Zoals wij gezien hebben, maakten de tekortkomingen die - tegen Vondels verwachting - de Koning David in ballingschap in de praktijk bleken aan te kleven, een vervolg vrijwel noodzakelijk1. In tegenstelling tot het vorige spel, dat als een zelfstandige tragedie was bedoeld, is de Koning David herstelt dan ook opgezet als een complementair drama, dat voortdurend het bestaan van zijn voorganger veronderstelt en daardoor in verschillende opzichten wordt bepaald. Dit bijzondere karakter maakt het wenselijk, dat wij enigszins van onze gewone werkwijze afwijken en ons met inhoud en bouw van het drama vertrouwd maken alvorens onze aandacht te wijden aan de Opdracht. Immers, eerst wanneer wij weten op welke punten de structuur en de motieven aansluiten bij die van Koning David in ballingschap of daarvan afwijken, zullen wij de opmerkingen, die Vondel daarover in de Opdracht van zijn tragedie aan Burgemeester Cornelis van Vlooswijck maakt, tegen de achtergrond kunnen plaatsen, die zij nodig hebben om naar al hun implicaties te worden begrepen.
Koning David herstelt speelt zich af op de dag van de beslissende veldslag tussen Absalom en zijn vader. Tussen deze dag en die van Davids vlucht uit Jeruzalem, waaraan het vorige drama was gewijd, is er overigens heel wat gebeurd. Zowel in zijn Inhoudt2 als in het exposé van zijn eerste bedrijf geeft Vondel
daarvan een samenvattend overzicht, dat op enkele punten nog door details uit het Bijbelverhaal kan worden aangevuld. Dadelijk nadat Absaloms krijgsraad het plan van Achitofel verworpen en dat van Husai - waardoor David een kans kreeg - aangenomen had1, was Husai de beide aertspriesters daarvan op de hoogte gaan stellen, met verzoek het bericht aan David te doen overbrengen en hem te bezweren van dit uitstel gebruik te maken om zich aan de overzijde van de Jordaan in betrekkelijke veiligheid te stellen. Jonathan en Ahimaäz, de zonen van de aertspriesters, werden door hun vaders met deze gevaarlijke boodschap belast. Na een uiterst hachelijk avontuur2 slaagden zij er in, de koning te bereiken en hem Husai's advies over te te brengen. David gaf er onmiddellijk gehoor aan, en nog vóór het aanbreken van de dag stond hij met zijn kleine stoet inderdaad op de Oostelijke oever van de Jordaan. Nog voelde hij zich echter niet veilig. In een geforceerde mars van drie dagen en nachten trok hij langs de rivier Noordwaarts, tot hij tenslotte de vesting Mahanaïm in Gilead bereikte, waarvan de bestuurders hem welgezind waren. Zelf verblijft hij nu met zijn hofhouding in de stad, terwijl zijn leger buiten de wallen kampeert. Er zijn echter ravitaillerings-moeilijkheden, zodat het een werkelijke uitkomst is, wanneer Sobi, de vorst van de wat Zuidelijker wonende Ammonieten, per karavaan alles aanvoert waaraan het leger het meest behoefte heeft. Sobi heeft namelijk zijn kroon aan David te danken en dient hem nu met de onvoorwaardelijke trouw van een vazal.
Het drama begint op het ogenblik van Sobi's komst in de legerplaats, nog vóór het aanbreken van de dageraad. ‘Het tooneel is te Manaïm3 voor de poorte, in het leger’4. Wij moeten ons op de achtergrond de wallen van de stad voorstellen,
met de poort in het midden; boven de poort bevindt zich een versterkte uitkijk- en verdedigingspost, die een belangrijke functie in het drama zal krijgen.
a. Ondanks het nachtelijk uur is het legerkamp van David vol activiteit. Bij het grillige licht van een aantal fakkels geeft veldheer Joab zijn aanwijzingen voor de ontvangst van Sobi, die zo juist met zijn ravitaillerings-karavaan is aangekomen. Als even later de vorst verschijnt, begroet hij hem dankbaar als een helper in de nood, met een verontschuldiging voor de afwezigheid van de koning: ‘Hy rust een kleene wijl: wy waecken voor de wallen // Van Manaïm’ (vs. 38-39a). Nu hij niet dadelijk zijn hulde aan David kan betuigen, wil Sobi onder het wachten graag bijzonderheden horen over de vlucht uit Jeruzalem en de opstand van Absalom. Het antwoord van Joab biedt Vondel de gelegenheid om een exposé te geven van de situatie bij de aanvang van zijn drama. Die toestand blijkt vrij somber. Wel is de krijgsmacht van David aangegroeid doordat tal van getrouwen zich bij hem hebben gevoegd (vgl. vs. 243), maar de overmacht van Absalom blijft te groot. ‘Hier is meer moedt dan hoop in 't leger’ (vs. 101), constateert Joab. Des te meer ergert het hem, dat David ondanks alles zijn zoon blijft verontschuldigen: ‘De blinde vader is noch min met zich verlegen // Dan met dien bozen schelm’1 (vs. 94-95a). Zijn eigen haat tegen Absalom wordt er door versterkt; ook hij voelt zich immers verraden door de prins, wiens verzoening met David hij in goed vertrouwen had bewerkstelligd. Nu Absalom het gewaagd heeft de bij-
vrouwen van zijn vader te beslapen, is elke verzoening onmogelijk geworden; de komende strijd zal er een moeten zijn op leven en dood. Joab is vast besloten daaruit de consequentie te trekken, desnoods tegen Davids bevelen in:
Het is stellig geen toeval, dat Joab in de laatst-geciteerde regel het woord ‘vader’ gebruikt en niet ‘koning’. Hier ligt immers juist het conflict dat zich tussen David en hem begint te openbaren. Door zijn zwakheid als vader schiet David in een noodsituatie schromelijk als koning tekort. Daarom ziet Joab zich genoodzaakt de leiding over te nemen om de koning tegen de vader te beschermen. - Dat alles is ons duidelijk geworden, wanneer Joab tenslotte Sobi door de stadspoort naar het verblijf van David begeleidt.
b. De Rey van Hovelingen, die vol belangstelling naar de karavaan van Sobi is komen zien, dankt God voor de uitredding die Hij daarmee geschonken heeft: ‘De hemel zorght voor zijn getrouwe vrienden // In hunnen noot’ (vs. 145-146). Nooit laat God de Zijnen in de steek, zelfs niet wanneer Hij bezig is hen te straffen:
En na God prijzen de hovelingen Sobi, die zich dankbaar en trouw betoonde jegens David, zonder zich te laten weerhouden door de risico's die dit voor hem meebrengt:
a. Nog steeds is de zon niet opgegaan, als de Veerwacht - d.i. de verkenner die op de Westelijke oever van de Jordaan moest uitzien naar de komst van Absaloms leger, om Joab te waarschuwen zodra dit zich vertoonde - het kamp komt binnenrennen met een alarmerend bericht: ‘De vyant boven 't veer, is reede aen 't overtrecken’ (vs. 190). Wanneer hij Joab treft, die dadelijk naar het kamp is teruggekeerd na Sobi bij David gebracht te hebben, blijkt uit zijn verslag, dat de grootste haast geboden is; anders zal het te laat zijn om de overtocht nog te beletten.
b. David, die blijkbaar gehoord heeft dat er een bode gekomen is, heeft zich naar het kamp gehaast om dadelijk diens nieuws te vernemen. Zodra hij weet waar het om gaat, treft hij met rustige verzekerdheid de nodige maatregelen. Joabs broeder Abisai moet met de ruiterij trachten de overtocht te verhinderen; als dit mocht mislukken, kan hij terugvallen op Mahanaïm. Intussen moeten zowel het leger buiten de wallen als het garnizoen in de stad zich gereed maken tot de strijd, met streng optreden tegen ieder die een verspieder of verrader zou kunnen zijn. - Maar dit is dan ook de laatste keer, dat David zich als koning doet gelden. Onder het geven van zijn bevelen gaat hij beseffen, dat zijn maatregelen zullen leiden tot strijd en dat die strijd levensgevaar betekent voor zijn zoon! Dat doet in hem de koning terugwijken voor de vader. Zijn bevelen gaan over in een weeklacht om zijn ongelukkig lot, waarvoor hij echter niet Absalom verantwoordelijk stelt:
Hijzelf heeft schuld, omdat zijn zonde God tot straffen noopte; God heeft schuld, omdat Hij strafte door middel
van Absalom; Achitofel heeft schuld, omdat hij de zoon opzette tegen de vader! Absalom echter is te zeer het slachtoffer van jeugdige onbezonnenheid en verdorven raadgevers om zelf werkelijk schuldig te mogen heten: ‘een wulpsche oploopentheit // Verruckt1 het heete bloet, te jammerlijck misleit’ (vs. 299b-300). - Geërgerd tracht Joab opnieuw de aandacht van de koning te winnen voor de beslissingen, die genomen dienen te worden. Hijzelf is voor een afmattingstaktiek, zowel wanneer het lukt de overtocht over de Jordaan te beletten als in het tegenovergestelde geval. Vóór alles moet er tijd gewonnen worden, zodat nog veel meer aanhangers van David de kans krijgen diens leger te komen versterken. Schermutselingen dus en voortdurende kleine aanvallen op de aanvoerwegen van de vijand, maar voorlopig geen beslissende slag! David echter voert tegen elke suggestie van Joab slechts bezwaren aan. Niet omdat hij diens voorstellen afkeurt, maar omdat ook schermutselingen een vorm van strijd zijn en elke strijd gevaar meebrengt voor zijn zoon. Hij negeert eenvoudig de onherroepelijke majesteitsschennis, waaraan Absalom zich heeft schuldig gemaakt door zich de bijvrouwen van zijn vader toe te eigenen. Nog altijd hoopt hij op een verzoening, nog altijd wil hij niets liever dan onderhandelen. Maar dan moet een openlijke strijd vermeden worden zònder te capituleren, en hoe is dat nog langer mogelijk nu Absalom tot de aanval overgaat? Joab heeft natuurlijk gelijk, maar het aanvaarden van diens voorstel betekent een beslissing, terwijl hij immers niet kàn en niet dùrft beslissen! Tegen deze achtergrond moeten wij zijn wanhopige uitroep zien: ‘Noit zagh mijn oordeel min door 's oorloghs nevel heen’ (vs. 331). En dan vervalt hij opnieuw tot zelfbeschuldigingen, die ondanks hun onmiskenbare oprechtheid op dit moment toch in de eerste plaats moeten worden gezien als een vlucht voor de beslissing: ‘Mijn misdaet
tegens Godt holp deze wapens smeden’ (vs. 338). Absalom zondigde slechts ‘Uit loutre onwetenheit. hy draeght de minste schult. // Den vader schort het aen inschicken, en gedult’ (vs. 343-344). - Tenslotte geeft Joab in arren moede zijn pogingen op: er valt met de koning niet meer te overleggen! Hij verwijdert zich om de wachtposten te gaan controleren.
c. David blijft met zijn gevolg - de Rey van Hovelingen - op het toneel achter. In het grauwe licht van de naderende morgen geeft hij aan zijn vertwijfeling uiting in een klaag- en boetezang1, terwijl de Hovelingen vergeefs trachten hem te troosten en te bemoedigen. Wanneer David zich overstelpt voelt door het aantal van zijn vijanden:
dan stelt de Rey daartegenover de Almacht van God:
Als David zich om zijn zonden door God verlaten acht:
dan houdt de Rey hem voor:
Maar David is óók bang voor dit ‘ontzet van boven’, dat immers de ondergang van Absalom betekent!
