Aan het slot van de Inhoudt1 vermeldt Vondel omtrent zijn Samson: ‘Het treurspel is getrocken uit het boeck der Rechteren2, en Josefus vijfde boeck der Joodtsche geschiedenissen’3. Daarnaast heeft hij echter nog een derde bron gebruikt: een bron die ongenoemd blijft omdat het een commentaar betreft, maar waaraan hij in feite meer te danken heeft gehad dan aan de versie van het Simson-verhaal bij Flavius Josephus. Misschien is het mede daarom, dat Vondel er als het ware indirect naar verwijst. Achter zijn drama drukt hij namelijk Samsons grafschrift4 af, bij wijze van antwoord op de opdracht van de engel Fadaël aan de nabestaanden van Simson om op diens zerk een verheerlijkende inscriptie te doen aanbrengen (vs. 1680-1683). En dat grafschrift is een (enigszins vrije) vertaling van het Epitaphium Samsonis, waarmee Salianus in zijn Annales Ecclesiastici Veteris Testamenti de behandeling van de geschiedenis van Simson besluit5. Wij worden er daardoor op attent gemaakt,
dat Vondel ook voor zijn tragedie over Simson de commentaar van deze Jezuïet heeft geraadpleegd, waarmee zijn studie voor de Jeptha hem in aanraking had gebracht1. Bij onze analyse van het drama zullen wij zien, dat de invloed van Salianus zich inderdaad op allerlei punten heeft doen gelden. Voorlopig volsta ik met nog slechts één voorbeeld naast dat van het Epitaphium: de naam Fadaël voor ‘Samsons geboortengel’. Noch in de Bijbel noch bij Flavius Josephus wordt de engel, die de geboorte van Simson aan diens ouders aankondigt en - naar Vondels voorstelling - later als diens beschermengel optreedt, bij name genoemd. Salianus aanvaardt deze anonimiteit ten volle; volgens hem moeten wij het zinloze raden naar een naam maar aan de Rabbijnen overlaten, die in dit opzicht voor geen kleintje vervaard zijn: zo noemde Philo de bewuste engel Fadaël2. Ondanks de ironie van Salianus maakte Vondel dankbaar van deze suggestie gebruik. In zijn drama zou een naamloze engel te vaag gebleven zijn om tegenover de concrete figuur van de afgod Dagon op overtuigende wijze als diens tegenbeeld te kunnen fungeren. En als de naam niet vast stond, was immers de keuze vrij!
Voor zijn Jeptha had Vondel in veel sterkere mate op de com-
mentaar van Serarius1 dan op die van Salianus gesteund2. Dat doet de vraag opkomen, of hetzelfde misschien ook voor de Samson geldt. Een onderzoek in deze richting heeft mij tot de overtuiging gebracht, dat dit niet het geval is; afdoende bewijzen voor de raadpleging van Serarius komen in dit treurspel niet voor3. Hoogstens zou men op grond van een klein detail kunnen vermoeden, dat Vondel toch ook diens commentaar had doorgelezen. In zijn Opdracht kenschetst hij namelijk het haar als ‘een uitworpsel, om het hooft te decken, en tot cieraet te dienen’4, terwijl in het drama tot tweemaal toe datzelfde haar een vuilnis wordt genoemd (vs. 1096 en 1469). De door mij gecursiveerde woorden zijn bij Salianus niet terug te vinden, maar komen vrijwel overeen met wat Serarius in de volgende zin opmerkt: ‘Quis enim ab capitis excremento, ab sordido penduloque humore, ab re omnino stupida, futili, & reiicula, tantum pendere robur cogitaret?’5
Evenals voor de Koning David herstelt geldt ook voor de Samson, dat wij ons met inhoud en bouw van de tragedie vertrouwd dienen te maken, alvorens de vragen te kunnen bespreken waarvoor zij ons stelt. Ik denk daarbij in het bijzonder aan het bewijs voor mijn stelling, dat de Samson als een weerklank op de beide Koning David-spelen moet worden beschouwd en dus eerst daarnà kan zijn ontstaan6.
Het toneel stelt ‘Dagons kerckhof, by het hof’ te Gaza voor7: een open ruimte met bomen (vs. 143) en hagen (vs. 1492), aan de ene zijde begrensd door het vorstelijk paleis (‘het princenhof’,
vs. 117), aan de andere door de tempel van Dagon. Met het oog op het instorten van deze tempel aan het einde van het drama moeten wij misschien aannemen, dat Vondel zich de ‘heerelijcke kerck’ (vs. 146) aan de zijde van de zaal had gedacht, onzichtbaar dus voor de toeschouwers. Of was er gedurende het vijfde bedrijf op het toneel iets van de puinhopen te zien?
a. In het donkerste deel van de nacht - kort vóór het aanbreken van de dageraad - verschijnt Dagon, de voornaamste afgod der Filistijnen, met een aantal van zijn helse trawanten op het ‘kerckhof’ van Gaza. Vondel tekent hem uitdrukkelijk als een duivel uit de hel, met slangenpruik en zwavelstank, en suggereert zelfs dat wij in hem met Lucifer persoonlijk te doen hebben1. Dagon is naar Gaza gekomen om aanwezig te zijn bij het offerfeest, dat daar te zijner ere zal worden aangericht, mede naar aanleiding van de overwinning op Simson2. Door het verraad van Delila zijn de Filistijnen er namelijk enkele maanden geleden in geslaagd zich van hun aartsvijand meester te maken; met uitgestoken ogen, gesmaad en mishandeld moet deze nu in een molen het laagste slavenwerk verrichten. Grimmig verheugt Dagon zich op het moment, als straks in de grote processie ‘voor onze majesteit // d' Aertsvyant Samson in triomf wort omgeleit’ (vs. 19b-20). Want hoeveel kwaad heeft deze ‘voorhuitloze Jood’ (vs. 28) de Filistijnen aangedaan! Met bitterheid worden zijn gewelddaden door Dagon opgesomd: het doden van
dertig Askalonners ter wille van hun klederen; het jagen van driehonderd vossen, met brandende fakkels aan hun staart, in het korenland; het neerslaan van duizend mannen met een ezelskinnebakken; het wegdragen van de stadspoorten van Gaza; het telkens weer verbreken van de sterkste boeien1. Maar nu is dan eindelijk de kans gekeerd: ‘nu zit hy hier te Gaze vast, // Jerusalem ten schimp’ (vs. 75b-76a). In hem triomfeert Dagon niet over één enkele vijand, maar over heel het Jodendom en impliciet ook over de Joodse God. Daarom moet straks zijn stoet van duivels dan ook door middel van de Filistijnen ‘het Jodendom beschimpen // In Samson, die zoo lang mijn heirkracht onder hiel’ (vs. 86b-87). Met die vermaning jaagt hij zijn onderhorigen naar de hun toegewezen posten; zelf trekt hij zich terug in zijn ‘helheiligh [= aan de hel gewijd] outerbeelt’ (vs. 96) in de tempel.
b. Voortgesnauwd en voortgeslagen door zijn ‘Tuchtknaep’ (gevangenleider), verschijnt bij het opgaan van de zon Simson ten tonele: struikelend in zijn blindheid,
zoals hij kort daarop zichzelf beschrijven zal. Als een hond legt de Tuchtknaep hem met de ring van zijn halsketting vast aan een holle eik. Ter ere van het feest mag Simson proberen met de bel om zijn hals de aandacht van voorbijgangers te trekken en om wat geld of voedsel bedelen, terwijl de Tuchtknaep in het paleis nadere orders gaat vragen. Maar een ‘tuchtwacht’ (gevangenbewaarder) blijft voor alle zekerheid in de buurt! Immers: ‘Een arm gevangen vorst bedenckt dat niemant denckt’ (vs. 140).
