terug  begin  verderprepost
[p. 169]

Hoofdstuk IV
Adonias
1661

De geschiedenis van David en Absalom heeft blijkbaar diepe indruk op Vondel gemaakt. Ook na de beide Koning David-spelen laten de kernmotieven daarvan hem niet los. Bij ‘staetveranderinge’ denkt hij onwillekeurig in de eerste plaats aan val en Herstel, opstandspoging en dood. Als hij in de Bijbel leest, wordt hij vooral getroffen door episoden, waarin deze motieven eveneens voorkomen en die dus op een essentieel punt parallel lopen aan de bewuste historie. Uitgaande van David was hij zodoende tot Simson gekomen; uitgaande van Absalom ontdekt hij nu Adonia.

Parallellie veronderstelt naast een ‘eender’ altijd ook een ‘anders’. De overeenkomst tussen Adonia en zijn halfbroer Absalom is echter zó opmerkelijk, dat het ‘eender’ hier tot allerlei details kan worden doorgevoerd en Vondel inderdaad alle reden had om in zijn drama tot tweemaal toe Adonia aan te duiden als de tweede Absolon (vs. 602 en 1355). Na de tragische dood van Absalom is deze op zijn beurt de oudste van Davids zonen geworden. Evenals Absalom beschouwt hij zich daarom als de rechtmatige troonopvolger en weigert hij zich neer te leggen bij de aanwijzing - door God - van Salomo als koning. Evenals Absalom is hij ‘zeer schoon van gedaante’1 en populair bij het volk. Evenals Absalom is hij na een zwaar vergrijp weer in genade aangenomen; zoals de eerste door het doden van zijn halfbroer Amnon eigenlijk zijn leven verbeurd

[p. 170]

had1, zo Adonia door zijn poging zich nog bij het leven van David meester te maken van de kroon2. Evenals Absalom maakt hij van de verleende genade misbruik om een staatsgreep voor te bereiden - zijn twééde opstandspoging dus! -, en evenals bij Absalom leidt dit ook bij hem tot de dood. Alleen had Absalom aanvankelijk succes, terwijl de samenzwering van Adonia in de kiem wordt gesmoord.

Vondel ontleende de stof voor zijn drama over deze ‘tweede Absalom’ aan 1 Koningen 2 : 13-38. Behalve van de Bijbel maakte hij echter, evenals voor de Samson, dankbaar gebruik van de commentaar van Salianus, ditmaal het derde deel3. Ik moet de invloed van deze commentaar al dadelijk ter sprake brengen, nu ik - ter verduidelijking van de uitgangssituatie in het drama - tevoren wil aangeven, hoe Vondel zich de positie voorstelt van een drietal belangrijke figuren: Abisag, Abjathar en Joab.

Abisag is het jonge Sunamietische meisje, dat in Davids ouderdom zijn bed deelde om hem te verwarmen. 1 Koningen 1 : 1-4 vertelt daarover:

De Koning David nu was oud, welbedaagd; en zij dekten hem met klederen, doch hij kreeg geen warmte. - Toen zeiden zijn knechten tot hem: Laat ze mijnen here den Koning een jonge dochter, een maagd zoeken, die voor het aangezicht des Konings sta en hem koestere, en zij slape in uw schoot, dat mijn heer de Koning warm worde. - Zo zochten zij een schone jonge dochter in alle landpalen Israëls, en vonden Abisag, een Sunamietische, en brachten ze tot den Koning. - En de jonge dochter was bovenmate schoon, en koesterde den Koning en diende hem; doch de Koning bekende ze niet.

Met Salianus (en het overgrote deel der commentatoren) gaat Vondel er van uit, dat David haar gehuwd had4. Na diens dood

[p. 171]

is zij dus een van de konings-weduwen, maar tevens naar leeftijd en maagdelijke staat in alle opzichten nog een jong meisje. Bovendien is zij naar Vondels voorstelling ‘rijck van konincklijcke schatten’ (vs. 688), omdat David haar uit dankbaarheid met geschenken overladen had (vgl. vs. 931-932). Ook deze bijzonderheid, waarover de Bijbel niets vermeldt, is aan Salianus ontleend1.

Abjathar is volgens de lijst van ‘Treurspeelers’2 aertspriester, evenals Zadok. Reeds in Koning David in ballingschap had Vondel deze beiden - overeenkomstig Flavius Josephus3 - als ambtgenoten voorgesteld. In de Adonias houdt hij daaraan in zoverre vast, dat hij hen ‘stoelbroeders’ noemt (vs. 1498 en 1567). Tegelijkertijd echter neemt hij van Salianus - los van diens opvatting, dat er nooit twee hogepriesters waren - de voorstelling over dat Abjathar, na zijn deelname aan de eerste opstandspoging van Adonia, door Salomo uit zijn ambt was ontzet (vgl. vs. 1535: ‘.... Abjathar, voorheene ontwijt ....’)4 en uit wrok daarover de tweede samenzwering van de gepas-

[p. 172]

seerde erfprins steunde1. In het drama is Abjathar dus de afgezette ambtgenoot van Zadok. Blijkbaar heeft hij echter zijn titel behouden; zelfs Salomo spreekt over hem als over ‘aertspriester Abjathar’ (vs. 565).

Joab was indertijd door David, uit wrok over het doden van Absalom, als veldheer vervangen door Amasa. Hij had echter zijn functie weten te herwinnen door Amasa te doden en zich dadelijk daarna als aanvoerder onmisbaar te maken2. Ondanks zijn aandeel in Adonia's eerste greep naar de macht is hij ten tijde van diens tweede samenzwering in naam nog steeds bevelhebber, maar volgens Salianus betekende dit in feite weinig meer. Niet alleen is Joab nu oud en heeft de vrede zijn invloed doen tanen, maar bovendien blijkt het bevel over de Krethi en de Plethi - de keurtroepen die tevens de koninklijke lijfwacht vormden - aan Benaja te zijn toevertrouwd en niet aan hem3. Hij heeft dus ‘het commando over het leger vrijwel verloren’4 en kiest uit ontevredenheid daarover opnieuw de kant van Adonia. Vondel noemt hem in de lijst van Treurspeelers ‘out [= voormalig] veltheer’ en heeft dus uit de beschouwingen van Salianus de conclusie getrokken, dat Joab praktisch als afgezet kon worden beschouwd.

 

Met deze kennis van enkele achtergronden kunnen wij nu onze aandacht schenken aan de tragedie zelf. Deze speelt zich af enkele maanden na de dood van David; de rouwperiode aan het hof is juist voorbij (vs. 39 en 301-302). ‘Het tooneel is op den bergh Sion, in Davids stadt’5, d.w.z. in het gedeelte van Jeru-

[p. 173]

zalem, waar de koningsburcht staat en de Tabernakel als voorlopige plaats van aanbidding dient, in afwachting van de bouw van de tempel.

Eerste Bedrijf

Ia.

a. Het is vroeg in de morgen: de tijd voor het ochtendgebed. Uit het paleis begeven zich enkelingen en groepjes over het tussengelegen plein naar de Tabernakel. Nerveus en ongeduldig staat op dat plein Adonia te wachten tot Abisag zal voorbijkomen. Wanneer zij eindelijk verschijnt, ranker en schoner dan de Hofjoffers die haar vergezellen, spreekt hij haar aan en overrompelt haar met een vurige liefdesbetuiging. Niets verlangt hij méér dan met haar in het huwelijk verbonden te worden! Zij moet daar niet boos om worden als om een dwaze en ongepaste wens:

 
De tijt verandert wel der dingen naem en orden.
 
Gy waert mijn moeder: dat verbiet u niet te worden
 
Mijn bedtgenoote, zoo het hemelsche geluck1
 
Ons bey gewaerdige door banden van een juck
 
Te paeren .... (vs. 23-27a)

Abisag is verrast en ontsteld door deze plotselinge hofmakerij, waarop niets in de vroegere houding van Adonia haar had voorbereid. Maar tevens laten de hartstochtelijke toon en de mannelijke schoonheid van de prins haar niet onberoerd. Vondel heeft aan die innerlijke bewogenheid uitdrukking weten te geven door haar niet te doen spreken in alexandrijnen, maar in gekruist-rijmende viervoetige kwatrijnen die aan haar woorden een intiemer en persoonlijker klank verlenen. Adonia volgt haar dadelijk in deze toon; ook hij gaat in viervoetige kwatrijnen spreken, maar met omarmend rijm. Dit gesprek in kwatrijnen, afwisselend in Abisags kruisend en Adonia's omarmend rijm, wordt dan tot het einde van de scène voortgezet2, wat betekent dat

[p. 174]

de suggestie van bewogenheid en intimiteit onafgebroken gehandhaalfd blijft. - Intussen, al verraadt Abisags ontroering zich in haar tóón, in haar wóórden weet zij die voorlopig nog te verbergen. Beheerst en zakelijk antwoordt zij Adonia, dat het zo kort na de dood van David te vroeg is om ‘van bruiloftsrey, // En bruit, en bruiloften te reppen’ (vs. 42b-43), om dan haastig op een veiliger onderwerp over te gaan door breed uit te weiden over de godsdienstige vorming, die zij van de oude koning ontvangen heeft. Maar Adonia laat zich noch door haar bezwaar noch door haar uitwijkmanoeuvre van zijn stuk brengen. Naast de godsdienst, betoogt hij, heeft ook de liefde haar rechten. En de liefde dringt hem: ‘Het is my ernst. ick hoop u heden // Noch aen te zoecken by het hof’ (vs. 77-78). Hij wil dat echter graag doen met Abisags instemming, en smeekt haar hem die niet te onthouden. - Opnieuw is Abisag zowel ontsteld als ontroerd: zóveel verliefde haast bij het officiële aanzoek om haar hand! ‘Dat is een donderslagh in 't oor’ (vs. 81). Maar weer wijst zij op het ongeschikte moment. De prins kan beter nog een poos wachten: ‘Wat hindert uitstel? hou u stil. // Ontijdigh ooft valt wrang in 't plucken’ (vs. 95-96). Met deze raad tot uitstel heeft Abisag zich bloot gegeven, want impliciet drukt zij daarmee tevens haar bereidheid uit de liefde van Adonia te aanvaarden. - De prins haast zich haar ten aanzien van het inopportune tijdstip gerust te stellen. Hij steunt op het advies van aanzienlijke en wijze raadgevers, die hem een middel aan de hand hebben gedaan dat een gunstige beslissing op het huwelijksaanzoek waarborgt! De reactie van Abisag op deze geruststelling is een meesterstukje van psychologisch inzicht. Zij krijgt plotseling hoop, dat het huwelijk tòch mogelijk zal blijken, en wil de namen weten van die raadgevers, van wie zóveel afhangt. Tegelijkertijd echter durft zij aan die hoop niet geloven; daarom waarschuwt zij Adonia - maar meer nog zichzelf - zich niet door een illusie te laten verblinden. In haar ongeduldige spanning

[p. 175]

voert zij de prins mee naar een rustig hoekje, waar hun gesprek niet door de wachtende Hofjoffers of toevallige voorbijgangers kan worden opgevangen, zonder te bedenken dat dit intieme apartje veel meer de aandacht trekt:

 
Wie zijn die raeden? meltze my.
 