Hij wil liever sterven dan zijn zoon verliezen! Naar alle kanten is de situatie voor hem even uitzichtloos. Wanhopiger dan ooit keert hij zich om en verdwijnt door de stadspoort uit het gezicht.
d. Vol medelijden ziet de Rey van Hovelingen de koning na. Het is goed, dat hij naar zijn verblijf in de stad is teruggekeerd: ‘Nu neemt hy, moght hem rust gebeuren, // Den slaep een luttel tijts te baet’ (vs. 478-479). Maar ondanks hun medeleven doorzien de Hovelingen toch niet de eigenlijke grond van Davids wanhoop. Uit hun reizang blijkt, dat zij in hem slechts de koning zien en niet de vader; zij beklagen hem, omdat na zijn overwinning op Goliath ‘Den koning was noit rust gegunt’ (vs. 491). Altijd weer was er gevaar, altijd oorlog, altijd binnenlandse onrust! En daartegenover stellen zij dan de pastorale idylle van Davids jeugd:
Het is goed bedoeld, maar hoe weinig blijkt David hier begrepen! Juist daardoor echter komt duidelijk uit, hoezeer hij alleen staat. Het is immers niet de koning die lijdt, maar de vader.
a. Vroeg in de morgen keert Abisai van de Jordaan in het kamp terug. Hij brengt David en Joab, die hem haastig tegemoet komen, een nieuw alarmbericht. Zijn ruiterij was te laat: ‘Zy ruckten over, eer wy quaemen aen den stroom’ (vs. 523). De koning en zijn veldheer kunnen dit nauwelijks geloven; de Jordaan is te diep en zijn stroom te sterk dan dat Absaloms zwaar-bepakte soldaten daar in zó korte tijd door- of overheen hebben kunnen komen! Abisai zet echter uiteen, hoe Absalom zijn ruiterij als stroombreker en stuwdam heeft gebruikt, zodat het voetvolk achter die levende muur door rustiger en ondieper water kon overtrekken1. En hij heeft succes gehad: veertigduizend man bedreigen nu Manahaïm! - Nog zijn David en Joab bezig dit te verwerken, als een van de Hovelingen komt melden dat Absaloms legeraanvoerder Amasa om gehoor verzoekt. Opnieuw handelt Absalom met overrompelende snelheid; hij weet dat zijn overtocht voor David en Joab een onaangename verrassing moet zijn geweest en maakt nu gebruik van het psychologische moment om hen tot eervolle capitulatie te bewegen. Dat hij niemand minder dan zijn legeraanvoerder als onderhandelaar zendt, behoeft in
de gegeven omstandigheden niet te verbazen. Amasa is een volle neef van Joab en evenals deze een oomzegger van David1; Absalom stuurt als parlementair dus een familielid, naar wie hij hoopt dat eerder geluisterd zal worden dan naar een buitenstaander. - David wil natuurlijk niets liever dan het gevraagde gehoor verlenen. Dit is waar hij altijd op heeft gehoopt; misschien zal het nu toch nog mogelijk blijken om zonder strijd tot een oplossing te komen! Maar tegelijkertijd weet hij, dat Joab er tegen zal zijn: onderhandelen impliceert immers een formele erkenning van Absaloms positie. Misschien zelfs is hij er zich van bewust, dat zijn antwoord meer door de vader dan door de koning in hem wordt bepaald. Vandaar de onzekerheid in zijn reactie: ‘Hoe kan men 't weigeren? wat raet? wat slaet gy voor?’ (vs. 612). Joabs antwoord is een categorisch verbod, waarmee hij David onverbloemd de leiding uit handen neemt: ‘In geener wijze zult gy hem ter spraecke staen’ (vs. 660). Als argument voert hij aan, dat Absalom niet te vertrouwen is en Amasa slechts gezonden heeft om zich op de hoogte te stellen van de situatie waarin David zich bevindt: ‘De neef komt hier zijn ooms gelegenheit bespieden’ (vs. 613). Maar zijn werkelijke motief is natuurlijk de vrees, dat David zich te toegeeflijk zou betonen en om des lieven vredes wille de troon geheel of gedeeltelijk aan Absalom afstaan. Een dergelijk compromis beschouwt hij als funest, omdat er op de duur toch weer een nieuw conflict uit zou voortkomen, zoals hij in I-a aan Sobi heeft uiteengezet2. Maar daarnaast laat hij zich ook door meer persoonlijke overwegingen leiden, zoals blijkt uit zijn ‘terzijde’ aan het slot van de scène:
Davids zwakke tegenstand is meer een pleiten voor Absalom - ‘Het is en blijft mijn zoon, al stont hy in geen reden’ (vs. 646) - dan verzet tegen Joabs beslissing. Hij legt er zich bij neer, dat hij zelf Amasa niet te woord mag staan, maar stelt nu als compromis voor, dat Joab dit in zijn plaats zal doen:
Daartegen heeft Joab geen bezwaar: hij heeft dan immers zelf de uitkomst in handen! Terwijl David naar de stad terugkeert, worden enkele dienaren uitgezonden om Amasa bij Joab te brengen.
b. Even later staan de beide neven tegenover elkaar. Amasa zet op deze familie-basis het gesprek in, maar Joab wijst dit koel en hooghartig af: niet als verwanten, maar als vijanden ontmoeten zij elkaar. Van het begin af is hij er op uit, de onderhandelingen te doen mislukken en een militaire beslissing te forceren. Zijn toon is bars, soms zelfs dreigend. Als Amasa het voorstel van Absalom overbrengt:
acht hij dit zelfs geen discussie waard: ‘Met dat beding wort hem geen dootschult quijt geschouden’ (vs. 726). Onderhandelen heeft in de gegeven omstandigheden geen enkele zin: ‘Men moet met wapenen dit kroongeschil beslechten’ (vs. 765), tenzij Absalom de wapens neerlegt en zich aan zijn
vader onderwerpt. Tevergeefs tracht Amasa met geduld en redelijkheid door Joabs apriorisme heen te breken. Tevergeefs ook vraagt hij tot tweemaal toe de koning zelf te mogen spreken. Joab schroomt zelfs niet, David een intransigente houding toe te schrijven, die volkomen met de werkelijkheid in strijd is:
Hierna kan Amasa nog slechts de mislukking van zijn missie aanvaarden. Het spijt hem, want hij zou graag een broederstrijd hebben vermeden. Aan hem heeft het echter niet gelegen: ‘men hou my buiten schult’ (vs. 807b). Vol haat ziet Joab zijn neef na: ‘Ick zweer dat gy noch van mijn handen sterven zult’1 (vs. 808).
c. Nauwelijks is Amasa vertrokken, of David - die blijkbaar ongezien vanuit de poort het gesprek heeft gade geslagen - staat weer bij Joab, in ondraaglijke spanning: ‘Hoe staet het? is'er hoop en middel van verdraegen?’ (vs. 809). Joabs antwoord slaat echter onmiddellijk elke hoop weer neer: ‘Geen ander middel, als een kans in 't velt te waegen’ (vs. 810). De reactie van de koning op deze grote teleurstelling is typerend voor zijn gehele houding: ‘Zoo waege ick zorghelijck het leven van mijn' zoon’ (vs. 811). - In het nu volgende gesprek over de te treffen maatregelen blijkt Joab teruggekomen te zijn van zijn voorkeur voor een afmattings-taktiek, zoals hij die in II-b verdedigd had. Hij wil nu alles op alles zetten en onmiddellijk de beslissende slag wagen. Wij moeten wel aannemen, dat het de houding van David is, die hem van mening heeft doen veranderen. Er valt te weinig op de koning te rekenen om een periode van onzekerheid te kunnen aanvaarden; David zou
er vrijwel zeker gebruik van maken om op het laatste ogenblik toch nog een smadelijke overeenkomst met Absalom te sluiten. Daarom is het beter, de zaak te forceren en het grotere risico op de koop toe te nemen. - Weer verzet David zich nauwelijks tegen het besluit van zijn veldheer. Hij vraagt hem slechts nogmaals, bijna smekend, of het niet mogelijk geweest was met Amasa tot overeenstemming te komen. Joab antwoordt daarop met een aperte onwaarheid: Amasa kwam niet als onderhandelaar, maar als spion! Daarmee slaat hij de koning de laatste strohalm uit handen:
Hoe diep dit nieuwe bewijs van 's konings zwakheid Joab ergert - ‘Dit 's razerny ...’ (vs. 874a) -, David ontleent er de kracht aan om tot een besluit te komen. Als strijd onvermijdelijk is, dan zal hij zelf het bevel op zich nemen om zeker te zijn dat Absalom wordt gespaard:
Het heftige protest van Joab, die immers Absalom wil doden3 en daarom de koning niet op het slagveld wenst, maakt hem ditmaal woedend. Hij is tot het uiterste gebracht en weigert zich nog langer te laten leiden. Brullend
als een leeuw (vgl. vs. 902), voor een ogenblik weer de krijgsheld van vroeger, schreeuwt hij om zijn wapenrusting en wapens, die niet snel genoeg worden aangedragen. Joab staat machteloos. Maar juist op dit kritieke moment komt Bathseba - bij Vondel: Berseba1 -, met de kleine Salomo aan de hand, door de stadspoort naar buiten.
