt haar tot te gedetailleerde beschrijvingen van plechtigheden die voor het verhaal geen bijzonder belang hebben, waardoor de functionaliteit in het gedrang komt. Soms gaat zij nog verder en vermeldt een bijzonderheid alleen maar om de curiositeitswaarde, zoals de hoos op zee (boek IV, blz. 122), en het drijvende veen-eiland op het Flevo-meer (boek VII, blz. 178-181). Het meest uitgesproken geval is wel de manumissio (vrijlating) van Vitellius'34 slaaf (boek IX, blz. 231-233), voorbereid in boek VII (blz. 173) waar de slaaf het leven van zijn meester redt. Hoe interessant dergelijke wetenswaardigheden op zichzelf ook zijn en hoe vaardig zij worden verteld, uit compositorisch oogpunt kunnen zij niet anders dan woekeringen worden genoemd, die als zodanig afbreuk doen aan het geheel.
Het tekort is hetzelfde als in de David35: doordat het merveilleux ontbreekt, krijgt de centrale idee niet voldoende gestalte om duidelijk naar voren te komen. Ditmaal doet dit zelfs nog meer schade aan het epos-karakter van het werk, omdat ook een begin mediis in rebus ontbreekt en de samenhang tussen de opeenvolgende gebeurtenissen losser is dan in het Bijbeldicht. Compositorisch heeft de Germanicus niet zo heel veel meer van een Vergiliaans epos.
In het hoofdstuk over de David heb ik onder de sterke punten van dit epos ook de versificatie genoemd, en getracht - in aansluiting bij de karakteristiek daarvan door J. Wille - de aard van Lucretia Wilhelmina's verskunst aan te geven.36 Voor de Germanicus behoef ik daaraan niets anders toe te voegen dan dat in dit latere epos haar alexandrijnen zo mogelijk nog voller, beeldender en moeitelozer zijn dan in het eerste.
Ter adstructie geef ik een drietal korte voorbeelden van verrassende landschapsbeschrijvingen. Uiteraard drukt de schrijfster zich uit in de dichtertaal van haar tijd, waarmee ons moderne gevoel voor poëzie geen congenialiteit meer heeft. Ik kan mij echter niet voorstellen, dat de suggestieve visie in deze passages daardoor helemaal ontoegankelijk zou zijn geworden.
In het eerste citaat beschrijft de dichteres de verrassing van het plotseling uitzicht naar het Westen vanaf de rotsen bij Schaffhausen, als de zon door de ochtendnevels breekt:
Mijn tweede voorbeeld is ontleend aan boek IX. Van alle kanten verzamelen zich de schepen voor de oorlogsvloot van Germanicus ‘in de breede Rhynkil’:
Het gaat hier om de laatste drie regels!
Tenslotte nog een paar verzen uit de beschrijving van het hooggebergte. Germanicus ziet beneden zich de wolken, om zich heen ‘een woeste waereld’ van rotsen:
Ik zou echter aan het beeldend vermogen van de dichteres tekort doen, als ik dat slechts zou illustreren met deze enkele korte citaten. De suggestiviteit van haar evocaties ligt immers voor een belangrijk deel in de stuwende voortgang van haar breed vloeiende alexandrijnen, die alleen in een wat langere passage tot haar recht kan komen. Daarom laat ik hier nog zulk een passage volgen. Zij is ontleend aan het vijfde Boek, en betreft het eerbetoon van Germanicus en de zijnen aan de gevallenen uit de slag in het Teutoburger woud, als zij doorgedrongen zijn tot het toneel van de strijd. Nog steeds getuigt daar het onbegraven gebeente van de wanhopige weerstand, de dood, en soms de martelingen.37 De eerste reactie is er een van heftige emotie. Maar dan gaan de legioensoldaten piëteitvol aan het werk:
De Germanicus van Lucretia Wilhelmina van Merken behoort tot het allerbeste, dat het 18de-eeuwse klassicisme ten onzent heeft voortgebracht. Haar David wordt er nog door overtroffen, niet alleen als verbeeldingswerk en evocatie van het verleden, maar ook als poëzie. Het is dan ook onbegrijpelijk dat dit epos in onze literatuur-historie geleidelijk steeds meer naar de achtergrond gedrongen is en in de meest recente handboeken zelfs niet meer wordt genoemd.44 De hatelijke opmerking van Te Winkel - bij wie ook nog iets doorklinkt van Van Kampen's verwijt over de keuze van haar held - dat het epos ‘niets anders (is) dan de weerklank van Tacitus' poëzie in proza’45 is eenvoudig niet wáár! De hoofdhandeling is wel aan Tacitus ontleend, maar zij is zo veelvuldig doorweven met uitweidingen en neven-episoden, dat het geheel soms bijna meer doet denken aan een Tassoniaans dan aan een klas-
sicistisch epos. Men denke slechts aan de liefdesgeschiedenis van Flavius en Nantilde, de reminiscensen aan Homerus, de inlas van Baeto, de archaeologische uitweidingen, de landschaps-beschrijvingen.
Evenmin is het wáár, dat de Germanicus ‘proza’ zou zijn. Te Winkel zal daarmee wel bedoeld hebben, dat de schrijfster het niet verder heeft weten te brengen dan een dorre kroniek. Daarvan is echter geen sprake! Om ons dit te realiseren, behoeven wij slechts haar werk naast de Klaudius Civilis te stellen. Frans van Steenwijk heeft inderdaad het afglijden van zijn epos naar het kroniekmatige niet weten te voorkomen; bij hem kregen zelfs de eigen vindingen een zakelijk refererend karakter.46 Bij Lucretia Wilhelmina is evenwel juist het omgekeerde het geval: de levendigheid van haar verbeeldingen bezielt ook haar verslag van de historische gebeurtenissen. Haar dichterschap is zóveel spontaner, rijker, soepeler, meeslepender dan dat van haar tijdgenoot, dat zij ten volle slaagt waar hij faalt. Haar epos lééft en boeit, terwijl het zijne niet goed van de grond komt en slechts verstandelijk te waarderen valt.
De Nederlandse literatuur-historie heeft aan de Germanicus véél goed te maken. Het epos dient als meesterwerk in ere te worden hersteld!