terug  begin  verderprepost
[p. 580]

Hoofdstuk XII
Herkules in Trachin
1668

De eigenlijke titel van Sophocles' tragedie over de dood van Herkules luidt Τραχίνιαι, Trachiniae: Trachinische vrouwen. Daarmee worden de ‘Hofjoffers’ van Herkules' gemalin Deïaneira bedoeld, die in het drama de Rey vormen. In tegenstelling tot wat hij bij de Feniciaensche had gedaan, verving Vondel ditmaal voor zijn vertaling de traditionele naam - waarschijnlijk omdat hij die niet bekend genoeg achtte om voor ieder begrijpelijk te zijn - door een titel die rechtstreekser de inhoud aanduidde: Herkules in Trachin1.

De onderzoekingen van Geerts2 en Meerwaldt3 hebben aan het licht gebracht, dat Vondel voor deze vertaling opnieuw de tweetalige verzameluitgave van de Poëtae Graeci veteres uit 1614 heeft gebruikt. En weer is het in de eerste plaats de daarin voorkomende Latijnse vertaling (door Vitus Winsemius) van het drama, die aan zijn eigen overzetting ten grondslag ligt. Ditmaal echter kan er niet aan getwijfeld worden, dat hij daarnaast ook de Griekse tekst heeft geraadpleegd; er komen hier en daar plaatsen voor, waar ‘Vondels vertaling duidelijk alleen met het Grieks (tegenover het afwijkende Latijn) overeenstemt’4.

[p. 581]

Na wat wij in het vorige hoofdstuk over het gehalte van de vertaling der Feniciaensche hebben opgemerkt1, kunnen wij over dat van Herkules in Trachin kort zijn. Dezelfde bezwaren gelden ook hier. Opnieuw blijkt dat Vondel als vertaler van Griekse tragedies ver beneden zijn eigen peil blijft, doordat de poëzie teloor gaat in de gewrongenheid en duisterheid van zijn weergave. Hoogstens valt daaraan toe te voegen, dat dit voor het eerste gedeelte in wat mindere mate geldt, zodat dit zich met meer genoegen laat lezen dan de rest.

 

Vondel heeft zijn vertaling opgedragen aan Jakob Hinlopen Vermaes, ‘Out bewintheere der Groenlantsche Maetschappye’2. Geerts, die terecht deze Opdracht3 ‘tamelijk onsamenhangend’ noemt, hoort er de echo in ‘van de literaire geschiedenissen der Neo-Platonische humanisten’, met duidelijke sporen van ‘de interpretatie-methode van Natalis Comes en verwante schrijvers’4. Meerwaldt onthoudt zich van het noemen van namen, maar komt in zijn annotatie tot de conclusie dat Vondel af en toe zijn bron(nen) verkeerd begrepen of slecht geëxcerpeerd moet hebben5.

De dichter begint met de verzekering, dat zijn vertaling niet als een aemulatio met het oorspronkelijke werk is bedoeld. Vervolgens vertelt hij een en ander over Sophocles, over de tragedies die Euripides en Seneca aan Herkules hebben gewijd, over de eer die Herkules in de Oudheid als god genoot, over de strijd tegen deze vergoddelijking gevoerd door de Kerkvader Lactantius. Naar aanleiding van dit laatste merkt hij op, dat het dwaasheid zou zijn in de vertaling het aanprijzen van ‘eenige Heidensche godtheit’ (reg. 67) te willen zien. Het gaat hier slechts om ‘een kostelijk overschot, en volkomen voorbeelt van den