c. Aarzelend betreedt een groep Joodse vrouwen de tempelhof: de Rey van Jodinnen. Bij al hun bewondering
voor de drukte in de stad en voor de pracht van tempel en paleis voelen zij zich angstig en onzeker in deze heidense omgeving. De Filistijnen zijn immers vijanden van God:
Wat zal er ook op deze feestdag weer een veelheid van afgodische gruwelen plaats vinden! En:
a. Simson heeft de Joodse vrouwen gehoord; met zijn bel, met gebaren en roepen weet hij hun aandacht te trekken. Diep geschokt herkennen zij in de geketende bedelaar, die hun om een slok water vraagt, hun Richter en prins (= vorst). Zij proberen hem te bemoedigen door hem te wijzen op Gods almacht, en vragen naar de oorzaak van zijn ongeluk, waarvan zij slechts bij geruchte vernomen hebben. Het doet Simson goed, eindelijk weer eens vrij-uit te kunnen spreken. Uitvoerig begint hij te vertellen van zijn noodlottige verliefdheid op Delila, en van haar voortdurende pogingen hem het geheim van zijn wonderbare kracht te ontfutselen. Driemaal lukte het hem, haar met een kluitje in het riet te sturen. Maar toen ging Delila de verongelijkte spelen en verweet zij hem gebrek aan liefde:
Onder zijn verhaal is het verleden voor Simson opnieuw tot een realiteit geworden. Zó doorleefd en suggestief geeft hij Delila's verwijten weer, dat de vrouwen zijn tweestrijd gaan meevoelen: ‘Die vleister zou een hart, zoo hardt als steen, beweegen’ (vs. 301). Maar Simson is met zijn gedachten te ver weg om op deze interruptie acht te slaan. Hij vertelt verder: hoe op de verwijten de tranen volgden, en hoe tenslotte Delila haar hoogste troef uitspeelde. Schreiend wees zij zijn liefde af, dreigde met zelfmoord, stuurde hem van zich weg:
En dat werd te veel voor Simson: ‘Mijn hart was blint van
liefde, en dat geduurigh nocken // Bedroefde my ter doot’ (vs. 334-335a). Hij gaf toe:
Met een zware eed zwoer Delila zijn geheim nooit te zullen verraden1, maar ook die eed was leugen. Terwijl hij in haar schoot sliep, liet zij zijn haar afscheren:
Het slot van zijn verhaal heeft Simson naar het heden teruggevoerd. Weer zit hij geketend aan zijn boom en hoort hij hoe de Joodse vrouwen zijn val beklagen:
Maar sinds de afgelopen nacht weet Simson dat dit heden het einde niet is, en de verslagenheid van de vrouwen om zijn lot brengt er hem toe hun iets daarvan ten troost mee te delen. Fluisterend en haastig - want ‘De tuchtknaep keert terstont’ (vs. 357a) - zet hij uiteen, dat het einde van zijn beproevingen in zicht is:
Als de vrouwen iets voor hem willen doen, laten zij dan op handslag beloven dat hij na zijn dood begraven zal worden ‘in 't vaderlijcke graf’ (vs. 368). De Jodinnen schrikken van deze aankondiging en dit verzoek: zij denken aan plannen tot zelfmoord. Eerst nadat Simson hen heeft gerustgesteld - ‘Ick zweer mijn handen aen dit lichaem niet te schenden, // Maer wil, gelijck Godts helt, mijn leven heerlijck enden’ (vs. 373-374) - voldoen zij aan zijn wens: één voor één bezegelen zij hun belofte met een plechtige handdruk. - En dan blijkt Simson nòg een opdracht te hebben; zij moeten er voor zorgen, dat geen enkele Jood tijdens de feestelijkheden in de tempel van Dagon aanwezig is. Voor de vrouwen blijft de eigenlijke zin van zijn waarschuwing verborgen, maar voor de toeschouwers (die de afloop kennen) blijkt er duidelijk uit, dat de aard van zijn wraak Simson reeds volledig voor ogen staat - beter gezegd: dat het wraakplan hem tot in alle details door Gods Engel is ingegeven:
b. De terugkeer van de Tuchtknaep maakt een einde aan het gesprek. Tevergeefs doen de vrouwen een poging hem te bewegen tot verzachting van het lot van hun vorst. Medelijden heeft de Tuchtknaep niet; Simson heeft dat indertijd immers ook niet met zijn slachtoffers gehad. En bovendien:
Als de Jodinnen blijven aandringen, beroept hij zich op
zijn bevelen. Hij heeft slechts te gehoorzamen. Als zij wat bereiken willen, moeten zij zich tot de Vorst van Gaza wenden, die daar juist uit zijn paleis de tempelhof binnenkomt. Mopperend dat hij eerst Simson uit de gevangenis moest halen en hem nu weer daarheen moet terugbrengen, maakt hij zijn gevangene van de boom los en voert hem aan de ketting met zich mee.
c. De Vorst van Gaza spreekt - blijkbaar tegenover zijn gevolg - zijn bezorgdheid uit over het dreigende weer1. Als er maar geen onweer komt en een stortregen de altaarvuren blust, die ontstoken worden voor het grote offer van ‘hondert witte stieren’2 (vs. 454)! Maar hij schuift die onrust van zich weg: ‘doch 't weder kan verkeeren, // De lucht opklaeren’ (vs. 457b-458a). Zijn aandacht wordt trouwens afgeleid, doordat de Rey van Jodinnen inderdaad nu bij hem om genade voor Simson komt smeken. Minzaam hoort hij het verzoek van de vrouwen aan, maar zijn antwoord is onverbiddelijk: Simson wordt zeker niet zwaarder gestraft dan hij verdient! Ook van een hoge losprijs wil hij niet horen: ‘Men koopt hier 't recht niet om, dat strijt met onze wijs’ (vs. 512). Wanneer de vrouwen, in hun medelijdende ijver, zo ver durven gaan hem voor te stellen Simson de gelegenheid te geven tot ontvluchting, verliest hij tenslotte zijn geduld. Zien de vrouwen de ernst van de zaak dan niet in? Niet alleen Simson zal gestraft worden, maar heel het Jodendom:
Ontsteld reageert de Rey: ‘Zoo wreet bejegenen Godts
erfdeel, en getrouwen?’ (vs. 538). Maar dat stelt opeens heidendom en Jodendom scherp tegenover elkaar! Voor de Vorst is er geen sprake van ‘Godts erfdeel’, voor hem zijn de Israëlieten vreemde en barbaarse indringers in Kanaän:
De Joodse vrouwen schrikken van de heftigheid van zijn toon. Zij begrijpen dat zij te ver zijn gegaan: ‘ons past geen tegenspreecken. // Wy quamen hier, om slechts te bidden, en te smeecken’ (vs. 561b-562). Hun nederige onderworpenheid stemt de Vorst weer wat milder, en daardoor krijgen zij de kans voor een nieuw verzoek. Als er voor Simson bij zijn leven niets te bereiken valt, willen zij een gunst voor hem vragen na zijn dood: ‘Te rusten in den schoot van 't vaderlijcke graf’ (vs. 580). Dit is een belangrijk moment in het drama. De vrouwen hebben Simsons zinspelingen op zijn spoedige dood verkeerd geinterpreteerd. Nu hij verzekerd heeft geen zelfmoord te zullen plegen, hebben zij er uit afgeleid dat hij zich te verzwakt en te ziek voelt om nog lang in gevangenschap te kunnen blijven leven. Daarom hebben zij geprobeerd de vrijheid voor hem te verwerven. De mislukking van die poging heeft naar hun mening Simsons spoedige dood bezegeld, en daarmee wordt de belofte omtrent zijn begrafenis acuut. Maar juist omdat zij volkomen te goeder trouw zijn, dragen zij er veel toe bij, de Filistijnen te sterken in de overtuiging dat er van Simson geen enkel gevaar meer te duchten valt. Hun ongelukkige Richter, pleiten zij,
En nu smeken zij, terwijl zij zich aan de voeten van de Vorst in het stof neerwerpen, om de vervulling van Simsons laatste wens. De Vorst stemt daarin onmiddellijk toe. Met zijn vroegere minzaamheid stelt hij zelfs ‘de rosbaer van het hof’ (de vorstelijke draagkoets; vs. 597) ter beschikking om te zijner tijd het lijk van Simson naar ‘vaders grafstê’ (vs. 598) te vervoeren. Hij bevestigt zijn toezegging met de krachtigste eed die hij kent: een eed bij Dagon. Glimlachend voegt hij daaraan toe, met indirecte spot voor de Joodse God, die door de vrouwen als sterker dan Dagon wordt beschouwd:
Tragische ironie: hij zal letterlijk aan zijn woord worden gehouden!
d. De Vorst verdwijnt met zijn gevolg in de richting van de tempel. Alleen achtergebleven bezint de Rey van Jodinnen zich op de begrafenis-wens van Simson. Ook in de dood trekt bloed nog altijd naar bloed:
Het lijk van Jozef werd uit Egypte meegevoerd, om bijgezet te worden in het graf der aartsvaders te Hebron. En nu behoeft ook Simson zich in dit opzicht geen zorgen meer te maken. De Rey gaat het hem dadelijk in de gevangenis meedelen en verheugt zich bij voorbaat op zijn vreugde:
a. Als de Vorst van Gaza uit de tempel naar zijn paleis terugkeert, komt de Vorstin hem tegemoet. Zij brengt hem het dringend verzoek over van al zijn hoge gasten uit de vijf hoofdsteden der Filistijnen1, die
De Vorst is een groot voorstander van het toneel; uitvoerig en geestdriftig zet hij uiteen, welk een goede invloed er in staatkundig opzicht van uitgaat3. Hij zou dan ook niets liever doen dan het verzoek inwilligen. Maar helaas is het daarvoor nu te laat. ‘Tooneelspel in een kercke, en van een blinden Jood’4 (vs. 709) zou een nieuwigheid zijn, die
door de priesterschap als een dubbele ontwijding zou kunnen worden opgevat, en tijdvoor overleg is er niet meer. Als de gasten een toneel-opvoering wensen, wil hij daarvoor echter gaarne het paleis ter beschikking stellen. Maar de Vorstin neemt daarmee geen genoegen: het pikante is juist, dat Simson tijdens de offermaaltijd in de tèmpel speelt! Zij blijft dan ook hardnekkig aandringen, met een tegen-argument op elk argument van de Vorst. Tenslotte geeft deze in zover toe, dat hij de beslissing van zich afschuift. Het gaat hier om een kwestie, waarin niet hij het laatste woord heeft, maar ‘het hooft van Dagons kerck’ (vs. 765). Voor de uitvoering van het plan zou dus aan de Aertspriester verlof moeten worden gevraagd. Dat moet de Vorstin dan echter zelf maar doen; als Vorst wenst hij het risico van een weigering niet te lopen: ‘Wy vraegen 't niet, zoo wort het ons niet afgeslagen’ (vs. 772). Opgelucht door deze uitweg zet hij zijn onderbroken tocht naar het paleis voort. Maar ook de Vorstin is niet ontevreden; zij wenkt dadelijk de Hofmeester naar zich toe en geeft hem opdracht de Aertspriester te ontbieden.
