Hoewel ik oorspronkelijk verwacht had mijn studie over Vondels drama's tot twee delen te kunnen beperken, is dit in de praktijk niet mogelijk gebleken. De talrijke vraagstukken, die met de Lucifer en de Jeptha samenhangen, deden de hoofdstukken over deze beide tragedies uitdijen tot een omvang waardoor een tweede cesuur onvermijdelijk werd. De enige plaats, waar deze zonder veel bezwaar kon worden aangebracht, was de overgang van de vierde naar de vijfde periode in de ontwikkelingsgang van Vondels dramatiek; vandaar dat dit tweede deel beperkt bleef tot de tragedies uit de vierde periode.
Ik betuig gaarne mijn dank aan redactie en uitgever van de Zwolse Reeks van Taal- en Letterkundige Studies voor het begrip, dat zij voor de noodzaak van deze uitbreiding hebben betoond, en voor de welwillendheid waarmee zij die hebben aanvaard.
Van de gelegenheid, die dit Woord Vooraf mij daartoe biedt, maak ik gebruik om een misverstand uit de weg te ruimen dat in enkele kritieken op mijn eerste deel aan het licht getreden is. Het duidelijkst openbaarde dit misverstand zich in de sympathieke bespreking, die B. Stroman in het Algemeen Handelsblad van 13 juli 1957 aan mijn boek heeft gewijd; dat is dan ook de reden, waarom ik in het bijzonder van zijn stuk uitga.
Stroman constateert, dat de geïnteresseerde leek bij de lezing van mijn eerste deel ‘tot de conclusie (zal) komen dat omtrent de speelbaarheid van Vondels toneelwerk nauwelijks iets te vermoeden wordt gegeven’. En even verder schrijft hij: ‘Het zal ... moeten blijken of Smit in zijn tweede deel tot een conclusie komt omtrent de werking - ook voor onze tijd -
van hetgeen Vondel nadrukkelijk heeft bedoeld als te zijn gedramatiseerde belering’.
Dit tweede deel brengt een dergelijke conclusie niet, en het derde deel zal dit straks evenmin doen. Niet omdat ik het probleem, dat Stroman aan de orde stelt, niet zeer belangrijk acht, maar omdat het buiten mijn taak en buiten mijn bevoegdheid als literatuur-historicus valt. Met een variant op de bekende uitspraak van Ranke, dat het er voor de historicus om gaat op grond van kritische bronnenstudie het verleden te beschrijven ‘wie es eigentlich gewesen’, zou ik de taak van de literatuur-historicus willen aanduiden als: het weergeven van de literaire situatie in een bepaald tijdvak uit het verleden ‘wie sie eigentlich gewesen’, en het interpreteren van de literaire werken uit die periode ‘wie sie eigentlich sind’. Het besef van de onderzoeker dat het gestelde doel nooit ten volle bereikt kan worden, omdat hij enerzijds gebonden blijft aan zichzelf en zijn eigen tijd, en anderzijds niet over àlle gegevens beschikt die hij nodig zou hebben, ontheft hem niet van de verplichting er met inspanning van alle krachten naar te blijven streven. Het behoort nu eenmaal tot het wezen van een ideaal, dat het slechts benaderd en niet bereikt kan worden; er behoort echter óók toe, dat zulk een benadering desondanks een zeer reële waarde heeft.
Het is door bovenstaande overtuiging, dat ik mij bij mijn studie van Vondels drama's heb laten leiden. In alle gebrekkigheid, en met alle persoonlijke ‘bijmengsels’ waarvan ik mij de onvermijdelijkheid ten volle bewust ben, tracht ik toch zoveel mogelijk de (literair-)historische werkelijkheid te benaderen en Vondels tragedies te beschrijven ‘wie sie eigentlich sind’.
De speelbaarheid van deze tragedies staat daar echter geheel buiten. Wij raken daarmee aan een probleem van andere aard. Ook ‘speelbaarheid’ is namelijk geen absoluut begrip. Het oordeel daaromtrent hangt af van de eisen die men aan toneel en toneelspeelkunst stelt, en wisselt evenzeer met de tijd als b.v. de voorkeur voor epiek of lyriek. Ook wanneer Vondel voor onze tijd onspeelbaar zou moeten heten, houdt dit nog
niet in dat voor elke andere periode hetzelfde zou moeten gelden. Daarbij dient natuurlijk in aanmerking genomen te worden, dat speelbaarheid niet gepaard behoeft te gaan met populariteit; de aard van Vondels drama's brengt nu eenmaal mee, dat zij steeds in vrij sterke mate esoterisch zullen zijn.
