De twee laatste oorspronkelijke drama's die Vondel geschreven heeft, Zungchin en Noah, verschenen beide in 1667: het jaar waarin de dichter tachtig werd. Voor zover ik weet, is er aan de prioriteit van de Zungchin nooit ernstig getwijfeld. Algemeen werd en wordt de Noah beschouwd als de laatste van Vondels oorspronkelijke tragedies, in overeenstemming met de volgorde die Geeraardt Brandt opgeeft1. Toch brengt de verschijning in hetzelfde jaar mee, dat wij hebben na te gaan of de interne kritiek deze traditionele volgorde bevestigt. Wij zullen zien dat dit inderdaad het geval is, maar de desbetreffende uiteenzetting kan slechts gegeven worden op grond van een analyse der beide drama's. Ik stel ze daarom uit tot het volgende hoofdstuk2 en ga er hier bij voorbaat van uit, dat de volgorde van Brandt de juiste is.
Op het eerste gezicht lijken de Zungchin en de Noah, ondanks hun vrijwel gelijktijdige verschijning, zowel naar onderwerp als naar tijd en plaats van de handeling te ver uit elkaar te liggen dan dat er van enig verband sprake zou kunnen zijn. De Zungchin voert de omverwerping der Ming-dynastie in China (1644) en de dood van de laatste keizer uit dit geslacht ten tonele; de Noah speelt ‘voor Reuzenburgh, aen den voet van Kaukazus’3, on-
middellijk vóór de inscheping van Noach in de Ark en het begin van de Zondvloed. Toch blijkt bij nader inzien dat verband wel degelijk aanwezig. Het komt tot uitdrukking in de subtitels, die Vondel voor zijn contemporain-Chinese en zijn Bijbelse tragedie koos: Ondergang der Sineesche Heerschappye en Ondergang der eerste weerelt. In beide gevallen hebben wij te doen met een drama van ondergang waarbij de staetveranderinge zich niet alleen aan de hoofdpersoon en zijn onmiddellijke omgeving, maar aan een geheel rijk respectievelijk een gehele wereld voltrekt. Want al beperkte Vondel zich in de Zungchin, gebonden als hij was door de eenheid van tijd, formeel tot de omverwerping van de Ming-dynastie door de roverhoofdman Lykungzus - zelf ook een Chinees -, hij laat er geen twijfel aan bestaan dat hij die omverwerping beschouwd wenst te zien als inleiding op de verovering van China door de Tartaren, nog in hetzelfde jaar 1644, en de vestiging van de uitheemse Tsj'ing-dynastie der Mandsjoes; men behoeft slechts de profetie door ‘de geest van Xaverius’ in de laatste scène te lezen om daarvan overtuigd te raken. Wat voor de dichter zijn Chinees en zijn Bijbels drama verbond, is het boven-individuele karakter van de peripeteia, die door haar omvang méér ‘medoogen en schrick’ opwekt - voor hem betekende dit: tragischer is - dan wanneer zij zich slechts aan één of enkele ‘doorluchtige personaedjen’ zou hebben voltrokken. In Vondels laatste drama's van staetveranderinge moeten de hoofdfiguren dan ook in de eerste plaats worden gezien als representanten van de gemeenschap die in en met hen ten onder gaat.
Geeraardt Brandt vermeldt in verband met de Zungchin een curieuse anekdote. Terwijl Vondel bezig was aan dit drama te werken, hoorde hij dat een jonge stadgenoot van nog geen twintig jaar ‘de zelve treurstof onder handen hadde’, namelijk Antonides van der Goes. De oude dichter ging zijn aankomende collega
hier op bezoeken, las zyn werk, en ziende dat de Keizer in 't begin dees taal voerde,
Wie plantte in Tartarye een bosch van veltstandaarden, zeide strax, Ik zal, om den jongen Dichter aan te moedigen, deeze spreekwyze ontleenen, en in myn treurspel gebruiken: gelyk hy deede met deeze woorden der Priesteren, in den rey, na 't eerste bedrijf, noch te lezen,
De anekdote is in drieërlei opzicht illustratief, In de eerste plaats blijkt er nogmaals uit, dat de overname van versregels beschouwd werd als een hulde aan de oorspronkelijke dichter. Vervolgens bevestigt zij onze veronderstelling, dat Vondel bij de omverwerping van keizer Zungchin door de roverhoofdman Lykungzus tevens dacht aan de verdrijving van deze laatste, enkele maanden later, door de Tartaren en de vestiging van de Mandsjoe-dynastie. Immers, terwijl hij zelf in zijn treurspel de val van Zungchin uitbeeldde, wijdde Antonides zijn tragedie aan die van Lykungzus2. Maar het zijn beide zózeer fasen in dezelfde geschiedenis van de ‘Ondergang der Sineesche Heer-
schappye’, dat in ietwat ruimere zin inderdaad van ‘de zelve treurstof’ kan worden gesproken. De term van Brandt maakt aannemelijk, dat behalve Vondel ook diens tijdgenoten er zo over dachten.
Tenslotte doet de anekdote uitkomen, dat op hetzelfde ogenblik twee verschillende dichters, geheel onafhankelijk van elkaar, als onderwerp voor een drama de gebeurtenissen kozen, die kort tevoren in het verre China hadden plaats gevonden. Daaruit blijkt dat die gebeurtenissen, althans in Amsterdam, in betrekkelijk brede kring de aandacht hadden getrokken en het onjuist zou zijn Vondels belangstelling vrijwel uitsluitend uit zijn sympathie voor de missie te verklaren, zoals b.v. Sterck doet1.
Hoe valt deze aandacht te verklaren, en op welke informatie berustte de feitenkennis die er aan ten grondslag ligt? De beantwoording van deze vraag zal ons tevens in aanraking brengen met de bronnen, waaruit Vondel voor zijn Zungchin heeft geput.
De vestiging van de Jezuïeten-missie in China had tot indirect gevolg, dat gedurende de 17e eeuw in Europa de kennis omtrent het Hemelse Rijk in sterke mate toenam. Tal van missionarissen, die zich met liefde in de levensvormen, de aardrijkskundige situatie en de geschiedenis van China hadden verdiept, brachten daarvan verslag uit in brieven en boeken. Tot de pioniers onder deze auteurs behoort pater Nicolaas Trigault, die in vs. 409 van Zungchin door Vondel wordt vermeld. Maar het is vooral na 1650, dat de stroom van publikaties begon te vloeien.
In 1654 verscheen in de Plantijnse drukkerij van Balthasar Moretus te Antwerpen, in sierlijk octavo-formaat: De bello Tartarico Historica, geschreven door de Jezuïet Martinus Martinius (1614-1661). Daarin geeft de geleerde missionaris, kort tevoren na een tien-jarige werkzaamheid in China tijdelijk naar
Europa teruggekeerd, een historisch overzicht van de eeuwenlange strijd tussen Chinezen en Tartaren, die in 1644 had geleid tot de overwinning van de laatsten. Het boekje was de afzonderlijke uitgave van een tekst, die als aanhangsel was opgenomen in Martinius' beroemde Atlas Sinensis, ongeveer ter zelfder tijd door Ioan Blaeu te Amsterdam in het licht gegeven. In 1664 verschenen de kaarten van Martinius opnieuw, in het negende en laatste deel van Blaeu's Grooten atlas, oft werelt-beschryving; ook ditmaal werd de geschiedenis van de Tartaarse oorlog daaraan toegevoegd, maar nu in Nederlandse vertaling: Historie van den Tartarischen oorlog.
Van dezelfde Martinius verscheen in 1658 te München: Sinicae Historiae Decas prima, het eerste deel van een breed-opgezette geschiedenis van China, die door het ontijdig overlijden van de auteur niet verder is voortgezet. Dit eerste deel bevat in tien ‘boeken’ de Chinese historie ‘à gentis origine’ tot de geboorte van Christus.
In 1665 werd te Wenen uitgegeven: Historica narratio de initio et progressu missionis S. Jesu apud Chinenses, samengesteld ex litteris Rev. P. Johannis Adami Schall. Deze pater Schall (1592-1666), die in de Zungchin onder Vondels ‘tooneelisten’ een belangrijke plaats inneemt, was hoofd der Jezuïeten-missie in Peking ten tijde van de gebeurtenissen uit 1644.
Twee jaar later, in 1667, verscheen te Amsterdam bij Johannes van Meurs het werk van de missionaris Athanasius Kircher: China monumentis qua sacris qua profanis .... illustrata.
Het bleven overigens niet uitsluitend missionarissen, die over China publiceerden. Van 1655 tot 1657 had de dienaar der Oostindische Compagnie Joan Nieuhof (1618-1672) als eerste hofmeester deelgenomen aan een gezantschapsreis vanuit Batavia naar ‘den grooten Tartarischen Cham’1, met het doel betrekkingen aan te knopen met de nieuwe machthebbers in China. In opdracht van Heren Bewindhebbers stelde hij van deze reis een uitvoerige beschrijving samen, die in 1665 door de zorg
van zijn broeder Hendrik te Amsterdam werd uitgegeven onder de titel Het Gezandtschap der Neêrlandische Oost-Indische Compagnie, aen den Grooten Tartarischen Cham, den tegenwoordigen Keizer van China. Nieuhof gaf daarin veel meer dan hem was opgedragen. Na zijn eigenlijke reisverslag liet hij namelijk nog een even lijvig gedeelte volgen, bevattende ‘Een naauwkeurige Beschryvinge der Sineesche Steden, Dorpen, Regeering, Weetenschappen, Handwerken, Zeden, Godsdiensten, Gebouwen, Drachten, Scheepen, Bergen, Gewassen, Dieren &c. en oorlogen tegen de Tarters’. Eerlijk geeft hij te kennen, dat hij voor dit gedeelte van zijn boek gebruik heeft gemaakt van ‘de schriften van eenige geloofwaerdige Schryvers, die hunnen arbeid aan 't verhaal der Sineesche zaaken trouwelyk besteed hebben’; als de beste van deze auteurs noemt hij een drietal Jezuïeten, onder wie wij Nicolaas Trigault en Martinus Martinius terugvinden1. Op deze manier werd het tweede deel van zijn werk een compendium van het beste wat tot die tijd over China verschenen was.
In dezelfde geest werkte ook de Amsterdamse medicus, historicus en geograaf Olfert Dapper, die in 1672 in zijn vaderstad uitgaf: Asia of naukeurige beschrijvinge van het rijk des Grooten Mogols, waarvan in 1673 een Engelse en in 1681 een Duitse vertaling verscheen.