b. Even later staat deze voor de Vorstin. Hun gesprek verloopt aanvankelijk langs dezelfde lijnen als dat met de Vorst. Ook de Aertspriester blijkt een enthousiast voorstander van het toneel, waarvan hij op zijn beurt de gunstige invloed - nu in godsdienstig opzicht - uiteenzet1. Maar ook hij wil de opvoering buiten de tempel houden: ‘Daer staet geen speeltooneel’ (vs. 808a). Weer heeft echter de Vorstin op alle bezwaren een antwoord. Voor een toneel kan ‘de bouheer van het hof’ (vs. 810) zorgen; gewaden en muziekinstrumenten zijn er in de ‘kerckkapel’ (vs. 813) - blijkbaar door Vondel als een sacristie gedacht - in over-
vloed; de artistieke capaciteiten van Simson zijn bij de Joodse eredienst vaak genoeg gebleken. En bovendien heeft zij zulk een mooi plan uitgedacht: een plan dat niet alleen tot vernedering van Simson zal strekken, maar van heel het Jodendom en van de Joodse God! Er zal een allegorisch spel worden opgevoerd, ‘een spel van zinnen’ (vs. 824), dat Simsons eigen geschiedenis uitbeeldt:
En dan zal de vrouw, die de rol van de Wellust speelt, het gouden wierookvat - ‘eer 't wierroock wort geroken’ (vs. 831b)! - in de hand van Simson drukken en hem, zonder dat hij in zijn blindheid beseft wat hij doet, de wierook doen zwaaien ter ere van Dagon! Wat een geweldige indruk zal het op de Joden maken, als bekend wordt dat ‘de vorst van 't Jootsche lant // De godtskist schantvleckt met deze onafwischbre schant’ (vs. 837b-838)! - Dat alles trekt de Aertspriester wel aan, maar hij zou de godsdienstige strekking van het plan - Simsons wierookoffer aan Dagon! - eerst aan zijn priesters willen uiteenzetten, om kritiek en verzet van de ‘naugezetten’ (vs. 848) onder hen tegen een toneelopvoering in de tempel te voorkomen. Ook daarvoor weet de Vorstin echter raad: die godsdienstige strekking zal van te voren worden bekend gemaakt, zodat niemand reden kan hebben zich te ergeren! Haar enthousiasme en voortvarendheid slepen tenslotte de Aertspriester mee1, zodat hij zich gewonnen geeft: ‘wy
stemmen uw begeeren, // Naerdien gy met dit spel Godt Dagon wilt vereeren’ (vs. 867b-868). Hij gaat er zelfs dadelijk toe over, de nodige bevelen aan zijn ‘kerckmeester’ (vs. 871) te geven. Deze moet er voor zorgen dat Simson bij de Vorstin wordt gebracht, opdracht geven voor de bouw van een toneel, en uit de tempelschat alles ter beschikking stellen wat aan ‘gordijnen, // Tapijten, speeltuigh en gewaet (vs. 872b-873a) nodig blijkt. Daarna keert de Aertspriester haastig naar zijn voorbereidende werkzaamheden in de tempel terug. De Vorstin blijft op Simson wachten, terwijl zij overweegt hoe zij hem het best met list en beloften tot medewerking aan haar plan zal kunnen verleiden.
c. Aan zijn ketting wordt Simson door de Tuchtknaep vóór de Vorstin gebracht. En dan begint een scène van wederzijdse misleiding. De Vorstin betoont zich tegenover de gevangen slaaf niet alleen minzaam en medelijdend, maar behandelt hem zelfs op voet van gelijkheid. Zij spreekt hem aan als ‘gevangen vorst’ (vs. 888) en ‘brave helt’ (vs. 923), reikt hem de hand (vs. 946a) en belooft hem dat hij nooit meer als een dier de molen zal behoeven te trekken (vs. 947), wanneer hij aan haar verzoek voldoet. Maar achter al die vriendelijkheid verbergt zich de bedrieglijke opzet, Simson in blinde onwetendheid de afgod Dagon te doen bewieroken. Ook Simson speelt echter een rol. In de voorafgegane nacht heeft zijn geboorte-engel hem geopenbaard, op welke wijze hij God en zichzelf aan de Filistijnen zal kunnen wreken. Maar dan moet hij nu voorkomen, dat de Vorstin argwaan krijgt of iets gaat vermoeden van zijn teruggekeerde kracht. Hoe ongevaarlijker zij hem acht, hoe beter! Daarom tracht hij de indruk te wekken zó afgebeuld en uitgeput te zijn, dat zijn geestkracht gebroken is:
De dood kan dan ook niet ver meer zijn: ‘Zoo gy 't geloven kunt, het loopt met my op 't leste’ (vs. 936) - inderdaad, maar in andere zin dan de Vorstin daaruit kan opmaken! Wanneer deze hem even later meedeelt wat zij van hem verlangt, begrijpt hij natuurlijk dadelijk hoeveel gemakkelijker de uitvoering van zijn wraakplan wordt, als hij op deze manier ongeboeid in de tempel kan komen. Maar zorgvuldig speelt hij de rol van een gebroken gevangene, die tot alles bereid is - en na zijn klaagzang klinkt dit overtuigend genoeg - om van het werk in de slavenmolen te worden verlost:
De dreigende dubbelzinnigheid van deze woorden ontgaat de Vorstin opnieuw; zij is veel te trots op haar ‘overwinning’ over de geduchte Simson om achterdochtig te zijn. Snel zet zij nader uiteen wat er van hem verwacht wordt, en stuurt hem dan weg om zich gereed te maken. In haar opdracht aan de verbijsterde Tuchtknaep is nog steeds de minzame beschermster aan het woord:
Maar nauwelijks is Simson buiten gehoor, of zij geeft uiting aan haar minachting voor zijn handelbaarheid: ‘Hoe snel veranderde de Joodt, zoo ras hy hoorde // Van zijne ontlastinge, en de vryheit hem bekoorde’ (vs. 983-984). Triomferend keert zij naar het paleis terug, om haar gasten er op voor te bereiden, dat
d. De Rey van Jodinnen keert door de (nu verlaten) tempelhof terug van zijn - blijkbaar vergeefse - poging om tot de gevangenis van Simson door te dringen en hem te troosten met de toezegging van de Vorst omtrent zijn begrafenis. In hun machteloos medelijden zoeken de vrouwen troost bij de gedachte, dat geestelijke blindheid nog erger is dan lichamelijke. Hoe jammerlijk Simson er aan toe is,
Het besef van hun bevoorrechting boven ‘d' onbesnede Dagonisten’ (vs. 1015) doet hen bij God de hulp voor Simson zoeken, die zij hem zelf niet hebben kunnen geven:
a. De Tuchtknaep heeft het bevel van de Vorstin opgevolgd en zich in de ‘kapel’ van de tempel een ander gewaad laten uitreiken. Gekleed als de dienaar van een vorst,
verschijnt hij in de tempelhof. Uit zijn monoloog blijkt dat het plan van de Vorstin, met inbegrip van de ‘godsdienstige strekking’1, intussen aan de Filistijnen is bekend gemaakt. Uit haar gesprek met Simson, waarbij hij tegenwoordig is geweest, kan hij immers niet weten dat deze ‘op 't offerfeest zijn eige personaedje’ (vs. 1044) zal moeten spelen2 en tenslotte ‘voor Dagons outer smoocken’ (vs. 1048). - Als het verkleden van Simson in de kapel hem te lang duurt, stuurt hij iemand (waarschijnlijk een van de Tuchtwachten) uit om hem te halen. Even later staat ook Simson op het toneel, nu gehuld in de kostbare kledij van een Oosters vorst (vgl. vs. 1116b-1121a). Wij zullen ons moeten voorstellen, dat hij door de uitgezonden Tuchtwacht wordt opgeleid, maar zich losrukt en alleen nog enkele stappen voortstruikelt, ten prooi aan een geweldige gemoedsbeweging die hem tot stikkens toe benauwt. Met leedvermaak somt de Tuchtknaep er alle bijzonderheden van op:
Maar die gemoedsbeweging is niet, zoals de Tuchtknaep vermoedt, het gevolg van woede om de komende vernedering en van twijfel aan de belofte van de Vorstin. Het is de ijver des Heren, die Simson met heilige razernij vervult. In vervoering heft hij de machtige armen omhoog; zijn lege oogholten zoeken de hemel. En hij schreeuwt naar God3:
Dat Gods naam door de Filistijnen wordt bespot en Gods wet door hun afgoderij ontheiligd, ‘Dat smert my meer dan alle pijnen’ (vs. 1076). Want de gevangenis heeft hem gelouterd1:
Laten de Filistijnen met hem doen wat zij willen, als straks maar
Langzaam wordt Simson wat kalmer. Hij vermeldt nog de verschijning van zijn Engel Fadaël, en de nieuwe kracht die hij sindsdien in zich voelt. Dan laat hij de armen zakken en zwijgt. - De Tuchtknaep is van deze uitbarsting toch wel wat geschrokken. Dat was eer waanzin dan woede! En de Vorstin zou het wel eens op hèm kunnen verhalen, als Simson niet in staat bleek op het feest de hem toege-