De vraag, of in de 17de eeuw de speelbaarheid van Vondel aansloot bij de toneelpraktijk van zijn tijd, moet hier buiten beschouwing blijven. Wij weten van die toneelpraktijk nog te weinig om op deze vraag een behoorlijk gefundeerd antwoord te kunnen geven. Wel mogen wij - vooral op grond van de ingelaste ‘vertooningen’, waaraan Vondel ook zelf wel meewerkte - aannemen, dat bij de opvoeringen aanpassing van het drama aan de gangbare toneelstijl en toneeltradities normaal werd geacht.
Is ook voor onze tijd een effectieve vorm van aanpassing denkbaar? Zou b.v. een modern equivalent - eventueel met filmische middelen - van de vroegere ‘vertooningen’ de voorstellingen ten goede komen? Of verdient een opvoering de voorkeur, waarbij ter wille van de innerlijke dramatiek de minst mogelijke nadruk op het uiterlijke gebeuren wordt gelegd? Hoe kan aan de reizangen een functionele betekenis worden verleend? Of bestaat daartoe geen mogelijkheid, zodat drastische inkorting of zelfs volledige eliminatie als de beste oplossing moet worden aanvaard?
Het geven van een antwoord op deze en soortgelijke vragen valt buiten de competentie van de literatuur-historicus. Slechts de regisseur, in samenwerking met zijn acteurs, kan daartoe bevoegd worden geacht. Maar wel zal deze daarbij óók de resultaten van het literair-historisch onderzoek dienen te betrekken. Niet omdat van hem een opvoering naar het model van die uit de 17de eeuw wordt verwacht; een dergelijke historische reconstructie zou naar mijn mening - behalve als uiterst interessant studie-materiaal voor toneel- en literatuur-historici - geen enkele zin hebben. Maar de regisseur heeft de literatuur-historicus nodig, omdat zijn eerste uitgangspunt toch altijd het drama van Vondel behoort te wezen ‘wie es eigentlich
ist’ (voor zover dit te achterhalen valt). Eerst op grond van een gefundeerd inzicht in structuur, grondmotief en strekking van het bewuste drama kan hij nagaan òf, en zo ja, hoè dit aanpasbaar is aan de toneelpraktijk van vandaag, zonder dat daarbij aan de dichter en diens werk op wezenlijke punten geweld wordt aangedaan.
Het zou mij bijzonder verheugen, wanneer mijn studie over Vondels dramatische werkzaamheid ‘van Pascha tot Noah’ tevens in deze zin het uitgangspunt zou kunnen worden voor een hernieuwd toneelkundig onderzoek naar de speelbaarheid van zijn stukken voor onze tijd. Maar als literatuur-historicus heb ik zelf een andere taak: Vondels drama's toe te lichten en te verklaren vanuit hun tijd.
Ik weet natuurlijk, dat mijn literair-historisch credo lang niet algemeen wordt aanvaard - dat wordt geen enkel credo -, en dat op grond daarvan ook de juistheid van mijn conclusie kan en zal worden bestreden. Ik meende er evenwel goed aan te doen, de kans op misverstand omtrent de eigenlijke bedoeling van mijn boek te verminderen door de overtuiging, waaruit het is voortgekomen, hier uit te spreken.
Evenals bij de verschijning van het eerste deel heb ik ook ditmaal mijn dank te betuigen aan mijn vrienden Prof. Dr. W.J.M.A. Asselbergs en Prof. Dr. P. Minderaa voor hun kritische opmerkingen bij het doorlezen van de kopie; ik heb daarvan meermalen met vrucht gebruik gemaakt. Opnieuw noem ik ook met grote erkentelijkheid de naam van Mejuffrouw S.F. Witstein litt. dra, sinds jaren mijn trouwe medewerkster; ik heb haar niet alleen te danken voor de samenstelling van het personen- en titel-register, maar ook voor de wijze waarop zij mij steeds bij het opsporen en aanvragen van het benodigde - en soms moeilijk bereikbare - studiemateriaal behulpzaam is geweest.
w.a.p. smit.