terug  begin  verderprepost
[p. 569]

Toegift (1668)

[p. 571]

Hoofdstuk XI
Feniciaensche
1668

Evenals zijn laatste oorspronkelijke tragedies zijn ook Vondels twee laatste vertalingen in éénzelfde jaar verschenen: de Feniciaensche en de Herkules in Trachin zagen beide in 1668 het licht. Anders dan bij Zungchin en Noah heeft het ditmaal echter geen zin op het probleem van de prioriteit in te gaan. Niet alleen is Vondels ontwikkelingsgang als dramaturg met de Noah afgesloten, maar bovendien kunnen vergelijking en interne kritiek geen enkel resultaat opleveren, nu het hier om het werk van andere dichters gaat. Wij kunnen daarom niet beter doen dan de volgorde van Geeraardt Brandt handhaven, die zich op dit punt trouwens zeer positief uitlaat. Bij zijn opsomming van de treurspelen, die Vondel na Jeptha schreef, noemt hij als de twee laatste: ‘Euripides Feniciaansche of gebroeders van Thebe: en eindelyk Herkules in Trachin van Sophokles’1.

Het verdient opmerking, dat Vondel bij zijn ‘toegift’ van 1668 dezelfde onpartijdigheid ten opzichte van de vraag naar de superioriteit van Sophocles of Euripides aan de dag legt als bij zijn vertaling van Ifigenie in Tauren2. Ook nu handhaaft hij een voorkeurloos evenwicht door van beìde dichters een tragedie te vertalen en hen zodoende als gelijkwaardig naast elkaar te plaatsen.

Bij de bespreking van Ifigenie in Tauren heb ik uiteengezet,

[p. 572]

waarom ik - in afwijking van Meerwaldt - niet geloof dat Vondel zijn vertalingen-in-dichtvorm van de Griekse tragici in hoofdzaak reeds in een vroegere periode geschreven had, zodat hij voor de uitgave kon volstaan met afwerken en polijsten1. Ook voor de Feniciaensche en de Herkules in Trachin ga ik er dus van uit, dat zij eerst met het oog op de voorgenomen publikatie in dichtvorm gebracht zijn, naar alle waarschijnlijkheid op basis van een oudere, al dan niet volledige, prozavertaling.

 

Vondel droeg zijn vertaling van de Feniciaensche op aan de vier ‘Regeerende Burgermeesteren en Raeden van Amsterdam’, die hem op 10 augustus 1668 met behoud van wedde ontslag verleenden als boekhouder bij de Bank van Lening. Al wordt dit feit in de Opdracht2 niet vermeld, toch moeten wij deze toewijding ongetwijfeld zien als een bewijs van grote erkentelijkheid van de dichter voor de ‘gunst en weldaadt’3, die de Heren hem met hun besluit bewezen hadden. Er volgt dan tevens uit, dat de Opdracht ná 10 augustus 1668 geschreven moet zijn en de Feniciaensche eerst in de laatste maanden van het jaar verschenen is.

De Opdracht zelf is voor Vondels doen bijzonder kort en valt uiteen in twee, slechts los met elkaar verbonden gedeelten. In het eerste maakt Vondel naar aanleiding van Euripides' drama enkele - weinig diepgaande - opmerkingen over staetzucht en broedertwist; in het tweede herinnert hij aan de beroemde Latijnse vertaling, die Hugo de Groot indertijd van deze tragedie gemaakt had: de Phoenissae. Met trots voegt hij aan dit laatste toe, dat Grotius hem uit Parijs een exemplaar van dit werk had toegezonden; zoals wij in een vorig hoofdstuk hebben gezien, moet dit in 1635 of kort daarna zijn gebeurd4.

In ons verband is de opmerking over de Phoenissae het belangrijkst. Uit Vondels werk valt af te leiden, hoe grondig hij

[p. 573]

het boekje van zijn bewonderde vriend heeft bestudeerd. Het Berecht voor Jeptha en de Opdracht van Ifigenie in Tauren zijn - vooral ook naar de vorm - ondenkbaar zonder de Prolegomena, die Grotius aan zijn teksteditie en Latijnse vertaling van Euripides' drama had laten voorafgaan1. De voorkeur voor een absolute eenheid van plaats, die Vondel ook na Jeptha aan de dag legt, berust op een opmerking in diezelfde Prolegomena2; de manier waarop hij die absolute eenheid realiseert - steeds dezelfde! - is ontleend aan de praktijk van Euripides. Bekendheid met de Phcenissae blijkt ook uit het feit dat de ‘lang geslete spreuck’, die in de Opdracht van Adonias zonder bronvermelding wordt geciteerd, vrijwel woordelijk in deze tragedie is terug te vinden3.

