terug  begin  verderprepost
[p. 240]

Hoofdstuk IV
Jeptha
1659

In het Berecht Aen de begunstelingen der toneelkunste1, dat hij aan zijn Jeptha vooraf doet gaan, deelt Vondel mee dat zijn gedachten ‘al menige jaeren geleden’ op dit onderwerp ‘speelden’, maar dat hij eerst tot de uitvoering van zijn plan had kunnen overgaan, toen hij een oplossing gevonden had voor ‘de twee maenden uitstels, de dochter toegestaen, middelerwijl zy haeren maeghdelijcken staet op de bergen beschreit: welck uitstel Aristoteles tooneelwet in het licht staet: want hy zeght dat het treurspel allermeest begrijpt den handel van eenen zonneschijn, of luttel min, of meer’. Zodra echter ‘dees hinderpael’ overwonnen was, ‘nam ick voor dit werck op te zetten, oock in dier voege, dat het alle eigenschappen, tot een volkomenheit vereischt, in zich moght besluiten, en te gelijck den aenkomenden treurdichteren dienen tot een voorbeeldelijck onderwijs van het toestellen der treurspelen’2.

Op de aard van de aanvankelijke ‘hinderpael’ en de wijze waarop deze werd overwonnen, komen wij aanstonds terug. Voorlopig is het mij slechts te doen om Vondels uitdrukkelijke verklaring, dat hij een model-tragedie wilde geven, die in alle opzichten voldeed aan alle eisen van de theorie. Daarin ligt namelijk opgesloten, dat hij het bewijs wilde leveren van zijn

[p. 241]

meesterschap als dramaturg. En ik meen, dat wij verband mogen leggen tussen deze wens en het verzet tegen de Lucifer. Uit het Berecht van Salmoneus en uit de ironiserende opzet van dit drama is ons reeds gebleken, hoe diep de dichter zich door het onbegrip voor zijn liefste schepping gekwetst voelde. Maar die ironie was slechts een negatieve vorm van verweer geweest. Daarnaast en daarboven wilde hij nu ook pósitief bewijzen, dat hij op dramatisch gebied inderdaad een autoriteit was, zodat de kritiek op Lucifer terugviel op de kritikasters en in de eerste plaats hun artistiek-theoretische onbevoegdheid deed uitkomen. Als deze veronderstelling juist is, wilde Vondel dus door het leveren van een meesterschaps-proeve als tragedie-dichter indirect zijn Lucifer verdedigen.

Reeds dadelijk moet hem daarbij de geschiedenis van Jefta en diens dochter als fabula voor zijn drama voor ogen hebben gestaan. Het ‘oock in dier voege’ in de zin uit het Berecht, die ik aan het slot van mijn eerste alinea heb geciteerd, mag er ons niet toe verleiden zonder meer aan te nemen, dat Vondel eerst op de gedachte van een model-tragedie zou zijn gekomen, toen zijn onderwerp reeds vast stond. De bewuste woorden laten zich in modern Nederlands het best weergeven met ‘en wel zó (dat ..)’, en sluiten dus simultaneïteit in het opkomen van de beide plannen niet uit. En de geschiedenis van Jefta, waarop Vondels gedachten ‘al menige jaeren geleden speelden’ - dat brengt ons dicht in de buurt van 1654! -, leende zich zó bij uitstek voor een demonstratie van meesterschap, dat er nauwelijks aan getwijfeld kan worden of de gedachte daaraan is onmiddellijk bij de dichter opgekomen. Misschien zelfs was zij primair en werd de keus van het onderwerp bepaald door de mogelijkheden, die het in dit opzicht bood.

Welke waren dan die bijzondere mogelijkheden van het Jefta-motief? Het antwoord daarop ligt besloten in de titel, die Vondel aan zijn tragedie gaf: Jeptha of Offerbelofte. Want dat is een letterlijke vertaling van Jephthes sive votum, zoals de beroemde tragedie over dit motief heette, die de Schotse Humanist George Buchanan (1506-1582) in 1554 het licht had doen

[p. 242]

zien. Vondel behoefde er geen ogenblik aan te twijfelen, of zijn titel door de begunstelingen der toneelkunste wel als zodanig zou worden herkend. De roem van Buchanan als neo-latijns dichter beheerst de gehele 17de eeuw; de Jephthes werd, vaak tezamen met ander werk van deze auteur, ontelbare malen herdrukt, ook in Antwerpen, Leiden en Amsterdam1. De bewondering voor deze tragedie was zelfs zó groot, dat de dramatische aanpak van het Jefta-motief op bepaalde punten (de moeder-figuur, de priester die het offer afkeurt) vrijwel definitief door dit voorbeeld werd bepaald. - Vondels titel nodigt dus rechtstreeks uit tot vergelijking van zijn werk met het meest beroemde drama over hetzelfde onderwerp!

Maar de titel doet méér dan dat! Hij kondigt tevens aan, dat Vondels drama opgevat dient te worden als een imitatio van Buchanans Jephthes, overeenkomstig het voorschrift van Vossius: ‘Si imitemur poëtam nobilem, rectius nomen ab eo dramati datum retinetur; ne, illud mutando, videamur occultare voluisse, quem poëtam expresserimus’2. Wel verre van de mogelijkheid tot aemulatio (wedijver) uit te sluiten, bood de imitatio daartoe immers juist de meest directe kans. Dat lag besloten in een ander voorschrift van Vossius: ‘Sin praeiverit alius; videndum, an non meliùs connexio, aut solutio, institui possit. Quod si fiat; ut fabulae nomen sit idem, fabula tamen diversa erit’3.

Dat Vondel zich zijn drama over Jefta nooit anders dan als imitatio van de Jephthes heeft gedacht, blijkt ook uit de uiteenzetting, aan het begin van zijn Berecht, omtrent de ‘hinderpael’ die hij te overwinnen had alvorens aan het werk te kunnen gaan. Deze uiteenzetting gaat er van uit, dat de gegevens uit het Bijbelverhaal de lezer duidelijk voor ogen staan; ik laat dus een korte samenvatting daarvan voorafgaan:

[p. 243]
In Richteren XI wordt verteld hoe Jefta, die als bastaard door de wettige zonen van zijn vader uitgestoten was en sindsdien als rover-hoofdman in zijn onderhoud voorzag, door de Gileadieten - zijn landgenoten - tot veldheer wordt gekozen in hun strijd tegen de Ammonieten. Op het ogenblik van de beslissende slag doet hij de gelofte, ‘indien het heir d'overhant behielt, op te offeren wat hem eerst uit zijne poorte zoude bejegenen’1. Wanneer hij als overwinnaar naar huis terugkeert, blijkt de eerste die hem tegemoet komt, zijn enige dochter. Zij aanvaardt haar lot, maar krijgt op haar verzoek twee maanden uitstel om in de bergen met haar vriendinnen te rouwen over het feit dat zij als maagd moet sterven. Daarna keert zij terug, en het offer wordt volbracht. Het begin van Richteren XII verhaalt dan verder - geheel los van de offergeschiedenis -, dat de Ephraïmieten, afgunstig op de overwinning van Jefta waaraan zij geen deel hebben gehad, tegen hem ten strijde trekken, maar vernietigend door hem worden verslagen.

De moeilijkheid van Vondel lag in de ‘twee maenden uitstels’2 tussen de tragische ontmoeting van vader en dochter na de overwinning op de Ammonieten, en de voltrekking van

[p. 244]

het offer. In een tragedie, die rekening hield met de Aristotelische eenheid van tijd, konden deze twee essentiële momenten onmogelijk beide worden verwerkt. Buchanan had dit wèl gedaan, maar daarvoor het uitstel van twee maanden moeten verwaarlozen; bij hem vindt het offer plaats op de dag van Jefta's terugkeer. Op het voetspoor van Vossius zag Vondel daarin een ernstige fout tegen de eenheid van tijd,

waer tegens Buchanan, in zijn treurspel van Jeptha, zich [behoudens zijne treffelijcke eer in de dichtkunste], te grof vergreepen heeft, oock tegens d'openbaere waerheit der bybelsche historie: gelijck van wijlen de heer professor Vossius, op de tooneelwetten afgerecht, die in Buchanan overlang tegens my bestrafte1.

De fout was te ernstig dan dat Vondel kon overwegen ze bij zijn imitatio te handhaven, vooral nu hij van zijn nieuwe drama in alle opzichten een model-tragedie wilde maken. Maar dit betekende, dat de misgreep van Buchanan het hele plan van een imitatio in gevaar bracht! De structuur van Jephthes werd

[p. 245]

immers door die ‘fout’ bepaald! Na een proloog en een inleidende scène bereikte Buchanan een eerste hoogtepunt in het verhaal van de bode, die aan Jefta's vrouw en dochter en aan de rei mededeling komt doen van de overwinning op de Ammonieten; diens beschrijving van de slag was veel te bekend en beroemd dan dat zij bij een imitatio buiten beschouwing kon worden gelaten. Bovendien hing bij Buchanan de peripeteia rechtstreeks met dit bode-verhaal samen. De vreugde, die daardoor was opgewekt, slaat immers om in ontsteltenis om de consequentie van Jefta's gelofte en in rouw om het geofferde meisje; een imitatio, die niet min of meer bij deze grondstructuur aansloot, zou zich te ver van zijn voorbeeld verwijderen dan dat het verband daarmee nog duidelijk zou kunnen zijn. Vondel zag aanvankelijk dan ook geen uitweg, en ‘het spel bleef steecken’.

Blijkbaar heeft Vondel zijn probleem tenslotte aan bevriende geestelijken voorgelegd, en toen

hoorde1 ick hoe Serarius, Arias, Saliaen, en andere treflijcke vernuften gevoelden dat Jepthas krijghstoght tegens de wederspannige Efraimmers noch uitgevoert wiert, eer de gemelde twee maenden uitstels verstreecken waren, schoon het boeck der Rechteren, en Josefus deze orden niet houden, om het verhael van Jeptha en zijne offerhande, aireede begonnen, niet te stooren, en te deelen, maer vervolgens achter een te beschrijven.

Daarmee was voor de dichter ‘dees hinderpael ..... verzet’ en kon hij aan het werk gaan! Want nu kon hij in zijn drama de overwinning op de Ephraïmieten de plaats laten innemen van die op de Ammonieten bij Buchanan. Zodoende kon hij

[p. 246]

zijn tragedie laten aanvangen bij de terugkeer van Jefta's dochter uit de bergen, en tòch in grote lijnen de structuur van de Jephthes volgen, tòch een weerslag geven op Buchanans beschrijving van de veldslag, tòch de blijdschap om een overwinning doen omslaan in ontsteltenis en rouw om het onmiddellijk daarop volgende offer. Natuurlijk bleven er nog moeilijkheden genoeg over, waarvoor een oplossing gevonden diende te worden - moeilijkheden die samenhingen met het feit, dat in deze nieuwe situatie zowel Jefta als zijn dochter reeds twee maanden met de gedachte aan het offer vertrouwd waren, zodat er van een onverwachte agnitio geen sprake kon zijn. Hoe Vondel deze problemen opgevangen heeft, zal later aan de orde komen. Voorlopig was het er mij slechts om te doen, aan te tonen dat het begin van zijn Berecht betrekking heeft op de imitatio van Jephthes, die hij in zijn titel had aangekondigd.

Alleen tegen deze achtergrond is de uiteenzetting van Vondel logisch en wordt het duidelijk, waarom de situëring van de overwinning op Ephraïm vóór het offer een oplossing voor hem betekende. Wanneer hij onafhankelijk van Buchanan een tragedie over Jefta had willen schrijven, had dit immers nooit een sleutelprobleem kunnen vormen. Het hief de twee maanden uitstel tussen de beide grote dramatische momenten niet op. Weliswaar kon de tweede terugkeer van Jefta worden uitgebeeld als een parallel van zijn eerste thuiskomst - met inbegrip zelfs van een begroeting van de overwinnaar door zijn dochter -, waardoor een sterke suggestie werd gewekt van het fatale moment. Wij zullen zien, dat Vondel zich deze kans inderdaad niet heeft laten ontglippen, maar daarmee werd toch het moment zèlf niet op het toneel gebracht; met name het verrassings-element en de reactie daarop lieten zich nu eenmaal niet herhalen. En bovendien had zulk een retrospectieve benadering van de eerste ontmoeting ook op een andere manier bereikt kunnen worden, b.v. door een scène waarin Jefta, wachtend op de terugkomst van zijn dochter, in een gesprek met zijn oude vertrouweling (de hofmeester) heel de rampzalige geschiedenis van zijn gelofte, de overwinning op Ammon, de triomfantelijke

[p. 247]

terugkeer en de ontmoeting met zijn kind als het ware opnieuw beleefde. De slag tegen Ephraïm is voor de suggestie van het verleden niet essentiëel - zeker niet in diè mate dat voor iemand als Vondel de mogelijkheid tot het opzetten van een Jefta-drama dáárvan zou hebben kunnen afhangen, als hij zich niet bij voorbaat aan de structuur van Buchanans Jephthes gebonden had.