d. De koningin is ‘bedruckt, en root bekreeten’ (vs. 901). Nu Absalom nadert, weet zij het leven van Salomo opnieuw bedreigd, en zij is troost komen zoeken bij David. Als zij hoort wat deze van plan is, wendt zij al haar overredingskracht aan om hem daarvan af te brengen. Ook zij hoopt op de dood van Absalom, want zolang deze ‘grootste vyant’ (vs. 1277) leeft, zal hij een bedreiging blijven voor Salomo. Maar bovendien is zij gekrenkt, omdat David enkel aan de veiligheid van zijn ontaarde zoon denkt, en daarvoor die van haar en Salomo vergeet. Verwijtend houdt zij hem voor, dat hij vrouw en kind toch niet in de steek mag laten om zijn leven op het spel te zetten voor een onwaardige die na zijn overwinning
De invloed van Bathseba op David blijkt groot genoeg om zijn woede te doen bedaren en hem naar haar te doen luisteren. Maar dat maakt hem tevens opnieuw zwak van onzekerheid. Hij heeft Bathseba lief, maar ook Absalom! Hij kan zijn zoon niet opgeven, en komt er zelfs toe zich ongelukkiger te achten dan Abraham die daartoe wèl de kracht kon opbrengen: ‘Aertsvader Abraham wert niet zoo zwaer bezocht, // In 't offren van zijn' zoon’ (vs. 959-960a). Daarom zoekt hij naar een compromis: goed, Joab zal het opperbevel krijgen en hijzelf zal slechts de achterhoede
commanderen. Hij sméékt haast om de aanvaarding van dit compromis, waardoor hij op het kritieke moment niet ver van Absalom verwijderd zal zijn: ‘laet het toe dat zich de koning wapen'. // Men bluscht geen kinderliefde, een treck ons ingeschaepen’ (vs. 965b-966). Maar ook daarvan willen Bathseba en Joab niet weten. Schreiend valt de eerste hem om de hals: ‘Getrouwe helt, waerheen? wie scheurt u van mijn trou ....’ (vs. 967). Met een moederlijk gebaar heft zij de kleine Salomo - die van de weeromstuit ook is gaan schreien - naar zijn vader op:
Joab wijst er op, dat in deze slag, waarbij het om de koning gaat, de koning zelf geen enkel risico mag nemen; als hij sneuvelde, zou immers alles verloren zijn, ook al werd de overwinning behaald! Dan geeft David zich tenslotte gewonnen. Vanaf het plat boven de stadspoort zak hij zijn troepen monsteren, maar zelf niet meetrekken. - Het blijkt hoog tijd, dat er een besluit viel. In de verte is reeds het rumoer hoorbaar van Absaloms aanrukkend leger! De nadering van het gevaar (en wellicht ook het komen tot een besluit) doet David, althans uiterlijk, zijn koninklijke waardigheid terugvinden. Onmiddellijk gevaar dreigt er naar zijn mening niet: de opstandelingen zullen uitdagend ‘in 't gezicht van deze vesten’ (vs. 1001) voorbijtrekken, maar eerst verder Zuidwaarts, bij het bos van Efraïm, slag aanbieden. Rustig roept hij zijn officieren bijeen om zijn bevelen te geven - waarbij in het laatste en meest dwingende bevel de koning weer moet wijken voor de vader:
Terwijl de troepen zich voor de opmars gereed maken, begeven David, Bathseba en Sobi, gevolgd door de Rey van Hovelingen, zich naar het plat boven de stadspoort. Vandaaruit zien zij duidelijk het leger van Absalom naderen. Uit een wolk van stof worden afzonderlijke groepen zichtbaar; bazuinen en klaroenen schallen hun uitdaging naar Mahanaïm. David en Bathseba kunnen zelfs Absalom op zijn onstuimig muilpaard onderscheiden: fier en trots, met open helm en ‘roode krijghspluimaedje’ (vs. 1059). De verwachting van David blijkt overigens juist te zijn geweest: het leger buigt Zuidwaarts af, naar het bos van Efraïm. Maar op deze ‘hoovaerdige bravade’ (vs. 1073) onder de muren van de stad is slechts één antwoord mogelijk, en David geeft dit ook, zij het met dezelfde restrictie als altijd:
Daarmede is dan eindelijk de teerling geworpen! Het besef daarvan overstelpt David, zodat hij het op de wallen niet kan uithouden. Hij vergeet dat hij zijn troepen wilde monsteren1 en trekt zich terug om van God uitkomst te gaan smeken:
e. Opnieuw ziet de Rey van Hovelingen hem vol medelijden na. Ditmaal geldt hun deernis echter niet meer de koning alleen. Wat zij, als leden van zijn gevolg, van Davids vertwijfeling hebben gehoord en gezien, heeft hen doen begrijpen dat het in de eerste plaats de vader is die lijdt. Toch blijft ook nu het konings-aspect voor hen domineren. Zij hopen dat Absalom gespaard zal blijven, maar vooral omdat
zij vrezen dat anders hun koning van verdriet zal sterven:
Zal het echter in de grilligheid van het gevecht wel mogelijk blijken, de prins te ontzien? Om een andere reden zien zij met dezelfde angst als David het einde van deze beslissende dag tegemoet: ‘Men magh wel voor den avont schroomen’ (vs. 1123). En evenals hij worden zij door die angst tot het gebed gebracht:
a. David staat weer buiten de poort, in het nu vrijwel verlaten legerkamp; wij zullen wel moeten aannemen dat zijn onrust en zijn verlangen naar nieuws hem naar deze plaats hebben gedreven, waar hij elke bode kan opvangen. En al is het nog veel te vroeg voor nieuws van Joab, toch wordt zijn ongeduld beloond. Er komt inderdaad een bode: Jonathan, de zoon van aertspriester Abjathar, met nieuws uit Jeruzalem. De verrader Achitofel is dood! Toen Absaloms krijgsraad zijn plan tot dadelijke achtervolging van
David verworpen had, begreep hij dat daarmee de kans op het slagen van de opstand verkeken was1. Razend van spijt en teleurstelling keerde hij naar zijn stad Gilo terug, nam afscheid van de zijnen en verhing zich. - Dit bericht is voor David het eerste lichtpunt na een eindeloze reeks van tegenslagen. Hij kan er niet genoeg van horen; uitvoerig laat hij zich door Jonathan alle details meedelen. God heeft hem toch niet in de steek gelaten: ‘Nu zal 't den stammen aen beleit in 't velt ontbreecken. // Dit wint een' halven slagh, en mindert het gevaer’ (vs. 1234-1235). Opgelucht geeft hij bevel Joab onmiddellijk per ijlbode van het blijde bericht op de hoogte te stellen, en in de stad de bazuin te doen blazen als voor een overwinning. Zelf gaat hij de koningin met het verrassende nieuws gelukkig maken. De Rey van Hovelingen, die van deze scène getuige is geweest, blijkt er echter minder van overtuigd, dat Achitofels dood als een beslissende factor moet worden beschouwd. Alles hangt af van ‘d' uitkomst van den slagh’ (vs. 1252).
b. Terwijl op de wal ‘de hoftrompet’ (vs. 1262) Achitofels dood begint te verkondigen, treedt Vorst Sobi door de stadspoort naar buiten. Even later verschijnt ook Bathseba, die - naar wij uit het nu volgende gesprek mogen vermoeden - de ongeproportioneerde blijdschap van David over Achitofels zelfmoord niet langer heeft kunnen verdragen. Als Sobi haar met de dood van haar grootste vijand geluk wenst, antwoordt zij dat er voor haar niets veranderd is: ‘Mijn grootste vyant is in 't leven, // Dat 's Absolon ....’ (vs. 1277-1278a). Zo lang Absalom leeft, is Salomo immers niet veilig: ‘Hy heeft dit kint den doot gezworen, // En kent het voor zijn broeder niet’ (vs. 1293-1294). Bitter verwijt zij David diens te grote toegeeflijkheid, waardoor Absalom zijn kans gekregen heeft: ‘Dit oproer sproot uit 's vaders schult’ (vs. 1297). En nog steeds is de koning ‘blint van liefde’ (vs. 1307). Wat moet er onder
deze omstandigheden van haar en haar onschuldig kind worden, als de slag verloren is? - Sobi's antwoord bewijst opnieuw zijn onvoorwaardelijke trouw. In geval van nood staat zijn rijk voor Bathseba open, en Salomo zal hij opvoeden als een eigen kind: ‘Beveel my uwen Salomon’ (vs. 1329). En misschien - hij heeft een kleine dochter: ‘Behaeghtze uw' zoon tot eene bruit: // Laetze onderling in liefde groeien’ (vs. 1335-1336). - Met dit grootmoedige aanbod valt er een pak van Bathseba's hart. Ook het voorgestelde huwelijk, waarvan zij dadelijk de politieke voordelen ziet, lokt haar wel aan: ‘Ick wil 't gedencken, en neem 't nader, // Met 's konings gunste1, in mijn beraet’ (vs. 1339-1340). Maar voorlopig is het geen tijd om aan een huwelijk te denken:
En bij de overmacht van Absalom is de kans op een overwinning van Joab zo héél klein:
Terwijl Sobi voortgaat haar te bemoedigen, keert Bathseba langzaam naar de stad terug.
c. De Rey van Hovelingen volgt haar niet onmiddellijk. In een reizang geeft hij uiting aan zijn ongerustheid, aansluitend bij de afwijzing van Davids optimisme in IV-a. De situatie is te ernstig en te gecompliceerd dan dat er door overleg nog iets te bereiken zou zijn. Alleen de dood kan een oplossing brengen: ‘Den zoon of vader moet'er kleven. // Het gelt hun beide, of een' het leven’ (vs. 1395-
1396). Het hart van de Hovelingen gaat daarbij uit naar de vader die ‘Den zoon voor zijnen rijxstaf stellen’ (vs. 1398) zou. Absalom daarentegen is wel schoon van lichaam, maar wanschapen van ziel. Waarschuwend houdt de Rey hem in absentia voor:
a. Het begint avond te worden. Bij het bos van Efraïm moet de beslissing nu gevallen zijn; elk ogenblik kan er bericht van Joab worden verwacht. Weer staat David buiten de stadspoort in angstige spanning naar de komst van een bode uit te zien. Die spanning stijgt tot het uiterste, als de Rey hem meedeelt dat er twee mannen in onderlinge wedloop1 naar de stad komen rennen; vanaf zijn uitkijkpost boven de poort heeft de wachter hen gezien. - De eerste van deze twee boden die aankomt, is Achimaäs, de zoon van aertspriester Sadock. Hijgend knielt hij voor de koning neer en stamelt zijn blijde tijding: ‘De vyant is verstroit, verslagen. zing nu zangen’ (vs. 1439). Maar David negeert volkomen de overwinning; zijn enige reactie is er een van toegenomen angst:
Als Achimaäs beginnen wil met het verhaal van de slag, valt hij hem opnieuw in de rede:
Eerst als blijkt dat Achimaäs niets over het lot van Absolom weet1, staat David hem toe over de slag te vertellen, nadat eerst nog Bathseba gewaarschuwd is, zodat ook zij het verhaal uit de eerste hand kan horen. Geestdriftig en uitvoerig beschrijft Achimaäs de opstelling van de beide legers en het verloop van de strijd, die aanvankelijk uiterst hachelijk was. Tot driemaal toe dreigde het leger van David door Absaloms overmacht onder de voet gelopen te worden. Maar de keer kwam, toen Joab zich bij God op het goed recht van de koning beriep en God met een bliksem antwoordde: ‘Het weêrlichte op dien roep, als wou het Godt verdrieten’2 (vs. 1543). Kort daarop begon bij de vijand de verwarring, die tenslotte overging in een vlucht. Joab maakte zich juist gereed de achtervolging in te zetten, toen Achimaäs hem verliet om het bericht van de overwinning aan de koning over te brengen. Meer weet deze dus niet: ‘Maer hier komt Chusi, die den uitslagh zal verhaelen’ (vs. 1555).