Mijn lijst pretendeert allerminst volledig te zijn en zou zonder veel moeite kunnen worden uitgebreid. Maar zij geeft althans een indruk van de situatie tussen 1650 en 1670. Niet alleen het aanbod van boeken over China was trouwens in deze jaren groot, maar ook de belangstelling daarvoor. Dat blijkt uit de talrijke herdrukken en vertalingen, waarvan de laatste wijzen op interesse in geheel West-Europa. Tussen 1660 en 1670 werd in dit
opzicht een hoogtepunt bereikt. Het behoeft dan ook geen verwondering te wekken, dat zowel Vondel als Antonides juist in deze tijd de stof voor een tragedie aan de Chinese geschiedenis ontleenden. Zij gaven daarmee slechts blijk actueel te zijn in hun belangstelling.
Het onderzoek naar de bronnen van Vondels Zungchin begint bij J.A. Worp, die in 1903 Martinius' Historie van den Tartarischen oorlog en - hoewel met minder stelligheid - Kircher's China monumentis ..... illustrata als zodanig aanwees1. Nadien werden daaraan nog toegevoegd Schall's Historica narratio2 en Nieuhof's Het Gezandtschap ....3. In 1938 trok Duyvendak in twijfel, dat Kircher's werk als een eigenlijke bron moet worden beschouwd4. Zijn argument daarvoor kan moeilijk als overtuigend worden beschouwd5, maar toch geloof ik dat hij gelijk heeft - zij het om een andere reden. De China monumentis .... illustrata verscheen namelijk eerst in 1667, en wij moeten wel aannemen dat Vondels tragedie reeds in het begin van dit jaar zo niet geheel dan toch in hoofdzaak voltooid was; hoogstens heeft de dichter aan het boek van Kircher achteraf enkele bijkomstige details kunnen ontlenen.
Schall's Historica narratio heb ik niet kunnen raadplegen; een rondvraag bij de bibliotheken hier te lande leverde een negatief resultaat op. Het lijkt mij overigens waarschijnlijk, dat Vondel dit werk inderdaad gekend en er een aantal details omtrent de geschiedenis van het Christendom in China aan ontleend heeft. Meer dan een aanvullende bron is het boek van Schall echter
voor hem zeker niet geweest. De eigenlijke stof voor zijn Zungchin heeft hij bij Martinius en bij Nieuhof gevonden.
De werken van de twee laatstgenoemden hangen trouwens - althans voor wat ‘den Tartarischen oorlog’ en de val van Zungchin betreft - ten nauwste met elkaar samen. Ik heb reeds opgemerkt, dat Nieuhof in zijn toegevoegde ‘Algemeene Beschryving van 't Ryk Sina’ op de publikaties van zijn voorgangers steunt. Wanneer hij in zijn achttiende hoofdstuk met een weergave van de Chinese geschiedenis begint, richt hij zich dan ook geheel naar Martinius. Eerst volgt hij diens Sinicae Historiae Decas prima, aanvankelijk vrijwel letterlijk vertalend, later zeer sterk bekortend en zich beperkend tot een opsomming der verschillende dynastieën. Als Martinius' boek bij het begin van onze jaartelling ophoudt, trekt Nieuhof - uiterst beknopt - de lijn der dynastieën door, tot de opkomst van ‘de Stam Taiminga’ (de Ming-dynastie) in 1368. Dan kan hij weer aansluiten bij Martinius, ditmaal bij diens De bello Tartarico Historia. In hoofdzaak vertáált hij dit werk, zij het zonder zich op alle punten aan de oorspronkelijke tekst gebonden te achten. Nu eens bekort hij, dan weer breidt hij uit, hetzij uitsluitend stilistisch, hetzij door invoeging van enkele details die hij blijkbaar aan een andere bron heeft ontleend. Typerend is, dat hij stelselmatig alles weglaat wat op het werk van de missie betrekking heeft.
Gezien de werkmethode van Nieuhof is het niet vreemd dat de opmerking van Worp: ‘alle historische feiten, in het treurspel vermeld, vindt men in de Historie [nl. van den Tartarischen oorlog] terug’1 evenzeer voor Het Gezandtschap .... geldt. Wij worden door dit feit echter voor de vraag gesteld, of Vondel beide boeken gekend en gebruikt heeft dan wel slechts één van de twee, en in dit laatste geval: welk?
Een aantal steekproeven heeft mij tot de overtuiging gebracht, dat het eerste het geval is geweest en de twee boeken gezamenlijk Vondels bron hebben gevormd.
Bekendheid van de dichter met het werk van Nieuhof blijkt uit de volgende feiten:
a. Aan het slot van het derde bedrijf van Zungchin zegt de Rey van Priesteren (missionarissen) over de Chinese muur:
Bij Martinius komen deze gegevens niet voor2, maar wel bij Nieuhof, zij het in diens eigenlijke reisverslag en niet bij de geschiedenis van de Tartaarse oorlog. Zijn mededeling luidt: ‘Eertydts onderhieldt de Sineesche Keizer, gelyk ook noch tegenwoordigh de Groote Cham, tot bescherming van deze Muur en 't invallen der Tarters, in deze Krygs-vestingen en Sterkten, tien maal honderd duizend mannen, die by beurten in de boven gemelde wacht-toorens by nacht en dagh met een groot getal de wacht hielden’3. Even verder wordt de Jezuïet Gonzales van Mendoza geciteerd: ‘In dit Ryk, zeid hy, wordt een afsluiting of Muur gevonden van vyf honderdt mylen lang’4.
b. In Zungchin vs. 1271-1275 draagt de Keizer in het uiterste gevaar zijn zonen op, te trachten de kluizenarij van ‘vader Changus, den Konfutiaen’ te bereiken en zich daar voorlopig schuil te houden. In zijn ‘Algemeene Beschryving’ (maar niet in verband met de Tartaren-oorlog en dus los van Martinius) vertelt Nieuhof uitvoerig over de kluizenaar Chang, verder-op ook Changus genoemd, die zich tot het Christendom bekeerde5. Vondel neemt hier slechts de naam en de waardigheid over, en laat weg wat hij niet gebruiken kon. Op soortgelijke wijze ontleent hij voor zijn ‘Vorstin en staetjoffer’ uit het gevolg van de keizerin de naam Xaianga aan een mededeling van Nieuhof (ook ditmaal buiten verband met de Tartaarse oorlog) over een
berg, ‘alwaar een zeekere Koningin Xayanga een prachtig Afgoden-klooster heeft laten stichten, daar in zeer veel Priesters leven’1.
c. In Zungchin vs. 116-122 wordt verteld, hoe de Keizer zich kort na zijn troonsbestijging van de al te machtig geworden eunuch Guieius ontdoet. Met een eervolle opdracht uit Peking gestuurd, ontvangt Guieius onderweg
Deze episode komt zowel bij Martinius als bij Nieuhof voor. Maar terwijl de eerste spreekt van een ‘capsula deaurata’2 - in de Nederlandse vertaling zoals deze door Worp wordt geciteerd3: ‘een vergult doosken’, - vermeldt Nieuhof evenals Vondel ‘een goud doosje’4.
Daarentegen wijzen de volgende plaatsen op vertrouwdheid van Vondel met De bello Tartarico van Martinius:
| a. | In Zungchin vs. 252-260 getuigt de Keizer van zijn geloof aan de trouw der missionarissen. In dit verband haalt hij de hulp aan, die de Portugezen uit Macao in de strijd tegen de Tarters ‘aen onzen voorzaet’ hebben geboden, alsmede de houding van de bekeerling Zunignatius (Ignatius Soeng) wiens trouw de dood boven een onrechtmatige kroon verkoos. Martinius vermeldt in zijn boek de hulp van de Portugezen op pag. 34-35 en de trouw van Zunignatius op pag. 51-55. Nieuhof heeft bij zijn vertalende bewerking de bewuste passages echter weggelaten, vermoedelijk omdat zij getuigden van de invloed der Jezuïeten. |
| b. | Aan het slot van zijn Opdracht vergelijkt Vondel de jonge Tartaarse keizer, die na Lykungzus aan het bewind was gekomen, vanwege diens sympathie voor het Christendom met Constantijn de Grote: ‘maer helaes de jonge keizer, die de waerheit in 't openbaer begenadighde, en zelf, als een herboren |
| Konstantijn, overbodigh1 was zich het juk des gekruisten t'onderwerpen .... komt .... ontijdigh t' overlijden’2. De dichter is hier in de war met de feiten. Niet aan het hof ‘van den jongen Tarter’ te Peking was na Zungchins val de belangstelling voor het Christendom groot3, maar aan dat van Zuid-China, waar een lid van de gevallen Ming-dynastie zich korte tijd tegen de Tartaren wist te handhaven. Toen Martinius zijn boek schreef, was deze laatste strijd nog niet in het nadeel der Chinezen beslist. Daardoor wordt het begrijpelijk dat hij zijn hoop stelt op de erfprins van dat Zuidelijke rijk, ‘qui Constantinus dictus est et cui à bonis omnibus adprecandum, ut (favente Deo) alter sit Sinarum Constantinus’4. In 1667 was dit efemere Zuidelijke rijk echter reeds weer ten onder gegaan, en dat heeft blijkbaar Vondels begrip van de situatie vertroebeld. Intussen is er geen twijfel mogelijk, of zijn vermelding van de ‘herboren Constantijn’ berust op de hierboven geciteerde zinsnede van Martinius. |
Afgezien van de zo juist gesignaleerde verwarring en een enkele onbeduidende vergissing, heeft Vondel bij de bewerking van zijn drama zijn bronnen met dezelfde nauwgezetheid gevolgd, die wij als kenmerkend voor hem hebben leren kennen in zijn Bijbelse tragedies en in Batavische gebroeders. De annotatie van Moller in WB X doet daaraan in geen enkel opzicht recht wedervaren. Telkens worden daarin aan Vondel feitelijke ‘onjuistheden’ verweten, die hij vrijwel letterlijk uit zijn bronnen blijkt te hebben overgenomen en dus betrouwbaar mocht achten. Blijkbaar heeft Moller het boekje van Martinius als bron voor het drama over het hoofd gezien, terwijl hij Nieuhof eerst heeft ontdekt toen zijn annotatie voltooid en wellicht reeds gezet was. De enkele verwijzingen naar Het Gezandtschap ....
aan het slot van WB X zijn kennelijk bedoeld als correctie achteraf, maar zij geven niet meer dan een kleine en willekeurige greep uit Vondels talloze ontleningen1. Bij mijn interpreterende analyse van de Zungchin zal ik daarom op de essentiële punten in een noot de corresponderende mededelingen van Martinius en Nieuhof opnemen; door vergelijking van de beide bronnen krijgt men dan tevens een indruk van de wijze waarop de laatste zijn voorganger heeft gevolgd.