 

Een imitatio als hem thans voor ogen stond, had Vondel in zijn dramaturgische loopbaan nog niet eerder beproefd. Wel had hij reeds in een aantal van zijn tragedies klassieke voorbeelden gevolgd, maar dan steeds in kerstenende imitatio, d.w.z. met vervanging van het oorspronkelijke heidense motief door een Christelijke parallel. Ten opzichte van Seneca's Troades had hij dit gedaan in Hierusalem verwoest1, van het tweede boek der Aeneis in Gysbreght van Aemstel2, van Seneca's Phaedra in Joseph in Egypten3, en in enigszins andere zin - meer naar de innerlijke dan naar de uiterlijke parallellie - ten opzichte van Sophocles' Elektra in Gebroeders4. In al deze gevallen werd echter de imitatio vanzelf beperkt door de transpositie naar een nieuwe fabula, die bij alle verwantschap in motief toch in een geheel andere sfeer lag, terwijl juist op die andere - Christelijke! - sfeer de volle nadruk werd gelegd. Onder deze omstandigheden was structurele imitatio slechts voor bepaalde scènes mogelijk, en zelfs daar niet zonder de nodige modificaties; daarin lag een natuurlijk tegenwicht tegen het gevaar dat de imitatio tot plagiaat zou ontaarden. Bovendien stond bij een dergelijke kerstenende imitatio de uitkomst van de aemulatio al bij voorbaat vast, ‘overmits de heilige, boven andere geschiedenissen, altijt voor zich brengen een zekere goddelijcke majesteit en aenbiddelijcke eerwaerdigheit, die nergens zoo zeer dan in treurspelen vereischt worden’5.

[p. 248]

Maar ditmaal lag de zaak anders! De Jephthes was zelf reeds een Bijbelse imitatio van Euripides' Ἰφιγένεια ἡ ἐν Αὐλίδι; om deze overeenkomst te onderstrepen had Buchanan de dochter van Jefta, die in het Boek der Richteren naamloos blijft, Iphis genoemd. Vondel zou in dit geval bij zijn aemulatio dus niet kunnen steunen op zijn automatische voorsprong als Christelijk dichter, maar de strijd moeten voeren met gelijke wapenen. Een tweede en ernstiger handicap was, dat het niet ging om imitatio bij de dramatisering van een parallelle, maar van precies dezelfde geschiedenis. De noodzaak tot wijzigingen in de bouw en uitwerking van geïmiteerde scènes, die bij transpositie naar een andere situatie vanzelf optrad en de dichter voor al te grote afhankelijkheid van zijn voorbeeld behoedde, zou zich dus niet doen gelden. Het was inderdaad een krachtproef, waaraan Vondel zich ging wagen!

Wij mogen er van overtuigd zijn, dat hij dit ten volle besefte. Hij zal stellig niet aan het werk zijn gegaan zonder zich over de moeilijkheden en risico's van zijn plan te hebben laten voorlichten door Vossius, die door zijn geschriften ook na zijn dood (1649) op theoretisch gebied Vondels voornaamste raadsman gebleven was. En Vossius had in 1647 een kleine studie over de imitatio in het licht gegeven (De Imitatione), waarin Vondel alles kon vinden wat hij nodig had.

Vossius begint met onderscheid te maken tussen een kinderlijke navolging, die zich slechts op woorden en woordvormingen richt, en de viriele of volwassene, waarbij het gaat om de eigenlijke kern van het werk1. Maar belangrijker is zijn tweede onderscheiding: die tussen slaafse en vrijmachtige (ingenua) imitatio. Uiteraard is alleen de laatste een werkelijk dichter waardig. Het gaat er immers niet om, woord voor woord ons voorbeeld te volgen, maar het vreemde te maken tot iets eigens, zodat ‘wat wij ontlenen door zijn nieuwe voorkomen

[p. 249]

niet meer als een ontlening wordt beschouwd, maar wordt erkend als het onze’1. Het is verre van gemakkelijk dit te bereiken, vooral wanneer in een bepaald werk in plaats van meerdere voorbeelden slechts één beroemde auteur wordt nagevolgd. Als de imitatio al te duidelijk zichtbaar wordt, gaat zij immers op plagiaat lijken. ‘Daarom is vóór alles nodig, dat wij bij het navolgen van een voorganger hier iets toevoegen, daar iets weglaten, elders iets veranderen, en vrijwel overal voor een andere volgorde, kleur of gesteldheid zorg dragen’2. Imitatio moet dan ook niet door iedereen worden bedreven, evenmin als overal en altijd. De beste kans op succes hebben zij, die beschikken over een meer dan gewone aanleg en een door leeftijd en ervaring gerijpt oordeel3. ‘Wie voortdurend in de voetsporen van een ander treedt, kan immers niet vlug en flink genoeg volgen. En het is het kenmerk van de trage geest, altijd een gids nodig te hebben. Hoeveel mooier is het, op de duur met hen, die eerst onze gidsen geweest zijn, te gaan wedijveren - met goede hoop hen te kunnen overtreffen, hetzij in scherpzinnige vinding, hetzij in gelukkige ordening, hetzij in smaakvol taalgebruik of in diepzinnige sententies! Op deze wijze zullen wij zowel onze voorgangers overtreffen als het nageslacht verplichten, door aan de vindingen van die voorgangers uit eigen geest waardevolle elementen toe te voegen’4. Het grote voorbeeld van wat zodoende bereikt kan worden,

[p. 250]

levert Vergilius met zijn navolging van Homerus en andere voorgangers1.

Vondel heeft deze voorschriften letterlijk opgevolgd. Hij hééft toegevoegd, weggelaten en gewijzigd; hij hééft telkens voor een andere volgorde, een andere kleur en een enigszins afwijkende constellatie gezorgd. En hij hééft daarmee weten te bereiken dat in het algemeen zijn drama als een origineel werk is aanvaard2.

Een eerste uitgangspunt voor het aanbrengen van de vereiste variaties vond hij in de kritiek van zijn tijd op de Jephthes. Want hoe groot de bewondering voor Buchanan en de faam van zijn drama ook mochten zijn, men had in allerlei opzichten tegen dit laatste toch ook ernstige bezwaren. Wij zagen reeds, hoe Vossius de manier verwierp waarop Buchanan het probleem van de twee maanden uitstel had opgelost. Daniël Heinsius deed hetzelfde, en om dezelfde reden3. De laatste had trouwens nog meer punten van kritiek. In de betrekkelijk uitvoerige passage, die hij in zijn De tragoediae constitutione (1611) aan de Jephthes wijdt, komt hij zelfs tot de uitspraak dat er nauwelijks een zwakker stuk zou kunnen worden genoemd4. In het bijzonder heeft hij bezwaar tegen de wijze waarop Buchanan hier de versvorm hanteert; wanneer men diens versregels met hun veelvuldige enjambementen als proza achter elkaar afdrukt, valt er noch van hun poëtisch noch van hun tragisch karakter meer iets te bespeuren: ‘nam de versibus quis suspicari poterit, quis de cothurno?’5. - Verder keurt hij het af, dat Buchanan aan de vrouw van Jefta de naam Storge (στοργή = moederliefde) gegeven heeft: ‘aliud affectus enim, aliud quae afficitur’6. Een woord als στοργή kan slechts eigennaam zijn, wanneer men

[p. 251]

daarmee een personificatie van het abstracte begrip wil aanduiden. En dat is bij Buchanan niet het geval; daarom had hij hier στέργουσα, Stergusa (= de kinderlievende) als naam moeten gebruiken. - Ook de naam Iphis acht Heinsius weinig gelukkig. Want zo heet bij Ovidius een meisje met Lesbische neigingen (Metamorphosen IX, vs. 669-797); deze associatie maakt de naam onbruikbaar voor een maagd die aan God werd toegewijd. Bovendien betekent Iphis ‘snel, sterk’, wat evenmin bij de dochter van Jefta past. Buchanan had haar dan ook veel beter met een Hebreeuws woord Jechida (= unica: enig kind) kunnen noemen! - En dan is er de vriend van Jefta, die aangeduid wordt als Symmachus, dat hier krijgsmakker moet betekenen. Dat is evenwel een verkeerd gebruik van het woord, want σύμμαχοι doelt niet op krijgsmakkers, maar op bondgenoten of vreemde hulptroepen. - Een scherpe opmerking over Buchanans andere Bijbelse tragedie, de Baptistes sive calumnia (1577), richt zich indirect eveneens tegen de Jephthes. Heinsius neemt het Buchanan namelijk zeer kwalijk, dat hij de Baptistes liet beginnen met een proloog die door een afzonderlijke proloogspreker wordt uitgesproken. Dat is op zijn plaats in een comedie, maar niet in een tragedie, waar de proloog in de mond dient te worden gelegd van een der eigenlijke dramatis personae1. Mede door deze manier van doen maakt Buchanan de Baptistes tot een tweeslachtig onding, een ‘treurige comedie’2. Maar ook in de Jephthes komt een dergelijke proloogspreker voor! Weliswaar wordt hij daar nader aangeduid als ‘Angelus prologus’, maar in het drama zelf treedt deze Engel verder niet op, zodat hij niet beschouwd kan worden als ‘vna è personis’ en dus mede onder het afwijzende oordeel van Heinsius valt.

[p. 252]

De kritiek van Heinsius is typerend voor de formele - om niet te zeggen: formalistische - wijze waarop bij de beoordeling van een drama de normen werden gehanteerd en afwijking daarvan, ook op detailpunten, de auteur zwaar werd aangerekend. Ik heb die kritiek dan ook niet alleen uitvoerig weergegeven, omdat Vondel er ernstig rekening mee blijkt te hebben gehouden1, maar ook om de sfeer aan te duiden, waarin hij zich bij de overweging van zijn variaties te bewegen had.

 

De verhouding tussen Vondels Jeptha en Buchanans Jephthes is reeds verschillende malen aan de orde gesteld. Het eerst werd dit gedaan door de Zierikzeese geneesheer en burgemeester Jan Daniël Macquet (1731-1798), in een studie Over den Jeftha van Vondel, die werd opgenomen in het tweede deel van zijn anoniem uitgegeven, driedelige Proeven van dichtkundige letteroefeningen2. Macquet blijkt aan de ene kant nog dicht genoeg bij de tijd van Vondel te staan om het imitatio-karakter van de Jeptha te onderkennen; anderzijds echter is hij - na de Querelle des anciens et des modernes en de Poëtenoorlog (1713-1716) - reeds te ‘modern’ om dit niet te betreuren als een gebrek aan originaliteit. Op pag. 50 merkt hij op:

Het zoude mooglijk voor onzen Dichter tot meer eer gestrekt hebben, indien dit Treurspel een origineel stuk was; doch dit kan men niet zeggen, alzoo er buiten twijfel veel in overgenomen is uit den Jeftha van Buchanan, die in het Latijn deze stof behandelde, en wien Vondel heeft gekend.

In de daarop volgende, vrij uitvoerige vergelijking van de beide stukken wijst hij overigens niet alleen ontleningen aan, maar ook verbeteringen die Vondel al imiterend heeft aangebracht. Macquet blijkt dus wel degelijk oog te hebben voor het aemulerende karakter van diens navolging. In zijn slotconclusie lijkt zelfs nog iets van Vossius' beschouwingen over de imitatio door te klinken:

[p. 253]
De zwakke redenen tussen den Wetgeleerden en Jeftha zijn alleen uit Buchanan zonder veel oordeel gevolgd. Alle de andere navolgingen zijn met veel verstand verbeeterd, en doen onzen dichter eer aen, die, schoon hij niet origineel kan genoemd worden in dit Treurspel, echter zijn voorganger merkelijk verbeterd en veel schoner stuk heeft gegeven. Zulke navolgingen zijn zoo goed als origineele vindingen (pag. 62-63).

Ruim honderd jaar later, in 1887, werd de verhouding tussen Vondel en Buchanan opnieuw, zij het min of meer terloops, aan de orde gesteld door L. Simons in zijn baanbrekende studie over Vondels Jeftha1. Doordat hij het imitatio-karakter van dit drama niet meer onderkent, komt Simons er onwillekeurig toe de originaliteit van Vondel in bescherming te nemen door de nadruk te leggen op ‘menig belangrijk verschilpunt’, dat er ‘bij veel onmiskenbare overeenkomst, die bewijst dat Vondel Buchanan met ijver geraadpleegd heeft’, toch ook is; ‘als een dichter een tooneel ten deele navolgt, dan hebben wij 't recht de afwijkingen te beschouwen als opzettelijk gemaakt, met een bepaalde bedoeling’2. Inderdaad, maar met dien verstande dat óók deze afwijkingen deel uitmaken van de imitatio, zodat er geen sprake is van twee verschillende of zelfs tegenstrijdige tendenzen. Het misverstand op dit laatste punt in Simons' beschouwingen heeft de sindsdien dominerende opvatting voorbereid, als zou Vondel in de Jeptha origineel mogen heten ondanks zijn ontleningen aan Buchanan. Men vindt ze in principe zowel bij Kaakebeen3 als bij A.J. de Jong4 en Noë5 terug, terwijl zij

[p. 254]

door het comparatistische werk van Sypherd ook naar het buitenland doordrong1. Bomhoff trok er de conclusie uit, dat het onderzoek naar de voorbeelden van Jeptha ‘tot beter verstaan van het kunstwerk heel weinig heeft bijgedragen en dat het de juiste waardering voor Vondels werk licht in gevaar brengt’2. De onjuistheid van de premisse zou moeilijk duidelijker kunnen blijken dan uit deze conclusie. Want een juiste waardering van de Jeptha wordt eerst mogelijk, wanneer wij dit drama onderkennen als wat het bedoelde te zijn: een imitatio van de Jephthes, maar - naar Vossius' woord - een ‘imitatio ingenua’. De originaliteit van de dichter openbaart zich niet ondanks, maar juist in zijn ontlening, waarbij hij er in slaagde ‘het vreemde te maken tot iets eigens’.