Het ligt dan ook voor de hand, dat Vondel voor zijn werk aan de Feniciaensche opnieuw naar datzelfde boekje gegrepen heeft. Zoals wij reeds eerder hebben gezien, ging hij bij zijn overzettingen van Griekse tragedies nooit rechtstreeks van het Grieks uit, maar volgde hij steeds een Latijnse vertaling, al raadpleegde hij daarnaast ook wel eens de oorspronkelijke tekst. En welke vertaling kon hij in dit geval beter als intermediair kiezen dan die van Grotius, waarmee hij al zo lang vertrouwd was en die hij bij de bestudering van Euripides' drama waarschijnlijk reeds - naar zijn oude gewoonte - voor een groot deel in Nederlands proza had overgebracht?

Uit de onderzoekingen van Geerts4 en Meerwaldt5 is ge-

[p. 574]

bleken, dat de Feniciaensche inderdaad voor het overgrote deel een vertaling zijn naar de Latijnse Phoenissae van Grotius. Maar Vondel heeft óók de editie van Euripides' tragedie geraadpleegd, zoals hij die vond in de tweetalige verzamel-uitgave die hij reeds voor Koning Edipus en Ifigenie in Tauren had gebruikt1: Poëtae Graeci veteres (1614). Daarin trof hij naast de Griekse tekst (volgens Commelinus) nog een andere Latijnse vertaling aan, en wel die van Aemilius Portus. Hier en daar blijkt hij aan deze laatste vertaling de voorkeur gegeven te hebben boven die van Grotius; naar de redenen daarvoor kunnen wij slechts gissen. Wat de oorspronkelijke tekst betreft, constateert Geerts: ‘Er is nergens met zekerheid een vers aan te wijzen dat rechtstreeks uit het Grieks is vertaald’2; Meerwaldt drukt zich op dit punt wat minder positief uit, maar wekt toch dezelfde indruk3.

 

Vondels titel Feniciaensche is een letterlijke weergave van Φοίνισσαι, Phoenissae: Fenicische vrouwen. Zo wordt de tragedie van Euripides genoemd naar de Rey, die uit jonge Fenicische vrouwen bestaat. Deze vrouwen zijn door hun landgenoten, uit dankbaarheid voor een behaalde overwinning, aan de tempel van Apollo in Delphi geschonken, maar op hun reis daarheen in Thebe door de oorlogsomstandigheden verrast zodat zij hun tocht niet onmiddellijk kunnen voortzetten. Aangezien ook de Thebanen van Fenicische afkomst zijn, beschouwen de vrouwen hen als stamgenoten en voelen zij zich betrokken bij alles wat er gebeurt. - Meerwaldt wijst er op, dat Grotius ten onrechte in deze vrouwen een deel van de oorlogsbuit heeft gezien die de Feniciërs op hun vijanden hadden behaald, in plaats van een wijgeschenk uit eigen dochters als bewijs van hun dankbaarheid voor de overwinning. Vondel neemt deze voorstelling over en spreekt daarom van ‘gevange nonnen’ en van ‘oorloghsroof’ (vs. 235-236)4.

[p. 575]

Blijkbaar achtte Vondel de traditionele titel te bekend - in de eerste plaats wel dank zij Grotius' vertaling - dan dat het nodig of wenselijk kon zijn die, zoals hij dit bij de Herkules in Trachin wèl deed1, te vervangen door een andere waarin de inhoud van het drama duidelijker werd aangegeven. Intussen kwam hij toch enigszins tegemoet aan het bezwaar van onduidelijkheid door de toevoeging van een subtitel: ‘of Gebroeders van Thebe’.