Er blijven een aantal vragen over, waarop ik noch in De bello Tartarico noch in Het Gezandtschap .... het antwoord heb kunnen vinden. Hoe komt Vondel aan de naam Fungiang voor Zungchins oudste zoon, en aan die van Jasmyn en Pao voor de keizerin en de ‘erfprinces’? Het is denkbaar, dat een systematischer onderzoek van de genoemde werken toch nog de oplossing aan het licht zou brengen. Het is echter ook mogelijk, dat Vondels namen uit zijn secundaire bronnen stammen; waarschijnlijk kwamen zij daarin dan in ander verband voor, op dezelfde wijze als wij dat zagen voor de namen Changus en Xaianga bij Nieuhof. In ieder geval maakt de scrupuleuse werkwijze van de dichter het onwaarschijnlijk, dat hij de naam van een berg op de kroonprins zou hebben overgedragen, zoals Moller schijnt te veronderstellen (WB X, pag. 331).
Duyvendak heeft er op gewezen, dat Martinius - ter voorbereiding van de uitgave van zijn Atlas Sinensis bij Blaeu - in 1654 enige tijd in Amsterdam vertoefde. ‘En waar anders zal hij hebben gewoond, dan bij zijn ordebroeder, pater Augustinus van Teylingen, Vondel's ouden vriend, in zijn ruime woning,
achter de oude St Nicolaaskerk, op No 17 van de Oudezijds Voorburgwal?’ Duyvendak acht het daarom ‘geen ijdele veronderstelling, dat Vondel eveneens Martini moet hebben gekend’ en van hem ‘over de gebeurtenissen in China en de werkzaamheid van de missie aldaar’ heeft gehoord. In ieder geval verscheen De bello Tartarico reeds in 1654: ‘Vondels kennis daarvan en belangstelling daarvoor dateeren dus reeds van 1654’. Dat de dichter zijn drama eerst in 1667 schreef - ‘zoo hij er al niet veel eerder de hand aan gelegd heeft’ - moet enerzijds worden toegeschreven ‘aan het overlijden van den Keulenaar Adam Schall in 1666’, anderzijds ‘aan het feit dat er in 1665 een vervolging uitbrak tegen de missie die er aanvankelijk zeer ernstig uitzag’1.
Minderaa2 sluit zich in grote lijn bij deze voorstelling aan. Ook hij neemt als eerste stadium in de ontstaansgeschiedenis van Zungchin de gesprekken van Vondel met Martini aan, ten huize van pater van Teylingen. ‘Met de idee van het treurspel Zungchin in z'n hoofd ging hij toen Martini's Bellum Tartaricum lezen en later wat er verder aan bronnen uitkwam’: Nieuhof, Schall en misschien Kircher. Of hij ‘tussen 1654 en 1666 schema's opzette of reeds stukken uitwerkte’, valt niet meer na te gaan, maar ‘onwaarschijnlijk is dat zeker niet’. Indien dit inderdaad het geval was, heeft hij wellicht ‘in de laatste redactie aan Schall, bij wijze van eervol in memoriam, wat meer reliëf gegeven’3.
Op het eerste gezicht is het inderdaad een even aannemelijke als aantrekkelijke voorstelling van de gang van zaken, die de beide Leidse geleerden ons aanbieden. Bij nader inzien lijkt zij mij echter niet houdbaar. In de eerste plaats is Duyvendaks conclusie uit de verschijning van De bello Tartarico in 1654, dat
Vondel dit werk ‘dus’ reeds in dat jaar kende, in wezen een petitio principii. In de tweede plaats bestaat er geen enkele aanwijzing dat Vondel en Martini elkaar werkelijk hebben ontmoet. Maar zelfs al zou dit het geval zijn geweest en al zou Martini de dichter over de recente gebeurtenissen in China hebben verteld, dan nog zou de laatste in 1654 daarin niet dadelijk de stof voor een tragedie hebben gezien. Structuur en probleemstelling van zijn dramatiek waren toen nog geheel op de dualiteit van goed en kwaad gericht, met de hoofdpersoon als inzet in de strijd tussen deze beide machten. Eerst toen in 1660 het zwaartepunt voor Vondel verschoven was naar de uitbeelding van de peripeteia, kon een geschiedenis van ondergang als die van de ‘Sineesche Heerschappye’ hem als dramaturg gaan fascineren. Ik beschouw dit als een zó sterk argument, dat ik op grond daarvan elke hypothese van eerste opzetten en gedeeltelijke uitwerkingen tussen 1654 en 1660 afwijs. En in de eerste jaren na 1660 was Vondel zó produktief, dat een dergelijk voorwerk nauwelijks kan worden verondersteld. Het meest waarschijnlijk is, dat de dichter eerst omstreeks 1665 aan zijn Chinese tragedie is begonnen, d.w.z. juist in de tijd dat de verschijning van De bello Tartarico in Nederlandse vertaling en van Nieuhofs Het Gezandtschap .... de bewuste stof opnieuw en gemakkelijk toegankelijk hadden gemaakt. Ik meen dan ook, dat wij de verschijning van deze beide werken, resp. in 1664 en 1665, als de eigenlijke impuls moeten beschouwen, die op Vondel heeft gewerkt. Bij zijn belangstellende lectuur van deze nieuwe publikaties, die in brede kring de aandacht trokken, trof de catastrofe van de Ming-dynastie hem in het hart, omdat zij zo precies aansloot bij wat hem in deze jaren als tragedie-dichter obsedeerde1.
Als dit juist is, dienen wij ook de dood van pater Schall als aanleiding voor het ontstaan van de Zungchin definitief uit te
schakelen. Het moet trouwens zeer onwaarschijnlijk worden geacht, dat Vondel van die dood op de hoogte geweest zou zijn, voordat zijn drama geheel of althans bijna voltooid was. Schall stierf namelijk te Peking op 15 augustus 1666. Voordat het bericht daarvan Amsterdam bereikte, moeten er verscheidene maanden verlopen zijn; daarmee komen wij al gauw in het vroege voorjaar van 1667. Dat Vondel toen nog aan zijn drama beginnen moest, valt nauwelijks aan te nemen, nu behalve de Zungchin ook de later opgezette Noah nog in datzelfde jaar 1667 verscheen.
In de Opdracht1 van zijn drama aan zijn vriend Cornelis de Nobelaer, vader van twee priesters uit de Sociëteit van Jezus2, geeft Vondel duidelijk de twee grote aspecten aan, die hem bij het schrijven van zijn tragedie voor ogen hebben gestaan.
In de eerste plaats is dat de vergankelijkheid van al het aardse; ‘Eeuwigheit, geduurzaemheit, bestendigheit blijven de Godtheit eigen’ (reg. 12-13). Het is deze universele onbestendigheid - ‘deze veranderingen van staeten en doorluchtige personaedjen’ (reg. 16-17) - die aan treurspeldichters de stof voor hun werk verleent. Naarmate hun tragedies van ‘te grooter nadruk’ (reg. 18) zijn - d.w.z. een kwalitatief en kwantitatief imposanter staetveranderinge uitbeelden - winnen zij aan betekenis. Daarom moet de ondergang van keizer Zungchin als treurspelstof bij uitstek worden beschouwd. Immers, deze vorst ‘sleepte door zijnen val met zich dien bloedigen inbreuk3 van den grooten Cham, keizer der Tartaren, en gaf heldendichteren stof om eene Ilias hier mede te stoffeeren’ (reg. 24-26). Dat is de kwantitatieve kant van de nadruk. Maar ook de kwalitatieve ontbreekt niet, want de staetveranderinge van Zungchin was verschrikkelijker dan die van Priamus. Het lijk van de laatste werd slechts onthoofd, maar dat van Zungchin lag ‘op het velt voor d'oogen
van zijnen triomfeerende vyant, aen riemen en dunne snipperlingen gesneden’1 (reg. 33-35).
Het verdient opmerking, dat Vondel in deze passage de staetveranderinge als een universeel verschijnsel tekent. Sinds in 1660 de peripeteia voor hem het meest essentiële bestanddeel van een tragedie geworden was, had hij dit tot dusver juist nièt gedaan en ieder geval op zichzelf beschouwd2. Deze nieuwe instelling opent de mogelijkheid tot een meer exemplarische opzet van het drama van staetveranderinge, als emblema van de onbestendigheid. Wij zullen hebben na te gaan, of deze meer emblematische visie alleen in de Opdracht tot uiting komt dan wel ook in het eigenlijke drama haar invloed doet gelden.
Het aspect van de onbestendigheid is echter niet het enige dat de dichter getroffen heeft: ‘hier mede endight mijne rede noch niet: hier valt iet meer by te voegen’ (reg. 38-39). Dat meer is het aspect van de missie, voortzetting van pogingen om China te kerstenen die reeds tot de vroeg-Christelijke tijd teruggaan. Ook dit werk kent zijn op en neer. Zo is op een periode van bloei onder Zungchin en de eerste Mandsjoe3 nu weer een tijd van verdrukking gevolgd. Uit de geschiedenis van Zungchin blijkt, dat de beide aspecten met elkaar verband houden. Men kan er uit opmaken,
hoe d'eeuwen door de beurten der heerschappyen, gelukkige en rampzalige tijden, geduurigh ommewentelen, waer by de voortplanters der katholijke waerheit, onder het Heidensche afgodendom, vruchten winnen, of de hagelbuien der vervolgingen den bloesem van hunne hoope zien treffen, wanneer vroomen beproeft en geloutert, quaden gestraft worden .... (reg. 76-82)
Wat in deze beschouwing over de missie vooral opvalt, is dat zij eveneens onder het aspect van de onbestendigheid wordt geplaatst; ook ‘de katholijke kruisgezanten’ zijn onderworpen aan de universele wet van de staetveranderinge. Dat Vondel er een afzonderlijk punt van maakt, doet uitkomen hoezeer dit hem getroffen heeft. Zijn Opdracht wekt de indruk, dat hij in zijn drama heeft willen uitbeelden hoe bij de catastrofe in China niet alleen de heidense inwoners, maar zelfs de missionarissen - Gods dienaren toch! - betrokken waren. Wij hebben echter reeds te vaak gezien, dat Vondel in zijn opdrachten en berechten - ter aanvulling of correctie - gedachten ontwikkelde die in de betrokken drama's niet zijn terug te vinden, dan dat wij daarop mogen afgaan. Wij dienen eerst de tragedie zelf te bestuderen.
‘Het tooneel is te Peking, op het voorhof. Het treurspel begint na den ondergang, en endight met den opgang der zonne’1.