dachte rol te vervullen. Daarom maakt hij van Simsons zwijgen gebruik om te trachten hem verder te kalmeren. Evenals zijn meesteres behandelt hij nu zijn gevangene als een vorst. Hij spreekt hem aan met ‘doorluchtste prins’ (vs. 1113) en houdt hem voor, dat er voor dergelijke jammerklachten toch eigenlijk geen reden is. Na het gesprek met de Vorstin is zijn positie immers aanzienlijk verbeterd! Als hij zich aan Dagon wilde onderwerpen, zou hij bij de Filistijnen misschien zelfs een nog belangrijker plaats kunnen gaan innemen dan indertijd bij de Joden1! - Daarmee bereikt de Tuchtknaep echter het omgekeerde van wat hij beoogde. Zijn ongelukkige zinspeling op een ‘bekering’ doet in Simson opnieuw de ijver des Heren oplaaien: ‘Laet Samson zich braveeren van een' jongen!’ (vs. 1137). Er is alleen dit verschil met de eerste maal, dat hij toen op het hoogtepunt van zijn heilige razernij begon en gaandeweg rustiger werd. Nu is het juist andersom. Steeds feller wordt zijn toon, steeds krachtiger zijn roep om wraak. Hij vergeet zijn omgeving en ziet zich al staan in de tempel van Dagon op het moment van de grote afrekening:
Maar ineens wordt Simson zich het gevaarlijke van deze uitbarsting bewust: voor een goed verstaander geeft hij daarmee het geheim van zijn teruggekeerde kracht en zijn wraakplan prijs! Abrupt valt hij dan ook terug in zijn rol van afgebeulde en uitgeputte slaaf:
Gelukkig blijkt de Tuchtknaep géén goed verstaander. Hij heeft alleen begrepen dat Simson zijn Joodse God aanriep, en betreurt het dat hij afkerig blijft van de zoveel sterkere Dagon. Maar hij is veel te blij, dat zijn gevangene weer tot zichzelf gekomen is, om het risico van een nieuwe uitbarsting te willen lopen. Daarom laat hij zich zonder protest door Simson het zwijgen opleggen, en aanvaardt hij zelfs diens bevel hem naar de ‘kerck-kapel’ te brengen om daar op het begin van de plechtigheden te wachten. Als beiden zich in de richting van de tempel verwijderen, is de kledij van vorst en dienaar niet enkel een maskerade meer: Simson domineert inderdaad!
b. De Aertspriester komt, gevolgd door een aantal ‘staffiers’ (gewapende dienaars), nerveus de tempelhof binnen. De Koorwaerzeggerin (orakelpriesteres) van Akkaron1 is onverwachts naar Gaza gekomen, en hij vreest dat zij een onaangename Godsspraak brengt die heel het zorgvuldig voorbereide Dagon-feest bedreigt. Als dat op het laatste moment moet worden afgelast, zou het volk ontevreden worden, en daarvan zouden de Joden gebruik kunnen
maken om tot oproer aan te zetten! Voor alle zekerheid laat hij alvast de tempelhof door zijn staffiers bezetten. En dan wendt hij zich, hoffelijk en met schijnbare onbevangenheid, tot de ‘grijze non’ (vs. 1216), die steunend op twee jonge priesteressen langzaam naderbij komt. - Het is inderdaad een dreigende ramp, waarvoor zij te waarschuwen heeft: ‘Wat donckre wolcken zien wy boven Gaza hangen1!’ (vs. 1231). Uitvoerig vertelt zij, hoe de priesterschap van Akkaron verontrust werd door een eindeloze reeks van ongunstige voortekenen. Tenslotte werd een beroep op haar gedaan om de god te raadplegen en te vragen ‘Wat naeckende ongeval zoo veele tekens spellen’ (vs. 1267). En er kwam antwoord:
Onmiddellijk is zij naar Gaza vertrokken om deze Godsspraak over te brengen, en onderweg
De Aertspriester slaakt een zucht van verlichting! Dit orakel behoeft immers niet in ongunstige zin te worden opgevat! Maar de Koorwaerzeggerin is diep overtuigd van wèl. Met zijn uitspraak omtrent het Joodse treurspel heeft de god van het Akkaronse orakel een laatste waarschuwing bedoeld: ‘Hy spelt dat ons dit spel tot ramp gedyen zal’ (vs. 1294). En geen wonder! Het komt er immers op neer, zo houdt zij de Aertspriester verwijtend voor, ‘Dat gy door 't Joodtsche spel een kerck ontwijden zult’ (vs. 1306). Met toenemende klem bezweert zij hem, het duiden van het orakel over te laten aan haar die wordt ‘Gedreven van een' geest, die haer Godts zin ontvout’ (vs. 1302). Er dreigt
gevaar van Simson, en daarom: ‘staeck het spel’ (vs. 1370b)! De Aertspriester weigert echter zich gewonnen te geven. Zijn prestige is in het geding. Hij heeft aan de Vorstin en haar gasten zijn woord gegeven, en hij voelt er niets voor tegenover hen ‘'t Aertspriesterlijck gezagh te krencken om een woort, // Dat twijfelachtigh luidt’ (vs. 1333-1334a). Het orakel kan immers even goed geïnterpreteerd worden als aankondiging ‘dat ons dit spel tot blyschap zal gedyen’ (vs. 1295b). Dat er van Simson enig gevaar zou dreigen, moet uitgesloten worden geacht:
Bovendien: bij hem als opperpriester van Dagon berust het hoogste kerkelijke gezag. Met alle eerbied voor het orakel is hij niet bereid ‘den kerckelijcken toom // Te laeten glijden’ (vs. 1374b-1375a) op grond van een interpretatie waaraan hij niet gelooft. Het toneelspel van Simson zal dus doorgaan! - Woedend en wanhopig keert de Koorwaerzeggerin naar Akkaron terug. Geen ogenblik langer wenst zij in het bedreigde Gaza te blijven:
De Aertspriester verontschuldigt zich, dat hij haar geen uitgeleide kan doen. Het is hoog tijd, dat de processie begint!
c. Evenals in Salomon IV-d is de nu volgende scène in de eerste plaats als ‘vertoning’ bedoeld1; ook ditmaal geeft Vondel slechts de tekst van de gezongen liederen, maar zó dat het verloop van de handeling er uit af te leiden valt.
- Zingend geeft de Aertspriester de volgorde aan, waarin de stoet zich voor de processie heeft op te stellen. Vooraan moet de schutterij ‘Heenetreên op bom, en fluit, // Feestbazuinen, en trompetten’ (vs. 1404-1405). Daarna komen, twee aan twee, de priesters met zingende ‘kooraelen’ (koorzangers), op hun beurt gevolgd door Simson, ‘Met een' braven stoet behangen1’ (vs. 1414). In het midden van de processie: het beeld van Dagon, hoog op zijn draagstoel, omgeven door fakkeldragers en wierookzwaaiers. Achter Dagon: eerst de Aertspriester zelf, dan de vorsten en vorstinnen, vervolgens de edelen, tenslotte de hofhouding. Als ieder zijn plaats heeft ingenomen, zet de stoet zich in beweging. De priester-kooraelen heffen een loflied voor Dagon aan:
d. Uit de verte heeft de Rey van Jodinnen dit alles aangezien. Wanneer de stoet uit het gezicht verdwenen is, treden de vrouwen nader. Zij zijn ontzet over het afgodisch bedrijf waarvan zij getuige zijn geweest, en in hun verontwaardiging kunnen zij zich niet voorstellen dat God dit ongestraft zal laten. Onweerstaanbaar is de kracht van de zon, wanneer hij 's zomers in het sterrenbeeld van de Leeuw staat en alles voor zijn gloed moet zwichten. Zo zouden ook de Filistijnen moeten zwichten, ‘Als Godt helt Samson stercken wil’ (vs. 1463). Wel is deze nu van zijn haar beroofd,
In deze zekerheid voorvoelen zij reeds wat er komen gaat:
a. De zon hééft uit den Leeu gegloeid! In de tempelhof zijn de Joodse vrouwen weggekropen in de ‘kerckhofhaegen’ (vs. 1492), die het verst verwijderd zijn van de plaats van de ramp:
Als een lid van de hofhouding, ‘verbaest, verbijstert, en verslagen’ (vs. 1493), uit de richting van de ingestorte tempel voorbijkomt, kunnen zij zich echter niet weerhouden hem naar bijzonderheden te vragen. En de man is zó vol van alles wat hij gezien heeft, dat hij aan hun verzoek gehoor geeft en inderdaad begint te vertellen: ‘Ick zagh een wraeck, daer al de weerelt van gewaeght’ (vs. 1507). Hoe heeft de Koorwaerzeggerin van Akkaron gelijk gekregen: ‘Dat komt van speelen en tooneelspel in Godts kerck, // Ontwijt om eenen Jode, alleen al 't lant te sterck’
(vs. 1510-1511)! Tijdens de processie hield Simson zich rustig, en ook bij de offermaaltijd in de tempel het hij aanvankelijk onbewogen met zich sollen en spotten. Toen het tijd werd voor zijn optreden, verscheen hij zelfs met Noëma - de hem toebedeelde tegenspeelster - op het toneel: ‘Hy speelde eerst op een harp, zong vrolijck onder 't spel1’ (vs. 1542). Na afloop van dit inleidende nummer liet hij zich door zijn Tuchtknaep naar de twee hoofdpilaren leiden om daar even te rusten voordat het zinnespel begon. Stikvol was de tempel, tot op het dak toe, met Filistijnen ‘Die opgespannen al naer Samsons spel verlangen’ (vs. 1565). Maar blijkbaar had deze argwaan gekregen2:
In ieder geval: ineens stond hij als een woedende leeuw tussen de twee pilaren!