b. Chusi is de tweede bode, die inmiddels op zijn beurt de stad bereikt heeft. Ook hij knielt met zijn bericht van overwinning voor David neer, maar ook hij wordt dadelijk onderbroken door de angstige vraag: ‘Hoe gaet het Absolon?’ (vs. 1559a). Het antwoord van Chusi, hoe hoffelijk en voorzichtig ook geformuleerd, laat aan duidelijkheid niets te wensen over: ‘zoo ga het allen staeten, // En vyanden der kroone, en al die David haeten’3 (vs. 1559b-1560). En dan breekt David:
Jammerend verwijt hij zichzelf te hebben toegegeven aan de aandrang van Bathseba en Joab, en niet met het leger te zijn meegetrokken om Absalom te beschermen. Daardoor ziet hij zich als de hoofdschuldige aan diens dood:
Tenslotte grijpt Bathseba in: ‘Dees rou geeft ergernis, en zal het volck bezwaeren’ (vs. 1579). Zij geeft aan de Hovelingen uit de Rey opdracht, de koning naar zijn verblijf te brengen ‘dat hy ruste, en zijnen adem hael’ (vs. 1578b). Willoos laat David zich door hen meevoeren, verloren in zijn verdriet. Bathseba zelf gaat niet mee om hem te verzorgen; nu de koning is uitgevallen, rust op haar de taak hem zo goed mogelijk te vervangen. Beheerst en waardig geeft zij Chusi opdracht voort te gaan met zijn verslag. Na alles wat Achimaäs al verteld heeft, kan deze daaraan enkel nog het verhaal van Absaloms dood toevoegen: hoe deze op de vlucht met zijn haren verward raakte in de takken van een eik en daaraan bleef hangen, terwijl zijn muilpaard onder hem doorschoot; hoe een lansknecht hem vond en Joab waarschuwde; hoe de laatste hem drie pijlen in de borst stootte en toen verder door zijn tien schildknapen liet afmaken; hoe zijn lijk in een kuil geworpen werd en begraven onder een steenhoop. Nog is Chusi aan het vertellen, wanneer bazuingeschal de komst van Joab aankondigt die als overwinnaar terugkeert: het veroverde vaandel van Absalom in de hand, omstuwd door zijn officieren en gevolgd door een lange stoet krijgsgevangenen.
c. Ook tegenover Joab treedt Bathseba als plaatsvervangster van de koning op. Zij neemt zijn gelukwensen in
ontvangst, vraagt naar het aantal gesneuvelden en houdt hem zelfs - terwijl daarmee toch haar liefste wens vervuld is - verwijtend voor: ‘Hoe heeft men 's konings last in Absolon vergeeten!’ (vs. 1631). Joab verontschuldigt zich daarvoor echter niet. Wat gebeurd is, was goed en bovendien zinvol. Absalom bleef aan een boom hangen: ‘De wet vervloecktze, die aen 't hout ter straffe hangen’1 (vs. 1639). Hij onteerde tien bijvrouwen van zijn vader: nu hebben tien schildknapen hem doorstoken. De drie pijlpunten, die hem in het hart troffen, waren symbolen van ‘de kroonzucht, wreetheit, en de geilheit’ (vs. 1645) waardoor hij zichzelf in het verderf stortte. -Joabs rustige zekerheid brengt er Bathseba toe, steun bij hem te zoeken en zijn raad te vragen. Wat te beginnen met David? Zijn volkomen onverschilligheid voor de behaalde overwinning en zijn mateloze droefheid zijn ‘Een ergernis van 't hof, en deze gansche stadt’ (vs. 1649), en zouden hem zijn aanhang kunnen kosten! Joab is daarvan even overtuigd als zij:
d. Even lijdelijk als hij zich door de Hovelingen had laten wegvoeren, laat David zich nu door Bathseba terugbrengen. Als hij tegenover Joab staat, mist hij de kracht en de moed om zijn ongehoorzame veldheer ter verantwoording te roepen. Hij komt niet verder dan een klagend verwijt: ‘Is dat uw' konings last en hoogh bevel uitvoeren?’ (vs. 1659). Dadelijk daarop overweldigt hem weer de smart: ‘Dit is geen rijxtriomf, maer eene nederlaegh’ (vs. 1674). Hij verscheurt zijn klederen, en wendt zich vol afschuw af van de groep gevangenen waaronder Absalom zich niet bevindt:
Joab laat hem even uitklagen. Maar dan stelt hij tegenover Davids verwijt zijn eigen verwijt: ‘Is dit uw' Joab met triomfen ingehaelt, // Nu zulck een zon van zege uw aengezicht bestraelt?’ (vs. 1685-1686). Begrijpt de koning niet, dat hij met deze houding zijn overwinnend leger beledigt? Wil hij al zijn vrienden van zich vervreemden en opnieuw zijn rijk verliezen? Dan moet hij maar voortgaan ‘met jammeren en treuren, // De haeren uit het hooft, het kleet van 't lijf te scheuren’ (vs. 1699b-1700), zoals hij nu doet! - En weer capituleert David; in zijn moedeloze verslagenheid kan hij niet tegen Joab op, terwijl hij ook wel zal beseffen dat hij als koning inderdaad tekort schiet. Verontschuldigend voert hij zijn liefde voor Absalom aan: ‘Natuur, Godts dochter, heeft dien bloetbant vast geleit’ (vs. 1714). Maar er zijn omstandigheden waarin men daaraan niet mag toegeven, houdt Bathseba hem voor, en zij wijst op het voorbeeld van Abraham: ‘Aertsvader Abraham had wel natuur verwonnen’ (vs. 1715). David weet zich echter onmachtig dat voorbeeld te volgen: ‘Wat vaders vint men, die dat voetspoor houden konnen?’ (vs. 1716). Impliciet erkent hij daarmee tevens, dat hij door die onmacht tekort schiet. Dadelijk maakt Joab van deze stilzwijgende erkenning gebruik: de koning verzet zich blijkbaar niet meer. Even duidelijk als meedogenloos zet hij David uiteen, wat deze de volgende dag zal moeten doen: zich blij en dankbaar betonen, zijn helden eren en belonen, de terugkeer naar Jeruzalem voorbereiden. David knikt alleen maar, te moe voor verdere discussie. Maar als Joab zich verwijderd heeft en Bathseba hem naar de stad terug wil voeren1, vindt hij
genoeg kracht voor een eed van wraak op zijn veldheer die met opzet Absalom niet heeft gespaard:
Terwijl de vader, steunend op Bathseba, wrokkend en wanhopig door de stadspoort gaat, juicht de Rey van Hovelingen om de triomf van de koning:
Het complementaire karakter van de Koning David herstelt blijkt zowel uit de motieven als uit de structuur. Wat de motieven betreft, komt dit het duidelijkst tot uiting in het eerste bedrijf. De uiteenzetting, die Joab daar aan Vorst Sobi geeft, dient namelijk niet alleen als exposé van de momentele situatie, maar is er tevens op gericht allerlei ‘open’ gebleven motieven uit de Koning David in ballingschap tot afsluiting te brengen. Alleen Husai's optreden ten gunste van David komt niet ter sprake, waarschijnlijk omdat diens verzet tegen het achtervolgingsplan van Achitofel in het vorige drama - zij het zonder aanduiding van de werkelijkheid achter de schijn - uitvoerig ten tonele was gebracht en Vondel dus niet het gevoel had hier iets ‘open’ gelaten te hebben3. Maar verder is de completering praktisch
volledig. Wij horen van de hulp die de aertspriesters David hebben geboden door hun zoons met een waarschuwende boodschap naar hem toe te zenden; daardoor wordt de eigenlijke bedoeling van hun terugkeer naar Jeruzalem en hun onderwerping aan Absalom duidelijk. Wij gaan begrijpen, hoeveel het door Husai bewerkte uitstel van achtervolging voor de kansen van David betekend heeft. Wij vernemen, dat het openlijk beslapen van Davids bijvrouwen door Absalom er inderdaad toe geleid heeft dat de weifelaars zijn partij kozen, zoals Achitofel had voorzien. In een later stadium (IV-a) wordt de episode van Achitofels wanhoop afgerond door het verslag van zijn dood. En telkens ontleent zulk een afsluiting een belangrijk deel van zijn kleur aan de wijze, waarop het betrokken motief in het vorige drama reeds was ingeleid. Met name de verontwaardiging in Davids kamp over het onteren van de achtergelaten bijvrouwen dankt veel van zijn suggestieve kracht aan het feit, dat de desbetreffende scènes uit de Koning David in ballingschap er opnieuw door in de herinnering worden gebracht. Zodoende wordt ook voor de toeschouwers de ‘zoonzucht’ van David onbegrijpelijk en het conflict tussen de koning en Joab onafwendbaar.