De gebroeders, op wie deze tweede titel duidt, zijn Eteokles en Polynices, de beide zonen van Oidipous. In zekere zin is deze tragedie namelijk een vervolg op de gebeurtenissen, die door Sophocles in de Οἰδίπους τύραννος waren uitgebeeld, al sluit de uitgangssituatie van Euripides niet precies bij het slot van dit drama aan. Om te beginnen is er bij Sophocles geen sprake van zonen uit het huwelijk van Oidipous en Jokaste. In de tweede plaats pleegt Jokaste aan het einde van diens drama zelfmoord, terwijl zij hier nog steeds in leven is. Ook het lot van Oidipous zelf is bij Euripides enigszins anders dan bij zijn voorganger. De ongelukkige vorst van Thebe heeft na de ontdekking van zijn schuld wel zijn ogen uitgestoken, maar is niet in ballingschap gegaan. Zijn beide zonen houden hem in het paleis gevangen om de schande te verbergen die aan hem kleeft. Oidipous heeft daarop gereageerd ‘door dol vervloeken van zijn kindren, niet te heelen’2 (vs. 69). En het is de werking van deze vloek, die Euripides in zijn tragedie ten tonele brengt.

Eteokles en Polynices, aan wie na de uitschakeling van Oidipous het bestuur over Thebe was toegevallen, hadden de afspraak gemaakt bij toerbeurt telkens voor één jaar het koningschap te zullen bekleden. Na afloop van zijn jaar weigerde Eteokles echter tijdelijk plaats te maken voor zijn jongere broer. Deze trok toen naar Argos, werd daar de schoonzoon van koning Adrastos en verkreeg diens steun om met geweld zijn rechten op Thebe te doen gelden. Als
[p. 576]
de tragedie begint, ligt het machtige leger van de Argiven en hun bondgenoten, onder aanvoering van zeven beroemde veldheren, voor Thebe en bereidt een aanval voor op de zeven poorten van de stad.
Jokaste probeert een broederstrijd te voorkomen door haar beide zonen voor onderling overleg bijeen te brengen. Maar ondanks haar smekende aandrang heeft de bespreking geen enkel resultaat. Eteokles weigert hardnekkig afstand te doen van de kroon en verwijt zijn broer met harde woorden diens optrekken tegen zijn vaderstad. Polynices van zijn kant houdt vast aan de gemaakte afspraak en aan zijn recht. Nog verbitterder dan zij samengekomen zijn gaan de twee broers uit elkaar. Daarmee is de strijd onvermijdelijk geworden. De grote aanval op Thebe vindt plaats. Menoikeus, zoon van Jokaste's broeder Kreoon, beneemt zichzelf het leven om te voldoen aan de eis der goden, die bij monde van de waarzegger Teiresias de overwinning afhankelijk hadden gesteld van zijn dood. Nu aan deze voorwaarde voldaan is, worden de aanvallers aan alle poorten teruggeslagen. Om een hernieuwde strijd te voorkomen, besluiten Eteokles en Polynices een tweekamp tussen hen over de afloop van de oorlog te laten beslissen. In dit duel vinden zij beiden de dood. Intussen heeft Jokaste zich, op het bericht van de aanstaande tweekamp, met haar dochter Antigone naar het leger gehaast om nog een wanhopige poging te doen haar zonen van elkaar te scheiden. Zij komt echter te laat. Vertwijfeld stoot zij zich dan het zwaard van Polynices in de borst: ‘daer sneuveltze, omgekomen // In 't midden van de zoons, in haeren arm gevat’ (vs. 1588b-1589). Nu door de dood van beide broers de tweekamp onbeslist is gebleven, ontbrandt de strijd tussen Argiven en Thebanen opnieuw, waarbij de eersten - nog steeds dank zij het offer van Menoikeus - vernietigend worden verslagen. In Thebe aanvaardt nu Kreoon de heerschappij. Hij verbant Oidipous, oorzaak van de vloek die op Thebe rust, uit de stad, en geeft bevel het lijk van Polynices, die
[p. 577]
strijd voerde tegen zijn vaderstad, onbegraven te laten. Verder kondigt hij het huwelijk van Antigone met zijn zoon Haimoon aan. Maar Antigone weigert dit huwelijk en verzet zich heftig tegen de smaad, die het lijk van Polynices wordt aangedaan. Als geleidster en verzorgster van haar blinde vader gaat zij met hem mee in ballingschap.