De situering van de handeling ‘op het voorhof’, vóór de hoofdingang van het keizerlijk paleis, maakte het de dichter mogelijk in Zungchin de absolute eenheid van plaats te handhaven en zich geheel te voegen naar het bewonderde voorbeeld van Euripides, die alle scènes van de Φοίνισσαι liet spelen ‘ante ipsam regiam’2. Vondel had dit reeds eerder gedaan, zowel in de Jeptha als later, maar het merkwaardige is dat ditmaal de impuls daartoe naar alle waarschijnlijkheid van Nieuhof is uitgegaan. Tussen pag. 172 en 173 (ed. 1693) is namelijk in Het Gezandtschap .... een dubbele plaat ingevoegd, voorstellende ‘'T Keysers Hof van binnen’. Men ziet daarop een groot voorplein, aan drie zijden ombouwd, met als centraal punt op de achtergrond ‘'t Palleys daar s'Keysers Throon in staat’, d.w.z. het paviljoen met de troonzaal. Het vermoeden ligt voor de hand, dat Vondel bij de plaatsbepaling voor de handeling van zijn drama uitgegaan is van deze afbeelding, die hem een ‘toneel’ bood dat zozeer aansloot bij de mogelijkheden van de Amster-
damse schouwburg en bij het voorbeeld van Euripides. Wel heeft hij dan de details - die trouwens op de plaat niet heel duidelijk zijn - enigszins aangepast aan de hem vertrouwde décortraditie, met ‘hofpoorte’, ‘marmre trappen’ (vs. 42) en een ‘galery’ (vs. 44). Een indirecte bevestiging voor dit vermoeden vinden wij in vs. 1464, waar kanselier Us bij de nadering van de overwinnaar Lykungzus opdracht geeft, ter verwelkoming van de nieuwe keizer, ‘op 't voorhof hier den gouden troon te planten’. Die opdracht wordt veel begrijpelijker, als wij uitgaan van de plaat bij Nieuhof, met het centrale paviljoen ‘daar s' Keysers Throon in staat’.
De tijdaanduiding stempelt de Zungchin tot nachtelijk drama. Ook dit is niet nieuw voor Vondel; ik herinner slechts aan (een groot deel van) Gysbreght van Aemstel, aan (het begin van) Peter en Pauwels, aan Salmoneus. Bovendien stemt deze tijdaanduiding geheel overeen met zijn bronnen. Maar Vondel zal stellig niet over het hoofd hebben gezien, dat de walmende fakkels op het toneel veel konden bijdragen tot versterking van de sfeer van dreiging en ondergang, die zijn drama beheerst. Het is tegen een achtergrond van duisternis en fakkelgloed, dat wij ons voortdurend het gebeuren hebben voor te stellen.
a. Het is kort na zonsondergang. Gevolgd door zijn stoet van missionarissen (de ‘Rey van Priesteren’) betreedt pater Adam Schal het voorplein van het keizerlijk paleis. In de nood van het ogenblik, nu zijn hoofdstad door de troepen van Lykungzus belegerd en bestormd wordt, heeft de keizer hen ontboden. Ook Schal zelf ziet trouwens de toekomst met zorg tegemoet. Als de keizer zich niet weet te handhaven, zal hij zijn vrienden en dienaars - waartoe ook de missionarissen behoren - in zijn val meeslepen. Voor zichzelf vrezen de paters de dood niet, ‘Maer stervenwe, zoo staet de kruisoogst in gevaer’ (vs. 21). Evenwel, Gods wil geschiede, of zoals de Rey het uitdrukt:
Wat spoet of rampspoet Godt zijn' knechten wil verleenen, Wy staen gelaeten: het besla tot 's hemels lof. (vs. 36-37) Intussen komt, steunende op zijn staf, de oude ‘Aertskanselier’ de trappen van het paleis afdalen om de missionarissen te woord te staan. Aan het hoofd van de zijnen - met een laatste vermaning: ‘Verzuimt niet drywerf hem al neigende te groeten’ (vs. 48) - gaat pater Schal hem tegemoet, en met Oosterse hoffelijkheid vindt de wederzijdse begroeting plaats1. Kanselier Us2 deelt mee, dat de keizer de missionarissen heeft laten ontbieden om in deze hachelijke omstandigheden voor hem te bidden, ‘want gy stemt godtvruchtigh overeen //. Met onze wijzen, die het keizerdom bestieren’ (vs. 54b-55). Schal verklaart zich daartoe gaarne bereid; het spijt hem slechts niet meer te kunnen doen. Vervolgens vraagt hij- uiteraard meer ten behoeve van Vondels lezers en toeschouwers dan van zichzelf - naar achtergrond en oorsprong van de opstand die zich zo gevaarlijk heeft ontwikkeld. Dat is een lange geschiedenis, antwoordt Us, maar - geheel aan de hand van Martinius en Nieuhof - geeft hij er toch de hoofdpunten van aan. Ongeveer driehonderd jaar heeft de ‘stam Taiminga’ (de Ming-dynastie) over China geregeerd. Eerst was er de voortdurende strijd tegen de Tartaren; nu is daar nog het gevaar van de roverbenden bij gekomen. Onder de voorganger van Zungchin3 heeft hun hoofdman Lykungzus zich als tegenkeizer opgeworpen en zijn macht neemt nog steeds toe. Een keizerlijk leger liep naar hem over, en nu belegert hij Peking. Op de achtergrond loert de
‘aertsvyant’, de vorst der Tartaren, om van deze innerlijke verdeeldheid in China gebruik te maken. De toestand is dus wel heel hachelijk, hoewel niet hopeloos. Zeker niet als God over Peking waakt, voegt Schal daaraan toe; in dat geval ‘Ontzie de stadt en 't hof noch tweedraght noch verraet’ (vs. 130). Daarvoor zal hij nu met zijn missionarissen gaan bidden. - Terwijl de kanselier door de hoofdingang van het paleis de troonzaal binnengaat, begeven Schal en de zijnen zich over het plein naar een zijpoort die naar de minder officiële gedeelten van het keizerlijk verblijf leidt, waar zich ergens een ‘Christensch outer’ bevindt (vgl. vs. 243).
b. Langzaam voortschrijdend heffen de missionarissen een reizang aan, deels gebed, deels meditatie. Zij beginnen met een aanroep tot God, om Zijn bescherming af te smeken over de keizer, die stamt uit een geslacht dat
De macht van de vijand doet er overigens niet toe, als God zich tegen hem keert. Dat is wel gebleken aan de vernietiging van het leger der Assyriërs door de Engel des Heren, toen zij tijdens koning Ezechias (Hizkia) Jeruzalem belegerden1. - Maar de Joden waren gelovigen en de Chinezen zijn heidenen; vandaar de overgang naar het nieuwe motief in Zang II. O, als het mogelijk was China te kerstenen! als de keizer zich wilde onderwerpen aan Christus, ‘Den grooten Constantijn gelijk’2 (vs. 176)! Dan zou alles anders worden:
Als het hof maar wilde optreden tegen ‘d' ongetoomtheit, die Godt terght // Door nimmer noembre gruwelsmetten’ (vs. 188b-189), dan zou zelfs in deze uiterste nood China nog wel worden gered! Nu echter geeft God de machthebbers aan hun lusten over en laat hen ‘ten doele van den roover’ (vs. 197b). Opnieuw voert de bezinning op het gevaar van het ogenblik de missionarissen tot een gebed, waarin zij ook zichzelf betrekken:
a. Vanaf het voorplein ziet de ‘Stedehouder’1 Kolaüs2 de keizer nerveus heen en weer lopen in de troonzaal, waar niemand hem durft komen storen. Die nervositeit is begrijpelijk, want de beslissende crisis is op handen: ‘het moet'er nu op staen. // Hier zal den ganschen nacht geen oogh geloken worden’ (vs. 226b-227). Even later treedt de keizer, gedreven door zijn onrust, naar buiten om bij Kolaüs te informeren naar de situatie in de stad en op de wallen, en te vragen of de missionarissen gekomen zijn. De laatsten zijn al bij het Christelijk altaar in het paleis aan het bidden, antwoordt de Stedehouder. En de bezetting van honderdduizend man is, dank zij haar kanonnen, meer dan opgewassen tegen de slechtbewapende rovers van
Lykungzus. De keizer is daar evenwel niet gerust op; uit de recente geschiedenis haalt hij een voorbeeld aan, dat kanonnen het hebben afgelegd tegen pijl en boog van de Tartaren. Het spijt hem dan ook, dat hij niet bijtijds naar Nanking is uitgeweken; het zijn slechte raadgevers geweest, die hem er toe hebben overgehaald in zijn hoofdstad te blijven. Kolaüs ontkent dit laatste ten stelligste:
Zijn optimisme kan de keizer echter niet overtuigen.
b. Dan nadert kanselier Us, ‘met eenen stoet van heeren’ (vs. 316b), die wij ons kennelijk als figuranten hebben te denken. In tegenstelling tot Kolaüs maakt hij zich ernstig bezorgd. Na het invallen van de duisternis is Lykungzus een nieuwe bestorming begonnen. Dat is zó in strijd met het krijgsgebruik, dat hij zich afvraagt ‘Of hier verraet me speelt, en, op 's verraeders wenken, // Dit, tegens oorloghsstijl, by eene heldre maen, // Wort aengegrepen’ (vs. 332-334a). - Vrijwel tegelijkertijd houdt ineens het krijgsrumoer op de achtergrond op; de kanonnen zwijgen, een vreemde stilte treedt in. Kolaüs maakt daaruit op, dat ook deze bestorming is mislukt; het was maar een ‘vlaeg’. Maar Us blijft bezorgd kijken: ‘Dees storm, by vlaegen, sterkt mijne achterdocht en vreezen’ (vs. 359). In een discussie vol sententies handhaven beiden hun standpunt tegenover elkaar. De keizer maakt daar een einde aan, door Kolaüs volmacht te verlenen alle maatregelen te treffen die hij nodig mocht achten, zonder hem eerst te raadplegen: ‘de noot lijt geen verdragh’2 (vs. 401b). De nog steeds voortdurende stilte
verontrust hem, al begint hij te hopen dat Kolaüs gelijk had:
c. Als Zungchin en zijn hoogwaardigheidsbekleders het paleis weer zijn binnengegaan, verschijnt de Rey van Priesteren op het voorplein. Wat zij daar komen doen, blijkt nergens. Wellicht moeten wij aannemen dat zij, na afloop van de gebedendienst bij het Christelijk altaar, op hun overste wachten alvorens naar hun woonverblijf terug te keren. In ieder geval is pater Schal, zoals valt af te leiden uit vs. 513-520, ditmaal niet bij hen. - Al wachtende geven de missionarissen in een reizang uiting aan de angstige zorg die hen vervult. Met de ‘lichten, Rykaert en Trigau’ (vs. 409) - de paters Mattheüs Ricci en Nicolaas Trigault - is de Jezuïeten-missie in China doorgedrongen. Daarna zijn zij door anderen gevolgd,
Dat was wèl nodig! Want de duivel bedriegt nog altijd even listig als in het Paradijs: ‘De paradijsslang schort het noch // Aen logentael, noch nabootzeeren // Van waerheit’ (vs. 431-433a). Uiterlijk laat hij de afgoderij van de Chinezen lijken op de dienst van de ware God:
Door het werk van de missie begon echter het Christendom ingang te vinden, en ‘Verloor het bygeloof zijn kracht’ (vs. 444). Maar hoe lang zal dit nog voortduren? Het zegenrijke zendingswerk van Franciscus Xaverius in Japan ging na zijn dood verloren in vervolging en martelaarschap: ‘Zoo kan de hofstijl ommekeeren’ (vs. 474). Ook in China zou iets dergelijks kunnen gebeuren, als Lykungzus aan de macht kwam. En wanneer de springvloed eenmaal opkomt, is er geen houden meer aan2. Daarom bidden de
missionarissen nogmaals om Gods bescherming voor Zungchin:
- De Rey onderbreekt zijn zang, als keizerin Jasmijn en de ‘erfprinces’ Pao, begeleid door hun vrouwen, de trappen van het paleis afdalen naar het plein. Bescheiden trekken de missionarissen zich ‘aen een zijde’ (vs. 510) in betrekkelijke duisternis terug, al blijven zij aandachtig ‘luisteren wat haeren geest bezwaert’ (vs. 511b).