Ook de structuur blijkt in hoge mate door het voorafgaande drama bepaald. In zijn Opdracht zegt Vondel, dat hij op de tragedie van Davids ballingschap die van het herstel heeft doen volgen ‘op datze tegens elckandere te klaerder afsteecken’1. Daarin ligt opgesloten, dat hij de Koning David herstelt bedoelde als tegenhanger, d.w.z. als contrasterend tafereel volgens overeenkomstige structuur. Uit onze analyse valt gemakkelijk af te lezen, dat het drama inderdaad zulk een tegenhanger geworden is. In beide gevallen staat de peripeteia centraal en wordt de kracht daarvan gedemonstreerd aan het verschil tussen de toestand daarvóór en daarnà. De Koning David in ballingschap ging uit van een vrijwel volmaakt geluk, dat na het eerste bedrijf begon af te brokkelen en tenslotte omsloeg in zijn tegendeel. De Koning
David herstelt gaat uit van een vrijwel hopeloze situatie voor David en eindigt met zijn volkomen triomf. Het onverwachte en hevige karakter van deze peripeteia wordt nog geaccentueerd, doordat in het tweede, derde en vierde bedrijf de toestand steeds kritieker wordt. Terwijl Joab in de openings-scène tegenover Sobi reeds moet erkennen: ‘want hier valt min te hoopen, // En meer te vreezen voor den koningklijcken stam’ (vs. 75), wordt in de tweede acte het gevaar acuut door de verschijning van Absaloms leger aan de Jordaan. In het derde bedrijf is de poging om de overtocht over de rivier te verhinderen mislukt en wordt Mahanaïm rechtstreeks bedreigd; bovendien wordt Joab door de aarzelende houding van de koning gedwongen van een afmattingstaktiek af te zien en alles op één kaart te zetten in een beslissende slag tegen de verpletterende overmacht. Hoè verpletterend deze is, blijkt uit Bathseba's opmerking in het vierde bedrijf: ‘Nu vechten zeven tegens een’ (vs. 1361). Des te verrassender zijn daarom de juichende woorden, waarmee aan het begin van het vijfde bedrijf Achimaäs het bericht van de overwinning brengt:
En het is in deze zelfde toon dat het drama eindigt, als de Rey opwekt tot offers aan God en dankbaar constateert: ‘De vreught wort best gesmaeckt na ballingschap en tranen’ (vs. 1748).
Behalve door de accentuering van het verschil tussen eerst en later werd in de Koning David in ballingschap de peripeteia ook versterkt door een contrasterende verdubbeling: tegenover de neergang van David werd de opgang van Absalom gesteld. Het zou voor de hand hebben gelegen in de Koning David herstelt het omgekeerde te doen, maar op dit punt kon de parallellie niet worden gehandhaafd. Het Bijbelverhaal liet niet toe, Absalom in Davids legerkamp te doen verschijnen; bij de absolute eenheid van plaats - waaraan Vondel ook in dit drama vast-
houdt - betekende dit, dat hij in het geheel niet ten tonele kon worden gevoerd. Wat er met hem gebeurt, speelt zich dan ook buiten onze gezichtskring af en wordt slechts verteld. Ook daarbij verloochent Vondel overigens zijn nieuwe voorkeur voor de contrastwerking niet! In het derde bedrijf zien David en Bathseba vanaf de uitkijkpost boven de stadspoort Absalom aan het hoofd van zijn machtig leger trots en uitdagend voorbijtrekken; in het vijfde beschrijft Chusi zijn nederlaag, zijn vlucht en zijn smadelijke dood. Door deze tegenstelling wordt wel degelijk de indruk van een peripeteia gewekt, maar het is er een die zich achter de schermen voltrekt en de bouw van het drama niet rechtstreeks beïnvloedt.
Binnen de eigenlijke tragedie bracht Vondel daarom, in plaats van de tegenstelling David-Absalom, een andere contrasterende verdubbeling van de peripeteia aan. Tegenover de omkeer ten goede voor David als koning stelde hij de omkeer ten kwade voor David als vader. Het uitbeelden van dit contrast aan één en dezelfde persoon bracht zijn eigenaardige moeilijkheden mee, maar Vondel is er in geslaagd daarvoor een zeer bevredigende oplossing te vinden. In de eerste bedrijven lopen de zorgen van de vader nog vrijwel parallel aan die van de koning. Naarmate de toestand kritieker en de strijd onvermijdelijker wordt, groeit ook de angst van David voor het leven van zijn zoon. Voortreffelijk heeft Vondel het fluctueren van koningschap en vaderschap weten aan te geven, en te doen uitkomen dat het laatste steeds meer de overhand krijgt op het eerste. Pas als in het vijfde bedrijf het bericht van de overwinning tevens het bericht van Absaloms dood blijkt, wordt het contrast tussen de beide aspecten volkomen. Dan reageert David uitsluitend als vader, terwijl hij nog slechts naar het uiterlijk koning blijft. Het is in deze tegenstelling tussen het innerlijke vaderaspect en het uiterlijke koningsaspect, dat de verdubbelde peripeteia zich manifesteert. Wie het drama enkel maar léést, loopt gevaar de gelijkwaardigheid van deze twee aspecten over het hoofd te zien. In de weeklachten van David komt immers slechts het vaderaspect tot uiting, zodat de lezer er onwillekeurig toe komt dit
als dominerend te beschouwen. Eerst bij een opvoering komt ook het koningsaspect volledig tot zijn recht. Daar is allereerst de opgewonden blijheid, waarmee Achimaäs voor de koning neerknielt en hem de overwinning meldt. David zelf blijft er onverschillig onder en stelt slechts belang in het lot van Absalom; maar wij moeten ons voorstellen, dat de opgewondenheid en de vreugde van Achimaäs zich wèl meedelen aan de Rey van Hovelingen en (even later, als David haar heeft laten roepen) aan Bathseba. Op het toneel is dus de tegenstelling tussen het vader- en het koningsaspect niet alleen hoorbaar - in de onrust van David tegenover de geestdrift van Achimaäs -, maar óók zichtbaar: in de mimiek van David tegenover die van Bathseba en de Rey. In nog veel sterkere mate wordt dit het geval, wanneer Joab ten tonele verschijnt. Als Chusi diens komst aankondigt, maakt Vondel daarvan gebruik om in zijn tekst de nodige regie-aanwijzingen op te nemen voor de zichtbaarmaking van het koningsaspect:
Heel deze entourage van triomf en overwinningsvreugde blijft gedurende de beide laatste scènes het toneel beheersen. Wanneer David, gebroken en willoos, door Bathseba naar Joab wordt gebracht om zich door deze de les te laten lezen, dan gebeurt dit tegen de achtergrond van een zichtbaar geworden zegepraal. Als David uit rouw zijn purperen koningsgewaad verscheurt (vs. 1676), dan blijft het veroverde vaandel van Absalom aan zijn voeten getuigen van zijn overwinning als koning. Het trotse gebries van de oorlogspaarden en het juichende bazuingeschal uit stad en legerkamp klinken telkens door de woorden van dit tragische gesprek heen. Alleen wanneer wij ons van deze tegenstelling bewust zijn, worden de laatste tien regels van het drama ons werkelijk duidelijk. Wrokkend tegen Joab laat David zich door Bathseba naar de stad teugvoeren (vs. 1739-1744),
maar direct daarop wekt de Rey op tot dankoffers en vreugde (vs. 1745-1748). Ter afsluiting worden hier het vader- en het koningsaspect nog eens scherp-contrasterend tegenover elkaar gesteld, als samenvatting van alles wat er op het toneel te horen èn te zien is geweest. Een dubbele peripeteia: de vader ging in rouw ten onder, maar de koning triomfeerde - zoals in de Koning David in ballingschap David als vorst ten val kwam en Absalom als overwinnaar Jeruzalem binnentrok. Alleen is ditmaal het tragisch effect sterker, doordat vader en koning dezelfde persoon zijn.
Die tragiek is aangrijpend, maar zij komt voort uit een tekortschieten van de hoofdfiguur tegenover God. Vondel laat er geen twijfel aan bestaan, dat voor David het koningschap, waartoe hij door God geroepen was, had behoren te prevaleren boven een natuurlijke ‘ingeschapenheit’ (vs. 1713) als de vaderliefde. Dat blijkt reeds uit de titel, waarin alleen sprake is van het koningsaspect, en uit het feit dat de juichende Rey het laatste woord krijgt en niet de treurende vader. Duidelijker nog komt het tot uiting in de verontschuldigende en soms zelfs schuldbewuste wijze, waarop David zijn houding verdedigt zonder zich te durven verzetten tegen de beslissingen van Joab, ook al gaan die dwars tegen zijn vaderwensen in. Het sterkste bewijs ligt echter in vs. 1716, waar hij erkent niet in staat te zijn evenals Abraham zijn natuurlijke gevoelens ondergeschikt te maken aan een hoger ideaal. In de gegeven omstandigheden is die onmacht schuld; maar juist dat element van schuld maakt David tot zulk een ideale hoofdfiguur, overeenkomstig de ‘tooneelwet’ dat in een tragedie ‘de treurrol’ gespeeld dient te worden door ‘een personaedje, .... die, tusschen deughdelijck en gebreckelijck, den middelwegh houde’1.
In de Koning David in ballingschap kwam naast de dubbele peripeteia ook een dubbele agnitio voor2. De mogelijkheid daartoe ontbrak in de Koning David herstelt; het enige moment
van agnitio, dat de stof toeliet, is dat waarop David verneemt dat Absalom omgekomen is. Vondel heeft dit moment ten volle uitgebuit, maar terecht van een geforceerde poging tot verdubbeling afgezien.
Wanneer wij het bovenstaande samenvatten, blijkt dus de Koning David herstelt - behoudens enkele afwijkingen waartoe de stof noodzaakte - opgezet te zijn als antithetische parallel van de Koning David in ballingschap. Ook deze nieuwe tragedie is een ‘drama van staetveranderinge’, waarvan de structuur in de eerste plaats gericht blijkt op contrasterende uitbeelding.
Met deze conclusies voor ogen kunnen wij thans nagaan, wat Vondel in zijn Opdracht zelf over de Koning David herstelt heeft op te merken1.