Zie toe, en laet u niet verblinden.
 
Ga hier een luttel aen een zy.
 
Wat grontvest heeft dit onderwinden?1
 
(vs. 105-108)

Dan noemt Adonia de namen van zijn raadgevers: Abjathar en Joab, en de weg die zij hem gewezen hebben: die van bemiddelende voorspraak door de moeder van de koning, Bathseba2; immers ‘De zoon kan zijn vrou moeder niet // Haer bede ontzeggen, en beschaemen’ (vs. 117-118). Maar Abisag is door de genoemde namen zó teleurgesteld, dat het tweede deel van Adonia's mededeling niet meer tot haar doordringt. Abjathar en Joab hebben immers geen enkele invloed meer:

 
Gy stut met afgezette maghten
 
En maghtelozen raet uw daet.
 
(vs. 121-122)

Als Adonia slechts op hèn steunt, is elke kans op succes uitgesloten. Niet zonder enige bitterheid raadt zij hem aan, dan maar liever naar een andere bruid uit te zien. - De prins heeft echter haar plotselinge belangstelling, haar ongeduld en haar teleurstelling blijkbaar op dezelfde wijze geïnterpreteerd als wij; hij wéét nu dat Abisags hart naar hem uitgaat. Daarom waagt hij het de intimiteit uit te buiten, die tussen hen is ontstaan:

 
Gy zijt de bloem van al de rozen.
 
Verquick mijn hart met uwen geur,
[p. 176]
 
En zwelgh mijn ziel in met de tippen
 
Van uwen mont en roode lippen1.
 
Waerom verschietge dus uw kleur?
 
(vs. 132-136)

Uit de laatste regel van dit citaat blijkt indirect, hoezeer Adonia's woorden Abisag aangrijpen; de hartstocht-kus waarvan hij spreekt, appelleert zózeer aan haar geheime verlangen dat zij bleek wordt van ontroering. Op dit hoogtepunt breekt de prins abrupt het gesprek af. Ginds nadert de oude koningin-moeder, op weg naar de Tabernakel; hij wil van deze gelegenheid dadelijk gebruik maken om haar bemiddeling te vragen bij Salomo. ‘De hemel zegene ons begin’ (vs. 144) is zijn laatste woord, en met dit ons legt hij Abisags onuitgesproken bewilliging vast. - Abisag ziet hem na, overstelpt door alles wat de laatste ogenblikken haar hebben gebracht. Haar hart spreekt, maar zij weet dat zij niet alleen rekening mag houden met haar hart:

 
Wat my belangt, ick sta gelaeten,
 
Aen 's konings wil, en Sadox stem.
 
De hemel zeegne Davids staeten,
 
En waecke voor Jerusalem.
 
Wy zullen ons gehoorzaem draegen.
 
Wat Godt behaeght, zal my behaegen.
 
(vs. 145-150)

Ib.

b. Intussen heeft Adonia zijn opwachting gemaakt bij Bathseba. Zij maakt het hem niet moeilijk zijn verzoek ter sprake te brengen, want zij heeft zijn apartje met Abisag opgemerkt en begint daar dadelijk over te spreken:

 
Dat ging zoo minnelijck, als waert gy ondertrouden,
 
Of eerstgetrouden, zoo 't mij uit de trali2 scheen.
 
(vs. 154-155)
[p. 177]

Adonia waagt dus de grote sprong, door Bathseba toestemming te vragen een verzoek tot haar te richten. Maar de oude koningin is nog niet vergeten, dat hij geprobeerd heeft haar zoon Salomo van de troon te beroven; zij vertrouwt hem daarom maar half. Argwanend kijkt zij hem aan, en vraagt waarom hij zo bleek ziet, alsof hij in angst verkeert. Wij zullen straks begrijpen, hoe raak haar opmerking is, want Adonia is zich het levensgevaarlijke van zijn onderneming bewust en ziet inderdaad bleek van angst1. Maar hij weet zich handig te redden met het antwoord: ‘De bleeckheit is de verf, die eenen minnaer past....’ (vs. 164), en vandaar komt hij gemakkelijk tot zijn verzoek om haar bemiddeling bij Salomo om de hand van Abisag. Eerst voelt Bathseba daar niet veel voor; zij acht Abisag te ingetogen om de liefde van Adonia met eenzelfde hartstocht te kunnen beantwoorden, en: ‘Ontstaet u dit; wat baet u 't liefdeloze schoon?’ (vs. 219). De prins is nu echter op dreef gekomen, en met evenveel handigheid als welsprekendheid vaagt hij dit bezwaar weg. Zijn liefdesdrift, zegt hij, is even onstuitbaar als indertijd die van zijn vader David: ‘Mijn leven loopt gevaer, wort deze drift gestuit’ (vs. 236). En al zou Abisag hem teleurstellen in hartstocht, dan zou zij in ieder geval toch een goede invloed op hem uitoefenen, dank zij alle ‘raet en wijsheit’ (vs. 250) die zij van David heeft geleerd. Met sluwe berekening brengt hij in dit verband niet alleen de euveldaden van zijn halfbroers Amnon (het schenden van Thamar) en Absalom (de moord op Amnon en de opstand tegen David), maar ook zijn eigen greep naar de macht te pas:

 
Had blaeckende Ammon, en staetzuchtige Absolon,
 
Eer elck van beide blint zijn lasterstuck begon,
 
Met zulck een raetsvrou raet geleeft; zy bloncken heden
 
Noch in hunn' vollen glans, gedient, en aengebeden:
[p. 178]
 
En noit had ick voorheen 's rijx erfgenaem, uw' zoon,
 
Den recht gewettighden, zoo reuckloos naer de kroon
 
Gesteecken, dat hy ons genadigh heeft vergeven ...
 
(vs. 255-261)

Dat laatste argument maakt indruk op Bathseba. Inderdaad, wellicht zal Adonia door dit huwelijk in het goede spoor worden gehouden, waardoor hij ophoudt een gevaar voor Salomo te zijn. Bovendien is Abisag het volkomen waard, te worden ‘uitbesteet aen 't koningklijcke bloet’ (vs. 288). En dus belooft zij haar voorspraak, al laat zij daarbij een bedekte waarschuwing niet achterwege:

 
Adonias, 'k belove uw woort ten hoof te houden.
 
Mijn zoon heeft uw vergrijp van harte quijtgeschouden.
 
Volhardt stantvastigh en getrou tot 's levens endt.
 
Gy weet hoe hy zich quetst, die majesteiten schent.
 
Abizag zal u niet dan loutre deught inscherpen,
 
En leeren hoe men zich de kroon moet onderwerpen.
 
(vs. 293-298)

Dan vraagt zij Adonia haar naar de Tabernakel te geleiden; achter hen zet zich ook de stoet van haar Hofjoffers weer in beweging.

Ic.

c. De Rey van Hofjofferen besluit het bedrijf met een koorzang. Het wordt niet helemaal duidelijk, of wij in hen dezelfde Hofjoffers hebben te zien, die het gevolg van Abisag en Bathseba vormden. Naar alle waarschijnlijkheid is dit echter inderdaad het geval. Wij moeten dan aannemen, dat de Hofjoffers de koninginnen slechts tot de ingang van de Tabernakel hebben begeleid en daar blijven wachten tot zij weer naar buiten komen. Op deze manier laten ook de beide koorhelften zich uit de situatie op het toneel afleiden: enerzijds de oudere vrouwen uit het gevolg van Bathseba, anderzijds de jonge uit dat van Abisag. - De zang van de Rey is in de eerste plaats gewijd aan de nagedachtenis van David. Al is de officiële rouwtijd nu voorbij, ‘Noch draegen wy den rou in 't harte. // De rou hangt allerminst in 't kleet’ (vs. 305-306). Dankbaar herdenken de vrouwen zijn

[p. 179]

moeilijk leven van voortdurende strijd en zijn dapperheid. Maar eindelijk werd hij te oud voor het gevecht: ‘Toen viel hy in Abizags armen’ (vs. 336). Deze regel vormt tevens de overgang naar de Toezang, die hulde brengt aan Abisag om alles wat zij voor David gedaan heeft. Zij zou verdienen nu door Salomo tot zijn koningin verheven te worden, maar daarop schijnt niet veel kans te bestaan:

 
zoo de nazaet1 weder
 
Die schoonheit, waert van hem gekust,
 
Vergolt, en uit den rijxtroon neder
 
Quaem daelen, om haer aen zijn zy
 
Te zetten; zeker z' is het waerdigh,
 
Maer 't huwlijck hachelijck ....
 
(vs. 342b-347a)

Hoe dit echter ook moge gaan, de Hofjoffers eren hun jonge koning als opvolger van David: ‘De hemel hanthaef Jesses staf’ (vs. 350).

Tweede Bedrijf

IIa.

a. In een rustige hoek van het plein staan Abjathar en Joab te wachten op Adonia, die na het ochtendgebed Bathseba naar het paleis terug-geleidt. Met gespannen belangstelling hebben zij hem eerst Abisag zien aanspreken en vervolgens de koningin-moeder; vol ongeduld wachten zij nu op zijn verslag. Als de prins zich eindelijk bij hen voegt, is hun eerste vraag: ‘Wat tijding brengtge mede?’ (vs. 360b). In zijn antwoord blijkt Adonia nog vol van de angst die hij heeft uitgestaan, vooral toen Bathseba naar de oorzaak van zijn bleekheid vroeg:

[p. 180]
 
De kans is eens gewaeght met een' benaeuden geest.
 
Het hart klopte in mijn lijf. zy zagh ick was bedeest,
 
En hoe het aengezicht van angst zijn dootverf zette.
 