a. De keizerin, verontrust door tal van onheilspellende voortekenen, wil pater Schal raadplegen over de vraag welke waarde zij daaraan moet hechten. Als zij het groepje missionarissen ziet staan, stuurt zij haar eerste staetjoffer, Vorstin Xaianga, naar hen toe om naar hun overste te vragen. ‘Zy haelen hem’ (vs. 519a), concludeert prinses Pao, als zij daarop een van de Jezuïeten door de zijpoort het paleis ziet binnengaan. Even later staat inderdaad Schal voor
de keizerin, en vertelt zij hem wat haar kwelt. Het nest van de ooievaar op het paleisdak werd door een gedrocht met vleermuisvleugelen uitgemoord; op zijn beurt is dit gedrocht toen weer door ‘een draek van 't noorden’ (vs. 547) verdreven1. Zowel de sterren als de ingewanden van de offerdieren voorspellen niets dan onheil. Heel de natuur schijnt een ramp te voorvoelen:
Een boze droom is haar in haar slaap komen kwellen. Hoe staan Christenen tegenover dergelijke voortekens en welke waarde hechten zij er aan? - Geen enkele, antwoordt Schal. Het is alles slechts leugen en bedrog, zoals trouwens ook Confucius al wist. Het Christendom ‘vloekt’ dan ook ieder ‘die troost en raet by vogelwichlaers zoekt, // Waerzeggers en gespook van geesten, streng veroordeelt’ (vs. 596b-597). Als bewijs daarvoor haalt hij de geschiedenis van Saul en de waarzegster van Endor aan2, en vermanend houdt hij de keizerin voor: ‘Vrees Godt alleen, die weet wat spoet of ramp betekent’3 (vs. 610). - Aan het gesprek wordt een einde gemaakt, doordat Zungchin en zijn oudste zoon, de erfprins Fungiang4, de paleistrappen afdalen
naar het plein. Haastig trekt Jasmijn pater Schal terzijde. Half verborgen in de duisternis achter een pilaar kijken en luisteren zij - vs. 614: ‘Wy kunnen hun gesprek aen dezen pyler hooren’ -, terwijl aan de andere kant van het toneel de Rey van Priesteren hetzelfde doet.
b. Keizer en prins zijn opgewonden en ontsteld door een anoniem briefje, dat Zungchin gevonden heeft en dat waarschuwt voor verraad door de paleis-eunuchen. Maar zij zijn het oneens over wat er op grond daarvan al dan niet gedaan moet worden. Fungiang wil onmiddellijk àlle ambtsdragers bijeenroepen om na te gaan wie van hen door zenuwachtigheid blijk geven van hun schuld: ‘wie beteutert staet of niet, // Wie stamelt in de spraek, wie zijne verf verschiet’ (vs. 627b-628). De keizer meent echter, dat de verraders daardoor toch niet ontdekt zouden worden en dat er alleen maar een verwarring zou ontstaan, die in de nood van het ogenblik niet kan worden geriskeerd. Verder wantrouwt Fungiang vooral de stedehouder Kolaüs. Zungchin daarentegen is van diens onwrikbare trouw zó overtuigd, dat hij zijn zoon verbiedt ‘Te schenden zulk een' helt, die noit ons reden gaf // Te twijflen aen zijn trou’ (vs. 696-697a). Fungiang geeft zich echter niet gewonnen; als zijn vader hem niet gelooft, laat hij dan de zaak met kanselier Us bespreken, die daar juist aankomt. Zelf zal hij intussen op de trans van de paleistoren gaan luisteren of er iets te horen valt, dat hem een indruk geeft van de gevechts-situatie1.
c. De keizer reikt zijn kanselier het naamloze waarschuwingsbriefje ter lezing toe. Us, die de prins het paleis heeft zien binnengaan, vraagt hoe deze daarop heeft gereageerd. Als Zungchin hem dit meedeelt, blijkt dat Us
wel voor Fungiangs idee van een psychologische test voelt, maar evenmin als de keizer aan ontrouw van Kolaüs gelooft. Intussen is verscherpte waakzaamheid natuurlijk wel geboden. Maar hij heeft er zich zo juist nog van vergewist dat alles in orde is; er dreigt geen onmiddellijk gevaar: ‘Uw majesteit magh vry op mijne toezicht rusten’ (vs. 765). Rusten? vraagt Zungchin verontwaardigd. Slapen, terwijl de rovers zijn schatkist bedreigen? De gedachte, dat zijn goud hun in handen zou vallen, is hem onverdraaglijk! Een voorzichtige suggestie van Us, of het niet raadzaam zou zijn van dat goud gebruik te maken om Lykungzus tot een verdrag te bewegen, wijst hij onvoorwaardelijk van de hand:
d. Terugkerend uit het paleis, voegt prins Fungiang zich bij zijn vader en de kanselier. Vanaf de toren viel niets te horen dan een doodse stilte. Maar juist die onnatuurlijke stilte verontrust hem: ‘is 't geen teken dat de haet // Behendigh toeleght op een gruwelijk verraet?’ (vs. 815b-816). Bijna smekend vraagt hij zijn vader:
Zungchin voelt weinig voor dit plan; er is immers niets acuuts dat een zó gevaarlijke onderneming zou kunnen rechtvaardigen. Us is nog veel positiever in zijn afwijzing: de kroonprins mag in géén geval zijn leven op het spel zetten. Maar Fungiang houdt vol. Een nerveuse activiteit jaagt hem voort; hij voèlt de catastrofe dreigen en is er van overtuigd dat zijn speurtocht hem iets zal doen ontdekken. Maar als hij niet onmiddellijk gaat, zal het te laat zijn: ‘Heer vader, geef verlof: men magh niet langer beiden’ (vs. 881). Aarzelend geeft de keizer eindelijk toe, eerst op voorwaarde dat zijn zoon een sterk geleide meeneemt, maar tenslotte zoals Fungiang het bedoelt. De prins mag alleen gaan, als verspieder: ‘Trek heen, en keer terstont: wy geven u verlof’ (vs. 900). - Haastig gaat Fungiang het paleis binnen om zich gereed te maken; langzamer en bezorgd volgen de keizer en zijn kanselier. In verband met het begin van het vierde bedrijf, waar de keizerin opnieuw naar pater Schal zoekt, zullen wij moeten aannemen dat Jasmijn eveneens door de hoofdingang naar binnen gaat, terwijl Schal door de zijpoort terugkeert naar de bezigheden die hij had onderbroken toen hij geroepen werd.
e. Alleen op het plein achtergebleven, treden de missionarissen uit hun donkere hoek naar voren. Vol van alles wat zij gehoord hebben, bezinnen zij zich in hun reizang op de dreiging die over China hangt. China, dat voorbestemd scheen voor alle geluk! Niet alleen maakt het deel uit van Azië, waar God de grond van het Paradijs betrad en Christus leefde, maar het is van dat gezegende werelddeel het schoonste en rijkste land:
Vrijwel aan alle kanten wordt het door natuurlijke grenzen
beschermd, en waar in het Noorden de natuur tekort schoot, nam de Chinese muur haar taak over. Maar wat baten al deze zegeningen, ‘nu d'inheemsche wrokken // 's Rijx vruchtbren bodem overtrokken, // En roofzucht haeren moedtwil drijft’ (vs. 944b-946)? Burgeroorlog bracht ellende, zwakte, verval. Tenzij God zelf ingrijpt, is de toestand hopeloos. En daarom wendt de Rey zich opnieuw tot Hem met een gebed om uitredding. Niet alleen ter wille van Zungchin, maar ook van het werk der missie dat onder hem tot bloei heeft kunnen komen:
a. Het is enige tijd later, betrekkelijk kort vóór het aanbreken van de dageraad. Gevolgd door haar dochter, verschijnt keizerin Jasmijn schreiend en handenwringend op het plein. In haar dodelijke angst om Fungiang, die maar niet van zijn verkenningstocht in de stad terugkeert, zoekt zij opnieuw hulp en troost bij pater Schal. Deze keert juist naar zijn missionarissen terug en kan zich dus dadelijk tot haar beschikking stellen. De angst van de keizerin om haar zoon wordt nog versterkt door een droom, die zij onlangs gehad heeft en waarin zij hem met een pijl in het hart op een baar zag thuis brengen. Opnieuw houdt Schal haar voor, dat zij aan dergelijke voortekens geen waarde moet hechten:
Intussen zal hij voor de veilige thuiskomst van de prins gaan bidden. - Enigszins gerustgesteld gaat de keizerin met haar dochter het paleis weer binnen. Het gebed van Schal blijkt echter niet meer nodig. Op het plein is er plotseling geroep en gedruis. Met driftige stappen nadert Fungiang, gevolgd door opgewonden eunuchen en wachters. Verschrikt komt de keizer de trappen van het paleis afdalen; van alle kanten stromen angstige nieuwsgierigen toe. In de algemene verwarring trekt pater Schal zich achter een pilaar terug, om ongemerkt te horen welk nieuws de prins brengt.