Onder de onderzoekingen naar de verhouding Jeptha - Jephthes komt een aparte en eervolle plaats toe aan de enkele bladzijden, die G. Kalff in 1894 aan Vondel en Buchanan gewijd heeft in zijn uitgebreide studie over de Bronnen van Vondels werken3. Hoewel ook hij het imitatio-karakter van de Jeptha niet heeft gezien4, is hij toch de enige geweest die - veel uitvoeriger dan Macquet - systematisch heeft aangegeven wàt er eigenlijk door Vondel aan de Jephthes werd ontleend; in verband met de vervanging van de naam Storge door Filopaie verwijst hij zelfs reeds naar de kritiek van Heinsius op Buchanan in De tragoediae constitutione. Het is dan ook onbegrijpelijk, dat met uitzondering van Kaakebeen de latere commentatoren dit waardevolle overzicht blijkbaar over het hoofd hebben gezien.

[p. 255]

- Typerend voor Kalffs instelling is, dat hij veel minder aandacht besteedt aan de ontlening van personen (met de daarbij behorende motieven)1 dan aan de navolging van bepaalde ‘passages en verzen’2. In werkelijkheid hebben de nagevolgde versregels slechts beperkte betekenis; zij vormen een doorlopende hulde aan het dichterschap van Buchanan3, terwijl zij bovendien de herinnering aan het verband met diens drama

[p. 256]

levendig houden. Maar de eigenlijke imitatio en aemulatio voltrekt zich, vrijwel los van dergelijke ontleningen, op het terrein van de dramatische motieven en van de dramatische structuur.

De motieven hangen nauw samen met de optredende personen. Daarom is het van betekenis, dat Vondel - zoals Kalff, en in diens voetspoor Kaakebeen, reeds hebben opgemerkt - deze vrijwel integraal van Buchanan overneemt. Bij beiden is de volgorde in de lijst der ‘Personae’ en ‘Spreeckende Personaedjen’ die van de opkomst der verschillende figuren1; om de vergelijking gemakkelijker te maken heb ik echter in het volgende overzicht de volgorde van Vondel in overeenstemming gebracht met die van zijn voorganger.

Personae Spreeckende Personaedjen2
Angelus prologus   - -
Storge mater = Filopaie, Jepthaes gemaelin
Iphis filia = Ifis, Jeptha's dochter
Chorus indigenarum puellarum = Rey van Maeghden
Iephthes imperator = Jeptha. De lantvooght, rechter, en veltheer
Symmachus amicus Hofmeester, eerste raet
Sacerdos { Hofpriester
{ Wetgeleerde
Nuncius Slotvooght

Waarom Vondel de ‘Angelus prologus’ niet overnam, is na de kritiek van Heinsius op de proloog van Buchanans Baptistes zonder meer duidelijk3. Door de rol van de Sacerdos te verdelen over twee personen - Hofpriester en Levitische Wetgeleerde - verkreeg hij toch weer hetzelfde totaal als zijn voorganger, terwijl deze verdubbeling van de Sacerdos bovendien de principiële betekenis van diens conflict met Jefta onderstreepte. - Eveneens op grond van de kritiek van Heinsius verwierp Vondel de naam Storge. In plaats van het voorgestelde

[p. 257]

Stergusa koos hij evenwel ‘het door hem gesmede Grieksche woord Filopaie’1, dat geheel dezelfde betekenis heeft: de kinderlievende. Naar de reden voor deze afwijking van Heinsius kunnen wij slechts gissen; wellicht vreesde Vondel dat de naam ‘Stergusa’ door oppervlakkige kenners van het Grieks niet naar zijn betekenis zou worden begrepen, en gaf hij daarom de voorkeur aan het veel doorzichtiger ‘Filopaie’, ondanks het bezwaar dat deze naam ‘meer Grieksch klinkt dan is’2. - Daarentegen volgde hij Heinsius niet in diens kritiek op de naam Iphis. Blijkbaar woog voor hem de parallellie met Iphigeneia3 zwaarder dan de associatie met de Kretensische Iphis uit het negende boek van de Metamorphosen. - Heinsius' bezwaar tegen het onjuiste gebruik van ‘Symmachus’ in de betekenis van strijdmakker zou bij vertaling van dit woord vanzelf zijn ondervangen. Desondanks vervangt Vondel deze leeftijdgenoot van Jefta door een veel oudere figuur4, in wie wij de παιδαγωγός (in Latijnse vertalingen weergegeven met: Senex) uit de Griekse tragedie herkennen. Naar ik meen, moeten wij deze verandering in de eerste plaats op rekening stellen van de noodzaak tot variatie bij de imitatio, maar bovendien bereikte Vondel daarmee, dat door diens hoge leeftijd de raadgevingen van deze figuur aan kracht en klem winnen, waardoor de op Jefta uitgeoefende aandrang om van het offer af te zien meer nadruk kreeg dan bij Buchanan. Deze verandering heeft dus eenzelfde effect als de verdubbeling van de Sacerdos-figuur. - De Nuncius tenslotte kreeg een concreter gestalte in de persoon van de Slotvooght5, die buitendien niet alleen beter past bij de vertrou-

[p. 258]

wenstaak welke Jefta bij Vondel aan de boodschapper der overwinning heeft opgedragen (nl. het weglokken van Filopaie), maar tevens naar zijn uiterlijke verschijning het ontbreken van de Symmachus compenseert.

Ook in de structuur van zijn drama volgt Vondel de Jephthes vrijwel op de voet. Weliswaar had Buchanan, naar Grieks voorbeeld, zijn tragedie niet in bedrijven verdeeld - zijn spel bestaat uit een proloog en zeven scènes die telkens door een reizang van elkaar gescheiden worden -, terwijl Vondel dit op grond van de later algemeen aanvaarde regel van Horatius1 wèl doet, maar dit blijkt geen bezwaar voor een nauwe aansluiting. Dat moge nader blijken uit het volgende overzicht, waarin ik uitga van de Jephthes en slechts dié scènes uit de Jeptha opneem, die daar rechtstreeks bij aansluiten.

Buchanan Vondel
Proloog. Een Engel zet uiteen, dat God juist de verstoten bastaard Jefta tot redder van Zijn volk heeft uitverkoren om te voorkomen dat dit aan eigen kracht en dapperheid de verlossing zou toeschrijven, die door de hand van God was bewerkt. Maar ook Jefta mag zich niet op de overwinning gaan verhovaardigen; daarom zal hij overstelpt worden door een huiselijke ramp, als gevolg van zijn gelofte vóór de slag. -
Scène 1. Storge voelt zich verontrust door een onheilspellende droom, die zij aan haar dochter vertelt. Tevergeefs tracht Iphis haar te bemoedigen met een beroep op de ijdelheid van dromen en op de verwachte terugkeer van Jefta, wiens overwinning blijkbaar reeds bij geruchte bekend is. I-a. Hoewel verder de gehele situatie anders is, heeft ook hier het gerucht van Jefta s overwinning (op Ephraïm!) de zijnen reeds bereikt (vs. 1). De onheilsdroom van Storge vindt min of meer een equivalent in de pogingen van de Hofmeester de overmatige blijdschap van Filopaie te temperen door vaag te doelen op het leed, dat haar in haar dochter wacht.

[p. 259]

1e koor. De Rey smeekt God om verlossing van het juk der Ammonieten. -
Scène 2. De Nuncius brengt het definitieve bericht van Jefta's overwinning op de Ammonieten, en doet aan Storge, Iphis en de Rey het verhaal van de slag. I-b. De Slotvooght brengt het definitieve bericht van Jefta's overwinning op de Ephraïmieten, en doet aan Filopaie en de Hofmeester het verhaal van de slag.
2e koor. De Rey geeft uiting aan zijn vreugde en zijn dankbaarheid jegens God, die de trots van de Ammonieten gebroken heeft. Hij eindigt met een opwekking tot de Hebreeuwse vrouwen om zich feestelijk te tooien en zorg te dragen voor de offeranden. I-c. De Rey van Maeghden, die zo juist met Ifis uit de bergen is teruggekeerd, herinnert er aan, dat God de trots van de Ammonieten gebroken heeft. De offerande daarvoor moet nog gebracht worden, en Ifis is bereid het offerlam te zijn.
Scène 3-a. Jefta komt op, blijkbaar vergezeld door zijn vriend Symmachus. Hij dankt God voor de overwinning en herhaalt nogmaals zijn gelofte. II-b. Jefta komt op, blijkbaar vergezeld door zijn Heirmeester (vs. 529). Hij haalt de herinnering op aan zijn terugkeer na de overwinning op Ammon en aan de noodlottige begroeting door zijn dochter.
Scène 3-b. Gevolgd door haar stoet van maagden (de Rey) komt Iphis haar vader als overwinnaar begroeten. Ontsteld wendt deze het hoofd af. Als Iphis hem naar de reden daarvan vraagt, ontwijkt hij een rechtstreeks antwoord, waardoor zij gaat menen dat men haar bij haar vader belasterd heeft en deze op grond daarvan ontstemd op haar is. Symmachus troost en bemoedigt haar: laat zij naar binnen gaan; dan zal hij trachten te weten te komen wat de oorzaak van Jefta's houding is, en haar daarvan dadelijk op de hoogte stellen. II-c. Gevolgd door haar stoet van maagden (de Rey) komt Ifis ook ditmaal haar vader als overwinnaar begroeten. Zijn ontroering is zó groot, dat zij haar laatste verzoek (nog éénmaal haar moeder te mogen ontmoeten) niet durft uitspreken en er slechts vaag op doelt. De Hofmeester troost en bemoedigt haar: laten vader en dochter naar binnen gaan: ‘Wat billijck is, wort niet uw bede ontzeit’ (vs. 717).
3e koor. De Rey wenst Symmachus succes toe bij zijn pogingen, en hekelt de laster. -

[p. 260]

Scène 4. Ook tegenover Symmachus ontwijkt Jefta aanvankelijk een rechtstreeks antwoord. Maar tenslotte komt toch de vreselijke waarheid over zijn lippen: de vervulling van zijn gelofte betekent dat hij zijn dochter moet offeren. Symmachus vermaant hem tot nadere overweging en tot overleg met zijn vrienden. Jefta ziet daar echter weinig heil in: de negatieve uitkomst daarvan staat immers reeds bij voorbaat vast. De Rey steunt het advies van Symmachus. III-a. Jefta en de Hofmeester zijn in gesprek over het offeren van Ifis. Ondanks zijn onduldbaar verdriet kent Jefta geen aarzeling. De Hofmeester vermaant hem tot nadere overweging en tot overleg met de priester. Jefta ziet daar weinig heil in, maar besluit toch de priester en de wetgeleerde te raadplegen.
4e koor. De Rey geeft uiting aan zijn voornemen Storge en Iphis op de hoogte te stellen, beklaagt het droevige lot van de laatste, en weidt uit over de onbestendigheid van het geluk. II-d. In de eerste Tegenzang weid de Rey uit over de onbestendigheid van het lot.
Scène 5. De Sacerdos, blijkbaar door Symmachus reeds op de hoogte gesteld, wijst categorisch de voltrekking van het offer af. Jefta laat zich echter niet door hem overtuigen. Hij wijst op het voorbeeld van Abraham, die op Gods bevel Isaäc moest offeren. Tenslotte verwijt hij de Sacerdos diens spitsvondigheid in het vinden van een middel om God tekort te doen; hij zelf geeft de voorkeur aan ‘de dwaze en simpele waarheid boven schoonschijnende, maar in wezen goddeloze wijsheid’1. III-b. De Hofpriester en de Wetgeleerde, blijkbaar door de Hofmeester reeds op de hoogte gesteld, wijzen categorisch de voltrekking van het offer af. Jefta laat zich echter niet door hen overtuigen. Hij wijst op het voorbeeld van Abraham, die op Gods bevel Isaäc moest offeren, en weigert de zaak aan de aertspriester voor te leggen. Het offer kan en mag niet meer worden uitgesteld.
5e koor. De Rey bezingt de wisselvalligheid van het leven en het lot der mensen. (Vgl. de weerslag op het 4e koor in de eerste Tegenzang van II-d)

[p. 261]

Scène 6. Door de Rey gewaarschuwd (zie 4e koor), snellen Storge en Iphis toe. Heftig verwijt Storge haar man zijn onmenselijkheid en bezweert hem van zijn voornemen af te zien. Iphis, die nog altijd meent dat haar vader ontstemd op haar is en die daaraan zijn besluit toeschrijft, smeekt hem zijn harde houding jegens haar te laten varen of haar te zeggen wat zij misdaan heeft; dan zal het haar lichter vallen de straf daarvoor te dragen. Diep ontroerd spreekt Jefta haar van alle schuld vrij; hij zelf is de enige schuldige, door de onvoorzichtigheid van zijn misdadige gelofte (‘votis nefandis’). Gerustgesteld ten aanzien van zijn liefde, aanvaardt Iphis haar lot. Van enig uitstel wil zij niet weten. Zij troost haar moeder en haar vader, neemt afscheid van haar ouderlijk huis, en gaat - gevolgd door Jefta - naar binnen om te sterven. IV-a. In een laatste gesprek met zijn dochter verwijt Jefta zichzelf, dat zij sterven moet door zijn schuld, maar Ifis troost en bemoedigt hem. Zij heeft een laatste gedachte voor haar moeder, neemt afscheid van haar vriendinnen en van het ‘vaderlijck palais’, ontvangt geknield de zegen van de Hofpriester, en gaat - gevolgd door Jefta - naar binnen om te sterven.