Dat gaf wat achterdochts. zy vraeghde wat my lette:
 
Maer ick bewimpelde mijn bleeckheit met de min ...
 
(vs. 361-365)

Gelukkig is alles echter goed afgelopen: ‘De koningin beloofde in 't endt mijn woort te houden1’ (vs. 367). Geen woord over Abisag; in de opzet van de drie samenzweerders is zij van veel minder betekenis dan Bathseba; desnoods zou zij immers tegen haar wil aan Adonia uitgehuwelijkt kunnen worden. Samenzweerders inderdaad, zoals uit het nu volgende gesprek duidelijk blijkt. Als Adonia trouwt met Abisag, die Davids weduwe is, worden zijn kansen op de kroon nog veel groter dan zij nu door de volksgunst al zijn. Naast zijn eerstgeboorterecht zal dan nog een tweede recht gaan gelden, ‘Naerdien’ - zoals Abjathar het uitdrukt - ‘geen ander dan de koning 's konings vrouwen // En weeuwen, naer den stijl van Asie, magh trouwen’ (vs. 407-408). Dat is dus hetzelfde motief als in Koning David in ballingschap, waar Absalom op grond daarvan besloot openlijk gemeenschap te hebben met de bijvrouwen die zijn vader in Jeruzalem had achtergelaten2. - Abjathar en Joab twijfelen geen ogenblik aan het effect van dit huwelijk op het volk:

 
Uw aenzien zal allengs opsteigeren, en wassen
 
Den koning over 't hooft, eer 't iemant droome of waen'.
 
Dan zal het zeil des rijx van zelf voort overslaen.
 
(vs. 424-426)

Maar Adonia is veel minder gerust op de goede afloop. Salomo beschikt immers over het leger, dat te zijnen behoeve zal ingrijpen! Joab acht evenwel de wil van het volk veel belangrijker dan de steun van het leger. En het volk beschouwt Salomo als een indringer:

[p. 181]
 
Wat baeten wapens, zoo al 't volck hier tegens kraeit?
 
Urias moort roept wraeck: dat bloet is niet gepaeit.
 
Al stutte vaders hals dien ingedrongen bastert,
 
Een' overspeelsters zoon: hy wort van elck gelastert.
 
(vs. 385-388)

Dit is een belangrijke passage. Onzichtbaar ditmaal - en in zoverre anders dan in de Koning David in ballingschap1, - maar even onmiskenbaar waart in Joabs woorden opnieuw de geest van Uria over het toneel, herinnerend aan de zonde waarmee David over zijn geslacht de vloek bracht, die op het punt staat zich nogmaals te doen gelden: ‘Het zwaert zal in der eeuwigheit van uwen huize niet aflaten’2. - Ondanks de bemoediging van zijn raadgevers blijft Adonia overtuigd, dat zijn leven op het spel staat; als er iets misgaat, wacht hem de dood. Hij is vooral bang, dat Salomo zijn toeleg zal doorzien, en wat dan? - Het gesprek wordt afgebroken, doordat de ‘gulde hofpoort’ (vs. 452) van de koningsburcht opengaat. In het paleis wordt Salomo zichtbaar, ‘bestuwt van alle grooten’ (vs. 455) op weg naar de troonzaal, om daar de gelukwensen en geschenken van ‘de stammevaders en doorluchtste raetgenooten’ (vs. 456) in ontvangst te nemen ter gelegenheid van zijn troonsbestijging3. In ongenade gevallen als zij zijn, vinden Abjathar en Joab het veiliger zich onderwijl wat terug te trekken; ‘Het is geraên dat wy verschovelingen4 wijcken’ (vs. 460), merkt de laatste bitter op. Maar, voegt hij er in onverwoestbaar optimisme aan toe, die plechtigheid werkt toch ook vóór ons, want straks zal Bathseba daarvan gebruik maken om het huwelijksaanzoek van Adonia bij Salomo te bepleiten!

Wij moeten hier een ogenblik de weergave van het drama

[p. 182]

onderbreken, om ons rekenschap te geven van de aard der gevoelens van Adonia voor Abisag; zonder zekerheid op dit punt is het verdere verloop van de gebeurtenissen niet goed te begrijpen. Als wij zijn liefdes- en zijn samenzwerings-scène met elkaar in verband brengen, moeten wij daaruit dan concluderen dat zijn liefde slechts geveinsd was? Of houdt hij inderdaad van Abisag? De sleutel tot het antwoord op deze vraag ligt in de korte monoloog, die Vondel hem in I-a vóór de ontmoeting met Abisag in de mond legt (vs. 1-13). Daaruit blijkt, dat hij diep onder de indruk is van haar schoonheid:

 
Geen morgenglans, ter kimme uitrijzende, bestroide
 
Het aenschijn van het oost met schooner roozeblaên,
 
Gelijck Natuur haer wang. daer komt die schoonheit aen,
 
Zoo schoon geschapen, dat een princenhart zou lusten
 
In haeren schoot, vol gloets, en blancken arm te rusten.
 
(vs. 8-12)

Uit deze woorden mogen wij afleiden, dat Adonia het schone lichaam van Abisag begeert. Hij is zinnelijk op haar verliefd, zonder dat van enige diepere gevoelens iets blijkt. Als een huwelijk met haar de weg is naar het koningschap, dan wil hij gráág die weg gaan. Wanneer hij haar aanspreekt, behoeft hij dus nauwelijks te veinzen; hij kan volstaan met te verzwijgen wat hij met zijn huwelijksaanzoek eigenlijk beoogt. De wijze, waarop Abisag gedurende hun gesprek haar gevoelens voor hem verraadt, doet zijn begeerte toenemen en brengt hem tot de gepassioneerde liefdesbetuiging die haar doet verbleken van ontroering. Ook daarin is hij niet bewust onoprecht; wat hij over de hartstocht-kus zegt, meent hij. Waarschijnlijk geeft hij er zich nauwelijks rekenschap van, dat hij Abisag bedriegt door wat hij tegenover haar verzwijgt. In zijn mateloos egoïsme denkt hij alleen aan zichzelf en de vervulling van zijn verlangens. Háár geluk en háár veiligheid laat hij volkomen buiten beschouwing. Geen ogenblik bezwaart het

[p. 183]

hem, dat zij door de samenzwering, waarin bij haar buiten haar medeweten betrekt, in de grootste moeilijkheden kan komen. Met achteloze vanzelfsprekendheid maakt hij haar ondergeschikt aan de bevrediging van zijn staetzucht en van zijn sensuele begeerte.

IIb.

b. Op zijn troon gezeten, spreekt Salomo tot allen die hem met geschenken hebben gehuldigd. Hij herinnert aan de komende tempelbouw, en vertelt van het visioen waarin hij als gave van God de wijsheid koos1. Dan onderbreekt hij echter de audiëntie, omdat Bathseba nadert en hij uit eerbied zijn moeder alléén ontvangen wil. Naast zijn troon laat hij een stoel voor haar neerzetten, en bij haar binnenkomst staat hij haar bij voorbaat elk verzoek toe dat zij tot hem zou willen richten. Trots en gelukkig om de glorie van haar zoon, maakt Bathseba daarvan gebruik om haar belofte aan Adonia na te komen:

 
'K verzoecke Abizag voor Adonias, naerdien
 
Dit, zonder uwe kroon t' ontluistren, kan geschiên.
 
Gedenck hy is uw vleesch, en bloet, uw eigen broeder.
 
Hy nadert u van ver door voorbê van uw moeder.
 
(vs. 525-528)

Maar zij schrikt als zij van Salomo's gezicht zijn reactie afleest: ‘Hoe nu, mijn zoon? hoe dus? ontstelt u mijn verzoeck?’ (vs. 529). Want de koning - door God immers boven alle stervelingen met wijsheid gezegend - heeft onmiddellijk de toeleg van zijn halfbroer doorzien. Verwijtend houdt hij zijn moeder voor:

 
Och moeder, riecktge noch de laegen niet? hy queeckt
 
Eene adder, die verwarmt hem 't hart haest af zal steecken.2
 
Abizag zoeckt hy minst, maer al zijn leedt te wreecken,
 
En, onder huwlijx schijnt, my listigh onder 't zwaert
 
Te kruipen3..... (vs. 558-562a)
[p. 184]

Voor de tweede keer doet Adonia een greep naar de kroon, maar ditmaal heeft hij daarmee zijn eigen vonins geveld: ‘Hy brengt zich heden los1 om goet en bloet en leven’ (vs. 564). Al begrijpt Bathseba nu dat zij door Adonia misleid is, toch voelt zij bij Salomo's toorn medelijden met hem: ‘verschoon // Dien schoonen jongelingk’ (vs. 573b-574a). Salomo ziet daar echter geen kans toe. Wel belooft hij, niet lichtvaardig en in toorn tot een doodvonnis te zullen besluiten. Eerst zal hij in de persoon van Nathan en Zadok, die immers ‘Godts mont’ (vs. 576) zijn, God raadplegen; want ‘Wie Godt om raet vraeght kan in 't halsgerecht niet doolen’ (vs. 580). Terwijl Bathseba zich ontsteld en verslagen terugtrekt, geeft hij opdracht profeet en aertspriester bij zich te doen ontbieden.

IIc.

c. Even later staan zij vóór hem in de troonzaal. Wanneer Salomo hun meedeelt dat Adonia aanzoek gedaan heeft om de hand van Abisag, begrijpen ook zij dadelijk de subversieve bedoeling daarvan. ‘Hier smeult een oproer van den tweeden Absolon’ (vs. 602), roept Zadok verontwaardigd uit, terwijl Nathan vaststelt: ‘En trout hy 's konings weeu, dan is hy daedtlijck koning’ (vs. 623). Dan zal Abjathar hem tot koning zalven en Joab hem met geweld naar het paleis voeren! Dat gevaar is inderdaad dreigend, voegt Zadok er aan toe, want een groot deel van de priesterschap beschouwt Abjathar nog steeds als wettige hogepriester, terwijl Joab kan rekenen op alle oud-soldaten. Daarom dringen de beide Godstolken er bij Salomo op aan, meedogenloos toe te slaan, zelfs nu het zijn halfbroer betreft. Want, zoals Zadok het uitdrukt:

 
Het kroonrecht kent geen bloet, neen zeker. het beslecht
 
Dit ongelijck door 't zwaert. wat valt hier lang te pleiten?
 
Adonias quetst Godts en 's konings majesteiten.
 