Reeds in de eerste regel stelt hij het motief van Davids buitensporige liefde voor Absalom aan de orde, om daaraan vervolgens het overgrote deel - meer dan vier vijfde - van zijn uiteenzettingen te wijden. Hij begint met te constateren, dat ‘onder de natuurlijcke hartstoghten’ de liefde van ouders voor hun kinderen ‘overkrachtigh (is), en niet alleen den redelijcken maer oock stommen dieren eigen’ (reg. 1-3). Na een verwijzing naar Plutarchus' beschouwingen daaromtrent in diens Moralia geeft hij twee reeksen voorbeelden van die ouderliefde: de eerste ontleend aan de Oudheid, de tweede aan de Bijbel. Beide reeksen worden echter besloten met de vermelding van een geval, waaruit duidelijk blijkt dat deze ‘natuurlijcke hartstoght’ in bepaalde omstandigheden voor een hoger beginsel dient te wijken. In de Oudheid zien wij dit bij L. Junius Brutus (een der beide eerste consuls van Rome na de verdrijving van koning Tarquinius), die niet aarzelde zijn eigen zoons ter dood te doen brengen toen zij zich aan een samenzwering hadden schuldig gemaakt2:
Het wort Junius Brutus tot eene doorluchtige heldendaet toegeschreven, dat hy beide zijne zoonen, aen verraet schuldigh, ter straffe vordert, om het recht en den staet van Rome gestreng te hanthaven. (reg. 29-32)
In de Bijbel wordt het desbetreffende voorbeeld geleverd door Abraham:
Maer de liefde van den aertsvader Abraham, dus lang overgeslagen1, wort hier door betuight, dat hy, in het opofferen van zijnen eenigen en ter doot gehoorzaemen zoone, zich zelven en natuur, uit liefde tot Godt, overwon, waerom 's helts geloof en stantvastigheit met zulck eene heerlijcke belofte gekroont wert, en hy Godt den vader afbeelde, van wien Godt de zoon zelf uitroept: Zo lief had Godt de weerelt, dat hy zijnen eenigen geboren zoon gaf. (reg. 42-48)
Tegen deze algemene achtergrond - enerzijds van het ‘overkrachtighe’ der ouderliefde als ‘natuurlijcke hartstoght’, anderzijds van de grenzen die daaraan dienen te worden gesteld als een hoger beginsel in het geding komt - wordt de liefde van David voor Absalom geplaatst: een liefde die ‘in dezen tooneelhandel .... doorgaens vooruit (draeft)’, d.w.z. die in het betrokken drama voortdurend op de voorgrond treedt (reg. 48-51). En dan volgt de passage, die in ons verband de meeste betekenis heeft:
Koning Davids weeklaghte en lijckgeschrey om Absolons rampzalige doot .... schijnt bykans zijne triomfbazuin te verdoven: en de zon der koningklijke herstellinge komt ten langen leste uit dezen duisteren nacht en nevel van den vaderlijcken rouwe met schooner straelen te voorschijn: doch de reden ontschuldight den afgeworstelden en neêrgeslagen vader, aengezien hy al te gevoelijck, oock met gevaer van zijne kroone, beseft den verdoemden staet, waerin de zoon, die hem zoo na aen het hart lagh, eeuwigh van Godt verstooten blijft; hoewel de bedroefde man, door
Joabs raet, en uit hoogdringenden noot, zijnen onverzetbaeren rou met maght intoomt. Hier valt in zijnen uitgang het treurspel op het allerkrachtighste, en gaet alle treurspelen in droefheit te boven. (reg. 54-68)
In de eerste plaats blijkt uit dit citaat, dat Vondel de houding van de koning niet goedkeurt, hoe begrijpelijk en menselijk hij ze ook acht. Vergeleken bij Junius Brutus en bij Abraham schoot David tekort, doordat hij niet in staat bleek zijn ‘natuurlijcke hartstoght’ ondergeschikt te maken aan de eisen van zijn (hem door God opgedragen!) koningschap. Dat is geheel in overeenstemming met wat wij bij de analyse van het drama hebben opgemerkt. Wij zagen immers, dat David zich zijn tekortschieten als koning wel degelijk bewust is en daarom zijn wil niet tegen Joab durft doorzetten; hij vecht niet maar smeekt, en wordt tenslotte gedwongen tot de bekentenis van zijn onmacht om het voorbeeld van Abraham te volgen, dat Bathseba hem voorhoudt.
Bijzonder merkwaardig is intussen de nadere motivering, die de Opdracht voor deze zwakheid van de koning geeft! David stelt zijn kroon op het spel, omdat hij ‘beseft den verdoemden staet, waerin de zoon, die hem zoo na aen het hart lagh, eeuwigh van Godt verstooten blijft’. Naar mijn mening kan dit slechts betekenen, dat hij tracht het leven van Absalom te sparen om te voorkomen dat deze in zijn zonde sterft, zonder eerst tot berouw gekomen te zijn en zich met God verzoend te hebben. In laatste instantie vecht David niet voor het leven, maar voor de ziel van zijn zoon. In het Bijbelverhaal is voor deze interpretatie geen enkele steun te vinden, en waarschijnlijk is dat de reden waarom Vondel er ook in zijn tragedie niet - althans niet openlijk - van is uitgegaan. Er komt daarin echter één plaats voor, die doet vermoeden dat de gedachtengang uit de Opdracht hem onder het schrijven wel degelijk voor ogen heeft gestaan. Als David tegenover Joab over de dood van Absalom weeklaagt, wordt de climax van zijn klacht bereikt in de woorden: ‘helaes, ick had dees straf, // Dien doot by Godt verdient, een doot van duizent dooden’ (vs. 1670b-1671). De WB-editie
geeft bij deze regels geen enkele annotatie, hoewel deze hier stellig niet overbodig zou zijn geweest. Naar ik meen, wordt met ‘een doot van duizent dooden’ een duizendvoudige, d.w.z. een eeuwige dood bedoeld, zodat David hier zegt dat hij de straf verdiend had, die nu Absaloms deel geworden is: een eeuwige dood bij God, of - naar de woorden van de Opdracht - ‘den verdoemden staet, waerin de zoon .... eeuwigh van Godt verstooten blijft’. Als dit juist is, krijgen ook de slotregels van deze jammerklacht een diepere betekenis dan zonder deze achtergrond zou kunnen worden vermoed. In ‘Och, Absolon, mijn zoon, moet ick u eeuwigh derven?’ (vs. 1683) doelt ‘eeuwigh derven’ dan niet op de scheiding door de dood van het lichaam, maar op die door de eeuwige ‘doot by Godt’. En in ‘Och, Absolon, gaef Godt dat ick voor u moght sterven’ (vs. 1684) moeten wij ‘voor u moght sterven’ dan niet interpreteren als ‘in uw plaats had mogen sterven’, maar als ‘in uw plaats de straf van die eeuwige dood op mij mocht nemen’.
Een derde punt, dat in de geciteerde passage onze aandacht verdient, is de wijze waarop Vondel er Davids koningschap en vaderschap tegenover elkaar stelt. Davids rouw, zo betoogt hij, ‘schijnt bykans zijne triomfbazuin te verdoven: en de zon der koningklijke herstellinge komt ten langen leste uit dezen duisteren nacht en nevel van den vaderlijcken rouwe met schooner straelen te voorschijn’. Ik heb de woorden gecursiveerd, waarop het hier in het bijzonder aankomt. Opnieuw blijkt daaruit, dat Vondel het koningschap van David hoger stelt dan diens vaderschap en daarom de afloop van zijn drama bepaald acht door de ‘koningklijke herstellinge’ en niet door de ‘vaderlijcke rouw’. Wij hebben gezien, hoe hij in overeenstemming daarmee zijn tragedie besloot met de opwekking van de Rey tot dankoffers en vreugdebetoon. Dit neemt evenwel niet weg, dat er een opvallende discrepantie blijft bestaan tussen de eind-indruk, die het drama achterlaat, en de hier gegeven voorstelling als zou ‘de zon der koningklijke herstellinge’ tenslotte het donker van de rouw overwinnen en daaruit ‘met schooner straelen’ tevoorschijn komen. De contrastwerking in de tragedie leidt er
juist toe, dat de zon van het herstel verduisterd wordt en tot het laatste toe verduisterd blijft! De tegenstelling komt niet tot een oplossing, en daarom wordt wat Vondel hier zegt aan het slot van zijn drama niet waar. Hij zelf merkt enkele regels verder over dat slot trouwens op: ‘Hier valt in zijnen uitgang het treurspel op het allerkrachtighste, en gaet alle treurspelen in droefheit te boven’. Maar hoe moeten wij dan deze twee tegenstrijdige uitspraken met elkaar in overeenstemming brengen? Of liever: hoe moeten wij verklaren, dat er voor Vondel tussen deze twee uitspraken blijkbaar geen tegenstrijdigheid bestond? Naar ik meen, dienen wij er van uit te gaan dat hij in het eerste geval niet zozeer aan zijn drama heeft gedacht als wel aan de geschiedenis van David in haar continuïteit. Uit het vervolg van het Bijbelverhaal blijkt immers, dat het herstel van Davids koningschap op de duur inderdaad geprevaleerd heeft boven zijn vaderlijke rouw. De tegenstelling, die in de tragedie onverzoend bleef, lost zich naderhand vanzelf op doordat David tot bezinning komt en zich van zijn zwakheid herstelt. Het is eveneens op dit latere stadium, dat ik de opmerking zou willen betrekken die Vondel even verder maakt: ‘hoewel de bedroefde man, door Joabs raet, en uit hoogdringenden noot, zijnen onverzetbaeren rou met maght intoomt’. In de tragedie is daarvan nog geen sprake; daar berust David slechts machteloos en wrokkend in de gedragslijn die Joab hem voor de volgende dag heeft voorgeschreven. - Wij zien dus, dat Vondel hier aan de latere geschiedenis van David argumenten ontleent om te doen uitkomen dat diens zwakheid ten opzichte van Absalom slechts een momentele inzinking is geweest, die hem daarom niet al te zwaar mag worden aangerekend. Het is alsof hij zich beijvert de al te ongunstige indruk, die de antithetische opzet van zijn tragedie gewekt zou kunnen hebben, zoveel mogelijk te compenseren. En ik geloof, dat dit inderdaad als het eigenlijke doel van deze, naar verhouding buitensporig lange, uitweiding over Davids vaderliefde moet worden beschouwd. Vondel wilde er mee goed maken wat hij in zijn drama tegenover David mocht hebben misdreven door ter wille van de contrastwerking diens
tekort-schieten als koning zo absoluut te stellen: ook in dat opzicht volgde er immers een herstel. De voorstelling, dat het David meer om de ziel dan om het leven van zijn zoon te doen geweest zou zijn, past goed bij deze tendens; zij versterkt immers in aanzienlijke mate de beoogde conclusie, dat David eerder ons medelijden dan onze veroordeling verdient. Eerst na op deze wijze begrip en medegevoel voor zijn hoofdfiguur te hebben gewekt, keert Vondel tot zijn tragedie terug met de opmerking dat het einde daarvan ‘alle treurspelen in droefheit te boven (gaet)’, d.w.z. bij uitstek tragisch is1.