b. Dat blijkt het slechtst mogelijke nieuws te zijn! Als vader en zoon tegenover elkaar staan, kan de laatste alleen maar melden: ‘Wy zijn verraên, verkocht het is hier omgekomen’ (vs. 1059). Niet alleen heeft Lykungzus geleidelijk een aantal soldaten de stad weten binnen te smokkelen die zich daar als kroegbazen of kleine neringdoenden hebben gevestigd om onrust te stoken en op het beslissende moment partij voor hem te kiezen, maar bovendien heeft de krijgsraad verraad gepleegd! De gevechten van deze nacht waren slechts spiegelgevechten, de kanonnen zijn met los kruit geladen1! - De keizer kan dit alles nauwelijks geloven, maar Fungiang is volkomen zeker van zijn zaak; hij heeft de aanhangers van Lykungzus aan het werk gezien, ‘die behendigh oproer stichten’ (vs. 1124b). Laat zijn vader snel zijn maatregelen treffen; er valt geen ogenblik meer te verliezen. Zelf gaat hij het paleis binnen, om de keizerin gerust te stellen: ‘Ik ga vrou moeder met mijn weêrkomst binnen troosten’ (vs. 1136).
c. Met zijn kanselier en zijn stedehouder - die blijkbaar met hem op het plein gekomen zijn en dus het verslag van Fungiang ook hebben gehoord - overlegt de keizer wat er in deze wanhopige situatie moet worden gedaan. Zelf voelt hij er het meest voor, met zijn gezin de stad te verlaten en uit te wijken naar Nanking. Maar zowel Us als Kolaüs verzetten zich hardnekkig tegen dit plan. Als de keizer vertrok, zou dadelijk alles verloren zijn; niemand zou meer moed hebben om door te vechten! ‘De krijghskans, trecktge heen, zal daetlijk ommeslaen’ (vs. 1174), verzekert Us, en Kolaüs voegt daaraan toe: ‘Gy kunt niet wijken dan met algemeen bederf’ (vs. 1186). Hun aandrang is voor Zungchin te sterk. Na een lange discussie ziet hij van zijn - inderdaad verstandige - voornemen af en besluit in Peking te blijven. Maar dan moet er ook krachtig worden opgetreden. Zelf zal hij zich aan het hoofd van de zijnen stellen om de vijand tegemoet te gaan! In een mengeling van wanhoop en moed keert hij zich tot de omstanders, die angstig en werkeloos toezien:
d. Zijn alarmroep heeft een overwacht gevolg. Uit het paleis komt Jasmijn de trappen afsnellen, gevolgd door Pao, Fungiang en haar twee jongere zonen, en werpt zich voor de voeten van de keizer neer:
Ongeduldig wendt Zungchin zich van haar af. Het is nu geen tijd om te jammeren en te klagen: ‘de noot eischt spoet, en kracht. // Waer blijven lijfstaffiers, hofschutten, binnewacht?’ (vs. 1221b-1222). Als Jasmijn de zoom van zijn gele keizersgewaad vastgrijpt en hem bezweert de zijnen niet te verlaten, maakt hij zich met een ruk vrij: ‘laet los: wy moeten voort’ (vs. 1237b). Er is geen andere uitweg meer dan overwinnen of sterven! - Machteloos tegenover zoveel vertwijfelde vastbeslotenheid, geeft Jasmijn haar pogingen op. Maar nu zij haar man niet kan weerhouden, wil zij tenminste trachten haar zoons te redden. Daarom smeekt zij de keizer haar toe te staan nog een laatste verzoek tot hem te richten; ‘Dan ruk vry heene, dat de hemel u geley’ (vs. 1245). Onwillig stemt Zungchin toe; kortaf beveelt hij zijn hovelingen en raadslieden hem met de zijnen alleen te laten. En dan doet Jasmijn haar verzoek: de keizer moet zijn zoons bevelen zich in veiligheid te stellen en zo de dynastie te redden; wat haar en Pao betreft, die dan alleen achterblijven: ‘Dat ga zoo 't wil, zoo 't kan, 't gedy tot schande of lof’ (vs. 1261). Na enige aarzeling voldoet Zungchin aan deze wens. Hij geeft zijn zoons opdracht ‘ter stroompoorte uit met eene gondel’ (vs. 1271) de stad te verlaten en zich in de kluizenarij van vader Changus schuil te houden tot zij kans zien naar Nanking te ontkomen. Knielend vragen en krijgen de drie broers de laatste zegen van hun vader; droevig kussen zij hun moeder en zuster vaarwel. Maar Zungchin maant tot spoed: ‘voort voort, de nootweer prest’ (vs. 1282b). Zelf gaat hij met hen mee ‘tot aen den hofstroom’ (vs. 1283), om er zich van te overtuigen dat zij veilig wegkomen. - Schreiend ziet Jasmijn hen na: ‘Och bitter scheiden! och wy zien ze nu niet meer, // Of hachelijk1. wat neemt het weereltsdom een' keer!’ (vs. 1285-1286). Als opnieuw ‘stadtgerucht’ (vs. 1294) opklinkt en naderbij komt, vluchten Pao en zij met hun verdriet in het paleis.
Het merkwaardige van deze scène is, dat zij volkomen parallel loopt met V-d uit Gysbreght van Aemstel, waar Gijsbrecht zich in een analoge situatie eveneens in een laatste hopeloze strijd wil storten en Badeloch hem smeekt haar en haar kinderen niet te verlaten1. Eigenlijk mogen wij zelfs spreken van een herhaling met andere namen: Gijsbrecht heet hier Zungchin, Badeloch Jasmijn, Adelgund Pao, en Veenerick Fungiang. Telkens weer treffen ons vrijwel letterlijke reminiscenties aan de dialoog uit de Gysbreght, en eenmaal keert zelfs een gehele regel vrijwel onveranderd terug. In Gysbreght vs. 1795 roept de titelheld ongeduldig uit: ‘Men recht met jammeren noch jancken hier niet uit’; in Zungchin vs. 1226 herhaalt de keizer deze uitroep: ‘Men recht met jammeren en kermen hier niet uit’. Zoals Badeloch haar man bezweert: ‘Bestelme slechs een zwaerd, ick ben bereid te vechten, // Te sterven aen de zy van mijnen vromen man’ (Gysbr. vs. 1722-1723), zo smeekt Jasmijn de keizer: ‘Zoo neem ons t'zamen mede, en gunme aen uwe zy // Te sterven’ (vs. 1233-1234a). Evenals bij Badeloch gaat ook bij Jasmijn het uiteindelijk berusten gepaard met een laatste verzoek: de eerste vraagt om een gezamenlijk gebed, de tweede om een reddingskans voor haar zonen. Het ontvluchtingplan, dat de keizer voor deze laatsten opstelt, herinnert sterk aan dat van Gijsbrecht: de ‘hofstroom’ treedt in de plaats van het IJ, de kluizenarij van vader Changus in die van het klooster Mariëngaard. - Ook in de volgende scène zet de parallellie zich nog voort. Zoals in de Gysbreght na het gebed van Broer Peter de verschijning van Rafaël er Gijsbrecht toe noopt van een uitval af te zien, zo blijkt hier, na de opdracht van Zungchin aan zijn zoons, gewapend verzet niet meer mogelijk.
e. Zoals daarstraks Fungiang, zo is ditmaal Kolaüs het middelpunt van het opgewonden rumoer dat het paleis nadert. Wanhopig betuigt hij tegenover kanselier Us, dat zij beiden ongelijk hebben gehad en dat zij de keizer hadden moeten aanraden te vluchten toen dit mogelijk was. Op het ongeduldig aandringen van Us, die nog van niets weet, vertelt hij wat er gebeurd is. De vijand is de stad binnengedrongen en ‘bruischt, als stroomen, // Ter stede in naer het hof’ (vs. 1300b-1301a). De verraderlijke krijgsraad heeft de poort voor hem geopend: ‘wy zijn gelevert en verraên’ (vs. 1305b). - Onbewust van deze nieuwe ramp keert Zungchin naar zijn paleis terug; tevreden deelt hij zijn twee voornaamste raadslieden mee: ‘Onze afkomste is geberght, behouden buiten zorgen’ (vs. 1307). Maar Kolaüs luistert daar nauwelijks naar; ‘och waertge zelf geborgen’ (vs. 1308b), roept hij vertwijfeld uit. Lykungzus is niet alleen in de stad, maar heeft zich zelfs al meester gemaakt van ‘den dubblen muur // Van 't hof’1 (vs. 1310b-1311a). Vluchten is niet meer mogelijk, elke uitweg is afgesloten! - Verloren en verraden als hij zich weet, laat de keizer zich één ogenblik meeslepen door zijn verontwaardiging. Met snijdende minachting richt hij zich tot de ambtsdragers en dienaren, die verschrikt om hem heen staan en van wie het merendeel hem stellig ontrouw is geweest: ‘Meineedigen, is dat voor 's keizers recht gestreên?’ (vs. 1318). Niet Lykungzus is in de eerste plaats verantwoordelijk, ‘maer gy zijt schuldigh, zijt hantdaedigh // Aen dit verwaeten stuk’ (vs. 1323b-1324a)! Dan herstelt hij zich echter, en rustig aanvaardt hij de consequenties van zijn nederlaag. Hij vraagt Kolaüs als laatste bewijs van trouw hem te doden; wanneer deze weigert, wendt hij zich tot allen die hem zo slecht gediend hebben:
Maar niemand treedt naar voren; de kring om de keizer staat ademloos en verstard. Tenslotte keert Zungchin zich om en gaat de trappen van het paleis op. Zij willen niet: ‘welaen, // Men moet zich redden. 'k zal een poos naer binnen gaen’ (vs. 1337b-1338). - Alsof dit een signaal was, barst op datzelfde ogenblik een storm van geluid los: de noodklok begint te kleppen, de torenwachters blazen alarm, kanonnen bulderen. De keizerlijke dienaren zoeken naar alle kanten een goed heenkomen. Kolaüs haast zich naar binnen om te trachten te redden wat nog te redden valt. Us wil hem volgen, maar ziet daarvan af, wanneer hij ‘keizerin en dochter, root beschreit’ (vs. 1354) naar buiten ziet komen. Hij treedt op de twee ongelukkige vorstinnen toe, om te trachten hun iets troostends te zeggen.