Wat Van Lennep over de vertaling van Ifigenie in Tauren opmerkte1, geldt evenzeer voor die van de Feniciaensche. Ook hier is Vondel in het algemeen ‘niet de groote dichter, dien wy anders in hem kennen’; ook hier is hij ‘niet zelden duister en verward’ en doet dit bezwaar zich het sterkst gelden in de reien. Zonder de uitvoerige toelichtingen van Meerwaldt, die telkens Vondels bedoelingen verduidelijkt of diens vergissingen herstelt met een letterlijke vertaling van de corresponderende tekst bij Grotius en Euripides, is deze overzetting eigenlijk nauwelijks te volgen, met name niet in de details. Voor een deel is dit het gevolg van de vele mythologische, legendarische en geografische namen en bijzonderheden, die in het drama voorkomen en voor ons vaak niet zonder meer begrijpelijk zijn. Maar dat is toch niet de voornaamste oorzaak van Vondels ‘duisterheid’. Deze moet - nog afgezien van de grotere en kleinere onjuistheden in de vertaling - vooral worden toegeschreven aan een gewrongen zinsconstructie en een stroeve stijl die ons telkens weer voor raadsels stellen. Ik geef daarvan ter illustratie twee voorbeelden. Als in vs. 314 Polynices zich aan de Rey van Fenicische vrouwen voorstelt, zegt hij: ‘Ik ben uit Laius, zoon van Edipus, geboren’. De argeloze lezer kan daaruit moeilijk iets anders opmaken dan dat Polynices de zoon van Laius en de kleinzoon van Edipus zou zijn; de bedoeling is echter: Ik ben, als zoon van Edipus, uit het geslacht van Laius geboren. Iets dergelijks doet zich voor in vs. 1173-1175, waar de Rey (naar aanleiding van de zelfopoffering van Menoikeus) de wens uitspreekt dat ‘De dagh eens opquaem, die ons moeder // Wou kroonen met een kroost //

[p. 578]

En dappren vaderlants behoeder’. De bedoeling is: dat de dag kwam die ons als moeders zegende met zùlk een kind, zó'n dappere behoeder van het vaderland.

Slechts hier en daar vinden wij iets terug van de brede heldere stijl en de stuwende vaart, die kenmerkend zijn voor Vondels oorspronkelijke tragedies. Goede, soms zelfs mooie versregels zijn minder zeldzaam, maar blijven toch te geïsoleerd om de waarde van het geheel te kunnen bepalen. Ook van zulk een regel wil ik een voorbeeld geven. Als Jokaste naar de bode luistert die haar vertelt dat de eerste aanval op Thebe is afgeslagen, merkt zij dat hij aarzelt verder te gaan met zijn verhaal. Begrijpelijkerwijze ziet hij er tegen op, mededeling te doen van de tweekamp die Eteokles en Polynices zijn overeengekomen. Zijn voortdurende uitwijken ontlokt aan Jokaste het verwijt: ‘Gy schaduwt ongeval met loof van ommewegen’ (vs. 1327): gij zijt er op uit, met het dichte lover van uw om-de-zaak-heen-praten een ramp in de schaduw te houden. Terecht tekenen Meerwaldt-Verdenius daarbij aan: ‘Het mooie beeld is van Vondel’. En ook elders klinkt de stem van de dichter zo wel eens door. Maar in het algemeen is veel meer de moeizame vertaler aan het woord dan de dichter.

 

Bij de bespreking van Ifigenie in Tauren hebben wij de opmerking gemaakt dat Vondel bij het vertalen van Griekse tragedies niet willekeurig te werk ging, maar van geval tot geval een bepaalde reden had voor zijn keuze1. Wij dienen dus nog na te gaan, wat hem er toe gebracht heeft juist de Feniciaensche in het Nederlands over te brengen.