- Na deze uitvoerige behandeling van ‘de onuitbluschbaere liefde van koning David tot Absolon’ (reg. 49-50) is Vondel in zijn verdere mededelingen opmerkelijk kort. Er volgen nog slechts twee zinnen, waarvan de laatste hier buiten beschouwing kan blijven, omdat hij enkel de eigenlijke opdracht van het drama aan Burgemeester Cornelis van Vlooswyck brengt. De eerste daarentegen bevat verschillende punten, die in ons verband van betekenis zijn. Hij luidt als volgt:
Ick wert ontsteecken dese treurstof, uit haeren aert zoo hartroerende en leerzaem t' ontvouwen, en noch te vieriger, aengezien koning Davids herstellinge, als het anderde deel, vast is aen zijne ballingschap, onlangs gespeelt, op datze tegens elckandere te klaerder afsteecken, en d' onbestandigheit van het beloop der weerelt voor der aenschouweren oogen stellende, hun levendigh inboezemen dat er heden niets zoo vreemt voorvalt, of het is al van outs gebeurt: want onder het omwentelen van het radt van avontuure komen de zelve zaecken, in andere tijden, plaetsen, en personaedjen, t' elckenmaele weder boven. (reg. 68-77)
Over Vondels bedoeling zijn nieuwe drama tot een tegenhanger van de Koning David in ballingschap te maken ‘op datze tegens elckandere te klaerder afsteecken’, hebben wij reeds eerder gesproken1. Daarnaast geeft hij hier echter nog een tweede intentie aan: de toeschouwers de onbestendigheid der wereld voor ogen te stellen en hen er van te doordringen, dat er niets nieuws onder de zon is en zelfs de meest uitzonderlijke situatie van vandaag zich ook in het verleden reeds heeft voorgedaan. Dat klinkt als een ‘les’, waarvan het drama dan de emblematische illustratie zou hebben moeten geven. Maar noch op die les noch op de onbestendigheid der wereld wordt in de Koning David herstelt ook maar terloops geattendeerd. Evenzeer als in de vorige tragedie gaat het daarin om de treffende uitbeelding van één bijzonder geval, zonder dat er enige aandacht wordt besteed aan het generale aspect daarvan2. Wat Vondel hier opmerkt, kàn desnoods uit zijn drama worden afgeleid door wie daarin naar een universele conclusie zou zoeken - al blijft het dan nog de vraag, of de terugkeer van steeds weer dezelfde situaties wel de meest voor de hand liggende gevolgtrekking zou zijn -, maar het stuk zelf is er bepaald nièt op gericht dit de toeschouwers ‘levendigh in te boezemen’. De Opdracht legt de nadruk op een aspect waarvan in de tragedie zelf zó weinig valt waar te nemen, dat wij bijna mogen zeggen dat het er hier aan wordt toegevoegd.
Hetzelfde is het geval, wanneer Vondel de ‘treurstof’ van David en Absalom behalve ‘hartroerende’ ook ‘leerzaem’ noemt. Het spreekt vanzelf, dat men uit deze geschiedenis in verschillende opzichten een ‘les’ kàn afleiden; in de eerste plaats wel deze, dat zelfs de edelste ‘natuurlijcke hartstoghten’ ondergeschikt moeten blijven aan de wil van God. Maar het drama is nièt opgezet als exempel ter illustratie van deze waarheid, en leidt evenmin tot de formulering van enige conclusie daaromtrent. De uitbeelding van de tragisch-contrasterende dubbele peripeteia liet er geen plaats voor het emblematisch aspect.
Zo blijkt dus de Opdracht voornamelijk een rectificerende aanvulling te zijn. Rectificatie in tweeërlei opzicht. Enerzijds wordt het falen van David als koning - in de tragedie te absoluut gesteld - gerelativeerd door een verwijzing naar het algemeenmenselijke van de ouderliefde en naar de manier waarop David zich later van zijn zwakheid herstelde. Anderzijds wordt aan de emblematisch-didaktische strekking de plaats hergeven, die haar in het drama onthouden was. Wat dit laatste betreft, blijkt Vondel te zeer doordrongen van het Horatiaanse utile dulci1 dan dat hij zich gelukkig kon voelen met een tragedie zonder de moraal van een universele ‘les’. Nu de nieuwe opzet van zijn stukken als ‘drama van staetveranderinge’ die strekking - althans voorlopig - dreigde te doen verloren gaan, kwam hij daaraan zo goed mogelijk tegemoet door er in zijn Opdrachten des te meer nadruk op te leggen.
Compositie en onderlinge samenhang van de scènes, waaruit de Koning David herstelt is opgebouwd, doen duidelijk uitkomen hoezeer in deze periode verbeeldingskracht en technische vaardigheid bij Vondel samengaan. Dat blijkt al dadelijk uit de manier, waarop hij in het eerste bedrijf de aankomst van Vorst Sobi in Davids legerkamp tot logische aanleiding weet te maken voor zijn exposé van de uitgangs-situatie. Nog overtuigender zijn de levendigheid en de vaart, waarmee in de volgende bedrijven de gebeurtenissen worden weergegeven die de crisis acuut maken: Absaloms verschijning aan de Jordaan; zijn schijnbaar miraculeuse overtocht, waardoor de ruiterij van Abisaï te laat komt om die te verhinderen; de mislukte poging van Amasa om door onderhandeling tot een vergelijk te komen; de ‘hoovaerdige bravade’ van Absaloms leger in het gezicht van Mahanaïm. Hoewel het grootste deel van deze gebeurtenissen zich buiten het toneel afspeelt, slaagt Vondel er toch in, ons daarmee van ogenblik tot ogenblik te doen meeleven. Ten
aanzien van de overtocht bereikt hij dit, enerzijds door de dramatische manier waarop hij achtereenvolgens de Veerwacht en Abisaï met hun alarmerend bericht ten tonele laat verschijnen en door de veelheid van even kleurige als concrete details in hun toelichtend verslag, anderzijds door de suggestieve kracht die hij aan de reacties van David en Joab weet te verlenen. Het hoogtepunt in dit opzicht vormt echter de scène, waarin David en Bathseba vanaf hun uitkijkpost boven de stadspoort Absaloms leger zien voorbijtrekken en door hun dialoog de toeschouwers tot indirecte, maar toch rechtstreekse, getuigen van deze bravade maken.
Geen van de hierboven genoemde details komt in het Bijbelverhaal voor. Dat doet de vraag opkomen, in hoeverre Vondel zich hier nog houdt aan de ‘goude regel’ die hij in 1640 aan Vossius had ontleend: ‘'t geen het [= Gods boeck] niet zeit spaerzaem .... te zeggen’1. Wij hebben ons die vraag indertijd ook gesteld naar aanleiding van de Salomon en de Jeptha; in beide gevallen bleek toen, dat Vondel inderdaad nog steeds met de bewuste regel rekening hield. Voor de Salomon kwamen wij tot de conclusie, dat hij het compromis tussen de eisen van de tragedie en die van de Bijbel wel enigszins ten gunste van de eerste had verruimd, maar veel minder dan oppervlakkig gezien het geval scheen: ‘Niet op 't geen Gods boeck niet zeit, is zijn drama gebouwd, maar op 't geen Gods boeck stilzwijgend zeit, d.w.z. op alles wat het Bijbelverhaal impliciet suggereert of vooronderstelt’2. Bij de Jeptha constateerden wij dat de toegevoegde motieven, voor zover zij niet door de imitatio van Buchanan's Jephthes werden bepaald, vrijwel steeds hun theologische rechtvaardiging vonden in de commentaren van Serarius en Salianus3; ook hier vulde hij dus niet of nauwelijks uit eigen verbeelding aan. In de Koning David herstelt is dat echter wèl het geval. De toegevoegde details laten zich niet meer tot de Bijbel herleiden, en ook in de commentaren valt er geen aan-
knopingspunt voor te vinden. Zij zijn inderdaad afkomstig van Vondel zelf, en hun enige rechtvaardiging ligt in de betekenis die zij hebben voor de structuur van zijn drama. Zo valt bijvoorbeeld uit 2 Samuël 17 : 24-26 en 18 : 1-6 moeilijk iets anders af te leiden dan dat Absaloms overtocht over de Jordaan en de beslissende veldslag niet op dezelfde dag plaats vonden. Vondel wilde echter blijkbaar zoveel mogelijk alle belangrijke gebeurtenissen, die met het herstel van Davids koningschap verband houden, samendringen binnen het voor een tragedie toegestane tijdsbestek van vierentwintig uur. Een deel van zijn toevoegingen (met name de miraculeuse overtocht van Absalom) is er dan ook op gericht deze comprimering - die uiteraard zowel de dramatische spanning als de actie ten goede komt - aanvaardbaar te maken. Een ander deel (b.v. de onderhandeling tussen Joab en Amasa) heeft tot doel de contrasterende opzet van het drama te steunen door de tegenstellingen in hun scherpste vorm te doen uitkomen; ten opzichte van David zelfs zó scherp dat een rectificatie in de Opdracht gewenst bleek. Vondel heeft dus, met eerbiediging van alle feitelijke gegevens, op eigen gezag het Bijbelverhaal aangepast bij de structuur van zijn nieuwe drama. Hetzelfde had hij trouwens ook reeds in de Koning David in ballingschap gedaan. Dat het daar minder opvalt, is een gevolg van het feit dat het grotere aantal rechtstreekse Bijbelgegevens hem minder vrij liet bij de keuze en uitwerking van zijn details; de invoering van Thamar met haar twee vergeefse bemiddelingspogingen doet echter uitkomen, dat hij van hetzelfde principe uitging1. Wij mogen daarom vaststellen, dat de dichter in 1660 de ‘spaerzaemheit’ ten aanzien van ‘...'t geen Gods boeck niet zeit’ definitief heeft losgelaten. Voortaan zal hij van de drie ‘goude regels’ van Vossius nog slechts de eerste en de laatste in acht nemen: ‘'t Geen Gods boeck zeit noodzaeckelijck .... 't geen hier tegens strijd geensins te zeggen’. - Deze meerdere vrijheid tegenover de Bijbel moet ongetwijfeld beschouwd worden als een direct gevolg van de noodzaak, waarvoor Vondel
zich door zijn nieuwe opvatting van de tragedie gesteld zag: de contrastwerking, die ten grondslag ligt aan het drama van staetveranderinge, kon immers niet gerealiseerd worden zonder de nodige armslag bij het uitwerken en aanvullen van de gegevens uit het Bijbelverhaal. Maar het was het voorbeeld van Buchanan, dat hem op het aanvaarden van die vrijheid had voorbereid. Bij de bestudering van de Jephthes had hij niet alleen gezien dat Buchanan er eveneens gebruik van maakte, maar ook dat de roem van diens tragedie in de eerste plaats berustte op de gedeelten die in de Bijbel géén steun vonden: de scènes met Storge, en de discussie van Jefta met de priester. Ter wille van de imitatio had Vondel zich op deze essentiële punten aan zijn voorbeeld moeten conformeren - al stond hij er nog zó huiverig tegenover, dat hij ten aanzien van Ifis' moeder de discrepantie met het Bijbelverhaal verzachtte door haar aanwezigheid tot de episodische scènes te beperken1. Toen echter kort daarop zijn nieuwe drama hem voor nieuwe eisen stelde, zal de herinnering aan deze ervaring met de vrijheid hem de weg gewezen hebben naar de enig mogelijke oplossing, terwijl de autoriteit van Buchanan's voorbeeld er toe bijdroeg hem zijn schroom tegenover de Bijbel te doen overwinnen.