(Vgl. ook II-c, vs. 623-654: bij de ontmoeting met haar vader vraagt Ifis hem, of zij schuldig is aan zijn ellende en verdriet. En Jefta antwoordt: ‘Ick houde u vry. uw vader draeght de schult’ (vs. 630).
6e koor. De Rey zingt de lof van Iphis en voorspelt haar een blijvende roem. IV-b. De Rey zingt de lof van Ifis, die in offervaardigheid zelfs Isaäc overtreft, en voorspelt haar een blijvende roem.
Scène 7. De Nuncius verhaalt aan Storge, hoe moedig en gelovig Iphis gestorven is. Storge beweent haar dochter. V-c. Als Filopaie terugkeert, is het offer reeds volbracht. Uitzinnig van verdriet verwijt zij haar (afwezige) man zijn onmenselijkheid (vgl. hierboven, Jephthes, scène 6). Eerst na een bezwijming wordt haar houding gelatener. Met de ‘dootbus’ van Ifis in de handen beweent zij haar dochter.

Uit het bovenstaande overzicht valt af te lezen, dat Vondel niet alleen nauwkeurig de grote lijn van Buchanans drama volgt, maar bovendien gezorgd heeft voor aansluiting bij elk van diens zeven scènes en, voor zover mogelijk, bij de koren.

[p. 262]

Doordat hij Filopaie in een geheel andere situatie plaatst dan Buchanan het Storge had gedaan, kon de parallellie met de eerste en de zevende scène van Jephthes slechts een enkel detail betreffen, maar dit maakt het voorkomen daarvan des te opmerkelijker. Dat van de koren de eerste en de derde zang ongebruikt werden gelaten, ligt voor de hand. Het motief van de eerste rei - een gebed om verlossing van het juk der Ammonieten - had in de situatie bij Vondel, twee maanden na hun vernietiging, geen enkele zin meer, terwijl transpositie op de Ephraïmmers niet mogelijk was omdat dezen niet als onderdrukkers konden worden voorgesteld. De hekeling van de laster in Buchanans derde koorzang houdt verband met het feit dat Iphis de vreemde houding van haar vader bij de fatale ontmoeting toeschrijft aan verstoordheid, veroorzaakt door lasterpraatjes over haar; bij Vondel kon er, na Ifis' terugkeer uit de bergen, van misverstand tussen vader en dochter geen sprake meer zijn, zodat ook de desbetreffende rei diende te vervallen.

 

Zoals wij reeds gezien hebben, zijn bij een imitatio de afwijkingen niet minder belangrijk dan de overeenkomsten. Het is daarom nodig, in aansluiting bij het bovenstaande óók de voornaamste verschillen tussen de Jephthes en de Jeptha aan te geven, en na te gaan of Vondel bepaalde redenen kan hebben gehad om de vereiste variatio juist op deze punten en op deze wijze aan te brengen.

De afwijkingen ten opzichte van Buchanan, die het meest de structuur en de strekking van Vondels drama bepalen en daaraan een eigen karakter verlenen, zijn drie in getal: 1. de vervanging van de overwinning op de Ammonieten door die op de Ephraïmmers; 2. het weglokken van Filopaie vóór het offer, zodat zij geen invloed kan uitoefenen op de loop der gebeurtenissen en bij haar terugkeer voor een voldongen feit wordt gesteld - terwijl bij Buchanan Storge zich heftig tegen de beslissing van Jefta verzet; 3. de interpretatie, motivering en beoordeling van Jefta's daad.

Voor de eerste wijziging hebben wij de verklaring reeds in

[p. 263]

het Berecht leren kennen. Vondel wil daarmee de ‘fout’ herstellen, die Buchanan gemaakt had door het verwaarlozen van de twee maanden uitstel vóór de voltrekking van het offer1.

Het tweede punt - de weglokking van Filopaie - stelt ons voor veel grotere moeilijkheden, omdat elk concreet uitgangspunt voor een verklaring hier ontbreekt. Noch in de kritiek van Heinsius en Vossius op Buchanan, noch in de Jefta-commentaren van de door Vondel geraadpleegde theologen is iets te vinden, waaruit begrepen zou kunnen worden waarom deze meende Filopaie buiten het geheim en het gewetensconflict van Jefta te moeten houden en haar ter wille daarvan, na haar optreden in het eerste bedrijf, van het toneel te moeten weren tot na de voltrekking van het offer. Van Lennep, en anderen na hem, hebben het Vondel zwaar aangerekend, dat op deze manier de moeder van Ifis buiten de eigenlijke handeling staat: ‘zy is in 't kort een hors d'oeuvre in 't stuk’2. De laatste jaren heeft de dichter op dit punt echter verdedigers gevonden. De Jong ziet in de onoprechtheid van Jefta tegenover zijn vrouw een bewijs van zwakte, waardoor de latere bekering wordt voorbereid3. Bomhoff meent dat Vondel ‘met grote tact’ de confrontatie van Jefta met Filopaie uit de weg is gegaan: ‘immers, de afloop stond vast, maar hoe had Vondel in dit geestelijk duel de eerbied voor zijn heilige held kunnen ophouden? .... Jefta ware uit dit debat verslagen en onwaardig te voorschijn gekomen’4. Noë tenslotte verklaart Vondels oplossing - die hij overigens zwak acht - als een bewuste keuze ‘tussen een toneel van moederlijke passie in botsing met vaderlijke koppigheid, en een toneel van enkel gepassioneerde redenering’ (namelijk de priester-scène); de aanwezigheid van Filopaie zou ‘een meer bezadigd overleg, de zuivere oplossing van een gewetensvraag’ onmogelijk gemaakt hebben5. Ik be-

[p. 264]

schouw deze laatste zienswijze als de meest overtuigende van de drie, omdat zij het meest op een formele overweging berust; wij hebben reeds gezien, hoezeer Vondel bij de constitutio fabulae van zijn model-tragedie met formele regels rekening hield. Ik geloof echter, dat het mogelijk is deze grondslag te verbreden en te verstevigen door ook Buchanans drama en de Bijbelversie bij onze beschouwingen te betrekken, al ben ik er mij natuurlijk van bewust dat het resultaat slechts een hypothese kan zijn. Met deze erkenning zou ik de overwegingen van Vondel, verdeeld over vijf punten, ongeveer als volgt willen reconstrueren:

1.In een imitatio van de Jephthes kon de figuur van Storge - zelf weer de equivalent van Klytaimnestra in Euripides' Ἰφιγένεια ἡ ἐν Αὐλίδι - natuurlijk niet worden gemist. Maar wèl kon, ja moest, de imitator trachten van deze figuur een beter gebruik te maken dan zijn voorganger had gedaan. En ten opzichte van het optreden van Storge viel er inderdaad het een en ander aan te merken. Buchanan laat haar, nadat zij in scène 2 het verhaal van Jefta's overwinning op de Ammonieten heeft aangehoord, met Iphis van het toneel verdwijnen. Als in de daarop volgende scène Jefta terugkeert, wordt hij dadelijk door Iphis als overwinnaar verwelkomd. Maar Storge laat zich niet zien; in plaats van haar man tegemoet te snellen, blijft zij achter de schermen. Ook als Iphis, teleurgesteld en verschrikt door de vermeende verstoordheid van haar vader, naar binnen gaat - waar zij verondersteld moet worden haar leed bij haar moeder uit te klagen -, blijkt dit voor Storge geen aanleiding een ontmoeting met haar man te zoeken. Heel het overleg van Jefta met Symmachus en met de Sacerdos vindt plaats zonder enig blijk dat man en vrouw prijs stellen op contact met elkaar. Eerst nadat de Rey haar en Iphis het verschrikkelijk geheim van Jefta's gelofte heeft onthuld, komt zij - in scène 6 - met haar dochter naar buiten stormen om zich tegen het offer te verzetten. Moet deze lange en door niets gemotiveerde
[p. 265]
afzijdigheid van Jefta's vrouw, op het moment dat haar man triumferend terugkeert van een uiterst hachelijke veldtocht, niet als onwaarschijnlijk worden beschouwd? Zo ja - en een ander antwoord lijkt nauwelijks mogelijk - dan had Buchanan hier niet voldoende rekening gehouden met de regel van de verisimilitas, waarop alle theoretici zo sterk de nadruk legden. En dan volgde daaruit, dat Vondel moest trachten in zijn model-tragedie deze fout te herstellen door het optreden van Storge (bij hem: Filopaie) waarschijnlijker en dus beter te maken.
2.Intussen is de figuur van Storge uitsluitend een vinding van Buchanan; in het Boek der Richteren wordt met geen woord over de vrouw van Jefta gerept. In hoeverre is het verenigbaar met de eerbied voor de Bijbel en met de vereiste ‘spaerzaemheit’ ten opzichte van ‘'t geen Gods boeck niet zeit’1, haar desondanks een belangrijke rol te doen spelen? Natuurlijk kan men daarop antwoorden, dat haar aanwezigheid stilzwijgend door de Bijbel wordt verondersteld, evenals die van Symmachus en de Sacerdos. Maar er is tussen de beide laatsten en haar toch wel een groot verschil! Dat Jefta vóór het offer met anderen over zijn plan heeft gesproken, ligt voor de hand; en wat is waarschijnlijker dan dat hij dit deed met zijn beste vriend en met de priester? Maar is het óók waarschijnlijk, dat de Bijbel de weerstand van zijn vrouw als iets zó vanzelfsprekends beschouwde dat deze onvermeld kon blijven? Het verzwijgen van een zo tragische complicatie als het breken of negeren van die weerstand zou hebben betekend, valt eenvoudig niet aan te nemen2. Of zou de vrouw van
[p. 266]
Jefta zich even vroom en gelaten als haar dochter naar de wil van God hebben gevoegd? Maar dan zou de Bijbel stellig ook háár houding als een voorbeeld van geloofsmoed en offerbereidheid hebben vermeld! Het vasthouden aan de moeder-figuur stelt de dramaturg dus voor een zeer reële moeilijkheid. Het is heel begrijpelijk, dat Abraham de Koningh in zijn Iephthahs ende zijn Eenighe Dochters trevr-spel van 1615 deze knoop had doorgehakt door uitdrukkelijk te poneren, dat de moeder reeds lang te voren gestorven was1. Bij een imitatio van de Jephthes was een dergelijke oplossing echter uitgesloten. Het enige wat te bereiken viel, was een compromis waarbij enerzijds de moederfiguur wel gehandhaafd bleef, maar anderzijds de betekenis van haar optreden zoveel mogelijk beperkt werd. Daaruit volgde, dat Filopaie buiten de eigenlijke handeling moest worden gehouden, om slechts op te treden aan de periferie van het drama: in de toegevoegde ‘episoden’; zodoende werd duidelijk aangegeven, dat zij beschouwd diende te worden als een fictie van de dichter. Immers: ‘fabula est nuda actionis imitatio. Episodium est, quicquid praeter actionem illam à poëta accedit’, zoals Heinsius het formuleert2. Vondel wist dit te bereiken door Filopaie, nog vóór de terugkeer van Jefta en Ifis, met een voorwendsel uit het paleis te laten weglokken, zodat zij inderdaad
[p. 267]
- naar de term van Van Lennep - ‘een hors d'oeuvre in 't stuk’ wordt. Simons heeft er reeds op gewezen, dat hij ‘het denkbeeld ... om de moeder der te dooden maagd door een listig voorwendsel verre te houden’ aan Euripides' Iphigeneia heeft ontleend1. Hier doet zich dus de pikante situatie voor, dat Vondel door zijn wijziging op dit punt dichter bij het model van de Jephthes aansluit dan Buchanan zelf had weten te doen!
3.De gevonden oplossing deed ook de sub 1 genoemde moeilijkheid wegvallen. En zij bleek zelfs nog enkele additionele voordelen mee te brengen! Het werd nu mogelijk te voorkomen dat, zoals bij Buchanan, de beslissende betekenis van de priesterscène min of meer gerelativeerd werd door de daarop volgende emotionele confrontatie van Jefta met zijn vrouw. In die priesterscène staan, bij alle bewogenheid van de discussie, twee principes scherp en zakelijk tegenover elkaar. Dáár valt de laatste beslissing, en dáár ligt dus de kern van het drama. Het effect daarvan kon alleen maar verzwakt worden door een scène, waarin toch nog weer - zij het dan nu op emotionele basis - getracht werd Jefta tot andere gedachten te brengen2.
4.Doordat Filopaie in onwetendheid verkeert omtrent het lot dat haar dochter wacht, kan zij aan het einde van het drama een agnitio en een peripeteia ondergaan, die anders zijn dan die van Jefta. Deze ‘hooftcieraden’ van de tragedie komen dus beide verdubbeld voor: zowel bij de vader als bij de moeder van Ifis. De nadruk, die Vondel in zijn
[p. 268]
Berecht op deze tweeheid legt1, wettigt het vermoeden dat hij dit inderdaad als een dramaturgische prestatie beschouwde, die verdiende opgemerkt te worden.
5.En tenslotte heeft de onwetendheid van Filopaie tot gevolg, dat zij de overgang vreugde om de overwinning → wanhopige verontwaardiging → rouw vrijwel op dezelfde wijze beleeft als Storge (al betreft de vreugde dan een andere overwinning). Dat wil dus zeggen, dat Vondels afwijking van Buchanan ten aanzien van de plaats die de vrouw van Jefta in zijn drama inneemt, ten opzichte van haar het tijdsverschil tussen Jephthes en Jeptha (ten gevolge van de twee maanden uitstel) weer compenseert. Filopaie wordt evenzeer door de gebeurtenissen overvallen als Storge; de overeenkomst tussen de beide moederfiguren wordt door Vondels afwijking van de Jephthes-structuur niet verzwakt, maar verstèrkt!