(vs. 618-620)
[p. 185]

Maar Salomo, wiens eerste toorn bedaard is en die nu zwaar zijn verantwoordelijkheid voelt, aarzelt om daartoe over te gaan. Hij zoekt naar tegen-argumenten, en het zwaarst wegende dat hij vindt is wel, dat de verraderlijke toeleg van Adonia niet bewezen is, maar slechts wordt vermoed. Als indertijd David om Absalom, zo lijdt hij nu om Adonia (weer een parallel met de geschiedenis van Absalom!). Wanneer Nathan en Zadok waarschuwend blijven aandringen op een onmiddellijke beslissing, breekt hij tenslotte met een weigering de discussie af. Hij is nog niet klaar met zijn probleem:

 
Ick wil godtvruchtigh my hierop met Godt beraen,
 
En uitzien hoe men best alle opspraeck magh ontgaen.
 
(vs. 709-710)

IId.

d. Op het plein voor de koningsburcht staat de Rey van Hofjofferen, ontsteld door de geruchten waarvan het paleis gonst:

 
Wat is'er nu op handen?
 
Wat mompelt het palais?
 
Adonias, aen 't branden,
 
Verzoeckt met 's konings pais
 
Abizags hant te trouwen.
 
(vs. 711-715)

Zij kunnen zich niet voorstellen, dat het daartoe zou komen. Abisag is te goed voor Adonia en ‘Veel waerdiger te staen // In Salomons genade’ (vs. 718-719). O, als het eens mocht gebeuren dat de jonge koning haar huwde:

 
Wat zouden wy aen haer
 
Al vreught en troost beleven!
 
Zy zoude jaer op jaer
 
Het hof met zoonen zegenen,
 
Daer 's grootvaêrs kroost1 in blonck!
 
Wat zou 't een gouteeu regenen!
 
Jerusalem wert jongk. (vs. 752-758)
[p. 186]

Maar de naijver tussen de twee broeders zou tot een burgeroorlog kunnen leiden. En daarom besluit de Rey zijn zang met een gebed:

 
Keer, ô zorgh des albehoeders,
 
Dat de schoone Abizag niet
 
Door nayver van gebroeders
 
Stof bestelle, tot verdriet
 
Van getrouwe burgeryen ....
 
(vs. 759-763)

Derde Bedrijf

IIIa.

a. Abisag is op weg naar Salomo1. Haar ontroering is echter zo groot, dat zij op het plein even blijft stilstaan om zich te herstellen en in een korte monoloog uiting te geven aan alles wat haar vervult. Zij heeft bemerkt, dat zij aan het hof over aller tong gaat en dat men er haar van beschuldigt de medeplichtige van Adonia te zijn in een samenzwering tegen de koning. In het besef van haar onschuld twijfelt zij er intussen niet aan of ‘al deze opspraeck zal verdwijnen, als het kaf // Voor 't stuiven van den wint, koom ick gehoor te krijgen’ (vs. 777b-778). In ieder geval hoopt zij daardoor Adonia te redden, van wiens oprechtheid zij nog altijd overtuigd is: liefde voor háár, en niet het verlangen naar de kroon, heeft hem tot zijn huwelijksaanzoek gedreven2! - Als zij Bathseba ziet voorbijkomen, gaat zij bij deze haar opwachting maken, zoals haar tegenover de moeder van de koning past. Maar Bathseba begroet haar niet met de wel-

[p. 187]

willende vriendelijkheid van vroeger. Ook zij ziet in Abisag een samenzweerster, en hard wijst zij haar onschuldsbetuigingen af:

 
Geveinsde, waentge dus uw schande t' overkleên?
 
Hoe schoon gy 't quaet vermomt, men ziet door 't
 
mommen heen. (vs. 824-825)

Abisag wist immers, dat Adonia van plan was aanzoek om haar hand te doen! En als zij hem uitstel heeft aangeraden, zoals zij beweert, dan was het uit berekening, om daardoor zijn liefde nòg meer te prikkelen! - Langzamerhand brengt hun emotionele dialoog de beide vrouwen echter toch tot beter begrip van de feitelijke situatie. Abisag gaat inzien dat Adonia, aangezet door Abjathar en Joab, inderdaad schuld heeft, al blijft zij nog steeds geloven - zoals straks uit haar gesprek met de koning blijken zal - dat hij in de eerste plaats door liefde voor háár werd gedreven. Of gelooft zij dit niet werkelijk, en blijft zij er alleen aan vasthouden, omdat daarin een excuus voor hem ligt? Hoe dit ook zij, haar liefde voor Adonia wordt door het bewustzijn van zijn schuld niet aangetast. Het grote gevaar, waarin hij verkeert, doet haar zelfs haar schuchterheid vergeten en onomwonden voor haar gevoelens uitkomen:

 
Ick wenschte Adonias met al mijn bloet en schatten
 
Te redden uit dien noot. mevrou, verschoon den helt,
 
Den zoon van David toch. (vs. 891-893a)

En even later:

 
Helaes, mijn bloet wort koudt van angst en schrick, mijn moedt
 
Loopt over1. kan men nu geen hoop noch troost verwerven,
 
En moet Adonias den doot zoo bitter sterven,
 
In 't bloeienst van zijn jeught? hoe boet men deze scha?
 
(vs. 905-908)

Bathseba van haar kant twijfelt niet langer aan de onschuld van Abisag: zóveel openheid kan niet worden geveinsd! Met een gevoel van medelijden beseft zij, dat Abisag niet

[p. 188]

alleen het slachtoffer van Adonia is, maar ook van haar liefde voor hem. Zij zou willen helpen, maar de enige die te beslissen heeft, is de koning. Daarom verwijst zij Abisag naar Salomo, met de belofte van haar steun als het lukt hem te vermurwen.

IIIb.

b. Vanuit het paleis ziet Salomo Abisag naderen, en hij begrijpt dadelijk wat zij komt doen. In een opwelling van deernis met haar, roept hij uit: ‘Hoe krachtigh is de liefde in 't nijpen van den noodt’ (vs. 920). Maar als Abisag smekend voor hem neerknielt, is hij weer enkel de koning; haar liefde neemt haar schuld niet weg! Want ook hij is overtuigd van haar medeplichtigheid aan de toeleg van Adonia; hij verwijt haar zelfs dat het plan van háár is uitgegaan en dat zij, ‘van staetzuchtigheit vervoert’ (vs. 936), de prins heeft meegesleept. Met een beroep op de alwetendheid van God wijst Abisag deze beschuldiging af:

 
wort'er schult gevonden by uw' broeder,
 
En is de prins misleit, en jammerlijck verkloeckt;
 
Ick kenme vry van schult, indien men 't onderzoeckt
 
En naerspoort, geene smet zal in Abizag blijcken.
 
(vs. 967b-970)

Getroffen door haar toon van oprechtheid, blijkt Salomo geneigd haar onschuld te aanvaarden. Maar dan behoort zij ook niet te knielen, houdt hij haar voor: ‘Sta op, kent gy u vry’ (vs. 973a). Abisag blijft echter aan zijn voeten geknield; niet alleen voor zichzelf is zij komen pleiten, maar ook en vooral voor Adonia. Met zóveel vasthoudendheid dringt zij op genade voor hem aan, dat Salomo tenslotte zijn geduld verliest en haar waarschuwt dat zij zichzelf met dit aandringen geen goed doet: ‘Gy wort ten hove met dees voorspraeck meer verdacht’ (vs. 1069). Verschrikt door zijn ongeduld, vraagt zij smekend nog één ding te mogen zeggen. En dan biedt zij zichzelf als zoenoffer aan. Haar angst en haar spanning bij deze laatste kans om Adonia te redden vinden hun poëtische expressie in de bewogenheid van de viervoetige kwatrijnen, waarmee Vondel haar dit

[p. 189]

aanbod laat doen. Als Adonia schuldig is, houdt zij Salomo voor, dan is het om haar, want zij heeft door haar schoonheid zijn liefde gewekt. Als hij gevaarlijk is, dan is het door haar, want alleen dit huwelijk kan hem naar de troon voeren. En daarom:

 
Verdiende Adonias de doot,
 
Zoo wijt het my. is dit te stuiten;
 
Gy kunt Abizag, waert veracht,
 
By vaders vrouwen, dol verkracht
 
Van Absolon, met muuren sluiten1.
 
Zoo kanze door dit huwelijck
 
Den jonglingk niet ten troone opvoeren,
 
Noch door haer staetzucht 't rijck beroeren.
 
O Salomon, ô licht van 't rijck,
 
Verdoof den glans der majesteiten
 
Niet in uw' broeder met de kling ....
 
(vs. 1081-1091)

Met deernis ziet Salomo op de geknielde Abisag neer. De zelfverloochening in haar aanbod heeft hem ontroerd. Maar hij kan haar geen enkele troost geven; het recht moet nu eenmaal zijn loop hebben. Alle strengheid en ongeduld is echter uit zijn stem verdwenen, wanneer hij haar het enige belooft dat hij beloven kan. Hij zal niet overijld handelen en slechts tot een doodvonnis besluiten, als de schuld van Adonia onomstotelijk komt vast te staan. Dan breekt hij het onderhoud af, door Abisag de hand te reiken om haar te helpen opstaan: ‘Rijs op Abizag. God verlichte u in dees smerte’ (vs. 1105).

IIIc.

c. Nauwelijks is Abisag, stil van hopeloosheid, weggegaan, of Benaja - de bevelhebber van de koninklijke lijfwacht en als zodanig tevens uitvoerder van de doodvonnissen - meldt zich bij Salomo. Hij rapporteert dat de geruch-

[p. 190]

ten over Abisags huwelijk Jeruzalem in opwinding hebben gebracht. De situatie zou zelfs kritiek kunnen worden: ‘'t gemor der burgren wast // Alle oogenblicken aen’ (vs. 1143b-1144a), en de talrijke aanhangers van Adonia wachten op het teken om in beweging te komen. Daarom acht hij het nodig onmiddellijk in te grijpen, om de prins vóór te zijn:

 
Het oproer kanckert in. men moet staetkanker heelen
 
Met vier en yzer, eer die inkruip' naer het hart.
 
(vs. 1149-1150)

Dat betekent: terechtstelling van Adonia. Maar Salomo wil daartoe niet overgaan zonder afdoende bewijzen van diens schuld:

 
wy dienden vaster
 
In 't vonnissen te gaen, om door geen los besluit
 
Te slibbren. bloetrecht eischt een klaer bewijs vooruit,
 
Dat op getuigen1 rust van onbesproke koppen.
 