Een ander gevolg van de nieuwe dramatische structuur is de verminderde betekenis van de reien. In Vondels emblematische tragedies was het steeds meer hun functie geworden de principiële norm aan te geven, naar welke de uitgebeelde situatie diende te worden beoordeeld2; daardoor waren zij van essentiële betekenis voor de universele strekking van het betrokken stuk en konden zij niet worden gemist. Bij het drama van staetveranderinge, zoals Vondel dit in 1660 opvat, is echter van een universele strekking geen sprake meer; het gaat daarin slechts om de uitbeelding van de peripeteia en van de felle contrasten waarmee zij gepaard gaat. Aan een principiële beoordelingsnorm bestaat dus geen behoefte, en daarmee verliezen de reien de basis voor hun functionaliteit. Zij worden niet meer beheerst
door een centrale gedachte, maar reageren min of meer plichtmatig op een incidenteel motief uit de voorafgaande akte, ook al biedt dit soms nauwelijks aanknopingspunten voor nadere bezinning. De beste reien zijn uiteraard die, waarbij dit wèl het geval is of waarin een nieuw aspect aan de situatie kan worden toegevoegd, zoals resp. in de eerste en tweede reizang van de Koning David in ballingschap. In de meeste gevallen echter is er niets belangrijks op te merken, zodat de rei slechts formele en ornamentele betekenis krijgt; zijn verzwakte functionaliteit blijkt dan tevens uit de sterk verminderde omvang. Zo is het bijvoorbeeld in de derde rei van Koning David in ballingschap en in alle vier de reien van Koning David herstelt.
Hierboven hebben wij de vaart, waarmee de gebeurtenissen op elkaar volgen, kenmerkend genoemd voor de compositie van de Koning David herstelt. Een opvallende uitzondering daarop vormt echter het vierde bedrijf, waar de handeling volkomen blijkt stil te staan. Het is hetzelfde verschijnsel dat wij reeds eerder aantroffen in het derde bedrijf van de Salomon1, en ook de verklaring is dezelfde: evenals daar gaat het hier om een noodzakelijk intermezzo. Aan het einde van het derde bedrijf trekt Joab met zijn leger Absalom achterna; aan het begin van het vijfde komt Achimaäs het bericht van de overwinning aan David brengen. Het vierde bedrijf heeft tot taak de tijdsruimte tussen deze beide momenten - de tijd waarin de slag geleverd wordt! - te overbruggen en daarmee te voorkomen, dat een al te abrupte overgang de indruk van onwaarschijnlijkheid zou wekken. Bij het zoeken van een passende inhoud voor dit intermezzo is Vondel echter minder gelukkig geweest dan indertijd bij de Salomon. Toen was hij er in geslaagd een tweetal scènes te ontwerpen, die ondanks hun episodisch - d.w.z. de handeling niet beïnvloedend - karakter toch voor de structuur van het drama een functionele betekenis bleken te hebben. Daarvan is ditmaal geen sprake; afgezien van hun overbruggende werking zouden de beide episoden, die samen het vierde bedrijf vormen,
even goed achterwege hebben kunnen blijven. Bij de eerste (waarin Jonathan de zelfmoord van Achitofel aan David komt melden) is er in zover enig verband met de hoofdhandeling, dat de koning opdracht geeft Joab per ijlbode van het goede nieuws op de hoogte te stellen om daarmee het moreel van de troepen te versterken. Maar noch van die bode noch van het effect van zijn boodschap horen wij verder iets, zodat het verband tenslotte meer schijn dan werkelijkheid blijkt. Bovendien is de uitvoerigheid van Jonathans verslag te kennelijk als tijdvulling bedoeld, terwijl de woordelijke weergave van Achitofels afscheidsrede tot zijn verwanten (vs. 1186-1220) - waarbij Jonathan evenmin tegenwoordig is geweest als David! - uiterst onwaarschijnlijk aandoet. - In de daarop volgende episode biedt Sobi de verontruste Bathseba in geval van een nederlaag zijn bescherming aan, en houdt hij haar de mogelijkheid van een later huwelijk tussen Salomo en zijn dochter voor. Door de werkelijke gang der gebeurtenissen komen al deze speculaties zózeer buiten het eigenlijke drama te staan, dat zij zich te rechtstreeks als opvullingen verraden en bovendien uit compositorisch oogpunt nauwelijks nog aanvaardbaar mogen heten. Op zichzelf beschouwd is deze scène echter veel beter geslaagd dan de vorige. Terecht spreekt Verwey van ‘dat aardige toneeltje’, waaraan te zien valt ‘hoe fijn Vondels inderdaad realistische kunst zich soms vertakken kan’1. De lyrische beweeglijkheid van de jambische viervoeters, waarin Vondel deze scène schreef, draagt niet weinig tot die natuurlijkheid en die charme bij.
Ook over de eenheid van plaats moeten wij nog even spreken. Waar de Koning David herstelt opgezet werd als tegenhanger2 van de Koning David in ballingschap, ligt het voor de hand dat Vondel ook ditmaal die eenheid in absolute zin toepaste. Toch is er enig verschil. Terwijl in het laatstgenoemde drama alle gebeurtenissen zich inderdaad op dezelfde plaats afspelen, ver-
plaatst hier (in III-d) de handeling zich enkele ogenblikken van het terrein vóór naar de uitkijkpost bóven de stadspoort. Hoewel die poort als achtergrond deel uitmaakt van de plaats van handeling zodat formeel de eenheid niet wordt aangetast, betekent dit toch dat er voor de actie twee verschillende concentratiepunten zijn. En daarmee komen wij tot eenzelfde situatie als in de Salmoneus, waar wij op grond van de twee handelingsbrandpunten op het tempelplein van een ‘elliptische eenheid’ spraken, en opmerkten dat daardoor de absoluutheid weer werd gerelativeerd1. Zonder aan deze kleine onregelmatigheid al te veel waarde te hechten, mogen wij er toch uit afleiden dat voor Vondel het dramatisch effect van de scène boven de stadspoort blijkbaar zwaarder woog dan een orthodoxe toepassing van de absolute eenheid van plaats. Bij de bespreking van Jeptha hebben wij trouwens reeds aangenomen, dat hij die slechts als ‘sieraad’ beschouwde en niet als noodzakelijkheid2. De Adonias zal dit straks opnieuw en nog veel overtuigender bewijzen.
Opmerkelijk zijn de reminiscenties aan de Jeptha. Mahanaïm lag evenals Masfa (of Mizpa) in Gilead, en de slag van Joab tegen Absalom vond plaats bij hetzelfde bos van Efraïm waar indertijd Jefta de Efraïmmers overwonnen had3. Het is dus begrijpelijk, dat de gedachten van Vondel onwillekeurig terugkeerden naar het drama dat hij zo kort tevoren voltooid had. Rechtstreeks wordt de naam van Jefta overigens slechts eenmaal genoemd. Wanneer in III-a David en Joab met Abisaï de gevolgen van Absaloms overtocht over de Jordaan bespreken, vergelijken zij de situatie met die ‘in Jepthas tijt’ (vs. 592), waarbij Abisaï opmerkt:
De andere reminiscenties zijn minder apert, maar gaan in hun verborgenheid dieper. Eén daarvan hebben wij al genoemd: de slag tegen Absalom wordt in grote lijnen getekend naar het model van die tegen de Efraïmmers1. Het meest opmerkelijk is echter de verwijzing naar het offer van Abraham. In de Jeptha neemt dit offer een belangrijke plaats in, doordat Jefta er zich op beroept als bewijs voor de onaantastbaarheid van zijn gelofte2. In de Koning David herstelt ligt de vermelding daarvan veel minder voor de hand. Wanneer David in III-d uitroept: ‘Aertsvader Abraham wert niet zoo zwaer bezocht, // In 't offren van zijn' zoon’ (vs. 959-960a), hebben wij zelfs moeite om te begrijpen waarom hij hier juist aan Abraham denkt. Dat wordt eerst duidelijk, als wij deze plaats in verband brengen met V-d, waar hetzelfde motief terugkeert. Daar houdt Bathseba haar wanhopige echtgenoot het voorbeeld van Abraham voor, die bereid was zijn zoon af te staan toen God dit van hem vroeg, en erkent David zich onmachtig dit voorbeeld te volgen (vs. 1715-1716). Er blijkt uit, dat ook in III-d de klagende uitroep van de koning begrepen moet worden als uiting van zijn besef, dat hij de bereidheid van Abraham mist om Gods wil te aanvaarden; door zijn verzet tegen het onvermijdelijke heeft hij het zwaarder dan de aartsvader. Maar op zichzelf beschouwd komt de vergelijking met Abraham in vs. 959-960 te onverwacht uit de lucht vallen om in de context duidelijk en logisch te mogen heten. In verband met de andere reminiscenties lijkt het mij verantwoord ook hier aan invloed van de Jeptha te denken. Bij de aandacht voor contrasten, die in deze tijd Vondels werk kenmerkt, zal de antithetische parallellie tussen Jefta en David hem stellig niet zijn ontgaan: zoals de eerste zijn kind wilde offeren terwijl het niet mocht, zo wilde de laatste het offer van zijn zoon niet brengen toen het moest. Dat kan verklaren, hoe Vondel er toe kwam het Abraham-motief zonder eigenlijke voorbereiding als het ware uit de gedachtenwereld van de Jeptha in die van de
Koning David herstelt over te planten, en er eerst in V-d - zij het slechts in twee regels - enige fundering aan te geven.
In de Opdracht wordt die fundering zowel kwantitatief als kwalitatief aanzienlijk versterkt1. Het voorbeeld van Abraham wordt daar normatief gesteld met een nadruk, die het ver boven de parallel David-Jefta uitheft. Toch heeft Vondel ook bij het schrijven van zijn Opdracht de geschiedenis van Jefta nog steeds voor ogen gehad. Dat blijkt uit de eerste zin waar hij, sprekende over ‘der ouderen kinderliefde’, daaraan toevoegt: ‘Στοργή by de Griecken geheeten’2. Deze appositie is niet alleen maar geleerdheidsvertoon; zij verwijst tevens - de hoofdletter, waarmee het Griekse woord aanvangt, is in dat opzicht onthullend! - naar de Jephthes van Buchanan, waarin de moeder van Ifis immers Storge heet3.
Geeraardt