[p. 582]

ouden tijt’ (reg. 70-71). In het bijzonder vraagt Vondel aandacht voor de voortreffelijke manier waarop ‘elke personaedje hier, naer heuren staet en eisch, zich zelve natuurlijk, zonder eenige opgeblazenheit, uitbeelt’ (reg. 77-79), d.w.z. voor de gelukkige en natuurlijke karaktertekening. Verder wijst hij er op, dat Sophocles' tragedie verre de kroon spant boven de Hercules furens en de Hercules Oetaeus1 van Seneca. Bij vergelijking blijkt opnieuw, hoe geforceerd (reg. 84-85: ‘boven hunne kracht gespannen’), exclamatorisch en lawaaierig (reg. 85: ‘met luit roepen en stampen’) de Latijnse drama's zijn, terwijl de Griekse steeds ‘hunne natuurlijke stem bewaeren’ (reg. 86-87) en daarom in poëtisch opzicht terecht ‘den prijs by d'allerwijste keurmeesters behouden’ (reg. 90).

In ons verband heeft vooral het slot van de Opdracht betekenis. Er blijkt namelijk uit, wat Vondel in de Τραχίνιαι het meest bewonderde: de overtuigende natuurlijkheid van karaktertekening en toon.

 

Herkules is op een van zijn tochten in vijandschap geraakt met Eurytos, koning van Oichalia op het eiland Euboia. Deze had namelijk geweigerd hem zijn dochter Iole tot minnares te geven en hem smadelijk weggejaagd. Enige jaren later neemt Herkules wraak door verraderlijk een van Eurytos' zonen te doden. Tot straf daarvoor moet hij op bevel van het orakel van Delphi een jaar lang de Lydische koningin Omphale als slaaf dienen. Na afloop van zijn straftijd wreekt hij zich opnieuw op Eurytos, die hij als oorzaak van zijn vernedering beschouwt, door Oichalia te veroveren, de koning en diens zonen te doden, en Iole tot zijn slavin en bijzit te maken.

Als het drama begint, zijn er vijftien maanden verlopen, sedert Herkules zijn vrouw Deïaneira met haar kinderen in Trachis achterliet. Deïaneira begint zich over dit lange uitblijven ongerust te maken. Wanneer haar zoon Hyllos
[p. 583]
blijkt te weten dat Herkules de stad Oichalia heeft aangevallen, zendt zij hem daarheen om zijn vader ‘als een noothulp, by te staen’ (vs. 84b). Kort daarop komt een oude man de blijde tijding brengen van Herkules' spoedige thuiskomst. Hij heeft - zo vertelt hij - Lichas gesproken, de ‘schiltknaep’ van Herkules, door zijn meester vooruitgezonden als heraut van diens overwinning en als begeleider van de oorlogsbuit. Herkules zelf kan eerst later volgen, omdat hij tevoren nog een dankoffer aan de goden moet brengen.
Enige tijd later staat Lichas voor Deïaneira en bevestigt de mededelingen van de eerste bode. Onder de gevangen vrouwen, die hij meebrengt, bevindt zich ook Iole; hij verzwijgt dit echter voor zijn meesteres en doet zelfs of hij de ongelukkige koningsdochter niet kent. Buiten de stad heeft hij evenwel vrij-uit over de verhouding tussen Herkules en Iole gesproken. Ook de eerste bode heeft hem toen gehoord, en deze stelt nu Deïaneira op de hoogte. Wanneer zij Lichas nader ondervraagt, moet hij wel voor de waarheid uitkomen. Deïaneira veinst in deze nieuwe liefde van haar man te berusten, maar besluit - in overleg met haar vrouwen - een poging te doen hem voor zich terug te winnen. Zij geeft Lichas een prachtig feestkleed voor Herkules mee, dat deze bij het brengen van zijn dankoffer moet dragen. In het geheim heeft zij dit kleed bestreken met het bloed van de vroeger door Herkules gedode centaur Nessos. Stervende had Nessos haar namelijk aangeraden zijn bloed op te vangen en zorgvuldig te bewaren, omdat het een liefde-wekkend tovermiddel zou zijn. In werkelijkheid echter is dit bloed een vergif dat alles verteert en verbrandt waarmee het in aanraking komt. Eerst als Lichas reeds met het feestkleed vertrokken is, krijgt Deïaneira een vermoeden omtrent de ware aard van het centaurenbloed. In grote onrust deelt zij haar vrouwen mee vastbesloten te zijn, ‘Zoo hem iet quaets gebeur', te scheiden uit dit leven, // Op eenen oogenblik’ (vs. 728-729a).
[p. 584]
Haar ergste vrees wordt bewaarheid. Hyllos keert terug en vervloekt zijn moeder als de moordenares van zijn vader. Hij is er getuige van geweest, hoe het vergif uit het feestkleed Herkules' lichaam heeft aangetast en in onduldbare pijnen langzaam doet wegbranden. Zonder een woord om zich te verdedigen trekt Deïaneira zich in haar vertrekken terug en beneemt zich daar het leven. Intussen wordt Herkules stervende op een draagbaar thuis gebracht. Razend van pijn vervloekt hij zijn vrouw die hem dit heeft aangedaan, en eist van Hyllos haar bij hem te brengen zodat hij haar straffen kan. Hyllos, die nu weet dat zijn moeder te goeder trouw heeft gehandeld, stelt zijn vader op de hoogte van haar onschuld en haar dood. Dan begrijpt Herkules, dat zijn lot de vervulling is van een tweetal tot nu toe onbegrepen orakels: het is fatum. In zijn ondraaglijke pijn dreigt hij zijn zoon met de ergste vervloekingen, als deze niet aan zijn laatste bevelen gehoorzaamt. Hyllos moet hem naar de top van de nabij-gelegen berg Oite (Oeta) brengen, en daar op een brandstapel levend verbranden; daarna moet hij dan Iole tot vrouw nemen. Eerst na langdurig verzet aanvaardt Hyllos deze verschrikkelijke opdracht - onbewust van het feit dat de verbranding tot de hemelvaart en vergoddelijking van zijn vader zal leiden. Hij ziet slechts diens onmenselijk lijden en hoort de smartelijke klacht: ‘Gy weet hoe my de goôn mishandlen, zonder schult // Verlaeten in dien noot’ (vs. 1244-1245a). Inderdaad: de goden; het gaat hier om een jammerlijke ellende, ‘Waer van Jupijn alleen de schult wort toegeschreven’1 (vs. 1254).