(vs. 1153b-1156)

Daarom heeft hij opdracht gegeven een nauwkeurig onderzoek in te stellen naar wat er in de stad broeit en wie daarvoor verantwoordelijk zijn. In afwachting van het resultaat wil hij niet verder gaan dan een versterkte bezetting van de poorten en wallen, om op alles voorbereid te zijn. Benaja moet daar dadelijk voor gaan zorgen, en zich gereed houden voor nieuwe bevelen.

IIId.

d. Op het plein bij het paleis staan de Hofjofferen wat angstig bijeen, verschrikt door zoveel onverwachte gebeurtenissen. Opnieuw een samenzwering! Hoeveel rustiger zouden David en zijn nakomelingen geleefd hebben, als hij een eenvoudige herder gebleven was in plaats van koning te worden! Want:

 
Men vint geen rust in koningshoven.
 
Het hooge daelt: het laegh stijght boven.
 
(vs. 1180-1181)
[p. 191]

Dat is dezelfde gedachte als in de slotstrofe van de reizang na het tweede bedrijf in Koning David herstelt; de eerste van de geciteerde regels is er zelfs letterlijk aan ontleend1. - In de ‘Tegenzangk’ wordt deze gedachte verder uitgewerkt:

 
De zoons belaegen eige vaders,
 
De broeder 's broeders staet.
 
Het hof krioelt van aertsverraders.
 
Elck vlamt op eige baet. (vs. 1182-1185)

Hier wordt gedoeld op de kroonzucht van Absalom en Adonia, en op de eigenbaat van hun aanhangers. Vandaaruit komt de Rey tot de tegenstelling tussen de schone schijn van het koningschap en de werkelijkheid:

 
De goude kelck schenckt moortvenijnen.
 
De dingen zijn niet als zy schijnen.
 
(vs. 1198-1199)

Ditmaal loopt de gedachte parallel aan die uit de beginstrofe van de reizang na het eerste bedrijf in Joseph in Egypten, en wéér wordt de overeenkomst geaccentueerd door letterlijke overname van een volledige versregel: ‘De dingen zijn niet als zy schijnen’2. - In hun ‘Toezangk’ wijzen de Hofjofferen er op, dat David en Salomo (in tegenstelling tot Absalom en Adonia) niet naar de macht gegrepen hebben, maar daartoe door God werden geroepen. En daarom besluiten zij naar de Tabernakel te gaan om Hem te bidden het gevaar af te wenden van Salomo:

 
Laet ons ter hutte Godt gaen smeecken.
 
Godt kan der boozen aenslagh breecken.
 
(vs. 1212-1213)
[p. 192]

Vierde Bedrijf

IVa.

a. Adonia is een schuilplaats komen zoeken bij Abisag. Blijkbaar weet hij reeds, dat de enquêteurs van Salomo er in geslaagd zijn het samenzweerderspact in handen te krijgen, al zullen zij dit eerst in de volgende scène aan de koning overleggen. In ieder geval beschouwt hij zich als verloren en is hij nog slechts bedacht op het redden van zijn leven; het bevel tot zijn gevangenneming en terechtstelling kan nu immers elk ogenblik afkomen! Ten einde raad staat hij in Abisags kamer te smeken:

 
Wat raet, Abizag? ô getrouwe halsvriendin,
 
Hoe jammerlijck bekomt my mijne oprechte min
 
En liefde t'uwaert, als een schelmstuck, waert te vloecken!
 
Bespieders brullen om Adonias te zoecken.
 
Ick bidde u, bergh mijn lijf, Godt geve oock hoe
 
het zy. (vs. 1214-1218)

Opnieuw openbaren zich in deze woorden zijn egoïsme en zijn gebrek aan oprechtheid. Wéér houdt hij geen ogenblik rekening met het gevaar dat inwilliging van zijn verzoek voor Abisag zou betekenen. En wéér stelt hij het voor alsof zijn liefde voor haar zijn primaire drijfveer was; door die liefde is hij in nood gekomen, want ten onrechte heeft men daaruit tot politieke bedoelingen geconcludeerd! - Maar Abisag weet nu beter, en haar reactie is typisch vrouwelijk. Tegenover Bathseba en Salomo had zij ondanks alles voor Adonia gepleit en duidelijk blijk gegeven van haar liefde voor hem. Maar nu deze zelf voor haar staat en zonder spoor van berouw met zijn misleiding voortgaat, verbergt zij haar liefde en toont slechts haar gekwetstheid. Zij antwoordt hem met een bitter verwijt: ‘Ick zitte om u verdacht, en uw verraeders streecken’ (vs. 1220). En even later:

 
Wout gy den koning om zijn kroon en leven brengen,
 
Wat hoeftge Abizag in dat lasterstuck te mengen?
 
Nu wascht haer zee noch stroom van zulck een lastersmet.
[p. 193]
 
De roep is onder 't volck. dit heeft zijn ploy gezet:
 
En vlughtge herwaert aen, om noch de wraeck te tergen?
 
Ick zie my zelve noch mijn leven nau te bergen.
 
Verzie u: pack u voort: vertreck uit mijn gezicht.
 
(vs. 1224-1230)

Als Adonia, onthutst en wanhopig door haar weigering hem te helpen, uitroept: ‘Och vader David, oudt te vroegh voor my gestorven, // Wat raet voor uwen zoone?’ (vs. 1240-1241a), dan herinnert zij er hem aan dat hij opnieuw háár vergeet: niet alleen ‘wat raet’ voor Davids zoon, maar ook voor háár, ‘door hem bedorven1’ (vs. 1241b). En zij wijst hem opnieuw de deur: ‘Vertreck uit mijn gezicht: hier baet geen ydel klaegen’ (vs. 1244). Radeloos nu hij begrijpt dat het haar ernst is, schreeuwt Adonia zijn doodsangst uit:

 
Nu valt een' konings zoon zee, hemel, aerde, en lucht
 
Te nau. het zweet breeckt uit, en alle haeren rijzen.
 
(vs. 1251-1252)

Alle pose en geveinsdheid zijn in deze uitroep van hem weggevallen; er is niets anders meer dan zijn nood. En dat grijpt Abisag zó aan, dat haar liefde het toch weer wint van haar teleurstelling en verontwaardiging. Zij wijst hem als schuilplaats een holle boom in het nabij-gelegen cypressenbos aan, waar zij hem 's nachts door een dienaar zal laten brengen wat hij nodig heeft om in leven te blijven. Adonia - nog steeds dezelfde egoïst - gunt zich de tijd niet om haar voor haar hulp te danken. Met een vluchtige afscheidsgroet is hij meteen op weg naar de aangewezen schuilplaats: ‘Leef lang, Abizag, och’ (vs. 1257a), waarbij wij ‘och’ wel zullen moeten opvatten als aanduiding voor zijn schreien van angst en zelfmedelijden. - Nauwelijks is hij verdwenen, of de trots van Abisag breekt, en er is enkel nog haar liefde:

 
nu zal ick met mijne oogen
 
Den helt niet weder zien, ten zy hem Godt bewaert.
 
Hoe wort dat hooft gedreight van 't broederlijcke zwaert,
[p. 194]
 
Dat princelijcke hooft, te schoon om af te houwen!
 
Ick hef mijne oogen en mijn handen, dus gevouwen,
 
Naer Godt alleen om troost. zie neêr uit 's hemels troon.
 
Beschut dat konings bloet, ter eere van de kroon.
 
(vs. 1257b-1263)

IVb.

b. Salomo's vertrouwelingen Husai en Achimaäs1 komen de koning het resultaat meedelen van hun onderzoek naar de samenzwering. Er is geen twijfel meer mogelijk: Abjathar en Joab ‘Betoverden den prins de kroonzucht te bewimpelen // Met minnezucht’ (vs. 1280-1281a). Bovendien is het complot veel wijder vertakt en veel grondiger voorbereid dan zij hadden verwacht; systematisch is het volk ten gunste van Adonia en zijn twee raadgevers bewerkt2. - Voor Salomo is dit alles echter geen bewijs genoeg. Het blijft te vaag en ongrijpbaar om er een vonnis op te baseren. Husai en Achimaäs zijn evenwel in staat hem ook ‘het middaghklaer bewijs’ (vs. 1326) te leveren, dat daarvoor nodig is. Zij reiken de koning het blad over, waarop de samenzweerders met hun handtekening de gemaakte afspraken hebben bekrachtigd. Met dit stuk in handen kan Salomo niet langer aan de feiten twijfelen. Onmiddellijk laat hij Nathan en Zadok - de vertegenwoordigers van God op aarde - ontbieden om zich met hen te beraden op de maatregelen die hij treffen moet.

IVc.

c. Wéér staan Nathan en Zadok voor Salomo. En wéér dringen zij aan op kort en snel recht, waarbij Zadok opnieuw Adonia de tweede Absalom noemt (vs. 1356). Maar

[p. 195]

Salomo kan er moeilijk toe besluiten zijn broer te doen terechtstellen. Als David tot tweemaal toe aan Absalom vergiffenis schonk, zou hij dan zijn allereerste doodvonnis moeten uitspreken tegen Adonia, wat bovendien aanleiding zou geven tot opspraak onder het volk:

 
Hoe stootme dit voor 't hart! het hart begint te kloppen.
 
Wie kan den lastermont der eeuwige opspraeck stoppen?
 
(vs. 1376-1377)

Hij probeert daarom de instemming van Nathan en Zadok te winnen voor een mildere straf dan de dood: gevangenis of ballingschap. Maar zij achten de gevaren daarvan te groot: een gevangene kan ontsnappen en een balling zich in het buitenland op revanche voorbereiden. Er is maar één afdoende oplossing: ‘Men smoore alle oproer eerst in dezen eerstgeboren’ (vs. 1393). Wanneer Salomo ook daarna voortgaat met het zoeken van tegen-argumenten en tenslotte bijna verontwaardigd uitroept: ‘Zal nu een konings zoon voor 's broeders slaghzwaert buigen?’ (vs. 1416), houdt Zadok - niet langer als adviseur, maar als ‘Godts mont’! - hem voor: ‘Al 't rijck, Godt zelf eischt recht’ (vs. 1417a). En hij bezweert Salomo bij het heilige wierookvat, dat hij bij zijn haastige komst uit de Tabernakel in de hand gehouden heeft:

 
wy bidden, wy bezweeren
 
U by dit wieroockvat, laet heden triomfeeren
 
Het heiligh kroonrecht, dat noch bloetnoch afkomst kent.
 
