terug  begin  verderprepost
[p. 403]

Register B (zaken)

Aantal personen Zie onder personen.
actuele strekking 58; 70-72; 234-238; 309; 360.
aemulatio 242; 247-248; 249; 252; 256; 377.
agnitio 11; 40; 246; 267-268 (sub 4); 278 noot 3; 293 (sub 6); 294 (sub 9); 302; 303 (sub 4); 308 noot 2; 366-368; 380; 389; 390-391.
alexandrijnen 297-299; 302; 304 (sub 7); 371-377; 381-382.
antithese 15-17; 18; 35-36; 67-68; 152; 165; 194.
antropomorfisme 79; 175-176.
apparatus (‘toestel van tooneel’) 296; 304.
 
Bedrijven (aantal) 258; 292 (sub 3).
berecht (tot wie gericnt) 72-73; 187-188; 240 noot 1.
bijbels toneel Zie onderverdediging van het (bijbels) toneel.
 
Deus ex machina 38.
dualiteitsdrama 36-37; 39-41; 42-43; 43-45; 52; 61-62; 81-84; 133; 164-166; 167-168; 169-172; 226-229; 355-356.
dualiteit van goed en kwaad 36-37; 39-41; 52; 81; 355-356; 379; 390.
 
Eenheid van handeling Zie onder handeling.
emblematisch aspect Zie onder exemplarisch-emblematische opzet.
episoden 266; 293 (sub 4); 294 (sub 10); 303 (sub 4).
exemplarisch-emblematische opzet 45-46; 60-61; 69; 86; 183 noot 3; 271; 356-357; 360; 379.
exitus infelix 13-14; 40.
 
Goude regelvan vossius 46-52; 265; 283.
 
Handeling 40-41; 155; 168; 169-171; 292-293 (sub 4); 303 (sub 4).
handelings-aspect 170-171.
hartstochten 295 (sub 13); 304 (sub 6).
herkennisseZie onder agnitio.
historische realiteit 14-15; 74 (sub 1); 75 (sub 3).
 
Imitatio 242-247; 247-250; 252-253; 255-262 (vnl. positief); 262-290 (vnl. negatief); 302-304; 305; 306; 359; 370; 377-378; 379.
intensiteits-aspect 170-171.
ironie 184-185; 191-192; 194 noot; 205; 210 noot 2; 215; 218 noot 1; 222; 225-229; 231; 232-233; 301. Zie ook onder tragische ironie.
[p. 404]
Karakter van de hoofdpersoon 11; 40; 43-44; 52; 83; 84; 85-86; 168-171; 174-175; 280; 281; 294 (sub 8); 303 (sub 4); 308 noot 2; 356; 361-369; 378.
kerstenende imitatio 247. Zie ook onder imitatio.
klassieke tragedie 11.
koor Zie onder rei.
 
Limiet van de zonde-marge 45; 80-84; 108; 138; 139; 148-149; 151; 160; 164; 169-170.
 
Marge in de zonde 44-45; 80-84; 108; 169.
medelijden Zie onder schrik.
modulatio (‘maetgezang van reien’) 296-297; 304.
 
Noodlot 389-390.
 
Opstands-motief 55-60; 61-62.
overgangkZie onder peripeteia.
 
Parallellie 17; 18; 67-68; 81-84; 87; 88 noot; 91-92; 100; 104; 107-108; 131; 132; 139; 152; 164; 165; 166-167; 172; 182; 192-193; 196; 199-200; 201-202; 203-204; 208-209; 210-211; 212; 213; 215; 218; 220; 246; 247; 257; 258-262; 309; 312 noot; 316 noot; 331-332; 333 noot 1; 335; 341; 343; 345; 347; 354; 361; 367-368; 391-392.
peripeteia 11; 13; 40; 245; 267-268 (sub 4); 271 noot 1; 278 noot 3; 293 (sub 6); 294 (sub 9); 302; 303 (sub 4); 308 noot 2; 380; 386; 389; 390-391; 392.
personen (aantal) 121; 292 (sub 3); 342 noot 1.
persoonlijke motieven 369-371; 372.
petrarkisme 22.
plaats (eenheid van -) 87; 193; 299-301; 302; 303 (sub 4).
proloog 251; 258.
prototypie 308-311.
 
Realiteit Zie onder historische realiteit.
rei 93 (sub I-c); 95-97; 197-198; 303 (sub 4); 304 (sub 6).
 
Schrik en medelijden 11; 76; 295 (sub 16 en 17); 304 (sub 6); 386; 390.
sententie 46; 204-205; 207; 209; 216; 225; 238; 293 (sub 5); 304 (sub 6); 328 noot 2.
staetveranderingeZie onder peripeteia.
 
Tijd (eenheid van -) 87; 193-194; 240; 244; 278 noot 3; 292 (sub 1); 303 (sub 4); 380.
tragische ironie 105; 128; 153; 159-160; 315; 322; 343; 378.
 
Universaliteit 60-61; 69; 198; 356; 379.
 
Verdediging van het (bijbels) toneel 75-76 (sub 4); 188; 189-191 (sub 4-7).
vers communs’ (‘vaerzen van tien en elf lettergreepen’) 297-299; 300; 302; 304 (sub 7); 371-377; 381-382.
vertooning’ 30-31; 42 noot 2; 222-224; 230.
vijfvoetige jamben Zie ondervers communs’.
voeglijkheid (eis van de -) 82; 294 (sub 11 en 12); 303-304 (sub 5).
vorstengezag 67.
vrijheid van de dichter 74-75 (sub 2 en 3); 82.
 
Waarschijnlijkheid (eis van de -) 38; 42; 50; 233 noot; 265; 289; 295 (sub 14); 304 (sub 6).
prepostterug  begin  verder