Evenmin als bij de Φοίνισσαι, is er in de inhoud of structuur van Sophocles' tragedie iets te vinden, dat verklaart waarom Vondel ze juist in deze tijd in Nederlandse verzen overbracht.

[p. 585]

Een agnitio ontbreekt ditmaal niet: zij doet zich gelden wanneer Herkules de zin van de vroeger onbegrijpelijke orakels gaat verstaan en inziet dat zijn sterven noodlot is; en eigenlijk ook reeds, als Deïaneira de ware aard van het centaurenbloed onderkent, dat zij als liefdesmiddel heeft gebruikt. Maar zij dient slechts om te onderstrepen, hoe alles wat mensen proberen en willen en doen, uiteindelijk blijkt bij te dragen tot de vervulling van het onafwendbare Fatum. De peripeteia is antithetischer dan in de Φοίνισσαι, in zoverre Herkules in de triomf van zijn overwinning onverwachts ten onder gaat. Maar er wordt op deze tegenstelling geen enkele nadruk gelegd; de overwinnaar is slechts in zijn lijden zichtbaar, als slachtoffer van het Fatum. Beide ‘hooftcieraden’ zijn hier te veel dienstbaar gemaakt aan de uitbeelding van het Noodlot dan dat zij konden spreken tot het hart van iemand, die als Christen principieel de noodlotsgedachte verwierp. Er blijft dan slechts de natuurlijkheid van karaktertekening en toon over, die Vondel in zijn Opdracht met bewondering vermeldt. Die bewondering zal stellig invloed hebben gehad op zijn keuze, maar lijkt toch eerder aannemelijk als bijkomende dan als primaire reden voor het ondernemen van een vertaling.