Wanneer wij het probleem zó bezien, had Vondel inderdaad recht om trots te zijn op de oplossing die hij gevonden had.

 

Vondels derde grote afwijking van Buchanan, die betreffende de interpretatie, de motivering en de beoordeling van Jefta's daad, voert ons van literair naar theologisch terrein.

In de Jephthes is geen positieve aanwijzing te vinden omtrent het oordeel van Buchanan over zijn titelheld. Raymond Lebègue vat de desbetreffende gegevens als volgt samen:

La pièce elle-même ne révèle pas nettement la véritable opinion de l'auteur. L'ange n'affirme pas que la mort d'Iphis soit une punition divine; il exprime cette idée, chère aux tragiques grecs, que le héros n'aura pas le temps de s'enorgueillir de son succès. Symmachus et Iphis ne discutent pas la validité du voeu. Par contre, Storgé nie que l'accomplissement d'un voeu criminel plaise à Dieu, mais Jephthé lui réplique que Dieu l'a agréé en donnant aux Juifs la victoire (vers 1164). On peut noter aussi, avant la révélation du
[p. 269]
voeu, cette sentence du choeur: ‘Impia vota [Deus] .... ducit ad exitum’ (v. 377)1.

Dit ontbreken van elke veroordeling suggereert onwillekeurig een onuitgesproken goedkeuring. Mede op grond daarvan acht Lebègue het dan ook waarschijnlijk, dat de Jephthes in verhulde vorm een anti-Katholieke strekking bevat, met name in de priesterscène die de kern van het drama vormt. Buchanan

a fait oeuvre protestante: il a recommencé les anachronismes volontaires de Baptistes, et montré au public un personnage [nl. de Sacerdos] .... peu loyal, un casuiste dont les raisonnements habiles le libèrent de toute obligation envers Dieu. Or, on reprochait parfois aux prêtres et aux docteurs en Sorbonne de pratiquer une casuistique accomodante: je renvoie, sur ce point, à certaines épîtres de Marot2.

Jefta's afwijzing van deze casuïstiek aan het slot van de vijfde scène3 zou dus de volle instemming van Buchanan hebben gehad. Hoewel er geen definitief bewijs voor kan worden geleverd, meen ik toch dat aan de juistheid van deze hypothese nauwelijks kan worden getwijfeld; zij biedt namelijk een redelijke verklaring voor allerlei eigenaardigheden van het drama, die anders vrijwel onbegrijpelijk blijven.

Heeft wellicht ook Vondel een anti-Katholieke tendens in de Jephthes vermoed of althans de houding van de titelheld als ‘Protestants’ beschouwd? Deze vraag, rechtstreeks voortkomend uit het onderzoek van de Jeptha als imitatio van Buchanans tragedie, geeft een nieuwe achtergrond aan de opvatting van Simons ‘dat het de hoogmoed der Protestanten is, die door Vondel, met meer of minder opzet of bewustzijn, is gemaakt tot onderwerp van zijn treurspel’4. Want dan zou de dichter

[p. 270]

bij zijn verbeterende wijzigingen óók de tendens van zijn voorbeeld hebben betrokken, zózeer zelfs dat hij die omkeerde. Ik durf op de bewuste vraag geen antwoord geven. Wel ben ik er met Simons van overtuigd, dat in de houding en de woorden van Jefta zinspelingen op het Protestantisme onmiskenbaar zijn - wij komen daar later op terug -, maar of deze als correctie op de Jephthes bedoeld zijn dan wel spontaan (d.w.z. onafhankelijk van Buchanan) bij de dichter zijn opgekomen toen hij zijn Jefta-figuur uitwerkte, valt niet nader vast te stellen. Intussen acht ik het eerste zeker niet helemaal uitgesloten. Maar ook als Vondel de Jephthes niet direct in anti-Katholieke zin heeft geïnterpreteerd, moet het hem toch opgevallen zijn, dat Jefta aan het slot van de vijfde scène de bemiddeling van de Sacerdos afwijst met een hatelijke opmerking over diens casuïstiek, zonder dat uit het vervolg van het drama iets van kritiek op deze houding blijkt. En dan zal hij zich afgevraagd hebben, of daaruit geconcludeerd diende te worden, dat Jefta gelijk had en de priester ongelijk. Maar als Jefta gelijk had, waarom stond dan de priester, die toch verondersteld mocht worden in geloofszaken meer bevoegd te zijn dan hij, niet volledig aan zijn kant, óók in zijn strijd met Storge? De combinatie van de mislukte priester-interventie met de goedkeuring van Jefta's daad moet voor Vondel - voor wie een priester nu eenmaal altijd een geestelijke gezagdrager was - een haast onoverkomelijke moeilijkheid hebben gevormd. Of had Buchanan zijn stilzwijgen niet als een goedkeuring bedoeld? Maar waarom sprak hij zich dan niet duidelijker uit, zodat er van onzekerheid of zelfs van misverstand geen sprake kon zijn? En hoe stond het met de gelofte zelf? Achtte Buchanan die zondig of goed? Ook buiten de priester-scène schijnen sommige uitingen in de dialoog op het eerste te wijzen, maar zij blijken afkomstig te zijn van de wanhopige Storge of van de met zijn smart vechtende Jefta; in hoeverre kan en mag men aan hun emotionele uitroepen algemene geldigheid toekennen? Het

[p. 271]

lijkt mij uitgesloten dat Vondel, bij de nauwkeurige bestudering van de Jephthes die voor zijn imitatio noodzakelijk was, niet op deze of soortgelijke vragen zou zijn gestuit. Want inderdaad: ‘La pièce elle-même ne révèle pas nettement la véritable opinion de l'auteur’.

Bij zijn uitgesproken emblematische instelling moet Vondel, ook als hij geen ogenblik aan een anti-Katholieke tendens heeft gedacht, deze onzekerheden als een nieuw tekort van Buchanan hebben beschouwd. Dramatisering is voor hem tevens zinduiding, en zinduiding van een historie is niet mogelijk zonder zekerheid omtrent de wijze waarop de daden van de hoofd-figuren moeten worden beoordeeld. Zijn manier van werken maakte een antwoord op de ‘open vragen’ van Buchanan noodzakelijk, voordat hij verder kon gaan1. En het ligt volkomen in zijn lijn, dat hij daarvoor deskundige voorlichting zocht bij gezaghebbende theologen van zijn tijd.

Die theologen zijn Arias, Serarius en Salianus geweest. In zijn Berecht noemt Vondel hen slechts in verband met hun mening, dat de overwinning op de Ephraïmmers vóór het offeren van Jefta's dochter moet worden gesteld2. Maar het feit dat hij deze drie geleerden met name noemt, terwijl hij verder volstaat met een algemene verwijzing naar ‘andere treflijcke vernuften’, wijst er op dat zij hem meer dan die anderen vertrouwd geworden zijn. En inderdaad blijkt, dat hij hun werk geraadpleegd en bij zijn interpretatie van het Jefta-verhaal ernstig met hun uiteenzettingen rekening gehouden heeft3.

[p. 272]

Het minst had hij aan Arias1. Deze interpreteert namelijk de strekking van Jefta's gelofte op een wijze, die het doden van Ifis uitsluit2. Volgens deze interpretatie moet die als tweeledig worden opgevat. Jefta belooft het eerste3, dat hem uit zijn huis tegemoet komt, aan God te zullen opdragen, ‘ & erit Domino vel adscendere fecero illud holocaustum’. Wanneer dit iets is, dat als brandoffer in aanmerking komt, dan zal het geofferd worden; leent het zich daartoe niet of is het offeren daarvan niet geoorloofd, dan zal het op andere wijze aan God worden toegewijd. Voor Arias staat daarom vast, dat Jefta zijn dochter niet heeft geofferd. De Wet stond dergelijke offers immers niet toe, en Jefta had daaraan - blijkens de wijze waarop zijn gelofte verstaan dient te worden - ook nooit gedacht. Hij kon dus, ook ten opzichte van zijn dochter, zonder bezwaar zijn gelofte vervullen: ‘ & fecit ei sicut vouerat’. Dit betekent, dat zij in het vervolg in volledige afzondering alleen voor God zou moeten leven, mediterend en biddend en ‘alsof zij reeds gestorven was, zichzelf begravend door voortdurend te denken over de dood, zonder enige omgang of aanspraak, ook niet van vrouwen’4. Dat is zeker geen benijdenswaardig lot voor een jong meisje, en Jefta's ontsteltenis, wanneer het zijn dochter blijkt die hem als eerste tegemoet komt, is dan ook begrijpelijk. Maar gelofte blijft gelofte. Dan had hij maar voorzichtiger moeten zijn, hetzij door bij de gelofte zijn dochter uit te zonderen, hetzij door bij zijn terugkeer een bode vooruit te zenden om onheil te voorkomen5.

[p. 273]

Vondel behoefde zelfs niet te overwegen, of en in hoeverre hij deze opvatting genoegzaam in overeenstemming met de Bijbelse waarheid achtte om zich daarnaar te richten. Bij een imitatio van de Jephthes, waar Iphis wèl geofferd wordt1, was zij zonder meer uitgesloten. Hoogstens kan hij bij Arias een uitgangspunt gevonden hebben voor de gedachte, dat de gelofte - in de absolute vorm, waarin zij werd uitgesproken - onvoorzichtig en dus dwaas was (vgl. vs. 1733a: ‘'k Heb dwaes belooft...’). En verder trof hij er natuurlijk de uitspraak over de strijd tegen de Ephraïmmers aan, waarop zijn adviseurs hem attent hadden gemaakt: ‘namque hanc rem antè gestam, quàm in Maspham peruentum esset, historia videtur indicare, quam filiae destinatio & dedicatio postea consecuta fuerit, sed antea narrata propter connexionem consecuti euentus cum antecedente voto’2.