f. Voordat hij daartoe de gelegenheid heeft gehad, verschijnt echter ook de keizer. Deze heeft zijn besluit genomen en weet nu, hoe hij ‘zich redden’ moet. Rustig en zakelijk kwijt hij zich van zijn laatste plichten. Allereerst geeft hij aan Us een brief, ‘geschreven met ons eigen bloet en hant’ (vs. 1362b), en laat hem zweren die aan de overwinnaar Lykungzus ter hand te zullen stellen1. Daarna wendt hij zich tot zijn dochter. De dood kan zij niet ontgaan, maar zij kan kiezen of zij wil sterven door de hand van haar vader dan wel door die van de vijand, nadat deze haar eerst onteerd en gemarteld heeft. Pao kiest zonder aarzeling het eerste:
Vastberaden gaat zij met de keizer het paleis in, op weg naar haar kamer waar hij haar de dolk in het hart zal stoten. Jasmijn voegt zich bij hen; achter haar volgt de stoet van schreiende staetjofferen. - Aan de voet van de trappen ziet Us diep-ontroerd de prinses na, klagend over haar droevig lot. Van minuut tot minuut leeft hij in gedachten mee met wat zich in het paleis afspeelt. Hij zièt Pao met de dolk in het hart neervallen: ‘och zy stort. daer leght, daer leghtze neder’ (vs. 1399b)! En zonder aarzeling interpreteert hij het misbaar, dat daarna van binnen naar buiten doordringt. Nu maakt de keizer een einde aan zijn eigen leven! Wéér herkent hij instinctief het fatale moment; hij hòòrt de stamboom van de Ming-dynastie neerstorten: ‘Hoor toe. hy ploft. hij stort. ô wee, ô wee, ô wach!’ (vs. 1410). En dan wordt het verdriet hem te machtig; hij dreigt flauw te vallen: ‘Gy dienaers, stutme. ik ga: ik zwijm: mijn hart wort flaeu’ (vs. 1414). Ondersteund door toegeschoten helpers, gaat hij moeizaam de trappen van het paleis op: een gebroken man.
g. Op het plein blijven alleen de missionarissen over, bij wie inmiddels ook pater Schal zich weer heeft gevoegd. Wij moeten aannemen, dat uit het paleis gekomen dienaren hen op de hoogte hebben gesteld - misschien voor de toeschouwers zichtbaar - van wat daarbinnen is gebeurd. Immers, zij blijken niet alleen te weten dat de keizer en de keizerin dood zijn, maar ook reeds op welke wijze beiden zich van het leven hebben beroofd. Op dit alles reageren zij in de eerste strofe van hun reizang. Maar dan gaan zij zich afvragen, welke gevolgen de dood van Zungchin zal hebben voor het werk van de missie:
Gelukkig houdt Uzangueius, de zoon van kanselier Us, nog altijd bij de Chinese muur de Tartaren tegen:
Ondanks al hun bezorgdheid verliezen echter de missionarissen hun innerlijke rust niet. Tegenover de teugelloze wanhoopsuitbarsting van Us staat hun gelovige onderwerping aan de wil van God:
a. Een nieuwe opschudding weerhoudt er de Rey van, het plein te verlaten voor het voorgenomen gebed. De overwinnaar Lykungzus is in aantocht! Gevolgd door een drom van hovelingen haast Us zich de trappen van het paleis af. Gejaagd geeft hij de dienaren opdracht de keizerlijke troon uit de troonzaal op het plein te brengen, de nieuwe machthebber tegemoet. Nauwelijks is dit gebeurd, of daar
nadert Lykungzus reeds, omstuwd door zijn vertrouwelingen en officieren. Op het voorbeeld van Us werpen alle hovelingen zich ‘aen 't outer van (diens) voeten’ (vs. 1471) in het stof neer. Welwillend geeft de nieuwe keizer de kanselier - en met hem ook de anderen? - verlof weer op te staan. Vervolgens wil hij vóór alles weten, ‘Hoe deze treurrol van Zungchin is afgeloopen’ (vs. 1475). Ten antwoord laat Us ‘de poort van hof en boomgaert’ (vs. 1476) open zetten, waardoor de lichamen van Zungchin en Jasmijn zichtbaar worden, heen en weer wiegend aan de takken van de pruimeboom waaraan zij zich verhangen hebben1: ‘Zy drijven beide stil op hunne koussebanden’ (vs. 1479). In aansluiting daarop vertelt vorstin Xaianga, die als staetjoffer de laatste ogenblikken van Pao en Jasmijn heeft meegemaakt, hoe het keizerlijk gezin de dood is ingegaan. Vooral het sterven van de prinses heeft haar diep aangegrepen. Uitvoerig beschrijft zij, hoe deze rustig haar borst ontblootte voor de dolk van haar vader; hoe Zungchin er maar niet toe kon komen haar te doden en ‘smijt den ponjaert neder, // En stampte langs den vloer wel drywerf heene en weder’ (vs. 1511b-1512); hoe hij tenslotte met afgewend gelaat toestootte, en het bloed ‘aen 't springen stroomen spatten, // Besprengt het keizerlijk het vaderlijk gewaet’2 (vs. 1516b-1517). Direct daarna hebben de keizer en de keizerin ook zelf de dood gezocht. - Getroffen heeft Lykungzus geluisterd. Maar het leven gaat voort: de kanselier nodigt hem uit, plaats te nemen op de wachtende troon. Als Lykungzus zich daarop neerzet, wordt hij aangegrepen door een duizeling:
Us doet of hij van dit pijnlijke moment niets heeft gemerkt. Hij zet een heilroep op de nieuwe keizer in, en reikt hem vervolgens de laatste, met bloed geschreven brief van Zungchin over. Lykungzus laat zich die door de kanselier voorlezen, maar reageert met geen woord op het verzoek van zijn voorganger de verraders en nalatigen onder de hovelingen te straffen. In plaats daarvan vraagt hij naar Kolaüs. Ook deze heeft zelfmoord gepleegd, antwoordt Us:
Nu Kolaüs weggevallen is, richt Lykungzus zijn aandacht op een andere militaire bevelhebber: de zoon van Us, Uzangueius, die commandant is van het leger dat de Chinese muur tegen de Tartaren beschermt. Hij geeft de kanselier opdracht zijn zoon te schrijven om deze naar Peking te ontbieden:
Tenslotte treden ook de missionarissen naar voren, om te vragen of de nieuwe keizer hen toestaat in Peking te blijven dan wel hun zijn land ontzegt. Welwillend antwoordt deze, dat zij met hun werk kunnen voortgaan: ‘Lykungzus blijft uw vrient’ (vs. 1569b). Dan staat hij van de troon op en gaat het paleis binnen. Achter hem volgt Us, met heel de stoet van hovelingen en dienaren. Alleen de Rey van Priester en blijft op het plein achter.
b. Dankbaar voor de toestemming tot blijven, loven de missionarissen God en smeken Hem, ‘Dat hy een teken van genade ons openbaer'’ (vs. 1573). In antwoord daarop verschijnt ‘een heldre wolk’ (vs. 1574), omgeven door een zingende en dansende engelenschaar. Eerbiedig neerknielend ‘om zulk een' groete, uit 's hemels schoot ontfangen’ (vs. 1576), zien zij uit de wolk de geest van hun grote ordegenoot Franciscus Xaverius tevoorschijn treden, die hen komt bemoedigen en voorbereiden op de toekomst. Lykungzus zal spoedig op zijn beurt ten val komen, als Uzangueius de Tartaren te hulp roept en dezen als een waterval China overspoelen. Peking zal nieuwe rampen zien:
De Tartaarse heerster zal aanvankelijk de vrijheid van de missie ‘niet besnoeien maer vermeeren’2 (vs. 1600b). Maar na een troonswisseling zal hetzelfde gebeuren als indertijd in Japan en een heftige Christen-vervolging worden ingezet. De missionarissen hebben dat gelovig te aanvaarden: ‘Wie kan Godts oordeel en voorzienigheit grondeeren!’ (vs. 1608). - Dan treedt Xaverius weer in de wolk, die met de schaar van engelen opstijgt en uit het gezicht verdwijnt. Nog altijd knielend, zien de Jezuïeten hem na. In vol vertrouwen op God zijn zij bereid alles te aanvaarden wat Hij over hen en hun werk beschikt:
Tenslotte zal toch het licht de overwinning behalen op de duisternis. Als symbool daarvan begroeten zij blij de eerste zonnestralen, die de hemel licht maken en aan het plein zijn somberheid ontnemen: ‘Het licht komt, na den nacht, veel schooner voor den dagh’3 (vs. 1614).
Als wij na de analyse van het drama de Opdracht nogmaals doorlezen1, dan moeten wij vaststellen dat Vondel daarin ditmaal precies heeft aangegeven, waar het in zijn tragedie om gaat. Primair is het motief van de staetveranderinge, secundair - ‘hier valt iet meer by te voegen’, formuleert de dichter - dat van de missie. Ondanks alle aandacht, die zowel in de Opdracht als in het stuk zelf aan het tweede motief wordt besteed, blijkt dit toch steeds ondergeschikt aan het eerste; het is er niet ter wille van zichzelf, maar om de houding van de missionarissen tegenover de staetveranderinge te doen uitkomen.
De structuur van Zungchin wordt dan ook miskend, wanneer men de rangorde der motieven omkeert en het drama karakteriseert als ‘missie-tooneelspel’, zoals Sterck heeft gedaan2. Nergens treden de missionarissen op de voorgrond, nergens beinvloeden zij rechtstreeks of indirect het verloop van de gebeurtenissen. Pater Schal komt geen enkele maal met de keizer in aanraking en wordt niet betrokken bij het overleg van diens raadgevers3. De functionele betekenis die zijn orde-broeders en hij voor het drama hebben - ik kom daar nog op terug -, staat geheel los van de fabula en daarmee van de eigenlijke ‘handeling’.
Evenmin laat de structuur toe, dat men de beide motieven als gelijkwaardig naast elkaar stelt. Zo doet Minderaa, die als een der redenen voor de zwakte van het stuk ‘zijn hinken op twee gedachten’ noemt: enerzijds de uitbeelding van het Chinese treurspel, anderzijds de verheerlijking van de missie4. Maar nogmaals, het gaat hier niet om de missie als zodanig. Het is Vondel te doen om het verschil in de houding van Christenen en van heidenen tegenover de staetveranderinge waarbij zij betrokken zijn. Dat hij overeenkomstig de historische feiten die Christenen had weer te geven als Jezuïeten - hun missionarissen
waren in het Peking van 1644 nu eenmaal de vertegenwoordigers van het Christendom - zal hem stellig hebben verheugd, maar is niet essentieel voor de opzet van zijn drama.
