Er is reeds zo veel, en vaak zo goed, over Vondel geschreven, dat de vraag gerechtvaardigd lijkt of het zin heeft nogmaals een studie aan hem en zijn drama's te wijden. De verschijning van dit boek bewijst dat deze vraag naar mijn mening in bevestigende zin beantwoord moet worden. Ik behoef mij daartoe zelfs niet te beroepen op het feit, dat de beoefening der historie - ook der literatuur-historie - steeds een onvoltooid gesprek blijft. Want bij alle aandacht die tot dusver zowel aan Vondels dramatiek in het algemeen als aan zijn afzonderlijke drama's ten deel is gevallen, heeft men toch nog nooit getracht zijn gehele dramatische oeuvre als één groot samenhangend geheel te overzien, de grondmotieven der verschillende spelen in hun continuïteit, ontwikkeling en overgangen na te gaan, de structurele principes vast te stellen waarvan de dichter uitging, en op grond daarvan de perioden van zijn ontwikkelingsgang nader te bepalen. Telkens weer werden stukken als de Gysbreght van Aemstel, de Lucifer, de Jeptha, de Adam in ballingschap, bestudeerd en geïnterpreteerd als zelfstandige grootheden, zonder dat zij tevens werden beschouwd als een fase in Vondels dramatische ontwikkeling en in zijn afrekening met de problematiek welke hem in een bepaalde periode van zijn leven bij uitstek bezig hield. Doet men dit laatste wèl, dan mag a priori verwacht worden dat een tweeledig resultaat kan worden bereikt. Enerzijds zal de analyse van bijvoorbeeld de Salomon een waardevolle, deels zelfs onmisbare, steun vormen voor het juist verstaan van de Lucifer en zelfs nog van de Noah. Anderzijds zal de aandachtige vergelijking van de opeenvolgende drama's duidelijk doen worden wààr eventuële structurele overgangen zich voordoen, waarin zij bestaan en misschien zelfs hoe zij dienen te worden verklaard.
In mijn studie heb ik getracht het hierboven geschetste principe in toepassing te brengen. Dat ik daarbij voortdurend gebruik heb gemaakt van de beschouwingen en opmerkingen van voorgangers, behoeft geen betoog. Ik stel er evenwel prijs op, dit hier met nadruk en dankbaarheid te erkennen, vooral omdat hun namen in de meeste gevallen niet worden vermeld. Slechts waar ik meende dat dit voor mijn betoog noodzakelijk of wenselijk was, heb ik de opvatting van andere interpretatoren vermeld. In hoofdzaak betreft deze studie echter het verslag van een persoonlijk onderzoek dat er in de eerste plaats op gericht was het grondmotief van ieder drama zo objectief mogelijk vast te stellen, om op grond daarvan verbindingen en ontwikkelingen te kunnen nagaan.
Vaststellen van het grondmotief vereist een zorgvuldige analyse van het betrokken stuk. Iedere analyse is echter tevens een interpretatie, en iedere interpretatie blijft tot op zekere hoogte subjectief. Ik ben mij daarvan zózeer bewust dat ik dit onderzoek naar de continuïteit en de ontwikkeling van grondmotieven en structuur in Vondels drama's slechts als een ‘verkenning’ beschouw, waarvan de conclusies ongetwijfeld op allerlei punten aanvulling en herziening zullen behoeven. Maar de waarde van een verkenning wordt bepaald door het gebruik dat men van de verkregen resultaten kan maken, niet door de absolute juistheid daarvan. Ik zal mij rijkelijk beloond achten, wanneer mijn onderzoek in deze zin ‘resultaten’ heeft opgeleverd.
Met dankbaarheid vermeld ik de waardevolle opmerkingen, die mijn vrienden Prof. Dr. W.J.M.A. Asselbergs en Prof. Dr. P. Minderaa bij het doorlezen van de kopie gemaakt hebben. Bijzondere verplichting heb ik verder aan mijn medewerkster, Mejuffrouw S.F. Witstein, die de samenstelling van het personen- en het titel-register geheel voor haar rekening heeft willen nemen.
W.A.P. SMIT.