God aanroepend om kracht en wraak, rukte hij ‘kruisgewys de beide hooftpylaeren // Met bey zijne armen’ (vs. 1589b-1590a) omver3! En toen stortte alles met en over de duizenden aanwezigen in! Hangend aan een wankelende pilaar heeft de verteller alle verschrikkingen gezien:
En Simson? wagen de vrouwen te vragen, gedachtig aan hun belofte omtrent zijn begrafenis. Ook daarop kan de Hoveling antwoord geven. Simson is dood: ‘Het schijnt een zwaere steen heeft hem het hart geplet’ (vs. 1634). Zijn lijk is ter beschikking van de Joden gesteld,
De Hoveling belooft dan ook, dat de baar met het lijk naar de vrouwen zal worden gebracht, en verwijdert zich om daarvoor te zorgen.
b. Terwijl de vrouwen wachten, komen Simsons ‘Bloetvrienden’ (bloedverwanten) de tempelhof binnen om ‘noch voor 't lest den dooden helt t' aenschouwen’ (vs. 1644b). Even later wordt de lijkbaar aangedragen. Samen knielen de verwanten en de vrouwen bij de dode voor een laatste gebed. En ineens staat dan Fadaël, Simsons Engel, bij hen. Zij moeten niet bedroefd zijn, zegt hij, want Simson heeft ‘Godts wraeck // Stantvastigh uitgevoert, uit yver voor Godts zaeck’ (vs. 1666b-1667). Hij zal tot Gods Heiligen gerekend worden2, en eenmaal zal men verstaan:
Maar nu moet er haast gemaakt worden met Simsons begrafenis, voordat de Filistijnen tot andere gedachten komen: ‘Staet op, en volght mijn spoor terstont met deze bare. // Ick decke u met een wolck, dat niemant u bezwaere’ (vs. 1684-1685). De vrouwen en de verwanten gehoorzamen. Terwijl de mannen de baar opnemen, bidt de Rey om de komende Verlosser van wie Fadaël gesproken heeft:
Na onze kennismaking met de Samson gaan wij beter begrijpen, waarom Vondel aan zijn drama nog een tweede titel gaf: Heilige wraeck. De bedoeling van het spel wordt er inderdaad door verduidelijkt. Want ‘heilig’ wil hier zeggen ‘door God geïnspireerd en Hem welgevallig’. Daarin ligt opgesloten, dat de wraakoefening op de Filistijnen beschouwd moet worden als een rehabilitatie van Simson. Door het verraad van Delila had hij mèt zijn kracht ook het Richterschap verloren; door hem die kracht terug te geven maakte God hem echter opnieuw tot Zijn Richter. Dat komt volkomen overeen met wat wij in het drama zagen gebeuren. Eerst komt Fadaël in de gevangenis Simson de nieuwe taak kenbaar maken waartoe God hem roept; daarmee is deze opnieuw door God als Richter aanvaard. Vervolgens kleden de Filistijnen hem als een Oosters vorst, overeenkomstig zijn Richterlijke waardigheid. Zij doen dit weliswaar om met hem te spotten, maar onbewust bevestigen zij daarmee naar het uiterlijk wat sedert de boodschap van Fadaël naar het innerlijk reeds een feit was: Simsons herstel. Wanneer hij in de tempel van Dagon tussen de twee pilaren staat, is Simson dan ook zowel uiterlijk als innerlijk weer dezelfde als vóór zijn val: ‘Prins Samson herstelt’. Zijn triomferende gewelddaad levert daarvan het overstelpend bewijs.
Behalve aan het herstel van Simson wijdt Vondel ook uit-
voerig aandacht aan diens val. Structureel gezien zou dit eigenlijk niet nodig zijn geweest. Even goed als voor de rest van Simsons voorgeschiedenis zou ook voor de episode met Delila volstaan hebben kunnen worden met een korte samenvatting en een aantal terloopse toespelingen. Maar Vondel doet dit zeer beslist niet; hij maakt integendeel die episode tot een tweede culminatiepunt in zijn tragedie. Zoals wij gezien hebben, laat hij voor Simson bij zijn biecht aan de Joodse vrouwen het verleden zózeer herleven, dat hij de woorden van Delila als het ware opnieuw hoort en ze letterlijk kan herhalen1. Wij hebben in de bewuste scène te doen met de dichtste benadering van een flash-back, die met behoud van de eenheid van tijd mogelijk is. Mèt de Rey van Jodinnen beleven ook de toeschouwers het ogenblik van Simsons val achteraf toch nog mee: ‘Prins Samson in slavernye’.
Met opzet heb ik mijn fictieve titels voor de twee hoofdmomenten uit het drama zó gekozen, dat zij de aandacht vestigen op de overeenkomst tussen Simson en David. Ik twijfel er namelijk niet aan, dat hier sprake is van een continuïteit: bewuste herhaling van hetzelfde motief. Om tot de overtuiging te komen dat de parallellie tussen Richter en Koning de dichter inderdaad voor ogen moet hebben gestaan, behoeft men slechts het aperçu van de beide Koning David-spelen naast dat van de Samson te leggen. In beide gevallen kan men vrijwel dezelfde woorden gebruiken:
In de Koning David-spelen heeft de wellust David gebracht tot de zonde van zijn overspel met Bathseba en tot moord op haar wettige man Uria. God straft hem daarvoor met de opstand van Absalom. David verliest zijn koningschap en wordt een opgejaagde balling. Absalom triomfeert over de hele linie - Absalom, die uitdrukkelijk getekend wordt als een Lucifer-gestalte en dus als rebel tegen God. Zijn triomf is dan ook niet blijvend: God doet de kansen keren. Het leger van Absalom wordt vernietigend verslagen, en David wordt als koning hersteld. Daarbij verliest hij echter zijn meest geliefde zoon. Het herstel na de straf gaat gepaard met het zwaarste offer.
In de Samson heeft de wellust Simson gebracht tot de zonde van het verraden van zijn Godsgeheim aan Delila. God straft hem daarvoor door hem over te geven in de macht van de Filistijnen. Simson verliest zijn richterschap en wordt een afgebeulde, mishandelde slaaf. De Filistijnen triomferen over de hele linie - de Filistijnen, die uitdrukkelijk getekend worden als dienaars van de duivel in de gestalte van Dagon. Hun triomf is dan ook niet blijvend: God doet de kansen keren. Bij de verwoesting van hun tempel gaat de bloem der Filistijnen, en daarmee hun macht, ten onder; Simson wordt triomferend in ere hersteld. Daarbij verliest hij echter zijn leven. Het herstel na de straf gaat gepaard met het zwaarste offer.
Tegen de achtergrond van deze parallellie vindt ook de flash-back in II-a zijn verklaring. Wat hij bij David in twee drama's had gedaan, wilde Vondel bij Simson in één tragedie samenvatten. Maar dan moest aan de episode van de val, al behoorde die bij het begin van het drama reeds tot het verleden, toch het karakter verleend worden van een eerste peripeteia - ik kom daarop nog terug -, waardoor zij als tegenhanger van de Koning David in ballingschap zou kunnen gelden. Alleen vanuit die parallellie kan de bewuste scène als een functionele noodzakelijheid worden begrepen. Zij bewijst daardoor opnieuw, dat de Samson na de Koning David-spelen geschreven moet zijn1. Er behoeft omtrent de volgorde van de drama's uit 1660 geen enkele onzekerheid te bestaan. Die volgorde werd door de parallellie bepaald: Oidipous bracht Vondel tot David, en David bracht hem tot Simson.
Uit het bovenstaande valt reeds af te leiden, dat ook de Samson een ‘drama van staetveranderinge’ is. Wéér heeft Vondel de volle nadruk op de peripeteia doen vallen, en wéér heeft hij het effect daarvan versterkt door het eerst en het later - contrasterend-uitbeeldend - zo scherp mogelijk tegenover elkaar te stellen. In I-b en II-a voert hij Simson in al zijn ellende ten
tonele: vuil, vastgeketend aan een boom, toegesnauwd door de Tuchtknaep. Maar in V-a tekent de ontkomen Hoveling een geheel ander beeld van hem. In vorstengewaad staat Simson in de tempel tussen de twee pilaren, en er is niets meer dat aan een slaaf herinnert:
Deze uitbeelding van ‘Prins Samson herstelt’ kon echter vanwege de daarmee samengaande verwoesting van de tempel niet op het toneel worden gebracht; zij wordt slechts vertèld. Dat doet aan de contrastwerking ernstig afbreuk, vooral nu ‘Prins Samson in slavernye’ wèl zichtbaar was geweest. Vondel moest dus naar een middel zoeken om Simson óók in zijn herstel voor de toeschouwers concreet te maken. Naar ik meen, moeten wij IV-a als het resultaat van deze noodzaak zien. In deze scène laat Vondel - proleptisch - Simson voor een ogenblik reeds in dezelfde Goddelijke razernij verkeren, die hem in de tempel zal beheersen, en legt hij hem dezelfde woorden in de mond die hij daar zal spreken. Onder het bode-verhaal van de Hoveling vult dit beeld diens mededelingen aan: wij hebben immers Simson ook gezien, zoals hij hem zag!