Veel belangrijker waren voor Vondel de commentaren van Serarius3 en Salianus4, die beiden de door Arias voorgestane interpretatie verwerpen en vasthouden aan een werkelijke offerdood van Jefta's dochter. Salianus, die een uitgebreid standaardwerk schreef - ‘in quibus res gestae ab Orbe condito ad Christi Domini natiuitatem, & mortem, per annos ferè singulos digeruntur, & explicantur. Qvibus connexi svnt Annales Imperii Assyriorvm, Babyloniorvm, Persarvm, Graecorvm, Atqve Romanorvm. Quantum ex sacris, profanisque Scriptoribus agnosci, atque ordinari potuerunt’ -, is begrijpelijkerwijze beknopter dan Serarius, die slechts twee Bijbelboeken behandelde en zich dus geen beperking behoefde op te leggen. Bovendien maakt Salianus - en ook dit volgt uit de opzet van zijn samenvattend werk - voortdurend dankbaar gebruik van wat zijn voorganger en ordegenoot over de problematiek van het

[p. 274]

Jefta-verhaal had opgemerkt. Daardoor wordt het begrijpelijk, dat Vondel meer aan Serarius dan aan hem te danken heeft gehad, in die mate zelfs dat Serarius als de eigenlijke theologische bron voor de jeptha moet worden aangemerkt. Dit neemt echter niet weg, dat de dichter, met name op detailpunten, ook bij Salianus een en ander gevonden heeft dat hem te pas gekomen is. Terloops werd hierboven reeds opgemerkt, dat hij in zijn Berecht vrijwel letterlijk de woorden van Salianus overneemt om te verklaren, waarom de Bijbel de strijd tegen Ephraïm eerst na het offeren van Jefta's dochter aan de orde stelt1. Een tweede voorbeeld levert het begin van de tweede zin uit de Inhoudt: ‘Hy [= Jeptha], van nootdruftigheit aengeperst, geneerde zich by2 Heidenschen roof, en gaf treflijcke proeven van dapperheit ...’3. Naar aanleiding daarvan merkt Noë in de inleiding op zijn uitgave van de Jeptha op: ‘Maar Vondel verdoezelt de feiten toch wel waar hij in de Inhoud zegt dat Jefta ‘zich geneerde bij heidensen roof’. Die roof op heidenen moet het illuster karakter van zijn held vrijwaren’4. De door Noë geïncrimineerde woorden blijken echter letterlijk aan Salianus ontleend: ‘Iephte igitur vir fortis ac strenuus, se suósque, praedas ex hoste captando, sustentabat, quo tempore filij Ammon pugnabant contra Israel’5. En de ‘treflijcke proeven van dapperheit’, die Vondel daar onmiddellijk op laat volgen, zijn ongetwijfeld ontleend aan wat Salianus even tevoren heeft opgemerkt: ‘Iam tum Iepthe, diuino vtique instinctu, aliquid moliri contra hostes coeperat, & crebris eos, insperatísque insultibus latronum more fatigare’6. Een nauwkeurige vergelijking van de details uit de Jeptha met deze bron zou vrijwel zeker meer van dergelijke ontleningen aan het licht brengen.

Serarius gaat niet alleen het uitvoerigst, maar ook het meest systematisch op de problemen in. Wanneer als Quaestio XIV

[p. 275]

de vraag aan de orde komt ‘Quod Iephtae votum?’, dan begint hij met te betogen dat Jefta niet alleen aan dieren, maar wel degelijk ook aan mensen heeft gedacht. Hij wilde iets groots en uitzonderlijks aan God beloven: ‘Quid enim magnum & excellens fuisset, si pecudem vnam, vel aliud nescio quid Deo sacrasset?’1 In overeenstemming hiermee verwerpt Serarius categorisch de tweeledigheid van de gelofte, zoals ook Arias die verdedigd had, en trekt hij geen ogenblik in twijfel dat Jefta zijn dochter werkelijk geofferd heeft. In dit verband maakt hij de opmerking, dat sommige ‘Rabbini recentiores’ dezelfde mening zijn toegedaan, onder wie ook Rabbi Salomon, ‘al bazelt deze met zijn bewering dat enerzijds Jefta uit aanmatigende trots (arrogantiâ quadam) de Hogepriester niet is gaan raadplegen, en anderzijds de Hogepriester het beneden zijn waardigheid heeft geacht zelf naar Jefta te gaan om hem te waarschuwen’2.

Het is duidelijk, dat de scherpe afwijzing van Serarius in dit citaat de veronderstelde préséance-strijd tussen Richter en Hogepriester betreft, en niet de bedoeling heeft te ontkennen dat Jefta eventueel op andere gronden geweigerd zou kunnen hebben de Aertspriester te raadplegen3. Blijkbaar heeft ook Vondel het zo begrepen. Want in vs. 1132-1163 van zijn drama neemt hij wel het motief over dat hem indirect door Rabbi Salomon aan de hand was gedaan - ook hij laat Jefta weigeren ‘d'uitspraeck des aertspriesters hier op (te) hooren’, zoals de Hofpriester voorstelt -, maar als oorzaak van die weigering vervangt hij de ‘arrogantia’ door het koppig vasthouden van Jefta
[p. 276]
aan zijn overtuiging dat het eigen geweten boven elke priesterlijke uitspraak prevaleert. Zodoende deed Vondel de theologie (Serarius) niet tekort, en kon hij toch de discussie in de priesterscène - waaraan hij bij zijn imitatio van de Jephthes nu eenmaal gebonden was - opvoeren tot een veel principiëler punt dan Buchanan, bij wie het raadplegen van de Aertspriester niet ter sprake komt. En juist op dit principiële punt kon de eigenzinnigheid in de houding van Jefta duidelijk genoeg aan de dag treden om te overtuigen van zijn ongelijk.

Vervolgens komt Serarius tot de vraag, of Jefta bij het afleggen en/of het volvoeren van zijn gelofte gezondigd heeft. Er zijn ten aanzien daarvan vier opvattingen mogelijk, die alle vier hun verdedigers gevonden hebben: ‘quidam aiunt peccasse vouendo, non reddendo ..... Alij peccasse reddendo votum, non autem vouendo ..... Alij existimant peccasse Iephten & votum illud vouendo, & idipsum explendo ..... Censent demum nonnulli neque vouendo, neque reddendo peccasse’1. De beide eerstgenoemde standpunten lijken hem weinig aannemelijk. Want als de gelofte zondig was, hoe kon dan de uitvoering goed zijn? En omgekeerd: als de gelofte goed was, hoe kon dan de uitvoering zondig zijn? ‘Si enim benè vouit Iephte, bona quoque voti eius fuit materia. Seruari ergo votum debuit. Quando autem, quod seruari debet, seruatur, haud peccatur’2.

Daarentegen acht Serarius de derde opvatting, volgens welke Jefta zowel bij het afleggen als bij het volvoeren van zijn gelofte gezondigd zou hebben, zeer waarschijnlijk: ‘Tertia opinio quae vouentem, votumque persoluentem, peccasse Iephten ait, valdè probabilis est’3. Op de argumenten, die voor deze opvatting worden aangevoerd, ga ik niet nader in. Men kan ze uitvoerig bij Simons vinden4, en bovendien komen zij vrijwel overeen met wat bij Buchanan de Sacerdos en bij Vondel de Hofpriester

[p. 277]

waarschuwend aan Jefta voorhouden; alleen heeft Vondel de argumentatie, zoals hij die in de Jephthes vond, hier en daar aan de hand van Serarius wat aangevuld of uitgewerkt.

Bijzondere aandacht verdient echter de slot-conclusie, waartoe Serarius bij zijn bespreking van deze derde opvatting komt. Men mag niet uit het oog verliezen, dat in Hebreeën 11 : 32 Jefta onder de geloofshelden van het Oude Testament wordt genoemd, op één lijn met persoonlijkheden als Henoch, Abraham, Mozes, David en Samuël! Hoeveel waarde de geleerde Jezuiet aan deze Bijbelplaats toekende, blijkt wel uit het feit dat hij ruim twintig bladzijden verder zijn Jefta-commentaar besluit met de opmerking: ‘In beatorum verò sanctorumque numero esse Iephten affirmat S. Paulus Hebr. 11 . 32. vt non dubitanter dicere liceat; S. Iephte, ora pro nobis. Amen’1. Het gaat daarom niet aan, Jefta zonder meer als een zondaar te beschouwen! Wanneer men er van uitgaat, dat hij door het offeren van zijn dochter gezondigd heeft, dan zal men dus tevens moeten aannemen, dat hij zich daarna weer volledig met God heeft verzoend. Hem schuldig te achten impliceert het veronderstellen van zijn berouw. Omtrent het moment, waarop hij dan tot berouw gekomen is, bestaat geen enkele zekerheid, maar het ligt voor de hand aan te nemen, dat dit al bij het brandoffer gebeurd is, toen hij zag dat zijn dochter niet door God gered werd zoals indertijd Isaäc van het offermes was gered. Of in Serarius' eigen woorden: ‘Necessariò statuendum, Iephten peccati huius egisse poenitentiam, quia sanctus ac beatus à D. Paulo Hebr. 11. declaratus. Quando autem illam egerit, non est quidem certum, opinari tamen licet, egisse in ipsa statim crematione, cum filiam vidit in viuis à Deo non seruari, vti seruatus olim fuerat immolandus Isaac’2.

De hele beschouwing van Serarius over de ‘tertia opinio’ ten aanzien van Jefta's schuld is voor Vondel van de allergrootste betekenis geweest. Want het is zonder meer duidelijk, dat hij de probleemstelling van zijn Jeptha vol-
[p. 278]
ledig daarop heeft gebaseerd. Hier vond hij een concreet antwoord op alle vragen, die door Buchanan waren opengelaten, en daarmee het materiaaal om aan zijn imitatio van de Jephthes een duidelijker zin en strekking te geven dan zijn model vertoonde. Waarom Vondel zich bij deze ‘tertia opinio’ aansloot en niet bij de vierde opvatting, die door Serarius nòg waarschijnlijker wordt geacht, is een vraag die wij aanstonds onder de ogen zullen hebben te zien. Voorlopig stellen wij slechts vast, dat deze aansluiting integraal is en ook het berouw van Jefta onmiddellijk na de offerdaad omvat. Bij Seràrius ligt de verklaring voor de veel-omstreden eerste scène van het vijfde bedrijf, met ‘de ommekeer van Jeptha's overtuiging, een uur nà het gebrachte offer’1, die in psychologisch opzicht vrijwel algemeen2 onvoldoende verantwoord wordt geacht3. Deze scène is géén vrije vondst van Vondel, die hij even goed had kunnen weglaten of wijzigen, maar de onvermijdelijke consequentie van de door hem aanvaarde ‘tertia
[p. 279]
opinio’: een theologische noodzakelijkheid, zoals Serarius hem had doen begrijpen1.

Het méést waarschijnlijk (maximè probabilis) acht Serarius echter de vierde opvatting, volgens welke Jefta nòch bij het afleggen nòch bij het volvoeren van zijn gelofte gezondigd heeft. Het voornaamste argument voor deze opvatting ligt in de mededeling van Richteren 11 : 29a: ‘Toen kwam de Geest des Heren op Jefta’ (Factus est ergo super Jephte spiritus Domini), die dan in het bijzonder op de gelofte wordt betrokken. Dan is dus God zelf de instigator daarvan geweest en was alles, wat daaruit voortvloeide, blijkbaar overeenkomstig Zijn wil. Dan heeft Jefta slechts gehoorzaamd aan een Goddelijke ingeving en valt er verder niets meer te zeggen: ‘Deus enim iustificat, quis condemnet?’2

Ook van dit motief, dat evenmin als het beroep op de Aertspriester in de Jephthes voorkomt, heeft Vondel gebruik gemaakt, zij het op andere wijze dan Serarius. Terecht heeft Noë opgemerkt, dat het bij de laatste het beslissende argument is om de onschuld van Jefta te bewijzen, terwijl Vondel het ‘zijn held slechts even in de mond (legt) om er dadelijk het beslissende argument van de priester met alle klem te laten op volgen: de uitspraak van de aartspriester gaat boven alles’3. Alleen dient daaraan te worden toegevoegd, dat bij Vondel het beroep op ‘'s hemels geest’ tevens het argument is, op grond waarvan Jefta het raadplegen van de Aertspriester afwijst:
 
Mijn hart wert sterck van 's hemels geest gedreven,
 
Toen ick, getroost te sterven, of te leven,
 
Godts volck, en Godt ten dienste, heenevoer,
 
Den oppersten eene offerhande zwoer
 
Te heiligen. nu buiten mijn vermoeden
 
Dit uitvalt, en d'onnoosle maeght moet bloeden,
[p. 280]
 
Vertroostme dat Godts geest mijn' yver steef.
 
d'Aertspriester hou zijne eer, en waerde: ick leef
 
Nu raet met Godt: hier gelt geen tegenreden.
 
(vs. 1155-1163)

In de nieuwe context mist het motief inderdaad de beslissende betekenis die het bij Serarius heeft; nu Hofpriester en Wetgeleerde het beroep op een Goddelijke ingeving niet aanvaarden, verliest die ingeving het karakter van objectieve en onaantastbare realiteit, waarvan de commentator van het Boek der Richteren was uitgegaan. De reactie van de priesterschap kenschetst de desbetreffende mening van Jefta als subjectief en onjuist, en zijn vasthouden daaraan als onverantwoordelijke eigenzinnigheid. Toch heeft het gebruik van dit motief in Vondels drama een sterke functionele waarde. Het doet duidelijk uitkomen dat Jefta te goeder trouw is, en geeft de enigaanvaardbare verklaring voor zijn weigering gebruik te maken van de uitweg die hem gewezen wordt. Wij gaan daardoor begrijpen, dat hij niet zondigt uit gebrek aan eerbied voor God, maar ‘door onweetenden yver’ die hem tot ‘ongehoorzaemheit [nl. ten opzichte van de, priesterlijke aanwijzingen], en het overtreden der wet en zijnen vaderlijcken plicht’ drijft1. Het blijkt dus weer Serarius, aan wie Vondel het motief te danken heeft, waardoor hij inderdaad Jefta kon uitbeelden als ‘nochte heel vroom, nochte onvroom, maer tusschen beide’2.