Zoo houde d'opperste u in eere en ongeschent.
 
(vs. 1424b-1427)

Als ook Nathan zich daarbij aansluit, kan Salomo niet langer twijfelen aan de wil van God. Hij aanvaardt zijn onontkoombare plicht door bevel te geven Benaja te doen ontbieden.

IVd.

d. Even later staat deze voor de koning en krijgt hij de opdracht Adonia en Joab ter dood te brengen1. Dit gaat

[p. 196]

gepaard met een ceremoniële handeling, die Benaja officieel tot de voltrekker van het vonnis maakt. Een dienaar brengt hem het gerichtszwaard, dat in zijn purperkleurige schede de rechtshandhavende functie van het koningschap symboliseert. Benaja trekt het zwaard uit de schede en reikt het ontbloot aan Salomo over, die het even vasthoudt en dan weer aan zijn bevelhebber teruggeeft: ‘Ontfang het van ons hant, en hanthaef 't recht rechtvaerdigh’ (vs. 1460)1. - Als Benaja met het ontblote zwaard in de hand zijn last gaat volvoeren, passeert hij bij de ingang van de troonzaal Abisag. In haar vertwijfeling om Adonia's nood komt zij zich nogmaals aan de voeten van Salomo neerwerpen, in een uiterste poging om hem te vermurwen. Maar nog vóór zij iets heeft kunnen zeggen, wijst de koning haar terug: ‘Mevrou, gy komt te spa: het vonnis leght gevelt’ (vs. 1463). En dan breekt Abisag, die nu ook begrijpt wat het ontblote zwaard in de hand van Benaja betekende. Voor het eerst gedurende deze tragische dag laat zij zich gaan in een wilde vloed van wanhopige woorden:

 
Och, is hier geen gehoor? Adonias wat hoeck,
 
Wat schaduw berght uw lijf, in 't uiterste verlegen?
 
Nu zoeckt u Banajas met zijnen blooten degen.
 
Bloetdorstigh zwaert, zoudt gy doorrijgen Davids borst,
 
U dompelen in 't bloet van zulck een' braven vorst?
 
Hoe is de broeder op den broeder dus verbolgen?
 
(vs. 1467-1472)
[p. 197]

Maar één hoop heeft zij nog, en die hoop drijft haar uit de troonzaal, Benaja achterna. Misschien zal zij hem kunnen vermurwen, zo niet om Adonia te sparen, dan toch om deze in de gelegenheid te stellen vóór zijn dood haar van alle schuld aan zijn samenzwering vrij te spreken:

 
Men kan een weduwe van David niet misgunnen
 
Een eerelijcke blijck van onschult, klaer en kort,
 
Eer dien verwezen prins de mont gesloten wort.
 
(vs. 1477-1479)

Nu haar liefde verloren is, wil zij trachten tenminste haar goede naam te redden. Maar gaan wij te ver, als wij achter deze wens méér vermoeden dan zij onder woorden brengt? Wij hebben gezien, hoe diep zij door de misleiding van Adonia gekwetst is. Zou zij nu niet hopen dat hij in het aangezicht van de dood zal goedmaken wat hij tegenover haar misdreven heeft en dat hij daardoor haar liefde voor hem rechtvaardigt? Naar ik meen, geeft Vondels uitbeelding van haar figuur inderdaad aanleiding om iets dergelijks te veronderstellen. Van het begin af hebben de liefde en de goede naam van Abisag samen op het spel gestaan, zodat er geen reden is ze hier scherp van elkaar te scheiden.

IVe.

e. Evenals Adonia heeft ook Abjathar begrepen dat alles verloren is. Angstig en aarzelend is hij op weg naar de koningsburcht, als hij - nog op het plein, bij de ingang van het paleis? - Salomo ontmoet die met Nathan en Zadok uit de troonzaal komt. Deemoedig werpt hij zich voor de koning neer:

 
Genade, ô Salomon. ick smeecke u om genade,
 
En ken mijn lasterstuck. (vs. 1484-1485a)

Streng verwijt Salomo hem het verraad dat hij tot tweemaal toe gepleegd heeft, ondanks zijn aertspriesterschap! Eigenlijk zou hij verdienen te worden gestenigd, maar Zadok heeft voor hem gepleit en daarmee zijn leven gered. Door deze laatste woorden enigszins gerustgesteld, waagt Abjathar het een beroep te doen op alles wat zijn vader en

[p. 198]

hij voor David hebben gedaan1. Salomo erkent deze verdiensten en wil daarmee bij zijn vonnis rekening houden. Dat vonnis luidt - overeenkomstig 1 Koningen 2 : 26-27 - dan ook mild. Abjathar wordt naar zijn vaderstad Anathoth verbannen en moet berusten in het verlies van zijn aertspriesterschap.

IVf.

f. Als Abjathar zich, beschaamd en haastig, verwijderd heeft, gaat Zadok naar de Tabernakel, terwijl wij wel zullen moeten aannemen dat Salomo het paleis weer binnentreedt en Nathan zich naar zijn eigen woning begeeft. Nauwelijks is Zadok in het heiligdom gekomen, of Joab struikelt ademloos naar binnen en grijpt de hoornen van het altaar vast: vanouds het gebaar waarmee een vervolgde bij God een vrijplaats zocht. Vertwijfeld doet hij een beroep op de voorspraak van de aertspriester bij Salomo: ‘Beschutme, eerwaertste, die nu 's konings hart bezit’ (vs. 1538). Maar deze weigert, hoewel met een gevoel van medelijden voor de ‘grijze veltheer’ (vs. 1539), elke inmenging: het doodvonnis is onherroepelijk. Wanneer Joab blijft aandringen, houdt Zadok hem voor dat hij zich door zijn samenzwering verzet heeft tegen de uitdrukkelijke wil van God die immers Salomo als troonopvolger had aangewezen. - De even pijnlijke als vruchteloze discussie wordt afgebroken door rumoer en geschreeuw in de onmiddellijke nabijheid. Zadok begrijpt wat dit betekent: Benaja heeft de eerste helft van zijn opdracht volvoerd, en nadert nu om zich van de tweede te kwijten. Met een laatste vermaning wendt de aertspriester zich van Joab af:

 
Adonias is doot. de leeu vaert voort met brullen.
 
Helt Banajas genaeckt. berey u: het is tijt.
 
Hy sterft onheiligh, die het hoogh altaer ontwijt.
 
(vs. 1585-1587)

IVg.

g. Met het ontblote - en nu bebloede - gerichtszwaard in de hand treedt Benaja de Tabernakel binnen; achter hem

[p. 199]

blijven de soldaten van de lijfwacht bij de ingang staan. Met een verontschuldiging voor de uitoefening van zijn plicht zegt hij Joab diens vonnis aan, en verzoekt hem zich gewillig daaraan te onderwerpen. Maar Joab kan nog steeds niet aanvaarden, dat hij verloren is. Hij weigert de hoornen van het altaar los te laten, en smeekt Benaja een bode naar de koning te zenden om te vragen of deze zich niet bedacht heeft. Geprikkeld door ‘dit ydel uitstel’ (vs. 1619), stemt Benaja daarin tenslotte toch toe. - Dan heerst in de Tabernakel de spanning van het wachten. Zwijgend staat Benaja op zijn zwaard geleund; voor het altaar ligt Joab, de handen om de hoornen gekneld. Meer dan de woorden van Zadok en Benaja doet de dreigende stilte de oude veldheer beseffen dat hij niets meer te hopen heeft. En hij breekt die stilte met een klaagzang (in viervoetige kwatrijnen met gekruist rijm) over zijn staetveranderinge:

 
Hoe los en wanckel staen de staeten
 
Der weerelt! ay ziet Joab aen,
 
In dezen schijn, van elck verlaeten.
 
(vs. 1624-1626)

Als niets worden zijn krijgs- en heldendaden geacht, als niets zijn adviezen in Davids hofraet, als niets zijn verwantschap met de koning1:

 
Wat baet het dat ick twintigh jaeren
 
Bekleede 's rijx veltheerschappy,
 
En Davids hofraet holp bewaeren?
 
Men treet al 's konings bloet voorby.
 
Ick sta hier veegh, ter doot gedaghvaert.
 
Wie keert den slagh van 't blinde slaghzwaert?2
 
(vs. 1644-1649)

- Daar keert de uitgezonden bode met het antwoord van de koning terug! ‘Hoe luit de jongste last?’ (vs. 1651b),

[p. 200]

vraagt Joab, bijna zonder hoop. En Benaja antwoordt:

 
Dat ick u daetelijck van 't outer af moet rucken,
 
En leveren uw lijf den koning in twee stucken.
 
(vs. 1652-1653)

Dan wordt de vroegere strijdgeest weer over de oude krijgsman vaardig. Hij berust in zijn lot, al weigert hij nog steeds de hoornen los te laten en wil hij aan het altaar sterven. Maar tegelijkertijd scheldt hij David en Bathseba voor overspelers en moordenaars van Uria, en Salomo voor bastaard. En hij bidt Gods vloek af over dit onwaardige vorstengeslacht dat zijn leven vraagt:

 
Daer is mijn borst, mijn hals. hou Joab in twee stucken:
 
Maer Godt, die uit een wolcke aenschout dit ongelijck,
 
Verscheure Salomons of na1 zijn nazaets rijck,
 
Uit onverzoenbre wraecke, aen twee oneffe deelen,
 
Hier 't hooft en daer de romp, door bloedige erfkrackeelen.2
 
(vs. 1665-1669)

Verontwaardigd maakt Benaja aan deze vervloeking een einde:

 
Vaert voort, trouwanten, voort, en ruckt den schelm
 
van 't outer,
 
Naer achter in de hutte. ick volge u op de hiel.
 
Hy storte 't godtloos bloet daer uit met zijne ziel.3
 
(vs. 1677-1679)

IVh.

h. Blijkens vs. 1656, waar Joab zich tot hen richt4, zijn de Hofjofferen getuige geweest van de vorige scène. Wij zullen ons moeten voorstellen dat zij, nieuwsgierig gewor-

[p. 201]

den door het ongewone rumoer, naar de Tabernakel zijn gegaan en bij de ingang ontzet hebben gekeken naar wat daarbinnen gebeurde. Als Joab van het altaar wordt weggesleept, wenden zij zich echter af en keren over het plein terug naar het paleis. Hun zang reageert evenwel met geen woord op het lot van de oude veldheer. Veel meer indruk heeft op hen gemaakt wat zij Benaja hebben horen zeggen: dat ook Adonia dood is! Bedroefd en vol medelijden weeklagen zij over het ontijdig uiteinde van de jonge prins:

 
Wat maer verbaest onze ooren!
 