Tegenover de opgang van Simson staat de neergang van de Filistijnen. Wij hebben hier te doen met eenzelfde antithetische verdubbeling van de peripeteia als in de Koning David in ballingschap, waar tegenover de vlucht van David uit Jeruzalem de zegevierende intocht van Absalom stond. Het oorspronkelijke ‘geluk’ van de Filistijnen leren wij in eerste instantie kennen uit de pralende en zelfverzekerde houding van de Vorst, de Vorstin en de Aertspriester. Maar nog veel duidelijker wordt het ons - letterlijk! - voor ogen gesteld in IV-c, als de stoet zich voor de grote Dagon-processie formeert en alle heerlijkheid van tempel en hof aan ons voorbijtrekt. Op soortgelijke wijze als wij in de Koning David herstelt reeds waarnamen1, rekent Vondel ook
hier op de montering bij de opvoering om dit aspect van het drama volledig tot zijn recht te doen komen, maar zorgt hij er voor, de regie-aanwijzingen voor het beoogde effect in zijn tekst op te nemen: ditmaal door middel van de woorden, waarmee de Aertspriester de plaats van elke groep in de stoet aangeeft. Tegenover al die praal staat dan in V-a de jammerlijke beschrijving van verminking en dood in het bode-verhaal van de Hoveling. Hier heeft Vondel niet naar een proleptische concretisering gezocht; dat was voor de catastrofe zowel onnodig - de toneelregels schreven immers voor, dat deze verteld en niet vertoond moest worden - als onmogelijk. Maar het effect van de beschrijving wordt versterkt, doordat de toeschouwers haar onwillekeurig betrekken op de concrete realiteit die zij even te voren gezien hebben: van heel die trotse stoet is niets meer over dan ‘bloet en puin gemengt’ (vs. 1617).
Herkennen wij in deze contrasterende peripeteia de structuur van de Koning David in ballingschap, ook die van de Koning David herstelt vinden wij tot op zekere hoogte in de Samson terug. Kenmerkend voor dit tweede David-spel was immers de antithetische verdubbeling van de peripeteia ten aanzien van de hoofdpersoon: David als koning en David als vader. Van de simultaneïteit, die daaraan zijn bijzonder karakter verleende, is in de Samson geen sprake; maar wel komen ook in dit drama twee tegengestelde ‘staetveranderingen’ van de titelfiguur voor. Behalve Simsons herstel heeft Vondel namelijk ook diens val als peripeteia in zijn drama gebracht. Wij zagen reeds, dat hij dit bereikte door een soort flash-back: een zó intense evocatie van het verleden door Simson, dat de luisterende Joodse vrouwen - en daarmee ook de toeschouwers - ze als een realiteit met hem meebeleven. Haast van ogenblik tot ogenblik herhaalt zich in Simsons verhaal de laatste fase van de fatale episode met Delila. Wij horen haar in haar eigen woorden vleien en klagen en boos worden; wij voelen mee, dat Simsons weerstand door haar eindeloos aanhouden en ‘geduurigh nocken’ (vs. 334) ondermijnd raakt; wij begrijpen, hoe hij er tenslotte toe komt haar in arren moede het geheim van zijn kracht te onthullen. Daarop
volgt de peripeteia: de overweldiging door de Filistijnen, het uitsteken van de ogen, de slavernij. Maar dit alles wordt slechts met enkele woorden door Simson aangeduid. De peripeteia heeft immers geen evocatie nodig; in zijn blinde en geketende gestalte is zij zichtbaar genoeg! Deze abrupte overgang van de evocatie in de werkelijkheid doet de grenzen tussen beide nog verder vervagen. Simsons verhaal zet zich voort in de situatie op het toneel, maar omgekeerd is die situatie ook deel gaan uitmaken van zijn verhaal. Zij staat niet meer op zichzelf, maar is de resultante geworden van alles wat zo juist retrospectief opnieuw werd beleefd. Met andere woorden: de ellende van Simson is in de stroom van een ontwikkeling opgenomen, waardoor zij wordt herkend en ervaren als een peripeteia1. In overeenstemming daarmee reageren de Joodse vrouwen dan ook met een uitroep van medelijden, die de nadruk legt op de ‘staetveranderinge’:
Zo is Vondel er in geslaagd niet alleen de parallellie met de Koning David-spelen te handhaven, maar zelfs de antithetischverdubbelde peripeteia, die deze beide drama's kenmerkte, nog te overtreffen. In de Samson is de peripeteia drievoudig, en contrasteert het moment van Simsons herstel zowel met diens val als met de ondergang van de Filistijnen.
Anders dan in de drama's over David komt in de Samson echter geen agnitio voor. Bij een enigszins andere opzet van de tragedie zou het zeker niet onmogelijk gefeest zijn om bijvoorbeeld het ogenblik, waarop Simson zich bewust wordt van zijn teruggekeerde kracht en van de ultieme taak die God hem stelt, als een agnitio uit te beelden. Maar blijkbaar heeft Vondel daaraan geen behoefte gevoeld en was het hem ditmaal alléén om de peripeteia te doen. De regels voor de tragedie gaven hem daartoe
trouwens het recht. Zowel Heinsius als Vossius stellen uitdrukkelijk vast, dat de combinatie van peripeteia en agnitio niet noodzakelijk is en met de eerste kan worden volstaan1.
Tegenover het Bijbelverhaal volgt Vondel dezelfde gedragslijn als in de Koning David herstelt2: hij houdt zich nauwkeurig aan ‘'t geen Gods boeck zeit’, maar betracht geen ‘spaerzaemheit’ ten opzichte van ‘'t geen het niet zeit’. Vrijmoedig vult hij de Bijbelse gegevens aan met alles wat hij nodig heeft om daarvan een drama te kunnen maken. En dat is in de Samson heel wat. In Richteren 16 volgt namelijk Simsons wraakoefening op de Filistijnen vrij abrupt op de geschiedenis van zijn val; als enige inleiding wordt meegedeeld, dat zijn haar weer begon te groeien (vs. 22) en dat de Filistijnen een feest ter ere van Dagon organiseerden (vs. 23-24). Voor een tragedie was dit uiteraard niet genoeg; daar moest het verloop van de handeling langzaam - d.w.z. met de nodige vertragings- en spanningsmomenten - maar onafwendbaar naar de catastrofe leiden. Vondel bereikt dit door zowel bij Simson als bij de Filistijnen uit eigen verbeelding de ontbrekende ontwikkelingslijn toe te voegen. Voor Simson neemt hij aan, dat deze in de voorafgegane nacht door Fadaël op zijn vergeldingsdaad in de tempel was voorbereid. Het hele optreden van de gevangen Richter wordt door deze aankondiging bepaald. Hij waarschuwt de Joodse vrouwen dat er bij het Dagon-feest geen Jood in de tempel mag zijn, en vertrouwt hun de zorg voor zijn begrafenis toe. Tegenover de Vorstin speelt hij de rol van een uitgeputte en moedeloze slaaf, die tot alles bereid is om aan de slavenmolen te ontkomen en van wie geen enkel gevaar meer te duchten valt. Zodoende draagt hij er het zijne toe bij om straks ongeketend in de tempel aanwezig te zijn. Als hij daaromtrent zekerheid heeft, voert de verwachting van het grote ogenblik hem reeds bij voorbaat tot een moment van heilige razernij, waarmee hij zich verraden zou
hebben als de Tuchtknaep minder argeloos was geweest. Na deze uitbarsting weet hij zich opnieuw te beheersen en zijn rol verder te spelen, maar inmiddels hebben de toeschouwers begrepen dat de catastrofe niet lang meer kan uitblijven. - Langs andere weg voert de ontwikkelingslijn bij de Filistijnen tot eenzelfde conclusie. Hier gaat het om de vraag, of Simson bij het Dagon-feest al dan niet in de tempel zal worden toegelaten; van het antwoord daarop hangt af, of hij de kans zal krijgen zijn wraakplan ten uitvoer te brengen. Om de spanning op te voeren, laat Vondel de onzekerheid omtrent de uiteindelijke beslissing zo lang mogelijk voortduren. Als de Vorstin van Gaza het voorstel doet om Simson gedurende de offermaaltijd als toneelspeler te laten optreden, staat de Vorst daar afwijzend tegenover: het antwoord schijnt ‘neen’ te zullen worden. Maar tenslotte laat hij de beslissing aan de Aertspriester over, en bij deze laatste heeft de Vorstin meer succes: het ‘neen’ wordt tot ‘ja’. Wanneer ook Simson tot medewerking bereid blijkt - in een scène van wederzijdse misleiding, waarin de beide ontwikkelingslijnen voor een ogenblik parallel lopen -, schijnt dit ‘ja’ definitief geworden te zijn. Maar het waarschuwend orakel van de Koorwaerzeggerin uit Akkaron stelt alles weer op losse schroeven: zal het dan toch ‘neen’ worden? De Aertspriester laat echter zijn prestige boven het orakel prevaleren: het blijft ‘ja’. En daarmee is dan de catastrofe, waarop de toeschouwers nu behalve door Simson ook door de Koorwaerzeggerin zijn voorbereid, onvermijdelijk geworden. Zij voltrekt zich op het ontmoetingspunt van de twee ontwikkelingslijnen: in de tempel van Dagon.