In de Φοίνισσαι zelf is daarvoor geen overtuigend aanknopingspunt te vinden. Euripides' stuk sluit in geen enkel opzicht aan bij de synthese tussen drama van staetveranderinge en exemplarisch-emblematisch drama, die Vondel in de Noah bereikt had. Wat hij als de twee ‘hooftcieraden’ van de tragedie beschouwde, kon hij er nauwelijks in terugvinden: de agnitio

[p. 579]

ontbreekt geheel1, terwijl de peripeteia geen verbijsterende overgang is van geluk naar ongeluk of omgekeerd. Reeds aan het begin van het drama overheerst het ongeluk; het gaat van scène tot scène verder en bereikt tenslotte zijn climax, maar van een eigenlijke peripeteïsche antithese is geen sprake. Ook de grondgedachte van de tragedie kan Vondel moeilijk sterk hebben aangesproken. In de Opdracht van zijn vertaling wijst hij op de staetzucht, maar hij zal er zich stellig bewust van geweest zijn dat deze niet het eigenlijke kernmotief vormt. Het is inderdaad staetzucht, die er Eteokles toe brengt ondanks de afspraak met zijn broer aan de heerschappij over Thebe vast te houden. Maar het optreden van Polynices kan niet zonder meer aan ‘onverzaetzaeme heerschzucht’ worden toegeschreven; daarvoor is het te veel verbonden met zijn recht. Bovendien gaat het niet alleen om de twee broers, maar ook om Jokaste en Antigone, om Menoikeus en Kreoon, d.w.z. om allen die met Oidipous in betrekking staan. De vloek die op hem rust, en de vloek die hij over zijn zonen heeft uitgesproken, vormen in de tragedie de drijvende kracht - niet de staetzucht van Eteokles.

Ik geloof daarom, dat wij de aanleiding tot Vondels vertaling moeten zoeken in een externe factor. Wellicht heeft de dichter het gevoel gehad, dat hij tegenover Hugo de Groot iets had goed te maken, nu hij in 1666 ondanks diens uitgesproken bewondering voor de Φοίνισσαι zelf aan de Ἰφιγένεια ἡ ἐν Ταύροις de voorkeur gegeven had. En hoe kon hij beter doen uitkomen dat dit niet moest worden beschouwd als een verwerping van Grotius' oordeel dan door nu ook diens lievelingsdrama in het Nederlands over te brengen? Hoe dit ook zij, ik ben er van overtuigd dat de Feniciaensche in de eerste plaats bedoeld zijn om Hugo de Groot te eren. Ik sluit mij geheel aan bij de conclusie waartoe Meerwaldt komt: ‘Zo heeft Vondel dan ook zijn eigen vertaling in de eerste plaats bedoeld als een persoonlijke hulde aan den kunstzinnigen geleerde, die als het ware den Grieksen dichter zelf Latijn had leren spreken’2.

1Geeraardt Brandt, Het Leven van Joost van den Vondel, ed. Dr. P. Leendertz Jr. ('s-Gravenhage 1932), pag. 53.
2Zie boven, pag. 432-433.
1Zie boven, pag. 433-435.
2WB X, pag. 463-465.
3Geeraardt Brandt, Leven van Vondel, pag. 51.
4Zie boven, pag. 434.
1Zie Deel II, pag. 301-304; boven, pag. 442-446.
2Zie Deel II, pag. 300.
3Deze ‘spreuck’ luidt:
 
Indien men voor geen rechtbreuck schroom,
 
Bedrijf gewelt
 
Als 't kroonen gelt:
 
In andre zaecken hou u vroom.
 
(WB IX, pag. 306, reg. 16-19)
Men vergelijke daarmee Feniciaensche, vs. 531-532:
 
Want wil men 't heiligh recht schoffeeren, vier den toom,
 
Wanneer 't een kroon kost: blijf in andren handel vroom.
 
(WB X, pag. 489).
4A.M.F.B. Geerts, Vondel als classicus bij de Humanisten in de leer, diss. Utrecht (Tongerloo 1932), pag. 239-246.
5J.D. Meerwaldt verzorgde de ‘klassieke’ annotatie bij de uitgave van Feniciaensche in WB X, pag. 458-544; de ‘niet-klassieke’ aantekeningen zijn van A.A. Verdenius.
1Zie Deel II, pag. 383; boven, pag. 436.
2A.M.F.B. Geerts, Vondel als classicus, pag. 246.
3WB X, pag. 460.
4WB X, pag. 477, ‘Inleidende Opmerkingen voor de Rey’ in de annotatie.
1Zie beneden, pag. 580.
2Niet te heelen: niet meer ongedaan te maken.
1Zie boven, pag. 441-442.
1Zie boven, pag. 435.
1Zie boven, pag. 433 en 444.
2WB X, pag. 459.
prepostterug  begin  verder