Waarom heeft Vondel, terwijl Serarius - evenals na hem Salianus - zich bij de vierde opvatting aansloot, als uitgangspunt voor zijn tragedie aan de ‘tertia opinio’ de voorkeur gegeven3? Het antwoord daarop moet naar mijn mening luiden: omdat hij door de eisen van zijn drama in tweeërlei

[p. 281]

opzicht gebonden was en dus géén keus had. In de eerste plaats moest zijn hoofdfiguur voldoen aan de Aristotelische eis van ‘tusschen deughdelijck en gebreckelijck, den middelwegh (te) houde(n)’1. Dat kon alleen bereikt worden, wanneer er bij Jefta schuld werd verondersteld. Uitgaande van de ‘quarta opinio’, zou Vondel hem hebben moeten tekenen als een geloofsheld die, om zijn gehoorzaamheid aan God tot in het offeren van zijn dochter, slechts bewonderd en verheerlijkt kon worden. Daarmee zou hij echter teruggevallen zijn in de fout, die hij indertijd met Peter en Pauwels en vooral met Maria Stuart had gemaakt2 en waaraan hij zich sindsdien voorgoed ontworsteld had. Hij had van Vossius te goed geleerd dat een tragedie de onschuldige held uitsloot, dan dat het in hem opgekomen kan zijn daarvan - en nog wel in een modeltragedie! - af te wijken!

In de tweede plaats was Vondel gebonden aan de priesterscène, die te zeer de kern van Buchanans Jephthes uitmaakte om bij een imitatio geëlimineerd te kunnen worden. In die scène komen Jefta en de priester diametraal tegenover elkaar te staan: het gelijk van de eerste zou het ongelijk van de tweede betekenen. Zoals ik eerder al heb opgemerkt3, moet dit voor Vondel, bij zijn grote eerbied voor het priestergezag, een onaanvaardbare consequentie zijn geweest. Als op een punt van geloof leek en priester tegenover elkaar staan, moet trouwens al op grond van diens meerdere deskundigheid aangenomen worden, dat de priester het juiste inzicht heeft. Het conflict met de priester maakt Jefta's ongelijk tot een noodzaak.

Het verdient overigens opmerking dat Vondel blijkbaar elke twijfel aan dit ongelijk heeft willen uitsluiten door het conflict zo principieel mogelijk te stellen. Men zou namelijk geneigd kunnen zijn, met een beroep op het feit dat elke regel zijn uitzonderingen kent, in dit bijzondere geval tòch het gelijk van de priester in twijfel te trekken. Daarom laat
[p. 282]
Vondel - tot op zekere hoogte gebruik makend van het motief bij Rabbi Salomon - de Hofpriester aan Jefta voorstellen ‘d'uitspraeck des aertspriesters hier op (te) hooren’. Met dit voorstel erkent de priester dat hij als lagere geestelijke niet onfeilbaar is; maar de Aertspriester is ‘Godts mondt’ (vs. 1766) en spreekt inderdáád namens God. Zodoende wordt dus het meningsverschil van het persoonlijke vlak overgebracht naar het principiële. Het gaat niet meer om Jefta en de toevallige Hofpriester, maar om Jefta en de Priesterschap. De weigering om de Aertspriester te raadplegen betekent een principiële afwijzing van het priestergezag als zodanig, en daarmee staat voor Vondel de schuld van Jefta buiten kijf. Bij Buchanan zou men desnoods nog kunnen verdedigen dat de priester zich vergiste; bij hèm sluit het beroep op de Aertspriester elke mogelijkheid tot een dergelijke interpretatie uit.

Vondels keuze van de ‘tertia opinio’ blijkt dus minder - misschien zelfs in het geheel niet - te berusten op een persoonlijke overtuiging dan op dramatische overwegingen. Hij doet hier precies hetzelfde als vijf jaren tevoren bij de Lucifer. Toen was hij, ‘naerdien dit ons treurtafereel rycker stof en luister byzet’, afgeweken van ‘het gevoelen der meesten’ onder de Godgeleerden, om zich aan te sluiten bij dat van de Scotistische minderheid1. Om soortgelijke redenen maakt hij voor zijn Jeptha gebruik van de ‘opinio valdè probabilis’ en niet van de ‘opinio maximè probabilis’. En weer kon hij dit met een gerust geweten doen, omdat ook de eerste opvatting theologisch voldoende verantwoord was om hem te vrijwaren voor de beschuldiging ‘de rechtzinnige waerheit opzettelyck (te) willen in het licht staen, of iet, naer ons eige vonden, en goetduncken, vast (te) stellen’2.

 

Behalve een duidelijke uiteenzetting omtrent de vraag naar Jefta's schuld vond Vondel ook op meer ondergeschikte punten

[p. 283]

bij Serarius allerlei, waarvan hij dankbaar gebruik heeft gemaakt. Ik beperk mij tot slechts enkele voorbeelden. Daaruit moge overigens blijken, dat de eerstvolgende uitgever van Vondels Jeptha er moeilijk aan zal kunnen ontkomen alle details van dit drama nauwkeurig te vergelijken met de commentaar, in de eerste plaats van Serarius, maar ook van Salianus. Dan eerst zal duidelijk worden, hoe weinig Vondel uit eigen fantasie aan het Bijbelverhaal toevoegt. Voor zover de toegevoegde motieven niet door de imitatio van de Jephthes bepaald zijn, vinden zij vrijwel alle op de een of andere manier in die commentaren hun rechtvaardiging. Er bestaat op dit punt nog steeds een misverstand, waarvan Noë zich de tolk maakt, wanneer hij - naar aanleiding van Vondels verklaring in het Berecht: ‘want het is klaer dat men in het heilighdom des bybels niets magh veranderen’1 - opmerkt:

.... onderwierp hij zich ook theoretisch aan Vossius' gulden regel om, bij zulk gewijd onderwerp, de tekst en de letter van de H. Schrift nauwkeurig te eerbiedigen..., praktisch veroorloofde hij zich in de Jefta heel wat tonelen waar de bijbel met geen woord over rept. Het volstond hem, het Woord Gods nergens tegen te spreken en niet grof in te gaan tegen datgene wat de bijbel laat vermoeden’2.

De werkelijkheid blijkt in zoverre anders, dat Vondel zich dergelijke details slechts veroorlooft, wanneer hij daarbij kan steunen op het gezag van de theologen aan wie hij zich voor de exegese van het bijbelverhaal heeft toevertrouwd.

- En dan nu mijn enkele voorbeelden.

Om te beginnen vond Vondel uiteraard ook bij Serarius de mening terug, dat de strijd van Jefta tegen de Ephraïmmers vóór de volvoering van het offer moet worden gesteld:

Coorta verò videtur iniqua ista murmuratio ac seditio statim post felicem Hammonitici belli victoriam, ante filiae immolationem. quae tamen tota superiori exposita capite,
[p. 284]
vt coepta de illa perficeretur simul narratio, prout obseruat Arias1.

- Ook Vondels eigenaardige schrijfwijze ‘Jeptha’ mogen wij wel op rekening van Serarius stellen, die over de naam van de Richter opmerkt:

Scribitur Hebraicè Iiphtach, & significat, aperiet, aut apertionem ac ianuam.... Vnde apud Latinorum quosdam, vt Sulpitium Iephtha vel Iepta2.

- Een andere aantekening van Serarius geeft een verklaring voor de vrij raadselachtige verzen 529-532 uit Vondels drama. In opdracht van Jefta heeft de Slotvooght Filopaie weten te bewegen hem naar het leger te volgen, onder voorwendsel dat haar man daar op haar wacht voor het dankoffer. Kort daarop zien wij Jefta zelf bij het paleis verschijnen. Voldaan over het welslagen van zijn list, zegt hij tot de hem vergezellende officier:

 
Heirmeester, dat ging wel. ick doock nau in
 
Het eicken bosch, of mijne gemaelin
 
Stoof ons voorby. gy zaeght hoe, aen haer zijde,
 
De Slotvooght 't bosch van Efraïm vermijde.
 
(vs. 529-532)

De eerste helft van dit citaat is duidelijk genoeg: Jefta, blijkbaar reeds op weg naar Masfa, heeft zich in een eikenbos schuil gehouden, tot Filopaie en de Slotvooght op hun tocht naar het leger voorbij waren. Maar het slot is veel minder vanzelfsprekend. Waarom vestigt Jefta er zo nadrukkelijk de aandacht van de Heirmeester op, dat de Slotvooght als geleider van Filopaie het ‘bosch van Efraïm’ vermeed? Is die naam een nadere aanduiding voor het eikenbos uit vs. 530, en vermeed de Slotvooght dit, omdat hij wist dat Jefta zich daar verbergen zou? Het lijkt weinig waarschijnlijk, dat Vondel dan niet de éérste maal de naam van het bos genoemd zou hebben. Zoals het nu is, denken wij onwillekeurig aan twee ‘bossen’ van verschillende aard: in vs. 530 aan een toevallig zich langs de weg

[p. 285]

bevindend eikenbos(je) zonder importantie en zonder naam, in vs. 532 aan een uitgestrekt complex waarvan de ligging en de naam algemeen bekend zijn. Maar waarom vermijdt dan de Slotvooght dit bos, blijkbaar tot voldoening van Jefta? En hoe kwam Vondel aan deze naam? Ik kan mij niet herinneren in de annotatie van een der mij bekende Jeptha-uitgaven op deze vragen een antwoord te hebben gevonden. Maar bij Serarius blijkt dit te vinden. Over de slag tegen de Ephraïmmers deelt hij mee:

Haec Iephtae cum Ephraimitis pugna verisimiliter commissa putatur in loco eo, qui inde sylua, seu saltus Ephraim accepisse nomen videtur 2. Reg. 18. 6.1.

Het ‘bosch van Efraïm’ is dus de plaats, waar de slag geleverd is en waar zich op dat ogenblik het overwinnende leger bevindt2. En dan ligt het voor de hand, dat de Slotvooght zijn meesteres niet langs de kortste weg daarheen voert; anders zou zij veel te spoedig ontdekken dat Jefta daar niet is, en op grond daarvan argwaan kunnen krijgen of althans dadelijk naar Masfa willen terugkeren. En de bedoeling van Jefta is juist, haar lang genoeg van het paleis verwijderd te houden om in haar afwezigheid het offer te kunnen volvoeren. De Slotvooght draagt daartoe het zijne bij door haar langs een òmweg naar het leger te brengen: hij vermijdt (de rechtstreekse weg naar) het bos van Efraïm. - Dat het leger zich inderdaad in of bij het bos van Efraïm bevindt, blijkt in het derde bedrijf, als de Hofpriester zijn helper - de Wetgeleerde - als ijlbode uitzendt 'om Filopaie te waarschuwen voor het lot dat haar dochter bedreigt; hij noemt dan dit bos als de plaats waar zij kan worden gevonden:

 
Zy juicht in 't heir, en heeft geen quaet vermoên.
 
Men triomfeert om d'Efraïmsche bossen, (vs. 1182-1183)

- Tenslotte vermeld ik in dit verband nog het probleem van Ifis' medeplichtigheid aan de zonde van haar vader. Bomhoff

[p. 286]

beschouwt dit als het voornaamste argument ten gunste van zijn stelling, dat Vondel de vraag of Jefta goed deed dan wel kwaad, onbeslist heeft gelaten. Er valt immers niet aan te twijfelen, dat Ifis als een heilige wordt getekend. En zij steunt Jefta in zijn plan, zij ‘poogt bij haar vader elk spoor van aarzeling weg te nemen’! Daardoor krijgt zij deel aan diens daad en valt zij onder hetzelfde oordeel dat over hèm wordt geveld. Want ‘één ding staat toch wel voor Vondel en zijn toeschouwers vast, dat de kinderlijke gehoorzaamheid nooit verplicht is op bevel een slechte daad te doen, of er toe mee te werken’. ‘Jefta ketter maakt Ifis tot ketterse. Jefta zondaar maakt Ifis tot medeplichtige’. Daarom sluit de verheerlijking van Ifis uit, dat Vondel Jefta zou hebben willen veroordelen. Bomhoff spreekt er zijn verbazing over uit, dat niemand daar nog op gewezen heeft1.