Ook bij de Herkules in Trachin geloof ik daarom aan een externe factor als eigenlijke aanleiding voor Vondel om aan het werk te gaan. Om te beginnen moest na de Feniciaensche het evenwicht tussen Euripides en Sophocles weer worden hersteld door vertaling van een tragedie van de laatste. En het lijkt mij allerminst onwaarschijnlijk dat Vondels keuze op de Τραχίνιαι viel, omdat dit drama zoveel betekenis had gehad voor de onttroning van Seneca als vorst der tragedie-dichters door Heinsius, Grotius en Vossius. Meerwaldt wijst er op, dat zowel Heinsius als Vossius de superioriteit van de Griekse tragici hebben geïllustreerd door de Τραχίνιαι tegenover de Hercules Oetaeus van Seneca te stellen; hij noemt daarbij o.m. Vossius' De imitatione (1647), waarin deze ‘juist deze beide stukken (kiest) als voorbeelden ter demonstratie van het verschil tussen Griekse tragische kunst en Latijnse declamatoren-rhe-

[p. 586]

toriek1. Aan het slot van zijn Opdracht maakt Vondel deze zelfde tegenstelling. Weliswaar is hij daar uitvoeriger dan Vossius2, maar misschien steunt hij meer op de herinnering aan een gesprek met zijn vroegere leermeester dan op diens gedrukte tekst. Het is immers zeer waarschijnlijk dat juist Vossius - in een van de gesprekken die er toe hebben geleid dat Vondel zijn bewondering overdroeg van Seneca op de Griekse tragici3 - hem voor het eerst gewezen heeft op het typerende verschil tussen de Herkules-tragedies van Sophocles en van Seneca. Wellicht is dit voor Vondel aanleiding geweest de Τραχίνιαι nader te gaan bestuderen door ze, geheel of gedeeltelijk, in Nederlands proza over te brengen met behulp van een Latijnse vertaling. Als deze veronderstellingen juist zijn, heeft Sophocles' drama een rol gespeeld bij een belangrijk moment in zijn artistieke ontwikkelingsgang.

Tegen deze achtergrond ben ik geneigd aan te nemen, dat Vondel zijn bewerking van Herkules in Trachin bedoeld heeft als een hulde aan de ‘allerwijste keurmeesters’4, die hem door hun werk de weg gewezen hadden naar een zuiverder inzicht in het wezen der tragedie. Hij noemt geen namen, maar denkt ongetwijfeld aan Heinsius, Grotius en Vossius, wellicht het meest aan de laatste. Met de Feniciaensche had hij Hugo de Groot geëerd; het herstel van het evenwicht tussen Euripides en Sophocles bood hem de kans met de Herkules in Trachin meer in het algemeen hulde te bewijzen aan zijn leermeesters, van wie er enkelen tevens zijn vrienden waren geweest.

Met zijn beide vertalingen van 1668 verdiept Vondel zich nog eens in het verleden en betuigt hij voor dat verleden zijn dank. Ik zie tenminste geen mogelijkheid een andere verklaring te vinden voor de keuze van juist déze drama's: drama's die in geen enkel opzicht aansluiten bij wat de dichter onmiddellijk tevoren

[p. 587]

in zijn eigen tragedies bleek bezig te houden. Hun bewerking en uitgave is een retrospectieve daad, die er op schijnt te wijzen dat Vondel zijn dramaturgische ontwikkeling en produktiviteit met de Noah inderdaad als afgesloten beschouwde.

Daarom kunnen zij naar mijn mening het best worden gekarakteriseerd als een toegift.