Zo heeft Vondel inderdaad een voortreffelijke opzet verkregen. En in het algemeen doet zijn uitwerking daarvoor niet onder. Alleen kan men zich moeilijk aan de indruk onttrekken, dat sommige scènes door te grote uitvoerigheid enigszins aan dramatische kracht hebben ingeboet. Met name geldt dit voor II-c (het beroep van de Joodse vrouwen op de Vorst om genade voor Simson), voor III-a (de discussie tussen Vorstin en Vorst over toneelspel in de tempel en het recht van de laatste om daar-
toe opdracht te geven) en voor IV-b (de woordentwist van Aertspriester en Koorwaerzeggerin over de betekenis van het orakel). In elk van deze gevallen is Vondels uitvoerigheid een gevolg van het feit, dat hij het verschil van mening als een principiële tegenstelling in levens- of geloofshouding wil doen uitkomen. Hij slaagt daarin op een wijze, die op zichzelf ongetwijfeld bewondering verdient. Maar de bewuste tegenstellingen beheersen hier niet, zoals in de vroegere dualiteits-drama's, de gehele tragedie. Zij zijn slechts van belang voor de scène waarin zij voorkomen1, en deze incidentele betekenis rechtvaardigt niet voldoende de aandacht die er aan wordt besteed. Vandaar de indruk van gerektheid. Het herleiden van het incidentele tot zijn universele aspect zat Vondel blijkbaar te diep in het bloed dan dat hij daarvan gemakkelijk kon of wilde afzien, nu er in zijn drama van staetveranderinge eigenlijk geen plaats meer voor was.
Maar ook in geheel ander opzicht zijn er verbindingen met het verleden. Telkens weer worden wij getroffen door gedeelten, die aan scènes uit vroegere drama's herinneren. Als in II-c de Joodse vrouwen bij de Vorst voor Simson pleiten en zich tenslotte smekend aan zijn voeten neerwerpen, dan herleeft daarin de scène uit Hierusalem verwoest (III-c) waarin de Dochter Sion met haar vrouwen een vergeefs beroep doet op de barmhartigheid van Titus2. De structuur van III-a en III-b, waar de Vorstin er niet in slaagt de Vorst voor haar plan te winnen maar steun vindt bij de Aertspriester, is bij alle verschil in de algemene situatie en de details toch nauw verwant aan die van Salmoneus III-b en III-c, waarin eveneens koningin en priester tegenover de vorst staan3. Het plan van de Vorstin om Simson tijdens zijn toneelspel in de tempel een wierookoffer aan Dagon te laten brengen4, is rechtstreeks ontleend aan de praktijk van Sidonia tegenover
Salomo in Salomon IV-d1. De dringende waarschuwing van de Koorwaerzeggerin aan de Aertspriester in IV-b herinnert ondanks de negatieve uitkomst aan het beroep van de Vestaalse priesteres Cornelia op Nero in Peter en Pauwels II-c2. In het bodeverhaal van V-a komt de beschrijving van doden, stervenden en verminkten hier en daar vrijwel woordelijk overeen met die van de vermoorde Klarissen in Gysbreght van Aemstel V-a3. Straks zullen wij zien, dat soortgelijke reminiscenties ook in de proloog en de epiloog voorkomen. Alles bij elkaar is dit te veel om het als toeval te kunnen beschouwen. Wij moeten haast wel aannemen, dat Vondel bloemlezend door zijn vroeger werk is gegaan om daaruit bijeen te zamelen wat voor zijn nieuwe drama dienstig zou kunnen blijken.
Het zou even onjuist als onbillijk zijn in dit teruggrijpen een bewijs te zien voor de geringe rijkdom van Vondels scheppingskracht, zoals in een analoog geval door Gerard Brom werd gedaan4. In het kader van de literaire opvattingen in de zeventiende eeuw moeten wij veeleer denken aan een soort aemulerende imitatio van zichzelf: een poging om het gelukkige resultaat, dat hij indertijd met een bepaald motief of met de opzet van een scène bereikt had, in een geheel ander verband variërend te herhalen en zo mogelijk nog te overtreffen. Bij de dichters der Renaissance was de creativiteit nu eenmaal in de eerste plaats gericht op ‘Variation oder Neuformung vorgegebener Elemente’5. Hoezeer dit ook voor de hierboven vermelde gevallen
geldt, wordt ons duidelijk, zodra wij niet alleen op de overeenkomsten maar ook op de verschillen tussen de corresponderende oude en nieuwe scènes gaan letten. Dan blijkt dadelijk, dat er geen sprake is van ‘producten uit eenselfde gietvorm’1. De vele variaties en het verband met een eigen context maken telkens de nieuwe scène wezenlijk anders dan haar model. Wanneer bijvoorbeeld het plan van de Vorstin om Simson een wierookoffer aan Dagon te laten brengen ontleend wordt aan de Salomon, is er al dadelijk het principiële verschil dat Salomo aan Sidonia beloofd had met haar aan het offer te zullen deelnemen, terwijl Simson het onbewuste slachtoffer moet worden van een geraffineerd bedrog, gebaseerd op zijn blindheid. Noëma, zijn vrouwelijke partner in het geprojecteerde zinnespel, zal hem het wierookvat in de hand drukken ‘eer 't wierroock wort geroken’ (vs. 831), d.w.z. voordat hij aan de geur kan bemerken wat hij eigenlijk in de hand houdt. Uit het bode-verhaal van de Hoveling na de catastrofe blijkt nog, dat zij tevens ‘den blinden om zou draeien’ (vs. 1568), zodat deze met het gezicht naar het beeld van Dagon gekeerd zou staan. Bovendien loopt in de Samson heel deze listige opzet op niets uit, terwijl in de Salomon de prinses haar doel bereikt en het offeren door de oude koning het culminatiepunt van het drama vormt. Als gevolg van al deze verschilpunten domineert niet de herhaling van het motief, maar de ‘Neuformung’ daarvan.
De eigenlijke handeling wordt voorafgegaan door de proloog van Dagon en gevolgd door de epiloog van Fadaël. Beide zijn in in allerlei opzichten merkwaardig genoeg om een afzonderlijke bespreking te rechtvaardigen.
De proloog van Dagon is in de hierboven aangegeven zin een ‘Neuformung’ van de eerste scène uit Peter en Pauwels, waar Simon Toveraer en Elymas als duivelse geesten uit ‘'s afgronts stoel’ verschijnen om te trachten de ondergang van de beide titelfiguren te bewerkstelligen2. Het opmerkelijke ligt niet in
het feit van deze aansluiting, maar in de aard van het gekozen model. Evenals bij de verschijning van Uria's geest in de Koning David in ballingschap krijgen wij daardoor weer te doen met een scène, die in de sfeer van het Senecaanse drama volkomen op zijn plaats zou zijn, maar niet goed past in die van een tragedie naar het model van Sophocles en Euripides1. Worp ziet dan ook in deze beide gevallen, vermeerderd met het optreden van duivelfiguren in de Adam in ballingschap en de Noah, ‘een duidelijk bewijs voor Vondel's navolging van Seneca, ook in zijne latere treurspelen, nadat hij bekend was geworden met de Grieksche tragedie’ en komt op grond daarvan tot de conclusie, dat het de dichter ‘onmogelijk (was), om voor goed met geliefde theoriën van zijne jeugd te breken’2. Naar mijn mening laat deze conclusie echter te veel onverklaard om aanvaardbaar te kunnen zijn. Hoe komt het dan, dat er in Vondels drama's tussen de Peter en Pauwels (1641) en de Koning David in ballingschap (1660) van dergelijke geestverschijningen geen sprake is? En waarom beperkt de invloed van Seneca zich na 1660 - afgezien van enkele incidentele reminiscenties - tot het optreden van figuren uit de hel? Om deze vragen te ondervangen dienen wij de feiten minder algemeen te stellen dan Worp deed. De situatie blijkt dan als volgt: na bijna twintig jaar keert Vondel in 1660 tot de duivel- en geestverschijningen naar het model van Seneca terug. Hij maakt daarvan meermalen, maar toch slechts in bepaalde gevallen gebruik. De veronderstelling, dat de Senecaanse verschijningen in nauw verband staan met de opzet van de betrokken drama's en in de eerste plaats dááruit moeten worden verklaard, dringt zich onder deze omstandigheden vanzelf aan ons op.