Ook het hier geschetste probleem wordt echter wel degelijk door Serarius onder de ogen gezien, soms bijna met dezelfde woorden. Men heeft - zo betoogt hij - de dochter van Jefta wel mede-schuldig geacht aan de zonde van haar vader. ‘Neque enim male facienti consentiendum Roman. 1. vers. 32. neque ipsis etiam parentibus peccata iubentibus obtemperandum Ephes. 6. 1. Deuteron. 13. 6.’2. En al kunnen haar jeugd en haar ongerijpt oordeel als verzachtende omstandigheden worden aangevoerd, helemaal van schuld vrij te pleiten achten deze beoordelaars haar toch niet. Anderen echter zien wel schuld bij de vader, maar niet bij de dochter, en zij gronden dan de onschuld van de laatste op vijf punten: 1. zij meende het voorbeeld te volgen van Isaäc bij het offer-van Abraham; 2. zij meende ook ten aanzien van de gelofte haar vader gehoorzaam te moeten zijn; 3. zij beschouwde die als welgevallig aan God, omdat er zulk een schitterende overwinning op gevolgd was; 4. zij zag in het offer van haar leven de dankbetuiging daarvoor aan God; 5. zij vreesde dat, als zij weigerde te sterven, God haar vader zou straffen voor het schenden van zijn gelofte en dat

[p. 287]

misschien zelfs haar hele volk ten onder zou gaan1. Serarius vindt deze argumenten echter niet overtuigend. Als Jefta schuld had, kan dit alles de mede-verantwoordelijkheid van zijn dochter wel verminderen, maar niet wegnemen. Ook dáárom is het beter uit te gaan van de opvatting, dat geen enkele blaam Jefta treft.

Nu Serarius op dit probleem ingaat, mogen wij veilig aannemen dat ook Vondel er zich mee bezig gehouden heeft. En uit de praktijk van zijn drama valt af te lezen, langs welke weg hij tot een oplossing gekomen is. Uitgangspunt moest daarbij de schuld van Jefta zijn, waaraan uit dramaturgische overwegingen nu eenmaal niet te ontkomen viel. Maar Ifis wenste hij zeer bepaald niet bij die schuld te betrekken. Daarvoor zag hij in haar te veel een geloofsheldin, verwant aan Ursul uit Maeghden en aan de ongelukkige koningin uit Maria Stuart. En omdat Ifis niet de eigenlijke ‘treurrol’ te spelen kreeg, was er ditmaal in dramatisch opzicht geen enkel bezwaar tegen, haar ook als zodanig uit te beelden: ‘in alle deelen .... onnozel.... volmaeckt’2. Weliswaar meende Serarius, dat haar vader niet als schuldig kon worden beschouwd zonder dat zij medeschuldig werd, maar er bleken gelukkig ook commentatoren te zijn die daarin niet met hem meegingen. Op dit punt bleef afwijking van Serarius dus theologisch verantwoord. En zo zien wij Vondel de opvatting volgen van degenen die vasthouden aan de onschuld van de dochter, ondanks de schuld van de vader. Nauwkeurig neemt hij in zijn drama hun argumenten over, waarbij hij de meeste nadruk legt op de kinderlijke gehoorzaamheid, maar zonder één van de overige vier punten te verwaarlozen! Men vergelijke slechts de volgende citaten, waar telkens Ifis zelf aan het woord is:

[p. 288]
1
Het voorbeeld van Isaäc
 
Mijn hart gevoelt alreede een nieuwe kracht,
 
Als Isack, die getroost den slagh verwacht,
 
De weerelt voor zijn sterven afgestorven.
 
(vs. 1565-1567)
2
De kinderlijke gehoorzaamheid
 
Ick hoor zijn spraeck, gelijck een engels stem.
 
Als vader spreeckt, wat heeft een kint te zeggen?
 
'k Wil voor hem op mijn aenzicht nederleggen,
 
En schroom geen doot, maer ongehoorzaemheit.
 
(vs. 502-505)
3
Gods welbehagen aan het offer
 
De hemel biet van verre my de hant,
 
En zijne trouw, ick kus dat diere pant.. (vs. 705-706)
 
 
 
(tot de Hofpriester:)
 
Geleime, op dat, zoo hoogh uit onzen dagh,
 
Mijn offer Gode alleen behaegen magh.
 
(vs. 1437-1438)
4
Het offer een daad van dankbaarheid
 
Nu quam, nu quam ick vader t'huis, getroost
 
[De hemel laet' mijn opzet hem behaegen,]
 
Dit lichaem Gode en 't outer op te draegen,
 
Voor vaders zege, op Ammons heir behaelt.
 
(vs. 426-429)
5
Het offer ter wille van het volk
 
En Ifis hart luickt op, van weelde
 
En blyschap, nu zy dezen dagh
 
Het offer, datze zich verbeelde,
 
Naer vaders eisch, voltrecken magh,
 
Den vaderlande en 't volck ten zegen,
 
Ten prijs van Godt.... (vs. 409-414a)
 
 
 
Aertsvaders, neemt als een danckofferpant,
 
Ontfangt mijn ziel, tot heil van 't vaderlant.
 
(vs. 1605-1606)

Hoewel enkele van deze motieven ook bij Buchanan voorkomen, is de volledigheid van deze vijf punten ongetwijfeld aan het betoog van Serarius ontleend.

Bovendien laat Vondel - evenals trouwens Buchanan - Ifis geheel onkundig blijven van het conflict tussen haar vader en de Hofpriester. Zij is er zich dus niet van bewust, dat de Goddelijke oorsprong van Jefta's gelofte in twijfel getrokken of zelfs ontkend zou kunnen worden, en wòrdt. Uit de enige scène van het vierde bedrijf blijkt duidelijk, dat zij niet beter weet, of de sanctie en de zegen van de priester begeleiden haar

[p. 289]

offer. En weer is het de moeite waard op te merken, hoe zorgvuldig Vondel deze scène heeft voorbereid. Want het ligt op zichzelf helemaal niet voor de hand, dat de Hofpriester na zijn scherpe afwijzing van het offer daaraan nu toch min of meer zijn medewerking verleent en zich angstvallig onthoudt van elke opmerking, die de zekerheid van Ifis zou kunnen verstoren. Maar op zijn discussie met Jefta is (in scène III-c) een gesprek met de Hofmeester gevolgd, waardoor deze houding voor ons begrijpelijk wordt. Jefta zet tòch door, heeft de Hofmeester betoogd: maak de zaak nu niet nog pijnlijker en tragischer dan zij al is! Betuig voor het hofgerecht, dat gij het offer afkeurt, maar onttrek uw bijstand niet aan degenen die daarbij betrokken zijn! Wees bij dit offer, dat gij niet verhinderen kunt, tegenwoordig,

 
Om 's vaders, of ten minste om 's dochters wil.
 
Uw byzijn zal haer troosten in dit lijden,
 
Uw zegen haer in 't uiterste verblijden,
 
Om moediger naer 't hofaltaer te treên. (vs. 1230-1233)

Ook deze scène is een ‘verbetering’ van de Jephthes. Want bij Buchanan ontbreekt de equivalent er van, zodat wij geheel onvoorbereid en niet zonder enige verbazing uit het verslag van de Nuncius aan Storge vernemen, dat de Sacerdos ondanks zijn felle afwijzing in de priesterscène toch zijn medewerking aan het offer heeft verleend en zelfs persoonlijk het offermes heeft gehanteerd. Wat dit laatste betreft, doet de voorstelling van Vondel veel waarschijnlijker aan: bij hem beperkt de Hofpriester zich tot geestelijke bijstand, terwijl Jefta zelf als offeraar optreedt1.

En tenslotte accentueert Vondel de onschuld van Ifis door haar, vóór zij naar binnen gaat om te sterven, geknield de priesterlijke zegen te doen ontvangen. Met het uitspreken van die zegen aanvaardt de Hofpriester háár offer als rein, in tegenstelling tot dat van haar vader: ‘Gy quaemt van Godt: hy wellekomt u weder’ (vs. 1612).

[p. 290]

Met dit alles heeft Vondel zijn doel ten opzichte van Ifis volkomen bereikt. Al moge er theoretisch - getuige de opvatting van Bomhoff - misschien nog enige onzekerheid mogelijk zijn, de gewone lezer of toeschouwer zal geen ogenblik aan haar onschuld twijfelen, hoezeer hij ook overtuigd is van schuld bij Jefta.

 

Behalve door een kritische analyse van de Jephthes en een nauwkeurige lezing van Serarius en Salianus, bereidde Vondel zich op het schrijven van zijn model-tragedie ook nog voor door bestudering van de Renaissancistische poëtica. In zijn Berecht deelt hij niet zonder enige trots mee, dat hij [de Poëtica van] Aristoteles1 en [De arte poëtica van] Horatius, benevens ‘hunne uitleggers over de zelve stof’, gelezen en herlezen heeft. En hij somt niet minder dan elf van deze uitleggers op: Robertellus2, Madius, Lombardus, Scaliger, Heinsius, Grotius, Castelvetro, Delrius, Strada, Vossius en La Mesnardière3. Wij hebben geen enkele reden aan de juistheid van Vondels mededeling over het raadplegen van al deze auteurs te twijfelen, maar wèl is er grond tot enige twijfel aan het praktische nut van deze uitgebreide lectuur. Want uiteraard komen al deze commentaren en poëtica's, ondanks hun onderlinge divergenties, in hoofdtrekken toch vrijwel met elkaar overeen. Vondel kon dan ook nauwelijks verwachten er iets te zullen vinden, dat hem niet reeds uit de Institutiones poëticae van Vossius bekend was. Hoogstens zal hij er een sterkere accentuering of een pakkender formulering van bepaalde punten in hebben ontdekt, waarmee hij voor de theoretische opmerkingen in het Berecht zijn voordeel kon doen. Die theoretische opmerkingen blijken namelijk zó vaak vrijwel letterlijke citaten te zijn, dat het min of meer voor de hand ligt hetzelfde te veronderstellen voor de gevallen,

[p. 291]

die wij niet zo dadelijk kunnen thuisbrengen. Ik meen zelfs, dat deze veronderstelling voldoende gefundeerd is om te kunnen dienen als uitgangspunt voor een nader onderzoek naar het preciese gebruik, dat Vondel van elk der genoemde ‘uitleggers’ heeft gemaakt.

Te zijner tijd zal een dergelijk onderzoek stellig moeten worden ondernomen, maar in het kader van deze studie heb ik gemeend mij daarvan te kunnen onthouden. In ons verband is immers slechts van belang, dat Vondel zijn theoretische opmerkingen steeds aan de Renaissancistische poëtica ontleent; aan welke theoreticus hij van geval tot geval zijn formulering te danken heeft, is daarbij van secundaire betekenis. En het eerste valt reeds aan te tonen door vergelijking van het Berecht met de twee poëtica's, waarvan wij - op grond van het feit dat zij hem reeds eerder vertrouwd waren - mogen aannemen, dat zij in dit opzicht zijn voornaamste bronnen zijn geweest: de Institutiones poëticae van Vossius (1647) en De tragoediae constitutione van Heinsius (1611). Afgezien van de verwijzingen naar Hugo de Groot en naar Ronsard, die ik later afzonderlijk zal bespreken, blijft er dan eigenlijk slechts één opmerking over, die ik niet in de een of andere vorm in genoemde werken heb kunnen terugvinden; en wel de volgende: ‘Wy zochten oock te bereicken de dry deughden des tooneelstijls, klaerheit, en geloofwaerdigheit doorgaens, en kortheit ter behoorlijcke plaetse’1. De bron hiervoor zal dus wel bij een van de genoemde buitenlandse auteurs gezocht moeten worden; de meest waarschijnlijke lijkt mij La Mesnardière.

Ik laat hieronder ter linkerzijde van de pagina de theoretische opmerkingen uit het Berecht volgen2, met ter rechterzijde de corresponderende plaatsen bij Vossius en Heinsius3; letterlijke of nagenoeg letterlijke overeenkomsten heb ik aangegeven door ze aan beide zijden te cursiveren.

[p. 292]

1. Reg. 7b-8a:
hy [= Aristoteles] zeght dat het treurspel allermeest begrijpt den handel van eenen zonneschijn, of luttel min, of meer ...
V., lib. II, cap. III, 2:
At naturâ suâ eam drama magnitudinem exigit, quae aequalis sit spatio unius diei, vel paullò majori. - Spatium idem omni dramati praefinitum, ac tragoediae: de quâ sic Aristoteles: .... Conatur intra unicum Solis ambitum consistere, aut sanè paullum excedere.
2. Reg. 27b-31a:
Aristoteles heeft zijne leerlingen ingescherpt hoe veel gelegen zy aen eene eenige schickelijcke stellinge, in de voorbeelden der leeringen en kunsten, by overoude wijzen, ten hooghste waergenomen, en in zijn onderwijs van de dichtkunst by den gemelden niet overgeslagen.
V., lib. I, cap. VII, 1:
Quemadmodum enim in catena annuli; ita necesse est, ut in fabula partes omnes cohaereant, ac postrema mediis, media primis optimè conveniant, ac connectantur; aliaque ex aliis, vel necessariò, vel verisimiliter fluant, ac consequantur ..... Hinc liquet, cur Aristoteles n