De prins, zoo hoogh geboren,
 
Adonias is heen.
 
Och, waer hy noch verbeen.
 
Een prins, zoo schoon geschapen,
 
Is al te vroegh ontslaepen.
 
O edelmoedige aert,
 
Hoe leghtge door het zwaert
 
Gevelt op 't grazigh outer1.
 
Zoo wort een bloem door 't kouter
 
Van haren steel gesneên. (vs. 1680-1690)

De Hofjofferen zien hem meer als slachtoffer van zijn boze raadgevers - waartoe ook Joab behoorde! - dan als slecht uit zichzelf, al ontkennen zij zijn schuld niet. De ‘Tegenzank’ wijst zelfs met nadruk op zijn staetzucht, die hem het waarschuwende voorbeeld van Absalom deed veronachtzamen en ten val bracht:

 
Had dees zich zelf geoordeelt
 
Naer 't broederlijcke voorbeelt,
 
Noit waer hy snel en kort
 
Zoo laegh ter neêr gestort. (vs. 1716-1719)

Maar in de ‘Toezangk’ krijgen droefheid en medelijden opnieuw de overhand, en daarmee tevens het laatste woord. De Hofjofferen besluiten de lijkstoet van Adonia te gaan volgen,

[p. 202]
 
Bedaut van traen op traen,
 
Die langs de kaecken rollen
 
Uit oogen, dick gezwollen,
 
En root en uitgeschreit. (vs. 1732-1735)

Zo kort nadat het rouwkleed om David is afgelegd, moet het nu opnieuw weer worden aangenomen! Want: ‘Adonias is heenen’ (vs. 1745).

Vijfde Bedrijf

Va.

a. Benaja komt Salomo verslag uitbrengen over de volvoering van zijn opdracht. Knielend meldt hij de koning dat het recht zijn loop heeft gehad1, maar tevens vraagt hij vergiffenis voor het vergieten van zulk edel bloed dat heel Jeruzalem er om in beroering is: ‘De joffers kermen luit: de stad is vol geschals’ (vs. 1751). Salomo stelt hem gerust, doet hem weer opstaan en vraagt naar de bijzonderheden van Adonia's dood. Dan vertelt Benaja, hoe hij met verkenners en jachthonden het spoor van de prins heeft gevolgd, tot hij in het cypressenbos diens schuilplaats in een holle boom ontdekte. Het typeert weer Adonia's karakter dat deze dadelijk dacht aan verraad van Abisag, die hem immers deze schuilplaats had aangewezen:

 
helaes, ick ben verraeden.
 
Dat had Abizag, die my hier wees, niet belooft:
 
Doch is zy dus belust, beholpen met mijn hooft,
 
Zoo hou het van den romp. laet d'aerde 't bloet opslorpen,
 
En 't hooft in haeren schoot, gelijck een' bruitschat
 
worpen. (vs. 1773b-1777)

Maar overigens toonde de prins zich in zijn sterven van zijn beste kant. Gelaten aanvaardde hij zijn lot en knielde hij neer

[p. 203]

om de dodelijke slag te ontvangen. Benaja was zelfs méér ontsteld dan hij: ‘mijn hant en slaghzwaert weigert // Tot drywerf toe den slagh te geven aen uw bloet’ (vs. 1797b-1798); maar tenslotte vermande hij zich. Toen Adonia dood neerviel, riepen alle aanwezigen, overeenkomstig het gebruik bij een terechtstelling: ‘Lang leve Salomon, ten dienst van Gode en 't rijck’ (vs. 1807). De driemaal herhaalde, langzaam verflauwende echo van deze uitroep deed Abisag tevoorschijn komen uit de schuilhoek, waar zij zich verborgen hield uit vrees gevolgd te worden en zo Benaja de weg naar de holle boom van Adonia te wijzen. In een paroxisme van wanhoop kwam zij aanrennen:

 
De vlechten vliegen wilt om schouders hals en hooft.
 
Zy komt op dat gerucht door bosch door braem gevlogen.
 
Een helsche razerny ontsteeckt haer brandende oogen.
 
Zoo valtze plotsling door den drang op 't stervend lijck,
 
Bezwijmt om Davids zoon, bemorst zich zelf met slijck,
 
Verscheurt haer kleeders, borst, cieraden, en gewaeden,
 
En leght'er stijf en stom. geen rou kan 't hart verzaden.
 
(vs. 1819-1825)

Wanneer zij weer enigszins tot zichzelf komt, barst zij uit in een vertwijfelde jammerklacht: om de dode, om de wijze van zijn sterven, om het uitblijvan van het bewijs van haar onschuld, om de onvoldoende hulp die zij Adonia geboden heeft. Zij spreekt de dode prins aan als ‘mijn zoon Adonias’ (vs. 1827); en al heeft zij als weduwe van David met deze aanspraak formeel gelijk, toch blijkt daaruit ook hoe de nood en de hulpeloosheid van Adonia het moederinstinct in haar hebben wakker geroepen. Wéér lopen in haar klacht haar liefde en de zorg voor haar goede naam onontwarbaar dooreen. ‘Alle eeuwen zullen nu Abizag schuldigh achten’ (vs. 1840), klaagt zij, maar ook: ‘'K heb dien misleiden prins te wreet mijn hof ontzeit’ (vs. 1843). Haar grootste wanhoop is misschien, niet te hebben kunnen bewijzen dat haar liefde zuiver en onzelfzuchtig was, vrij van alle ‘scepterzucht’ (vs. 1837). - Benaja besluit zijn verslag met de

[p. 204]

mededeling dat het lijk van de prins naar het paleis wordt gebracht om daar gezalfd en verzorgd te worden voor de begrafenis. Als hij zich daarna wil terugtrekken, houdt Salomo hem tegen: ‘Hou stant. roep Semeï met Sadock hier voor my’ (vs. 1850).

Vb.

b. Schoorvoetend volgt Simeï de aertspriester in de troonzaal. Want hij vreest dat Salomo hem zal straffen voor de smaad die hij indertijd David heeft aangedaan, toen deze voor Absalom moest vluchten1. Maar David had hem vergiffenis geschonken en die vergiffenis met een eed bevestigd2. Acht de zoon zich aan deze eed niet gebonden, en gaat nu toch de straf volgen? Zodra hij voor de koning staat, werpt Simeï zich voor hem neer en smeekt om genade. Maar Salomo is niet van plan de eed van zijn vader te breken; hij heeft slechts een nieuw gebod en een nieuwe waarschuwing voor Simeï. De samenzwering van Adonia heeft nogmaals doen uitkomen, hoe nodig het is een wakend oog te houden op onbetrouwbare elementen. Daartoe behoort ook Simeï. En dus mag hij Jeruzalem niet meer verlaten: de eerste maal dat hij dit toch doet, zal hij ter dood worden gebracht3. - Opgelucht en dankbaar aanvaardt Simeï deze voorwaarde: ‘'K bezweer die wijze wet, en blijve 's konings knecht’ (vs. 1883). - Als hij de troonzaal verlaten heeft, heft Zadok zegenend zijn handen over Salomo. Al diens vijanden zijn nu onschadelijk gemaakt, zodat de koning zich onbezorgd kan gaan wijden aan de werken des vredes en de bouw van de tempel. In de triomferende jonge vredevorst daar vóór hem op de troon herkent de aertspriester met profetisch doorzicht het prototype van de komende Messias:

 
Het lustme in Salomon den vredevorst t' ontmoeten,
 
Die alle erfvyanden, aen 't outer van zijn voeten,
[p. 205]
 
In stof ziet leggen, en zich buigen voor Godts troon.
 
'K verwacht in Salomon een' andren Davidszoon1.
 
(vs. 1884-1887)

Uit ons overzicht valt in de eerste plaats af te leiden, dat ook de Adonias een drama van staetveranderinge is. Opnieuw legt Vondel nadruk op de kracht van de peripeteia door de situatie daarvóór en die daarná zo scherp mogelijk tegenover elkaar te stellen. Aan het begin van het drama verwacht Adonia een bruid en een kroon, aan het slot moet hij knielen voor het gerichtszwaard van Benaja. Dat Vondel deze tegenstelling inderdaad op het oog had, blijkt ten overvloede uit de aandacht die hij er voor vraagt in de Opdracht van zijn tragedie aan de twintigjarige Jacob de Graeff, jongste zoon van Burgemeester Cornelis de Graeff: ‘want de beooghde bruiloft verandert in een bloetbancket, de bruiloftszael in een schavot, en de bruitsledekant in een graf des rampzaligen bruidegoms....’2. Bovendien wordt ook ditmaal het effect van de peripeteia versterkt door verveelvoudiging. Niet alleen aan Adonia voltrekt zij zich, maar ook aan Abisag, ook aan Abjathar en aan Joab. Weliswaar worden zij meegesleept in de ondergang van de prins, maar bij elk van hen schenkt Vondel zóveel afzonderlijke aandacht aan hun staetveranderinge dat deze in structureel opzicht een zelfstandige waarde krijgt, náást die van Adonia zelf.

Het minst is dit het geval bij Abisag; haar lot blijft tot het einde toe met dat van Adonia verbonden, en haar ‘val’ wordt niet in een eigen scène behandeld. Maar in het verslag, dat Benaja in V-a aan Salomo uitbrengt, heeft zij wel degelijk toch een afzonderlijke plaats. Eerst nadat de terechtstelling van de prins ten einde toe is verhaald, worden háár verschijnen en háár wanhoop aan de orde gesteld, als zelfstandige episode náást de dood van Adonia3. - In het geval van Abjathar en Joab is de structurele nadruk op hun peripeteia nog veel opvallender:

[p. 206]

Vondel heeft er zelfs de vaart van zijn drama aan opgeofferd. Immers, tot het ogenblik (in IV-d) dat Benaja met het ontblote gerichtszwaard de troonzaal verlaat en Abisag hem wanhopig volgt, is het verloop der gebeurtenissen snel en rechtlijnig geweest. Steeds meer zijn het gevaar voor Adonia en de liefde van Abisag in het middelpunt van de aandacht komen te staan. Op dit kritieke moment worden beiden méér dan ooit bedreigd; de spanning heeft een hoogtepunt bereikt! En dan breekt Vondel opeens deze ontwikkelingslijn af, om ons eerst de bestraffing van Abjathar en Joab voor ogen te stellen. Gezien zijn multiplicatie van de staetveranderinge in de drie voorafgaande drama's, kan er niet aan getwijfeld worden of hij wilde daarmee een viervoudige peripeteia bereiken, met die van Adonia en Abisag als climax. Uit onze analyse blijkt, hoe nauwkeurig hij daarbij voor een logische opeenvolging van de verschillende scènes heeft zorg gedragen. Terwijl Salomo aan Abjathar diens verbanning aanzegt (IV-e) en even later Joab vergeefs een beroep doet op de voorspraak van Zadok (IV-f), ontdekt Benaja de schuilplaats van Adonia en brengt hem ter dood; daarna begeeft hij zich naar de Tabernakel om het vonnis aan Joab te voltrekken (IV-g); vervolgens keert hij naar het paleis terug om zijn verslag uit te brengen (V-a). Desondanks kan uit compositorisch oogpunt deze rangschikking der feiten alleen maar worden betreurd.