[p. 588]

Schematisch overzicht

jaar titel structuur grondmotief opmerkingen
Vijfde Periode
1660 koning david in ballingschap contrasterend-uitbeeldend de staetveranderinge de val van David als parallel van de val van Oidipous (met uitschakeling van het noodlotsmotief)
1660 koning david herstelt contrasterend-uitbeeldend de staetveranderinge  
1660 samson contrasterend-uitbeeldend de staetveranderinge  
1661 adonias contrasterend-uitbeeldend de staetveranderinge
tweede motief: rechtvaardiging en verheerlijking van Salomo, met name in de procesvoering
een geval van recht
trilogie van staetveranderinge en recht
1663 batavische gebroeders contrasterend-uitbeeldend de staetveranderinge tweede motief: uitbeelding van een volstrekt onrechtvaardige procesvoering een geval van onrecht
trilogie van staetveranderinge en recht
1663 faëton contrasterend-uitbeeldend de staetveranderinge tweede motief: de procesvoering in een twijfelgeval een geval van rechtvaardig onrecht
trilogie van staetveranderinge en recht
1664 adam in ballingschap contrasterend-uitbeeldend de staetveranderinge aemulerende imitatio van Grotius' Adamus exul
1666 Ifigenie in Tauren - - vertaling van Euripides' Ἰφιγένεια ἡ ἐν Ταύροις
1667 zungchin contrasterend-uitbeeldend, met een eerste (nog mislukte) poging tot synthese met de exemplarischemblematische structuur de staetveranderinge tweede motief: de dualiteit (geloof en heidendom)  
1667 noah overtuigende synthese van de contrasterend-uitbeeldende structuur van het drama van staetveranderinge en de exemplarischemblematische van het dualiteitsdrama de staetveranderinge tweede motief: de dualiteit (gehoorzaamheid of ongehoorzaamheid aan God) tezamen met Lucifer en Adam in ballingschap: trilogie van de verhouding tussen Gods straf en Gods genade
Toegift
1668 Feniciaensche - - vertaling van Euripides' Φοίνισσαι
1668 Herkules in Trachin - - vertaling van Sophocles' Τραχίνιαι

1Trachin of Trachis is een stad in Thessalië.
2A.M.F.B. Geerts, Vondel als classicus bij de Humanisten in de leer, diss. Utrecht (Tongerloo 1932), pag. 225-232.
3J.D. Meerwaldt verzorgde ook voor deze Vondel-vertaling de ‘klassieke’ annotatie in WB X, pag. 545-607, terwijl A.A. Verdenius opnieuw de ‘niet-klassieke’ tekstverklaring voor zijn rekening nam.
4WB X, pag. 555, ‘Algemene Opmerkingen’ in de annotatie.
1Zie boven, pag. 577-578.
2De Noordse of Groenlandse Compagnie, die van 1614-1645 het monopolie had van de walvisvangst in de Noordelijke IJszee.
3WB X, pag. 548-551. Bij mijn citaten vermeld ik tussen haakjes steeds de regelnummers in deze uitgave.
4A.M.F.B. Geerts, Vondel als classicus, pag. 94.
5Vgl. de annotatie bij reg. 39 en reg. 64-65, resp. op pag. 549 en 550 van WB X.
1Laatstgenoemde tragedie behandelt hetzelfde thema als de Herkules in Trachin. Vondel kende ze zó goed, dat in zijn vertaling naar Sophocles een viertal reminiscenties aan dit Senecaanse drama vallen op te merken (Meerwaldt, WB X, pag. 546, al. 4).
1Dit is bij Vondel de laatste versregel van het drama, in de mond gelegd van Hyllos. In zijn annotatie wijst Meerwaldt er op, dat de Griekse tekst hier onjuist is weergegeven. Ik geef echter toch dit citaat, omdat wij daarin de conclusie mogen zien, waartoe naar Vondels oordeel de tragedie leidde.
1WB X, pag. 546, al. 3.
2Meerwaldt verwijst, behalve naar De imitatione (cap. II, 2), ook nog naar Institutiones poëticae (Lib. I, cap. IV, 14).
3Zie Deel I, pag. 229.
4Uit de context in de Opdracht blijkt, dat daarmee de geleerden worden bedoeld die de Griekse tragedie boven de Senecaanse stelden; zie boven, pag. 582.

prepostterug  begin  verder