Wij zagen reeds, dat het optreden van Uria's geest in de Koning David in ballingschap aan deze veronderstelling beantwoordt; de bewuste scène bleek noodzakelijk om het verband tussen de ballingschap van David en zijn vroegere zonde als een realiteit op
het toneel te brengen1. Als wij nagaan wat de functionele betekenis van de proloog van Dagon in de Samson is, komen wij tot een analoge conclusie. Vondel wilde de vergeldingsdaad van Simson uitbeelden als een ‘heilige wraeck’, d.w.z. als een rechtvaardige bestraffing van Gods vijanden. Maar dan moest van het begin af de positie van de Filistijnen als tegenstanders van God onomstotelijk vaststaan. De tegenstelling tussen de Vorst en de Joodse vrouwen, het verraderlijke plan van de Vorstin ten opzichte van Simson en de gretige medewerking van de Aertspriester deden die positie niet principieel genoeg uitkomen; het bleven incidentele momenten, die wel geschikt waren om het uitgangspunt te bevestigen maar niet om dit als zodanig te funderen. Vandaar de noodzaak om dit, buiten de eigenlijke handeling, in een proloog te doen. Gebruik makend van de traditionele voorstelling dat de afgoden verschijningsvormen van duivels zijn, voert Vondel er Dagon in al zijn infernale afgrijselijkheid ten tonele: niet enkel als duivel, maar zelfs als overste der duivelen. Wanneer deze zijn onderhorige helse geesten opdracht geeft in Simson het Jodendom te beschimpen en zelf zijn plaats in het afgodsbeeld gaat innemen, is er voor de toeschouwers geen twijfel meer mogelijk. De Filistijnen dienen de duivel zelf en hun overwinningsfeest is een honende uitdaging van God! Dit met nadruk te poneren - en zichtbaar te maken! - is de enige essentiële functie van de proloog. Dat Vondel er tevens gebruik van maakt om Dagon een exposé van Simsons daden als Richter in de mond te leggen, blijft daarnaast volkomen secundair. Van Lennep vergist zich dan ook, wanneer hij op dit laatste de nadruk legt en meent ‘dat die geheele Dagon .... zonder schade voor 't geheel, met al zijn oud nieuws, uit het treurspel kan wegblijven’2. Dagon is onmisbaar - niet voor het exposé van Simsons voorgeschiedenis, maar als bewijs voor de duivelse macht achter de Filistijnen.
Tegenover deze manifestatie van de hel staat in de epiloog die
van de hemel. Ook hier heeft Vondel teruggegrepen op een vroegere scène. De verschijning van Fadaël aan de Joodse vrouwen en Simsons ‘bloetvrienden’1 om hun de diepere betekenis van het gebeurde te verklaren, herinnert duidelijk aan de slotscène (V-b) van Hierusalem verwoest, waar Gabriël - zij het veel uitvoeriger - eenzelfde taak jegens de teruggekeerde Jeruzalemse Christenen vervult2. Het opmerkelijke daarbij is, dat Vondel zodoende terugkeert tot de ‘deus ex machina’ in het slot-bedrijf, die hij na Maeghden op grond van de latere opvattingen omtrent de regel der waarschijnlijkheid zorgvuldig vermeden had3. En weer kan dit verrassende verschijnsel moeilijk anders dan uit dramaturgische - of misschien is het beter hier te zeggen: theologische - noodzaak worden verklaard. Blijkbaar moest naar Vondels gevoel nog een aspect naar voren worden gebracht, dat in de eigenlijke handeling niet tot zijn recht was gekomen. Het gaat daarbij niet om Fadaëls bevestiging van het Goddelijk karakter van Simsons wraak - daarop was al voldoende de aandacht gevestigd - maar om zijn verwijzing naar Christus, van wie Simson in zijn sterven een prototype was en die eenmaal de wet van de wraak door die van de liefde vervangen zou. Met nadruk wordt hier gestipuleerd, dat de daad van Simson onder de Oude Bedeling als ‘heilig’ moest worden beschouwd, maar onder de Nieuwe niet meer als voorbeeld mocht gelden. Hoe belangrijk Vondel dit aspect achtte, blijkt uit het feit dat hij er in zijn Opdracht niet alleen op terugkomt, maar het zelfs nader uitwerkt:
Hy [= Simson] overwint de vyanden door zijn doot, tot een voorbeelt van den beloofden verlosser, en wetgever der menschen, die door het voorschrift van de wet der liefde, in het eenige woort Bemin begrepen, alle voorgaende wetgevers en wijsheit der wijzen overtreft, en de wraeck-
gierigheit met wortel met al uit de harten zijner leerlingen ruckende, deze nieuwe en volkome wet plant, waer tegens alle die op zijnen naem ydel roemen zich ten hooghste bevlecken, zoo menighmael zy hun leedt en ongelijck met gedachten, woorden, of wercken wreecken, en niet liever door weldaedigheit hunne haeters overtuigen, om te toonen dat zy van den geest der liefde gedreven worden, naer het onbevleckte voorbeelt, hun in dien hemelschen wetgever voorgestelt1.
Proloog en epiloog blijken dus op elkaar betrokken te zijn. Enerzijds contrasteren zij op de wijze die wij voor Vondels drama's van staetveranderinge als kenmerkend hebben leren kennen; anderzijds verschaffen zij gezamenlijk de theologische en historische achtergrond, die nodig is om de geschiedenis van Simsons wraakoefening zonder gevaar voor misverstand naar haar Oud-Testamentisch karakter te kunnen begrijpen
Door dit verband te verwaarlozen heeft Worp aan de verschijning van Dagon een te zelfstandige betekenis toegekend en de invloed van Seneca overschat. Die invloed is niet de oorzaak, maar het gevòlg van de bewuste scène. De wijze waarop in de 17e eeuw figuren uit de hel ten tonele werden gevoerd, was nu eenmaal door het voorbeeld van Seneca bepaald. Zijn onttroning als koning der treurspeldichters ten gunste van Sophocles en Euripides had daarin geen verandering gebracht, omdat in de Griekse tragedie - anders dan in de zijne - boze geesten uit de onderwereld niet voorkomen2. Dat Dagon als helse figuur Senecaanse trekken vertoont, is dus op zichzelf helemaal niet zo verwonderlijk. Het verrassende ligt in het feit, dat Vondel met Dagon en Fadaël (die wij in dit opzicht op één lijn moeten stellen) niet minder dan twee bovennatuurlijke ‘personaedjen’ in zijn Samson toelaat. Hoewel dit geen rechtstreekse inbreuk op de regels voor de klassieke tragedie betekende, week hij zodoende - wij hebben het terloops reeds opgemerkt - wèl af van wat als de meest ideale vorm daarvan werd beschouwd. Zo had bij-
voorbeeld La Mesnardière in zijn Poétique van 1639, die Vondel blijkens zijn Berecht voor Jeptha kende1, een dichtwerk zonder bovennatuurlijke elementen hoger gesteld dan een werk waarin deze voorkwamen2. Uit Vondels praktijk tussen 1641 en 1660 mogen wij afleiden, dat hij zich in dit opzicht bij de nieuwste opvattingen had aangesloten3. Maar nu blijkt hij in de Koning David in ballingschap en in de Samson op dit punt plotseling de belangen van zijn drama te laten prevaleren boven het ideaal van de theorie. Het is eenzelfde soort verschijnsel als wij reeds opmerkten in zijn houding tegenover het Bijbelverhaal. Zonder de autoriteit van Bijbel en poëtica los te laten, gaat hij zich toch tegenover beide zelfstandiger gedragen. In plaats van zijn opzet te voegen naar de regels in hun meest strikte vorm, maakt hij - binnen de grenzen van wat hij toelaatbaar acht - de striktheid van de regels ondergeschikt aan de behoeften van zijn opzet.
De toegenomen zelfstandigheid van Vondel ten opzichte van de theorie laat zich slechts uit de praktijk van zijn drama's afleiden. Hij heeft het niet nodig gevonden er in zijn Opdracht of in een Berecht verantwoording van af te leggen; waarschijnlijk omdat hij ze - terecht - niet als een principiële verandering van inzicht beschouwde, maar als een vrijere werkmethode die door de regels voor de tragedie niet werd uitgesloten. Intussen blijft het een merkwaardige coïncidentie dat deze vrijere werkmethode aan het licht treedt in hetzelfde jaar 1660, waarin Corneille zich met zijn drie verhandelingen over de dramatische theorie eveneens het recht van een min of meer zelfstandige toepassing van de regels voorbehield: ‘je ne sais point mieux accorder les règles anciennes avec les agréments modernes’4.
Bewust of onbewust sluit Vondel hier aan bij een tendens van de tijd.
In thematisch opzicht heeft de verschijning van Dagon en Fadaël een merkwaardig gevolg. Het motief van de dualiteit tussen goed en kwaad, dat na 1654 uit Vondels tragedies verdwenen was, keert er mee terug. Opnieuw staan God en duivel, geloof en heidendom diametraal tegenover elkaar. Toch betekent dit niet, dat de Samson als een dualiteitsdrama zou kunnen worden beschouwd; daarvoor blijft het motief hier veel te beperkt. Terwijl in de eigenlijke dualiteitsdrama's - van Joseph in Egypten tot en met Lucifer - de tegenstelling tussen goed en kwaad prim