In de eerste plaats weegt de verveelvoudiging van de peripeteia niet op tegen het verlies aan spanning en vaart, als gevolg van de plotselinge overgang - op een hoogtepunt van het drama! - naar twee figuren die slechts periferische betekenis hebben. Hun bestraffing wordt daardoor een storend intermezzo, waarvan het bijkomstige karakter nog onderstreept wordt door de onmiddellijk daarop volgende reizang. De Hofjofferen immers, die toch hebben gezien hoe Joab van het altaar werd weggesleurd om gedood te worden, reageren met geen woord op deze terechtstelling en klagen enkel om de dood van Adonia; daarmee keert hun reizang, over de beide intermezzo's heen, terug tot het hoofdmotief en de hoofdfiguren, die aan het

[p. 207]

einde van IV-d tijdelijk waren losgelaten. Ook Benaja spreekt in zijn verslag aan Salomo met geen woord over Joab. Weliswaar was dit voor de toeschouwers ook niet meer nodig, maar het feit dat noch Salomo noch Benaja de naam van de terechtgestelde veldheer zelfs maar noemen, doet onbedoeld nogmaals uitkomen hoezeer de scènes over diens dood buiten het eigenlijke drama staan. - Een tweede bezwaar is, dat de visuele uitbeelding van Abjathars en Joabs bestraffing tegenover de auditieve weergave van Adonia's dood en Abisags ontreddering de climax, die kennelijk met de beide laatste momenten werd bedoeld, bij voorbaat van zijn kracht berooft. ‘Dewijl het zien meer de harten beweeght dan het aenhooren en verhael van het gebeurde’ - zoals Vondel zelf het in de Opdracht van Jeptha had uitgedrukt1, - zullen immers de slotscènes van het vierde bedrijf, en met name het aangrijpende toneel tussen Joab en Benaja, onwillekeurig meer indruk op de toeschouwers maken dan het ‘bode-verhaal’ uit het vijfde, hoe bewogen en kleurig dit ook moge zijn.

Wij hebben hier dus opnieuw te doen met een geval, waarin Vondel het dramatisch effect van een meervoudige peripeteia zwaarder liet wegen dan dat van een strakke compositie. Dat daarbij ook eerbied ten opzichte van de Bijbel, die de bestraffing van Abjathar en Joab uitvoerig vermeldt, een rol zou hebben gespeeld, acht ik uitgesloten; Vondel zou in die eerbied niet tekort zijn geschoten door de desbetreffende feiten als een beknopte en betrekkelijk terloopse mededeling in de mond van resp. Salomo en Benaja te leggen. Toch meen ik, dat náást en ná de peripeteia nog een tweede factor hem tot de eigenaardige structuur van zijn vierde bedrijf heeft gebracht. Het gemakkelijkst leren wij deze tweede factor kennen, wanneer wij uitgaan van het slot van het vijfde bedrijf.

Dat slot is nog merkwaardiger dan dat van het vierde! Met het verslag van Benaja in V-a had immers de tragedie haar natuurlijk einde gevonden; er viel niets meer aan toe te voegen.

[p. 208]

En toch laat Vondel daarop nog de scène volgen, waarin aan Simeï verboden wordt Jeruzalem te verlaten (V-b). Daarmee wordt in de laatste dertig regels niet alleen een nieuwe figuur, maar ook een nieuwe geschiedenis in het drama gebracht, want Simeï was niet bij de samenzwering betrokken geweest en zijn lot behoort dus niet tot de fabula van de Adonias. Wel suggereert Vondel enig verband tussen het complot en de waarschuwing van V-b, als hij Salomo - met een aan Salianus ontleende motivering van zijn besluit1 - tot Simeï laat zeggen:

 
Men zal een waeckende oogh op uwen wandel houden,
 
Om 't rijck te veiligen van alle misvertrouden.
 
(vs. 1876-1877)

Na alles wat is voorafgegaan, kan dit slechts betekenen dat de samenzwering duidelijk heeft gemaakt, hoe noodzakelijk het is voortaan een wakend oog op onbetrouwbare elementen te houden, en dat Salomo daaruit nu de consequentie trekt ten opzichte van Simeï. Maar dit indirecte en bovendien onuitgesproken verband is lang niet voldoende om de toevoeging van een zo zelfstandige scène te rechtvaardigen, vooral niet aan het slot van het drama waar zij een afsluitende functie heeft. - Daarbij komt nog, dat de geschiedenis van Simeï er slechts ten dele in wordt verteld. De tweede en belangrijkste helft, die zich drie jaar later afspeelt als Simeï Jeruzalem toch verlaat en daarvoor met de dood wordt gestraft, moest met het oog op de eenheid van tijd buiten beschouwing blijven. Niet alleen ontbreekt zodoende de eigenlijke peripeteia van Simeï, maar bovendien komt de waarschuwing aan hem min of meer in de lucht te hangen. Wel mocht Vondel er op rekenen dat zijn toeschouwers of lezers uit eigen Bijbelkennis het ontbrekende deel zouden aanvullen, maar uit compositorisch oogpunt wordt het ‘open’ laten van de desbetreffende scène daardoor niet minder bedenkelijk. - Aangezien moeilijk kan worden aangenomen dat

[p. 209]

Vondel zich van deze bezwaren geen rekenschap zou hebben gegeven - daarvoor was hij een veel te ervaren dramaturg -, moeten wij er van uitgaan dat hij met de toevoeging van V-b een bedoeling had, die zwaarder voor hem woog dan deze structurele bedenkingen. Naar ik meen, valt deze bedoeling af te leiden uit de zegenwens over Salomo, waarmee hij Zadok aan het einde van de scène met Simeï het drama laat afsluiten.

In deze zegenwens zegt de aertspriester onder meer, dat de jonge koning nu ‘alle erfvyanden, aen 't outer van zijn voeten, // In stof ziet leggen’ (vs. 1885b-1886a). Met andere woorden: door het onschadelijk maken van allen, die zijn troon bedreigden, heeft hij zijn heerschappij definitief gevestigd. Dat is óók de conclusie van 1 Koningen 2, waarin verteld wordt hoe Salomo achtereenvolgens Adonia, Abjathar, Joab en Simeï uitschakelt; na de terechtstelling van de laatste eindigt het hoofdstuk met de woorden: ‘Alzo is het koninkrijk bevestigd in de hand van Salomo’. Het is ongetwijfeld dit moment, waarom het Vondel te doen was: het moment waarop Salomo als triomferende vredevorst tot prototype van Christus werd. Behalve uit de apotheotische woorden, die hij Zadok in de mond legt1, blijkt dat ook uit het begin van de Opdracht waar Salomo eveneens ‘vredevorst’ en ‘voorbeelt van den toekomenden Messias in zijne heerlijckheit’ wordt genoemd (reg. 2-3). Maar dit moment werd blijkens het Bijbelverhaal eerst bereikt, toen ook Simeï onschadelijk was gemaakt, en daarom kon, ter voorbereiding van de apotheose door Zadok, althans de eerste stap daartoe in V-b niet worden gemist.

Dat brengt ons vanzelf tot wat ik zo even de tweede factor heb genoemd, die er Vondel toe bewoog de bestraffing van Abjathar en Joab zo uitdrukkelijk ten tonele te voeren. Hij volgt daarin het alius post alium van 1 Koningen 2, dat door deze reeks zowel het gevaar accentueert, waardoor Salomo werd bedreigd, als de wijsheid, waarmee hij het wist af te wenden. De slotscènes van het vierde bedrijf hebben naast hun primaire functie

[p. 210]

- versterking van de peripeteia door verveelvoudiging - tevens tot secundaire taak te bewerken dat wij al Salomo's ‘erfvyanden, aen 't outer van zijn voeten, in stof [zien] leggen’.

Daaruit volgt echter, dat het in de Adonias niet enkel meer de uitbeelding van de peripeteia was, die Vondel zich ten doel stelde; daarnaast wilde hij óók de heerlijkheid van Salomo doen uitkomen. Veel méér nog dan uit de inlassingen in het vierde en vijfde bedrijf valt dit af te leiden uit het feit, dat zijn hele drama gericht blijkt op rechtvaardiging van het doodvonnis dat door Salomo over Adonia werd geveld. En daarmee wordt dit het punt, dat nu allereerst onze aandacht vraagt.

 

Zoals uit de verwijzingen en citaten bij Salianus duidelijk blijkt, vormde de rechtvaardigheid van het vonnis over Adonia voor de Bijbelcommentatoren inderdaad een probleem. In 1 Koningen 2 wordt namelijk niet expressis verbis over een tweede samenzwering van deze prins gesproken. Adonia vraagt daar slechts, door bemiddeling van Bathseba, om de hand van Abisag. Salomo ziet in dit huwelijksaanzoek echter een aanwijzing voor diens subversieve bedoelingen en laat hem onmiddellijk ter dood brengen. De moeilijkheid schuilt in het feit, dat de terechtstelling dus gegrond was op één enkele aanwijzing die bovendien een bepaalde, niet door de feiten bewezen, interpretatie van Adonia's plannen tot uitgangspunt had. Kan dit als een juiste toepassing van het recht worden beschouwd? Als extreem voorbeeld van veroordeling van Salomo's handelwijze citeert Salianus de mening van Caietanus: ‘dit doodvonnis, op grond van deze éne aanwijzing, blijkt niet alleen streng, maar zelfs onrechtvaardig’