Die opzet werd door twee factoren bepaald. Enerzijds bracht de aanwezigheid van Jezuïeten in een heidense omgeving vanzelf de dualiteit van geloof en ongeloof mee; gezien zijn aard en werkwijze lag het voor de hand, dat Vondel daarvan gebruik zou maken om het principiële verschil tussen Christendom en heidendom te doen uitkomen. Anderzijds wordt hier voor het eerst de staetveranderinge geduid als symptoom van een universeel verschijnsel: de onbestendigheid van al het aardse. Dat deze gedachte behalve de Opdracht ook het drama-zelf beheerst, blijkt uit de uitlating van Us in I-a, waar hij in zijn expositie van de situatie heel de voorafgaande geschiedenis van de Mingdynastie onder dit aspect stelt en daarmee onbedoeld ook de komende gebeurtenissen tegen deze achtergrond plaatst1. Door dit universele karakter van het gebeuren, waaraan geloof en ongeloof worden getoetst, wint het dualiteitsmotief sterk aan betekenis. Het is daarom verleidelijk te veronderstellen, dat dit laatste primair is geweest en Vondel van daaruit tot zijn nieuwe visie op de staetveranderinge gekomen is. Maar de Samson herinnert er ons aan, dat een dergelijke samenhang niet noodzakelijk is; daar doet zich immers de tegenstelling tussen geloof en heidendom eveneens gelden2, zonder evenwel een universele interpretatie van de peripeteia tot gevolg te hebben.
Van meer belang dan de prioriteit is trouwens het effect van de genoemde factoren. De duiding van de staetveranderinge in universele zin leidt op zichzelf - afgezien dus van het feit, dat
het dualiteitsmotief er door wordt versterkt - niet tot enige verandering in de aard van het drama. Evenals in de voorafgaande tragedies sedert 1660 is de opzet ten aanzien van het eigenlijke gebeuren contrasterend-uitbeeldend1. Het enige ‘ongewone’ is, dat Vondel ditmaal het effect van de peripeteia niet heeft versterkt door de situatie vóór en ná de catastrofe als een bijna volstrekte antithese voor te stellen. Reeds aan het begin van het spel verkeert Zungchin in een hachelijke positie en is hij zich daarvan bewust; van een toestand van ‘geluk’ is geen sprake. Wij hebben bij de vroegere drama's van staetveranderinge iets dergelijks ook opgemerkt in Batavische gebroeders, en toen bleek deze afwijking van het gebruikelijke schema verklaard te kunnen worden uit de eisen die werden gesteld door het tweede motief in dit stuk2. Wij zullen dan ook hebben na te gaan, of dit hier opnieuw het geval is.
Daarentegen blijkt het dualiteitsmotief de aard van het drama wèl te hebben beïnvloed. Want met dit motief keert daarin de exemplarisch-emblematische strekking terug, die zo kenmerkend was voor Vondels dualiteitsdrama's tussen 1640 en 1659. En evenals toen - zij het op beperkter schaal, omdat het hier om een secundair motief gaat - is de structuur er op gericht, deze strekking duidelijk te doen uitkomen. Terwijl Vondel in de Samson, toen hij de uitbeelding van een centrale peripeteia nog niet volledig beheerste, naast de staetveranderinge geen universeel neven-motief wilde toelaten en daarom angstvallig alles vermeed wat aan de tegenstelling tussen geloof en ongeloof nadruk en perspectief zou hebben verleend3, wordt in de Zungchin het exemplarisch-emblematisch aspect van de dualiteit ten volle aanvaard. Bijna onafgebroken worden de toeschouwers geconfronteerd met het ‘voorbeelt’ waarin zij tot uitdrukking komt: het verschil in houding van Jezuïeten en Chinezen. Behalve in het tweede bedrijf zijn de missionarissen voortdurend op het toneel. Ook wanneer zij zwijgend toezien en luisteren,
getuigt hun houding van een innerlijke rust, die bij de andere partij juist ten enenmale ontbreekt. In hun reizangen en (schaarse) andere uitlatingen komt tot uiting, dat deze rust is gefundeerd in hun overgave aan en hun vertrouwen op God. Zij tonen zich wel bezorgd over de toekomst van hun zendingswerk en bidden ter wille daarvan om redding voor Zungchin, maar steeds met de bereidheid ook ditmaal te aanvaarden wat bij de ondergang der missie in Japan gebleken was: ‘Doch anders lagh het in Godts raet’ (vs. 469). Daarom kunnen zij in de maalstroom van de staetveranderinge, die zij mee-beleven, innerlijk onberoerd blijven. Bij hun opkomst in het eerste bedrijf getuigen zij:
En als zij in het vijfde bedrijf het drama afsluiten, doen zij dit met eenzelfde getuigenis:
De reizangen zijn echter meer dan enkel bekommerd gebed; zij bevatten ook een bezinning op de ramp die bezig is China te treffen. De missionarissen zien daarin een straf van God voor de gruwelen van het heidendom, waarachter rechtstreeks de duivel staat. De catastrofe, die zij beleven, heeft in laatste instantie een metafysische achtergrond. Het gaat om God of de duivel, en China heeft niet voor God willen kiezen: ‘Nu geeft hyze aen hun lusten over // En lasterstukken, zonder maet’ (vs. 195-196). Ook daardoor krijgt het gebeuren in Peking exemplarische betekenis.
Tegenover de houding van de Jezuïeten staat die van de Chinezen. Ook bij hen valt deze in de eerste plaats af te leiden
uit hun wijze van reageren. Voortdurend zijn wij getuige van hun verwarring, hun weifeling, hun angst, hun radeloosheid. Op het kritieke ogenblik vinden zij geen andere uitweg dan de vlucht in de zelfmoord of de verloochening van hun trouw. De achtergrond, waaruit dit alles voortkomt, wordt ons getekend in de beide gesprekken van keizerin Jasmijn met pater Schal. Haar ‘geloof’ blijkt slechts te bestaan uit angst voor dromen en voortekens. In plaats van kracht te verlenen, bevordert het de paniek. Tegenover het getuigenis van de Jezuïeten kan de keizerin als het hare slechts stellen: ‘Gedachten pijnigen de zinnen om al 't geen // Ons sedert eene wijl een droevigh voorspook scheen’ (vs. 535-536).
Wij hebben ons zo even de vraag gesteld, of het ontbreken van een initium felix wellicht, evenals in Batavische gebroeders, toegeschreven moest worden aan de eisen van het tweede motief. Nu wij dit laatste nader hebben bezien, geloof ik dat wij daarop een bevestigend antwoord dienen te geven. Aangezien de missionarissen slechts passief bij de handeling betrokken zijn, was het gevaar niet denkbeeldig, dat hun geloofshouding bij toeschouwers en lezers minder de aandacht zou trekken dan met de exemplarische betekenis daarvan verenigbaar was. Om daaraan tegemoet te komen moest Vondel de ontbrekende kwalitatieve nadruk vervangen door een kwantitatieve, en hun reactie op gevaar en nood door het gehele stuk heen onafgebroken tegenover die van de Chinezen stellen. Met het oog daarop kon hij ook in de eerste bedrijven de onrust en de dreiging niet missen. Versterking van het effect der peripeteia was minder urgent dan de noodzaak te doen uitkomen hoezeer de Jezuïeten saevis tranquilli in undis vermochten te zijn.
Het dualiteitsmotief is in de Zungchin secundair, en daarom beheerst de exemplarisch-emblematische strekking de structuur van het drama slechts voor zover dit mogelijk was zonder de centrale plaats van de peripeteia aan te tasten. Toch krijgt ook deze laatste daardoor onwillekeurig een enigszins ander karakter. Zij wordt er door geplaatst in het verband van de verhouding tussen de mens en God.
Dat maakt de Zungchin tot een even belangrijk als merkwaardig moment in Vondels dramaturgische ontwikkelingsgang! Na 1660 had hij in acht opeenvolgende tragedies alle aandacht geconcentreerd op de staetveranderinge, zonder er toe te komen deze in ruimer verband te zien dan het bijzondere geval dat hem bezig hield. Nu voor het eerst probeert hij dit wèl te doen. Anders gezegd: nu voor het eerst zoekt hij naar een synthese tussen zijn nieuwe en zijn oude opvatting van de tragedie.
In zijn tachtigste jaar waagt hij zich aan een nieuw experiment!
Wat wij bij Vondel reeds vaker hebben opgemerkt, herhaalt zich ook hier: bij de eerste poging is zijn experiment geen overtuigend succes geworden. Dat is ditmaal echter niet zozeer een gevolg van de structurele moeilijkheden, waarvoor de synthese van peripeteïsch en emblematisch drama hem stelde, als wel van de behandelde stof. Ondanks zijn ijverige voorstudie was de Chinese wereld hem uiteraard vreemd gebleven. In het algemeen heeft Duyvendak ongetwijfeld gelijk, wanneer hij de missie en het Christendom ‘het eenige element in de situatie’ noemt dat Vondel begreep1. Ik geloof dan ook, dat wij het in de eerste plaats dááraan moeten toeschrijven, dat de ‘geloofshouding’ van de Chinezen tegenover die van de Jezuïeten nauwelijks gestalte krijgt. In de scènes, waarin uitsluitend Chinezen optreden, houdt Vondel zich angstvallig aan de gegevens die hij in zijn bronnen gevonden had. Nergens komt het tot een discussie, die dieper gaat dan de uiterlijke feiten en een enigszins principiële levensbeschouwing aan het licht brengt. Blijkbaar heeft de dichter begrepen, dat hij beter deed zich daaraan niet te wagen. Structurele onmacht is hier zeker niet in het geding, al wordt de structuur van het drama er ernstig door verzwakt. Het gevolg is namelijk, dat bij de uitwerking van de dualiteit niet alleen het nodige evenwicht tussen de beide standpunten ontbreekt, maar zelfs geen eigenlijk heidens beginsel tegenover het Christelijke komt te staan. En dit leidt er weer toe, dat het
optreden van de missionarissen een te zelfstandig karakter krijgt en de indruk maakt niet voldoende in het geheel van de tragedie geïntegreerd te zijn.
Dat Vondel inderdaad getracht heeft Christendom en heidendom principieel tegenover elkaar te stellen, blijkt uit de beide dialogen tussen de keizerin en pater Schal. Uit compositorisch oogpunt zou het effect overtuigender zijn geweest, als deze gesprekken hadden plaats gevonden tussen Schal en Zungchin zelf. De historische feiten lieten een dergelijke oplossing echter niet toe: ‘Pater Schal, hoe geëerd en invloedrijk ook, was immers nooit persoonlijk door de keizer ontvangen’1. Het is overigens niet omdat Vondel zich op dit punt aan de historie gehouden heeft, dat de bewuste dialogen het beoogde doel niet bereiken. De oorzaak ligt weer in de vage, aarzelende typering van het ‘Chinese geloof’ bij de keizerin, een typering die zich beperkt tot het vermelden van haar bijgelovige angst voor dromen en